14. Bijlage 12 Bijlage 9 bij BP - Natuur
Tekst van het document
Figuur 7.1 Ligging Natura 2000-gebied Rijntakken t.o.v. plangebied Realisatie Rijnbrug Rhenen
Concept
in de zuidelijke uiterwaarden ook poelen en open water.
31/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Tabel 7.1. Instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen en soorten Rijntakken Habitattypen en -soorten
Doel Oppervlak
Doel Kwaliteit
Populatie
H3150 – Meren krabbenscheer/fonteinkruiden
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H3260B - Beken en rivieren (grote fonteinkruiden)
Uitbreiding
Behoud
N.v.t.
H3270 - Slikkige rivieroevers
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H6120 - *Stroomdalgraslanden
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea)
Behoud
Behoud
N.v.t.
H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)
Behoud
Behoud
N.v.t.
H6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden)
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H6510A - Glanshaverhooilanden
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H6510B – Grote vossenstaarthooilanden
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H91E0A - Zachthoutooibossen
Behoud
Verbetering
N.v.t.
H91E0B - Essen-iepenbossen
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H91E0C - Beekbegeleidende bossen
Behoud
Behoud
N.v.t.
H91F0 - Droge hardhoutooibossen
Uitbreiding
Verbetering
N.v.t.
H1095 - Zeeprik
Uitbreiding
Verbetering
Uitbreiding
H1099 - Rivierprik
Uitbreiding
Verbetering
Uitbreiding
H1102 - Elft
Behoud
Behoud
Uitbreiding
H1106 - Zalm
Behoud
Behoud
Uitbreiding
H1134 - Bittervoorn
Behoud
Behoud
Behoud
H1145 - Grote modderkruiper
Uitbreiding
Verbetering
Uitbreiding
H1149 - Kleine modderkruiper
Behoud
Behoud
Behoud
H1163 - Rivierdonderpad
Behoud
Behoud
Behoud
H1166 - Kamsalamander
Uitbreiding
Verbetering
Uitbreiding
H1318 - Meervleermuis
Behoud
Behoud
Behoud
H1337 - Bever
Behoud
Verbetering
Uitbreiding
Broedvogels
Doel Oppervlak
Doel Kwaliteit
Doel populatie
Dodaars
Behoud
Behoud
45
Aalscholver
Behoud
Behoud
660
Roerdomp
Uitbreiding
Verbetering
20
Woudaapje
Uitbreiding
Verbetering
20
Porseleinhoen
Uitbreiding
Verbetering
40
Kwartelkoning
Uitbreiding
Verbetering
160
Watersnip
Behoud
Behoud
17
Zwarte stern
Behoud
Behoud
240
IJsvogel
Behoud
Behoud
25
Oeverzwaluw
Behoud
Behoud
680
Blauwborst
Behoud
Behoud
95
Grote karekiet
Uitbreiding
Verbetering
70
Concept
Tabel 7.2. Instandhoudingsdoelstellingen Broedvogels Rijntakken
32/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Niet-Broedvogels
Doel Oppervlak
Doel Kwaliteit
Doel populatie
A005 - Fuut
Behoud
Behoud
570
A017 - Aalscholver
Behoud
Behoud
1300
A037 - Kleine Zwaan
Behoud
Behoud
100
A038 - Wilde Zwaan
Behoud
Behoud
30
A039 - Toendrarietgans
Behoud
Behoud
125
A039 - Toendrarietgans
Behoud
Behoud
2800
A041 - Kolgans
Behoud
Behoud
35400
A041 - Kolgans
Behoud
Behoud
180100
A043 - Grauwe Gans
Behoud
Behoud
8300
A043 - Grauwe Gans
Behoud
Behoud
21500
A045 - Brandgans
Behoud
Behoud
920
A045 - Brandgans
Behoud
Behoud
5200
A048 - Bergeend
Behoud
Behoud
120
A050 - Smient
Behoud
Behoud
17900
A051 - Krakeend
Behoud
Behoud
340
A052 - Wintertaling
Behoud
Behoud
1100
A053 - Wilde eend
Behoud
Behoud
6100
A054 - Pijlstaart
Behoud
Behoud
130
A056 - Slobeend
Behoud
Behoud
400
A059 - Tafeleend
Behoud
Behoud
990
A061 - Kuifeend
Behoud
Behoud
2300
A068 - Nonnetje
Behoud
Behoud
40
A125 - Meerkoet
Behoud
Behoud
8100
A130 - Scholekster
Behoud
Behoud
340
A140 - Goudplevier
Behoud
Behoud
140
A142 - Kievit
Behoud
Behoud
8100
A151 - Kemphaan
Behoud
Behoud
1000
A156 - Grutto
Behoud
Behoud
690
A160 - Wulp
Behoud
Behoud
850
A162 – Tureluur
Behoud
Behoud
65
Concept
Tabel 7.3. Instandhoudingsdoelstellingen Niet-Broedvogels Rijntakken
33/46
Kenmerk
7.2
R001-1271416AIH-V02-nda
Criterium Natuurnetwerk Nederland
Het NNN nabij Rijnbrug Rhenen overlapt volledig met het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden zijn vergelijkbaar met de instahoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Voor het NNN gebied zijn in de uiterwaarden namelijk aangewezen voor kruidenrijke en faunarijke graslanden. Dit komt overeen met de waarden die de uiterwaarden hebben voor het Natura 2000-gebied, namelijk graslanden als leefgebied voor vogels.
