CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a Vaststelling bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 - toelichting-definitief

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Naast Vendelseweg 7425.506 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

NAAST VENDELSEWEG 74

Naast Vendelseweg 74

bestemmingsplan (vastgesteld)

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) plan(nen) 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande en nieuwe situatie 2.2 Bouwplan 2.3 Stedenbouw

8 8 8 9

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

10 10 11 14 15

Hoofdstuk 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem 4.2 Water & Klimaat 4.3 Externe veiligheid 4.4 Archeologie 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Conventionele explosieven 4.7 Ecologie 4.8 Geluid 4.9 Bedrijven- en milieuzonering 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Mobiliteit 4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13 Totaalbeeld aspecten

19 19 20 21 22 24 25 26 28 29 29 31 31 32

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 De indeling van de planregels 5.3 Bestemmingen

33 33 33 34

Hoofdstuk 6

37

FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Hoofdstuk 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg 7.2 Participatie 7.3 Terinzagelegging ontwerp

38 38 38 38

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

39 40 42 46 90 125 135 159

2

Inrichtingsplan groen Watertoets Verkennend bodemonderzoek Geluidsonderzoek wegverkeer Onderzoek bedrijven en milieuzonering Vormvrije m.e.r. Onderzoek stikstofdepositie Vendelseweg

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 Bijlage 8 Bijlage 9

Aerius berekening gebruiksfase Aerius berekening aanlegfase

bestemmingsplan

167 173

3

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

4

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding en doel

In de jaren 80 had Bouwbedrijf Van Driesten uit Harskamp gronden aan de Vendelseweg in bezit, waarop in 1987 de woningen aan de Vendelseweg 74 t/m 96 door dit bouwbedrijf zijn gebouwd. De groenstrook naast nummer 74 is nog altijd in bezit van Van Driesten. In het verleden is vaker gesproken over mogelijke ontwikkelingen op deze locatie, maar de plannen hebben nooit geleid tot een ontwikkeling. Gelet op het woningtekort en daardoor de grote vraag naar woningen, is er sinds 2019 op verzoek van aanvrager opnieuw nagedacht over de invulling van deze strook grond. De realisatie van maximaal drie rijwoningen wordt hier als passend beschouwd. De hier geldende bestemming 'Groen' laat woningbouw echter niet toe. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom vereist om aan het plan mee te werken.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt naast de woning op de Vendelseweg 74, tegenover restaurant 'Vendel' en vormt de verbinding tussen de Vendelseweg en de Holleweg. Achter het plangebied ligt de algemene begraafplaats 'De Munnikenhof'.

Afbeelding 1: Ligging plangebied binnen Veenendaal

bestemmingsplan

5

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Afbeelding 2: Ligging plangebied op luchtfoto (2020)

1.3

Vigerend(e) plan(nen)

Op de betreffende locatie is 'Woongebieden 2018' het geldende bestemmingsplan. Ook de plannen 'Correctieve Herziening Woongebieden 2018' en 'Parapluplan 2020' zijn hier van toepassing. De geldende bestemming is 'Groen' met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - Hoog'. Verder ligt het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Het bouwen van een of meerdere woningen is in strijd met de geldende bestemming. Daarom moeten de vigerende bestemmingsplannen voor deze locatie worden herzien overeenkomstig artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

6

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Afbeelding 3: Ligging plangebied binnen bestemmingsplankaart

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven; In hoofdstuk 3 volgt vervolgens een beschrijving van het beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan; In hoofdstuk 4 zijn hierna de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld; Hoofdstuk 5 beschrijft het juridische deel van het plan; In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod; In hoofdstuk 7 tenslotte zijn de resultaten uit overleg en inspraak besproken en behandeld.

bestemmingsplan

7

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Hoofdstuk 2 2.1

PLANBESCHRIJVING

Bestaande en nieuwe situatie

De beoogde locatie ligt in de wijk Noordwest in Veenendaal en is momenteel in gebruik als groenstrook (gras). De directe omgeving bestaat uit overwegend woongebied met aan de noordzijde een algemene begraafplaats en aan de zuidzijde, aan de overkant van de weg, een restaurant. De beoogde nieuwbouw ligt met de voorgevels aan de Vendelseweg. Aan de oostzijde ligt een ontsluitingsweg voor de woningen aan de Vendelseweg en Holleweg. Ook de nieuwe woningen worden via deze weg ontsloten.

