16. Bijlage 14 Bijlage 11 bij BP - Archeologie
Tekst van het document
Transect-rapport 2489 Veenendaal-Kesteren, N233 Gemeente Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe (UT en GD) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO)
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Veenendaal-Kesteren, N233. Gemeente Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe (UT en GD). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transect-rapport 2489
Auteur
M. Verboom-Jansen MSc
Versie
Eindversie, versie 2.3
Datum
02-12-2020
Projectnummer Onderzoeksmelding
19070014 4755270100 Tauw b.v. Postbus 3015
Opdrachtgever
3502 GA Utrecht Transect b.v.
Uitvoerder
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Bevoegde overheid Toetsing rapport bevoegde overheid Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Provincies Utrecht en Gelderland Goedgekeurd door H. van den Ende (provincie Utrecht) en N. Vossen (provincie Gelderland) Transect b.v., Nieuwegein De omgeving van het zuidelijke deelgebied op een historische kaart uit 1900. Bron: www.topotijdreis.nl.
Datum 03-03-2020
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Tauw b.v. heeft Transect b.v. in december 2019 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied langs de N233 tussen Veenendaal en Kesteren (gemeenten Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe). Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden die deelgebied ORV (Oostelijke Randweg Veenendaal) en deelgebied RRR (Realisatie Rijnbrug Rhenen) worden genoemd. De aanleiding van het onderzoek is de geplande verbreding van de weg, waarvoor een m.e.r-procedure moet worden doorlopen. Ook zullen de provincies Utrecht en Gelderland een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) gaan opstellen om de geplande ontwikkeling mogelijk te maken. Hiermee worden de vigerende gemeentelijke bestemmingsplannen (voor zover aanwezig) dus gedeeltelijk aangepast. In het kader van de m.e.r-procedure en het PIP moet de AMZ-cyclus worden doorlopen. Het onderhavige archeologische bureauonderzoek vormt de eerste stap binnen de AMZcyclus. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 15 en besproken in hoofdstuk 9. Daarom wordt hier volstaan met een samenvatting per deelgebied. De archeologische verwachtingskaart bestaat uit drie kaartbladen, waarbij deelgebied RRR nog verder onderverdeeld is in een noordelijke sectie en een zuidelijke sectie.
De noordelijke sectie beslaat het gedeelte van deelgebied RRR ten noorden van de Nederrijn (‘sectie stuwwal’) en de zuidelijke sectie beslaat het gedeelte van deelgebied RRR ten zuiden van de Nederrijn (‘sectie rivierengebied’). De provinciale grenzen lopen dermate grillig door het landschap en de archeologische verwachtingszones heen, dat deze gescheiden per provincie niet duidelijk in beeld te brengen zijn. Deelgebied ORV Voor wat betreft deelgebied ORV kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de verwachte dekzandruggen een hoge archeologische verwachting geldt. Dit is in twee zones in het deelgebied. Hier geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum. Jongere archeologische resten worden in verband met overdekking met veen (grootschalig vanaf het Neolithicum) niet verwacht. Verder zijn volgens het Kadastrale Minuutplan nog een aantal historische structuren en bouwwerken in dit deelgebied aanwezig (geweest), namelijk de Bisschop Davidsgrift, de Buurtweg en een huis en een schapenschuur. Langs de weg is volgens het Kadastrale Minuutplan geen bebouwing binnen het plangebied aanwezig, waardoor hier geen bebouwing uit de Late-Middeleeuwen verwacht wordt. Vanwege de ouderdom van de Grift is bewoning uit de Late-Middeleeuwen langs de Grift is niet uit te sluiten.
Verder geldt alleen rondom het huis en de schapenschuur in het zuiden van deelgebied ORV een hoge archeologische verwachting voor bewoning uit de Nieuwe Tijd en mogelijk ook de Late-Middeleeuwen, aangezien bewoning op het Kadastrale Minuutplan vaak indicatief is voor oudere bebouwing (zie ook bijlage 15). In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Het is onbekend in welke mate de vervening en aanleg van de N233 in deelgebied ORV de bodemopbouw heeft aangetast. De weg ligt grotendeels hoger dan het natuurlijke maaiveld aan weerszijden van de weg, maar het is niet bekend of voor het aanbrengen van het wegtalud eerst ook graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
Deelgebied RRR Voor wat betreft deelgebied RRR kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de stuwwal en de oeverwallen van de stroomgordels een hoge archeologische verwachting geldt. Ter plaatse van de stuwwal geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit de perioden van het Laat-Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Ter plaatse van de stroomgordels geldt een hoge archeologische verwachting. Omdat de actieve periodes van de stroomgordels verschillen van elkaar, gelden hier hoge archeologische verwachtingen voor verschillende periodes, namelijk de periode Neolithicum-Middeleeuwen, IJzertijd-Middeleeuwen en Middeleeuwen. Deze verwachtingen staan per zone weergegeven in bijlage 15. Verder zijn een aantal tabaksschuren in het noorden van deelgebied RRR aanwezig geweest en valt de Grebbeweg binnen het plangebied, die al uit de Middeleeuwen stamt. Langs deze weg is de archeologische verwachting op archeologische vondsten en/of sporen uit de periode LateMiddeleeuwen-Nieuwe Tijd hoog, en rondom de tabaksschuren geldt een cultuurhistorische waarde. Ten zuiden van de Nederrijn wordt geen historische bebouwing verwacht. Hier is alleen de Marsdijk een structuur van cultuurhistorische waarde. In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem.
Ter plaatse van de afgraving voor de N233 in de stuwwal worden geen archeologische resten en/of sporen meer verwacht. Ook ter plaatse van de uiterwaarden en waterpartijen is de bodem al afgegraven waardoor hier geen archeologische resten meer worden verwacht. In welke mate de bodem verstoord is met de aanleg van de N233 ten zuiden van de Nederrijn is niet bekend. Wel valt op dat de weg hier verhoogd is aangelegd ten opzichte van het landschap, waardoor hier mogelijk onder de weg nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn. Advies Deelgebied ORV Ter plaatse van de zones met een hoge archeologische verwachting bestaat de kans dat eventuele archeologische resten en/of sporen worden aangetast. Wanneer hier graafwerkzaamheden plaatsvinden buiten het bestaande wegtalud, kunnen deze potentiële archeologische resten worden verstoord (dit kan worden vergeleken in bijlage 15). Dit geldt zowel voor graafwerkzaamheden voor eventuele werkstroken als voor graafwerkzaamheden voor de aanleg van de weg zelf. Hier zal dus een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld.
