11. Bijlage 9 Bijlage 6 bij BP - Externe Veiligheid
Tekst van het document
Achtergrondrapport Externe Veiligheid N233 Rondweg Veenendaal-Oost en Rijnbrug Rhenen 9 april 2020
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Verantwoording Titel
Achtergrondrapport Externe Veiligheid
Opdrachtgever
Provincie Utrecht
Projectleider
Bart van Genugten
Auteur(s)
Freek Belderbos
Tweede lezer
Danny Pol
Laatste aanpassing
Danny Pol
Projectnummer
1271416
Aantal pagina’s
32
Datum
9 april 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Inhoud 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Algemene inleiding projecten N233 ................................................................................... 5
1.2
Opbouw van het MER ........................................................................................................ 5
1.3
Het achtergrondrapport Externe Veiligheid ........................................................................ 6
1.4
Plan en studiegebied.......................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer .......................................................................................................................... 8
Beleidskader .............................................................................................................................. 9 2.1
Inleiding .............................................................................................................................. 9
2.2
Samenvatting wet- en regelgeving & beleid ....................................................................... 9
Deel 1: N233 Rondweg Veenendaal-Oost ..................................................................................... 11 3
Onderzoeksmethodiek............................................................................................................. 11 3.1
3.1.1
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 12
3.1.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 12
3.2
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 12
3.2.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 13
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 14
3.3.1
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 14
3.3.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 14
Referentiesituatie..................................................................................................................... 15 4.1
5
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 12
3.2.1
3.3
4
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 12
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 16
4.1.1
Buisleidingen ............................................................................................................. 16
4.1.2
Bevi-inrichtingen........................................................................................................ 16
4.1.3
Transportroutes gevaarlijke stoffen ........................................................................... 17
4.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 17
4.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 18
Effectbeoordeling..................................................................................................................... 20 5.1
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 20
5.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 20
3/32
Kenmerk
5.3
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 21
Deel 2: N233 Rijnbrug Rhenen ....................................................................................................... 23 6
Onderzoeksmethodiek............................................................................................................. 23 6.1
6.1.1
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 24
6.1.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 24
6.2
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 24
6.2.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 25
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 26
6.3.1
Te verwachten effect en methode van onderzoek .................................................... 26
6.3.2
Wijze van beoordeling ............................................................................................... 26
Referentiesituatie..................................................................................................................... 27 7.1
8
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 24
6.2.1
6.3
7
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 24
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 27
7.1.1
Buisleidingen ............................................................................................................. 27
7.1.2
Bevi-inrichtingen........................................................................................................ 27
7.1.3
Transportroutes gevaarlijke stoffen ........................................................................... 27
7.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 27
7.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 28
Effectbeoordeling..................................................................................................................... 30 8.1
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie ...................................... 30
8.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen .......................... 30
8.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen.......................................... 31
Bijlage 1
Beoordelingscriteria en definities Externe Veiligheid
Bijlage 2
Uitgangspunten en modellering in RBM II
Bijlage 3
Resultaten modellering van deel 1: N233 Rondweg Veenendaal-Oost
Bijlage 4
Resultaten modellering van deel 2: N233 Rijnbrug Rhenen
4/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
1 Inleiding 1.1
Algemene inleiding projecten N233
De N233 van de A12 bij Veenendaal naar de A15 bij Ochten fungeert als een belangrijke verbindingsroute in en tussen de regio’s FoodValley en Rivierenland. De plaatsen Veenendaal, Rhenen, Kesteren en Ochten worden door de N233 direct met elkaar verbonden. Ook is de weg voor deze, en een aantal omliggende kleinere kernen, de meest directe ontsluitingsweg naar zowel de A12 als de A15. De weg vervult een belangrijke rol in de onderlinge verbinding tussen beide regio’s, de bereikbaarheid van de verschillende woonkernen in de regio en faciliteert het woon-werkverkeer. Ook vervult de weg een beperkte rol voor verkeer van de A12 naar de A15 en andersom. De Rijnbrug bij Rhenen, die onderdeel is van de N233, vormt de enige verbinding op het onderliggend wegennet waar verkeer de Rijn kan oversteken. Om de bereikbaarheid van de bovengenoemde plaatsen en de regio’s te waarborgen, zijn de provincies Utrecht en Gelderland voornemens om twee deeltrajecten van de N233 te verbreden van 2x1 naar 2x2 rijstroken. Het gaat om het deeltraject Oostelijke Rondweg Veenendaal (Utrecht) en het traject bij de Rijnbrug Rhenen (Utrecht en Gelderland). De voornaamste knelpunten in de doorstroming op de Oostelijke Rondweg zijn de kruisingen met de Prins Clauslaan en Wageningselaan en het wegvak tussen de Wageningselaan en de A12.