Afbeelding 4: Schuine luchtfoto van het plangebied (2020) Het plangebied bestaat uit twee kadastrale percelen (G 1353 en 1354). Deze percelen zijn in totaal 763 m² groot. Een deel hiervan wordt echter sinds jaar en dag gebruikt als openbare (ontsluitings)weg. Deze weg is in 1986 opnieuw aangelegd. Op basis van artikel 4, lid 1 van de Wegenwet behoort het verharde gedeelte tot openbaar gebied en wordt dit gedeelte niet betrokken bij de plannen. De hier geldende verkeersbestemming blijft ongewijzigd en ook de functie (ontsluitingsweg) blijft ongewijzigd. De oppervlakte van het plangebied/ de groenstrook bedraagt circa 680 m².

2.2

Bouwplan

Het beoogde bouwplan gaat uit van de bouw van drie rijwoningen. De nieuwe woningen worden gesitueerd in dezelfde voorgevelrooilijn als de naastgelegen woningen aan de Vendelseweg, waarbij voor de eindwoning geldt dat er aan de voorgevel een accent voor de voorgevel zal komen. Op het achtererf kunnen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd overeenkomstig de vergunningsvrije- en bestemmingsregels die gelden voor alle woningen binnen het bestemmingsplan 'Woongebieden 2018'. De woningen worden aan de achterkant ontsloten via de bestaande ontsluitingsweg.In het plangebied worden 5 parkeerplaatsen aangelegd. Deze zullen deels voor openbaar gebruik beschikbaar worden gesteld. Daarnaast wordt een opstellocatie voor 15 kliko's aangelegd. Ook is er gedacht aan groen. Conform een gemeentelijk goed gekeurd inrichtingsplan wordt groen aangelegd op het hoekpunt Vendelseweg-Holleweg (Bijlage 1). Om dit te kunnen realiseren is een aanpassing van het openbaar gebied vereist. Onder Milieu- en omgevingsaspecten wordt dit verder toegelicht en onderbouwd.

8

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Afbeelding 5: Schets van een mogelijke bouwmassa op deze locatie.

2.3

Stedenbouw

De locatie Vendelseweg naast 74 kenmerkt zicht door een hoekligging. In de huidige situatie is hier groen in de vorm gras aanwezig. Deze locatie maakt geen onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur. Daarnaast is meedere malen onderzocht of de locatie geschikt is voor een appartementencomplex of zelfs een supermarkt. Deze verkenningen hebben niet geleid tot een ontwikkeling. Het doorzetten van het huidige straatbeeld in de vorm van 3 extra woningen met een verbijzondering van de kopsegevel aan de Holleweg/Vendelseweg zorgt voor eenheid en verbinding. De bouwhoogte voor de woningen is vastgelegd op maximaal 10 meter en een goothoogte van maximaal 6 meter conform de naastgelegen woningen.

bestemmingsplan

9

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Hoofdstuk 3

BELEIDSKADER

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing De voorliggende ontwikkeling voorziet in een duurzame en toekomstbestendige inrichting van het perceel naast Vendelseweg 74, waarbij aandacht is voor klimaatadaptatie en duurzaamheid. Voorliggend plan is in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI en bevat nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. In het Barro zijn veertien onderwerpen met een bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro.

10

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Het plan omvat de realisatie van drie woningen en valt daarmee niet binnen de definitie van een stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) 2013-2028

Op 12 december 2016 is de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) vastgesteld door de Provinciale Staten van Utrecht. Op 10 december 2018 is nog een partiële herziening vastgesteld. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (hierna: PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (herijking 2016) (PRV) die tegelijk met de PRS is opgesteld. De PRS is een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRV zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten. In paragraaf 3.2.2 wordt nader ingegaan op de verordening. In de PRS is het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028 beschreven.

