3.a Bestemmingsplan Galileistraat 20 (toelichting & regels)
Tekst van het document
Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.
5.10.2 Toetsing bouwplan Middels dit bestemmingsplan wordt geen gebruik toegestaan dat dermate verschilt van het huidige toegestane gebruik. Er worden geen nadelige effecten op de luchtkwaliteit verwacht door dit plan.
5.10.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt géén belemmering voor dit plan.
5.11
Mobiliteit
5.11.1 Wettelijk kader Op 20 april 2023 heeft de raad de 'Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023' vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan Het bestemmingsplan maakt geen gebruik mogelijk dat dermate verschilt van het reeds toegestane gebruik. De verwachting is dan ook dat er geen onacceptabele verkeersaantrekkende werking door dit plan ontstaat. Daarnaast kan op het terrein in ruime mate in parkeergelegenheid voorzien. De laad- en losruimte is aan de westzijde van het pand voorzien en is daarmee afgescheiden van de ingang en de bijbehorende parkeerplaatsen van het pand.
bestemmingsplan
25
bestemmingsplan Galileistraat 20
5.11.3 Conclusie Het aspect 'mobiliteit' vormt géén belemmering voor dit plan.
5.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.
5.12.1 Toetsing bouwplan Middels dit bestemmingsplan wordt geen gebruik toegestaan dat dermate verschilt van het huidige toegestane gebruik. Het uitvoeren van vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet nodig, omdat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt niet genoemd staat in D-lijst.
5.12.2 Conclusie Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt géén belemmering voor dit plan.
5.13
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
26
bestemmingsplan
bestemmingsplan Galileistraat 20
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
6.2
De indeling van de planregels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk 1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan Galileistraat 20
6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
Binnen dit plan komt enkel de bestemming 'Bedrijf' voor. 6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk 3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel: (verplicht); Algemene bouwregels (verplicht); Algemene gebruiksregels (verplicht); Algemene afwijkingsregels (verplicht); Algemene procedureregels (verplicht); 6.2.4
Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.
6.3
Bestemmingen
De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Bedrijf - B Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Bedrijf - B' zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Bovendien zijn dienstverlenende bedrijven binnen de bestemming Bedrijf in dit plan toegestaan. Tevens is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van: de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf dat is opgenomen in een hogere categorie van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, indien deze naar aard en invloed op de omgeving gelijk geacht kan worden als een bedrijf met een milieucategorie 2; de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf dat hoewel gelijkwaardig is aan een bedrijf met een milieucategorie 2, niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt genoemd.
Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking. Ten behoeve van de verkoop van fietsen en aanverwante artikelen en de verkoop van ABC-goederen is een speciale aanduiding opgenomen. De toegestane ondergeschikte horeca is bedoeld om een kantine bij een bedrijf mogelijk te maken. Deze mag gebruikt worden voor het bedrijf zelf en is niet extern gericht. Additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan: in- en uitritten, lichtmasten, opslag, en reclameobjecten. Bouwmogelijkheden Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het gehele bouwvlak mag bebouwd worden. De op de verbeelding opgenomen goot- en bouwhoogte zijn van toepassing op de 28
bestemmingsplan
bestemmingsplan Galileistraat 20 hoofdgebouwen.
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Galileistraat 20
Hoofdstuk 7
FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Voor deze ontwikkeling is kostenverhaal middels een anterieure overeenkomst geregeld.
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Galileistraat 20
Hoofdstuk 8
M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID
Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Gezien de ontwikkeling een geringe afwijking van de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan is en gelet op de aard van de omgeving is het starten van participatie niet noodzakelijk.
8.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht een bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, indien nodig overleg te voeren met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen, provincie(s) en het Rijk. Gezien de ligging van het plan is overleg met naastgelegen gemeenten niet nodig. Gelet op de aard van de ontwikkeling is het niet nodig het waterschap mee te nemen in de procedure. De provincie en het Rijk hebben aangegeven bij wat voor type ontwikkelingen vooroverleg plaats dient te vinden. Voor dit type ontwikkeling is het niet nodig om een provinciaal vooroverleg te voeren. Uiteraard is het bestemmingsplan ter inzage gelegd voor een reactie.
8.2
Ontwerp ter inzage legging
Het ontwerpbestemmingsplan Galileistraat 20 heeft van vrijdag 22 december 2023 tot en met donderdag 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn géén zienswijzen ingediend op het bestemmingsplan.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Galileistraat 20
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Galileistraat 20
Bijlage
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Galileistraat 20
Bijlage 1 Rapport 'Onderzoek duurzame mobiliteitsboulevard Veenendaal'
34
bestemmingsplan
ONDERZOEK DUURZAME MOBILITEITSBOULEVARD VEENENDAAL Onderzoek planmogelijkheden binnen ABC-bestemming 26 september 2022
1/51
2/51
DATUM KENMERK
26 september 2022 034500.20220896.002TWAL
PROJECT PROJECTLEIDER
onderzoek verbreding mogelijkheden detailhandel ABC drs. J.H.M. Seerden
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Veenendaal 20220896
AUTEURS STATUS
Ruud Louwes, Julia Breukelman en Maurits Paauwe Definitief
INHOUD Samenvatting
5
1. 2.
Mobiliteitsboulevard Analyse huidige regeling en beleid
9 12
2.1 2.2
Huidige regeling ‘Het Noorderwerk’ Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht (10-03-2022) 2.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (10-03-2021) 2.2.3 Retailvisie provincie Utrecht 2.2.4 Toelaatbaarheid mobiliteitsboulevard en verkoop van fietsen en LEV’s
12 14 14 16 16 18
2.3
Regionaal beleid 2.3.1 Actualisering PDV-beleid regio FoodValley 2020-2025 (11 september 2020)
18 18
2.4
Gemeentelijk beleid 2.4.1 Omgevingsvisie Veenendaal 2030 2.4.2 Strategische visie Veenendaal 2040 2.4.3 Actualisatie detailhandelsbeleid 2021-2025 gemeente Veenendaal 2.4.4 Toelaatbaarheid mobiliteitsboulevard en detailhandel in fietsen en LEV’s
22 22 22 23 24
2.5
Analyse en conclusie
25
3.
4. 5.
6.