De verkeersintensiteit op de kruising met de Prins Clauslaan en de Van Essenlaan zal de komende jaren nog verder toenemen, als gevolg van de ontwikkeling van Veenendaal-Oost. Voor het project Rijnbrug liggen de knelpunten op de brug zelf en direct ten noorden bij de kruising met de N225. Voor beide projecten wordt door de provincies een provinciaal inpassingsplan (PIP) opgesteld. Ten behoeve van de besluitvorming over het provinciale inpassingsplan wordt een m.e.r.-procedure (milieueffectrapportage) te doorlopen om de milieueffecten van de verbreding in beeld te brengen. De effecten worden opgeschreven in het milieueffectrapport (MER).
1.2
Opbouw van het MER
Dit rapport externe veiligheid maakt deel uit van een serie bijlagerapporten van verschillende milieuthema’s. Samen vormen deze bijlagerapporten de input voor het hoofdrapport MER. De onderzoeksresultaten worden ook gebruikt voor de milieuonderbouwing in de Provinciale Inpassingsplannen. Ten behoeve van de verbreding van de N233 op de twee trajecten zijn door de provincie Utrecht twee verschillende projecten opgestart. Voor beide projecten moet, afzonderlijk van elkaar, een m.e.r.-procedure doorlopen worden en een provinciaal inpassingsplanning worden opgesteld. Waar relevant worden in beide procedures wel de cumulatieve effecten van beide projecten gezamenlijk beoordeeld. Daarom is ervoor gekozen om de onderzoeksresultaten voor beide projecten te bundelen in één bijlagerapport per milieuthema.
5/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Er zijn wel twee hoofdrapporten MER opgesteld voor de twee projecten (bij de twee inpassingsplannen). Zie volgende figuur voor een overzicht.
PIP Oostelijke Rondweg Veenendaal Hoofdrapport MER Oostelijke Rondweg Veenendaal
1.3
Bijlage rapporten: L&C Natuur Bodem Water Archeologie Geluid Lucht Gezondheid EV
PIP Rijnbrug
Hoofdrapport MER Rijnbrug
Het achtergrondrapport Externe Veiligheid
Voorliggende rapportage betreft het achtergrondrapport voor het thema externe veiligheid. Het doel van dit achtergrondrapport externe veiligheid is het vaststellen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de risicodragende transporten. De uitkomsten van de in dit rapport beschreven uitvoering van deze risicoanalyse worden beschouwd in het kader van de wetgeving op het gebied van externe veiligheid, waaronder met name het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het voorliggende onderzoek is de verbreding van de N233 getoetst aan de vigerende wet- en regelgeving aangaande externe veiligheid in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Hierin wordt de referentiesituatie beschouwd, alsmede de beoogde situatie en een vergelijking tussen de resultaten van de referentie- en beoogde situatie.
1.4
Plan en studiegebied
Het plangebied is het gebied waarin de daadwerkelijke aanpassingen kunnen plaatsvinden. Binnen dit plangebied liggen de varianten/maatregelen die worden beoordeeld op milieueffecten (zie volgende figuur voor plangebied en maatregelen). In deze rapportage wordt aangenomen dat de aansluiting op de N233 vanuit de wijk Groenpoort ter hoogte van een van de bestaande benzineverkooppunten dan wel hier tussenin komt te liggen. Het studiegebied is het gebied waar effecten kunnen optreden als gevolg van de nieuwe verbinding en kan per milieuthema verschillen. Per milieuthema wordt het studiegebied vastgesteld.
6/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 1.1 Plangebied en maatregelen inclusief variant aansluiting Groenpoort
7/32
Kenmerk
1.5
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de beleidskaders weergegeven. Hoofdstuk 3 beschrijft de onderzoeksmethodiek en beoordelingscriteria voor de beoordeling van de rondweg VeenendaalOost waarna in hoofdstuk 4 de referentiesituatie en autonome ontwikkelingen voor het plangebied aandacht krijgen. De effectbeoordeling op de genoemde beoordelingscriteria vindt plaats in hoofdstuk 5. Deel 2 van het onderzoek behandelt de Rijnbrug en kent eenzelfde opbouw. In hoofdstuk 6 worden de onderzoeksmethodiek en beoordelingscriteria voor de beoordeling van de Rijnbrug beschreven. Hoofdstuk 7 beschrijft de referentiesituatie van de drie beoordelingscriteria. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de effectbeoordeling van de Rijnbrug voor externe veiligheid.