Om het archeologische risico nader in kaart te brengen zijn er twee opties met betrekking tot waar het vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden: 1. Het vervolgonderzoek wordt uitgevoerd in de gehele zones met een hoge archeologische verwachting, of hier nu bodemingrepen gepland zijn of niet (exclusief de bestaande weg). Op deze manier kan in kaart worden gebracht waar daadwerkelijk sprake is van een archeologisch risico en waar niet. Hiermee kan mogelijk speelruimte worden gecreëerd met betrekking tot de locatie van geplande werkzaamheden in relatie tot archeologische risico zones. Bijvoorbeeld door een werkterrein op een locatie te plannen waaruit blijkt dat daar geen archeologisch risico is. Hierdoor is er meer grip op het proces van de realisatie van de weg. Een nadeel is dat een groter gebied zal moeten worden afgeboord dan met optie 2. 2. Een andere optie is om het vervolgonderzoek alleen uit te voeren ter plaatse van de geplande bodemingrepen waar deze plaatsvinden in de zone met een hoge archeologische verwachting (en
buiten de bestaande weg). Dan zijn er minder verkennende boringen nodig om te bepalen waar de geplande ingrepen daadwerkelijk een risico vormen voor eventuele archeologische resten. De keerzijde van deze optie is dat er mogelijk vervolgstappen voortvloeien uit de resultaten van het verkennende booronderzoek. Ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting is de kans klein dat eventuele archeologische resten worden verstoord. Hier zal dan ook geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt onder andere voor de eventuele aansluiting Groenepoort, maar ook voor werkzaamheden die binnen de bestaande wegtaluds zelf gepland zijn. Eventueel vervolgonderzoek in de hoge verwachtingszones kan dus worden beperkt door de werkzaamheden zo veel mogelijk binnen de bestaande wegtaluds te plannen. Verder wordt voorgesteld om de Bisschop Davidsgrift als historische structuur in het plangebied te behouden. De Bisschop Davidsgrift zal in ieder geval niet worden gedempt. Deelgebied RRR- sectie stuwwal In dit deel van deelgebied RRR zijn de werkzaamheden deels gepland in zones met een hoge archeologische verwachting en deels in zones met een lage archeologische verwachting. Ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting geldt een klein archeologisch risico en wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Ter plaatse van de zones met een hoge archeologische verwachting bestaat wel de kans dat archeologische resten worden verstoord. Daarom wordt hier voor werkzaamheden die plaatsvinden buiten de bestaande wegdelen een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Ook hiervoor gelden de twee opties die onder het advies bij deelgebied ORV besproken zijn met betrekking tot de locatie van het vervolgonderzoek. Deelgebied RRR- sectie rivierengebied Hoewel de nieuwe wegdelen in verschillende archeologische verwachtingszones worden aangelegd, vindt de verbreding van de weg grotendeels plaats binnen het bestaande wegtalud. De rijstroken worden bijna geheel binnen het bestaande talud gepland, alleen de nieuwe taluds komen hier deels buiten te liggen. Daar waar de nieuwe rijstroken binnen de bestaande wegtaluds worden gerealiseerd, is geen risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Hiervoor wordt dus geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Alleen waar graafwerkzaamheden buiten de bestaande taluds gepland zijn, bestaat de kans dat eventuele archeologische waarden worden aangetast (dit kan worden vergeleken in bijlage 15). Dit is bijvoorbeeld het geval bij de oostelijke aansluiting op de N233 in het zuiden van deelgebied RRR en ter plaatse van de uiterwaarden van deelgebied RRR. Voor die delen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem te bepalen. Aan de hand van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel dan worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld.
Inhoud 1.
Aanleiding ................................................................................................................................6
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ..............................................................7
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied .....................................................................8
4.
Consequenties toekomstig gebruik ...................................................................................... 11
5.
Beleidskader .......................................................................................................................... 12
6.
Landschap, geomorfologie en bodem .................................................................................. 14
7.
Archeologische verwachtingen en bekende waarden ......................................................... 20
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ................................................ 27
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting ...................................................................... 31
10.
Conclusie en advies ............................................................................................................... 38
11.
Geraadpleegde bronnen ....................................................................................................... 41
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) ...................................... 44
Bijlage 2.
De ligging van de deelgebieden op luchtfoto’s .................................................................... 45
Bijlage 3.
Voorlopig ontwerp van de voorgenomen werkzaamheden ................................................ 47
Bijlage 4.
Gemeentelijke beleidskaarten .............................................................................................. 49
Bijlage 5.
Stroomgordelkaart ................................................................................................................ 53
Bijlage 6.
Zanddieptekaart deelgebied RRR ......................................................................................... 54
Bijlage 7.
Geomorfologische kaart ....................................................................................................... 55
Bijlage 8.
Maaiveldhoogte .................................................................................................................... 57
Bijlage 9.
Bodemkaart........................................................................................................................... 59
Bijlage 10. Maaiveldhoogte details deelgebied RRR .............................................................................. 60 Bijlage 11. Archeologische waarden en onderzoeken ........................................................................... 63 Bijlage 12. Cultuurhistorische waardenkaart ......................................................................................... 65 Bijlage 13. Historisch kaartmateriaal...................................................................................................... 66 Bijlage 14. Maaiveldhoogte detail noorden deelgebied RRR ................................................................ 77 Bijlage 15. Gespecificeerde archeologische verwachting ...................................................................... 78
1. Aanleiding In opdracht van Tauw b.v. heeft Transect b.v. 1 in december 2019 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied langs de N233 tussen Veenendaal en Kesteren (gemeenten Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe). Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden die deelgebied ORV (Oostelijke Randweg Veenendaal) en deelgebied RRR (Realisatie Rijnbrug Rhenen) worden genoemd. De aanleiding van het onderzoek is de geplande verbreding van de weg, waarvoor een m.e.r-procedure moet worden doorlopen. Ook zullen de provincies Utrecht en Gelderland een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) gaan opstellen om de geplande ontwikkeling mogelijk te maken. Hiermee worden de vigerende gemeentelijke bestemmingsplannen (voor zover aanwezig) dus gedeeltelijk aangepast. In het kader van de m.e.r-procedure en het PIP moet de AMZ-cyclus worden doorlopen. Het onderhavige archeologische bureauonderzoek vormt de eerste stap binnen de AMZcyclus.
Vanuit de wet milieubeheer bestaat de wettelijke plicht om een milieueffectrapportage (MER) op te stellen, vanwege de omvang van de activiteiten in het plangebied en de mogelijke gevolgen hiervan op de omgeving. Het onderhavig archeologisch onderzoek vormt een onderdeel van het m.e.r-traject. Tevens bestaat vanuit diverse bestemmingsplannen en Erfgoedverordeningen voor het plangebied een archeologische onderzoekplicht. Dit betekent dat ten behoeve van het inpassingsplan, een archeologische onderbouwing noodzakelijk is. Middels archeologisch onderzoek dient inzicht te worden verkregen over het effect van de ontwikkeling op de bestaande en verwachte archeologische waarden in het gebied. Dit rapport beschrijft de resultaten van een archeologisch vooronderzoek in het plangebied en voorziet in die plicht.
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
6
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Om de archeologische waarde van het plangebied te kunnen bepalen is een bureauonderzoek (BO) uitgevoerd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het resultaat van het archeologisch bureauonderzoek is een rapport met een conclusie voor wat betreft het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Aan de hand hiervan wordt een advies voor eventuele vervolgstappen geformuleerd. Met het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de vergunningverlening. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, diepteligging, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
In dit kader is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Ook is gebruik gemaakt van de gemeentelijke beleids- en verwachtingskaarten (Alkemade et al., 2009; Brugman et al., 2010; Botman en Benjamins, 2008, Sueur, 2016). Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Lokale amateurs en het bouwarchief zijn niet geraadpleegd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 11.
