CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

15. Bijlage 13 Bijlage 10 bij BP - Nader Ecologisch onderzoek

Raadscommissie 6 december 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Aansluiting Groenpoort, Veenendaal-oost10.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nader ecologisch onderzoek N233 Veenendaal Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming 16 december 2020

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Verantwoording Titel

Nader ecologisch onderzoek N233 Veenendaal

Opdrachtgever

Provincie Utrecht

Projectleider

Bart van Genugten

Auteur(s)

Harm Bolle

Tweede lezer

Adrie van Hooff

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Jeroen Nagtegaal e.a.

Projectnummer

1271416

Aantal pagina’s

39

Datum

16 december 2020

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2

Doel .................................................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Huidige situatie en beoogde ontwikkeling ................................................................................. 6 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 6

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8

Verwachte functies en wetgeving ............................................................................................ 10 3.1

Verwachte soorten en functies ......................................................................................... 10

3.2

Wetgeving ........................................................................................................................ 10

Methode................................................................................................................................... 12 4.1

5

Resultaten ............................................................................................................................... 17 5.1

6

Methode ........................................................................................................................... 12

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 17

5.1.1

Steenmarter .............................................................................................................. 18

5.1.2

Egel en wezel ............................................................................................................ 19

5.1.3

Wild zwijn en das ...................................................................................................... 20

5.1.4

Bunzing, hermelijn, boommarter ............................................................................... 20

5.2

Vogels met een jaarrond beschermd nest ....................................................................... 21

5.3

Vleermuizen ..................................................................................................................... 23

5.4

Amfibieën ......................................................................................................................... 27

5.4.1

Heikikker ................................................................................................................... 27

5.4.2

Poelkikker.................................................................................................................. 27

5.5

Algemene vogels .............................................................................................................. 27

5.6

Sleedoornpage ................................................................................................................. 28

Effectbepaling .......................................................................................................................... 29 6.1

Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 29

6.1.1

Steenmarter .............................................................................................................. 29

6.1.2

Zorgplicht: egel en wezel .......................................................................................... 29

6.1.3

Das, wild zwijn, boommarter, bunzing en hermelijn .................................................. 29

3/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

6.2

Vogels met een jaarrond beschermd nest ....................................................................... 30

6.3

Vleermuizen ..................................................................................................................... 30

6.4

Amfibieën ......................................................................................................................... 31

6.5

Algemene broedvogels .................................................................................................... 31

6.6

Sleedoornpage ................................................................................................................. 32

6.7

Mitigerende maatregelen en aanbevelingen .................................................................... 32

6.7.1

Maatregelen steenmarter (wettelijk verplicht) ........................................................... 32

6.7.2

Maatregelen vleermuizen (wettelijk verplicht) ........................................................... 32

6.7.3

Maatregelen poelkikker (wettelijk verplicht) .............................................................. 32

6.7.4

Maatregelen sleedoornpage (wettelijk verplicht) ....................................................... 33

6.7.5

Aanbeveling: faunavoorziening ................................................................................. 33

6.7.6

Aanbeveling Japanse duizendknoop ........................................................................ 34

7

Conclusie ................................................................................................................................. 35

8

Literatuur ................................................................................................................................. 39

4/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de aanleiding en het doel van het onderzoek.

1.1

Aanleiding

De provincie Utrecht en provincie Gelderland streven naar een goede bereikbaarheid van de regio’s Food Valley en Rivierenland. De provinciale weg N233 vormt een belangrijke schakel in deze bereikbaarheid. De N233 is een gebiedsontsluitingsweg die de A12 bij Veenendaal verbindt met de A15 bij Ochten. Onderweg vormt de N233 een directe verbinding tussen de woonplaatsen Veenendaal, Rhenen, Kesteren en Ochten. Daarnaast vervult de N233 een belangrijke rol in de onderlinge verbinding met omliggende woonkernen, o.a. Wageningen. Door toename in het aantal verkeersbewegingen komt de doorstroming op de N233 steeds verder onder druk te staan. Om de bereikbaarheid van bovengenoemde regio’s en woonplaatsen te waarborgen, zijn de provincie Utrecht en Gelderland voornemens om twee deeltrajecten van de N233 te verbreden van 2x1 naar 2x2 rijstroken. Het betreft het deeltraject Rondweg-Oost Veenendaal (Utrecht) en het traject bij de Rijnbrug Rhenen (Utrecht en Gelderland). Ten behoeve van de verbreding van de N233 op de twee trajecten zijn door de provincie Utrecht (voor het traject Rijnbrug Rhenen in samenwerking met de provincie Gelderland) twee projecten opgestart. Voor beide projecten dient afzonderlijk onderbouwd te worden in hoeverre de beoogde ontwikkelingen uitvoerbaar zijn in het kader van de natuurwetgeving.

De beoogde ontwikkelingen kunnen alleen plaatsvinden als de voorgenomen ingrepen niet in strijd zijn met het onderdeel Soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Onderliggend rapport gaat in op het nader ecologisch onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten in de omgeving van het deeltraject N233 Rondweg-Oost Veenendaal (hierna: plangebied)

1.2

Doel

In opdracht van de Provincie Utrecht heeft TAUW in de periode maart tot en met september 2020 nader ecologisch onderzoek uitgevoerd om het voorkomen van beschermde soorten te onderzoeken. In de rapportage volgt antwoord op de volgende vragen: • • •

Komen er beschermde soorten voor in (de omgeving van) het plangebied? Vormt het plangebied (essentieel) functioneel leefgebied voor beschermde soorten? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wnb?

• •

Zijn er maatregelen en/of een ontheffing in het kader van Wnb nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

5/39

Kenmerk

1.3

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 behandeld de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Daarop volgt een beschrijving van de wetgeving en onderzoeksmethoden in hoofdstuk 3 en 4. Hoofdstuk 5 beschrijft de resultaten. Op basis van de effectbepaling in hoofdstuk 6 wordt aangegeven of er een ontheffing in het kader van het onderdeel Soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming nodig is, en welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of tot een minimum te beperken. De conclusies en vervolgstappen zijn in hoofdstuk 7 samengevat.

2 Huidige situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie en beoogde ontwikkeling in het plangebied.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het betreft het provinciale weg N233 tussen Veenendaal en op-/afrit 23A op de A12. Figuur 2.2 geeft een globale impressie van het plangebied en de omgeving. De omgeving bestaat uit bebouwing, infrastructuur, weilanden en natuurgebieden. Het Valleikanaal die de N233 kruist, vormt een ecologische verbinding voor vis, watervogels en kleine grondgebonden zoogdieren. Aan de zuidwestoever ligt onder de N233 een brede faunastrook. De weg is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg, maar heeft in de praktijk een essentiële functie als regionale verbindingsweg. De N233 bij Veenendaal is van belang voor lokaal verkeer tussen Rhenen, Veenendaal en omliggende plaatsen, maar tevens een onmiskenbare schakel in het regionale wegennet van de regio’s Rivierenland en Food Valley.

