CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

16. Bijlage 14 Bijlage 11 bij BP - Archeologie

Raadscommissie 6 december 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Aansluiting Groenpoort, Veenendaal-oost17.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hier zijn bij een veldkartering (toponiem: Huis te Lede, Kesteren) een ondetermineerbaar fragment aardewerk aangetroffen (vondstmelding 3083527100) en steengoed uit de Late-Middeleeuwen B (vondstmelding 2752512100). Verder heeft in delen van deelgebied RRR eerder archeologisch onderzoek plaatsgevonden (bijlage 11). Deze worden waar relevant van noord naar zuid besproken. In het noorden van deelgebied RRR, op de stuwwal en de overgang naar de uiterwaarden, zijn echter alleen bureauonderzoeken uitgevoerd (onderzoekmeldingen 4729780100, 2398965100, 4729780100, 4010222100). Dit type onderzoek heeft geen toegevoegde informatiewaarde voor onderhavig onderzoek. Ter plaatse van het Stationsplein van Rhenen is geconcludeerd dat met de aanleg van de spoorlijn in de 19 e eeuw het onderzochte gebied is afgegraven. Hierdoor is het potentiele archeologische niveau in de top van de stuwwal reeds verdwenen. Ook worden hier geen resten behorende tot de Grebbelinie uit de Tweede Wereldoorlog verwacht (Beckers, 2016). In de uiterwaarden ten zuiden van de Nederrijn (‘Middelwaard’) heeft een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek plaatsgevonden (gemeente Buren; onderzoekmeldingen 2222050100 en 2311856100). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de rivierverruiming, waarvoor delen van het terrein worden afgegraven en delen worden opgehoogd.

Een deel van het onderzochte gebied valt binnen het onderhavig plangebied. Op basis van het bureauonderzoek werd verwacht dat delen verstoord zijn door het graven van kleiputten en baggergaten. Dit blijkt ook uit het veldonderzoek. Er zijn hierbij uiterwaardafzettingen op grofzandige beddingafzettingen aangetroffen, met plaatselijk geulafzettingen. Intacte oeverwallen zijn niet aangetroffen, de bodem is plaatselijk zelfs tot op de beddingafzettingen verstoord. Tevens zijn tijdens het karterende onderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen, hoewel gezien de stroomgordels die hier verwacht worden vondsten vanaf het Neolithicum aanwezig zouden kunnen zijn (Tolsma en Teekens, 2011). Rondom de Marsdijk heeft een vooronderzoek plaatsgevonden in verband met een dijkversterkingsproject (onderzoeksmelding 2338424100). In de gemeente Buren zijn hierbij bouwpuin en houtskool aangetroffen in de bouwvoor en de bodemlagen daaronder. In één boring is een fragment aardewerk aangetroffen dat te klein was om te determineren, maar vermoedelijk uit de Middeleeuwen-Nieuwe Tijd stamt. De rapportage hiervan (Goossens, 2012) is niet beschikbaar waardoor niet kan worden bekeken waar de vondsten zijn gedaan. Gezien ze niet in Archis3 binnen het plangebied vermeld zijn wordt ervan uitgegaan dat de vondsten buiten onderhavig plangebied zijn gedaan.

23

Aan de Hogeweg 7B te Lieden (gemeente Buren) is een vooronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 4579371100). Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse is verstoord tot een diepte van 30 à 170 cm -Mv. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen tijdens het karterende booronderzoek. Ook zijn geen laklagen en geen cultuurlagen aangetroffen in de oeverafzettingen. De top van het beddingzand van de Herveld stroomgordel is tussen 130 en 170 cm – Mv aangetroffen (De Raad en Wijnen, 2018). Bekende waarden in de omgeving van deelgebied RRR-stuwwal Op de stuwwal in de omgeving van het noorden van deelgebied RRR zijn diverse vondsten bekend in Archis3 (bijlage 11). Ook is een terrein van zeer hoge archeologische waarde in de omgeving aanwezig (AMK-terrein; bijlage 11):  Ongeveer 350 m ten westen van deelgebied RRR is een beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde aanwezig (AMK-terrein 1145). Het betreft een heuvel waarin zich vermoedelijk de overblijfselen bevinden van de Cunera-kapel en mogelijk ook het graf van H. Cunera. De kapel zou uit het begin van de 16e eeuw dateren. Tevens zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd en Late-Middeleeuwen aangetroffen. 

Ongeveer 60 m ten westen van het plangebied, zijn 64 fragmenten aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen bij de aanleg van riolering in de Prins Bernhardstraat in Rhenen (vondstmelding 3246320100). Het complextype is bewoning. De zijn geconcentreerd aangetroffen in roodbruin zand onder het oude wegdek. Er zou ook nog een esdek aanwezig zijn dat mogelijke grondsporen heeft beschermd tegen recente bodemingrepen. Eveneens aan de Prins Bernhardstraat in Rhenen zijn bij een bouwrijp gemaakt terrein na afbraak van een kleuterschool diverse vondsten gedaan (vondstmelding 3246312100). Het vondstmateriaal is los verspreid over het terrein aangetroffen in de van oorsprong aanwezige grond. Er zijn diverse fragmenten vuursteen aangetroffen uit de periode Laat-Paleolithicum-Bronstijd, aardewerkfragmenten uit de IJzertijd en VroegeMiddeleeuwen, en steengoed uit de Late-Middeleeuwen.

Aan de Stationsweg te Rhenen (ongeveer 100 m ten westen van deelgebied RRR) zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd-Romeinse Tijd en Midden-Romeinse Tijd-Vroege-Middeleeuwen C aangetroffen (vondstmelding 3247641100). De vondsten zijn gedaan in een grondspoor, dat zich bevond op de overgang van de B- naar de C-horizont. De waarneming is gedaan na het uitgraven van een bouwput voor een appartementencomplex tussen de Stationsweg en de Herenstraat. Ongeveer 120 m ten westen van deelgebied RRR, aan de Duistereweg te Rhenen, is een waterput uit de Midden- tot Late-Nieuwe tijd aangetroffen (vondsmelding 2953628100).

 

Circa 320 m ten oosten van het plangebied (toponiem Canadialaan te Rhenen) zijn bij het bouwrijp maken van de bodem vondsten verzameld (vondstmelding 3147233100). Er is vuursteen afval aangetroffen uit het Paleolithicum-Neolithicum, wikkeldraad aardewerk uit de VroegeBronstijd, vuursteen afval uit de Midden-Bronstijd, aardewerk uit de IJzertijd en een kooksteen uit de periode Vroege-Bronstijd-IJzertijd. Verder is een haardkuil uit de Midden-Bronstijd en een paalgat uit de IJzertijd waargenomen. De vondsten en sporen behoren tot het complextype bewoning, alleen van de vuurstenen uit het Paleolithicum-Neolithicum valt het complextype niet vast te stellen. Aan de Grebbeweg ongeveer 120 m ten oosten van deelgebied RRR is aardewerk uit de IJzertijd en proto-steengoed uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 3247658100). De vondsten zijn gedaan in de in het vlak dagzomende overgang van de B- naar de C-horizont, na graafwerkzaamheden ten behoeve van het bouwrijp maken van de grond en het graven van bouwputten. Aan de Vogelenzang (ongeveer 140 m ten oosten van deelgebied RRR) is aardewerk uit de VroegeMiddeleeuwen B aangetroffen (vondstmelding 2846287100). Ook zijn paalgaten met insteek uit