Figuur 7.2 Ligging NNN nabij Rijnbrug Rhenen
7.3
Criterium Beschermde soorten
Op basis van verspreidingsgegevens (zie H9 Literatuur) en een veldbezoek (februari 2020) blijkt dat de omgeving van het plangebied van mogelijk belang als leefgebied voor een groot aantal beschermde soorten. Langs het gehele traject kunnen tijdens het broedseizoen, broedende vogels aanwezig zijn. De bomen langs het wegtraject kunnen geschikt zijn als broedlocatie voor roofvogels met jaarrond beschermde nesten. Daarnaast kunnen in de grote en oude exemplaren holtes aanwezig zijn die als verblijfplaatsen van vleermuizen dienen. De bomenrijen hebben tenslotte een mogelijke functie als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. De bosjes en struwelen hebben een mogelijke functie voor de marterachtigen boommarter steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn. De uiterwaarden onder de Rijnbrug zijn geschikt leefgebied voor
Concept
kamsalamander en ringslang. Tenslotte kunnen de agrarische gebieden in het Gelderse deel van het traject Rijnbrug belangrijk leefgebied zijn voor kerkuil en steenuil.
34/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
8 Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende varianten voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema Natuur gepresenteerd. Tabel 8.1 Overzichtstabel effectbeoordeling Effect Criterium Natura 2000-gebieden Beoordeling
-
Criterium Natuurnetwerk Nederland Beoordeling
-
Criterium Beschermde soorten Beoordeling
8.1
-
Criterium Natura 2000 gebieden
De ontwikkeling vindt voor het overgrote deel plaats buiten het Natura 2000-gebied. Binnen het Natura 2000-gebied vinden daarnaast activiteiten plaats in de uiterwaarden onder de Rijnbrug. Het werkterrein beslaat 50 meter aan weerszijde van de Rijnbrug. Dit deel van het Natura 2000gebied is alleen aangewezen voor de Vogelrichtlijn. De delen die zijn aangewezen voor de Habitatrichtlijn liggen op meer dan een kilometer afstand. Gelet op de afstand en het karakter van de ontwikkeling zijn effecten op habitattypen en -soorten daarom uitgesloten. Een uitzondering hierop zijn effecten door stikstofdepositie. Mogelijke effecten (m.u.v. stikstofdepositie) zijn daarom beperkt tot broedvogels en niet-broedvogels. Bovendien zijn de effecten beperkt tot vogels die hun leefgebied hebben in de uiterwaarden onder de Rijnbrug. Dit zijn smalle uiterwaarden met voornamelijk grasland. De noordelijke uiterwaarde wordt in het noorden begrensd door stedelijk gebied van Rhenen. De uiterwaarden zijn niet geschikt voor broedvogels van moerasgebieden (roerdomp, woudaapje, blauwborst, grote karekiet). Er zijn ook geen broedkolonies van aalscholver of zwarte stern aanwezig. Hoewel er geen waarnemingen zijn van broedende dodaars, porseleinhoen, kwartelkoning of watersnip, kan in potentie geschikt broedgebied aanwezig zijn.
Ook de aanwezigheid van broedende ijsvogel en oeverzwaluw kan niet op voorhand worden uitgesloten. Tenslotte zijn de graslanden en plassen in deze uiterwaarden geschikt foerageer- en rustgebied voor alle soorten aangewezen niet-broedvogels.
