CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a Vaststelling omgevingsplan, deel I - regels

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling Omgevingsplan, deel I33.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

2 Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5.149, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; of b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.148 , tweede Lid onder b.

3 In afwijking van het tweede lid zijn personen die woonachtig zijn in een gestapelde woning vrijgesteld van gescheiden inzameling van GFT-afval.

4 Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 5.150 , eerste Lid onder d, buiten een perceel te laten staan.

5 Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, omver te werpen of deze anderszins te behandelen.

51

Paragraaf 5.8.3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 5.151 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen.

Artikel 5.152 Algemene regels inzameling De inzameldienst van huishoudelijke afvalstoffen verzamelt ook categorieën bedrijfsafvalstoffen die qua aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met de volgende huishoudelijke afvalstoffen: a. bij basisscholen voor wat betreft de inzameling van GFT-afval, papier en karton en plastic verpakkingen, blik en drankpakken; b. bij maatschappelijke organisaties voor wat betreft de inzameling van plastic verpakkingen, blik en drankpakken; en c. bij kantoren en winkels voor wat betreft de inzameling van kantoor-, winkel- en dienstenafval.

Artikel 5.153 Algemene regels aanbieden Bedrijven, maatschappelijke organisaties en scholen die volgens artikel 5.152 bedrijfsafvalstoffen aanbieden, bieden deze aan overeenkomstig de in paragraaf 5.8.2 gestelde regels.

Artikel 5.154 Algemene regels verboden Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst, over te dragen aan de inzameldienst of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5.148 , tweede Lid onder b, achter te laten, tenzij artikel 5.152 van toepassing is.

Paragraaf 5.8.4 Zwerfafval en overige Artikel 5.155 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het achterlaten van zwerfafval en autowrakken.

Artikel 5.156 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt in ieder geval in dat: a. huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, niet worden achtergelaten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen; b. reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in strijd met onderdeel a in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, onmiddelijk worden opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde; c. degene die een locatie drijft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, zorg draagt voor de aanwezigheid in of nabij de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval; d.

degene die een locatie drijft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen verwijderd die kennelijk uit de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan afkomstig zijn of voor de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de locatie waar de milieubelastende activiteit is toegestaan; e. een weg als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, niet verontreinigd wordt of het milieu niet nadelig wordt beïnvloed door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten; en f. degene die in strijd met onderdeel e de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever direct na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag zorgt voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 5.157 Algemene regels verboden 1

52

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan.

2 Het is verboden buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

3 Het tweede lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met dit omgevingsplan; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; en c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

4 Indien de overtreder van het tweede lid onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit lid.

5 Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan op te slaan, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 5.8.2 aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

53

Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Gedoogplichten Artikel 6.1 Gedoogplichten De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

54

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Afdeling 7.1 Kostenverhaal [gereserveerd]

55

Hoofdstuk 8 Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 8.1.1 Erfgoed Artikel 8.1 Gemeentelijk erfgoedregister 1 Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens dit omgevingsplan onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan de functie cultureel ergoed is toebedeeld.

2 Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

Artikel 8.2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten 1 Een monument of archeologisch monument kan worden aangewezen als gemeentelijk monument op basis van de volgende criteria: a. cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde; b. architectuurhistorische en esthetische waarde; c. ensemblewaarde; d. gaafheid; e. herkenbaarheid; en f. zeldzaamheid.

2 Naast de criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als gemeentelijk monument aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren: a. religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen die specifiek bij een kerk(genootschap) behoorden; b. agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling; c. militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken; d. industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling; e. herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; en f. lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld.

3 Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten; en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een omgevingsverordening.

Artikel 8.3 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om een gemeentelijk monument aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 8.4 Voorbescherming 1 De bescherming van paragraaf 5.6.2 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 8.3 is bekendgemaakt.

56

2 De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 8.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1 Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

2 De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 8.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1 De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2 Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 8.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1 In een spoedeisend geval kan een monument of archeologisch monument worden aangewezen als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8.6 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

2 Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 8.2.