24

deze periode waargenomen. Dit zijn sporen van bewoning. De vondsten zijn gedaan aan de voet van de stuwwal. In het talud tussen bedrijventerrein Vogelzang en het onderlangs lopende fietspad is een vuursteen afslag uit het Midden-Paleolithicum aangetroffen (vondstmelding 3260730100). Het talud bestaat uit een mengsel van zand met veel grind. De vondst is gedaan ongeveer 180 m ten oosten van deelgebied RRR. Gezien de vondst in een talud in de uiterwaarden is aangetroffen wordt er van uit gegaan dat de vondst niet in de oorspronkelijke landschappelijke context is aangetroffen maar vermoedelijk van de stuwwal afkomstig is. Aan de Schoutenboomgaardweg/Cuneralaan zijn na het uitgraven van een bouwput restanten van zes kuilsporen waargenomen waarin voornamelijk aardewerk uit de 13 e eeuw werd verzameld (vondstmelding 3247706100). De vondsten zijn gedaan ongeveer 400 m ten westen van deelgebied RRR, aan de voet van de stuwwal.

De overige vondsten in de omgeving van het noorden van deelgebied RRR worden niet besproken omdat deze niet tot meer getailleerde informatie ten behoeve van het archeologische verwachtingsmodel voor het plangebied leiden. Op basis van bovenstaande kan reeds worden geconcludeerd dat op de stuwwal vondsten bekend zijn uit de periodes Laat-Paleolithicum, LaatPaleolithicum-Bronstijd, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd, Vroege-Middeleeuwen en LateMiddeleeuwen. Dit betekent dat de stuwwal in alle archeologische periodes in gebruik was bij de mens. De aangetroffen vondsten en/of sporen betreffen sporen van bewoning, maar sporen van begravingen vallen vooralsnog niet uit te sluiten. Verder valt op dat zowel de hogere als de lagere delen van de stuwwal bewoond werden. Wel lijkt de voet van de stuwwal hierbij pas later bewoond te zijn geworden (Late-Middeleeuwen). Bekende waarden in de omgeving van deelgebied RRR- rivierengebied In de uiterwaarden ten zuiden van de Nederrijn zijn geen vondsten bekend. Op de Werkhoven en Herveld stroomgordels (oranje in bijlage 5) is in de omgeving van het plangebied verder slechts één vondstmelding gedaan (vondstmelding 2751379100; bijlage 11). Aan ‘De Mars’ te Lienden, ongeveer 150 m ten westen van het plangebied, is aardewerk en steengoed uit de Late-Middeleeuwen B aangetroffen.

Op de Herveld en Nederrijn/Nederrijn-Rhenen-WijkbijD stroomgordels zijn in de omgeving van het plangebied een aantal vondstmeldingen bekend (bijlage 11). Deze stammen allemaal uit de LateMiddeleeuwen en Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd: 

Aan het Huis ter Lede te Kesteren zijn diverse fragmenten steengoed uit de Late-Middeleeuwen en steengoed uit de Nieuwe Tijd aangetroffen (vondstmelding 2752675100). Dit is 50 m ten westen van deelgebied RRR.

Aan de Nedereindseweg te Kesteren (circa 80 m ten westen van deelgebied RRR) zijn diverse fragmenten steengoed, keramiek, en proto-steengoed uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen en roodbakken geglazuurd aardewerk uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd (vondstmelding 3083146100).

Aan de Nedereind te Kesteren ongeveer 230 m ten westen van deelgebied RRR is geglazuurd steengoed uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangetroffen (vondstmelding 2752659100). Nabij de Hogeweg, ongeveer 160 m ten oosten van het plangebied is aardewerk en steengoed uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 2697960100).

 

Aan de Hogeweg ongeveer 280 m ten oosten van deelgebied RRR is aardewerk en steengoed uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 2697936100 en 3069133100).

Aan de Waai Aan de Rijnbandijk is aardewerk uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 2944515100). 25

Aan de Hogeweg direct ten westen van deelgebied RRR zijn proefputjes gegraven (onderzoeksmelding 2399937100). Hieruit blijkt dat ter plaatse van de boomgaard de bodem tot 35 tot 65 cm –Mv verstoord is (Kluiving et al., 2013). Ongeveer 180 m ten zuiden van het plangebied is een vooronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2444420100). Dit onderzoek is uitgevoerd aan de Betuwsestraatweg 1 te Kesteren op de Mars Oude Rijn stroomgordel. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De bouwvoor is hier 20 à 40 cm –Mv dik. Hieronder is geen bodemvorming waargenomen (Brijker, 2014). Hoewel op basis van de ouderdom van de stroomgordels in deelgebied RRR vondsten vanaf het Neolithicum aanwezig zouden kunnen zijn, zijn tot nu toe alleen vondsten vanaf de LateMiddeleeuwen bekend. Dit zou kunnen komen doordat nog niet overal archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, maar het zou ook kunnen dat oudere vondsten geërodeerd zijn door rivierwerking.

26

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing

Ja

Historisch gebruik

Weiland, bouwland, water, veenland, weg, grift, bebouwing

Huidig gebruik

Weg met bermen, weiland, sloten, gebouwen, bomen

Bekende verstoringen

Bestaande wegen, bebouwing, sloten

Historische situatie deelgebied ORV Volgens de nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE maakt deelgebied ORV deel uit van een veenkolonie-landschap (bron: https://www.cultureelerfgoed.nl/actueel/nieuws/2019/10/28 /nieuwe-landkaart-met-cultuurlandschap). Het gebied tussen de Wageningselaan en Prins Clauslaan bestaat hierop uit een gebied met laagveenontginning. Buiten bovengenoemde gebieden zijn de cultuurhistorische waarden in verband met de aanwezige bebouwing niet gekarteerd.

In de Gelderse Vallei kwam door de slechte afwatering naast laagveen ook hoogveen tot ontwikkeling. Tot in de Vroege Middeleeuwen bestonden deze veengebieden uit grote moerasbossen (Blijdenstijn, 2015). Vanaf de 11e eeuw werden de hogere dekzandruggen meer systematisch in cultuur genomen, maar de lage en natte gronden werden pas later ontgonnen. Om de wei- en hooilanden bij Achterberg (dit is globaal tussen Rhenen en Veenendaal) te ontwateren en de venen geschikt te maken voor turfwinning liet bisschop David van Bourgondië tussen 1473 en 1481 van de Rijn de Bisschop Davidsgrift graven. Deze Grift snijdt ook door deelgebied ORV en loopt (met verschillende namen) van de Nederrijn naar Amersfoort (bijlage 12). Door burgeroorlogen in 1481 en1483 heeft de turfexploitatie niet lang geduurd, en trokken mensen weg uit het gebied. Vanaf het midden van de 16 e eeuw werd opnieuw begonnen met de turfwinning van het hoogveengebied. Hiertoe werd in 1546 de Bisschop Davidsgrift hersteld en geschikt gemaakt voor turftransport naar de Rijn. Hierbij werd de grift ook gesplitst in een noordelijke tak die liep tot aan De Klomp (=Boveneinder Grift, huidige Prins Bernhardlaan in Veenendaal), en een zuidelijke tak (direct ten zuiden van de noordelijke tak). Aan de zuidzijde van de Grift ontstond toen ook het dorp Veenendaal.