• • •
Watersnip (potentieel broedbiotoop) IJsvogel (potentieel broedbiotoop) Dodaars (potentieel broedbiotoop)
• •
Oeverzwaluw (potentieel broedbiotoop) Alle 30 soorten niet-broedvogels (potentieel foerageer- en rustgebied)
Concept
Samengevat zijn de volgende soorten relevant: • Kwartelkoning (potentieel broedbiotoop) • Porseleinhoen (potentieel broedbiotoop)
35/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Voor de ontwikkeling is een Passende beoordeling uitgevoerd. Hieruit bleek dat de volgende effecten in theorie kunnen optreden: • Effecten door fysieke aantasting in het Natura 2000-gebied • • •
Verstoring door geluid/trillingen Verstoring door licht Optische verstoring
•
Effecten door stikstofdepositie
8.1.1
Fysieke aantasting
Onder de brug wordt binnen het Natura 2000-gebied gewerkt. Het werkterrein beslaat 50 meter aan weerszijde van de Rijnbrug. Binnen dit werkterrein liggen graslanden met lokaal ruigere begroeiingen. Door hoogwater in de winter is het in dit gebied mogelijk noodzakelijk om tijdens het broedseizoen te werken. De uiterwaarden onder de brug zijn niet geschikt voor broedvogels van moerasgebieden (roerdomp, woudaapje, blauwborst, grote karekiet). Er zijn ook geen broedkolonies van aalscholver of zwarte stern aanwezig. Aantasting van broedgebieden van deze broedvogels is daarom uitgesloten. Hoewel er geen waarnemingen zijn van broedende dodaars, porseleinhoen, kwartelkoning of watersnip, kan in potentie geschikt broedgebied aanwezig zijn. Ook de aanwezigheid van broedende ijsvogel en oeverzwaluw kan niet op voorhand worden uitgesloten. Binnen 50 meter aan weerszijde van de brug worden geen broedgevallen van deze soorten verwacht. Om effecten echter met zekerheid uit te sluiten is het van belang om voorafgaand aan de werkzaamheden de geschikte broedbiotopen van de voorgenoemde soorten te inventariseren en waar nodig voldoende afstand aan te houden. Het werkterrein van 50 meter aan weerszijde van de brug is suboptimaal voor niet-broedvogels. Dit zijn soorten van open gebieden met graslanden en wateren.
De brug tast de openheid van het landschap aan en binnen 50 meter afstand van de brug worden daarom geen belangrijke leefgebieden van niet-broedvogels verwacht. Bovendien is er voldoende alternatief leefgebied voor handen om tijdens de werkzaamheden naar uit te wijken. De tijdelijke aantasting van het (suboptimale) leefgebied leidt daarom niet tot schade aan de instandhoudingsdoelstellingen. Na de werkzaamheden wordt het gebied achtergelaten zoals het is aangetroffen. Uitzondering
Er is evenmin sprake van versnippering aangezien de vogels eenvoudig onder en over de brug migreren en hierbij niet in die mate worden gehinderd dat delen van leefgebieden onbereikbaar worden. Ook tijdens de werkzaamheden zullen ten alle tijden voldoende migratieroutes onder en over de brug voor vogels beschikbaar zijn.
Concept
hierop zijn de wijzigingen in enkele taluds o.a. waarop de pijlers van de brug komen te staan. Deze taluds hebben geen functie voor de aangewezen soorten. Er is daarom geen sprake van een permanente fysieke aantasting van het leefgebied van vogelsoorten.
36/46
Kenmerk
8.1.2
R001-1271416AIH-V02-nda
Verstoring door geluid/trillingen
In de meeste geluidsonderzoeken naar vogels wordt onderstreept dat vogels anders horen dan mensen en niet voor alle geluidsfrequenties gevoelig blijken te zijn. Het is daarom niet alleen de geluidssterkte (decibels) maar ook de geluidsfrequenties (Hertz) die samen bepalend zijn voor het effect. Volgens Beason (2004) zijn de meeste vogelsoorten het meest gevoelig voor geluiden tussen de 1 en 4 kHz, hoewel ze ook lagere en hogere frequenties kunnen horen. Ultrasoon geluid (boven de 20 kHz) kunnen de meeste vogels niet horen. De meeste soorten kunnen ook geen infrasoon geluid (onder de 20 Hz) horen, met uitzondering van duiven. Vogels kunnen in het algemeen ook binnen de 1 en 4 kHz maar half zo goed horen als mensen. Dat betekent overigens niet dat vogels lagere of hogere frequenties niet kunnen horen, maar deze frequenties pas bij hogere geluidsterktes (meer decibel) waarnemen. Uitzondering hierop zijn uilen en een aantal roofvogelsoorten. De hogere frequenties doven relatief snel uit vergeleken met de zware bastonen die mensen op kilometers afstand nog goed kunnen horen. De invloedsfeer van geluid is voor vogels daarom vaak kleiner dan voor mensen. Binnen deze invloedsfeer zijn in theorie effecten door geluidverstoring mogelijk op alle aanwezige soorten vogels.