8/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
2 Beleidskader 2.1
Inleiding
Op ruimtelijke ontwikkelingen is wet- en regelgeving en beleid van toepassing. Dit hoofdstuk biedt een overzicht van wet- en regelgeving en beleid dat relevant is voor de twee projecten. Bij de beleidsbeschrijving worden verschillende schaalniveaus onderscheiden: rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het wettelijk kader richt zich vooral op het Europese en rijksniveau, het beleidsmatige kader op provinciaal en gemeentelijk niveau. Voor het thema externe veiligheid zijn enkel op rijksniveau wettelijke beleidskaders gegeven.
2.2
Samenvatting wet- en regelgeving & beleid
Tabel 2.1 Samenvatting beleid thema externe veiligheid Wet-/regelgeving en beleid
Omschrijving
Relevantie voor dit project
Besluit externe veiligheid
Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is
De invloed van nabijgelegen
inrichtingen (Bevi)
om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te
risicovolle (bevi-)inrichtingen
beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk
op de (ontwikkeling van de)
besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden
planlocatie zal worden
met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen
beschouwd in het externe
Rijksniveau
(plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico).
veiligheidsonderzoek
Regeling externe veiligheid
In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)
De Revi en daaropvolgende
inrichtingen (Revi)
zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder
wijzigingen bevatten
uitgewerkt. Voor zogenaamde 'categoriale inrichtingen' geeft de
uitwerkingen van het Bevi en
Revi tabellen met vaste veiligheidheidsafstanden.
zijn derhalve relevant in dit externe veiligheidsonderzoek
Besluit externe veiligheid
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels
De invloed van nabijgelegen
transportroutes (Bevt)
aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt
transportroutes voor
ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de
gevaarlijke stoffen op de
verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar
(ontwikkeling van de)
risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en
planlocatie zal worden
welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het
beschouwd in het externe
transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het
veiligheidsonderzoek.
Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Deze gelden vanaf 1 april 2015.
Daarnaast zal ook de invloed van de planlocatie op de omgeving worden beschouwd, aangezien de planlocatie zelf een transportroute voor gevaarlijke stoffen betreft.
9/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Wet-/regelgeving en beleid
Omschrijving
Relevantie voor dit project
Besluit externe veiligheid
Vanaf 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid
De invloed van ondergronds
buisleidingen (Bevb)
buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling. Hierin staan regels
gelegen buisleidingen op de
over de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke
(ontwikkeling van de)
stoffen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. Voor
planlocatie zal worden
ondersteuning met de praktijk is een Handboek buisleidingen in
beschouwd in het externe
bestemmingsplannen opgesteld.
veiligheidsonderzoek
De Tracéwet, oftewel de Tracéwetprocedure, is een procedure die
Voor een juiste inschatting
doorlopen moet worden alvorens Rijkswaterstaat een weg aanlegt
van de gevolgen voor het
of wijzigt. De Tracéwet kent 2 procedures, een uitgebreide
milieu (aspect externe
procedure voor de aanleg van wegen en een reguliere procedure
veiligheid) in de
voor de aanpassing van wegen. Het extern veiligheidskundig
milieueffectrapportage wordt
onderzoek valt primair onder stap 2 van de procedure: de
in onderhavig externe
verkenning. Anderzijds valt het extern veiligheidskundig
veiligheidsonderzoek naar
onderzoek onder stap 3 van de procedure bij de aan te leveren
de relevante onderdelen
deelonderzoeken alvorens de provinciale staten een besluit
gekeken.
Tracéwet
neemt. Het extern veiligheidskundig onderzoek kan ook op eerdere of latere stappen in de procedure uitgevoerd worden indien dit gevraagd wordt of nodig wordt geacht. Beleidsregels EV-
In dit besluit zijn regels opgenomen met betrekking tot externe
Voor de wijziging van de
beoordelingen
veiligheid waaraan voldaan moeten worden bij de vaststelling van
bestaande infrastructuur
tracébesluiten
besluiten met betrekking tot infrastructuur (aanleg of wijziging van
N233 zal een beoordeling
infrastructuur).
externe veiligheid plaatsvinden conform dit besluit
Vuurwerkbesluit
In dit besluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en
Niet relevant voor deze
professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld
planlocatie
Circulaire opslag ontplofbare
In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone)
Niet relevant voor deze
stoffen voor civiel gebruik
vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel
planlocatie
gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/of objecten uitgesloten. Het Activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations en gasdrukmeet- en regelstations.