6/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied

7/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 2.2 Impressie van (de omgeving van) het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

De provincies Utrecht en Gelderland zijn voornemens om de N233 bij de Rondweg-Oost Veenendaal te verbreden van 2x1 naar 2x2 rijstroken. De uitbreiding vindt plaats aan de oostzijde van de N223. In het zuidelijk deel van het plangebied ligt hier een aarden geluidswal, deze blijft behouden. De vegetatie die hier op staat wordt mogelijk wel gerooid. De voornaamste knelpunten in de doorstroming op de Rondweg-Oost Veenendaal zijn de kruisingen met de Prins Clauslaan en Wageningselaan en het wegvak tussen de Wageningselaan en de A12. De verkeersintensiteit op de kruising met de Prins Clauslaan en de Van Essenlaan zal de komende jaren nog verder toenemen, als gevolg van de ontwikkeling van Veenendaal-Oost. De rotonde met de Prins Clauslaan/Van Essenlaan wordt een ongelijkvloerse kruising. De doorgaande route N233 ligt laag en het lokale kruisende verkeer kan uitvoegen naar boven toe richting de rotonde. Daarnaast wordt een reconstructie uitgevoerd van de kruisingen bij de Wageningselaan (en buiten het onderzoeksgebied de Smalle Zijde) waarbij de rotondes worden vervangen door kruispunten met verkeerslichten. De aan te passen wegdelen en kruispunten van de N233 zijn globaal weergegeven in figuur 2.3. Voor het uitvoeren van het nader onderzoek is het deelaspect opgedeeld in een noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied.

De grens van het noordelijk en zuidelijk deel ligt op de Prins Clauslaan.

8/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 2.3 Beoogde ontwikkeling bij de Rondweg-Oost Veenendaal

9/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

3 Verwachte functies en wetgeving 3.1

Verwachte soorten en functies

In februari 2020 heeft TAUW een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten te bepalen. Het onderzoek wijst uit dat de omgeving van het plangebied mogelijk van belang is als leefgebied voor verschillende beschermde soorten. Langs het gehele traject is geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels aanwezig. De bomen langs het wegtraject zijn bovendien potentieel geschikt als broedlocatie voor roofvogels waarvan het nest een jaarrond beschermde status heeft. Daarnaast kunnen in de grote en oude bomen holtes aanwezig zijn die functioneren als verblijfplaats voor vleermuizen. De bomenrijen in de directe omgeving van de N223 en het talud kunnen dienen als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. De bosjes en struwelen hebben een mogelijke functie als leefgebied voor de boommarter en steenmarter. De weteringen aan de oostzijde van de rondweg zijn mogelijk geschikt als voorplantingshabitat van heikikker. Het gaat om de weteringen ten zuiden van de Prins Clauslaan. De aanwezigheid van poelkikker is niet verwacht in voorgaande onderzoeken, deze soort is echter wel aangetroffen en beschreven in deze rapportage. De struwelen kunnen als geschikt landhabitat dienen voor aanwezige amfibieën.

Tenslotte is tijdens het nader onderzoek geconstateerd dat locaties met sleedoorn aanwezig is, hierdoor is de aanwezigheid van de beschermde vlindersoort sleedoorpage evenmin uitgesloten.

3.2

Wetgeving

In deze rapportage vindt toetsing plaats aan de Wnb. De Wnb gaat uit van het voorzorgsbeginsel en stelt dat een overtreding van verbodsbepalingen met zekerheid is uitgesloten. Uitsluitsel is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens en bij afwezigheid van beschermde soorten. Bij het aanvragen van een eventuele ontheffing dient de aanwezigheid van de betreffende soort echter aangetoond te worden. Hierbij geldt een ‘omgekeerde bewijslast’ waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt. Het beschermingsregime van de Wnb gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat het verboden is deze soorten te doden of vangen, te storen of verstoren en onder zicht te hebben of te vervoeren. Daarnaast geldt dat het verboden is voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Als uit het nader onderzoek blijkt dat negatieve effecten niet te voorkomen zijn, en dat het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk is, zal een ontheffing aangevraagd moeten worden. De vogels die gebruik kunnen maken van een jaarrond beschermd nest zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. De soorten heikikker en poelkikker zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wnb. De soorten steenmarter en boommarter zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb, voor deze soorten geldt daarom geen verbod op verstoring.

Voor enkele soorten beschermd onder artikel 3.10 Wnb geldt In de provincie Utrecht een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, hieronder vallen bijvoorbeeld bunzing, wezel en hermelijn. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht.

10/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

De eventueel benodigde mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) mitigatieplan. Deze mitigerende maatregelen vormen de basis van een ontheffingsaanvraag. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. De mitigerende maatregelen dienen te worden getroffen om de functionaliteit van het gebied voor de mogelijk voorkomende beschermde soorten en de staat van instandhouding van de soorten te garanderen. Indien de mitigerende maatregelen voldoende worden geacht, wordt de ontheffing verleend. Aanvullend kan bevoegd gezag specifieke voorschriften aan het voornemen stellen.

11/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

4 Methode In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verwachte soorten en functies van het plangebied voor deze soorten. Vervolgens wordt de uitvoering van het veldonderzoek toegelicht.

4.1

Methode

Marterachtige Het veldwerk is uitgevoerd volgens de handreiking kleine marters (Zoogdiervereniging, 2017). Gezien het relatief grote oppervlakte van het struweel zijn er zes cameravallen geplaatst, zie figuur 4.1. Er zijn reguliere cameravallen en struikrovers toegepast. Een struikrover is een specifiek detectiesysteem om kleine zoogdieren te detecteren met behulp van een inloopbuis en cameraval. Met een reguliere cameraval kunnen vooral de grotere soorten zoogdieren worden vastgesteld zoals bunzing, steenmarter en boommarter. Bij de cameravallen is lokvoer aangebracht door het achterlaten van blikjes sardines. De soorten zijn onderzocht in een periode van zeven weken welke in de meest actieve periode van steenmarter en boommarter viel. De ecoloog heeft het plangebied op drie momenten bezocht. Tijdens het eerste bezoek zijn de camera’s geplaatst, het tweede bezoek diende voor de verwisseling van batterijen en geheugenkaarten, tijdens het derde bezoek zijn de camera’s opgehaald. Na het tweede en derde veldbezoek zijn de foto’s die op de camera’s zijn genomen geanalyseerd. Bij het bezoeken van de cameravallen bleek dat één cameraval niet heeft gefunctioneerd. Deze cameraval stond samen met een andere cameraval in een aaneengesloten bosschages. Om deze reden is het zeker dat ondanks de defecte cameraval er een goed beeld is van de voorkomende soorten.

In tabel 4.1 is een overzicht van de veldwerkbezoeken weergegeven. Tabel 4.1 Overzicht bezoeken marterachtigen Datum

Tijdstip

Soort

Ecologen

Weer

8 juni 2020

n.v.t

Marterachtigen

B. Rijksen

n.v.t

1 juli 2020

n.v.t

Marterachtige

B. Rijksen

n.v.t

29 juli

n.v.t

Marterachtige

B. Rijksen

n.v.t

12/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 4.1 Locatie cameravallen met nummer langs Rondweg-oost Veenendaal

Jaarrond beschermde nesten Jaarrond beschermde nesten komen mogelijk voor in de bomen in de directe omgeving van de Rondweg-Oost Veenendaal. Om deze reden is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van deze nesten. Het onderzoek is gestart met een nadere schouw van het plangebied waarbij potentieel jaarrond beschermde nesten in kaart zijn gebracht. Tijdens de nestencontrole zijn in het noordelijke deel van het plangebied een aantal ekster en zwarte kraainesten aangetroffen. Deze nesten zijn mogelijk geschikt voor ransuil. Om de aanwezigheid van ransuil nesten te onderzoeken zijn drie bezoeken gebracht. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de veldwerkbezoeken voor ransuil.