3/51
Analyse winkelaanbod: Toelaatbaarheid detailhandel in fietsen en LEV’s
26
3.1 3.2 3.3 3.4
26 27 32 34
Trends en ontwikkelingen duurzame mobiliteitsbranches in Nederland Ontwikkeling aanbod fietsenwinkels in Veenendaal Uitgebreide benchmarkvergelijking voor hoofdbranche ‘auto & fiets’ Conclusie toelaatbaarheid detailhandel in fietsen en LEV’s
Voorstel nieuw toetsingskader Toets aan dienstenrichtlijn
35 37
5.1 5.2 5.3
De Dienstenrichtlijn Bestemmingsplan Het Noorderwerk Aanpassing toetsingskader 5.3.1 Discriminatieverbod 5.3.2 Noodzakelijkheid 5.3.3 Evenredigheid
37 37 38 38 38 39
5.4
Conclusies toetsing aan de Dienstenrichtlijn
40
Bijlagen
41
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
41 42 43 44 45 46 47
Ontwikkeling winkelaanbod gemeente Veenendaal Ontwikkeling winkelaanbod centrum Veenendaal Omzetkengetallen tweewielerspeciaalzaken Gemiddelde ontwikkeling ‘Auto & Fiets’ in woonplaatsen met 50.000-100.000 inwoners Ontwikkeling ‘auto & fiets’ in beide benchmarks Ontwikkeling ‘auto & fiets’ in Benchmark 1 (wel verhuizing) Ontwikkeling ‘auto & fiets’ in Benchmark 2 (geen verhuizing)
6.8 6.9
4/51
Ontwikkeling binnensteden twee benchmarks Overwegingen regionaal beleid FoodValley
48 49
SAMENVATTING MOBILITEITSBOULEVARD De gemeente Veenendaal wil in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente hebben afgerond. Duurzame mobiliteit is een belangrijk middel om dit doel te bereiken. Om deze duurzame mobiliteit te bevorderen heeft de gemeenteraad van Veenendaal de wens uitgesproken om een mobiliteitsboulevard te realiseren op bedrijventerrein de Compagnie-Oost. Op deze boulevard moet de verkoop van (elektrische) fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV’s) en drones mogelijk worden gemaakt. Daarnaast kan deze boulevard een functie krijgen als vervoers-hub en kenniscentrum in de gemeente.
ONDERZOEK Verkenning Rho adviseurs heeft onderzocht hoe de verkoop van (elektrische) fietsen en LEV’s mogelijk kan worden gemaakt voor ABCbedrijven op de autoboulevard Compagnie-Oost, zonder detailhandel in de breedte toe te staan. Die verkenning is uitgevoerd in het licht van de ambitie van de gemeenteraad om een mobiliteitsboulevard te realiseren. Mobiliteitsboulevard In de praktijk wordt bij de invulling van een mobiliteitsboulevard onder meer gedacht aan de volgende opties: ● Een kennis- en servicecentrum voor het stimuleren en ontwikkelen van verduurzaming van mobiliteit. ● Een knooppunt van samenkomende vervoersvormen. ● Vanuit de mobiliteitsboulevard wordt logistiek verzorgd, gericht op oplossingen voor transport van goederen in het stedelijke gebied die slim, efficiënt en duurzaam zijn. ● Een mobiliteitsboulevard kan worden ingevuld: in een geconcentreerd gebied waarbij de afzonderlijke functies in samenhang worden gesitueerd binnen een afstand van maximaal 200 meter van elkaar; in de vorm van het aanbieden van emissievrije mobiliteit, evenals onderhoud en advies; in de vorm van het faciliteren van het overstappen op andere vervoersvormen; in de vorm van detailhandel in fietsen, LEV’s en vergelijkbare goederen gericht op het stimuleren van emissieloze vervoersvormen en het kunnen verplaatsen voor eenieder.
FIETSENWINKELS ALS ONDERDEEL VAN EEN MOBILITEITSBOULEVARD Op dit moment zijn de beoogde branches, (elektrische) fietsen en scooters, LEV’s en drones, niet toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan, ook niet na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.5.2. Zelfstandige fietsenwinkels worden weliswaar niet direct toegestaan op een bedrijventerrein. Fietsenwinkels die een onderdeel vormen van een mobiliteitsboulevard voldoen daarentegen wel aan de overwegingen op basis waarvan bepaalde branches buiten centrumgebieden en wijkwinkelcentra worden toegestaan. Juist het realiseren van een samenhangend pakket aan functies is nodig om de verandering in de samenleving te stimuleren. Vandaar dat gekozen moet worden voor inzet van het realiseren van de mobiliteitsboulevard als mobiliteitsconcept. Het bedrijventerrein De Compagnie-Oost leent zich hier juist voor gelet op de aanwezige autobedrijven en het vrijkomen van gebouwen.
MOBILITEITSBOULEVARD EN BELEID Provinciaal beleid De omgevingsvisie voor de provincie Utrecht biedt vele aanknopingspunten voor het ontwikkelen van een mobiliteitsboulevard. Uit de omgevingsvisie is duidelijk af te leiden dat de mobiliteitsboulevard in Veenendaal die ambities waarmaakt binnen het bestaand stedelijk gebied. Het provinciale beleid is gericht op concentratie van detailhandel in de bestaande winkelgebieden. Het provinciale beleid sluit niet uit dat fietsenwinkels mogen worden toegestaan op perifere locaties. Het gaat dan om detailhandel waarvan aard
5/51
en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied (artikel 9.18 lid 1 onder g). Voorliggende rapportage bevat deze onderbouwing. Regionaal beleid Op grond van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat zelfstandige fietsenwinkels weliswaar niet direct worden toegestaan op een bedrijventerrein. Fietsenwinkels die een onderdeel vormen van een mobiliteitsboulevard voldoen daarentegen wel aan de overwegingen op basis waarvan bepaalde branches buiten centrumgebieden en wijkwinkelcentra worden toegestaan. Belangrijk is ook dat zo’n mobiliteitsboulevard een zodanig omvangrijke ruimte zal innemen, dat inpassing van een mobiliteitsboulevard in het kernwinkelgebied niet mogelijk is en in feite alleen op een bedrijventerrein. Vandaar dat een mobiliteitsboulevard met fietsenwinkels ook kan worden toegestaan in een daarvoor aangewezen gebied. Dit past in de doelstellingen en overwegingen van het regionaal beleid. Gemeentelijk beleid De ontwikkeling van een mobiliteitsboulevard sluit aan bij de gemeentelijke ambities ten aanzien van duurzaamheid en mobiliteit. De gemeente Veenendaal wil daarnaast in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente hebben afgerond. Duurzame mobiliteit is een belangrijk middel om dit doel te bereiken. Daarmee past de mobiliteitsboulevard bij uitstek in dit beleid.
Voor de beoogde verkooppunten hanteert de gemeente een ruimtelijk-ordeningsbeleid dat zorgvuldig omgaat met de beschikbare ruimte en waarbinnen het voor zowel overheid, ondernemers als eigenaren aantrekkelijk is om te investeren. Branche- en omvangsbeperkingen zorgen ervoor dat andere winkels gevestigd blijven in de reguliere winkelgebieden. Hierdoor blijft er in deze winkelgebieden perspectief voor het gewenste aanbodprofiel en wordt leegstand in de reguliere winkelgebieden tegengegaan. De beoogde ontwikkeling is toelaatbaar wanneer er sprake is van zorgvuldigheid en er geen effecten op het centrum optreden. Er is meer nodig dan alleen het faciliteren van fietsverkoop op de mobiliteitsboulevard. Juist het realiseren van een samenhangend pakket aan functies is nodig om de verandering in de samenleving te stimuleren. Vandaar dat gekozen moet worden voor inzet van het realiseren van de mobiliteitsboulevard als concept. Hiervoor is alleen ruimte beschikbaar op een bedrijventerrein. Het bedrijventerrein De Compagnie-Oost leent zich hier juist voor gelet op de aanwezige autobedrijven en het vrijkomen van gebouwen. Het concept zorgt ervoor dat het mogelijk lijkt te zijn om de mobiliteitsboulevard gestalte te geven binnen het vastgestelde beleid.
