CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Concept Ontwerp Omgevingsplan, deel I - Omgevingsplan, deel 1

Raadscommissie 17 juni 2021, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Consultatie Concept Ontwerp Omgevingsplan56.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

3 Het eerste lid is niet van toepassing in Hondenlosloopgebieden.

32

Artikel 5.95 Algemene regels verboden natuurlijke behoefte Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 5.96 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning zich met een hond te begeven in [werkingsgebied verboden voor honden].

Artikel 5.97 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning wordt geweigerd als de aanvrager buiten het [werkingsgebied verboden voor honden] woont.

2 Lid 1 geldt niet als de aanvrager heeft kunnen aantonen dat er een dringende reden is om zich met de hond in het [werkingsgebied verboden voor honden] te begeven.

Paragraaf 5.5.11 Parkeerexcessen Artikel 5.98 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het parkeren van motorvoertuigen, aanhangwagens en fietsen op de openbare weg in beheer bij de gemeente.

Artikel 5.99 Algemene regels verboden 1 Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

2 Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

3 Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

4 Het verbod in lid 3 is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

5

33

Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

6 Het verbod in lid 5 is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. drie of meer voertuigen die de (bedrijfsmatige) houder van een motorvoertuig toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 35 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; of b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

2 Het verbod geldt niet voor: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde (bedrijfsmatige) houder van een motorvoertuig.

3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.

4 Het verbod in lid 3 geldt niet voor campers.

5 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

6 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, waar dit naar hun oordeel: a. schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; of b. Buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

7

34

Het verbod in lid 6 is niet van toepassing op: a. campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden; b. werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

8 Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te parkeren.

9 Het verbod in lid 8 is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Artikel 5.101 Bijzondere aanvraagvereisten PM

Artikel 5.102 Beoordelingsregels PM

Paragraaf 5.5.12 Standplaatsen Artikel 5.103 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het innemen of hebben van een standplaats.

Artikel 5.104 Algemene regels verboden Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder omgevingsvergunning standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5.105 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben.

Artikel 5.106 Bijzondere aanvraagvereisten PM

Artikel 5.107 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd, wanneer er sprake is van: a. strijdigheid bestaat met andere regels uit het omgevingsplan; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

35

Afdeling 5.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 5.6.1 Algemeen Artikel 5.108 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van het cultureel erfgoed.

Paragraaf 5.6.2 Gemeentelijke monumenten Subparagraaf 5.6.2.1 Algemeen Artikel 5.109 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op: a. het aanbrengen van wijzigingen aan gemeentelijke monumenten; en b. het aanvragen van subsidie voor onderhoud van een gemeentelijk monument.

Subparagraaf 5.6.2.2 Vergunningplichtige gevallen Artikel 5.110 Specifieke zorgplicht Een gemeentelijk monument wordt niet beschadigd of vernield en wordt onderhouden als dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 5.111 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Ter plekke van Gemeentelijke monumenten is het verboden zonder omgevingsvergunning het gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2 Het verbod is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal normaal onderhoud van een monument, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monumentniet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

3 Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.112 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning PM

36

Artikel 5.113 Beoordelingsregel omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.111 eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

2 De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet.

Artikel 5.114 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over Subparagraaf 5.6.2.2

Subparagraaf 5.6.2.3 Subsidie Artikel 5.115 Advisering subsidieverlening Burgemeester en wethouders beslissen over een subsidieaanvraag. Daar waar dit nodig wordt geacht kan advies worden gevraagd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 5.116 Subsidie voor een gemeentelijk monument voor onderhoud 1 Burgemeester en wethouders kunnen subsidie voor Gemeentelijke monumenten toekennen voor: 1. de kosten van schilderwerk van het exterieur van een gemeentelijk monument, waartoe ook de binnenzijde van het buitenwerk, bestaande uit vensters en deuren wordt gerekend; 2. de kosten voor het onderhoud van gemeentelijke monumenten; 3. reconstructie van monumentale onderdelen; 4. de kosten van het opstellen van een bouwkundig inspectierapport.

2 De volgende kosten voor de werkzaamheden als bedoeld in lid 1, komen in aanmerking voor subsidie: a. materiaalkosten; b. materieelkosten; c. arbeidskosten; d. algemene kosten.