13/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

In het zuidelijke deel van het plangebied zijn tijdens de nestencontrole in het zuidelijke deel van het plangebied een aantal nesten aangetroffen. Het gaat om eksternesten en zwarte kraai nesten Het eksternest is geschikt als jaarrond beschermd nest voor ransuil, deze is samen onderzocht met het ransuil onderzoek van het noordelijke deel. Tijdens het uitvoeren van de nestencontrole en het eerste onderzoek naar de functionaliteit van deze nesten bleek dat de eksternesten en zwarte kraainesten ongeschikt waren voor boomvalk en buizerd. Om deze reden zijn na de eerste bezoeken (24 maart en 11 mei 2020) geen nadere onderzoeken uitgevoerd naar boomvalk en buizerd. Een overzicht van de veldbezoeken is opgenomen in tabel 4.2. Figuur 4.2 geeft de locaties aan van de onderzochte nesten. Onderzoek naar ransuil zijn zoveel als mogelijk conform BMP-methode van SOVON uitgevoerd en de kennisdocumenten van BIJ12. Geïnventariseerd wordt of en hoe deze soorten het plangebied gebruiken. Dit onderzoek richt zich op het waarnemen van individuen en paartjes in broedbiotoop en op gedrag dat een territorium of nest indiceert. Tabel 4.2 Overzicht veldbezoeken voor jaarrond beschermde nesten Datum

Tijdstip

Soort

Ecologen

Weer

24 maart 2020

9:00 – 15:00

Nest controle Jaarr.

B. Rijksen

Onbewolkt (<10%), droog, 13

beschermde nesten 27 april 2020

21:30 – 23:30

Ransuil

graden, Bft. 3 J. Lidster

Half bewolkt, (60%), droog, 16 graden Bft. 1

11 mei 2020

19:30 – 21:30

Buizerd en

J. Lidster

Half bewolkt, (50%), droog, 10

boomvalk

graden Bft. 3

11 mei 2020

21:30 – 23:30

Ransuil

J. Lidster

Half bewolkt, (50%), droog, 8

8 juni 2020

14:17

Sperwer

B. Rijksen

Half bewolkt (50%), enkele

graden Bft. 2

buien, 14 graden, Bft. 3 10 juni 2020

22:00 – 23:30

Ransuil

J. Lidster

Bewolkt (90%), droog, 17 graden, Bft. 1

14/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 4.2 Locaties van de nader onderzochte nesten langs het tracé van de Rondweg-Oost Veenendaal

Heikikker en poelkikker De weteringen aan de oostzijde van de Rondweg-Oost Veenendaal zijn onderzocht op het voorkomen van heikikker en poelkikker. Het gaat alleen om het zuidelijke deel van de RondwegOost Veenendaal, ten zuiden van de rotonde bij de Prins Clauslaan. In totaal zijn 4 veldbezoeken gebracht om de potentiële aanwezigheid van heikikker te onderzoeken. Het onderzoek naar heikikker is uitgevoerd door op vier avonden te luisteren naar kooractiviteit in de periode van eind februari tot begin april. De bezoeken vinden ’s avonds plaats op relatief warme vochtige avonden, of na vochtige dagen na een periode van droogte. Tabel 4.3 geeft een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken.

15/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Tabel 4.3 Overzicht veldbezoeken heikikker Datum

Tijdstip

Soort

Ecologen

Weer

18 maart 2020

9:00 – 12:00

Heikikker

J. Lidster

Onbewolkt (<10%), droog, 15

24 maart 2020

9:00 – 15:00

Heikikker

B. Rijksen

Onbewolkt (<10%), droog, 13

graden, Bft.2

graden, Bft. 3 5 april 2020

19:15 - 21:45

Heikikker

J. Lidster

8 april 2020

20:00 – 22:30

Heikikker

J. Lidster

Onbewolkt (<10%), droog, 20 – 17 graden Bft. 1 Onbewolkt (<10%), droog, 20 – 17 graden Bft. 1

Vleermuizen De bomenrijen in de directe omgeving van de N223 en het talud kunnen dienen als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. De bomen zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Op 24 maart 2020 is een holtecontrole uitgevoerd van de bomen langs het tracé, hieruit bleek dat er geen geschikte holten of scheuren aanwezig zijn voor vleermuizen. Er is enkel onderzoek nodig naar vliegroutes en foerageergebieden. Hiervoor zijn in totaal 4 bezoeken uitgevoerd, twee voor het noordelijk deel en twee voor het zuidelijk deel van het plangebied. Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2017 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2017). Dit is gedaan met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur (Petterson M500). Om vliegroutes en foerageergebieden in kaart te brengen zijn vier ervaren ecologen per veldbezoek ingezet. Per deelgebied hebben vier ecologen hier gelopen, gepost en gekeken naar vleermuisactiviteit en gedrag. In totaal zijn vier bezoeken gebracht aan de twee deelgebieden in de juni 2020.

Meerdere bezoeken zijn nodig, omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen met bijbehorende foerageergebieden en routes tussen deze plekken. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. In tabel 4.4 zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en niet te veel wind.

16/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Tabel 4.4 Overzicht veldbezoeken vleermuizen Datum

Tijdstip

Soort

Ecologen

Weer

24 maart 2020

9:00 – 15:00

Holte controle

B. Rijksen

Onbewolkt (<10%), droog, 13

16 april 2020

20:30 – 23:00

Vleermuizen

J. Lidster, D. Doodeman, N.

Onbewolkt (<10%), droog, 14

Warmelink, H. Bolle, J.

graden Bft. 2

graden, Bft. 3

Stofberg 21 april 2020

23 juni 2020

26 juni 2020

20:30 – 23:30

22:00 – 00:30

22:00 – 00:30

Vleermuizen

Vleermuizen

Vleermuizen

J. Lidster, D. Doodeman, H.

Onbewolkt (<10%), droog, 15

Bolle, N. Rutjes, D. Smits

graden Bft. 1

J. Lidster, D. Doodeman, H.

Onbewolkt (<10%), droog, 18

Bolle, N. Rutjes

graden Bft. 4

J. Lidster, D. Doodeman, H.

Onbewolkt (<10%), droog, 21

Bolle, N. Rutjes, K.

graden Bft. 1

Wonders

5 Resultaten In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het nader ecologisch onderzoek soort(groep) beschreven. Daaropvolgend zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling bepaald.

5.1

Grondgebonden zoogdieren

In tabel 5.1 zijn de resultaten van het onderzoek met cameravallen en struikrovers weergegeven. Per camera is aangegeven welke beschermde soorten zijn aangetroffen door middel van de cameraval, er is een onderscheid gemaakt in het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied. Naast de waarnemingen weergegeven in tabel 5.1 zijn op beide cameravallen nog waarnemingen gedaan van diverse vogelsoorten, huiskat, egel (enkel in het zuidelijke gedeelte) en diverse algemene muissoorten. Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkeling vrijstelling, de aanwezigheid van deze soorten is daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Een aantal foto’s van het nader onderzoek zijn opgenomen in figuur 5.1.