Daarbij is zeker ook van belang dat de gemengde bedrijfsbestemming opmerkelijk veel ruimte biedt voor andere functies, dan alleen bedrijven: dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, onderwijs en parkeerfaciliteiten. De specifieke vorm van detailhandel in fietsen en LEV’s past binnen het concept en kan onder voorwaarden worden toegestaan: een zekere grootschalige maatvoering en samenhang met andere onderdelen van de mobiliteitsboulevard. Het gaat nadrukkelijk om het tot stand brengen van een mobiliteitsconcept.
MARKTVERKENNING FIETSENWINKELS EN EFFECTEN FIETSENWINKELS IN OF BUITEN CENTRUMGEBIED Het blijkt dat de toegevoegde waarde van de fietsenwinkelbranche voor centrumgebieden zeer beperkt is. Er zijn 7 kernen waar fietsenwinkels het centrum wel hebben verlaten vergeleken met 7 kernen waar fietsenwinkels het centrum niet hebben verlaten. Er blijkt geen verschil te bestaan tussen de ontwikkeling van het overige winkelaanbod in de centrumgebieden van beide groepen woonplaatsen. Het wel of niet verdwijnen van fietsenwinkels naar perifere locaties heeft dus geen effect op de verdere ontwikkeling van een centraal winkelgebied. Landelijk gezien doen fietsenwinkels het goed. De winkelomzetten per hoofd nemen toe en vooral de verkoop van e-bikes zit in de lift. Met de aanstaande regulering van LEV’s is hier ook groei te verwachten. De vraag naar winkelruimte neemt hiermee verder toe. In Veenendaal is het aanbod, en de vernieuwing in de fietsenwinkelbranche de afgelopen jaren, beperkt.
6/51
VOORSTEL NIEUW TOETSINGSKADER Verankering van bevindingen in het beleid en het toetsingskader voor het bedrijventerrein Compagnie-Oost De bevindingen zoals opgenomen in deze notitie kunnen worden verwerkt in de Visie bedrijventerreinen 2021-2040. Daarmee krijgt de mobiliteitsboulevard, waaronder fietsenwinkels, een verankering in het gemeentelijk beleid. ● Vervolgens kan een gebied worden begrensd voor bedrijventerrein Compagnie-Oost waarbinnen de mobiliteitsboulevard wordt gerealiseerd. ● Voorgesteld wordt aan het bestemmingsplan Het Noorderwerk binnen het gebied van het bedrijventerrein De Compagnie-Oost de aanduiding ‘mobiliteitsboulevard’ toe te voegen. ● Onder een mobiliteitsboulevard kan het volgende worden verstaan: Mobiliteitsboulevard ● Een kennis- en servicecentrum voor het stimuleren en ontwikkelen van verduurzaming van mobiliteit. ● Een knooppunt van samenkomende vervoersvormen. ● Vanuit de mobiliteitsboulevard wordt logistiek verzorgd, gericht op oplossingen voor transport van goederen in het stedelijke gebied die slim, efficiënt en duurzaam zijn. ● Voor het toestaan van functies die een mobiliteitsboulevard in samenhang gaan voren, kan het volgende toetsingskader worden gehanteerd. Een mobiliteitsboulevard is toegestaan: a.
in een geconcentreerd gebied waarbij de afzonderlijke functies in samenhang worden gesitueerd binnen een afstand van maximaal 200 meter van elkaar; b. in de vorm van het aanbieden van emissievrije mobiliteit, evenals onderhoud en advies; c. in de vorm van het faciliteren van het overstappen op andere vervoersvormen; d. in de vorm van detailhandel in fietsen, LEV’s en vergelijkbare goederen gericht op het stimuleren van emissieloze vervoersvormen en het kunnen verplaatsen voor eenieder. Voortbouwen op het gemengde karakter van de bestemmingsregeling voor het bedrijventerrein Compaginie-Oost In feite komen in dit toetsingskader de diverse functies die in het bestemmingsplan voor Compagnie-Oost nu al zijn toegestaan samen: bedrijven, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, onderwijs en parkeerfaciliteiten. Deze worden nu gegroepeerd in een toetsingskader voor de mobiliteitsboulevard. Toegevoegd wordt het toestaan van specifieke detailhandel die bijdraagt aan het doel dat is gericht op duurzaamheid en verandering van mobiliteit. Die toevoeging is nodig om het concept van de mobiliteitsboulevard in te vullen en mogelijk ook om die ontwikkeling in gang te zetten. Toetsingskader voor omgevingsvergunningen, BOPA’s en TAM-omgevingsplannen De gebiedsbegrenzing en het toetsingskader kunnen worden toegepast bij aanvragen voor vestiging van daartoe behorende functies.
Het is denkbaar dat op basis van een afweging en toetsing vergunningen worden verleend voor afwijkend gebruik van een bestaand gebouw, een buitenplanse afwijkingsprocedure of aanpassing van het bestemmingsplan. Onder de Omgevingswet die op 1 januari 2023 in werking zal treden, kan een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik worden verleend, een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) worden vergund of kan het dan geldende omgevingsplan (van rechtswege) eenvoudig worden aangepast met een zogeheten TAM-omgevingsplan. Belangrijk is dat eerst de Visie bedrijventerreinen 2021-2040 wordt aangepast.
DIENSTENRICHTLIJN De aanpassing van het toetsingskader voldoet aan artikel 15, derde lid, onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn: ● Discriminatieverbod Er is met de aanpassing van het bestemmingsplan Het Noorderwerk geen sprake van een eis die een direct of indirect onderscheid maakt in de zin van artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. Hiermee wordt derhalve voldaan aan het discriminatieverbod. ● Noodzakelijkheid De reden voor het toestaan van een mobiliteitsboulevard en daarmee ook het faciliteren van detailhandel in fietsen en
7/51
●
8/51
LEV’s vloeit voort uit het beleid gericht op duurzaamheid en verandering van mobiliteit. Hiervoor is een samenhangend gebied aangewezen, het bedrijventerrein De Compagnie-Oost, in aansluiting op de gevestigde autobedrijven en de vrijkomende gebouwen. Met dit concept wordt concreet invulling gegeven aan het beleid. Verkoop van fietsen en LEV’s maakt daarvan deel uit. In het belang van concentratie van overige detailhandel, buiten de ABC-goederen en PDV-branches, in het kernwinkelgebied en wijkwinkelcentra zijn er dwingende redenen van algemeen belang aan de orde, waardoor verdere verruiming van de brancheringsregeling niet kan worden toegestaan. Voldaan wordt aan artikel 15, derde lid, onder b, van de Dienstenrichtlijn. Evenredigheid Het toestaan van een mobiliteitsboulevard met verkoop van fietsen en LEV’s als onderdeel van een aangepast toetsingskader, voldoet aan artikel 15, derde lid, onder c van de Dienstenrichtlijn. Het voorkomen van verdere brancheverruiming levert een zinvolle bijdrage aan het bereiken van de doelstellingen voor de mobiliteitsboulevard en het detailhandelsbeleid.