3 Paragraaf 5.6.2 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument.

Artikel 8.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1 Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2 Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 8.1.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

3 Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 8.9 Aanwijzing beeldbepalende panden 1 Een pand kan worden aangewezen als beeldbepalend pand op basis van de volgende criteria: a. cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde; b. architectuurhistorische en esthetische waarde; c. ensemblewaarde;

57

d. gaafheid; e. herkenbaarheid; en f. zeldzaamheid.

2 Naast de criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als beeldbepalend aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren: a. religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen die specifiek bij een kerk(genootschap) behoorden; b. agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling; c. militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken; d. industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling; e. herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; en f. lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld;

Artikel 8.10 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om een beeldbepalend pand aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 8.11 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1 Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

2 De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het beeldbepalende pand, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het beeldbepalende pand.

Artikel 8.12 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Afdeling 8.2 Gemeentelijke projecten van publiek belang [gereserveerd] Afdeling 8.3 Advies Paragraaf 8.3.1 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 8.13 Taak en werkzaamheden Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 1 Er is een commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet.

2 De commissie heeft als taak de raad en burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

3 Ter uitvoering van haar taak: a. adviseert de commissieop verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: 1. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een (voorbeschermd) gemeentelijk momnument; 2. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op cultureel erfgoed; 3. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; 4. een andere activieit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het

58

bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; b. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het voornemen om toepassing te geven aan Artikel 12.11 , eerste Lid, in samenhang met Artikel 8.2; c. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument als bedoeld in Artikel 12.11 , tweede Lid, in samenhang met Artikel 8.7; d. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven, wijzigen of intrekken van de functie-aanduiding gemeentelijk monument; e. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het aan een locatie geven, wijzigen of intrekken van een functie-aanduiding anders dan gemeentelijk monument die betrekking heeft op cultureel erfgoed; f. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; g.

adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet en in andere gevallen waarin burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; h. informeert en begeleidt de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; i. voert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; j. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

Artikel 8.14 Verplichte advisering Burgemeester en wethouders winnen advies van de commissie in over een te nemen beslissing als bedoeld in Artikel 8.13, derde lid, onder a, onderdelen 1 ̊ tot en met 3 ,̊ en onder d en e.

Artikel 8.15 Samenstelling 1 De commissie bestaat uit minimaal 4 en maximaal 6 leden, de secretaris en de voorzitter daaronder begrepen. De raad kan daarnaast maximaal 6 plaatsvervangers benoemen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.

2 De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.

3 De commissie telt enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg.

4 De leden vertegenwoordigen in gezamenlijkheid een gebalanceerde samenstelling van disciplines zoals: cultuur-, bouw- en architectuurhistorie, restauratiebouwkunde en (restauratie-)architectuur, landschap, stedenbouw en architectuur.

5 De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.

Artikel 8.16 Benoeming 1 De leden en de plaatsvervangers worden voor een termijn van 4 jaar benoemd.

2

59

De raad benoemt de leden van de commissie nadat zij de commissie gevraagd heeft om een selectie en voordracht van kandidaat-leden.

3 Leden kunnen worden herbenoemd.

4 De raad herbenoemt de leden van de commissie nadat zij hierover bij de commissie advies heeft ingewonnen.

5 De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Daarnaast kunnen zij door burgemeester en wethouders worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 8.17 Ondersteuning van de commissie 1 Het secretariaat van de commissie berust bij Stichting MooiSticht.

2 Het secretariaat voert zijn taken zelfstandig uit en in afstemming met de voorzitter.

Artikel 8.18 Adviestermijn 1 De commissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit.

2 In afwijking van het eerste lid, brengt de commissie bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een reguliere procedure binnen twee weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk advies uit.

Artikel 8.19 Beraadslaging en standpuntbepaling 1 De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordelingen als de adviezen.

2 De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt.

3 Als een van de gronden van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, kunnen burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling.

4 De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft tijdens de vergadering de mogelijkheid de aanvraag toe te lichten.

5 Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste drie leden, de voorzitter daaronder niet inbegrepen.