Uit de literatuur (zie hoofdstuk 9 voor een lijst aan onderzoeken naar geluidsverstoring) blijkt dat er een belangrijk verschil is in mogelijk effecten door tijdelijke geluidsinvloed (tijdens de werkzaamheden) en permanente geluidsinvloed (gebruiksfase van de weg). Effecten gebruiksfase: permanente geluidsinvloed Uit onderzoek blijkt een permanente geluidsinvloed zoals een weg verschillende effecten kan veroorzaken. Bijvoorbeeld door maskeren van roep/zang of prooidieren waardoor het leefgebied minder geschikt kan raken. In de gebruiksfase zal er net als in de huidige fase sprake zijn van een min of meer permanente geluidsinvloed van het wegverkeer. Uit het geluidsonderzoek (Goudappel Coffeng, 2020) is af te leiden dat de toename in geluid te klein is om een meetbaar of merkbaar effect te veroorzaken op populatieniveau van de aanwezige soorten. De geluidstoename zal daarom niet leiden tot een significante verstoring van broedvogels of nietbroedvogels. Effecten aanlegfase: tijdelijke geluidsinvloed De werkzaamheden zorgen voor een tijdelijke geluidsinvloed en mogelijk voor pieken met hoge geluidssterktes. Doorgaans wordt aangeraden deze tijdelijke geluidsinvloeden buiten het broedseizoen uit te voeren. Uit de literatuur (zie hoofdstuk 9) blijkt echter dat tijdens de broedperiode vogels minder snel uit verstoorde gebied wegvliegen omdat ze gebonden zijn aan
alle onderzochte gevallen keerde de vogel relatief snel terug en was er geen effect op het broedsucces. Het betrof onderzoeken met een impulsgeluid met een veel hogere geluidssterkte, zoals vliegtuigen, explosies, geweerschoten en kettingzagen dan tijdens deze werkzaamheden zal plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zal het geluid tijdens de werkzaamheden geen effect hebben op de broedpopulatie van de aangewezen soorten. De instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogels worden daarom niet geschaad er is geen sprake van een significante verstoring.
Concept
hun nest. Daar staat tegenover als een broedende vogel opvliegt en te lang wegblijft kan het effect groter zijn door sterfte van jongen. Volgens de wetenschappelijke onderzoeken naar verstoring door impulsgeluiden wordt soms wel waargenomen dat een vogel opvliegt van het nest, echter in
37/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Buiten het broedseizoen kunnen door piekgeluiden (bijvoorbeeld bij heien) groepen nietbroedvogels opvliegen en tijdelijk uit het gebied vertrekken. Groepen van niet-broedende vogels in open gebieden zullen eerder opvliegen bij verstoring dan een moerasvogel op een nest verstopt in dichte vegetatie. De uiterwaarden zijn echter niet van specifiek belang voor grote groepen nietbroedvogels. Gelet op de ligging dichtbij stedelijke omgeving en de provinciale weg is namelijk geen sprake van een open onverstoord optimaal leefgebied voor deze soorten. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden worden bovendien geen (voor de instandhoudingsdoelstellingen) essentiële slaapplaatsen of foerageergebieden verstoord. Een tijdelijke verstoring van tijdens de werkzaamheden aanwezige niet-broedvogels is niet uitgesloten, er zijn echter voldoende onverstoorde en meer geschikte gebieden aanwezig waar naar de vogels kunnen uitwijken. In de uiterwaarden van de Neder-Rijn alleen is al meer dan 230 ha aan slaapplaatsen en een veelvoud daarvan aan foerageergebied voor niet-broedvogels aanwezig. De tijdelijke verstoring leidt daarom niet tot schade aan de instandhoudingsdoelstellingen. Er is daarom geen sprake van een significante verstoring. 8.1.3
Verstoring door licht
Effecten gebruiksfase: permanente lichtinvloed Uit de literatuur blijkt dat permanente verlichting een effect op vogels kan veroorzaken. Vogels kunnen bijvoorbeeld onder invloed van permanente verlichting eerder beginnen met zingen (Da Silva et al., 2014), eerder in het seizoen eieren leggen (Kempenaers, 2010), hun jongen vaker voeden (Titulaer, 2012) en permanente verlichting kan van invloed zijn op de keuze van nestlocatie (Molenaar et al., 2006). De effecten blijken meestal afhankelijk te zijn van de lichtsterkte. De toekomstige verlichting zal echter niet afwijken van de huidige lichtinvloed, waardoor een (cumulatief) effect op de instandhoudingsdoelstelling is uitgesloten. Effecten aanlegfase: tijdelijke lichtinvloed Er zijn geen onderzoeken bekend naar de effecten van tijdelijke verlichting op vogels. Het is aannemelijk dat het tijdelijk verlichten van een broedende vogel tot een negatief effect kan leiden. Met name bij broedende vogels in open gebieden (kwartelkoning, watersnip, porseleinhoen, dodaars). Het nest wordt daardoor beter zichtbaar voor predatoren. Voor holenbroeders zoals ijsvogel en oeverzwaluw wordt geen negatief effect verwacht. Het tijdelijk verlichten kan ook rustende of foeragerende niet-broedvogels in de nacht verstoren. Tijdens de werkzaamheden wordt de bouwverlichting daarom afgeschermd van het Natura 2000-gebied.