1. MOBILITEITSBOULEVARD OPGAVE De gemeenteraad van Veenendaal wil duurzame mobiliteit bevorderen en heeft de wens uitgesproken om een mobiliteitsboulevard te realiseren op het bedrijventerrein de Compagnie-Oost. Op deze boulevard moet ook de verkoop van (elektrische) fietsen en scooters, LEV’s1 en drones mogelijk worden gemaakt. Bij de vaststelling van de Visie bedrijventerreinen 2021 – 2040 heeft de gemeenteraad in de raadsvergadering van 16 december 2021 twee moties aangenomen (2021-13, 2021-14) waarin het college is gevraagd de mogelijkheid en consequenties te onderzoeken van het verbreden van de mogelijkheden voor detailhandel op de mobiliteitsboulevard. Aanleiding hiertoe vormt de dynamiek in de samenleving waarin mobiliteit steeds belangrijker wordt. Daarbij heeft de gemeenteraad ook betrokken dat door veranderende markten, nieuwe bedrijfsconcepten en een toename van leegkomende bedrijfspanden, zich aandienen. Ontwikkelingen, kansen en mogelijkheden doen zich met name voor op het bedrijventerrein ‘De Compagnie-Oost’ waar met name autobedrijven zijn gevestigd.
Figuur 1.1 Ligging bedrijventerrein De Compagnie-Oost De gemeenteraad wilt inzetten op het ontwikkelen van een mobiliteitsboulevard. Dit vloeit voort uit de duurzaamheidsambities in de Omgevingsvisie Veenendaal 2030: ● De ambitie is dat inwoners binnen Veenendaal in 2030 meer lopen en fietsen dan in 2020. ● Ingezet wordt op het realiseren van duurzame mobiliteit. Keuzes binnen mobiliteit kunnen bijdragen aan een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. ● Een prominentere rol voor actieve mobiliteit in vormen die een beweging van de gebruiker vragen zoals lopen en fietsen. ● Inspelen op nieuwe vormen van duurzame mobiliteit, zoals innovatieve vervoersmiddelen, en het centraal stellen van het mobiliteits-concept bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, met een integrale kijk op de algehele mobiliteitsbehoefte van nieuwe gebruikers in plaats van alleen de gehanteerde parkeernorm voor een bepaalde functie.
1 Licht Elektrisch Voertuig. Denk hierbij aan een elektrische step, skateboard, onewheel of monowheel.
9/51
Ter plaatse van het bedrijventerrein De Compagnie-Oost geldt het bestemmingsplan Het Noorderwerk (vastgesteld in 2013). Het ontwikkelen van een mobiliteitsboulevard is binnen dit bestemmingsplan niet mogelijk. De huidige begripsbepaling van ‘detailhandel perifeer’ laat detailhandel in fietsen niet toe. Ook lijkt deze vorm van detailhandel in eerste instantie niet in bestaande beleidskaders te passen. Zo heeft de gemeenteraad in april 2021 de Actualisatie Detailhandelsbeleid Veenendaal 2021-2022 vastgesteld, waarin concentratie van winkelaanbod in het centrum de hoofkeuze is.
VRAAGSTELLING De raad wenst een nader onderzoek dat antwoord geeft op de volgende vraag, die in deze rapportage beantwoord zal worden. Hoe kunnen we de verkoop van (elektrische) fietsen en LEV’s mogelijk maken voor ABC-bedrijven op de autoboulevard Compagnie-Oost, zonder detailhandel in de breedte toe te staan? De onderzoeksvraag is opgesplitst in deelvragen: 1. Hoe kan worden aangetoond dat het (onder voorwaarden) toelaten van de branches fietsen en de verkoop LEV’s niet leidt tot een aantasting van de vitaliteit en het functioneren van de binnenstad van Veenendaal? 2. Hoe kunnen de mogelijkheden voor detailhandel binnen de begripsbepaling ‘detailhandel perifeer’ in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein De Compagnie-Oost worden verruimd, zodat ook de verkoop van (elektrische) fietsen en LEV’s mogelijk wordt gemaakt, zonder dat hiermee een precedent wordt geschapen, waardoor veel meer branches mogelijk moeten worden gemaakt? 3. Hoe kan de uitbreiding van de begripsbepaling ‘detailhandel perifeer’ in het bestemmingsplan voor Compagnie-Oost worden omschreven en onderbouwd ZONDER DAT strijdigheid ontstaat met de Dienstenrichtlijn? Rho adviseurs heeft onderzoek gedaan waarin de mogelijkheden voor verruiming van de toelaatbaarheid van ABC-goederen (auto, boten, caravans) zijn verkend.
Die verkenning is uitgevoerd in het licht van de ambitie van de gemeenteraad om een mobiliteitsboulevard te realiseren.
MOBILITEITSBOULEVARD In de praktijk wordt bij de invulling van een mobiliteitsboulevard onder meer gedacht aan de volgende opties: ● Een kennis- en servicecentrum voor het stimuleren en ontwikkelen van verduurzaming van mobiliteit. ● Een knooppunt van samenkomende vervoersvormen. ● Vanuit de mobiliteitsboulevard wordt logistiek verzorgd, gericht op oplossingen voor transport van goederen in het stedelijke gebied die slim, efficiënt en duurzaam zijn. ● Een mobiliteitsboulevard kan worden ingevuld: in een geconcentreerd gebied waarbij de afzonderlijke functies in samenhang worden gesitueerd binnen een afstand van maximaal 200 meter van elkaar; in de vorm van het aanbieden van emissievrije mobiliteit, evenals onderhoud en advies; in de vorm van het faciliteren van het overstappen op andere vervoersvormen; in de vorm van detailhandel in fietsen, LEV’s en vergelijkbare goederen gericht op het stimuleren van emissieloze vervoersvormen en het kunnen verplaatsen voor eenieder. Duurzaamheid en het streven naar verandering van mobiliteit vormen vaste onderdelen van visies en andere documenten. De uitwerking hiervan in de vorm van het realiseren van een mobiliteitsboulevard is nog geen gemeengoed. Het bevorderen van fietsgebruik en LEV’s is een eerste logische gedachte. Daarmee worden naar verwachting andere mobiliteitsvormen teruggedrongen, zoals het autogebruik.
In vergezichten kan worden gedacht aan het ontstaan van hubs (overstappen naar andere mobiliteiten) en een kennis- en servicecentrum. In ieder geval is hiervoor substantiële ruimte nodig. Deze ruimte is niet in het centrumgebied beschikbaar. Op het bedrijventerrein De Compagnie-Oost ontstaat naar verwachting hiervoor wel ruimte door vrijkomende gebouwen van autobedrijven, die zich mogelijk goed lenen voor functies die in samenhang een mobiliteitsboulevard vormen.