7
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Veenendaal, Rhenen, Kesteren
Toponiem
N233; Cuneraweg, Rondweg Oost
Gemeente
Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe
Provincie
Utrecht en Gelderland
Kaartblad
39E
Perceelnummer(s)
Diverse percelen
Centrumcoördinaat (RD)
Deelgebied ORV: 167.854 / 447.984 Deelgebied RRR: 167. 800 / 439.732
Oppervlakte plangebied
Deelgebied ORV: circa 63 ha Deelgebied RRR: circa 59 ha Totaal: circa 122 ha
Tracélengte
Deelgebied ORV: circa 3,6 km Deelgebied RRR: circa 2,7 k m Totaal: circa 6,3 km
Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied bestaat uit een deel van het tracé van de N233 tussen Veenendaal en Kesteren. Het plangebied bestaat hierbij uit twee deelgebieden, namelijk deelgebied Oostelijke Rondweg Veenendaal (hierna genoemd deelgebied ORV) en deelgebied Realisatie Rijnbrug Rhenen (hierna genoemd deelgebied RRR):
De noordelijke grens van deelgebied ORV bevindt zich bij de aansluiting op de A12 en de zuidelijke grens van het deelgebied bevindt zich ongeveer 180 m ten zuiden van de rotonde De Smalle Zijde te Veenendaal. Dit tracé beslaat ongeveer 3,6 km. Aan weerszijden van de weg is een zone van ongeveer 50 m breed aangehouden ten behoeve van geplande werkstroken. Hiermee komt het oppervlakte van deelgebied ORV op circa 63 hectare. De noordelijke grens van deelgebied RRR bevindt zich ongeveer 140 m ten noorden van de Grebbeweg te Rhenen en de zuidelijke grens bevindt zich bij de aansluiting op de N320. Dit tracé beslaat ongeveer 2,7 km. Aan weerszijden van de weg is een zone van ongeveer 50 m breed aangehouden ten behoeve van geplande werkstroken. Hiermee komt het oppervlakte van deelgebied RRR op circa 59 hectare. Ter verduidelijking is deelgebied RRR waar nodig in de tekst en figuren nog verder onderverdeeld in een noordelijke en zuidelijke sectie. De noordelijke sectie beslaat het gedeelte van deelgebied RRR ten noorden van de Nederrijn (‘sectie stuwwal’) en de zuidelijke sectie beslaat het gedeelte van deelgebied RRR ten zuiden van de Nederrijn (‘sectie rivierengebied’).
De totale tracélengte van het plangebied is ongeveer 6,3 km. Het plangebied is grotendeels in gebruik als provinciale weg met bermen, maar ook komen percelen weiland voor, evenals sloten, gebouwen en bomen. De ligging van het plangebied en de toponiemen (waar later vaak naar wordt verwezen) zijn weergegeven in figuren 1 en 2 en bijlage 2. 8
Figuur 1. Ligging van het deelgebied Oostelijke Rondweg Veenendaal (ORV) op een topografische kaart. Bron topografische kaart: www.pdok.nl
9
sectie stuwwal
sectie rivierengebied
Figuur 2. Ligging van het deelgebied Realisatie Rijnburg Rhenen (RRR) op een topografische kaart. Bron topografische kaart: www.pdok.nl
10
4. Consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Verbreding N233
Aard bodemverstoringen
Graafwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Onbekend
Verstoringsdiepte
Enkele meters
De N233 in het plangebied zal worden verbreed van 2x1 naar 2x2 rijstroken. Ook zullen fietspaden worden aangelegd. Tevens zullen de kruispunten bij de Wageningselaan en De Smalle Zijde opnieuw worden ingericht (deelgebied ORV). Bij de Prins Clauslaan wordt een ongelijkvloerse kruising gerealiseerd en wordt de N233 verdiept aangelegd (deelgebied ORV). Mogelijk zal bij de Groenpoort een aansluiting worden gerealiseerd (deelgebied ORV). Een voorlopig ontwerp van de plannen is opgenomen in bijlage 3. Ten oosten van de N233, ter hoogte van de Prins Clauslaan, worden tevens werkruimten gebruikt. Aan weerszijden van Rijnbrug zijn ook werkstroken gepland van circa 50 m. Deze zullen tijdens de aanlegfase van de weg worden gebruikt. Met de verbreding van de weg en het opnieuw inrichten van kruisingen vinden graafwerkzaamheden plaats. Het project bevindt zich nu nog in de verkenningsfase, waardoor exacte ontgravingsdieptes nog niet bekend zijn voor de verschillende werkzaamheden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een ontgravingsdiepte van een paar meter. Ter plaatse van de verdiepte ligging bij de Oostelijke Rondweg/Prins Clauslaan zal de ontgraving dieper zijn, maar hoe diep exact is niet bekend. Tevens zullen nieuwe taluds worden opgeworpen. Hoe hoog deze worden is nog niet bekend.
Deze komen in een groot deel van deelgebied RRR en ongeveer 100 m ten noorden van de Neder-Rijn aan weerszijden van de weg. Archeologisch gezien kan een ophogingslaag voor verdrukking van eventuele archeologische waarden in veen en klei zorgen. Tevens kan het opbrengen van een dergelijke laag ervoor zorgen dat bodemlagen van zuurstof worden afgesloten, waardoor verblauwing van grondsporen kan optreden. Deze zullen zodoende tijdelijk vervagen (Huisman et al., 2010). Bestaande brugpeilers in deelgebied RRR blijven behouden.
11
5. Beleidskader Onderzoekskader
M.e.r-procedure en PIP
Beleidskader
Diverse bestemmingsplannen en Erfgoedverordeningen
Onderzoeksgrens
Zie tabellen 1 en 2
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2021 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeentes Veenendaal, Rhenen, Buren en Neder-Betuwe is vastgelegd door middel van verschillende bestemmingsplannen en Erfgoedverordeningen. De relevante Erfgoedverordeningen betreffen die van Veenendaal (2010), Rhenen (2016), Buren (2013) en NederBetuwe (2017). Deze Erfgoedverordeningen zijn gekoppeld aan de archeologische beleidskaarten van de verschillende gemeentes. Deze beleidsadvieskaarten zijn opgenomen in bijlage 4.
Op deze kaarten valt het plangebied in verschillende beleidszones die hieronder per deelgebied zullen worden besproken. Deelgebied ORV Deelgebied ORV valt geheel binnen de gemeente Veenendaal (bijlage 4). Binnen dit deelgebied zijn verschillende archeologische beleidszones aangeduid, namelijk categorie 2 (hoge verwachting buitengebied), categorie 3 (hoge verwachting bebouwd gebied), categorie 5 (lage verwachting) en categorie 6 (geen verwachting). Hieraan zijn in de Erfgoedverordening van de gemeente onderzoekgrenzen gekoppeld, die bepalen wanneer in de planvorming archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De onderzoekgrenzen zijn opgenomen in tabel 1. Wanneer de onderzoekgrenzen overschreden worden, is archeologisch onderzoek in het kader van de vergunningaanvraag noodzakelijk. Omdat met de voorgenomen werkzaamheden in het deelgebied de planregels worden overschreden, is archeologisch onderzoek in het kader van de vergunningaanvraag noodzakelijk. Tabel 1. Onderzoekgrenzen voor deelgebied ORV. Beleidscategorie Onderzoekgrens Categorie 2 Groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm -Mv Categorie 3 Groter dan 5000 m2 en dieper dan 50 cm -Mv Categorie 5 Onderzoekplicht alleen bij m.e.r.-plichtig project Categorie 6 Vrijgesteld van onderzoek Deelgebied RRR Deelgebied RRR valt in de gemeentes Rhenen, Buren en Neder-Betuwe.