17/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Tabel 5.1 Waarnemingen van cameravallen in het plangebied Camera

Deelgebied

Datum

Tijdstip

Soort

Cameraval 44

Noord

10 juni 2020

01:25

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

11 juni 2020

09:31

Ree

Cameraval 44

Noord

16 juni 2020

02:04

Wild zwijn

Cameraval 44

Noord

1 juli 2020

23:24

Wild zwijn

Cameraval 44

Noord

2 juli 2020

00:35

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

4 juli 2020

00:33

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

5 juli 2020

23:16

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

20 juli 2020

22:30

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

24 juli 2020

23:05

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

25 juli 2020

11:20

Ree

Cameraval 44

Noord

25 juli 2020

22:00

Steenmarter

Cameraval 44

Noord

27 juli 2020

00:51

Steenmarter

Struikrover 27

Noord

9 juli 2020

04:49

Steenmarter

Struikrover 27

Noord

12 juli 2020

00:46

Ree

Struikrover 27

Noord

12 juli 2020

05:18

Steenmarter

Struikrover 27

Noord

21 juli 2020

06:09

Sperwer

Cameraval 6

Zuid

4 juli 2020

00:24

Steenmarter

Cameraval 6

Zuid

21 juli 2020

03:05

Steenmarter

Cameraval 6

Zuid

21 juli 2020

04:17

Steenmarter

Struikrover 26

Zuid

19 juni 2020

04:21

Wild zwijn

Struikrover 26

Zuid

8 juli 2020

23:42

Steenmarter

Struikrover 28

Zuid

20 juli 2020

14:29

Wezel

Struikrover 28

Zuid

20 juli 2020

14:57

Wezel

Struikrover 28

Zuid

21 juli 2020

08:52

Wezel

Struikrover 28

Zuid

28 juli 2020

20:58

Wezel

Struikrover 28

Zuid

29 juli 2020

09:02

Wezel

Struikrover 28

Zuid

29 juli 2020

10:34

Wezel

5.1.1

Steenmarter

Van steenmarter zijn waarnemingen gedaan in het noordelijk en zuidelijke deel van het plangebied, verspreid over de maanden juni en juli. Steenmarter is een cultuur volgende soort en heeft zijn verblijfplaatsen vaak in kruipruimtes, zolders of spouwmuren. Echter ook takkenhopen en dichte struwelen zijn geschikte verblijfplaatsen voor steenmarter. Op vrijwel alle onderzochte locaties in het plangebied is steenmarter aangetroffen.

18/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Op de locaties in het zuidelijke deel zijn steenmarter verblijfplaatsen niet uitgesloten omdat er voldoende dekking is door het dichte struweel. Daarnaast zijn waarschijnlijk takkenhopen aanwezig die ook als verblijfplaats kunnen dienen. Een territorium van steenmarter bedraagt 80 – 700 hectare afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. In het zuidelijke deel is door het achterliggende Binnenveld en de omgeving hiervan ruimte voor één tot twee maximaal territoria van steenmarter. Er wordt uitgegaan van twee verblijfplaatsen van steenmarter in het plangebied. Op de locaties langs het noordelijke deel waar steenmarter is waargenomen is gedeeltelijk onvoldoende dekking aanwezig om als verblijfplaats voor steenmarter te dienen. Het noordelijke deel van het onderzochte gebied heeft wel voldoende dekking in de vorm van dicht struweel. Voor ongeveer de helft van het onderzochte gebied in het noordelijk deel zijn verblijfplaatsen van steenmarter niet uitgesloten. Hier is gezien de geringe oppervlakte van het gebied sprake van één territorium met één verblijfplaats. In het zuidelijk deel zijn verblijfplaatsen van steenmarter in het geheel onderzochte gebied niet uitgesloten, figuur 5.2 geeft deze locaties aan. De aanwezigheid van steenmarter betekent dat de soort het plangebied gebruikt als foerageergebied.

In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig zoals de gebieden Binnenveld en de Groene Grens. Om deze reden is er in het plangebied geen sprake van essentieel foerageergebied voor steenmarter. 5.1.2 Egel en wezel Egel en wezel zijn in Utrecht vrijgesteld, voor deze soorten is geen ontheffing nodig. Vanuit voorzorg worden deze soorten wel toegelicht in deze paragraaf. Egel is eenmaal waargenomen op 6 augustus 2020 (camera 26), in het zuidelijk deel van het plangebied. In de struwelen in het zuidelijk deel zijn verblijfplaatsen van egel niet uitgesloten. Hierbij gaat het ook om overwinteringsplekken van egel. Van wezel zijn meerdere waarnemingen gedaan in het zuidelijke deel van het plangebied, verspreid over de maand juli. In het noordelijke deel is wezel niet waargenomen. Aan de hand van de waarnemingen die zijn gedaan zijn mogelijk verblijfplaatsen van wezel aanwezig in het zuidelijke deel van het plangebied. In het noordelijke deel zijn verblijfplaatsen van wezel uitgesloten door het ontbreken van waarnemingen. Het vaststellen van verblijfplaatsen van wezel (en kleine marterachtigen) is erg moeilijk, het struweel is potentieel geschikt als verblijfplaats voor wezel door de aanwezigheid van dekkende begroeiing en muizenholen. Om deze reden is niet uit te sluiten dat verblijfplaatsen van wezel aanwezig zijn in het plangebied.

Figuur 5.2 geeft de locatie aan van de verblijfplaatsen van wezel. Hoewel wezel alleen in waargenomen in het meest zuidelijke struweel (bij de Wageningselaan) wordt ook het struweel 120 meter ten noorden hiervan gezien als verblijfplaats van wezel. Dit is door de geringe afstand tussen de struwelen en omdat één camera defect was waardoor de aanwezigheid van wezel kan zijn gemist. De aanwezigheid van wezel betekent dat de soort het plangebied gebruikt als foerageergebied. In de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig zoals het gebied Binnenveld. Om deze reden is er in het plangebied geen sprake van essentieel foerageergebied voor wezel.

19/39

Kenmerk

5.1.3

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Wild zwijn en das

Van wild zwijn zijn waarnemingen gedaan in het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied. Van das is in het zuidelijke deel tussen de twee struwelen mogelijk een wissel aangetroffen over een lengte van circa 30 meter. Het is niet volledig duidelijk of de aangetroffen wissel van das of vos is, de aangetroffen wissel lijkt dood te lopen aan beide kanten. Er zijn in het plangebied geen burchten, vluchtpijpen of een lang doorlopende wissel van das aangetroffen. In het plangebied zijn geen essentiële functies voor wild zwijn of das aanwezig, in de directe omgeving is voldoende leefgebied aanwezig in de vorm van akkers, struwelen en de gebieden Binnenveld en de Groene Grens.

Figuur 5.1 Met de klok mee, waarnemingen van steenmarter, wezel, sperwer en (snuit van)wild zwijn

5.1.4 Bunzing, hermelijn, boommarter Bunzing en hermelijn zijn vrijgesteld in de provincie Utrecht, boommarter niet. Van deze drie soorten zijn geen waarnemingen gedaan in het plangebied. Om deze reden is de aanwezigheid van en negatieve effecten op beschermde functies van deze drie soorten uitgesloten.

20/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 5.2 Locaties verblijfplaatsen steenmarter en wezel in het noordelijk deel (boven) en zuidelijk deel (beneden) van het plangebied

5.2

Vogels met een jaarrond beschermd nest

In de vijf ekster- of zwarte kraai nesten die door het plangebied verspreid zijn (zie figuur 5.3), is geen ransuil aangetroffen. Tijdens het vleermuisonderzoek is tweemaal een overvliegende ransuil waargenomen in het noordelijk deel van het plangebied. Deze vertoonde geen binding met het plangebied. Er zijn geen essentiële functies van ransuil aangetroffen. De vijf ekster- zwarte kraai nesten zijn niet jaarrond beschermd.