3 Per gemeentelijk monument kan ten hoogste eenmaal per 2 kalenderjaren aanspraak op een subsidie voor een gemeentelijk monument voor onderhoudswerkzaamheden of reconstructie van monumentale onderdelen worden gemaakt. Alleen die werkzaamheden die, getuige een onafhankelijk bouwkundig inspectierapport, binnen een periode van 0-5 jaar dienen te worden verricht, komen voor subsidie voor een gemeentelijk monument in aanmerking. Voor eenmaal verrichte werkzaamheden kan in geval van onderhoud ten vroegste na 10 jaar opnieuw subsidie voor een

37

gemeentelijk monument worden aangevraagd.

4 Voor een volledige schilderbeurt als bedoeld in lid 1 onder a kan per gemeentelijk monument ten hoogste één maal per 10 jaar aanspraak op een subsidie voor een gemeentelijk monument worden gemaakt. Burgemeester en wethouders kunnen eisen aan het kleurgebruik stellen.

Artikel 5.117 Subsidieomvang 1 Voor onderhoud bedraagt de subsidie voor een gemeentelijk monument 50% van de subsidiabele kosten voor een gemeentelijk monument met een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen maximum.

2 Voor een volledige schilderbeurt van een gemeentelijk monument bedraagt de subsidie voor een gemeentelijk monument 50% van de subsidiabele kosten voor een gemeentelijk monument met een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen maximum.

3 Voor de reconstructie van kleine monumentale onderdelen bedraagt de subsidie voor een gemeentelijk monument 50% van de subsidiabele kosten voor een gemeentelijk monument met een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen maximum. Subsidie voor een gemeentelijk monument kan enkel worden verstrekt nadat aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit advies is gevraagd.

4 Voor het laten opstellen van een bouwkundig inspectierapport door de Monumentenwacht Utrecht of een andere onafhankelijke deskundige (instantie) bedraagt de subsidie voor een gemeentelijk monument 50% van de subsidiabele kosten voor een gemeentelijk monument met een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen maximum.

5 Het maximum subsidiebedrag voor de in lid 1 t/m 4 genoemde activiteiten staat in [bijlage x bij dit Omgevingsplan].

Artikel 5.118 Subsidieaanvraag 1 Een eigenaar van een gemeentelijk monument die voor een subsidie voor een gemeentelijk monument volgens deze regeling in aanmerking wenst te komen, dient bij burgemeester en wethouders een schriftelijke aanvraag in, volgens het Aanvraagformulier subsidie voor een gemeentelijk monument onderhoud gemeentelijke monumenten Veenendaal.

2 Om in aanmerking te komen voor subsidie voor een gemeentelijk monument : a. dient een technisch inspectierapport, niet ouder dan twee jaar, van een onafhankelijke instantie te worden overlegd, waaruit de noodzaak om de betreffende werkzaamheden binnen 5 jaar uit te voeren blijkt;

38

b. dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden volgens de Uitvoeringsvoorwaarden voor onderhoud van gemeentelijke monumenten in Veenendaal.

3 Indien niet wordt voldaan aan het gestelde in lid 1, geven burgemeester en wethouders de eigenaar van de gemeentelijk monument de gelegenheid om binnen twee weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens te overleggen.

4 Op een verzoek om subsidie voor een gemeentelijk monument beslissen burgemeester en wethouders binnen 12 weken.

5 Definitieve vaststelling van het subsidiebedrag en uitbetaling ervan vinden door burgemeester en wethouders plaats nadat het werk is beëindigd en een gespecificeerde eindafrekening met betalingsbewijzen zijn ingediend, en deze zijn goedgekeurd.

6 Met de uitvoering van het werk mag niet eerder worden gestart dan nadat een beslissing conform lid 4 is genomen en niet eerder dan wanneer de omgevingsvergunning is verleend, zulks in gevallen waar een omgevingsvergunning volgens Artikel 5.111 eerste lid vereist is.