10/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Deel 1: N233 Rondweg Veenendaal-Oost
3 Onderzoeksmethodiek Wijze van beoordeling op hoofdlijnen De manier waarop de effecten worden bepaald, verschilt per criterium. Soms kan een effect kwantitatief worden bepaald (bv. ‘10 m2’ of ‘4 gebouwen’), soms is alleen een kwalitatieve benadering mogelijk. De beoordeling van effecten vindt plaats door de effecten te scoren volgens een systeem van plussen en minnen. Hiervoor worden eerst de effecten in klassen ingedeeld door het bepalen van klassengrenzen. Daarbij is rekening gehouden met de verwachte reikwijdte van de onderzoeksresultaten en de mate van het effect. Elke klasse wordt gekoppeld aan een kwalitatieve score met plussen en minnen. Door het inzichtelijk maken van klassengrenzen is altijd navolgbaar welke beoordeling is toegepast bij een bepaalde mate van het effect. Voor de vertaling naar kwalitatieve scores is in dit onderzoek gebruik gemaakt van de volgende 5 puntsschaal (zoals dat ook gebeurt bij de andere milieuthema's in de andere achtergrondrapporten): Tabel 3.1 5 Puntsschaal voor de effectbeoordeling Waardering effecten
Omschrijving ++
Zeer positief effect
+
(Licht) positief effect
0
Niet of nauwelijks effect / neutraal
-
(Licht) negatief effect
--
Zeer negatief effect
De effecten zijn voor alle criteria bepaald zonder rekening te houden met eventuele mitigerende maatregelen. Uitzondering hierop zijn de maatregelen die standaard worden toegepast bij de realisatie van wegen/infrastructuur en een mitigerend effect hebben. Deze maatregelen maken onderdeel uit van de voorgenomen activiteit. Op basis van de gepresenteerde effecten worden mogelijke aanvullende mitigerende maatregelen beschreven om de negatieve effecten te voorkomen of te beperken. De volgende drie criteria zijn meegenomen en worden hieronder toegelicht: 1. Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie 2. 3.
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
11/32
Kenmerk
3.1
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
3.1.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek In de omgeving van de planlocatie kunnen diverse risicobronnen aanwezig zijn die een extern veiligheidsrisico veroorzaken met een effect op de planlocatie. Indien een risicobron op korte afstand van de planlocatie is gelegen kan dit een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling van de planlocatie. Aan de hand van gegevens van de landelijke risicokaart wordt een inventarisatie uitgevoerd naar alle externe veiligheidsrisicobronnen die mogelijk van invloed kunnen zijn op de planlocatie. Alle activiteiten worden hierbij meegenomen: inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes (weg, spoor, water) en (ondergrondse) buisleidingen. Van de geconstateerde risicobronnen wordt aan de hand van de wetgeving bepaald of er sprake is van een significant extern veiligheidsrisico of dat het om een acceptabel restrisico gaat. 3.1.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 3.2 Toelichting waardering effecten invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie Waardering
Toelichting
++
Zeer positieve waardering van de omgeving
+
(Licht) positieve waardering van de omgeving
0
Niet van invloed op de planlocatie
-
(Licht) negatieve waardering van de omgeving
--
Zeer negatieve waardering van de omgeving
Een zeer positieve beoordeling is aan de orde wanneer er in de ruime omtrek van de planlocatie geen enkele risicobron aanwezig is. Wanneer er sprake is van een beperkt aantal risicobronnen wordt een (licht) positieve beoordeling gegeven. Een neutrale beoordeling volgt wanneer er wel sprake is van potentiële risicobronnen in de omgeving, maar waarbij de effectafstanden hiervan niet overlappen met de planlocatie. Er is sprake van een (licht) negatieve waardering dan wel zeer negatieve waardering wanneer de effectafstanden van potentiële risicobronnen overlappen met de planlocatie.
3.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
3.2.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt:
12/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
1.
De kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp, zoals het ontsnappen van een
2.
gevaarlijke stof, plaatsvindt De kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of ramp
Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Een PR van 10-6 wordt in de regels voor ruimtelijke ordening en externe veiligheid als een relatief hoog risico beschouwd. Bij een PR van 10-6 is de kans dat een persoon op die afstand van het ongeval daadwerkelijk overlijdt nog redelijk groot. Wegens dit soort relatief grote overlijdenskansen mogen er binnen de contour van 10-6 in principe geen kwetsbare objecten staan. In bijlage 1 wordt nader ingegaan op de beoordelingscriteria en definities binnen externe veiligheid. RBM II is het voorgeschreven rekenpakket voor het berekenen van de omgevingsveiligheidsrisico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Met RBM II wordt bepaald of bij de N233 aan de risiconormen zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes wordt voldaan. Met het rekenpakket kunnen de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water worden berekend.
3.2.2 Wijze van beoordeling Voor het criterium plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 3.3 Toelichting waardering effecten plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Waardering
Toelichting
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
Niet of nauwelijks effect op de omgeving
-
(Licht) negatief effect op de omgeving
--
Zeer negatief effect op de omgeving
Wanneer er geen sprake is van een PR 10-6 contour van de transportroute N233 zal dit worden beoordeeld als zijnde niet of nauwelijks effect op de omgeving. Als er wel sprake is van een PR 10-6 contour, maar deze overlapt niet met (beperkt) kwetsbare objecten en vormt conform het wettelijk kader geen verdere belemmering voor de omgeving zal dit worden beoordeeld (licht) negatief effect op de omgeving. In het geval dat er sprake is van een PR 10-6 contour die bovendien overlapt één of meerder (beperkt) kwetsbare objecten, dan zal dit worden beoordeeld als zeer negatief effect op de omgeving.
13/32
Kenmerk
3.3
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
3.3.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Het groepsrisico is een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, een groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Op basis van deze verkregen inzichten kan er bewuster worden omgegaan met risico's. Het groepsrisico kan toenemen door uitbreiding van risicovolle activiteiten enerzijds en door het verhogen van de personendichtheid (bijvoorbeeld door woningbouw) anderzijds. Voor het groepsrisico zijn geen harde normen vastgelegd, alleen oriënterende waarden. In onder andere het Bevi en het Bevt zijn regels opgenomen over de verantwoording van het groepsrisico. Gemeenten en provincies moeten bij een toename van het groepsrisico vaak verantwoording afleggen over het genomen besluit. Hierbij moeten ze in ieder geval aandacht besteden aan mogelijke alternatieven en risicoreducerende maatregelen en ook de mogelijkheden voor rampenbestrijding en hulpverlening belichten. De Veiligheidsregio heeft veelal een wettelijke adviestaak. In bijlage 1 wordt nader ingegaan op de beoordelingscriteria en definities binnen externe veiligheid. Evenals het plaatsgebonden risico wordt middels RBM II het groepsrisico voor de N233 berekend. 3.3.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 3.4 Toelichting waardering effecten groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Waardering
Toelichting
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
Niet of nauwelijks effect op de omgeving
-
(Licht) negatief effect op de omgeving
--
Zeer negatief effect op de omgeving
Wanneer 10 % van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden, of wanneer er überhaupt geen sprake is van een groepsrisico van de transportroute N233, zal dit worden beoordeeld als zijnde niet of nauwelijks effect op de omgeving. Als er wel sprake is van een groepsrisico, maar deze blijft tussen 10 % en 100 % van de oriëntatiewaarde, waarbij bovendien de toename meer dan 10 % is, zal dit worden beoordeeld met (licht) negatief effect op de omgeving. In het geval dat er sprake is overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico dan zal dit worden beoordeeld als zeer negatief effect op de omgeving.
14/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
4 Referentiesituatie Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie ten aanzien van externe veiligheid voor het MER. Om de effecten op het thema externe veiligheid te beoordelen, zijn de verschillende alternatieven voor de uitbreiding van de N233 bij Veenendaal vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie in het plan en studiegebied die in 2030 ontstaat als wordt verondersteld dat andere projecten in het gebied, waarover al een besluit is genomen, zijn uitgevoerd. De referentiesituatie is de situatie zonder de uitbreiding van de N233 bij Veenendaal en de uitbreiding van de brug bij Rhenen. De referentiesituatie is per beoordelingscriterium beschreven. De beschrijving vindt mede plaats op basis van kaarten. Ten oosten van de N233 zijn de woningbouwontwikkelingen beoogd waarvan een deel op dit moment al gerealiseerd is. Met name het deelgebied Buurtstede (tussen Groenpoort en Veenderij) is op dit moment in de afrondende fase. De deelgebieden Veenderij en Groenpoort dienen nog verder ontwikkeld te worden. Een impressie van de ligging van de deelgebieden is weergegeven in onderstaande figuur.