De provincie geeft aan welke doelstellingen van provinciaal belang worden geacht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe uitvoering wordt gegeven aan dit beleid. De PRS richt zich op de volgende drie pijlers: een duurzame leefomgeving; vitale dorpen en steden; landelijk gebied met kwaliteit. Deze pijlers leiden tot twee belangrijke beleidsopgaven, namelijk het accent op de binnenstedelijke opgave en het behouden en versterken van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Dit zijn opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats. Accent op de binnenstedelijke opgave In het ruimtelijk beleid maakt de provincie de hoofdkeuze om in te zetten op de binnenstedelijke

bestemmingsplan

11

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 ontwikkeling. Het streven is dat ten minste twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren gerealiseerd wordt. Deze binnenstedelijke opgave biedt kansen om de leefbaarheid in de steden en dorpen te verbeteren, als er voldoende aandacht is voor de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving. Daarom is het belangrijk dat er aandacht is voor deze kwaliteit. De provincie wil stimuleren dat overheden en marktpartijen zich gezamenlijk inspannen om de binnenstedelijke opgave te realiseren. Beleidsmatig is dit vertaald in een ruimtelijke afbakening van bebouwingskernen door zogeheten rode contouren (zie afbeelding). De verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden binnen de rode contouren. Efficiënt, intensief, meervoudig en duurzaam gebruik van de ruimte speelt hierbij een belangrijke rol.

Rode contour Veenendaal (bron: Structuurv isie, prov incie Utrecht).

12

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Wonen De provincie Utrecht heeft een programma van 68.530 woningen opgenomen in de PRS. Het totale woningbouwprogramma voor de regio Zuid Oost, waar Veenendaal onder valt, bedraagt 6.575 woningen, waarvan 3.750 woningen in Veenendaal zijn voorzien. In Veenendaal kan het hele programma via inbreiding worden gerealiseerd. De grootste ontwikkelingslocatie is Veenendaal-Oost. Daarnaast zijn er ook een aantal kleinere inbreidingslocaties. Toetsing Het bouwplan op de Vendelseweg betreft een kleinschalig bouwplan binnen de rode contour, waarbij drie woningen aan de woningvoorraad wordt toegevoegd. Gelet op de locatie is een grotere hoeveelheid niet wenselijk. Het plan is niet in strijd met de beleidsdoelen van de PRS. 3.2.2

Ontwerp-Provinciale Omgevingsvisie

Gedeputeerde Staten hebben op 17 maart 2020 besloten de ontwerpen van de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie Utrecht en het bijbehorende milieueffectrapport (planMER) ter inzage te leggen. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050. De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Stad en land gezond Klimaatbestendig & waterrobuust Duurzame energie Vitale steden & dorpen Duurzaam gezond & veilig bereikbaar Levend landschap erfgoed & cultuur Toekomstbestendige natuur & landbouw

De ambities en keuzes zijn gebiedsgericht samengevat per regio. De regio Foodvalley, waar Veenendaal onderdeel van is, ligt binnen de provincies Utrecht en Gelderland en bestaat uit acht gemeenten. Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. In de gemeente Veenendaal is er op de korte termijn voldoende plancapaciteit om het grootste gedeelte van haar woningbouwopgave te realiseren. Dit gebeurt in Veenendaal-Oost en in de nabijheid van station Veenendaal-Centrum. Na circa 2030 bereikt de gemeente Veenendaal letterlijk de grenzen van haar groei. Voor de langere termijn is het noodzakelijk om in de regio op zoek te gaan naar nieuwe locaties voor integrale ontwikkeling van wonen en werken, bij voorkeur rondom knooppunten. Toetsing Het bouwplan draagt (in zeer beperkte mate) bij aan de doelstellingen uit de Provinciale Omgevingsvisie.

bestemmingsplan

13

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

3.2.3

Provinciale Ruimtelijke Verordening

Bij de structuurvisie hoort ook de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). De PRV is gelijktijdig met de PRS vastgesteld herijkt en herzien en bevat regels voor gemeenten. Gemeenten moeten de regels zoals gesteld in de PRV in acht nemen bij het maken van ruimtelijke plannen. De regels zijn nodig om het provinciale ruimtelijke beleid te kunnen realiseren. De regels zoals deze zijn opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening hebben met name betrekking op ontwikkelingen in stedelijk gebied of in het landelijk gebied. Onder het stedelijk gebied vallen die gronden die volgens de kaart 'Wonen en werken' als stedelijk gebied zijn aangewezen. Daarnaast kan een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Toetsing Middels een exploitatieovereenkomst zijn zaken met betrekking tot energiebesparing en klimaatadaptatie vastgelegd, waarmee het plan voldoet aan de doelstelling van de PRV. 3.2.4