21/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Op één locatie in het zuidelijke deel van het plangebied is tijdens een controle van de cameravallen op 8 juni 2020 een sperwernest aangetroffen. Deze bevindt zich ten oosten van de N233 tussen hectometerpaal 3.6 en 3.7. Bij het naderen van het nest vloog de mannetjes sperwer luid alarmerend weg. Het nest was erg verborgen en om deze reden niet geconstateerd tijdens de nestencontrole op 24 maart 2020. De inhoud van het nest was niet te controleren. Gezien de aanwezigheid van een alarmerende sperwer kan niet worden uitgesloten dat het nest in gebruik is. Het nest moet worden gezien als een jaarrond beschermd nest. De waarneming van sperwer op de cameraval ( op 21 juni 2020) in het noordelijke deel is indicatie dat er sprake is van foerageergebied. Dit is niet essentieel gezien er in de directe omgeving voldoende weilanden, struwelen, ruigte en bosschages aanwezig zijn. Ten oosten van het plangebied is op 26 juni een ooievaarsnest aangetroffen. Dit vermoedelijk actieve nest bevindt zich buiten de invloedsfeer van het voornemen, op circa 100 meter ten oosten van het tankstation, figuur 5.3 geeft de jaarrond beschermde nesten op kaart aan.

Figuur 5.3 Locaties ooievaarsnest, sperwernest en nesten die niet jaarrond beschermd zijn

22/39

Kenmerk

5.3

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Vleermuizen

Tijdens de vleermuisbezoeken zijn meerdere waarnemingen gedaan van vleermuizen. De resultaten voor het noordelijk en zuidelijk deel apart behandeld. Op 24 maart zijn de bomen in het plangebied onderzocht op het voorkomen van holten, kieren en los schors. Er zijn tijdens deze controle geen geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen aangetroffen in het plangebied. Door de afwezigheid van gebouwen in het plangebied zijn ook verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is uitgevoerd langs de N223 op locaties waar groenstructuren parallel of haaks op de weg aanwezig waren. Op overige locaties zijn vliegroutes van vleermuizen in een eerder stadium uitgesloten. Onderstaand zijn de resultaten beschreven. Noordelijk deel plangebied Het plangebied is onderzocht vanaf de Spitsbergenweg tot aan de Grote Beer. Tijdens het onderzoek op 21 april 2020 zijn twee vliegroutes over de N223 waargenomen. Het gaat om een vliegroute ter hoogte van de Grote Beer, hier zijn 11 gewone dwergvleermuizen waargenomen die de N233 overvlogen en richting het westen vlogen. Ter hoogte van de Spitsbergenweg zijn 87 gewone dwergvleermuizen waargenomen die over het geluidscherm vlogen richting de bomenrij aan het verlengde van de Spitsbergenweg.

Langs de groenstructuren ten oosten van de N233 zijn 3 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen die het grootste gedeelte van het bezoek aanwezig waren. Op de overige delen zijn slechts incidenteel waarnemingen gedaan van overvliegende gewone dwergvleermuizen. Tijdens het onderzoek op 26 juni 2020 zijn twee vliegroutes over de N223 en één parallel aan de oostkant waargenomen. Het gaat om de vliegroutes ter hoogte van de Grote Beer en de Spitsbergenweg. Bij de Grote Beer staken 40 gewone dwergvleermuizen de weg over (25 richting oost, 15 richting west). Bij de Spitsbergenweg staken 165 gewone dwergvleermuizen, 4 laatvliegers en 3 rosse vleermuizen de N233 over. Ten oosten van de N233, aan de Spitsbergenweg ligt een brede wetering, deze wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuizen. Boven de sportvelden ten westen van de N233 zijn tijdens het eerste uur van het onderzoek 4 foeragerende rosse vleermuizen waargenomen. Ten noorden van het tankstation is langs de bomenrij aan de oostzijde van de N233 een ook vliegroute waargenomen. Hier zijn 15 gewone dwergvleermuizen en 6 laatvliegers aangetroffen die richting het zuiden vlogen om voor het tankstation af te buigen richting het oosten. Tabel 5.2 geeft een overzicht van de waarnemingen.

23/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Tabel 5.2 Overzicht waarnemingen vleermuizen in noordelijk deel plangebied Onderzoek

Locatie

Soort

Aantal

Oriëntatie

21 april 2020

De Grote Beer

Gewone dwergvleermuis

11

Over N233 richting oost

21 april 2020

Spitsbergenweg

Gewone dwergvleermuis

87

Over N233 richting oost

21 april 2020

Parallel aan oostzijde N233

Gewone dwergvleermuis

15

Richting zuid, voor tankstation naar oost

26 juni 2020

De Grote Beer

Gewone dwergvleermuis

40

Over N233 richting oost,

Laatvlieger

20

Over N233 richting oost

Gewone dwergvleermuis

165

Over N233 richting oost

Laatvlieger

4

Rosse vleermuis

3

Rosse vleermuis

4

Boven sportveld

Richting zuid, voor

ook 15 richting west.

26 juni 2020

26 juni 2020

Spitsbergenweg

Sportvelden ten westen N233

foeragerend

26 juni 2020

Parallel aan oostzijde N233

Laatvlieger

6

26 juni 2020

Parallel aan oostzijde N233

Myotis (spec)

1

tankstation naar oost Richting onbekend

ten noorden van tankplaats

Zuidelijk deel plangebied Het plangebied is onderzocht vanaf de weg Benedeneind tot aan de Wageningselaan. Tijdens het onderzoek op 16 april 2020 zijn langs de weg Benedeneind 7 gewone dwergvleermuizen en 2 laatvliegers waargenomen met een onbekende vliegrichting, vermoedelijk naar het zuiden. De vleermuizen vlogen aan beide zijden van de N223. Tijdens de rest van het onderzoek zijn circa 10 gewone dwergvleermuizen waargenomen die aan beide zijden van de N223 foerageerden, met name boven de weilanden ten zuidwesten en noordoosten van de kruising Benedeneind/N223. Over het valleikanaal zijn geen vleermuizen waargenomen. De sloot parallel ten westen van de N223 kende veel activiteit van 10 foeragerende gewone dwergvleermuizen. Na verloop van tijd staken 10 – 15 gewone dwergvleermuizen de N223 richting het westen over langs de groenstructuren net ten zuiden van de Grebbeweg. Enkele gingen ook weer terug naar het oosten. Aan de oostzijde van de N233 gebruikte enkelen gewone dwergvleermuizen de aarden wal als foerageergebied. Tijdens het onderzoek was voornamelijk veel activiteit langs de sloot ten westen van de N233. Tijdens het onderzoek op 23 juni 2020 konden slechts 4 van de vijf delen worden bezocht. het noordelijke deel van de oostelijke berm was niet bereikbaar door zeer hoge begroeiing.

Desondanks is een goed beeld verkregen van de vleermuisactiviteit gezien de westelijke berm wel toegankelijk was. Rondom de weg Benedeneind zijn gedurende het onderzoek 4 rosse vleermuizen, 2 gewone dwergvleermuizen waargenomen die overvlogen zonder een duidelijke vliegrichting. Later op de avond zijn circa 4 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen bij de oost-wetering ten noorden van het Valleikanaal.