Het plangebied maakt geen deel uit van dit dorp en de zijtakken van de Grift liggen ook niet binnen het plangebied. Vanaf de Grift werd het veen in langgerekte stroken ontgonnen richting de stuwwal (Blijdenstijn, 2015). De Gelderse Vallei kende veel wateroverlast door overstromingen vanuit de Nederrijn, kwelwater vanaf de stuwwal en afgraving van hoogveenkussens. In oorlogstijden is de wateroverlast echter ten positieve gekeerd door de aanleg van een waterlinie. Tussen 1672 en 1741 werd de Grebbenlinie in de omgeving van deelgebied ORV gerealiseerd. Deze bestond uit een liniewal met keerdijken tussen Amersfoort en Slaperdijk (Blijdenstijn, 2015). In verschillende fasen zijn daarna tot en met de Tweede Wereldoorlog sluizen, aardewerken, forten en kazematten toegevoegd (Alkemade et al., 2009). De noordelijke helft van deelgebied ORV valt binnen dit inudatiegebied van de Grebbenlinie (bijlage 12). Tijdens inudaties was de waterhoogte ongeveer 30 tot 50 cm (Alkemade et al., 2009). Historisch kaartmateriaal deelgebied ORV Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van historisch kaartmateriaal om tot een inzicht te komen in de historische ontwikkeling van het landschap in en rondom het plangebied. Al het historische kaartmateriaal is opgenomen in bijlage 13. Kaartmateriaal ouder dan het Kadastrale Minuutplan is niet gevonden.

Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is de Bisschop Davidsgrift in het centrale gedeelte van deelgebied ORV te zien (bijlage 12). Langs deze grift vond dan al bewoning plaats, maar in deze tijd niet in het plangebied. Er valt niet uit te sluiten dat het plangebied langs de Grift in de Late27

Middeleeuwen niet bebouwd is geweest. Ten zuiden van de grift kwamen percelen met water voor. Weer verder zuidelijk lagen percelen met bouwland. De percelen ten noorden van de grift waren in gebruik als wei- en veenlanden. In het uiterste zuiden van deelgebied ORV kwam bebouwing voor. In het oosten was dat een boerderij met erf, in het westen was dat volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels een schapenhok. Van de twee historische wegen die volgens de cultuurhistorische waardenkaart van Veenendaal het noorden van deelgebied ORV doorsneden, is op het Kadastrale Minuutplan alleen de noordelijke weg (‘De Buursteeg’/ huidige Buurtlaan Oost) gekarteerd. Rond 1900 breidt de bebouwing zich langs de Bisschop Davidsgrift uit en komt het ook binnen het plangebied bebouwing voor (bijlage 12). Tussen 1955 en 1980 breidt de bebouwing in het plangebied zich uit door de uitbreiding van Veenendaal. De verkaveling van de percelen blijft tot aan 1980 wel grotendeels onveranderd. Pas dan verschijnt ook de Spitsbergenweg, die op de cultuurhistorische waardenkaart als historische weg is aangegeven. Tussen 1980 en 2015 wordt de huidige N233 aangelegd en wordt deelgebied ORV deels opgenomen in de industrieterreinen en woonwijken van Veenendaal (bijlage 12).

Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal bevinden zich geen rijksmonumenten en geen gemeentelijke monumenten binnen deelgebied ORV. Binnen het deelgebied ORV worden dus geen bovengrondse bouwhistorische waarden verwacht. Ook worden binnen deelgebied ORV geen cultuurhistorische waarden uit de Tweede Wereldoorlog verwacht (www.tracesofwar.com; www.bunkerinfo.nl; http://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf). Historische situatie deelgebied RRR-sectie stuwwal Vanaf de 8e eeuw ontstond ter hoogte van het noorden van deelgebied RRR een agrarisch systeem van nederzettingen (flankdorpen) met bouwlandcomplexen en gemeenschappelijke gronden op de zuidflank van de Utrechtse heuvelrug. Het systeem concentreerde zich langs de Cuneraweg/Grebbeweg, die zich in het noorden van deelgebied RRR bevindt (de huidige N225/Grebbenweg/Herenstraat). De Cuneraweg is een vroegmiddeleeuwse route tussen Utrecht en Rhenen en vormt de oudste weg in de provincie (Blijdenstijn, 2015). Delen van de weg bestonden uit een bovenweg en een zuidelijke, evenwijdig hieraan lopende, benedenweg. Dit is ten westen van Rhenen en dus niet in het onderhavige plangebied. De weg tussen Utrecht en Rhenen werd in 1818 bestraat (Brugman et al., 2010). Langs de Cuneraweg vond bewoning plaats binnen een buffer van 50 m. Het deelgebied ligt hierbij wel buiten historische kern van Rhenen.

Historisch kaartmateriaal deelgebied RRR-sectie stuwwal Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is de Grebbeweg te zien met bebouwing erlangs (bijlage 12). Ook aan de voet van de stuwwal is een weg aanwezig ‘de Grebbe’, die aansluit op de huidige N225. Volgens de nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE zijn beide wegen in 1575 al aanwezig. De kavels op de stuwwal zijn in 1811-1832 in gebruik als tabaksland en de uiterwaarden ten zuiden van ‘de Grebbe’ als ‘natte en woeste gronden’. Alle bebouwing binnen het deelgebied hier bestaat volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen uit schuren. Vermoedelijk zijn dit dus tabaksschuren. Tussen 1832 en 1900 is de huidige N233 in deelgebied RRR aangelegd. Op de kaart zijn parallelle streepjes naast loodrecht op de weg te zien, die erop duiden dat de weg verdiept is aangelegd (in het noorden van deelgebied RRR) en hiervoor een de bodem hiervoor ontgraven is (bijlage 12). Dit is ten noorden van de Grebbeweg en direct ten noorden van de uiterwaarden. De eerdere wegen en schuren zijn hierbij verdwenen. Tussen 1955 en 1980 verdwijnt de bebouwing langs de N233 en worden extra aansluiting op de weg aangelegd. Hierbij zijn driehoekjes op de kaart te zien naast de weg, die op steilranden duiden. Dit laat zien dat de bodem is afgegraven, dan wel dat de weg op een talud ligt 28

(nabij de uiterwaarden verhoogd; bijlage 12). Tussen 1980 en 2015 breidt de bebouwing in het noorden van deelgebied RRR zich uit, ten noorden van de Grebbeweg. Volgens de nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE heeft aan de voet van de stuwwal, ten oosten van de N233 zandwinning plaatsgevonden. Dit is direct ten noorden van de huidige Cuneralaan (niet te verwarren met de Cuneraweg) en de Volgelzang (bijlage 15). Deze zandwinning heeft tussen 1800 en 1950 plaatsgevonden. Nadere details zijn niet bekend. Op het AHN is deze zandwinning ter plaatse van het deelgebied niet duidelijk zichtbaar en lijkt deze zich buiten het plangebied te bevinden. Volgens www.rijksmonumenten.nl zijn binnen het plangebied geen rijksmonumenten aanwezig. Hieronder vallen ook militaire structuren behorende tot de Grebbelinie. Ook zijn geen gemeentelijke monumenten binnen het plangebied aanwezig (www.rhenen.nl). Binnen het plangebied worden dus geen bovengrondse bouwhistorische waarden verwacht. Historische situatie en kaartmateriaal deelgebied RRR-sectie rivierengebied Ten zuiden van de Nederrijn heeft deelgebied RRR lange tijd deel uitgemaakt van het buitengebied van Kesteren. Hier komen volgens de nieuwe landkaart met het cultuurlandschap van het RCE geen historische wegen en structuren voor. Deelgebied RRR ligt circa 300 m ten noorden van de Rijnbandijk.