Ontwerp-Provinciale Omgevingsverordening

Tegelijkertijd met de ontwerp-Omgevingsvisie hebben Gedeputeerde Staten positief besloten over de ontwerp-Omgevingsverordening. In de ontwerp-Omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening. Voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied, geeft de verordening instructieregels voor onder meer woningbouw. Woningbouw dient te passen in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma woningbouw en woningbouw mag niet leiden tot extra bodemdaling. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid. Tot slot bevat de omgevingsverordening specifieke instructieregels voor een Omgevingsplan betrekking heeft op een locatie binnen onder andere de Cultuurhistorische hoofdstructuur, Stiltegebied, Overstroombaar gebied, een boringsvrije zone, beschermd natuurgebied, of een geluidscontour van een provinciale weg. Toetsing Het bouwplan betreft binnenstedelijke woningbouw en leidt niet tot een toename in knelpunten in de bereikbaarheid.

Het plan is niet in strijd met de doelen uit de ontwerp-provinciale omgevingsverordening.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regio Foodvalley

De Regio FoodValley is een samenwerkingsverband tussen de gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen, Veenendaal, Renswoude, Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel. Het Regiobestuur Foodvalley heeft voor de periode 2015-2025 ingestemd over de verdeling van het aantal woningen. De prognose is dat circa 14.500 woningen verdeeld worden over de regiogemeenten in Regio FoodValley. Deze aantallen zijn gebaseerd op prognoses. Als de werkelijkheid verandert, wijzigen de prognoses en dus ook de aantallen. De verdeling is als volgt:

Ede

4.000

Barneveld

3.500

Nijkerk

2.000

Scherpenzeel

500

14

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Wageningen

1.600

Renswoude

50

Rhenen

350

Veenendaal

2.500

Tabel 2: Prognose woningbouw Regiobestuur Foodvalley.

Regionaal is afgesproken de verdeling te baseren op de Gelderse prognose 2014. De Utrechtse gemeenten gaan uit van de afspraken die zijn vastgelegd in het Utrechtse beleid. Voor het monitoren van de woningbouwaantallen wordt samengewerkt met Stichting Vastgoedmonitor Regio FoodValley. Alle woningen die klaar zijn worden meegenomen in de woningmarktmonitor. Regionale Woonagenda Binnen Regio FoodValley wordt samen met de partners uit de woningbouw (waaronder Stichting Vastgoedmonitor Regio FoodValley en woningcorporaties uit de regio) aan de regionale Woonagenda gewerkt. Deze is opgesteld en ingevuld met de diverse partners op de woningmarkt (overheden, corporaties, ontwikkelaars, makelaars, zorgpartijen, huurdersverenigingen). De woonagenda heeft tot doel om de aantrekkelijke woonomgeving van de regio te behouden en te versterken. Het is daarom van belang dat de juiste woningen voor de juiste doelgroepen worden gebouwd. Het is van belang om niet alleen te kijken naar het woningaanbod, maar voornamelijk ook naar woningvraag en de daarbij behorende woonwensen. De vraag gaat meer bepalen wat er in de markt gebeurt. Daarom kijkt Regio FoodValley naar bevolkingsprognoses voor kwantitatieve afspraken. Er wordt gebouwd naar bevolkingsontwikkelingen binnen de regio. Naast de bevolkingsontwikkeling wordt gekeken naar de behoefte.