10/51
Figuur 1.2: Huidige spreiding autobedrijven Veenendaal-Noord
LEESWIJZER Op basis van een aantal doelgerichte analyses zijn deze onderzoeksvragen navolgend beantwoord. De achterliggende analyses zijn te vinden in de volgende hoofdstukken: ● Invulling van het concept mobiliteitsboulevard (hoofdstuk 1). ● Analyse huidige regeling en relevante beleidskaders (hoofdstuk 2); ● Analyse (fiets)winkelaanbod in Veenendaal en benchmark (hoofdstuk 3); ● Beide analyses resulteren in een voorstel voor een nieuwe regeling (hoofdstuk 4); ● Deze regeling wordt vervolgens getoetst aan de Dienstenrichtlijn (hoofdstuk 5).
11/51
2. ANALYSE HUIDIGE REGELING EN BELEID In dit hoofdstuk beschrijven we de huidige bestemmingsplanregeling (paragraaf 2.1) en de relevante beleidskaders op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau (paragrafen 2.2 – 2.4). Vervolgens benoemen we in paragraaf 2.5 de kansen en aandachtspunten mogelijkheden voor de mobiliteitsboulevard en specifiek de verkoop van (elektrische) fietsen en LEV’s.
2.1
Huidige regeling ‘Het Noorderwerk’
BESTEMMINGSREGELING Ter plaatse van het bedrijventerrein de Compagnie-Oost geldt het bestemmingsplan ‘Het Noorderwerk’. Er is perifere detailhandel toegestaan op locaties waar in de bestemming ‘Bedrijf’, de aanduiding ‘Detailhandel-perifeer’ geldt.
Figuur 2.1 Verbeelding bestemmingsplan Het Noorderwerk Bestemmingsomschrijving De bestemming Bedrijf (artikel 3) biedt ruimte voor de volgende functies: a. bedrijf in de vorm van bedrijven en bedrijfsactiviteiten maximaal tot en met de ter plaatse aangegeven milieucategorie zoals die is weergegeven op de verbeelding en nader is omschreven in de lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1); b. bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. bedrijfsgebonden kantoor op de gronden gelegen buiten de aangegeven 'veiligheidszone - bevi - 1, invloedsgebied', als onderdeel van de bedrijven als genoemd in sub a., met dien verstande dat de oppervlakte van dit kantoor maximaal 50% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte mag bedragen met een maximum van 2.000 m²; d. beeldende kunst; e. dienstverlening; f. congrescentrum; g. erf; h. groen; i. horeca, die direct en ondergeschikt een verband heeft met de in dit artikel bedoelde bedrijven en bedrijfsactiviteiten; j. infrastructuur; k. laad- en losplaats; l. maatschappelijke voorzieningen; m. nutsbedrijf; n. nutsvoorziening;
12/51
o. p. q. r. s. t. u. v.
onderwijs in de vorm van onderwijsinstellingen, onderwijsinstituten; ontsluiting; opslag, met dien verstande dat opslag in de open lucht uitsluitend achter de voorgevel mag plaatsvinden; parkeergarage; parkeerterrein; perifere detailhandel ter plaatse van de functieaanduiding (dhp) "Detailhandel perifeer"; risicovolle inrichting ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – bevi – 3, opslag gevaarlijke stoffen'; showroom;
Begripsbepalingen Perifere detailhandel wordt als volgt omschreven (artikel 1.40): “vestiging van detailhandel in ABC-goederen (auto's, boten, caravans, tenten en motoren), bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling (en uit dien hoofde niet binnen de aangewezen winkelconcentratiegebieden gevestigd kunnen worden), niet zijnde electro- sport- en foodmarkten, speelgoed, outdoorsport en recreatie;” Onder dienstverlening wordt het volgende verstaan (artikel 1.42) het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; Maatschappelijke voorzieningen zijn als volgt gedefinieerd (artikel 1.64): voorzieningen op het gebied van zorg- en welzijn (waaronder niet is inbegrepen de huisvesting van zorgbehoevenden), volksgezondheid, cultuur, religie, onderwijs, verenigingsleven, opvoeding, kinderopvang, openbaar bestuur en andere openbare en sociale voorzieningen; Specifieke gebruiksregels Daarnaast is op basis van de specifieke gebruiksregels (artikel 3.4.2) verschillende detailhandel toegestaan: a.
detailhandel in auto's, boten, caravans, tenten en motoren, voor zover deze plaatsvindt in bestaande detailhandelsvestigingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in het plangebied aanwezig zijn; b. overige vormen van detailhandel in reeds bestaande detailhandelsvestigingen zoals deze nader zijn omschreven in de bij deze regels behorende Staat van Detailhandelsactiviteiten (bijlage 5.9), uitsluitend in de aangegeven bedrijfsvoering, aard en omvang; c. detailhandel in nevenartikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen die rechtstreeks in verband staan met de hiervoor bij (a) en (b) omschreven detailhandel tot een maximum van 15 % van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 150 m². Afwijkingsbevoegdheid Ook is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor detailhandel (artikel 3.5.2): 1. detailhandel in auto's, boten, caravans, tenten en motoren; 2. detailhandel in nevenartikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen die rechtstreeks in verband staan met de hiervoor bij (1) omschreven detailhandel tot een maximum van 15 % van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 150 m², met dien verstande dat: a. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; b.
de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toeneemt; c. er geen sprake is van nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid en/of de bereikbaarheid van percelen; d. op het bouwperceel parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang aanwezig is; e. geen onevenredige verstoring van een evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur mag plaatsvinden; f. aan een te verlenen ontheffing voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van de vormgeving en de omvang van reclame-uitingen.
13/51
TOELAATBAARHEID MOBILITEITSBOULEVARD De bedrijfsbestemming is ruimer dan alleen voor bedrijven. De bestemmingsomschrijving bevat kenmerken van een gemengde bestemming: dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en onderwijs. Achtergrond voor deze ruime bestemmingsomschrijving is de situatie van het bedrijventerrein destijds, de ontwikkelingen ten aanzien van leegstand en de noodzaak van het bieden van perspectief op invulling van locaties door andere functies. Binnen deze bestemmingsomschrijving lijkt ruimte te worden geboden voor in ieder geval enkele onderdelen van een mobiliteitsboulevard zoals een centrum gericht op het stimuleren van verandering van mobiliteit en het faciliteren van overstapmogelijkheden. Deze invulling van een mobiliteitsboulevard past in de toegestane functies ‘dienstverlening’, ‘maatschappelijke voorzieningen’, ‘laad- en losplaats’, ‘onderwijs’, ‘parkeergarage’ en ‘parkeerterrein’. De bevindingen zoals hiervoor genoemd zouden overigens betekenen dat een mobiliteitsboulevard of in ieder geval onderdelen hiervan, zich op het gehele bedrijventerrein kunnen vestigen. Dat is ongewenst voor het ontwikkelen van een mobiliteitsboulevard, omdat daarvoor samenhang in een geconcentreerd gebied nodig is.