Deze dijk is tussen 1120 en 1130 aangelegd als rivierwaterkerende dijk. Daarmee lag het plangebied hier dus buitendijks (in de uiterwaarden), waardoor hier overstromingen konden plaatsvinden. Wel komt in de uiterwaarden ten zuiden van de Nederrijn een steenfabriek voor. Deze bevindt zich net als het plangebied buitendijks, en ligt op ongeveer 200 m ten westen van deelgebied RRR. Binnen de huidige uiterwaarden kunnen dus verder ook afgravingen verwacht worden die te maken hebben met kleiwinning (afvletten). Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is de huidige Marsdijk langs de huidige uiterwaarden te zien (bijlage 12). De ouderdom van de Marsdijk is niet bekend. Hij wordt genoemd in de 18e eeuw maar ook in het jaar 1529. Door de aanleg van de Marsdijk werd de Rijnbandijk een slapersdijk (bron: bestemmingsplan Buitengebied Kesteren). De uiterwaarden zijn in gebruik als weiland. Ten zuiden hiervan zijn voornamelijk bouwlanden aanwezig. Ook de Hogeweg is al aanwezig. In 1811-1832 is geen bebouwing binnen het plangebied aanwezig. Tussen 1832 en 1900 is de huidige N233 aangelegd. Ten zuiden van de Nederrijn is deze gezien de streepjes op de kaart op een talud aangelegd (bijlage 12). Ook is ten zuiden van de Hogeweg, westelijk van de N233 een waterpartij uitgegraven.

De kavels in de omgeving zijn blokvormig, wat kenmerkend is voor oeverafzettingen in de ondergrond (Berendsen, 2005). De spoorbrug over de Nederrijn is in de Tweede Wereldoorlog in 1940 verwoest door de Nederlandse artillerie. Na de strijd in de meidagen werd de brug hersteld, om op 2 oktober 1944 opnieuw vernield te worden. Dit maal door een aanval van de geallieerden. In december 1944 werd de brug door Duitsers verder onklaar gemaakt; slechts twee brugpeilers bleven over van de brug. Op deze overgebleven brugpijlers werd in 1957 een nieuw verkeersbrug gebouwd, de huidige N233 (bron: https://www.entoen.nu/; https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf). Binnen het plangebied zijn volgens www.tracesofwar.com geen cultuurhistorische waarden uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig, zoals bijvoorbeeld bunkers of kazematten. Ook op luchtfoto’s van RAF is de vernielde brug te zien, evenals enkele bomkraters in de uiterwaarden naast de brug (bron: https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf). Tussen 1955 en 1980 verschijnt de steenfabriek in de uiterwaarden en wordt een deel van de uiterwaarden afgegraven (bijlage 12). Binnen het plangebied zijn echter geen waterpartijen in de 29

uiterwaarden aanwezig die op afgraving duiden. Tussen 1980 en 2015 wordt de N233 binnen het plangebied iets verlegd en worden veel percelen in gebruik genomen als boomgaard (bijlage 12). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is grotendeels in gebruik als provinciale weg met bermen, maar ook komen percelen met weilanden voor, evenals sloten, gebouwen en bomen (bijlage 2). Deelgebied RRR wordt doorsneden door de Nederrijn. Bodemverstoringen hebben invloed op de mate waarin nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn. Daarom worden hier mogelijke en bekende bodemverstoringen geïnventariseerd:  Ten tijde van het schrijven van het conceptrapport is nog geen milieukundige rapportage beschikbaar van het plangebied, omdat deze nog niet is afgerond. In het Bodemloket TM wordt vermeld dat ten oosten van de N233, tussen de Grebbeweg en de Spitsbergenweg bij deelgebied ORV saneringen hebben plaatsgevonden in verband met de aanleg van de woonwijk. Waar de bodem exact gesaneerd is en tot hoe diep is niet bekend. In deelgebied RRR hebben volgens het BodemloketTM nog geen saneringen plaatsgevonden waarbij het bodemarchief al aangetast kan zijn.  

Ter plaatse van de huidige bebouwing in het plangebied is het bodemprofiel aangetast met het uitgraven van de bouwputten. Tot hoe diep is niet bekend. Met de aanleg van de N233 hebben ook graafwerkzaamheden plaatsgevonden. Tekeningen van de aanleg van de weg zijn niet beschikbaar bij de opdrachtgever. Wel blijkt uit historisch kaartmateriaal en het AHN (bijlage 12, 8 en 10) dat voor de aanleg van de weg zowel afgravingen als ophogingen hebben plaatsgevonden. Op basis van het AHN is de N233 in deelgebied ORV verhoogd aangelegd (zie hoofdstuk 6). Bij deelgebied RRR is zowel sprake van ophoging als van afgraving. In het noorden van deelgebied RRR is de N233 geheel verdiept aangelegd. Het gaat om hoogteverschillen van 4,5 tot 9,5 m (bijlage 14). Ook ter plaatse van de waterpartij in het zuiden van deelgebied RRR is de bodem afgegraven (bijlage 2). Gedetailleerdere informatie over de exacte dieptes van de afgravingen zijn niet bekend. Kabel- en leidinginformatie van het kadaster inzake het plangebied is niet geraadpleegd. In welke mate kabels en leidingen het bodemprofiel hebben aangetast is dus niet bekend. Bij de opdrachtgever was ook geen informatie beschikbaar over de ligging van eventuele kabels en leidingen naast de weg.

Volgens de geomorfologische kaart en de nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE hebben in de uiterwaarden van de Nederrijn afgravingen plaatsgevonden. Direct ten zuiden van Rhenen, ten westen van de N233 gaat het gezien het AHN om hoogteverschillen van 2 à 3 m (bijlage 10). Hier staat in de omgeving op kaartmateriaal uit 1900 ook een steenoven. Dit zou de afgraving van klei verklaren. Ten zuiden van de Cuneralaan, in de uiterwaarden, ligt het maaiveld minstens 2,5 m lager dan direct ten noorden ervan in deelgebied RRR. De zandafgraving die te zien is op de nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE (ten noorden van de Cuneralaan) is op het AHN niet herkenbaar. In de uiterwaarden rondom de spoorbrug hebben bombardementen plaatsgevonden in de Tweede Wereldoorlog, waarbij het bodemprofiel is aangetast (bron: https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf). Tot op welke diepte is niet bekend.