Speerpunt van de samenwerking betreft in 2016 het voortzetten van het thema 'Kwaliteit van het wonen'. Daarbij wil de regio samen met de partners een gezamenlijk beeld vormen en komen tot afspraken over kwalitatieve aspecten van woningbouw en herstructurering in de regio. Toetsing Het bouwplan betreft een concreet verzoek van een bouwbedrijf om drie woningen te bouwen. Het plan is niet in strijd met de afspraken die gelden binnen de regio FoodValley.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Veenendaal 2030

De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 17 december 2020 de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 vastgesteld. Deze visie heeft als uitgangspunt de Strategische Visie Veenendaal 2040. Als gevolg van schaarse ruimte heeft Veenendaal de nodige uitdagingen om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Kern van de visie is dat er bij iedere ontwikkeling een bewuste keuze moet worden gemaakt voor de kwaliteit van de leefomgeving om ook in de toekomst een aantrekkelijke woon- en werkgemeente te blijven. Voor nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie 2030 het volgende afwegingskader gegeven: 1. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan een Gezonde, Duurzame en Veilige leefomgeving. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans om hier aan bij te dragen. Zo zal ook de gewenste groei van Veenendaal moeten bijdragen aan deze doelen. 2. We kiezen voor meervoudig boven enkelvoudig ruimtegebruik, zodat de beperkte ruimte optimaal wordt benut. 3. We voorkomen dat negatieve gevolgen van ontwikkelingen afgewenteld worden op de omgeving. We beoordelen ruimtelijke ontwikkelingen integraal en in relatie tot de omgeving. Voor de onderwerpen bouwen en wonen is de grootste uitdaging te blijven groeien, bouwen en ontwikkelen én de kwaliteit van het leven te verbeteren. Opgaven hierbij zijn: bestemmingsplan

15

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 Omschakeling naar duurzame energie en circulair bouwen; Realiseren van meer groen; Het woningaanbod in Veenendaal sluit aan bij de inwonersbehoefte; Langer zelfstandig wonen in de eigen woning of wijk; Ruimte bieden aan cultuur en voldoende voorzieningen; Verdichten en transformatie binnen de gemeentegrenzen; Behouden en versterken van ruimtelijke karakteristieken, cultuurhistorie en archeologie. De gemeente Veenendaal geeft ruimte aan verzoeken en wensen voor het realiseren van diverse woonvormen en aan woningsplitsing. Inbreiding wordt mogelijk gemaakt door bijvoorbeeld een of meerdere gebouwen te realiseren tussen bestaande bebouwing, mits dit past in de omgeving. Verder is het streven om mogelijk te maken dat er langer zelfstandig kan worden gewoond in de eigen woning. Toetsing Het plan aan de Vendelseweg voorziet in een optimale benutting van de ruimte, rekening houdend met de omgeving. Op het gebied van duurzaamheid (klimaatadaptatie en energiezuinigheid) worden extra eisen gesteld die middels een exploitatieovereenkomst worden geborgd. De strook gras wordt gecompenseerd middels een door de gemeente goedgekeurd inricihtingsplan. Hierop is een instandhoudingsverplichting van toepassing. Daarmee is het plan in lijn met de Omgevingsvisie. 3.4.2

Groenstructuurplan

Het doel van het groenstructuurplan is als volgt te formuleren: 1. de samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken; 2. met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten; 3. de gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie; 4. groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken; 5. accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau. Er wordt een onderscheid gemaakt naar groen op twee niveaus: de hoofdgroenstructuur en het groen binnen wijken. Ten aanzien van de hoofdgroenstructuur is het doel de identiteit en de kwaliteit van de afzonderlijke elementen te vergoten, waarbij de aanwezige of gewenste samenhang (structuur) tussen de verschillende elementen en patronen als kader geldt. De hoofdgroenstructuur bestaat uit de volgende onderdelen: de Grift, de oude linten, pleinen, parken, begraafplaatsen en sportparken, de binnenring, de Rondweg, 't Goeie Spoor / Industrielaan / Wageningselaan, de snelweg A12, de spoorlijnen en de entrees. Toetsing Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur. Voor de bouw van de drie woningen verdwijnt een groenstrook. Deze strook bestaat uit uitsluitend gras en betreft geen hoogwaardig groen.