Binnen de gemeente Rhenen valt het deelgebied RRR in categorieën 3 (historische lintbebouwing), 4 (hoge archeologische
12
verwachting) en 7 (onbekende archeologische verwachting). De bijbehorende onderzoekgrenzen zijn opgenomen in tabel 2 (Brugman et al., 2010). Binnen gemeente Buren valt deelgebied RRR binnen zones met een verschillende archeologische verwachting, namelijk: hoog, middelhoog en ‘geen verwachting’. Voor zones met een hoge archeologische verwachting geldt volgens de beleidskaart dat archeologische resten ondieper dan 1,5 m -Mv verwacht kunnen worden, of dat de diepteligging ervan onbekend is. De bij de verwachtingszones behorende onderzoekgrenzen zijn opgenomen in tabel 2. Binnen de gemeente Neder-Betuwe valt het gehele plangebied in een Archeologische Verwachtingszone-waarde 3 (gematigde archeologische verwachting). Op een aantal plekken is hierbij aangegeven dat de top van het bodemprofiel al tot 50 cm –Mv is aangetast (zie hiervoor bijlage 4). De bij de verwachtingszones behorende onderzoekgrenzen zijn opgenomen in tabel 2. Omdat met de voorgenomen werkzaamheden in het deelgebied de planregels uit de Erfgoedverordeningen worden overschreden, is archeologisch onderzoek in het kader van de vergunningaanvraag noodzakelijk. Tabel 2. Onderzoekgrenzen voor deelgebied RRR.
Beleidscategorie Onderzoekgrens Rhenen, Beleidscategorie 3 Groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm -Mv Rhenen, Beleidscategorie 4 Groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm -Mv Rhenen, Beleidscategorie 7 Groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm -Mv Buren, hoge verwachting Groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm –Mv Buren, middelhoge verwachting Groter dan 2000 m2 en dieper dan 30 cm -Mv Buren, geen verwachting Geen onderzoek noodzakelijk Neder-Betuwe, waarde 3 Groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm -Mv Neder-Betuwe, waarde 3 aangetast Groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm -Mv
13
6. Landschap, geomorfologie en bodem Deelgebied ORV
Deelgebied RRR
Geologie
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek
Geomorfologie
Maaiveldhoogte Bodem
Grondwatertrap
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (kaartcode 2M53) Dekzandrug (kaartcode 3B53yc) Gordeldekzandwelvingen (kaartcode 3L52yc)
Circa 5 tot 12 m NAP (incl. opgehoogde wegen) Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand (kaartcode zWz-II) Gooreerdgronden (kaartcode pZn21-III) Meerveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm –Mv/ Vlierveengronden op zand zonder humuspodzol (kaartcode zVz-II/Vz-I) Meerveergronden op zand zonder humuspodzol (kaartcode zVz-II) Vlietveengronden (kaartcode Vo-I) Gooreerdgronden (kaartcode pZn21-II) Laarpodzolgronden (kaartcode cHn21-VI en -III) I, II, III, VI
Formatie van Echteld; rivierklei op rivierzand Formatie van Echteld/Formatie van Nieuwkoop; rivierklei en – zand met inschakelingen van veen Gestuwde Pleistocene formaties, veelal rivierzand en -grind Holle weg (kaartcode R91) Stuwwal (kaartcode 14B11) Vlakte ontstaan door afgraving of egalisatie (kaartcode2M93E) Meanderruggen en –geulen (kaartcode 3L42D) Storthopen met grind-, zand-, kleigaten of ijzerkuilen (kaartcode 3L91) Stroomrugglooiing (kaartcode 3H43) Laagte ontstaan door afgraving (kaartcode 3N94 en 4N94) Stroomrug (kaartcode 4B44) Restgeul (kaartcode 22R43) Circa 6 tot 35 m NAP
Bebouwing Ooivaaggronden (kaartcode Rd90A- VII) Poldervaaggronden (kaartcode Rn52AG)
Onbekend en VII
14
Landschap Deelgebieden ORV en RRR liggen in verschillende archeologische landschappen. Deelgebied ORV maakt namelijk deel uit van het Midden-Nederlandse zandgebied (specifiek de Gelderse Vallei), terwijl deelgebied RRR op de overgang van het Midden-Nederlandse zandgebied (stuwwal) naar het MiddenNederlandse rivierengebied ligt (Berendsen, 2005). Meer specifiek ligt deelgebied RRR op de overgang van de stuwwal van de Utrechtse heuvelrug naar het rivierenlandschap van de Rijn (Berendsen, 2005). Hierbij ligt de stuwwal in het noorden van het deelgebied (TNO, 2010). Landschappelijke gradiëntzones zoals deze waren in het verleden aantrekkelijk voor bewoning en andersoortig gebruik. Het stuwwallenlandschap van de Utrechtse heuvelrug is ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 370000 tot 130000 jaar geleden). Tijdens deze koude periode lag er tot in Midden-Nederland landijs. Het landijs stuwde de daar al aanwezige oudere grofzandige rivierafzettingen van de Rijn en Maas voor zich uit. Hierdoor zijn stuwwallen ontstaan. Aan de randen van de stuwwallen komt lokaal verspoeld sediment voor. Dit verspoelde sediment is hier afgezet als gevolg van smeltwaterstromen die ontstonden door het afsmelten van landijs (zogenoemde ‘sandr-afzettingen’; het Laagpakket van Schaarsbergen binnen de Formatie van Drenthe; de Mulder et al., 2003).
In de laatste ijstijd (het Weichselien, circa 120000 tot 10000 jaar geleden) was er geen sprake van de aanwezigheid van landijs. In die periode kende Nederland wel een zeer koud en droog klimaat. Er was als gevolg van het ongunstige klimaat weinig vegetatie aanwezig. Door het ontbreken van vegetatie konden grote hoeveelheden zand worden weggeblazen door de wind. Dit zand werd dan verderop weer afgezet als dekzand. Het dekzand is ook tegen de randen van de stuwwal afgezet, en in de (droog)dalen die deze doorsneden. Deze zanden staan bekend onder de naam ‘gordeldekzanden’ (eveneens Formatie van Boxtel). Ook komen paraboolvormige dekzandruggen voor in de Gelderse Vallei. De dekzandruggen zijn bewoonbaar geweest vanaf de prehistorie (Vos en De Vries, 2015). Met het verbeteren van het klimaat aan het eind van het Weichselien, raakte het dekzand begroeid. Zo werd het dekzandreliëf gedurende het Holoceen (de huidige geologische periode) als het ware “vastgelegd” door de begroeiing. In het zand kon daardoor bodemvorming optreden. In de lage delen van het landschap in de Gelderse Vallei trad veenvorming op onder invloed van kwelwater vanuit de stuwwallen (Berendsen, 2005). Dit is ter plaatse van deelgebied ORV. Volgens Vos (2015) begon de veenvorming in de laagste delen van deelgebied ORV tussen 9000 en 5500 voor Chr. (Mesolithicum).