Bovendien wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt waar
8.1.4 Optische verstoring Permanente optische verstoring De ontwikkeling en daarvoor benodigde werkzaamheden vinden plaats nabij een provinciale weg. De weg/brug wordt verbreed waardoor in een groter deel van de uiterwaarden een permanente invloed ontstaat op de openheid van het gebied. kan in theorie nadelig zijn voor soorten van open gebieden zoals broedende kwartelkoning, porseleinhoen en watersnip.
Concept
broedvogels (mogelijk) broeden. Door gericht maatregelen blijven deze locaties donker. Een effect is dan met zekerheid uitgesloten.
38/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Ook de niet-broedvogels van open graslanden (ganzen, eenden steltlopers) kunnen een negatief effect ondervinden door aantasting van de openheid. Het effect is echter beperkt mede gelet op de al aanwezige opgaande elementen in de uiterwaarden. Er blijft met zekerheid voldoende open gebied aanwezig om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Een significant effect is uitgesloten. Tijdelijke optische verstoring De werkzaamheden zorgen voor een tijdelijke optische verstoring. Indien mensen en materieel broedende vogels te dicht benaderen zullen vogels (langdurig) wegvliegen van hun nest wat mogelijk het mislukken van het nest tot gevolg. Doorgaans wordt aangeraden de werkzaamheden daarom buiten het broedseizoen uit te voeren. Het is echter ook mogelijk om de werkgebieden voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren op geschiktheid als broedgebied voor vogels. Indien geen vogels aanwezig zijn kan ook tijdens het broedseizoen worden gewerkt, verstoring van niet-broedvogels wordt daarmee voorkomen. Buiten het broedseizoen is het zeer waarschijnlijk dat door de werkzaamheden de aanwezige nietbroedvogels opvliegen en tijdelijk uit het gebied vertrekken. De uiterwaarden zijn niet van specifiek belang voorde niet-broedvogels. Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden worden geen (voor de instandhoudingsdoelstelling) essentiële slaapplaatsen of foerageergebieden verstoord.
Gelet op de ligging dichtbij stedelijke omgeving en de provinciale weg is geen sprake van een onverstoord optimaal leefgebied voor niet-broedvogels. Een tijdelijke verstoring tijdens de werkzaamheden is niet uitgesloten, er zijn echter voldoende onverstoorde en meer geschikte gebieden aanwezig waar naar de vogels kunnen uitwijken. In de uiterwaarden van de Neder-Rijn alleen is al meer dan 230 ha aan slaapplaatsen en een veelvoud daarvan aan foerageergebied voor niet-broedvogels aanwezig. De tijdelijke verstoring leidt niet tot schade aan de instandhoudingsdoelstellingen. Er is daarom geen sprake van een significante verstoring.
8.1.5 Stikstofdepositie Er is sprake van een kleine toename in stikstofdepositie in een al overbelast situatie (pm wachten nieuwe stikstofberekeningen). De effecten door stikstofdepositie worden gemitigeerd (pm afwachten saldering) en/of gecompenseerd (pm afwachten ADC traject). Er is daarmee geen sprake van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen. Dit criterium is daarom als licht negatief beoordeeld. Er is geen verschil tussen de varianten met of zonder Groenpoort
Concept
aansluiting.
39/46
Kenmerk
8.1.6
R001-1271416AIH-V02-nda
Mitigerende maatregelen
Maatregelen broedseizoen • Bij werkzaamheden in het broedseizoen: voorafgaand broedbiotopen van kwalificerende soorten inventariseren en voldoende afstand aanhouden Maatregelen licht • Tijdens de werkzaamheden wordt de verlichting van het Natura 2000-gebied afgericht •
Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een broedvogelcontrole uitgevoerd. Op basis daarvan wordt waar noodzakelijk gerichte maatregelen genomen om effecten door verlichting te voorkomen
Maatregelen stikstof • Afwachten saldering en compensatie traject 8.1.7 Conclusie Natura 2000-gebieden De ontwikkeling leidt tot een toename in geluid en stikstofdepositie binnen het Natura 2000gebied, overige effecten treden niet op of worden volledig gemitigeerd. De effecten door geluid en stikstof zijn klein en/of worden gemitigeerd/gecompenseerd zodat er geen schade optreedt aan de instanhoudingsdoelstellingen. De ontwikkeling leidt daarom met zekerheid niet tot een significant
Concept
negatief effect. Omdat sprake is van een effect (toename in geluid/stikstof) dat echter niet leidt tot een significant effect, is dit criterium als licht negatief beoordeeld.