Artikel 5.119 Weigeringsgronden Het verzoek om subsidie voor een gemeentelijk monument zal in ieder geval worden geweigerd als: a. de kosten op grond van een verzekeringsovereenkomst zijn gedekt; b. de aanvraag wordt ingediend voor onderdelen die deel uit maken van het object, maar buiten de bescherming vallen. De redengevende omschrijving van gemeentelijke monumenten Veenendaal dient in dezen als leidraad; c. de aanvraag wordt ingediend voor onderdelen die niet worden genoemd in het onafhankelijk inspectierapport en /of volgens dat rapport niet binnen 0-5 jaar dienen te worden uitgevoerd; schilderwerk van een gemeentelijk monument en reconstructie van kleine monumentale onderdelen kunnen daarvan worden uitgezonderd; d. voor de werkzaamheden minder dan 10 jaar eerder een aanvraag is ingediend; e. de werkzaamheden niet volgens de Uitvoeringsvoorwaarden voor onderhoud van gemeentelijke monumenten in Veenendaal zijn uitgevoerd; f. met de werkzaamheden is begonnen voordat de benodigde vergunningen en/of subsidiebeschikking voor een gemeentelijk monument zijn verleend; g. het voor monumenten gereserveerde subsidiebudget van de gemeente Veenendaal ontoereikend is; h. indien op het verzoek om subsidie voor een gemeentelijk monument het bepaalde sub g. van toepassing is, wordt het verzoek in het genomen.

daaropvolgende jaar op basis van volgorde van binnenkomst in behandeling

Paragraaf 5.6.3 Beeldbepalende panden Artikel 5.120 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het slopen of wijzigen van beeldbepalende panden en objecten [werkingsgebied].

39

Artikel 5.121 Voorrangsbepaling In geval van strijdigheid tussen de regels van Paragraaf 5.6.3 en de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels van Paragraaf 5.6.3.

Artikel 5.122 Specifieke zorgplicht Een beeldbepalend pand wordt niet beschadigd of vernield en wordt onderhouden als dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 5.123 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 In het [werkingsgebied beeldbepalend pand] is het verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders: a. de bestaande hoofdvorm van het pand (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en kapvorm) te wijzigen, of de gevelindeling van gevels, gelegen aan openbaar toegankelijk gebied; b. de bestaande omvang van het pand te wijzigen; c. het pand te slopen.

2 Het eerste lid is alleen van toepassing op activiteiten waarvoor tevens een omgevingsvergunning voor bouwen, slopen of afwijken van het Omgevingsplan nodig is.

Artikel 5.124 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.123 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - Lid 1 onder a en b wordt in ieder geval verstrekt: a. Een onderbouwing hoe wordt omgegaan met de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalende pand.

2 Bij een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.123 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen - Lid 1 onder c wordt in ieder geval verstrekt: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat de beeldbepalende bouwmassa niet te handhaven is; b. een nieuw plan dat aantoont hoe met de cultuurhistorische waarden en kenmerken wordt omgegaan.

Artikel 5.125 Beoordelingsregel omgevingsvergunning 1 Voordat burgemeester en wethouders een besluit nemen op een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.123 eerste lid winnen zij advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

2 De omgevingsvergunning kan alleen worden geweigerd als door de activiteit blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende waarden, zoals opgenomen in [dynamische verwijzing welstandsnota] of diens rechtsopvolger en hieraan door het stellen van maatwerkvoorschriften niet of onvoldoende tegemoet aan kan worden

40

gekomen.

Artikel 5.126 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over Paragraaf 5.6.3.

Paragraaf 5.6.4 Integrale ensembles Artikel 5.127 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het aanbrengen van wijzigingen in Integrale ensembles.

Artikel 5.128 Specifieke zorgplicht Bij aanpassingen in de openbare ruimte en aan of bij gebouwen en bouwwerken geldt dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij integrale ensembles, zoals opgenomen in [dynamische verwijzing welstandsnota] of diens rechtsopvolger.

Artikel 5.129 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over Paragraaf 5.6.4.

Paragraaf 5.6.5 Stedenbouwkundige ensembles Artikel 5.130 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het aanbrengen van wijzigingen in stedenbouwkundige ensembles [werkingsgebied].

Artikel 5.131 Specifieke zorgplicht Bij aanpassingen in de openbare ruimte en aan of op gebouwen en bouwwerken geldt dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij stedenbouwkundige ensembles, zoals opgenomen in [dynamische verwijzing welstandsnota] of diens rechtsopvolger.