30

9. Gespecificeerde archeologische verwachting De archeologische verwachting in het plangebied is afhankelijk van zowel de landschappelijke ontwikkeling in het verleden als de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen. De archeologische verwachtingszones kunnen worden geraadpleegd in bijlage 15 en worden hieronder nader besproken. In tabel 3 t/m 5 wordt de archeologische verwachting per deelgebied samengevat weergegeven. Deelgebied ORV Archeologische verwachting en periode 

In deelgebied ORV heeft bewoning kunnen plaatsvinden op de hogere dekzandruggen. Deze worden verwacht in het zuiden van deelgebied ORV waar gordeldekzanden verwacht worden, en rond de Spitsbergerweg volgens de geomorfologische kaart waar een dekzandrug verwacht wordt. De dekzandruggen zijn bewoonbaar geweest totdat deze door veen overdekt werden. Volgens Vos (2015) is deelgebied ORV in het Neolithicum overdekt geraakt met veen. Dit zou betekenen dat in het dekzand archeologische resten en/of sporen aanwezig zouden kunnen zijn uit de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met (deels) het Neolithicum. Daarna werd het deelgebied te nat voor bewoning tot aan de ontginningen in de Middeleeuwen (lage verwachting). In de omgeving van deelgebied ORV zijn vondsten uit het Mesolithicum bekend op dekzandruggen. Concluderend geldt een hoge archeologische verwachting ter plaatse van de dekzandruggen op archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-PaleolithicumNeolithicum. Voor de verspoelde dekzanden en het veen geldt een lage archeologische verwachting. Deze verwachtingszones zijn weergeven in bijlage 15 en gebaseerd op de geomorfologische kaart en het AHN. Deelgebied ORV doorsnijdt de Bisschop Davidsgrift. Deze is tussen 1473 en 1481 aangelegd. Hierlangs vond bewoning plaats, maar niet binnen deelgebied ORV op het Kadastrale Minuutplan.

Het valt echter niet uit te sluiten dat de zone langs de Grift in het plangebied in de LateMiddeleeuwen helemaal niet bebouwd is geweest (opmerking Provincie Utrecht). Daarom is een bufferzone voor mogelijke bebouwing rondom de Grift opgenomen in de verwachtingskaart in bijlage 15. Op het Kadastrale Minuutplan is in het uiterste zuiden van het plangebied een huis met een erf en een schapenhok aanwezig. Mogelijk gaat deze bebouwing terug op oudere bebouwing, aangezien bebouwing op het Kadastrale Minuutplan vaak indicatief is voor oudere bebouwing. Verder is de Buurtlaan Oost in het noorden van deelgebied ORV een historische weg die op het Kadastrale Minuutplan al aanwezig is. Deze historische structuren zijn weergeven in bijlage 15, met een bufferzone van ongeveer 50 m om de bebouwing heen. De bufferzone is meegenomen omdat de exacte locatie van de bebouwing iets kan verschillen van waar deze op het Kadastrale Minuutplan is weergeven. Verder worden geen historische structuren binnen het plangebied verwacht. Binnen het plangebied worden volgens de cultuurhistorische waardenkaart van Veenendaal geen militaire structuren verwacht. Wel maakt deelgebied ORV deel uit van het inudatiegebied van de Grebbelinie uit de Tweede Wereldoorlog.

Stratigrafische positie en diepteligging Het archeologische niveau voor de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum wordt gevormd door de top van het dekzand. Ten zuiden van de Wageningselaan wordt het dekzand vanaf het maaiveld verwacht (zie hoofdstuk 6). Ook rondom de dekzandrug in het noorden van deelgebied ORV wordt de top van het dekzand gezien het bodemtype vanaf het maaiveld verwacht. Het archeologische niveau waarin sporen verwacht worden, wordt dan ook direct onder de bouwvoor verwacht. Complextypen, omvang en aanwezigheid 31

Archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. De archeologische resten uit deze periodes worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de bodem is afgetopt kan de trefkans voor deze periode worden bijgesteld naar laag, diepere grondsporen uit deze periode worden immers niet verwacht.

Archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen worden vooral verwacht in de vorm van huisplaatsen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen (Neolithicum) en/of aardewerk, en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, greppels en waterputten. Ook deze resten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de oorspronkelijke bodem is afgetopt, is een eventueel vondstenniveau al verdwenen en worden alleen nog grondsporen verwacht. Resten van funderingen uit de Middeleeuwen hebben vaak sporen van houtbouw in de ondergrond achtergelaten, terwijl funderingen van huizen uit de Nieuwe Tijd vaak uit steen bestaan. Sporen van begraving kunnen zowel in de vorm van inhumaties als crematies worden aangetroffen en kenmerken zich zowel door grondsporen (kringgreppels, grafkuilen) als door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot), afhankelijk van de periode. In de omgeving van het plangebied zijn veel grafheuvels bekend.

De omvang van vindplaatsen kan variëren van enkele tientallen vierkante meters voor vindplaatse die betrekking hebben op jagers en verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum), tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij (vanaf het Neolithicum). In hoeverre nog archeologische vondsten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem. Het is onbekend in welke mate de bodemopbouw reeds verstoord is met de aanleg van de N233 en vervening in deelgebied ORV. Aangezien de top van het dekzand aan het maaiveld verwacht wordt ter plaatse van de dekzandruggen kan deze ook al deels verstoord zijn door recente bodemingrepen. Deelgebied RRR- sectie stuwwal Archeologische verwachting en periode 

In het noorden van deelgebied RRR heeft bewoning kunnen plaatsvinden op de stuwwal. In de omgeving van het plangebied zijn op de stuwwal vondsten bekend uit de periodes LaatPaleolithicum, Laat-Paleolithicum-Bronstijd, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd, VroegeMiddeleeuwen en Late-Middeleeuwen. Dit betekent dat de stuwwal in alle archeologische periodes in gebruik was bij de mens. De aangetroffen vondsten en/of sporen betreffen sporen van bewoning, maar sporen van begravingen vallen vooralsnog niet uit te sluiten. Ook binnen het plangebied zijn vondsten aangetroffen (zie hoofdstuk 8). Er geldt dus een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met Middeleeuwen ter plaatse van de stuwwal, voor zover de bodem intact is. Deze verwachtingszone is weergeven in bijlage 15 en gebaseerd op de geomorfologische kaart en het AHN Ter plaatse van de uiterwaarden geldt een lage archeologische verwachting. Eventuele vondsten aan de voet van de stuwwal zijn hier al geërodeerd en in de uiterwaarden hebben afgravingen plaatsgevonden waardoor eventuele vondsten op de oevers van de Nederrijn reeds geërodeerd zijn. De Grebbeweg is een historische weg waarlangs bewoning plaats heeft kunnen vinden vanaf de Middeleeuwen. Binnen het plangebied zijn vooralsnog alleen tabaksschuren bekend op het Kadastrale Minuutplan (bijlage 15).

Ook hieromheen wordt een bufferzone van ongeveer 50 m aangehouden. Oudere bewoning valt echter vooralsnog niet uit te sluiten aangezien de

32

Grebbeweg een regionale weg was. Verder worden geen historische structuren binnen dit deel van het plangebied verwacht.