Rond het Midden-Neolithicum was bijna het gehele plangebied met veen overdekt (Vos, 2015). Daarmee werden de dekzandvlakten in deelgebied ORV het eerst onaantrekkelijk voor bewoning. Kleinschalige dekzandkoppen waren in het Mesolithicum nog wel bewoonbaar, maar raakten in de loop van de tijd ook onder een meerdere meters dikke laag veen begraven (Alkemade et al., 2009). Tijdens het Holoceen waren volgens de stroomgordelkaart van Cohen et al. (2012) ten zuiden van de stuwwal meanderende rivieren aanwezig (bijlage 5). Dit is ter plaatse van deelgebied RRR. De rivieren die het dichtst bij de stuwwal liggen zijn de Nederrijn en de Lek. De Nederrijn was actief vanaf circa 550 v.Chr. (IJzertijd) tot en met het heden en de Lek was actief vanaf ongeveer 75 na Chr. (Romeinse Tijd; Cohen et al., 2012) tot en met het heden. De rivieren hebben het stuwwallenlandschap aangesneden, waardoor de randen van de stuwwallen in het noorden van deelgebied RRR (en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden) plaatselijk geërodeerd kunnen zijn. Door de rivieren vond verder afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen; Stouthamer et al., 2015). Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Deze rivierafzettingen werden afgewisseld met veen.
15
In het centrale gedeelte van deelgebied RRR komen de Werkhoven en Herveld stroomgordel voor en in het zuiden ervan eveneens de Nederrijn en ook de Mars-Oude Rijn (bijlage 5). De Werkhoven stroomgordel was actief tussen ongeveer 4350 en 2950 voor Chr. (Neolithicum). De Herveld stroomgordel was actief tussen ongeveer 3550 en 280 voor Chr. (Neolithicum-IJzertijd). De NederrijnRhenen-WijkbD ligt in het uiterste zuiden van deelgebied RRR en was actief tussen ongeveer 4400 voor Chr. en 1250 na Chr. (Neolithicum-Late-Middeleeuwen). De Mars-Oude Rijn in het uiterste zuiden van deelgebied RRR was actief tussen 1250 en 1600 na Chr. (Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd; Cohen et al., 2012). De locaties van de stroomgordels zijn opgenomen in bijlage 5. De genoemde stroomgordels liggen deels over elkaar heen en hebben elkaar daarbij mogelijk ook deels geërodeerd. Archeologisch gezien vormden de oeverwallen van een rivier een aantrekkelijke vestigingsplaats voor (pre-)historische samenlevingen in het rivierengebied. Dit heeft mede te maken met de relatief hogere ligging in het landschap en de nabijheid van transportmogelijkheden en vis- en vers drinkwater. Ook op het moment dat een rivier inactief werd, bleef deze als hoger gelegen rug in het landschap achter door differentiële klink. Dit bood eveneens mogelijkheden voor bewoning in het over het algemeen vochtig en laag gelegen rivierenlandschap.
Zanddiepte rivierengebied Op de zanddieptekaart van Cohen et al. (2009) is de diepteligging van de top van het beddingzand weergeven (bijlage 6). Deze wordt bekeken om een indicatie te krijgen van de diepteligging van de oeverafzettingen, die boven de beddingafzettingen verwacht worden. Hieruit blijkt dat:
De top van het beddingzand in de uiterwaarden van de Nederrijn tussen 1 en 3 m –Mv verwacht wordt. De top van het pleistocene zand er direct naast wordt tussen 6 en 7 m –Mv verwacht.
De Werkhoven en Herveld stroomgordels zijn op de zanddieptekaart niet goed weergeven; waar deze volgens Cohen et al., (2012) aanwezig zijn, karteert de zanddieptekaart géén beddinggordels van meanderende rivieren. In plaats daarvan verwacht de zanddieptekaart alleen pleistoceen zand, waarvan de top tussen 5 en 6 m –Mv verwacht wordt. Echter, boringen uit het Dinoloket laten wel degelijk beddingzand van meanderende rivieren zien ter plaatse van de stroomgordels zoals Cohen et al., (2012) ze karteert. Volgens een boring van het Dinoloket ligt de top van het beddingzand ter plaatse van de Werkhoven en Herveld stroomgordels rond een diepte van 2,2 m –Mv (4,7m NAP; boring B39E1039, www.dinoloket.nl). De zanddieptekaart van Cohen et al., (2009) klopt hier dus niet. De top van het beddingzand van de stroomgordels ten zuiden van de Hogeweg ligt volgens Cohen et al. (2009) binnen 1 m –Mv of tussen 1 en 2 m –Mv. Alleen ter plaatse van restgeulen wordt de top van het beddingzand dieper verwacht, namelijk tussen 2 en 3 m –Mv.
Bovenop de beddingafzettingen worden de oeverafzettingen verwacht, die in het verleden aantrekkelijke bewoningslocaties vormden. Geomorfologie en maaiveldhoogte Deelgebied ORV Op de geomorfologische kaart zijn de landschappelijke verschillen tussen beide deelgebieden goed te zien (bijlage 7). In deelgebied ORV komen hierop grotendeels vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden voor (kaartcode 2M53; Maas et al., 2017). Plaatselijk komt een dekzandrug voor (kaartcode 3B53yc). Het uiterste zuiden van deelgebied OVR ligt op gordeldekzandwelvingen (kaartcode 3L52yc). Die welvingen liggen direct tegen de flank van de stuwwal. Een deel van het deelgebied is niet gekarteerd door de ligging in de bebouwde kom.
16
De natuurlijke maaiveldhoogte van deelgebied ORV varieert van ongeveer 5,0 tot 7,2 m +NAP. De maaiveldhoogte is het laagst globaal tussen de Wageningselaan en de Prins Clauslaan. Hier trad volgens Vos (2015) ook het eerst veenvorming op. Richting de stuwwal neemt de maaiveldhoogte toe. De dekzandrug rond de Spitsbergenweg is op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) herkenbaar door de hogere ligging van het maaiveld (bijlage 8). Ter plaatse van de dekzandrug is de maaiveldhoogte namelijk ongeveer 6,0 m +NAP, en direct ernaast ongeveer 5,4 m +NAP. Archeologisch gezien vormen de gordeldekzandwelvingen (tegen de stuwwal aan) en de dekzandruggen (rond Spitsbergenweg) de aantrekkelijkste locaties binnen deelgebied ORV, aangezien deze hoger en droger lagen dan de vlaktes die in de loop van de tijd met veen overdekt raakten (Alkemade et al., 2009). De N233 ligt in deelgebied ORV grotendeels hoger dan de omgeving. Het gaat hierbij om hoogteverschillen van 1 à 1,5 m ten opzichte van de maaiveldhoogte direct naast de weg. Dit is het geval tussen de Wageningselaan en de A12. Richting de A12 nemen de hoogteverschillen tussen de weg en de natuurlijke maaiveldhoogte toe vanwege de aansluiting op de A12. Op het hoogste punt ligt het wegdek rond de 12,0 m +NAP (hoogteverschil van 6 m). Ten zuiden van de Wageningselaan ligt de weg niet hoger dan zijn omgeving.
