15. Bijlage 13 Bijlage 10 bij BP - Nader Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
Kenmerk
R018-1271416HLB-V02-rlk-NL
7 Conclusie In het plangebied Ringweg-oost Veenendaal komen beschermde soorten voor. In het kader van het uitgevoerde nader onderzoek is het plangebied opgedeeld in een noordelijk- en zuidelijk deel. De scheiding van de deelgebieden ligt op de rotonde van de Prins Clauslaan en de N233. Voor een aantal soorten geldt dat er niet in alle maanden van het jaar kan worden gewerkt of gestart met werken. Tevens is een ontheffing van de Wnb noodzakelijk en een activiteitenplan met daarin een uitwerking van de maatregelen om effecten zo veel mogelijk te voorkomen. Een overzicht van de locatie van beschermde functies is weergegeven in figuur 7.1. Grondgebonden zoogdieren Van das, wild zwijn, boommarter, bunzing (vrijgesteld) en hermelijn (vrijgesteld) zijn geen beschermde functies in het plangebied aanwezig of is het voorkomen van de soort uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Van wezel en egel zijn waarnemingen bekend en verblijfplaatsen aanwezig, deze soorten zijn vrijgesteld. Voor deze soorten is daarom geen ontheffing nodig, maar zijn wel maatregelen nodig m.b.t. de zorgplicht, zie onderdeel zorgplicht. In het plangebied zijn verblijfplaatsen aanwezig van steenmarter. Het gaat om de locaties zoals aangegeven in figuur 7.1. Het voornemen heeft een negatief effect op essentiële gebruiksfuncties van het leefgebied van steenmarter.
Het rooien van struweel vernietigt verblijfplaatsen van steenmarter. Ontheffing is nodig voor het rooien van het struweel voor de steenmarter. Ontheffing wordt alleen verleend als voldoende maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen. Deze maatregelen moeten worden uitgewerkt in een activiteitenplan. Een van de maatregelen is bijvoorbeeld het werken buiten de kwetsbare periode van steenmarter (werken van oktober tot maart). Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd. Deze proceduretijd bedraagt maximaal 13 weken met een maximale verlenging van 7 weken. Vogels met een jaarrond beschermd nest In het plangebied is één jaarrond beschermd nest aangetroffen. Het gaat om een sperwernest ten oosten van de N233 ter hoogte van hectometer 3.6 en 3.7. Ten oosten van het oostelijke tankstation is op 100 meter afstand een ooievaarsnest aanwezig. Negatieve effecten op het ooievaarsnest zijn uitgesloten wegens de afstand tot het plangebied. De werkzaamheden kunnen verstorend werken op het sperwernestnest, dit betreft een overtreding van Wnb artikel 3.1 lid 4. Afhankelijk van de werkzaamheden wordt mogelijk de nestboom gekapt. Als de nestboom wordt gekapt is dit een overtreding van de Wnb artikel 3.1 lid 2. In dit geval is het nodig om ontheffing te verkrijgen.
35/39
Kenmerk
R018-1271416HLB-V02-rlk-NL
Verstoring van een actief nest dient voorkomen te worden door een verstoringsvrije zone aan te houden van 70 meter rondom het nest. Dit is nodig in de maanden maart tot en met september Binnen deze zone mogen geen werkzaamheden plaatsvinden die niet in het heersende verkeersbeeld vallen. Bij de kap van het nest is het nodig om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, het verlies van verblijfplaatsen dient mogelijk gecompenseerd te worden. maatregelen dienen te worden opgenomen in een mitigatieplan. Vleermuizen In en rondom het plangebied zijn in totaal vijf vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Het gaat om vliegroutes van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden komen binnen de invloedsfeer van het voornemen niet voor, negatieve effecten hierop zijn uitgesloten. Het verbreden van de weg en de mogelijke verwijdering van vegetatie aan de oostzijde van de weg (noordelijk deel) kan een groot effect hebben op de functionaliteit van de vliegroutes. Het uitvoeren van de voorgestelde ontwikkeling is een overtreding van de Wnb. artikel 3.5 lid 2. Voor het uitvoeren van de ontwikkeling is een ontheffing nodig. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen, hiervoor dienen mitigerende maatregelen te worden opgenomen in een mitigatieplan.
Hierbij kan worden gedacht aan aangepaste verlichting, aanplanten van lijn vormige beplanting en geleidende structuren over de verbreedde N233. Daarnaast dienen de mitigerende maatregelen functioneel te zijn als de werkzaamheden beginnen. Negatieve effecten door de realisatie hiervan of van de verbreding kunnen worden voorkomen door te werken buiten de actieve periode van vleermuizen, er kan gewerkt worden in de periode van december tot en met februari, of door de vliegroute donker te houden. Amfibieën Heikikker is niet aangetroffen tijdens het nader onderzoek, de aanwezigheid van heikikker is uitgesloten. Poelkikker is in het noordelijke deel aangetroffen tijdens het onderzoek naar vleermuizen, naar poelkikker is geen nader onderzoek uitgevoerd. In het noordelijk deel zijn negatieve effecten op poelkikker niet uitgesloten omdat er voortplantingswater en overwinteringshabitat van de soort binnen het plangebied ligt. In het zuidelijk deel vallen de beschermde functies van poelkikker buiten de invloedsfeer van het voornemen, hier zijn negatieve effecten uitgesloten. Als in het noordelijk deel werkzaamheden plaatsvinden aan de watergang of het struweel is dit een overtreding van Wnb. artikel 3.10 lid 1b. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten zo veel mogelijk te beperken.