Stratigrafische positie en diepteligging Het archeologische niveau wordt gevormd door de top van het stuwwalzand. Dit wordt vanaf het maaiveld verwacht, waardoor archeologische sporen al vanaf onder de bouwvoor aanwezig kunnen zijn. De exacte diepteligging is niet bekend. Complextypen, omvang en aanwezigheid Voor de beschrijving van de complextypen en omvang zie hierboven bij deelgebied ORV. Als aanvulling hierop geldt dat onder de Grebbeweg mogelijk nog resten van oudere wegen aanwezig zijn. In hoeverre nog archeologische vondsten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem. Voor de aanleg van de N233 is de stuwwal meters afgegraven. Ook in de uiterwaarden hebben afgravingen plaatsgevonden. Ter plaatse van deze afgravingen zijn eventuele archeologische resten en/of sporen reeds verdwenen (bijlage 15). Ook ter plaatse van het gebied rondom het stationsplein kan de verwachting worden bijgesteld naar laag op basis van eerder onderzoek (zie hoofdstuk 8). Deelgebied RRR- sectie rivierengebied Archeologische verwachting en periode 

In het rivierengebied is de archeologische verwachting afhankelijk van de stroomgordels in de ondergrond. Ter plaatse van de stroomgordels geldt een hoge archeologische verwachting, omdat de oeverwallen hoger in het landschap lagen en liggen (zie hoofdstuk 6). De mate waarin hierop archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is afhankelijk van de ouderdom van de verschillende stroomgordels. Ter plaatse van de Nederrijn en Lek kunnen archeologische waarden vanaf de IJzertijd aanwezig zijn (noorden van deelgebied RRR). Ter plaatste van de Werkhoven en Herveld stroomgordels kunnen archeologische resten en/of sporen dateren vanaf het Neolithicum (bijlage 5). Dit laatste geldt ook voor de Herveld en Nederrijn in het zuiden van deelgebied RRR. In het uiterste zuiden van deelgebied RRR wordt de Mars-Oude Rijn verwacht, die vanaf de LateMiddeleeuwen actief was (bijlage 15). In de omgeving van dit deel van het plangebied zijn vooralsnog alleen vondsten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Dit zou kunnen komen doordat nog niet overal archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, maar het zou ook kunnen dat oudere vondsten geërodeerd zijn door rivierwerking. Qua cultuurhistorische structuren is binnen dit stuk van het plangebied alleen de Marsdijk aanwezig. De ouderdom van deze dijk is niet exact bekend maar kan uit 1529 stammen.

Verder komen op het Kadastrale Minuutplan wel enkele wegen voor, maar deze zijn op nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE niet weergegeven als historische structuren. Ook was geen bebouwing aanwezig langs deze wegen. Historische bebouwing wordt binnen dit deel van het plangebied niet verwacht. Met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog worden geen cultuurhistorische waarden binnen deelgebied RRR verwacht.

Stratigrafische positie en diepteligging Archeologische resten en/of sporen worden verwacht in de top van de oeverafzettingen. Aangezien het beddingzand meestal binnen 1 m of tussen 1 en 2 m –Mv verwacht wordt, kunnen de oeverafzettingen al direct onder het maaiveld voorkomen. De exacte diepteligging van de top van de oeverafzettingen is niet bekend, het zou kunnen dat ze plaatselijk zijn afgedekt door komafzettingen. Boringen van het Dinoloket in de omgeving geven hierover geen uitsluitsel. De gemeentelijke

33

beleidskaart gaat ervan uit dat het beddingzand rond 1,5 m –Mv ligt en dat binnen deze diepte dus archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn.

Complextypen, omvang en aanwezigheid In het plangebied worden nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en grafvelden verwacht. De omvang van vindplaatsen kan variëren van enkele tientallen vierkante meters tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij. In de top van de oeverafzettingen en/of rond vegetatiehorizonten kunnen nederzettingssporen en sporen van landgebruik aanwezig zijn. Sporen van landgebruik bestaan uit paalgaten, afvalkuilen, greppels en waterputten. Nederzettingscomplexen kunnen zich kenmerken door oude woongronden of andersoortige cultuurlagen, vondstlagen of dichte vondstendichtheid van onder andere keramiekfragmenten en botmateriaal, hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. Daarentegen zullen sporen van kortstondige bewoning en landgebruik zich kenmerken door (kleinschalige) grondsporen in plaats van de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel uitspraken gedaan worden op basis van de opbouw en de mate van intactheid van de bodem. In hoeverre nog archeologische vondsten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande waterpartijen is de bodem reeds afgegraven.

Tot hoe diep is niet bekend maar de kans is groot dat hiermee een eventueel archeologisch niveau verdwenen is.

34

Tabel 3. Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel deelgebied ORV

1

Datering

2

Complextype

3 4 5

Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)

8

Mogelijke verstoringen

Archeologische verwachting Hoog Paleolithicum-Neolithicum

Reden Dekzandruggen (dekzandvlakte lage verwachting) Laag Neolithicum-Vroege Middeleeuwen Veengebied Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Behalve ter plaatse van de historische bebouwing en structuren, maar die komen bijna niet voor. Kampementen, nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden 50-2000 m2 (omvang kampement-huisplaats, algemeen) Top van het dekzand, vermoedelijk vanaf 35 cm -Mv +/Het is onbekend in welke mate de bodemopbouw reeds verstoord is met de aanleg van de N233 en vervening in deelgebied ORV. Onbekend, op dit moment het hele plangebied Vondstconcentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtskool of een vondstlaag. Grondsporen. Aangezien de top van het dekzand aan het maaiveld verwacht wordt in de zones met een hoge archeologische verwachting bestaat de kans dat de top al deels vergraven is.

35

Tabel 4. Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel deelgebied RRR-sectie stuwwal

1

Datering

2

Complextype

3 4 5

Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)

8

Mogelijke verstoringen

Archeologische verwachting Reden Hoog Paleolithicum-Middeleeuwen Stuwwal Hoog Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd Grebbeweg en tabaksschuren Kampementen, nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden 50-2000 m2 (omvang kampement-huisplaats, algemeen) Top van de stuwwal, vanaf circa 35 cm -Mv +/Ter plaatse van de afgraving voor de N233 worden geen archeologische resten en/of sporen meer verwacht (-). Ook ter plaatse van de uiterwaarden is de bodem al afgegraven (-). Onbekend, op dit moment het hele plangebied Vondstconcentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtskool of een vondstlaag. Grondsporen. Mogelijk heeft een zandafgraving plaatsgevonden in de uiterwaarden, maar op het AHN zijn hiervoor geen aanwijzingen.