Als wordt ingezet op een mobiliteitsboulevard is het nodig hiervoor een gebied aan te wijzen en op de verbeelding te voorzien van de aanduiding ‘mobiliteitsboulevard’. Een duidelijke begrenzing tot een bepaald gebied waarborgt dat ook daadwerkelijk een ‘boulevard’ kan ontstaan, waar de verschillende functies in elkaars nabijheid zijn gevestigd. Dan wordt de mobiliteitsboulevard ook herkenbaar. In combinatie met deze gebiedsbegrenzing kan worden bepaald dat zich binnen dat gebied een samenhangende mobiliteitsboulevard kan ontwikkelen.
TOELAATBAARHEID DETAILHANDEL IN FIETSEN EN LEV’S De beoogde branches, (elektrische) fietsen en scooters, LEV’s en drones, zijn niet toegestaan, ook niet na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.5.2.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht (10-03-2022)
TOELAATBAARHEID MOBILITEITSBOULEVARD ●
●
●
14/51
Paragraaf 2.2 Utrecht 2050 Er zijn grote veranderingen nodig in verschillende sectoren: gebouwde omgeving, bedrijven, mobiliteit en landbouw. Het vraagt opschaling van de inzet van bewezen technologie, de ontwikkeling van innovaties en de toepassing van slimme ruimtelijke combinaties in al deze sectoren. Het bestaande infrastructuurnetwerk kan de groei niet opvangen. In onze provincie is de ruimte beperkt. Dit vraagt om een mobiliteitssysteem dat efficiënt met ruimte omgaat en in samenhang met de keuze voor nieuwe woon- en werklocaties wordt ontwikkeld. Ingezet wordt op knooppuntontwikkeling om overstap tussen vervoerwijzen mogelijk te maken en het OV- en fietsgebruik te stimuleren. Op provinciaal niveau zijn hiervoor twee knooppunten aangewezen. Paragraaf 4.3 Duurzame energie Daarnaast stimuleren we besparingen op het gebied van mobiliteit door het gebruik van OV en fiets en door wandelen aan te moedigen en ondersteuning te bieden in de omslag naar schonere brandstoffen Paragraaf 4.5 Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar We staan voor een grote en complexe uitdaging: komen tot vernieuwende en passende mobiliteitsoplossingen. Deze moeten bijdragen aan die betere bereikbaarheid en een kwalitatief hoogwaardige Utrechtse regionale samenleving met een groeiende bevolking, bedrijvigheid en verstedelijking.
Kortom: een mobiliteitstransitie naar gezonde en duurzame vervoerswijzen, ander reisgedrag en op een ander schaalniveau. In de (metropool)regio Utrecht is een schaalsprong nodig in de netwerken. Die voor autoverkeer is al gepland, maar staat onder druk vanwege de inpasbaarheid. Voor openbaar vervoer en fiets moet deze schaalsprong nog grotendeels gestalte
●
krijgen. De samenhang tussen deze verschillende netwerken moet worden versterkt via intensivering van ons knooppuntenbeleid. Knooppunten zijn plaatsen waar meerdere vormen van vervoer samenkomen. Vaak gaat het om treinstations, maar ook tram- en bushaltes kunnen fungeren als knooppunten. Deze knooppunten zijn aantrekkelijk voor verdere verstedelijking, omdat deze locaties relatief goed bereikbaar zijn met meerdere vervoerwijzen. Ook vanuit de dunner bevolkte gebieden. Bij veel knooppunten bevinden zich daarom nu al veel bedrijven, voorzieningen en woningen, maar er is ook nog veel potentie voor verdere ontwikkeling. Structurele aandacht voor gedragsbeïnvloeding, slimme mobiliteit, benutting van de bestaande netwerken en relatief kleinschalige investeringen in doorstroming van fiets en OV gaan daarbij hand in hand met zeer grote investeringen in met name knooppuntontwikkeling, een regionale OV-ring en een fietsnetwerk met stedelijke doorfietsroutes en regionale snelfietsroutes. Mobiliteit van de toekomst moet veilig, schoon en slim zijn. Ambities ● 2040: het mobiliteitssysteem is duurzaam en veilig: klimaatneutraal, toekomstbestendig en voldoet zo veel mogelijk aan de gewenste kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent onder andere terugdringing van het (fossiele) energieverbruik en van de CO2-uitstoot.
● 2050: de schaalsprong Fiets heeft plaatsgevonden en een hoogwaardig netwerk van snelfiets- en doorfietsroutes is gerealiseerd. ● 2050: duurzaam goederenvervoer langs corridors en via hubs. Dit betekent beter benutten van de bestaande vaarwegen en een transitie naar duurzamer vervoer over land. Het mobiliteitsnetwerk wordt zoveel mogelijk klimaatadaptief ingericht en mobiliteitsprojecten worden zoveel mogelijk duurzaam uitgevoerd. Trends in mobiliteit, zelfrijdende auto’s en elektrisch vervoer maken dat we ook op het gebied van infra moeten innoveren. Samen met anderen overheden, kennisinstellingen, marktpartijen en gebruikers moeten we oplossingen vinden voor de grote uitdagingen waar we voor staan. De provincie bezit belangrijke assets die aan de basis liggen van het bestaande regionale bereikbaarheidsnetwerk en de doorontwikkeling daarvan mogelijk maken Paragaaf 5.1 U16 Organiseer slimme, gezonde en veilige mobiliteit met voldoende alternatieven. Dus meer wandel- en fietspaden, openbaar vervoer, stadsdistributie en digitaal werken. Maak het mobiliteitssysteem samenhangend en multimodaal, zet in op alles: én fiets én openbaar vervoer én weg én beleid om mensen te motiveren de best passende modaliteit te kiezen. Zowel op lokaal, regionaal als nationaal niveau.
TOELAATBAARHEID DETAILHANDEL IN FIETSEN EN LEV’S De provincie Utrecht heeft het ruimtelijk beleid opgenomen in de Omgevingsvisie provincie Utrecht, vastgesteld 10 maart 2021, en uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, vastgesteld 10 maart 2021. Het beleid sluit aan bij de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Een goede retailstructuur is van belang voor een vitale economie, het bieden van kwalitatieve en voldoende vestigingslocaties voor het bedrijfsleven, en uit oogpunt van leefbaarheid: de nabijheid en bereikbaarheid van winkelvoorzieningen. Een duurzame retailstructuur is een essentiële voorwaarde voor het behoud van de leefkwaliteit van de steden en dorpen. Het provinciaal beleid is er daarom op gericht om de nieuwvestiging van retail te concentreren in het bestaand winkelgebied. Daarnaast wil de provincie zich met de gemeenten en ondernemingen inzetten voor een beleid gericht op versterking van de vitaliteit van onze binnensteden en dorpen. Voor detailhandel in overwegend volumineuze goederen, waarvoor in de bestaande centra geen ruimte is, is nog voldoende planologische ruimte beschikbaar in de vigerende bestemmingsplannen.
15/51
2.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (10-03-2021) De Omgevingsverordening is een uitwerking van de beleidskeuzes die in de Omgevingsvisie zijn gemaakt. Ten aanzien van detailhandel zijn de volgende artikelen relevant.