Wel valt op dat het gehele industrieterrein tussen de Wageningselaan en De Smalle Zijde hoger ligt dan het gebied direct ten noorden ervan. Dit hangt vermoedelijk samen met de aanwezigheid van gordeldekzandwelvingen in de ondergrond en het afgraven van veen ten noorden van de Wageningselaan. Direct ten oosten van het industrieterrein is de maaiveldhoogte namelijk even hoog als in het industrieterrein, en ogen de verschillen in maaiveldhoogte natuurlijk. Uit enkele boringen uit het Dinoloket in de omgeving van het plangebied valt niet af te leiden of het industrieterrein is opgehoogd (boring B39E2009, B39E2195, B391904, B39E2015; www.dinoloket.nl). Wel valt op dat ten zuiden van de Wageningselaan tot 2 m –Mv alleen zand aanwezig is, en direct ten noorden daarvan tot 2 m –Mv alleen veen. Deelgebied RRR Ten noorden van de Nederrijn ligt deelgebied RRR op een stuwwal (kaartcode 14B11; bijlage 7). De huidige N233 is een holle weg (kaartcode R91; Maas et al., 2017). Op het AHN is te zien dat weg ter plaatse van de stuwwal inderdaad lager ligt dan direct er naast (bijlage 8). De maaiveldhoogte van de weg betreft ongeveer 20,5 m +NAP, terwijl die er direct naast rond 30,0 m +NAP ligt. Dit betekent dat de weg in het noorden van deelgebied RRR minstens tot 9,5 m is ingegraven.
Naar het zuiden toe neemt de hoogte van de stuwwal af, waardoor de hoogteverschillen tussen de weg en het natuurlijke maaiveld afnemen naar ongeveer 4,5 m (bijlage 14). Dit is van belang omdat met zulke diepe afgravingen ook archeologische vondsten verdwijnen. De uiterwaarden direct tegen de stuwwal aan zijn gekarteerd als vlakte ontstaan door afgraving of egalisatie (kaartcode 2M93E). Aan de zuidkant van de Nederrijn zijn de uiterwaarden gekarteerd als storthopen met grind-, zand-, kleigaten of ijzerkuilen (kaartcode 3L91). Verder zijn in het rivierengedeelte van deelgebied RRR meanderruggen en –geulen (kaartcode 3L42D), laagtes ontstaan door afgraving (kaartcode 3N94 en 4N94), stroomruggen (kaartcode 4B44), stroomrugglooiingen (kaartcode 3H43 en een restgeul (kaartcode 22R43) aanwezig. Hiervan zijn de stroomruggen archeologisch gezien het meest interessant, omdat deze het hoogst in het rivierenlandschap lagen en daardoor aantrekkelijk voor bewoning waren. Ook bij de stroomrugglooiingen worden oeverafzettingen verwacht die aantrekkelijk voor bewoning waren, al zullen de oeverafzettingen hier lager liggen omdat de stroomgordel waartoe ze behoren daar niet in de ondergrond aanwezig is.
Verder van de rivier af zijn de oeverwallen lager, en daarnaast klonk de bodem onder de oeverwallen door het ontbreken van beddingzand verder in, waardoor ze ten opzichte van de beddinggordel nog lager kwamen te liggen. Hierdoor vormen de oeverwallen boven op de stroomgordels aantrekkelijkere bewoningsplaatsen dan de oeverwallen die verder van de rivier aflagen. Ten slotte kunnen ook in 17
restgeulen nog archeologische resten aanwezig zijn. De stroomgordels zijn door hun hogere ligging van het maaiveld op het AHN herkenbaar (bijlage 8). Ter plaatse van de binnendijkse stroomgordels is de maaiveldhoogte ongeveer 7,0 m +NAP, terwijl die er naast ongeveer 6,4 m +NAP is. In de uiterwaarden van de Nederrijn betreft de hoogte van het maaiveld ongeveer 8,0 m +NAP. Verder zijn in deelgebied RRR in de uiterwaarden een aantal laagtes te zien die zeer waarschijnlijk zijn ontstaan door afgraving. Dit geldt ook voor de waterpartij die ten zuiden van de splitsing van de N233 met de N320-direct ten zuiden van de Hogeweg- te zien is. Bodem en grondwatertrap Deelgebied ORV In het zuiden van deelgebied ORV komen laarpodzolgronden (kaartcode cHn21-VI en –III) en gooreerdgronden voor (kaartcode pZn21-II en –III; bijlage 9). In het centrale deel liggen verder meerveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm –Mv (kaartcode zVZ-II), meerveengronden op zand zonder humuspodzol (kaartcode zVz-II), vlierveengronden op zand zonder humuspodzol (kaartcode Vz-I), vlietveengronden (kaartcode Vo-I) en moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand (kaartcode zWZ-II) voor. Ter plaatse van de dekzandrug in het noorden van deelgebied ORV komen gooreerdgronden voor.
Voor een beschrijving van de verschillende bodemtypes wordt verwezen naar De Bakker (1966). Vanuit archeologisch oogpunt kan vanuit de bodemtypologie worden opgemaakt dat het dekzand in de Gelderse Vallei vrij snel is vernat. Podzolbodems onder het veen ontbreken hier. De laarpodzolgronden zijn vanuit archeologische optiek de meest interessante bodemtypes. Deze bodems zijn afgedekt door een dun – door de mens aangelegd - plaggendek (maximaal 30 cm). Hierdoor kunnen mogelijk archeologische vondsten en/of sporen zijn beschermd tegen latere bodemingrepen. Tevens duidt de aanwezigheid van podzolgronden erop dat de bodem ten zuiden van de Wageningselaan droog genoeg voor bewoning is geweest. De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele onverbrande organische archeologische resten (zoals bot, hout en leer) in het plangebied. Boven de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand treden namelijk schommelingen in de grondwaterstand op, waardoor oxidatie van organische vondsten kan optreden. De grondwatertrap wordt – gezien de codering die is opgenomen in de bodemkaart - lager richting het centrale gedeelte van deelgebied ORV. Dit betekent dat de bodem daar natter wordt (grondwatertrappen I en II).