24/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Ter hoogte van de Grebbenweg zijn in de loop van de avond 25 gewone dwergvleermuizen en 6 laatvliegers waargenomen die de N233 overvlogen richting het oosten. Circa 110 meter ten noorden van (het middelpunt van) de rotonde van de Wageningselaan zijn 18 gewone dwergvleermuizen, 2 rosse vleermuizen en 1 laatvlieger waargenomen die de N233 overstaken richting het oosten. Deze oversteekplek ligt ongeveer in de lijn van de hoogspanningsmasten aldaar. Op de overige plekken van het plangebied zijn sporadisch enkele (3) foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tabel 5.3 geeft een overzicht van de waarnemingen. Tabel 5.3 Overzicht waarnemingen vleermuizen in zuidelijk deel plangebied Onderzoek

Locatie

Soort

Aantal

Oriëntatie

16 april 2020

Benedeneind

Gewone dwergvleermuis

7

Diffuus, mogelijk richting zuid

Laatvlieger

2

16 april 2020

Wetering ten westen N233

Gewone dwergvleermuis

10

Foeragerend over wetering

16 april 2020

Grebbeweg

Gewone dwergvleermuis

10 – 15

Over N233 richting oost

16 april 2020

Wal aan oostzijde N233

Gewone dwergvleermuis

4

Foeragerend langs geluidswal

23 juni 2020

Benedeneind

Gewone dwergvleermuis

2

Diffuus, richting onbekend

Rosse vleermuis

4

Gewone dwergvleermuis

4

Foeragerend boven water

Gewone dwergvleermuis

25

Over N233 richting oost

Laatvlieger

6

Gewone dwergvleermuis

18

Rosse vleermuis

2

Laatvlieger

1

23 juni 2020

Sloot ten oosten N233, ten

23 juni 2020

Grebbenweg

noorden van Valleikanaal

23 juni 2020

Hoogspanning lijn

Over N233 richting oost

Essentiële functies vleermuizen Tijdens de bezoeken zijn in zowel het noorden als het zuiden foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, het ging echter om relatief lage aantallen (3 - 5 individuen). Gelet op de lage aantallen en omdat in de omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, is er geen sprake is van essentieel foerageergebied. Gezien de aantal waargenomen vleermuizen tijdens de twee bezoeken zijn er vijf essentiële vliegroutes aanwezig. Figuur 5.4 geeft een ligging van de vliegroutes aan op kaart. Het gaat om de volgende locaties: • • • • •

Essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis en laatvlieger over N233 ter hoogte van de Grote Beer Essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis over N233 ter hoogte van de Spitsbergenweg Essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis en laatvlieger parallel aan de oostzijde van de N233 Essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis en laatvlieger over N233 ter hoogte van de Grebbeweg Essentiële vliegroute gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis over N233 ter hoogte van hoogspanning leiding

25/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 5.4 Locaties vliegroutes vleermuizen in het noordelijke (boven) en zuidelijk (onder) deel Rondweg-Oost Veenendaal

26/39

Kenmerk

5.4

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Amfibieën

5.4.1 Heikikker In de vier bezoeken die zijn gebracht aan de weteringen in het zuidelijk deel van het tracé zijn geen waarnemingen gedaan van heikikker. Het gaat om de wetering ten oosten van de geluidswal die in de oostelijke berm van de N233 ligt. Tijdens de onderzoeken zijn geen heikikkers gehoord of gezien. Tijdens de onderzoeken zijn enkel groene kikkers waargenomen. Hiervoor geldt een vrijstelling. De aanwezigheid van beschermde functies van heikikker zijn daarom in het volledige plangebied (zowel het noord- als zuid deel) uitgesloten. 5.4.2 Poelkikker In voorgaande onderzoeken is de aanwezigheid van poelkikker niet verwacht op basis van verspreiding en habitat. Tegen verwachting in is poelkikker aangetroffen in het noordelijke deel van het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek op 26 juni 2020 zijn poelkikkers gehoord in de wetering direct parallel aan de N233. Het gaat om het noordelijke deel van het plangebied, ten noorden van de Spitsbergenweg. Hoewel er sprake is van een incidentele waarneming, kan de aanwezigheid van beschermde functies van poelkikker niet worden uitgesloten. Er is in de wetering in het plangebied parallel aan de N233 sprake van voortplantingshabitat van poelkikker. De delen met struweel aan de oever, zoals ten noorden van het tankstation zijn geschikt als overwinteringshabitat voor poelkikker.

In het zuidelijke deel zijn tijdens de onderzoeken geen waarnemingen gedaan van poelkikker. Wel zijn hier historische waarnemingen uit 2017 en 2020 bekend (NDFF, 2020) in het natuurgebied Binnenveld. Alleen ten oosten van de geluidswal is niet uitgesloten dat er beschermde functies van poelkikker aanwezig zijn. Het gaat om voortplantings- en overwinteringshabitat. Deze blijven door de ontwikkeling aangetast. Tussen de geluidswal en de N233 is geen wetering aanwezig. Figuur 5.5 geeft de locaties aan van beschermde functies van poelkikker.

5.5

Algemene vogels

De weteringen in het plangebied samen met omliggende bomen en struwelen zijn potentieel geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. Deze vogels hebben tijdens de broedperiode een beschermd nest.

27/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 5.5 Locaties beschermde functies poelkikker in noordelijk (rechts) en zuidelijk (links) deel plangebied

5.6

Sleedoornpage

Op de grondwal langs het Binnenveld is veel sleedoorn aanwezig. Hierdoor is het voorkomen van de beschermde vlindersoort sleedoornpage niet uitgesloten. Het onderzoek naar sleedoornpage was niet te combineren met de overige nadere onderzoeken. Het nader onderzoek vindt plaats in de winterperiode, in deze periode kunnen de sleedoorns worden gecontroleerd op eitjes van de sleedoornpage. In dit rapport wordt de soort wel meegenomen in de effectbeoordeling. Een nadere veldcheck en mogelijke ontheffing is noodzakelijk als sleedoorns worden gesnoeid, gekapt of gerooid.

28/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

6 Effectbepaling 6.1

Grondgebonden zoogdieren

6.1.1 Steenmarter In het plangebied zijn beschermde functies van steenmarter aangetroffen tijdens het nader onderzoek. Het gaat om naar schatting twee verblijfplaatsen in struweel op de geluidswal (in zuidelijk deel plangebied) en naar schatting één verblijfplaats in de berm van de N233 (noordelijk deel plangebied). De locaties zijn aangegeven in figuur 5.2. Bij werkzaamheden op deze locaties zoals het rooien van vegetatie of graafwerkzaamheden is vernietiging van verblijfplaatsen niet uitgesloten. Het doden van individuen of verstoring of van wezel en steenmarter kan worden voorkomen door buiten de kwetsbare perioden van de soorten te werken en op een langzaam tempo. Het vernietigen van verblijfplaatsen is een overtreding van Wet Natuurbescherming artikel 3.10 lid 1b. Het is nodig om voor deze werkzaamheden ontheffing aan te vragen. De ontheffing kan worden verleend als negatieve effecten op steenmarter zoveel mogelijk worden voorkomen, daarnaast moet het verlies van verblijfplaatsen worden gecompenseerd. Deze mitigerende maatregelen dienen te worden beschreven in een activiteitenplan die als onderbouwing voor de ontheffingsaanvraag dient. In paragraaf 6.7 geven we enkele voorbeelden van mitigerende maatregelen. 6.1.2