Artikel 5.132 Maatwerkvoorschriften Burgemeester kunnen maatwerkvoorschriften stellen over Paragraaf 5.6.5.

Afdeling 5.7 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf 5.7.1 Algemeen Artikel 5.133 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behouden en beschermen van de natuur- en landschappelijke waarde van de houtopstand; en b. het behouden en beschermen van de beeldbepalende - en cultuurhistorische waarde van bomen.

Paragraaf 5.7.2 Vellen van houtopstanden Artikel 5.134 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het vellen van houtopstanden.

41

Artikel 5.135 Voorrangsregel Alle regels met betrekking tot vellen buiten deze paragraaf zijn niet meer van toepassing.

Artikel 5.136 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen, als: a. het om een gemeentelijke houtopstandgaat; of b. het om een houtopstand gaat die op de waardevolle bomenlijst staat.

2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een houtopstand te vellen in de volgende gebieden: a. coulissenlandschap; b. karakteristiek verkavelingspatroon; c. landschapswaarde; d. bos; e. natuur; of f. waarde-ecologie.

3 Het verbod in het tweede lid geldt niet voor fruitbomen.

4 Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

5 Burgemeester en wethouders kunnen een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 5.137 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt: a. iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie op het perceel; b. de reden voor het kappen van iedere houtopstand opgenomen; c. de soort houtopstand opgegeven; d. de mogelijkheid tot herbeplanten aangegeven of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten over te gaan, met daarbij aantal en soorten vermeld.

Artikel 5.138 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden verleend: a. als de boom gevaar of ernstige hinder veroorzaakt; of b. vanwege een individueel of maatschappelijk belang, dat zwaarder moet wegen dan de belangen, bedoeld

42

in artikel 5.27.

Artikel 5.139 Bebouwingscontour houtkap Binnen werkingsgebied [bebouwingscontour houtkap] zijn de regels uit artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing.

Paragraaf 5.7.3 Jacht Artikel 5.140 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf gaat over het uitoefenen van jacht.

Artikel 5.141 Bebouwingscontour jacht Het is verboden jacht uit te oefenen met een geweer.

Afdeling 5.8 Activiteiten met betrekking tot afval Paragraaf 5.8.1 Algemeen Artikel 5.142 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu; b. het doelmatig beheren van afvalstoffen; en c. het beperken van hinder.

Paragraaf 5.8.2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.143 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op: het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 5.144 Algemene regels aanwijzing van de inzameldienst Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 5.145 Algemene regels inzamelplaats Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats, binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 5.146 Algemene regels verboden 1 Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in Artikel 5.146 Algemene regels verboden - Lid 4; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in Artikel 5.146 Algemene regels verboden - Lid 4; c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in Artikel 5.145; of

43

d. ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. e. ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van: 1. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; 2. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

2 Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in Artikel 5.147, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in Artikel 5.145.

3 Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in Artikel 5.146 Algemene regels verboden Lid 1 onder d, buiten een perceel te laten staan.

4 Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders; of b. verplicht is tot inname.

Artikel 5.147 Algemene regels afvalscheiding 1 Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

2 In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: a. groente-, fruit- en tuinafval; b. klein chemisch afval; c. glas; d. oud papier en karton; e. plastic verpakkingen, blik en drankpakken; f. textiel; g. elektrische en elektronische apparatuur; h. verduurzaamd hout; i. grof tuinafval; j. asbest en asbesthoudend afval; k. grof huishoudelijk afval; l. metalen; m. EPS; n. dakleer: dakbedekkingsmaterialen, ook wel genoemd dakleer, bestaand uit beplatingsmateriaal van hout of kunststof, voorzien van een laag koolteer of bitumen dit is inclusief dakgrind, waaraan zich teer of bitumen

44

bevindt; o. banden van maximaal 16 inch zonder velgen; p. vlakglas; q. incontinentieafval; r. gips; s. huishoudelijk restafval; t. frituurvet en plantaardige olie

Artikel 5.148 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het gestelde in Paragraaf 5.8.2 .

Paragraaf 5.8.3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 5.149 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepasing op het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen.

Artikel 5.150 Algemene regels verboden Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in Artikel 5.145, achter te laten.

Artikel 5.151 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het gestelde in Paragraaf 5.8.3.