40/46
Kenmerk
8.2
R001-1271416AIH-V02-nda
Criterium Natuurnetwerk Nederland
De noordelijke uiterwaard ligt in het NNN van de provincie Utrecht. De zuidelijke uiterwaard ligt in de provincie Gelderland en is niet aangewezen voor het Gelders Natuurnetwerk. Onderstaande kaarten geeft de beheertypen van het NNN nabij de ontwikkeling. Op basis van het Natuurbeheerplan 20202 ligt het volgende beheertype binnen dit deel van het NNN: • N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
van de brug. Na afronding van de werkzaamheden is op een zelfde oppervlak sprake van een kruiden- en faunarijk grasland. De taluds of pijlers van de brug liggen doorgaans in de schaduw van de brug en zijn daardoor floristisch minder interessant. Bovendien zijn de aanpassingen aan de taluds zeer kleinschalig en leiden niet tot een afname in het oppervlak aan grasland.
Concept
8.2.1 Mogelijke effecten binnen het NNN Binnen het gebied vinden slechts lokaal werkzaamheden plaats binnen 50 meter aan weerszijde
41/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Er is daarom geen sprake van een fysieke aantasting. Er is evenmin sprake van versnippering en de ontwikkeling leidt tenslotte niet tot sterfte van soorten in het gebied, effecten op populatie(dynamiek) zijn daarmee eveneens uitgesloten. Mogelijk effecten beperken zich daarom tot stikstofdepositie en verstoring van soorten door geluid/trillingen, licht of optische verstoring. 8.2.2 Stikstofdepositie De effecten door stikstofdepositie worden gemitigeerd (pm afwachten saldering) en/of gecompenseerd. 8.2.3
Verstoring van soorten
Om de biotische kwaliteit uit te drukken zijn er per natuurbeheertype zijn kwalificerende flora- en faunasoorten vastgesteld. In de volgende tabel zijn per relevant natuurbeheertype de kwalificerende soortgroepen weergegeven. Plantensoorten zijn buiten beschouwing gelaten omdat een effect door verstoring op voorhand is uitgesloten. Natuurbeheertype
Kwalificerende soortgroep
Relevant?
N12.02 Kruiden-, faunarijk grasland
Planten
Nee ongevoelig voor verstoring
Dagvlinders
Mogelijk
Dagvlinders De werkzaamheden vinden plaats buiten het leefgebied. Door het nemen van mitigerende maatregelen (zie 8.1) worden effecten door verlichting voorkomen. Het is onbekend in hoeverre dagvlinders gevoelig zijn voor geluid. Deze soorten hebben geen goed ontwikkeld gehoororgaan. Gelet hierop en de slechts kleine toename in geluid zijn effecten uitgesloten. 8.2.4
Mitigerende maatregelen
Maatregelen licht • Tijdens de werkzaamheden wordt de verlichting van het NNN gebied afgericht. • In de gebruiksfase wordt hetzelfde type verlichting, lichtrichting en lichtsterkte gebruikt als in de huidige situatie. Maatregelen stikstof Afwachten saldering en compensatie traject. 8.2.5
Conclusie NNN
niet tot het verdwijnen van soorten in het NNN. De effecten door licht worden volledig gemitigeerd. Pm stikstof Er is daarmee geen sprake van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Dit criterium is daarom als licht negatief beoordeeld.
Concept
Hoewel in de provincie Utrecht niet op externe werking getoetst hoeft te worden zijn in dit hoofdstuk de mogelijke effecten op het NNN bepaald. De conclusie voor het NNN gebied is gelijk aan de conclusie van het Natura 2000-gebied. De toename in geluid tijdens de gebruiksfase leidt
42/46
Kenmerk
8.3
R001-1271416AIH-V02-nda
Criterium beschermde soorten
De Realisatie Rijnbrug Rhenen leidt mogelijk tot het kappen van bomen en struweel. Deze bomen kunnen van belang zijn als verblijfplaats en leefgebied voor broedende vogels, vleermuizen en marters. De uiterwaarden onder de Rijnbrug zijn geschikt leefgebied voor bever, otter, kamsalamander en ringslang. Tenslotte kunnen de agrarische gebieden in het Gelderse deel van het traject Rijnbrug belangrijk leefgebied zijn voor kerkuil en steenuil. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de functie van het plangebied voor deze soorten nader onderzocht. Hierdoor kunnen mitigerende maatregelen worden genomen om effecten te voorkomen. Gelet de mogelijk aanwezige soorten en de beschikbare effectieve mitigerende maatregelen (zie volgende paragraaf) is alleen sprake van een tijdelijk negatief effect. Dit criterium is daarom als licht negatief beoordeeld. Mitigerende maatregelen Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de functie van het plangebied nader onderzocht. Hierdoor kunnen mitigerende maatregelen op maat worden genomen om effecten te voorkomen Zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen of het verbeteren van leefgebied. In de omgeving blijven voldoende geschikte biotopen beschikbaar waarin deze alternatieven kunnen worden aangeboden. Ervaring leert dat deze maatregelen de effecten kunnen mitigeren.