Zorgplicht: egel en wezel

In het kader van de zorgplicht zijn maatregelen nodig voor wezel en egel die voorkomen in de struwelen ten oosten van de N233 (zuidelijk deel). Verstoring van een overwinterverblijfplaats van egel en een verblijfplaats van wezel kan worden voorkomen door te werken buiten de kwetsbare periode van de twee soorten. Werken in september tot en met half maart (voor wezel) en de vegetatie buiten kwetsbare periode verwijderen voor egel (verwijderen in half mei tot en met half november). 6.1.3 Das, wild zwijn, boommarter, bunzing en hermelijn Van de soorten wild zwijn, boommarter, bunzing (vrijgesteld) en hermelijn (vrijgesteld) zijn geen beschermde functies in het plangebied aanwezig of is het voorkomen uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Van das is mogelijk een wissel aangetroffen. Het gaat echter om een stuk wissel van 30 meter die aan beide kanten dood lijkt te lopen. Daarnaast is onduidelijk of de wissel van das of vos is. Als de aangetroffen wissel van das blijkt te zijn, zijn negatieve effecten alsnog uitgesloten. Het gaat in dit geval niet om een essentieel onderdeel van het leefgebied van das. Ten oosten van de aangetroffen wissel is op een afstand van circa 50 meter een vegetatie structuur aanwezig. Deze bosrand blijft behouden en ligt in dezelfde oriëntatie als de aangetroffen wissel.

Er is een alternatief aanwezig voor de aangetroffen wissel die met een vergelijkbare moeite te bereiken is en functioneel blijft.

29/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Voor geen van deze soorten wordt Wnb overtreden, er is daarom geen ontheffing nodig. In paragraaf 6.7 geven we wel aanbevelingen op welke manier het plangebied verbeterd kan worden voor zoogdieren, hiervan kunnen ook deze soorten profiteren.

6.2

Vogels met een jaarrond beschermd nest

In het plangebied is één jaarrond beschermd nest aangetroffen. Het gaat om een sperwernest ten oosten van de N233 ter hoogte van hectometer 3.6 en 3.7. Ten oosten van het oostelijke tankstation is op 100 meter afstand een ooievaarsnest aanwezig. Negatieve effecten op het ooievaarsnest zijn uitgesloten gezien de afstand tussen de werkzaamheden en het nest. Daarnaast is ooievaar relatief minder verstoringsgevoelig. Negatieve effecten op het sperwernest zijn niet uitgesloten. De werkzaamheden kunnen verstorend werken op het nest, dit betreft een overtreding van Wnb artikel 3.1 lid 4. Afhankelijk van de werkzaamheden wordt mogelijk de nestboom gekapt. Als de nestboom wordt gekapt is dit een overtreding van de Wnb artikel 3.1 lid 2. In dit geval is het nodig om ontheffing te verkrijgen. Ontheffing wordt alleen verleend als negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen. Tevens moet het verlies van het nest gecompenseerd te worden. Maatregelen dienen te worden uitgewerkt in een activiteitenplan die als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag wordt ingediend. Het is niet mogelijk om ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van een actieve nestlocatie van sperwer, dit dient te worden voorkomen door het werken buiten kwetsbare perioden, er kan gewerkt worden in de periode van oktober tot maart.

Bij werkzaamheden in de periode maart tot en met september geldt een verstoringsvrije zone om het sperwernest van 70 meter. Binnen deze zone mogen geen werkzaamheden plaatsvinden die niet in het heersende verkeersbeeld vallen.

6.3

Vleermuizen

Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen of gebouwen aangetroffen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen zijn daarmee uitgesloten. Er zijn ook geen essentiële foerageergebieden aangetroffen, negatieve effecten op essentiële foerageergebieden zijn daarom uitgesloten. In het plangebied komen vijf essentiële vliegroutes voor. Vier van deze vliegroutes staan haaks op de N233 waarbij vleermuizen van west naar oost vliegen (en vice versa). Eén vliegroute loopt parallel aan de N233 ten oosten van de weg over een lengte van circa 250 meter. Figuur 5.4 geeft de locaties van de vliegroutes weer.

30/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Negatieve effecten op deze vliegroutes zijn niet uitgesloten. Het verbreden van de weg en de mogelijke verwijdering van vegetatie aan de oostzijde van de weg (noordelijk deel) kan een groot effect hebben op de functionaliteit van deze vliegroutes. Het uitvoeren van de voorgestelde ontwikkeling is een overtreding van de Wnb. artikel 3.5 lid 2. Voor het uitvoeren van de ontwikkeling is daarom een ontheffing nodig. Ontheffing wordt alleen verleend als negatieve effecten voorkomen worden, hiervoor dienen mitigerende maatregelen te worden uitgewerkt in een activiteitenplan. Hierbij kan worden gedacht aan aangepaste verlichting, aanplanten van lijn vormige beplanting en geleidende structuren over de verbreedde N233. Negatieve effecten tijdens de aanlegfase kunnen worden voorkomen door te werken buiten de actieve periode van vleermuizen, er kan binnen de invloedzone van de vliegroute overdag worden gewerkt of in de periode van december tot en met februari (Bij12, 2017a, b &c). Of er moeten maatregelen worden getroffen waardoor verstoring van vleermuizen niet optreden zoals het donker houden van de vliegroute. De mitigerende maatregelen dienen functioneel te zijn als de werkzaamheden beginnen. In paragraaf 6.7 geven wij aanbevelingen voor de mitigerende maatregelen.

6.4

Amfibieën

Heikikker is niet aangetroffen in het onderzochte gebied. Het voorkomen van en negatieve effecten op heikikker zijn uitgesloten. Er zijn geen maatregelen nodig. Poelkikker is onverwacht aangetroffen in de weteringen langs het noordelijke deel van het plangebied. Hier is sprake van voortplantingshabitat en overwinteringshabitat langs de oostelijke wetering parallel aan de N233 en de struwelen aldaar, zie figuur 5.5. In het zuidelijke deel zijn recente waarnemingen van poelkikker bekend. het natuurgebied ten oosten van de geluidswal vormt voortplantingshabitat en overwinteringshabitat. Bij werkzaamheden in de wetering of struwelen ten oosten van de N233 (noordelijk deel) heeft dit een negatief effect op leefgebied van poelkikker. Als hier graafwerkzaamheden, dempen van watergangen of het rooien van struweel plaats vindt is dit een overtreding van Wnb. artikel 3.10 lid 1b. Er zijn maatregelen nodig om negatieve effecten zo veel mogelijk te beperken. Deze maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een activiteitenplan. In paragraaf 6.7 geven wij enkele voorbeelden van mitigerende maatregelen.

6.5

Algemene broedvogels

De weteringen ten oosten van de N233, struwelen en bomen zijn geschikte locaties voor nesten van algemene broedvogels. De nesten van deze vogels hebben een beschermde status als het nest in gebruik is. Het verstoren van broedende vogels en vernietigen van nesten tijdens het broeden is een overtreding van Wnb. artikel 3.1 lid 3 en 4. Het is niet mogelijk om hiervoor ontheffing aan te vragen, negatieve effecten door het rooien van struweel, kap van bomen of werkzaamheden dienen te worden voorkomen door deze buiten het broedseizoen uit te voeren. Door de regel kan worden gewerkt in de periode van september tot en met februari, echter is het mogelijk dat ook in deze periode een broedgeval aanwezig is. Hierdoor is het nodig een broedvogelcontrole uit te voeren voorafgaand aan de werkzaamheden.