6 De voorzitter van de commissie maakt geen deel uit van de besluitvorming.

7 Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit en een activiteit voor een gemeentelijk monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg.

8

60

Leden die als opdrachtgever, opdrachtnemer, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig.

Artikel 8.20 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie 1 De commissie kan de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, de secretaris of andere daartoe aangewezen personen.

2 De commissie kan zich door een of meer daartoe aangewezen leden, de secretaris of andere daartoe aangewezen personen laten vertegenwoordigen in kwaliteitsteams, omgevingsoverleggen en -tafels, regionaal bouwplanoverleg of enig ander overleg waarin een mandaat voor het nemen van besluiten benodigd is.

3 De aangewezen personen in geval van het eerste en tweede lid adviseren of nemen besluiten over zaken waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend mag worden verondersteld of waarbij de aangewezen personen beschikken over de relevante deskundigheid benodigd in de specifieke situatie. In geval van twijfel wordt de advisering alsnog overgelaten aan de commissie.

Artikel 8.21 Adviseurs 1 De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

2 De commissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

3 De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen.

Artikel 8.22 Verwerking van het advies In geval burgemeester en wethouders een beschikking geven in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de commissie.

Artikel 8.23 Reglement van orde 1 De commissie stelt haar werkwijze binnen de kaders van dit omgevingsplan nader vast in een reglement van orde.

2 In het reglement van orde komt ten minste aan orde: a. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; b. de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase en de beraadslagingen; c. de notulering en dossiervorming; d. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; e. de selectie en voordracht van kandidaat-leden.

3 Burgemeester en wethouders dragen zorg voor bekendmaking van het door de commissie vastgestelde reglement van orde in het Gemeenteblad.

Artikel 8.24 Relatie met andere adviseurs

61

Bij het aanstellen van een adviescommissie, supervisor, kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie dragen burgemeester en wethouders zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de commissie.

Artikel 8.25 Vergoeding De leden en de adviseurs als bedoeld in Artikel 8.21 , tweede Lid ontvangen een vergoeding op grond van de overeenkomst met Stichting MooiSticht.

Artikel 8.26 Jaarverslag 1 De commissie brengt jaarlijks voor 1 mei verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.

2 In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen.

Afdeling 8.4 Maatschappelijk draagvlak [gereserveerd] Afdeling 8.5 Andere bestuursorganen [gereserveerd] Afdeling 8.6 Overige procesregels Artikel 8.27 Aanwijzing collectieve festiviteit Burgemeester en wethouders kunnen wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onmiddelijk als collectieve festiviteit aanwijzen.

Artikel 8.28 Algemene weigeringsgrond omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

62

Hoofdstuk 9 Handhaving Artikel 9.1 Reikwijdte Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoeringstaak, bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, van de Omgevingswet en de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.1 van de Omgevingswet, door of in opdracht van burgemeester en wethouders.

Artikel 9.2 Betrokkenheid van de raad De raad ziet toe op de hoofdlijnen van het door burgemeester en wethouders gevoerde beleid voor de kwaliteit van de uitvoeringstaak en handhavingstaak, in het licht van de door de raad vastgestelde kaders voor de fysieke leefomgeving in de Omgevingsvisie.

Artikel 9.3 Kwaliteitsdoelen 1 Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoeringstaak en handhavingstaak in het licht van de daarvoor door hen op grond van artikel 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.

2 De doelen hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën.

Artikel 9.4 Kwaliteitsborging 1 Op de uitvoeringstaak en de handhavingstaak door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.

2 Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de raad.

3 Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave.

63

Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie [gereserveerd]

64

Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht Artikel 11.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve besluiten Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment: a. een aanvraag om een besluit is ingediend; b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is; of c. voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt; blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt, als tegen het besluit beroep openstaat of van kracht wordt, als tegen het besluit geen beroep openstaat.

Artikel 11.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt: a. geldt een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een verordening, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist; of b. gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist en burgemeester en wethouders over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan

Artikel 11.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt: a. een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment • 1. als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist; of • 2. als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken; a. een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist. b. een onherroepelijk voorschrift voor een activiteit op grond van een verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan voor zover burgemeester en wethouders over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 11.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: de last volledig is uitgevoerd; d. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of e. de last is opgeheven.