Het verlies van het groen wordt gecompenseerd door een door de gemeente goedgekeurd inrichtingsplan met instandhoudingsverplichting. 3.4.3

Milieukwaliteitsplan 2017

Het Milieukwaliteitsplan beschrijft de milieuambities van de gemeente Veenendaal die moeten leiden tot een integraal milieubeleid. Het plan is vastgesteld op 30 maart 2017. In het plan zijn hoofddoelen geformuleerd die integraal opgepakt worden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Een gezonde en veilige leefomgeving; Een energieneutraal Veenendaal in 2035; Gebiedsgericht milieubeleid (bouwstenen voor een integrale Omgevingsvisie); Veenendaal werkt aan een circulaire economie; Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering; Veenendaalse bewoners, bedrijven en organisaties zetten zich in voor een duurzame samenleving.

In deze periode koerst de gemeente Veenendaal naar een samenleving die in balans is, een duurzame

16

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 samenleving. Om deze samenleving te bereiken wil Veenendaal de milieuthema's integraal, dus in samenhang met elkaar en met medeneming van ruimtelijk en economische ontwikkelingen bezien. De gemeente wil proactief handelen, doelgroepen op maat benaderen en de verantwoordelijkheid nemen om zelf een voorbeeldfunctie te vervullen. Om de aanwezige kansen in het versterken van de milieu-inbreng in ruimtelijke planvorming te benutten is het noodzakelijk dat naast de strategie inzichtelijk wordt wat per sectoraal milieuthema de bijdrage kan zijn aan het optimaliseren van de lokale leefomgevingskwaliteit. Het gaat in het milieukwaliteitsplan vooral om bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, duurzaamheid, klimaat, energie, afval, water en biodiversiteit.

In de periode tot 2020 wil de gemeente Veenendaal zichtbare voortgang boeken op: Integrale en gecoördineerde milieu- en duurzaamheidscommunicatie, waarin de leefstijl van onze inwoners en het creëren van een netwerk centraal staat; Het faciliteren van de huidige duurzame initiatieven en het stimuleren van nieuwe; Maatschappelijk verantwoorde inkoop; in elke aanbesteding aandacht voor energiebesparing, duurzame energie, het vermijden van onnodige autokilometers en/of schone vervoersvormen en circulariteit; Het op projectmatige basis centraal stellen van onze milieu- en duurzaamheidsambities bij vergunningverlening, toezicht en handhaving; Meer en beter samenwerken met de gemeenten van de Regio FoodValley, de gemeenten uit het gebied van Waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten die aangesloten zijn bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, de provincie Utrecht en de EBU. 3.4.4

Duurzaamheidsbeleid

De wettelijke eisen voor energiezuinigheid van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend heeft de gemeente Veenendaal beleid opgesteld voor duurzaamheid in het programmaplan "Energieneutraal Veenendaal 2035" (30 maart 2017). De gemeente geeft uitwerking aan de volgende ambities en doelstellingen: Veenendaal is energieneutraal in 2035: streven naar energie neutrale woningen en wijken. Het streven is naar energieneutraliteit (EPC=0 of beter: Nul Op de Meter). Deze woningen moeten energieneutraal zijn en niet afhankelijk van gas. Veenendaal is energieneutraal in 2035: stimuleren schonere voertuigen. Voor de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden worden dat bewoners een elektrische auto hebben en willen opladen. Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering: ontwikkelingen worden minimaal waterneutraal uitgevoerd, groen wordt strategisch ingezet voor hemelwaterafvoer en koeling in de stad.

De gemeente vindt het daarbij belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen de volgende onderwerpen aan de orde komen bij het thema duurzaam bouwen: Toepassen van een prestatie-instrument voor duurzaam bouwen; Mogelijkheden om het dak te benutten voor warmte-opslag, waterberging, het bufferen van fijnstof of energiewinning; Natuurvriendelijke maatregelen aan of rond het gebouw; Geen koper, lood of zink gebruiken voor de hemelwaterafvoer; Toepassen van duurzaam hout; Energiezuinige terrein- en gebouwverlichting. 3.4.5

Welstandsnota 2017

Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. De Welstandsnota 2017 vormt het toetsingskader voor alle aanvragen omgevingsvergunning voor de

bestemmingsplan

17

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 activiteit 'bouwen'. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren.