Ter hoogte van dit relatief natte deel van het deelgebied kunnen onverbrande organische resten op basis van de grondwaterstand beneden 80 cm –Mv goed geconserveerd zijn. Boven het grondwaterniveau zijn organische resten vermoedelijk gedegradeerd onder invloed van een schommelend vochtgehalte. Ter plaatse van de hoger gelegen zandgronden (geïsoleerde dekzandruggen, gordeldekzanden) komen grondwatertrappen van III ven VI voor. Die grondwatertrappen duiden op relatief droge gronden. Dit betekent dat binnen 120 cm –Mv eventuele organische resten vermoedelijk gedegradeerd zijn. Anorganische vondsten zoals aardewerk en (vuur)steen kunnen wel bewaard zijn gebleven. Deelgebied RRR Het bodemtype in het noorden van het plangebied is niet gekarteerd door de aanwezige bebouwing. In de uiterwaarden komen poldervaaggronden voor (kaartcode Rn52AG; bijlage 9). Ten zuiden van de Marsdijk komen ooivaaggronden voor (kaartcode Rd90A-VII). Ooivaaggronden komen vaak voor op oeverwallen en zijn tot op grote diepte homogeen bruin gekleurd (De Bakker en Schelling, 1989). Voor gedetailleerde beschrijving van de verschillende bodemtypes wordt verwezen naar De Bakker (1966).
18
In de bebouwde kom en uiterwaarden van deelgebied RRR is de grondwatertrap niet gekarteerd. Ten zuiden van de Marsdijk is de grondwatertrap VII. Dit zijn relatief droge gronden. Een grondwatertrap van VII betekent dat binnen 120 cm –Mv onverbrande organische resten vermoedelijk gedegradeerd zijn. Anorganische resten kunnen wel bewaard zijn gebleven binnen 120 cm –Mv.
19
7. Archeologische verwachtingen en bekende waarden Wettelijk beschermde monumenten
Nee
AMK-terreinen
Nee
Archeologische waarden
Binnen deelgebied ORV: vondst uit de Nieuwe Tijd Binnen deelgebied RRR: vondsten uit de Bronstijd, IJzertijdRomeinse Tijd en Late-Middeleeuwen.
Archeologische verwachtingen deelgebied ORV Deelgebied ORV valt in verschillende archeologische verwachtingszones op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Veenendaal (bijlage 4). De verwachtingszones zijn gebaseerd op de landschappelijke ligging, de bodemopbouw en eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (Alkemade et al., 2009). Voor het noorden van het deelgebied heerst grotendeels geen verwachting dat archeologische resten aanwezig zijn. Dit deel is vrijgesteld van archeologisch onderzoek vanwege een negatief selectiebesluit van het bevoegd gezag op basis van verricht onderzoek of een vastgestelde verstoring (Alkemade et al., 2009). Ter hoogte van de Grebbeweg –die zich tussen de Prins Clauslaan en Wageningselaan bevindt- is een strookvormige zone met een hoge archeologische verwachting vastgesteld. Deze hangt gezien de vorm samen met een historische structuur (de Bisschop Davidsgrift, waarlangs bewoning plaatsvond buiten het plangebied. Ten zuiden hiervan, tussen de Wageningselaan en De Smalle Zijde komt nog een smalle strook met een hoge archeologische verwachting voor, direct ten oosten van de bestaande weg. Het is onbekend waar de archeologische verwachting voor dit terrein op gebaseerd is. Op de cultuurhistorische kenmerkenkaart van de gemeente Veenendaal is hier geen historische structuur aangegeven (bijlage 12).
De zuidelijke helft van deelgebied ORV heeft grotendeels een lage archeologische verwachting vanwege de lage ligging (bijlage 4). Hier komen wel twee zones met een hoge archeologische verwachting voor, die vermoedelijk samen hangen met een relatief hogere ligging van het maaiveld ter plaatse. Archeologische verwachtingen deelgebied RRR Deelgebied RRR valt in de gemeentes Rhenen, Buren en Neder-Betuwe. Binnen de gemeente Rhenen valt deelgebied RRR in verschillende zones, namelijk een zone met historische lintbebouwing (Grebbeweg), een zone met een hoge archeologische verwachting en een zone met een onbekende archeologische verwachting (bijlage 4). De hoge archeologische verwachting is hier gebaseerd op de bodemkaart en de geomorfologische kaart (Brugman et al., 2010). Dat is hier het voorkomen van de stuwwal met relatief droge podzolgronden. De onbekende archeologische verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van bebouwing. Hierdoor is het niet mogelijk een blik in de bodem te werpen. Ten zuiden van de Nederrijn valt deelgebied RRR in de gemeente Buren en Neder-Betuwe. Binnen de gemeente Buren valt het deelgebied binnen zones met een hoge, middelhoge en geen archeologische verwachting. De zone zonder archeologische verwachting is gebaseerd op de verwachte verstoringen, die gebaseerd zijn op het AHN en de geomorfologische kaart (Botman en Benjamins, 2008).
De zone met een hoge archeologische verwachting is gebaseerd op de stroomgordels in de ondergrond. Ter plaatse van de Herveld stroomgordel geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode prehistorie-Romeinse Tijd. Ter plaatse van deze en de overige binnendijkse stroomgordels geldt eveneens een hoge archeologische verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd (Botman en Benjamins, 2008). Volgens de beleidskaart ligt het beddingzand binnen 1,5 m –Mv hier. In de uiterwaarden van de Nederrijn geldt de middelhoge archeologische verwachting omdat hier ook oeverafzettingen aanwezig kunnen zijn.
20
Het deel van deelgebied RRR dat in de gemeente Neder-Betuwe ligt, ligt in zijn geheel in een zone met een gematigde archeologische verwachting. Deze zone is gebaseerd op de aanwezigheid van stroomgordels in de ondergrond (Sueur, 2016), omdat oeverwallen van stroomgordels aantrekkelijke bewoningsplaatsen vormden. De reden om met de actualisatie van de beleidskaart de archeologische verwachting ter plaatse de stroomgordels in het plangebied naar beneden bij te stellen van hoog naar middelhoog is discutabel. Dit zou samen hangen met het feit dat de stroomgordels buitendijks liggen, waardoor vele vindplaatsen al weggespoeld of zwaar geërodeerd zouden zijn door rivierwerking. Op het AHN zijn de stroomgordels echter nog duidelijk herkenbaar door hun hogere ligging van het maaiveld, waardoor het zeer te betwijfelen valt of alles hier wel is weggespoeld. Plaatselijk is op de beleidskaart aangegeven dat zones al afgraven zijn tot 50 cm –Mv (bijlage 4). Ook deze zones zijn niet op het AHN3 herkenbaar als afgegraven zones (bijlage 10). Bekende waarden Door bekende archeologische vondsten en/of sporen te inventariseren en de aangetroffen vindplaatsen te karakteriseren en typeren, wordt inzicht verkregen in de aard en de uiterlijke kenmerken van mogelijke vindplaatsen in het plangebied.
Daar de typering van vindplaatsen sterk afhankelijk is van de situering in het oude landschap, is in het volgende op basis van landschappelijke vormeenheden een onderscheid gemaakt. In bijlage 11 zijn de archeologische gegevens in de directe omgeving van het plangebied ruimtelijk-geografisch weergegeven. De omschrijvingen van onderzoeken en vindplaatsen in de directe omgeving, evenals (waar mogelijk) de typering en datering worden hieronder besproken. Bekende waarden binnen deelgebied ORV Deelgebied ORV heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 11). Binnen het deelgebied ORV is één vondstmelding bekend (vondsmelding 3282155100; bijlage 11). Deze bevindt zich nabij de Spitsbergerweg. Het betreft een snorrebotje (speelgoed) van lood uit de Midden-Nieuwe Tijd die met een metaaldetector is aangetroffen. Verder hebben binnen deelgebied ORV enkel een archeologische quickscan (onderzoeksmelding 2244407100) en een archeologische begeleiding (onderzoeksmelding 2089925100) plaatsgevonden. De quickscan is uitgevoerd aan de Grebbeweg in verband met de aanleg van parkeerplaatsen en natuurontwikkeling. De quickscan is niet beschikbaar in Archis3 en DansEasy.