Hierbij moet gedacht worden aan het werken buiten kwetsbare perioden en in een langzaam tempo de graafwerkzaamheden uitvoeren. In voortplantingswateren kan worden gewerkt van half september tot maart. In landhabitat kan worden gewerkt in de periode half april tot half oktober (Bij12, 2017d). Deze maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een activiteitenplan.
36/39
Kenmerk
R018-1271416HLB-V02-rlk-NL
Algemene broedvogels Voor de werkzaamheden geldt dat tijdens de aanlegfase rekening gehouden dient te worden met algemene broedvogels. In de maanden maart tot en met augustus is het ten zeerste af te raden om werkzaamheden uit te voeren. In de tussenliggende periode (september), of als toch tijdens het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Als tijdens deze broedvogelcontrole een broedgeval aanwezig blijkt, dient gewerkt te worden met een verstoringsvrije zone totdat het nest verlaten is. Zowel de broedvogelcontrole als de bepaling van de verstoringsvrije zone moeten door een ter zake kundige ecoloog uitgevoerd worden. Hoewel in de regel tussen oktober en februari gewerkt kan worden zonder nesten te verstoren dient wel ten alle tijden rekening gehouden te worden met broedvogels. Als tijdens de werkzaamheden een broedgeval wordt ontdekt, dienen de werkzaamheden onmiddellijk gestaakt te worden. Daarna moet in overleg met een ecoloog bepaald worden of en welke verstoringsvrije zone aangehouden moet worden. Sleedoornpage Op de grondwal langs het Binnenveld is veel sleedoorn aanwezig. Mogelijk gebruikt de sleedoornpage deze bomen als afzetplek voor haar eitjes. Het verwijderen van sleedoorns die als waardplant voor sleedoornpage worden gebruikt, is een overtreding van de Wnb. Hiervoor is een ontheffing nodig.
Overtreding van de Wnb kan worden voorkomen door de sleedoorns in de winter te onderzoeken op eitjes van de sleedoornpage. Indien deze ontzien kunnen worden dan is er geen ontheffing nodig. Als deze worden verwijderd dan is een ontheffing en het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk waaronder aanplant van jonge sleedoorn (verouderde sleedoorn met weinig jonge uitlopers zijn meestal ongeschikt voor sleedoornpage). Maatregelen zorgplicht Egel en wezel komen voor in de struwelen ten oosten van de N233 (zuidelijk deel). In het kader van de zorgplicht zijn maatregelen nodig. Verstoring van een overwinterverblijfplaats van egel en een verblijfplaats van wezel kan worden voorkomen door te werken buiten de kwetsbare periode van de twee soorten. Werken in september tot en met half maart (voor wezel) en de vegetatie buiten kwetsbare periode verwijderen voor egel (verwijderen in half mei tot en met half november). Na het verwijderen van de vegetatie buiten de kwetsbare periode is geen geschikt leefgebied aanwezig voor egel. Pas na het verwijderen van de vegetatie buiten de kwetsbare periode mogen werkzaamheden doorgang vinden. Het Valleikanaal en de brede faunastrook aan de zuidwestoever (onder de N233) zijn van belang als verbindingszone voor vis, watervogels en kleine grondgebonden zoogdieren.
Het project tast deze verbinding niet fysiek aan maar tijdens de werkzaamheden dient verstoring zo veel als mogelijk voorkomen te worden.
37/39
Kenmerk
R018-1271416HLB-V02-rlk-NL
Figuur 7.1 Locaties beschermde functies plangebied Rondweg-oost Veenendaal
38/39
Kenmerk
R018-1271416HLB-V02-rlk-NL
8 Literatuur Bij12, 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus, versie 1.0 juli 2017. Bij12, 2017b. Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0 juli 2017. Bij12, 2017c. Kennisdocument rosse vleermuis Nyctalus noctula versie 1.0 juli 2017. Bij12, 2017d. Kennisdocument poelkikker, Rana lessonae, versie 1.0 2017. TAUW, 2020. Achtergrondrapport natuur, N233 Rondweg Veenendaal-Oost en Rijnbrug Rhenen d.d. 9 april 2020. Rapportage met kenmerk R001-1271416AIH-V02-nda. TAUW, 2020. MER Rondweg-Oost Veenendaal d.d. 2 oktober 2020, rapportage met kenmerk R014-1271416LVR-V02-pws-NL. Websites: NDFF, 2020. www.ndff.nl Geraadpleegd op 19 oktober 2020.
39/39