Toetsing De adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit, MooiSticht, heeft reeds een positief advies uitgebracht op het concept-bouwplan, waaruit kan worden opgemaakt dat het bouwplan voldoet aan de Welstandsnota. De uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning zal ook ter advisering aan MooiSticht worden voorgelegd en alleen bij een definitief positief advies wordt medewerking aan de aanvraag verleend. Het plan is derhalve niet in strijd met de Welstandsnota.

18

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Hoofdstuk 4

M ILIEU- EN OM GEVINGSASPECT EN

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd.

4.1

Bodem

4.1.1

Regelgeving

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren.

Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit. Omgevingswet In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het bevoegd gezag voor de bodemkwaliteit met ingang van 1 januari 2022 worden overgedragen van de Provincie aan de gemeente. PFAS en andere Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) Met betrekking tot PFAS zijn binnen het ontwikkelingsgebied Veenendaal-oost inmiddels diverse resultaten voor PFAS in boven- en ondergrond verzameld.

Tot op heden zijn ook geen grote afwijkingen aangetoond. Vooralsnog is er in de directe nabijheid geen specifieke verontreinigingsbron voor deze stoffen bekend en er is derhalve geen reden grote afwijkingen van achtergrondwaarde PFAS te verwachten. Tot nader orde is geen aanleiding af te wijken van de aanwijzingen uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS (THK). Nieuwe ontwikkelingen rond PFAS en andere Zeer Zorgwekkende Stoffen zullen in samenhang met de landelijke ontwikkelingen en de aanwijzingen van het bevoegd gezag worden beoordeeld en opgevolgd.

bestemmingsplan

19

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

4.1.2

Toetsing

Voor de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Vendelseweg, naast nummer 74 te Veenendaal (Bijlage 3). Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, milieutechnisch gezien, geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. 4.1.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Water & Klimaat

4.2.1

Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk 20

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 4.2.2

Toetsing bouwplan

Voor de ontwikkeling is de watertoets doorlopen (Bijlage 2). In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Met aanvrager zijn afspraken gemaakt met betrekking tot waterberging en hittestress. 4.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect water en klimaat zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

4.3

Externe veiligheid

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.

bestemmingsplan

21

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

4.3.1

Wettelijk kader

De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

4.3.2

Toetsing bouwplan

Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er in de directe nabijheid van het plangebied geen bedrijven aanwezig zijn die volgens het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) een veiligheidscontour hebben die tot het plangebied reikt. Er zijn eveneens geen inrichtingen met veiligheidsafstanden vanuit het vuurwerk- en activiteitenbesluit aanwezig binnen het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is niet gelegen aan of in de directe omgeving van vaarwegen, spoorwegen of rijkswegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Er zijn eveneeens geen buisleidingen aanwezig. De gemeentelijke routering voor transport van gevaarlijke stoffen loopt niet langs het plangebied. Elektromagnetische straling Er zijn geen bronnen van elektromagnetische straling (hoogspanningslijnen) aanwezig in de directe omgeving van het plan.

4.3.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bouwplan.

4.4

Archeologie

4.4.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn

22

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen.

In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.

4.4.2

Toetsing bouwplan

Op de in 2020 vastgestelde archeologische beleidskaart is het plangebied aangeduid als AWV2 (hoge verwachting). Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden maaiveld en groter dan 1.000 m² vroegtijdig archeologisch onderzoek vereist is. Het plangebied is minder dan 700 m² groot, waarvan slechts een deel zal worden bebouwd.

Archeologische beleidskaart RAAP-rapport 3334 (bijlage 3) met het plangebied wit omcirkeld. Uit bovenstaande blijkt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is, omdat op voorhand geen bestemmingsplan

23

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 sprake is van aantasting van de archeologische waarden. Er kan echter niet worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan. Voor dergelijke (toevals)vondsten geldt de wettelijke meldplicht als genoemd in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Dit houdt in dat als bij uitvoering van de werkzaamheden wordt vermoed dat er sprake is van een archeologische vondst, dit moet worden gemeld bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 4.4.3

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect archeologie.

4.5

Cultuurhistorie

4.5.1

Wettelijk kader

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

4.5.2

Cultuurhistorische kenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.