65

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen Afdeling 12.1 Delegatiebepalingen Paragraaf 12.1.1 Delegatie Artikel 12.1 Hinderlijke of schadelijke dieren Burgemeester en wethouders kunnen regels in artikel 5.136 wijzigen.

Artikel 12.2 Woningbouwcategorieën Burgemeester en wethouders kunnen het norminkomen in artikel 5.7 , tweede Lid en artikel 5.7 , derde Lid jaarlijks aanpassen.

Artikel 12.3 Objecten plaatsen op de weg Burgemeester en wethouders kunnen de regels in paragraaf 5.5.2 wijzigen.

Artikel 12.4 Omgevingsvergunning parkeren Burgemeester en wethouders kunnen de regels in paragraaf 5.5.3 wijzigen.

Artikel 12.5 Parkeerexcessen Burgemeester en wethouders kunnen in paragraaf 5.5.5 werkingsgebieden aanwijzen: a. waar het verboden is zonder omgevingsvergunning een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt te parkeren waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. waar het verboden is zonder omgevingsvergunning een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte; of c. waar het verboden is een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een niet tot een rijbaan behorend weggedeelte.

Artikel 12.6 Gebruik openbaar groen 1 Burgemeester en wethouders kunnen in paragraaf 5.5.10 terreinen aanwijzen waarop het verbod als bedoeld in artikel 5.97 niet geldt.

2 Burgemeester en wethouders kunnen voor het gebruik van terreinen, bedoeld in artikel 5.97 , eerste Lid, die op grond van het eerste lid worden aangewezen aanvullende regels stellen over: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; en c. de veiligheid van de deelnemers aan wedstrijden en ritten of van het publiek.

3 Burgemeester en wethouders kunnen voor het gebruik van terreinen, bedoeld in artikel 5.97 , tweede Lid, die op grond van het eerste lid worden aangewezen aanvullende regels stellen over: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; en c. de veiligheid van het publiek.

Artikel 12.7 Hondenlosloopgebieden Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied, bedoeld in artikel 5.100 , tweede Lid aanpassen.

Artikel 12.8 Plaatsen fietsen

66

Burgemeester en wethouders kunnen de regels en werkingsgebieden in artikel 5.102 wijzigen.

Artikel 12.9 Verboden voor honden Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied, bedoeld in artikel 5.103 aanpassen.

Artikel 12.10 Ligplaatsen vaartuigen 1 Burgemeester en wethouders kunnen in hoofdstuk 5 een paragraaf opnemen waarin regels gesteld worden over ligplaatsen voor vaartuigen in het belang van de volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

2 De regels kunnen ook inhouden: a. een verbod om met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op daarbij aan te wijzen gedeelten van openbaar water; en b. een beperking naar soort en aantal vaartuigen.

Artikel 12.11 Gemeentelijke monumenten 1 Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied gemeentelijk monument wijzigen, bedoeld in artikel 5.115;

2 Burgemeester en wethouders kunnen in een spoedeisend geval het werkingsgebied gemeentelijk monument wijzigen door het nemen van een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14 van de Omgevingswet;

3 Burgemeester en wethouders kunnen in paragraaf 5.6.2 aanvullende regels stellen over de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument en kunnen de regels in artikel 5.115 , tweede Lid aanvullen.

4 Burgemeester en wethouders kunnen de maximum subsidiebedragen, bedoeld in artikel 5.119, aanpassen.

Artikel 12.12 Beeldbepalende panden Burgemeester en wethouders kunnen het werkingsgebied beeldbepalend pand wijzigen, bedoeld in artikel 5.127.

Artikel 12.13 Waardevolle bomenlijst Burgemeester en wethouders kunnen het [werkingsgebied waardevolle bomenlijst] aanpassen.