TOELAATBAARHEID MOBILITEITSBOULEVARD In de omgevingsverordening gaat het alleen over een mobiliteitstoets. De verordening bevat voorts bepalingen dat stedelijke functies in het stedelijk gebied moeten worden gefaciliteerd (artikel 9.15). Bedrijventerreinen zijn gereserveerd voor bedrijven (artikel 9.16).
TOELAATBAARHEID DETAILHANDEL IN FIETSEN EN LEV’S Artikel 9.18 Instructieregel detailhandel 1. Detailhandel bestaat uit Detailhandel buiten bestaand winkelgebied en Bestaand winkelgebied. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel dan wel het wijzigen van brancheringsregels voor detailhandel, tenzij: a. het gaat om detailhandel waaraan een aantoonbare behoefte bestaat als gevolg van een wijziging van een bestemmingsplan dat voorziet in grootschalige toevoeging van woningen of andere stedelijke ontwikkeling; b. het gaat om brand- of explosiegevaarlijke detailhandel op bedrijventerreinen; c. het gaat om nieuwvestiging of uitbreiding van volumineuze detailhandel indien daarvoor aantoonbare behoefte bestaat en in de regio geen mogelijkheden voor volumineuze detailhandel aanwezig is; d. het gaat om oppervlakteneutrale verplaatsing van volumineuze detailhandel die noodzakelijk is vanuit het oogpunt van hinder, veiligheid, verkeersaantrekkende werking of het maatschappelijk functioneren van het gebied en onder de voorwaarde dat de bouwvlakken van de te verplaatsen detailhandel een andere bestemming krijgen; e.
het gaat om verplaatsing of uitbreiding van detailhandel in aansluiting op het gebied Bestaand winkelgebied indien dit noodzakelijk is voor het maatschappelijk functioneren van het bestaande winkelgebied; f. het gaat om kleinschalige ondergeschikte detailhandel op locaties binnen Bovenlokaal dagrecreatieterrein ten behoeve van de recreatieve functies op het bovenlokaal dagrecreatieterrein: of g. het gaat om detailhandel die qua aard en omvang vergelijkbaar is met detailhandel hiervoor genoemd onder a t/m f of waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Detailhandel buiten bestaand winkelgebied bevat regels die voorzien in een functiewijziging van bestaande detailhandelsbestemmingen naar andere functies indien: a. nog geen vergunning is aangevraagd; en b. er geen zicht is op realisatie van de functie binnen 10 jaar. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Volumineuze detailhandel wordt als volgt gedefinieerd: vormen van detailhandel die een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten-, en caravanbedrijven mede worden begrepen. 2.2.3
Retailvisie provincie Utrecht
TOELAATBAARHEID DETAILHANDEL IN FIETSEN EN LEV’S In 2018 heeft de provincie Utrecht de provinciale Retailvisie vastgesteld. Het provinciale beleid is gericht op een toekomstbestendige detailhandelsstructuur met voldoende ruimte voor ondernemerschap en een adequaat niveau van voorzieningen voor de Utrechtse bevolking. Daarvoor richt de provincie Utrecht zich op versterking van de bestaande winkelstructuur (figuur 2.2) en op het behoud van vitale centra.
16/51
Figuur 2.2 Detailhandelsstructuur provincie Utrecht (bron: Retailvisie provincie Utrecht, 2018) De huidige winkelstructuur in de provincie Utrecht kenmerkt zich door een gevarieerd aanbod van hoofdwinkelcentra, met een ondersteunende structuur van wijk- en buurtcentra in de grotere steden. Oók met de voorspelde bevolkingsgroei in Utrecht, is het noodzakelijk in de meeste centra te anticiperen op de afnemende winkelfunctie voor niet-dagelijkse goederen. De provincie staat daarom buiten de bestaande winkelstructuur in principe geen nieuwe uitbreidingen toe. Ook binnen de bestaande structuur moet worden nagegaan welke gebieden wel en niet kansrijk zijn en dit vraagt soms scherpe keuzes. Toevoegen van extra detailhandel meters aan bestaande winkelcentra is in bijna alle gevallen ongewenst. De regiopositie van Amersfoort en Veenendaal staat onder druk. De binnenstad van Amersfoort kan, door de omvang van het winkel- en horeca-aanbod in een grotendeels historische setting en een groeiend inwonertal, blijven rekenen op recreatieve bezoekers uit de directe omgeving. Ook Veenendaal vervult een soortgelijke rol voor de omliggende steden. Voor deze binnensteden geldt dat de lokale consument en de consument uit de directe omgeving (regio), in toenemende mate de belangrijkste basis vormt voor het economisch functioneren van de meeste winkels.
De niet-dagelijkse regionale winkelfunctie zal niet langer vanzelfsprekend zijn. Dit betekent dat zowel de omvang als het aanbod heroverwogen moet worden en er keuzes moeten worden gemaakt.
17/51
Er zijn nog wel winkelconcepten die de periferie willen opzoeken, vanwege de bereikbaarheid en lage kosten. Doordat de behoefte aan fysieke winkels afneemt, zal dit ten koste gaan van de bestaande winkellocaties. Vestiging van perifere, grootschalige detailhandel wordt in beginsel niet toegestaan buiten de bestaande mogelijkheden in vigerende ruimtelijke plannen van de gemeenten. Vestiging is uitsluitend toegestaan van winkels die vanwege aard en omvang en het gevoerde assortiment, moeilijk inpasbaar zijn in centrumgebieden zoals bouwmarkten en tuincentra. Op de bestaande perifere locaties zijn nog voldoende mogelijkheden beschikbaar. De totale plancapaciteit op bedrijventerreinen (nog niet benutte, maar wel planologisch mogelijke detailhandel) wordt geschat op ruim 8 mln. m², waarvan 850.000 m² op onbebouwde gronden. Voor de kleine kernen zijn de bestaande detailhandelsbestemmingen leidend. 2.2.4
Toelaatbaarheid mobiliteitsboulevard en verkoop van fietsen en LEV’s
TOELAATBAARHEID MOBILITEITSBOULEVARD De omgevingsvisie voor de provincie Utrecht biedt vele aanknopingspunten voor het ontwikkelen van een mobiliteitsboulevard. Op provinciaal niveau zijn hiervoor locatie aangewezen. Voor gemeentelijk beleid en voor bestemmingsplannen is dit niet geconcretiseerd. De verordening is in dat opzicht klassiek en sorteert nog niet concreet voor op het invullen van de provinciale duurzaamheids- en mobiliteitsambities. Uit de omgevingsvisie is duidelijk af te leiden dat de mobiliteitsboulevard in Veenendaal die ambities waarmaakt binnen het bestaand stedelijk gebied.