31/39

Kenmerk

6.6

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Sleedoornpage

Op de grondwal langs het Binnenveld is veel sleedoorn aanwezig. Mogelijk gebruikt de sleedoornpage deze bomen als afzetplek voor haar eitjes. Het verwijderen van sleedoorns die als waardplant voor sleedoornpage worden gebruikt, is een overtreding van de Wnb. Hiervoor is een ontheffing nodig. Overtreding van de Wnb kan worden voorkomen door de sleedoorns in de winter te onderzoeken op eitjes van de sleedoornpage. Indien deze ontzien kunnen worden dan is er geen ontheffing nodig. Als deze worden verwijderd dan is een ontheffing en het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk waaronder aanplant van jonge sleedoorn (verouderde sleedoorn met weinig jonge uitlopers zijn meestal ongeschikt voor sleedoornpage). In paragraaf 6.7 geven wij enkele voorbeelden van mitigerende maatregelen.

6.7

Mitigerende maatregelen en aanbevelingen

6.7.1 Maatregelen steenmarter (wettelijk verplicht) Globaal gezien zijn de volgende maatregelen van toepassing voor de steenmarter: • Het rooien van het struweel en de ruigte moet plaatsvinden in de minst kwetsbare periode van steenmarter. Er kan gewerkt worden in de periode van oktober tot maart • Het verlies van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen dient te worden gecompenseerd door de aanleg van takkenhopen of takkenrillen •

Al het snoeihout wat vrij komt van het te kappen struweel kan op de locatie van de robuuste verbinding te worden gebruikt voor takkenhopen die als schuil- en verblijfplaats kunnen dienen voor wezel en steenmarter. Dit is mogelijk niet genoeg voor de aanleg van goed functionerende takkenrillen, aanvoer van snoeihout is dan nodig

6.7.2

Maatregelen vleermuizen (wettelijk verplicht)

Over en langs de N233 zijn meerdere essentiële vliegroutes (zie figuur 5.4). Negatieve effecten zijn niet uitgesloten waardoor een ontheffing noodzakelijk is. De ontheffing kan worden verleend indien voldoende mitigerende maatregelen worden genomen. Mogelijke maatregelen zijn: • •

De vliegroutes uit figuur 5.4 te versterken door bomenrijen te verlengen en aan te planten, zo dicht mogelijk naar de weg toe Lagere lichtmasten te gebruiken, bij voorkeur niet hoger dan de geluidswal

• • •

Het plaatsen van hop-over portalen Het zo veel mogelijk behouden van bomenrijen parallel aan de N233 Tijdens de aanlegfase de locaties met vliegroutes donker te houden of werkzaamheden allen buiten actieve periode van vleermuizen uitvoeren (overdag of in de winter)

6.7.3 Maatregelen poelkikker (wettelijk verplicht) De watergangen ten noorden van de Spitsbergenweg zijn leefgebied van de poelkikker. Deze wetering parallel aan de N233 is voortplantingshabitat van poelkikker. De delen met struweel aan de oever, zoals ten noorden van het tankstation zijn geschikt als overwinteringshabitat voor poelkikker. Voor het vergraven van deze wetering of het verwijderen van het struweel is een ontheffing nodig. Deze kan worden verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden genomen.

32/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Hierbij moet gedacht worden aan het werken buiten kwetsbare perioden en in een langzaam tempo de graafwerkzaamheden uitvoeren. In voortplantingswateren kan worden gewerkt van half september tot maart. In landhabitat kan worden gewerkt in de periode half april tot half oktober (Bij12, 2017d). Daarnaast kan het realiseren van alternatief voortplantingswater of overwinteringshabitat noodzakelijk zijn, of het verbeteren van watergangen door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. 6.7.4 Maatregelen sleedoornpage (wettelijk verplicht) In de winter worden (eventueel) te verwijderen sleedoorns onderzocht op eitjes van sleedoornpage. Indien aanwezig dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze kan worden verleend als volgende mitigerende maatregelen worden genomen. Echter ook als geen eitjes worden gevonden, zullen deze maatregelen het plangebied verbeteren voor sleedoornpage. Deze soort is in de omgeving aangetroffen. Door het plangebied te optimaliseren is er een goede kans dat de soort het plangebied koloniseert.

• Sleedoornstruwelen die te oud zijn geworden en weinig jonge uitlopers hebben, gefaseerd terugzetten, waarbij de oudste sleedoorns gespaard moeten worden omdat ze in het voorjaar waardevol zijn als nectarplant voor insecten • Aanplant van jonge sleedoorns • Als eitjes aanwezig zijn en de sleedoorn moet worden verwijderd kunnen takken met de aangetroffen eitjes worden afgeknipt en overgezet op geschikte sleedoorns in de omgeving 6.7.5

Aanbeveling: faunavoorziening

Ten behoeve van ontsnippering kan overwogen worden om faunavoorzieningen aan te leggen. Dit kan bestaan uit één of beide van onderstaande maatregelen. Deze maatregelen zijn (in tegenstelling tot de mitigerende maatregelen voor vleermuizen en sleedoornpage) niet wettelijk verplicht. Ze zullen wel bijdragen aan een verbetering van de natuurwaarden van het plangebied en omgeving. Voor de locaties van de faunapassages is een voorstel gedaan in figuur 6.1: • Het plaatsen van faunakerende rasters om de kans van verkeerslachtoffers te verkleinen. Het •

gaat dan om (water)vogels (met kuikens) en zoogdieren zoals egels, steenmarters en das Het aanbrengen van faunatunnels, de afmetingen en locaties zijn nader te bepalen. Een voorzet voor potentieel geschikte locaties is weergegeven in figuur 6.1

33/39

Kenmerk

R018-1271416HLB-V02-rlk-NL

Figuur 6.1. Mogelijke locaties voor faunatunnels

6.7.6 Aanbeveling Japanse duizendknoop Op de grondwal langs het Binnenveld is Japanse duizendknoop aangetroffen. Deze invasieve exoot kan zich snel uitbreiden en daardoor inheemse plantensoorten verdringen. Hierdoor is de soort een gevaar voor lokale biodiversiteit van het plangebied. De soort profiteert kan zich met name door grondwerkzaamheden snel uitbreiden. Het verstandigst is daarom om de locaties met Japanse duizendknoop te ontzien tijdens de werkzaamheden. Dit dient in een werkprotocol verder uitwerkt te worden. Als het niet mogelijk is deze locaties te ontzien is een nader onderzoek nodig. Succesvolle verwijdering van de Japanse duizendknoop slaagt alleen bij de juiste uitvoering van een goed voorbereidde sanering. Met een onzorgvuldige werkwijze kunnen plantresten in het plangebied achterblijven en kan onbedoelde verspreiding plaatsvinden tijdens de werkzaamheden, de transport of de vernietiging. De uitvoering van de sanering kan per locatie verschillen waardoor nader onderzoek nodig is. Het nader onderzoek bestaat uit een terreinverkenning waarbij de groeiplaatsen in kaart worden gebracht. Vervolgens wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de sanering van de groeiplaatsen. Dit bevat instructies rond het afsluiten van het plangebied, het gebruik van materieel, de werkwijze bij het snoeien en afgraven en eisen aan transport en vernietiging.

Ook wordt beschreven hoe terrein het beste kan worden opgeleverd en onderhouden na de verwijdering om hergroei te ontdekken en te voorkomen.

34/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12074696/1