4.5.3

Toetsing bouwplan

Het plangebied ligt op de rand van de “Grote Venlo”, een opgestuwde stuwwal ontstaan tijdens de laatste de ijstijd. Deze natuurlijke hoogten bestaande uit zand lag te midden van de voormalige veengronden. De naam Venlo, destijds ook wel als Veenlo aangeduid, wijst op het bestaan van bossen (loo= bos). Door het kappen en afbranden van deze bossen in de late Middeleeuwen, ontstonden op deze plekken heidevelden.

Uitsnede deelkaart 'Kenmerken landschap': Cultuurlandschappen (rood=plangebied)

24

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74

Op de rechterkaart is te zien hoe de verkavelingsrichting ter plaatse van het Grote Venlo van richting veranderd. De bijzondere wegenstructuur langs de rand van deze stuwwal is rond 1900 al aanwezig en nog steeds herkenbaar in de ligging van de huidige Vendelseweg en de Holleweg. Een deel van natuurlijke hoogte is sinds 1930 in gebruik als begraafplaats. Op de Cultuurhistorische waardenkaart heeft het plangebied geen specifieke aanduiding voor wat betreft bescherming van erfgoed. Uit de kaart blijkt dat de betreffende locatie tot 1960 binnen de gemeentegrens van Renswoude lag.

Uitsnede deelkaart 'Kenmerken landschap': Voormalige gemeentegrens (rood = plangebied)

4.5.4

Conclusie

Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken.

4.6

Conventionele explosieven

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven (CE) vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen

bestemmingsplan

25

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt. Voor het gehele grondgebied van de gemeente Veenendaal is in 2020 een vooronderzoek uitgevoerd waarbij de kans op aanweizigheid van CE is bepaald. Dit heeft geresulteerd in een CE bodembelastingkaart. Deze kaart laat een tweedimensionele afbakening zien van de primair "verdachte" gebieden, naar de situatie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Onverdacht houdt niet in dat er in het betreffende gebied geen CE achtergebleven kan zijn, maar dat dit niet kan worden aangetoond aan de hand van historisch feitenmateriaal. Daarom werkt de gemeente Veenendaal binnen alle onverdachte gebieden conform het protocol "Onverwacht aantreffen van CE".

Hierin is aangegeven op welke wijze dient te worden omgegaan met het aantreffen van een (vermoedelijk) CE.

4.6.1

Toetsing bouwplan

Het plangebied ligt buiten verdacht gebied. Een nader onderzoek is vooraf daarom niet vereist en dit aspect vormt geen belemmering voor het beoogde bouwplan.

4.6.2

Conclusie

Vanuit het aspect conventionele explosieven zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken. Mocht er tijdens de werkzaamheden toch een CE worden aangetroffen, dan dient te worden gehandeld overeenkomstig het protocol 'Onverwacht aantreffen van CE'.

4.7

Ecologie

4.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. 26

bestemmingsplan

bestemmingsplan Naast Vendelseweg 74 In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen.

De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

4.7.2

Toetsing bouwplan

Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden worden strikt beschermt. Dit geldt zowel voor directe aantasting als voor een extern effect. Aangezien het plangebied relatief dicht (<2,5 km) bij het dichtstbijzijnde natura 2000 gebied ‘Het Binnenveld’ ligt, bestaat er een reële kans dat de stikstofdepositie als gevolg van de uitvoer van het project een stikstofbijdrage heeft die hoger is dan de drempelwaarde. Gebruikelijk is om door middel van een berekening met de AERIUS-calculator aan te tonen dat de stikstofbijdrage onder de drempelwaarde blijft zodat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is. Voor deze ontwikkeling is de Aerius berekening nog uitvoert voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Ondertussen is alleen nog een berekening voor de gebruiksfase nodig in deze prodecure. Beide berekeningen zijn echter bijgevoegd bij dit bestemmigsnplan. Uit de op 14 januari 2021 ingediende berekening stikstofdepositie blijkt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Zie hierovoor ook de berekeningen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, Bijlage 7 Bijlage 8 en Bijlage 9. Er is geen aanvullende verplichting voor een Wnb-vergunning.

Soortbescherming Het projectgebied betreft een strook gras midden in een woonwijk. Op voorhand kan worden uitgesloten dat door de uitvoering van dit plan strikt beschermde soorten verstoord zullen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11093474/2