Verstoring tijdens de werkzaamheden kunnen worden voorkomen door te werken buiten de gevoelige perioden van de soorten. In de uiterwaarden onder de brug is het echter mogelijk noodzakelijk om tijdens het broedseizoen te werken. Het betreft een plaatselijk terreingebruik van de uiterwaarden die mogelijk voorafgaand ongeschikt gemaakt kunnen worden voor broedvogels. Daarnaast zijn maatregelen mogelijk zoals het afschermen van verlichting tijdens de werkzaamheden. Samengevat zijn de volgende maatregelen mogelijk: •
Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen: waar mogelijk het werkterrein vooraf
•
ongeschikt maken voor broedvogels of pas starten na een broedvogelcheck Uitvoeren van nader onderzoek naar functie van plangebied voor vogels (waaronder uilen), vleermuizen, bever, otter, marters, kamsalamander en ringslang Op basis van de resultaten van dit onderzoek, maatregelen op maat zoals: o aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen o voorkomen van verstoring door te werken buiten gevoelige perioden o
het afschermen van verlichting van gevoelige gebieden
Concept
•
43/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
9 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. Beason, R.C. 2004. What can birds hear? USDA NWRC Staff publications. University of Nebraska. Black, B., M. Collopy, H. Percivial, A. Tiller, and P. Bohall. 1984. Effects of Low-Altitude Military Training Flights on Wading Bird Colonies in Florida. Florida Cooperative Fish and Wildlife Research Unit, Technical Report No. 7. Brandjes, G.J., E.H.P. Leusing, J.A. Inberg, D.M. Soes & L.S.A. Anema, 2010. Circuit Park Zandvoort Verslag monitoring 2007-2009. Rapport 10-2010. Bureau Waardenburg. Brown, A.L. 1990. Measuring the Effect of Aircraft Noise on Sea Birds. Environment International, Vol. 16, pp. 587-592. Brown, B.T., G.S. Mills, W.A. Russel, G.D. Therres, J.J. Pottie. 1999. The influence of weapontesting noise on bald eagle behavior. J. Raptor Res. 33 (3) 3227-232 Burger, J. 1981. Behavioral Responses of Herring Gulls (Larus argentatus) to Aircraft Noise. Environmental Pollution (Series A), Vol. 24, pp. 177-184 Da Silva, A., J.M. Samplonius, E. Schlicht, M. Valcu & B. Kempenaers, 2014. Artificial night lighting rather than traffic noise affects the daily timing of dawn and dusk singing in common European songbirds. Behav. Ecol. 25: 1037–1047. Delaney,D.K., T. G. Grubb, P. Beier, L. L. Pater and M. Hildegard Reiser. 1999. Effects of Helicopter Noise on Mexican Spotted Owls. The Journal of Wildlife Management Vol.
63, No. 1 Delaney, D.K., L.L. Pater, L.D. Carlile, E.W. Spadgenske, T.A. Beatty, and R.H. Melton. 2011. Response of red-cockaded woodpeckers to military training operations. Wildlife Monographs 177:1-38.
Ellis, D.H., C.H. Ellis, and D.P. Mindell. 1991. Raptor Responses to Low-Level Jet Aircraft and Sonic Booms. Environmental Pollution, Vol. 74, pp. 53-83.
Concept
Edwards, R.G., A.B. Broderson, R.W. Harbour, D.F. McCoy, and C.W. Johnson. 1979. Assessment of the Environmental Compatibility of Differing Helicopter Noise Certification Standards. U.S. Dept. of Transportation, Washington, D.C. 58 pp.