Het bureauonderzoek beslaat een gebied rondom de Prins Clauslaan en Spitsbergenweg. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de geplande nieuwbouw in Dragonder-Oost. Op basis van het vooronderzoek werd verwacht dat het gebied in het overgangsgebied van een dekzandrug naar een dekzandvlakte lag. Tijdens de begeleiding bleek dat de top van het dekzand verstoord was geraakt als gevolg van veenwinning in de 16e en 17e eeuw. Tijdens de archeologische begeleiding zijn geen archeologische resten aangetroffen (Schiltmans, 2002). Bekende waarden in de omgeving van deelgebied ORV Binnen een straal van 500 m van het deelgebied ORV zijn zeven archeologische vondstmeldingen bekend. Vijf van de zeven vondstmeldingen betreffen vondsten die door middel van een metaaldetector zijn gedaan. De vondsten worden van noord naar zuid besproken:
Op een dekzandrug ongeveer 500 m ten noorden van deelgebied ORV (toponiem: Binnenweg, De Klomp), zijn twee vuurstenen voorwerpen uit het Mesolithicum aangetroffen (vondstmelding
21
3214422100). Ze zijn aangetroffen tijdens een veldkartering. Het betreffen vondsten die aan het maaiveld zijn gedaan. Aan de Dragonder in Veenendaal is een bronzen fibula uit de Vroege-Middeleeuwen aangetroffen (vondstmelding 3034724100). De vondst is gedaan ongeveer 330 ten oosten van het plangebied met behulp van een metaaldetector. De diepteligging van de vondst is niet bekend. Volgens de geomorfologische kaart zijn hier dekzandvlakten aanwezig.
Aan de Spitsbergerweg is een brandweerpenning uit de 18 e eeuw aangetroffen (vondstmelding 3278105100). Deze is gevonden door middel van metaaldetectie, ongeveer 100 m ten oosten van het plangebied. Ongeveer 400 m ten oosten van het plangebied aan deze weg, is een lakenlood aangetroffen uit de Vroege tot Midden Nieuwe tijd (vondstmelding 3281718100).
Aan de Erasmusstraat 8 in Veenendaal is een dierlijk gebitselement uit de Middeleeuwen -MiddenNieuwe Tijd aangetroffen (vondstmelding 3995337100). Dit is ongeveer 65 m ten westen van het plangebied.
Aan de Prins Clauslaan ongeveer 450 m ten westen van het plangebied is een loden muntgewicht uit de Vroege Nieuwe Tijd aangetroffen (vondstmelding 3281297100). Aan de Wageningse Laan in Veenendaal is een koperen munt uit de Midden-Romeinse Tijd A aangetroffen (vondstmelding 3147217100). De vondst is gedaan bij het afgraven van een voormalig voetbalveld ten zuiden van de Wageningse Laan. Het is onbekend of de vondst is gedaan in grond die van elders is aangevoerd of in situ is aangetroffen (bron: Archis3).
Verder hebben in de omgeving van deelgebied ORV nog een aantal onderzoeken plaatsgevonden. Relevante informatie hieruit wordt hieronder besproken: Aan de Benedeneind 23 te Veenendaal is een vooronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2198295100). Dit onderzoek valt buiten de zone met een hoge archeologische verwachting op de gemeentelijke beleidskaart van Veenendaal. Tijdens het veldonderzoek is een ophogingspakket aangetroffen bestaande uit zand met veenbrokjes, recent puin, baksteen en glas. Deze is tot 105 à 130 cm –Mv aanwezig. Hieronder is veen op dekzand aangetroffen. In één boring de top van het veen veraard. De top van het dekzand is rond 140 à 180 cm –Mv aangetroffen. Hierin zijn geen podzolprofielen aangetroffen. Het dekzand was vermoedelijk te nat voor (rietwortelresten aangetroffen). Ook zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen (Boemaars en Bex, 2008). Aan de Grebbeweg ongeveer 110 m ten westen van het plangebied is een vooronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2299220100). Deze valt in een hoge archeologische verwachtingszone op de gemeentelijke verwachtingskaart van Veenendaal. Met een metaaldetector zijn diverse vondsten uit de Nieuwe Tijd gedaan, en verder tegels, een fles, een dakpan uit de Nieuwe Tijd en een fragment aardewerk uit de Middeleeuwen.
In de top van het verspoelde dekzand zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming waargenomen (top tussen 3,1 en 4,0 m +NAP). Boven het dekzand is veen aangetroffen van 60 tot 160 cm dik. In één boring was de top hiervan veraard. Hierboven is een 20 tot 50 cm dik pakket opgebracht zand aanwezig (Kok, 2011).
Ten zuiden van de Buurtlaan Oost, ongeveer 200 m ten oosten van deelgebied ORV is een vooronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2447394100). De resultaten van dit onderzoek zijn niet gepubliceerd in Archis3 en DansEasy. Ook de resultaten van het vooronderzoek aan de Middelbuurtseweg te Veenendaal zijn niet gepubliceerd (onderzoeksmelding 2231358100).
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied tot nu toe alleen vondsten uit de Nieuwe Tijd bekend zijn. De overige vondsten uit de Nieuwe Tijd zijn niet te correleren aan de landschappelijke ondergrond, nog aan het historische zone rondom de Bisschop Davidsgrift (zone met een hoge archeologische verwachting). Verder zijn op dekzandruggen in de omgeving vondsten aangetroffen uit het Mesolithicum. De dekzandvlakten in de omgeving waren ter plaatse van 22
de besproken onderzoeken te nat voor podzolering en daarmee waarschijnlijk ook voor bewoning. De hogere gordeldekzanden in het zuiden van deelgebied ORV zijn theoretisch wel aantrekkelijk voor bewoning geweest, maar in de omgeving zijn hierop nog geen archeologische vondsten bekend. Een reden hiervoor kan zijn is dat hier nog nauwelijks archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Bekende waarden binnen deelgebied RRR Deelgebied RRR heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 11). Binnen deelgebied RRR zijn drie vondstmeldingen bekend. Aan de Cuneralaan in Rhenen zijn in de stort van een bouwput voor een woning, direct grenzend aan het talud van de Rijnbrug, vondsten gedaan (vondstmelding 3247155100). Er zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd-Romeinse Tijd en een wikkeldraad uit de Vroege-Bronstijd aangetroffen. Inspectie van de bouwput zelf was niet meer mogelijk. De complextypen van de vondsten zijn niet bekend. De andere vondstmeldingen zijn gedaan op de stroomgordel Nederrijn-Rhenen-WijkbijD.