Paragraaf 5.8.4 Zwerfafval en overige Artikel 5.152 Aanwijzing activiteiten Deze paragraaf is van toepassing op het achterlaten van zwerfafval.

Artikel 5.153 Specifieke zorgplicht 1 Zwerfafval in de openbare ruimte a. Huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, worden niet worden achtergelaten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen; b. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het gestelde onder a in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

2 Zwerfafval rondom locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan a. Degene die een locatie drijft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de locatie waar de milieubelastende activiteit mag worden verricht, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. b. Degene die een locatie drijft waar een milieubelastende activiteit is toegestaan verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

45

3 Afval en verontreiniging op de weg a. Een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, wordt niet verontreinigd of het milieu wordt niet nadelig beïnvloed door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. b. Degene die in strijd met het gestelde onder a de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

4 Geen opslag van afval in de open lucht Afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats worden niet in de open lucht en buiten een locatie waar een milieubelastende activiteit mag worden verricht opgeslagen, anders dan door het in overeenstemming met Paragraaf 5.8.2 van deze verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 5.154 Algemene regels verboden 1 Zwerfafval in de openbare ruimte Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

2 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Artikel 5.155 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

2 Het verbod is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; en c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

3 Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 5.156 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning PM

46

Artikel 5.157 Beoordelingsregel omgevingsvergunning PM

Artikel 5.158 Maatwerkvoorschriften PM

47

Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen Afdeling 6.2 Gedoogplichten

48

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Afdeling 7.1 Kostenverhaal Afdeling 7.2 Nadeelcompensatie Artikel 7.1 Nadeelcompensatie Komt uit AVOI, Nog aanpassen Indien blijkt dat een netbeheerder als gevolg van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel X, lid X [wijzigen of intrekken vergunning], schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een nadeelcompensatie toe op basis van de Verlegregeling.

49

Hoofdstuk 8 Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 8.1.1 Y Paragraaf 8.1.2 X Artikel 8.1 Gemeentelijk erfgoedregister 1 Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister).

2 Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

Artikel 8.2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten 1 Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monumentop basis van de volgende criteria: a. cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde; b. architectuurhistorische en esthetische waarde; c. ensemblewaarde; d. gaafheid; e. herkenbaarheid; f. zeldzaamheid.

2 Naast de in lid 1 genoemde criteria, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als gemeentelijk monument aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren: a. religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen die specifiek bij een kerk(genootschap) behoorden; b. agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling; c. militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken; d. industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling; e. herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; f. lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld;

3 Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten, en b. Monumenten en archeologisch monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel 8.3 Voornemen tot aanwijzing

50

Een voornemen om een gemeentelijk monument aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 8.4 Voorbescherming 1 De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6 is bekendgemaakt.

2 De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 8.5 Commissie ruimtelijke kwaliteit 1 Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Leden van het gemeentebestuur maken geen deel uit van de adviescommissie.

2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

3 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 8.6 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1 Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

2 De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 8.7 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1 De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2

51

Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 8.8 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1 In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

2 Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5.

3 Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 8.9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1 Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijk monumenten en voorlopige gemeentelijk monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2 Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

3 Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 8.10 Advies omgevingsvergunning rijksmonument In [werkingsgebied rijksmonumenten] zenden burgemeester en wethouders onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentactiviteit voor advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

Artikel 8.11 Aanwijzing beeldbepalende panden 1 Het bevoegd gezag kan besluiten een pand aan te wijzen als beeldbepalend pand op basis van de volgende criteria: a. cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde; b. architectuurhistorische en esthetische waarde;

52

c. ensemblewaarde; d. gaafheid; e. herkenbaarheid; f. zeldzaamheid.

2 2. Naast de in lid 1 genoemde criteria, zijn de Veenendaalse criteria medebepalend om als beeldbepalend aangewezen te kunnen worden. Deze criteria geven specifiek uiting aan de Veenendaalse historie. Tot de Veenendaalse criteria behoren: a. religie: elementen die uitdrukking geven aan de geestelijke ontwikkeling o.a. (verenigings) gebouwen die specifiek bij een kerk(genootschap) behoorden; b. agrarische en ontginningsgeschiedenis: elementen die uitdrukking geven aan de landschappelijke ontwikkeling; c. militair erfgoed: elementen of patronen die uitdrukking geven aan de verdediging van Veenendaal en omstreken; d. industrieel erfgoed: elementen die uitdrukking geven aan de sociaal-economische ontwikkeling; e. herinneringswaarde: elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen; f. lokale architecten: ontwerpen die uiting geven aan een bepaald tijdsbeeld;

Artikel 8.12 Voornemen tot aanwijzing Een voornemen om een beeldbepalend pand aan te wijzen, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden.