44/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Gilissen, N., 2013. Missie Natuur-Bijzondere natuur op defensieterreinen. Via www.naturteroday.com: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=19202. Goudie, R.I., I.L. Jones. 2004. Dose-response relationships of harlequin duck behaviour to noise from low-level military jet over-flights in central Labrador. Environmental Conservation 31 (4): 289– 298 Grubb, T.G.,L.L. Pater, A.E. Gatto, D.K. Delaney. 2013. Response of nesting northern goshawks to logging truck noise in northern Arizona. The Journal of Wildlife Management Volume 77 Henkens, R.J.H.G., J.G. de Molenaar, M.J.S.M. Reijnen & P.H. Kistenkas, 2007 Champ Car evenement TT-circuit Assen. Voortoets betreffende de effecten van extra geluid op de natuurwaarden van het Witterveld. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1482. Jong M. de, J.Q. Ouyang, A. Da Silva, R.H.A. van Grunsven, B. Kempenaers, M.E. Visser & K. Spoelstra, 2015 Effects of nocturnal illumination on life-history decisions and fitness in two wild songbird species. Phil. Trans. R. Soc. B 370: 20140128. Krijgsveld, K.L., R.R. Smit & J. van der Winden, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Rapportnr. 08173. Bureau Waardenburg, Culemborg. Manci, K.M., D.N. Gladwin, R. Villella, and M.G Cavendish. 1988.
Effects of Aircraft Noise and Sonic Booms on Domestic Animals and Wildlife: A Literature Synthesis. U.S. Fish and Wildlife Service National Ecology Research Center, Ft. Collins, CO, NERC-88/29. 88 pp. Molenaar, J.G. de, R.J.H.G. Henkens, C. ter Braak, C. van Duyne, G. Hoefsloot & D.A. Jonkers, 2003. Wegverlichting en natuur IV. Effecten van wegverlichting op het ruimtelijk gedrag van zoogdieren. DWW-Ontsnipperingsreeks deel 44. DWW-rapportnr. DWW-2003-012 / Alterrarapportnr. 648. Alterra, Wageningen. Opzeeland, I., H. Slabbekoorn, T. Andringa, C. ten Cate, 2007. Vissen en geluidsoverlast. Effect van geluidsbelasting onder water op zoetwatervissen. Rijksuniversiteit Groningen Gedragsbiologie, Instituut voor Biologie, Universiteit Leiden
Palmer, A.G., D.L. Nordmeyer, D.D. Roby. 2003. Effects of jet aircraft overflights on parental care of peregrine falcons. Wildlife Society Bulletin. 31: 499-509 Pater, L.D., D.K. Delaney, T.J. Hayden, B. Lohr, and R. Dooling. 1999. Assessment of Training Noise Impacts on the Red-cockaded Woodpecker: Preliminary Results - Final Report. Technical
Concept
PAS Gebiedsanalyses en Natura 2000 beheerplannen Binnenveld en Rijntakken. Provincie Utrecht, 2016. Verordening Natuur en Landschap. PBR, publicatienr. 7054.
45/46
Kenmerk
R001-1271416AIH-V02-nda
Report. U.S. Army, Corps of Engineers, CERL, Champaign, IL, Report Number 99/51, ADA Number 367234. Pater, Larry & Delaney, David & Swindell, Linton & Beaty, Tim & Carlile, Lawrence. (2001). Assessment of Training Noise Impacts on the Red-Cockaded Woodpecker: 2000 Results. 254. Reijnen M.J.S.M. 1996. Effects from road traffic on breeding-bird populations. University of Leiden, Leiden. Reijnen M.J.S.M. & R. Foppen 1995. The effects of car traffic on breeding bird populations in woodland; I evidence of reduced habitat quality for willow warblers Phylloscopus trochilus breeding close to a highway. J. Appl. Ecol. 31: 85-94 Siepel, H., R. Lensink, B.J. Bol, 2011. Onderzoek verstorende effecten van grote burgerluchtvaart. Bureau Waardenburg. Snyder, N.F.R., H.W. Kale, P.W. Sykes. 1978. An evaluation of some potential impacts of the proposed Dade County training Jetport on the endangered Everglade kite. Patuxent Wildlife Rescue Center Synbiosys, 2019. Effectenindicator gebieden. Geraadpleegd op 18-11-2019. Sovon, 2019. Vogels per gebied: Natura 2000-gebied. Geraadpleegd op 18-11-2019 op: https://www.sovon.nl/nl/gebieden Tempel, D.J., R.J. Gutierrez 2003.Fecal corticosterone levels in California spotted owls exposed to low-intensity chainsaw sound. Wildlife Society Bulletin, 31(3):698-702. Titulaer, M., K. Spoelstra, C.Y.M.J.G. Lange & M.E. Visser, 2012.
Activity patterns during food provisioning are affected by artificial light in free living Great Tits (Parus major). PLoS ONE 7(5): e37377. Geraadpleegde internetwebsites: NDFF, 2020. Laatst geraadpleegd op 28 februari 2020.
www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
Concept
www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl
46/46