TOELAATBAARHEID DETAILHANDEL IN FIETSEN EN LEV’S Het provinciale en regionale beleid is gericht op concentratie van detailhandel in de bestaande winkelgebieden. Uitzondering daarop is onder andere detailhandel in volumineuze goederen, of in het geval van de regio FoodValley detailhandel (zie hierna) in PDV-branches. De beoogde ontwikkeling vindt plaats buiten bestaand winkelgebied en is alleen mogelijk wanneer aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het provinciale beleid sluit niet uit dat fietsenwinkels mogen worden toegestaan op perifere locaties. Het gaat dan om detailhandel waarvan aard en omvang geen negatieve gevolgen hebben voor detailhandel op locaties binnen Bestaand winkelgebied (artikel 9.18 lid 1 onder g). Voorliggende rapportage bevat deze onderbouwing.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Actualisering PDV-beleid regio FoodValley 2020-2025 (11 september 2020)
BELEID De Regio FoodValley heeft de Actualisatie 2020 -2025 van het PDV-beleid vastgesteld. Een actueel en onderbouwd PDV/GDV-beleid draagt bij aan het behoud van de leefbaarheid door leegstand in de binnenstedelijke winkelgebieden te voorkomen die mede als gevolg van PDV en GDV kan ontstaan. Door samen één lijn te trekken voeren de acht gemeenten hetzelfde beleid uit en maken hierover regionale afspraken. Het is van belang om als regio dezelfde definities te hanteren. Dit creëert duidelijkheid en synergie en voorkomt misverstanden. Hieronder is een aantal relevante definities weergegeven: ● Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. ● PDV-branches: branches die vanwege de omvang en aard van de volumineuze goederen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling en uit dien hoofde niet binnen de aangewezen winkelconcentratiegebieden gevestigd kunnen worden: auto’s, boten, caravans (ABC), detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke en milieuverstorende stoffen, grove bouwmaterialen, bouwmarkten, tuincentra, keukens en sanitair, en de gehele woninginrichting, waaronder meubelen.
Dit laatste komt overeen met de drie PDV-branches Wonen, Doe-het-zelf en Tuincentra. ABC (Automotive) en overige PDV worden behandeld als een aparte categorie van PDV-branches. ● PDV-concentratiegebied: dit zijn de acht perifere locaties in FoodValley, te weten: Barneveld De Briellaerd, Barneveld De Valk, Barneveld Scherpenzeelseweg, Ede Lorentzstraat, Nijkerk Watergoorweg, Veenendaal Grote Beer, Veenendaal Groeneveldselaan en Wageningen Costerweg.
18/51
● ● ●
●
Perifere detailhandelsvestigingen: dit zijn vestigingen die behoren tot de PDV-branches en die op een perifere locatie liggen. Perifere (of verspreid liggende) locatie: een locatie met detailhandel buiten de binnenstedelijke winkelgebieden. Binnenstedelijke winkelgebieden: de centrale en ondersteunende winkelgebieden: Centrale winkelgebieden: dit zijn de centrumgebieden in de woonplaatsen van FoodValley; Ondersteunende winkelgebieden: de winkelgebieden op stadsdeel-, wijk- en buurtniveau. Woonboulevard: een planmatig opgezet PDV-concentratiegebied van meerdere woonwinkels en aanverwant aanbod bij elkaar: in FoodValley is dat alleen de woonboulevard Groeneveldselaan
De volgende beleidsuitgangspunten inzake het PDV-beleid worden één op één in het raadsbesluit overgenomen. De kaders worden eensluidend vastgesteld in alle Regio FoodValley-gemeenten: 1. Inzetten op een concentratie van het aantal perifere meters in de acht PDV-concentratiegebieden: uitbreiding van het aanbod kan alleen als dat naar de regio goed verantwoord wordt. Als er geen planologische wijziging nodig is vindt melding plaats bij de regio in het geval van een majeure ontwikkeling. 2. In de acht PDV-concentratiegebieden alleen de PDV-branches Wonen, Doe-hetzelf en Tuincentra toestaan, inclusief Tuinartikelen en Tuinmeubelen. Voor ABC (Automotive) en overige PDV-branches is de regio FoodValley terughoudend bij de uitbreiding van het aantal PDV-locaties om versnippering te voorkomen. Overige branches zijn voorbehouden aan de binnenstedelijke winkelgebieden. 3. Er wordt in de acht PDV-concentratiegebieden voor vestigingen in de PDV-branches een minimale maatvoering van 500 m2 wvo per detailhandelsvestiging gehanteerd. Bij initiatieven groter dan deze minimale maatvoeringen is alleen advies nodig van het Ambtelijk Overleg (AO) en het Portefeuillehouders Overleg (PHO), als sprake is van een netto toevoeging van plancapaciteit. 4.
Er wordt bij winkels op PDV-concentratiegebieden vastgehouden aan een maximum aandeel branchevreemd van maximaal 15% van het winkeloppervlak, met een maximum van 150 m2. 5. De ontwikkeling van webshops en afhaalcentra wordt binnen de binnenstedelijke winkelgebieden ingepast. Afhaalcentra zijn ook in de PDV-concentratiegebieden mogelijk, maar dan alleen bij de bestaande perifere detailhandelsvestigingen. Voor uitzonderlijke nieuwe gevallen krijgen colleges een afwijkingsbevoegdheid voor een afhaalfunctie bij een webshop op een bedrijventerrein. Bij gebruik van de afwijkingsbevoegdheid vindt achteraf melding plaats in het Ambtelijk Overleg (AO). 6. Een Factory Outlet Center in de Regio FoodValley heeft geen meerwaarde en is derhalve niet gewenst. 7. De Regio FoodValley-gemeenten dienen elkaar transparant te informeren over nieuwe plannen die een regionale impact hebben en dienen deze plannen op en met elkaar af te stemmen. Bij plannen met een lokale impact waarbij niet wordt voldaan aan de regionale concentratieplicht is ook zonder een planologische wijziging advies nodig van het Ambtelijk Overleg (AO) en het Portefeuillehouders Overleg (PHO).
OVERWEGINGEN ALS BASIS VOOR HET BELEID Ten aanzien van branches die al dan niet in het centrumgebied of op PDV-locaties mogen worden gevestigd, bevat de regionale visie de volgende relevante overwegingen. ● 2. Op perifere locaties alleen die branches toestaan die (vanwege de aard en omvang van de goederen) niet kunnen worden ingepast in de bestaande binnenstedelijke winkelgebieden. Allereerst is het, zoals benoemd in de huidige beleidsregel, niet wenselijk om bedrijven toe te laten op perifere locaties wanneer deze ook inpasbaar zijn in bestaande binnenstedelijke winkelgebieden. De afname van het aanbod in een aantal centrumbranches gaat ten koste van de diversiteit aan detailhandel op deze locaties. Deze centrumgebieden zijn daardoor kwetsbaar, de leegstand gaat ten koste van het functioneren en de vitaliteit. Een breed aanbod aan detailhandelsbranches staat garant voor de versterking van deze ruimtelijke aspecten in de centrumgebieden. Van belang is dat bij nieuwe of te verplaatsen grootschalige detailhandelsvestigingen primair wordt gekeken of deze ruimtelijk inpasbaar zijn in of aan de rand van de centrale winkelgebieden.