36

Tabel 5. Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel deelgebied RRR-sectie rivierengebied

1

Datering

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6

Locatie

7

Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)

8

Mogelijke verstoringen

Archeologische verwachting Laag Paleolithicum-Mesolithicum Hoog Neolithicum-Middeleeuwen Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd

Reden Verspoeld door stroomgordels Aanwezigheid bewoonbare oevers Geen aanwijzingen op historisch kaartmateriaal of cultuurhistorische elementen (behalve de Marsdijk) Nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top van de oeverwal, binnen 1 à 2 m -Mv +/Ter plaatse van de bestaande waterpartijen is de bodem reeds afgegraven (-). In welke mate de bodem verstoord is met de aanleg van de weg is niet bekend (+/-) Onbekend, op dit moment het hele plangebied min de reeds vrijgegeven zones en afgegraven gebieden. Vondstconcentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtskool of een vondstlaag. Mogelijk cultuurlagen. Grondsporen. Zie gaafheid en conservering

37

10. Conclusie en advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 15 en besproken in hoofdstuk 9. Daarom wordt hier volstaan met een samenvatting per deelgebied. De provinciale grenzen lopen dermate grillig door het landschap en de archeologische verwachtingszones heen, dat deze gescheiden per provincie niet duidelijk in beeld te brengen zijn. Deelgebied ORV Voor wat betreft deelgebied ORV kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de verwachte dekzandruggen een hoge archeologische verwachting geldt. Dit is in twee zones in het deelgebied. Hier geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum. Jongere archeologische resten worden in verband met overdekking met veen (grootschalig vanaf het Neolithicum) niet verwacht. Verder zijn volgens het Kadastrale Minuutplan nog een aantal historische structuren en bouwwerken in dit deelgebied aanwezig (geweest), namelijk de Bisschop Davidsgrift, de Buurtweg en een huis en een schapenschuur. Langs de weg is volgens het Kadastrale Minuutplan geen bebouwing binnen het plangebied aanwezig, waardoor hier geen bebouwing uit de Late-Middeleeuwen verwacht wordt. Vanwege de ouderdom van de Grift is bewoning uit de Late-Middeleeuwen langs de Grift is niet uit te sluiten.

Verder geldt alleen rondom het huis en de schapenschuur in het zuiden van deelgebied ORV een hoge archeologische verwachting voor bewoning uit de Nieuwe Tijd en mogelijk ook de Late-Middeleeuwen, aangezien bewoning op het Kadastrale Minuutplan vaak indicatief is voor oudere bebouwing (zie ook bijlage 15). In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Het is onbekend in welke mate de vervening en aanleg van de N233 in deelgebied ORV de bodemopbouw heeft aangetast. De weg ligt grotendeels hoger dan het natuurlijke maaiveld aan weerszijden van de weg, maar het is niet bekend of voor het aanbrengen van het wegtalud eerst ook graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Deelgebied RRR Voor wat betreft deelgebied RRR kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de stuwwal en de oeverwallen van de stroomgordels een hoge archeologische verwachting geldt. Ter plaatse van de stuwwal geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de perioden van het Laat-Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Ter plaatse van de stroomgordels geldt een hoge archeologische verwachting.

Omdat de actieve periodes van de stroomgordels verschillen van elkaar, gelden hier hoge archeologische verwachtingen voor verschillende periodes, namelijk de periode Neolithicum-Middeleeuwen, IJzertijd-Middeleeuwen en Middeleeuwen. Deze verwachtingen staan per zone weergegeven in bijlage 15. Verder zijn een aantal tabaksschuren in het noorden van deelgebied RRR aanwezig geweest en valt de Grebbeweg binnen het plangebied, die al uit de Middeleeuwen stamt. Langs deze weg is de archeologische verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode LateMiddeleeuwen-Nieuwe Tijd hoog, en rondom de tabaksschuren geldt een cultuurhistorische waarde. Ten zuiden van de Nederrijn wordt geen historische bebouwing verwacht. Hier is alleen de Marsdijk een structuur van cultuurhistorische waarde. In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de afgraving voor de N233 in de

38

stuwwal worden geen archeologische resten en/of sporen meer verwacht. Ook ter plaatse van de uiterwaarden en waterpartijen is de bodem al afgegraven waardoor hier geen archeologische resten meer worden verwacht. In welke mate de bodem verstoord is met de aanleg van de N233 ten zuiden van de Nederrijn is niet bekend. Wel valt op dat de weg hier verhoogd is aangelegd ten opzichte van het landschap, waardoor hier mogelijk onder de weg nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn. Advies Deelgebied ORV Ter plaatse van de zones met een hoge archeologische verwachting bestaat de kans dat eventuele archeologische resten en/of sporen worden aangetast. Wanneer hier graafwerkzaamheden plaatsvinden buiten het bestaande wegtalud, kunnen deze potentiële archeologische resten worden verstoord (dit kan worden vergeleken in bijlage 15). Dit geldt zowel voor graafwerkzaamheden voor eventuele werkstroken als voor graafwerkzaamheden voor de aanleg van de weg zelf. Hier zal dus een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld.

Om het archeologische risico nader in kaart te brengen zijn er twee opties met betrekking tot waar het vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden: 3. Het vervolgonderzoek wordt uitgevoerd in de gehele zones met een hoge archeologische verwachting, of hier nu bodemingrepen gepland zijn of niet (exclusief de bestaande weg). Op deze manier kan in kaart worden gebracht waar daadwerkelijk sprake is van een archeologisch risico en waar niet. Hiermee kan mogelijk speelruimte worden gecreëerd met betrekking tot de locatie van geplande werkzaamheden in relatie tot archeologische risico zones. Bijvoorbeeld door een werkterrein op een locatie te plannen waaruit blijkt dat daar geen archeologisch risico is. Hierdoor is er meer grip op het proces van de realisatie van de weg. Een nadeel is dat een groter gebied zal moeten worden afgeboord dan met optie 2. 4. Een andere optie is om het vervolgonderzoek alleen uit te voeren ter plaatse van de geplande bodemingrepen waar deze plaatsvinden in de zone met een hoge archeologische verwachting (en buiten de bestaande weg). Dan zijn er minder verkennende boringen nodig om te bepalen waar de geplande ingrepen daadwerkelijk een risico vormen voor eventuele archeologische resten. De keerzijde van deze optie is dat er mogelijk vervolgstappen voortvloeien uit de resultaten van het verkennende booronderzoek.

Ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting is de kans klein dat eventuele archeologische resten worden verstoord. Hier zal dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt onder andere voor de eventuele aansluiting Groenepoort, maar ook voor werkzaamheden die binnen de bestaande wegtaluds zelf gepland zijn. Eventueel vervolgonderzoek in de hoge verwachtingszones kan dus worden beperkt door de werkzaamheden zo veel mogelijk binnen de bestaande wegtaluds te plannen. Verder wordt voorgesteld om de Bisschop Davidsgrift als historische structuur in het plangebied te behouden. De Bisschop Davidsgrift zal in ieder geval niet worden gedempt. Deelgebied RRR- sectie stuwwal In dit deel van deelgebied RRR zijn de werkzaamheden deels gepland in zones met een hoge archeologische verwachting en deels in zones met een lage archeologische verwachting. Ter plaatse

39

van de zones met een lage archeologische verwachting geldt een klein archeologisch risico en wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Ter plaatse van de zones met een hoge archeologische verwachting bestaat wel de kans dat archeologische resten worden verstoord. Daarom wordt hier voor werkzaamheden die plaatsvinden buiten de bestaande wegdelen een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Ook hiervoor gelden de twee opties die onder het advies bij deelgebied ORV besproken zijn met betrekking tot de locatie van het vervolgonderzoek. Deelgebied RRR- sectie rivierengebied Hoewel de nieuwe wegdelen in verschillende archeologische verwachtingszones worden aangelegd, vindt de verbreding van de weg grotendeels plaats binnen het bestaande wegtalud. De rijstroken worden bijna geheel binnen het bestaande talud gepland, alleen de nieuwe taluds komen hier deels buiten te liggen. Daar waar de nieuwe rijstroken binnen de bestaande wegtaluds worden gerealiseerd, is geen risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

Hiervoor wordt dus geen vervolgonderzoek geadviseerd. Alleen waar graafwerkzaamheden buiten de bestaande taluds gepland zijn, bestaat de kans dat eventuele archeologische waarden worden aangetast (dit kan worden vergeleken in bijlage 15). Dit is bijvoorbeeld het geval bij de oostelijke aansluiting op de N233 in het zuiden van deelgebied RRR en ter plaatse van de uiterwaarden van deelgebied RRR. Voor die delen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld.