Artikel 12.14 Huishoudelijke afvalstoffen 1 Burgemeester en wethouders kunnen in paragraaf 5.8.2 aanvullende regels stellen over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

2 Burgemeester en wethouders kunnen bijlage 2 Huishoudelijk afvalstoffen en de regels in paragraaf 5.8.2, met uitzondering van artikel 5.149, wijzigen.

Artikel 12.15 Bedrijfsafvalstoffen 1 Burgemeester en wethouders kunnen in paragraaf 5.8.3 aanvullende regels stellen over het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen.

2 Burgemeester en wethouders kunnen de regels van artikel 5.152 en artikel 5.153 wijzigen.

Afdeling 12.2 Overige bepalingen Artikel 12.16 Intrekken verordeningen

67

Op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt, worden de volgende verordeningen ingetrokken: • Afvalstoffenverordening gemeente Veenendaal; • Artikelen 2:10A, 2:10C, 2:11, 2:12, 2:14 t/m 2:16, 2:21, 2:52B, 2:57, 2:58, 2:60, 2:62 t/m 2:64, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6 4:8 t/m 4:11, 4:15, 4:16, 5:2, 5:4 t/m 5:10, 5:17 t/m 5:19, 5:24, 5:28 en 5:32 t/m 5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal; • Doelgroepenverordening sociale woningbouw en middenhuur Veenendaal; • Erfgoedverordening gemeente Veenendaal 2010; • Bouwverordening 2003; • Subsidieverordening onderhoud gemeentelijke monumenten Veenendaal 2006; • Verordening Aansluitvoorwaarden riolering gemeente Veenendaal 2006; • Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Veenendaal houdende regels omtrent bouw; • Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Veenendaal houdende regels omtrent parkeren; en • Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Veenendaal.

Artikel 12.17 Inwerkingtreding Het omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd.

Artikel 12.18 Citeertitel Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan Veenendaal.

68

Hoofdstuk 13 [Gereserveerd]

69

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

70

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

71

Hoofdstuk 16 [Gereserveerd]

72

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

73

Hoofdstuk 18 [Gereserveerd]

74

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

75

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

76

Hoofdstuk 21 [Gereserveerd]

77

Hoofdstuk 22 Voormalige rijksregels (Bruidsschat) Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1 De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2 De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1 Voor de toepassing van Artikel 22.26 eerste en tweede lid, Artikel 22.35, Artikel 22.247, Artikel 22.248 tot en met Artikel 22.251 en Artikel 22.253 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2 Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.3 Maatwerkvoorschriften 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.4 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

78

b.het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.5 Specifieke zorgplicht beschermen omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden Degene die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.6 Repressief welstand 1 Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2 Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.7 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor gas 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor warmte 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de

79

aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3 Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.11 Bluswatervoorziening 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2 De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3 De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.12 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3

80

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4 Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5 Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.13 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3 Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4 Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5 Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.14 Overbewoning woonruimte 1 Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

81

a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden; en b. een woning waarvan de bewoners tot één huishouden behoren.

Artikel 22.15 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.16 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1 Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2 Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.17 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1 Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2 Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

82

b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4 Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

ADR-klasse

1

Omschrijving

Toegestane Verpakkingsgroep maximum hoeveelheid

2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders,

Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

n.v.t.

50 kg

klein, gas 3

Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde II oplosmiddelen en aceton

25 liter

3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C

Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

III

50 liter

II en III

50 kg

II en III

50 liter

n.v.t.

1 liter

en 100°C 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in nietexplosievetoestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en 4.1, 4.2, 4.3

metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

5.1 5.2

Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide

1

Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

83

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1 De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2 Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3 Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.19 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.20 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1 Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.21 Algemene afbakeningseisen 1 De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2 Bij de toepassing van Artikel 22.25 en Artikel 22.33 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.25, onder a, of Artikel 22.33, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.33, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.22 Meetbepalingen

84

1 Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2 Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erfof perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.23 Mantelzorg Voor de toepassing van Subparagraaf 22.2.7.2 en Subparagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.24 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrich​​ten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.25 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.24 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel Artikel 22.24, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4.

onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

85

e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.15f, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.26 Inperkingen artikel 22.25 vanwege cultureel erfgoed 1 Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.25 niet van toepassing.

2 Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.25, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3 Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.25 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11093513/1