Artikel 8.13 Gemeentelijke adviescommissie 1 Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

2 De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Afdeling 8.2 Gemeentelijke projecten van publiek belang Afdeling 8.3 Advies Afdeling 8.4 Maatschappelijk draagvlak Afdeling 8.5 Andere bestuursorganen

53

Hoofdstuk 9 Handhaving Afdeling 9.1 Strafbepalingen Afdeling 9.2 Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving

54

Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie Afdeling 10.1 Monitoring

55

Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht Artikel 11.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve 1 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

2 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

3 Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 11.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten 1 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.

2 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 11.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften 1 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.

56

2 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.

3 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.

4 Zodra dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 11.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom: • 1. de last volledig is uitgevoerd; • 2. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of • 3. de last is opgeheven.

Afdeling 11.2 Bruidsschat

57

Omgevingsplan, deel I , hoofdstuk 22 (HOOFDSTUK 7 Invoeringsbesluit Omgevingswet (BRUIDSSCHAT)) AFDELING 7.1 BRUIDSSCHAT IN OMGEVINGSPLAN Artikel 7.1 (hoofdstukken bruidsschat omgevingsplan) In het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, worden twee hoofdstukken opgenomen, luidende:

Behouden

Herformuleren

Dereguleren

Opmerking

X X X

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen

X

1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 2. Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. 3. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.

X X X X X X X X X

Deze bijlagen zijn uitsluitend van toepassing op Brabantse gemeenten in De Kempen. Daarmee kunnen deze regels komen te vervallen.

HOOFDSTUK 2 tot en met HOOFDSTUK 21 [Gereserveerd] HOOFDSTUK 22 ACTIVITEITEN AFDELING 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

X

1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2. De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

X X X X X X

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

X X

1. Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

X

2. Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

X X X X X X X

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

X

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

X X X X X X X

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

X

1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

X X X

§ 22.2.2 Algemene regels over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

X

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

X X X X

Artikel 22.6 Specifieke zorgplicht beschermen omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden

X

Degene die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere wel of niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.

X X

§ 22.2.3 Algemene regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken

X Artikel 22.7 Repressief welstand 1. Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

X X X

Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten komen niet voor in Veenendaal.

b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijk eisen van welstand van toepassing zijn.

X X X

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

X X X

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

X X X X

2. Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

X

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m. 2. Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. 3. Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk. 4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

X X X X X X X X X

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

X

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

X X

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

X

1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie. 2. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft. 3. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput. 4. Bij maatwerkvoorschrift kan worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van de huishoudelijk opeen datopenbaar riool of dathemelwaterstelsel systeem noodzakelijke bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b.

als voor afvoer van afvalwater hemelwater of eenperceelaansluitleiding openbaar

riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

X X X X X X X X X X X X X X X

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. 2. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 3. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

X X X X

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist. 3. Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering. 4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. 5. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

X

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

X

1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. 3. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m. 4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

X X X X X X X X X X

vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij of, de en gevel van het bouwwerk of deingrens van het erf of terrein aangelegd; en gelegen c. zo ja welke voorzieningen de afvoervoorziening of dewordt op het erf of terrein

X X X X X X X X X X X X X X

Aansluiten op gasnet bij woningen die verder dan 40 meter van de openbare weg afliggen herformuleren om dit duurzaam op te lossen.

5. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

X X

§ 22.2.4 Algemene regels over het gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte

X

1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

X X X X

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

X

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

X X

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

X

1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te het latenopvoortduren. daarbij invan elk rook, geval roet, om overlast of hinder a. hinderlijke Het wijzegaat verspreiden walm, stof, stank,door: vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken als bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

X X X X X X X X X

§ 22.2.5 Algemene regels over het in stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10197344/1