40

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden  Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. 

Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015.

Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, 3e generatie, IKAW, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), Amersfoort, 2008. www.ahn.nl www.archieven.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.edugis.nl www.pdok.nl www.planviewer.nl www.dans.easy.knaw.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/ https://c14.arch.ox.ac.uk/oxcal/OxCal.html http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=471707400d6f44d5a743 100c65e3ce9b

               

   

www.hisgis.nl Nieuwe landkaart met cultuurlandschap van het RCE: https://www.cultureelerfgoed.nl/actueel/nieuws/2019/10/28/nieuwe-landkaart-metcultuurlandschap https://www.tracesofwar.com/ https://www.bunkerinfo.nl/ http://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf https://nimh-beeldbank.defensie.nl/

 

https://geheugen.delpher.nl/nl https://www.entoen.nu/

Literatuur Alkemade, M./M. Gouw/ J. van den Berg/ A. van den Hazelkamp, 2009. Archeologische beleidskaart en cultuurhistorische kenmerkenkaart gemeente Veenendaal. Vestigia-rapport V608. Bakker, H., de/J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus, Wageningen. Bakker, H., De 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Beckers, I.S.J., 2006. Bureau voor Archeologie Rapport 376. Stationsplein, Rhenen, gemeente Rhenen: een bureauonderzoek. Bureau voor Archeologie Rapport 376. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen.

41

Blijdenstijn, R. 2015. Tastbare tijd v.2.0, Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Amsterdam. Brijker, J.M., 2014. Archeologisch verkennend booronderzoek Betuwestraatweg 1, Kesteren, Gemeente Neder-Betuwe. Buro de Brug Rapportren B14-188. Brugman., B.A./ R.M. van Heeringen/ A. Lutz, R. Schrijvers/ C.A.Visser, 2010. Archeologische beleidskaart gemeente Rhenen, toelichting op de totstandkoming en koppeling met de ruimtelijke ordening (planregels), Vestigia-rapport V817. Boemaars, N.M.J.E./J.Bex, 2008. Archeologisch onderzoek Gelders Benedeneind 23 te Veenendaal, bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Grontmij Archeologische Rapporten 636. Botman, A./M. Benjamins, 2008. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Buren. ADC rapport H025. Cohen., K.M./E. Stouthamer/ W.Z. Hoek/H.J.A. Berendsen/ H.F.J., Kempen, 2009, Zand in banen: zanddieptekaarten van het rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Universiteit Utrecht. Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik/A.H. Geurts, 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography. Utrecht University. Digital dataset: http://persistent‐identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl. Goosen, E., 2012.

Beoordeling archeologie Rijswijk-Opheusden, gemeenten Buren en Neder-Betuwe; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-rapport 2445. Huisman, D.J./J. Bouwmeester/G. de Lange/Th. van der Linden/G. Mauro/D. Ngan-Tillard/M. Groenendijk/T. de Ridder/C. van Rooijen/I. Roorda/D. Schmutzhart e/R. Stoevelaar, 2010. De invloed van bouwwerkzaamheden op archeologische vindplaatsen, Bouwen en Archeologie, Amersfoort (RCE). Kluiving, S.J., J. van der Laan, J. Hammer en C. Sueur, 2013. Bodemverstoringesonderzoek door middel van 80 bodemprofielputten gemeente Neder-Betuwe (Gld).GEO-LOGICAL reeks 67. Kok, R.S., 2011. Plangebied Grebbeweg, perceel E217, gemeente Veenendaal; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 3605. Maas, G. J./ S. P. J. v. Delft /A. H. Heidema, 2017, Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). Wageningen, Wageningen Environmental Research. Mulder, E.F.J., de,/M.C. Geluk/I.L. Ritsema/W.E. Westerhof/T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland, Houten. Raad, de, J.H.M./ J.J.A.Wijnen, 2018. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek-karterende fase, Hogeweg 7B te Lienen, gemeente Buren. Laagland Archeologie Rapport 132. Stouthamer, E./K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land, Utrecht. TNO, 2010.

Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600 000 Tolsma, J./P.C.Teekens, Karterend Inventariserend Veldonderzoek plangebied Middelwaard (gemeente Buren en Neder-Betuwe)- project rivierverruiming uiterwaarden Nederrijn. Archeologische rapporten Oranjewoud 2011/22.

42

Schiltmans, D.E.A., 2002. Onderzoeksgebied Dragonder-Oost, gemeente Veenendaal; een archeologische begeleiding, een archeologische begeleiding. RAAP-notitie 235. Sueur, C., 2016. Verantwoordingsdocument totstandkoming geactualiseerde archeologische waardenen verwachtingskaart en archeologische beleidskaart gemeente Neder-Betuwe. Buro de Brug. Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (ed.), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81. Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015) Lijst van afbeeldingen Figuur 1. Ligging van het deelgebied Oostelijke Rondweg Veenendaal (ORV) op een topografische kaart. Figuur 2. Ligging van het deelgebied realisatie Rijnburg Rhenen (RRR) op een topografische kaart.

43

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

44

Bijlage 2.

De ligging van de deelgebieden op luchtfoto’s

45

46

Bijlage 3.

Voorlopig ontwerp van de voorgenomen werkzaamheden

Deelgebied RRR. Bron: Tauw b.v.

47

Deelgebied ORV. Bij de ongelijkvloerse kruising aan de Prins Clauslaan zal de N233 onder de Prins Clauslaan komen, in tegenstelling tot hoe dit op de detailopname hieronder is weergegeven Bron: Tauw b.v.

48

Bijlage 4.

Gemeentelijke beleidskaarten

Gemeente Veenendaal

49

Gemeente Rhenen

50

Gemeente Buren

51

Gemeente Neder-Betuwe

52

Bijlage 5.

Stroomgordelkaart

53

Bijlage 6.

Zanddieptekaart deelgebied RRR

54

Bijlage 7.

Geomorfologische kaart

55

56

Bijlage 8.

Maaiveldhoogte

57

Bron: AHN2, www.ahn.nl

58

Bijlage 9.

Bodemkaart

59

60

Bijlage 10.

Maaiveldhoogte details deelgebied RRR

61

62

Bijlage 11.

Archeologische waarden en onderzoeken

63

64

Bijlage 12.

Cultuurhistorische waardenkaart

65

Bijlage 13.

Historisch kaartmateriaal

66

67

68

69

70

71

72

73

74

75

76

Bijlage 14.

Maaiveldhoogte detail noorden deelgebied RRR

77

Bijlage 15.

Gespecificeerde archeologische verwachting

78

-sectie stuwwal

79

Gespecificeerde archeologische verwachting deelgebied RRR-sectie rivierengebied

80

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12074701/1