Groenpoort
Veenderij
Figuur 4.1 Ligging Groenpoort en Veenderij
Voor de woningbouwlocaties is op basis van een indicatieve analyse de verwachte aanwezige populatie in 2030 meegenomen in de nadere beschouwing. Dit geldt zowel voor de referentie situatie als de plansituatie. De exacte uitgangspunten hieromtrent zijn beschreven in bijlage 2.
15/32
Kenmerk
4.1
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
4.1.1 Buisleidingen Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 350 meter tot 450 meter (afhankelijk van de exacte locatie van het plangebied) een ondergrondse buisleiding voor transport van aardgas. Globaal gezien loopt deze parallel aan de N233 ter hoogte van de Grote Beer in de zuidelijke richting. De leiding betreft een aardgasleiding die beheerd wordt door Gasunie Grid Services. Gezien de afstand van de leiding tot aan het plangebied, het feit dat de buisleiding ondergronds is gesitueerd en geen risicocontour heeft, is de invloed van de buisleiding op het plangebied verwaarloosbaar. Derhalve wordt de buisleiding niet als een relevant veiligheidsrisico beschouwd. 4.1.2 Bevi-inrichtingen Ongeveer halverwege het plangebied zijn twee tankstations gelegen, beide zijn van Esso. Tankstations die LPG (autogas) afleveren vallen onder het Bevi, overige tankstations niet. Het tankstation aan de westelijke zijde in de zuidelijke rijrichting van de N233 levert LPG af en valt daarmee onder het Bevi. Voor dit tankstation zijn drie PR 10-6-contouren gegeven: voor de afleverinstallatie, voor het vulpunt en voor het reservoir. Deze contouren vallen gedeeltelijk over de N233 en kunnen daardoor een effect hebben op het plangebied. Het plangebied zelf is geen kwetsbaar object. Hierdoor vormt de aanwezigheid van het LPG-tankstation geen belemmering voor het plangebied.
Figuur 4.2 Bevi-inrichtingen in de omgeving van het plangebied
16/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Aan de oostkant in de noordelijke rijrichting is een tankstation zonder een LPG-afleverinstallatie gesitueerd. Deze valt derhalve niet onder het Bevi en vormt het geen relevant risico voor het plangebied. Dit tankstation is rood gearceerd weergegeven in bovenstaande figuur. 4.1.3 Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen over spoor- en watertrajecten die een potentieel effect hebben op de planlocatie. Ten noorden van het plangebied kruist de N233 met de A12. Dit gedeelte van de A12 betreft wegvak nr. G8 welke is opgenomen in het basisnet 1. Deze transportroute kent conform het basisnet geen PR 10-6-contour (0 meter). Wel is er een PR 10-7-contour aanwezig (afstand circa 82 meter). Omdat de transportroute kruist met de N233/het plangebied en er voor de transportroute veiligheidsrisico’s zijn opgenomen kan deze van invloed zijn op de het plangebied. Er is echter geen sprake van een PR 10-6-contour, waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen belemmering is voor het plangebied.
Figuur 4.3 Kruising transportroute A12 met plangebied
4.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Het plangebied zelf, de transportroute N233, is gemodelleerd in het voorgeschreven rekenpakket RBM II. In de onderstaande afbeelding is een gedeelte van de N233 opgenomen van de referentiesituatie waarin de berekende PR-contouren zichtbaar zijn. De zwarte lijn is de weg, de blauwe lijn betreft de 10-7 PR-contour en de groene lijn betreft de 10-8 PR-contour. De PRcontouren in het model zijn over de gehele lengte van het plangebied nagenoeg gelijk, de onderstaande afbeelding is daarom representatief voor de rest van het plangebied.
1
Bron: Regeling basisnet
17/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
In bijlage 2 en bijlage 3 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
Figuur 4.4 PR-contouren referentiesituatie
4.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor dit gedeelte van de N233 is een groepsrisicoberekening uitgevoerd met RBM II. In de referentiesituatie is er een groepsrisico aanwezig die gelegen is boven 10 % van de oriëntatiewaarde. In onderstaande figuur is de grafiek van het groepsrisico weergegeven. In bijlage 2 en bijlage 3 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
18/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 4.5 Groepsrisico referentiesituatie
19/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
5 Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende varianten voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema externe veiligheid gepresenteerd. Tabel 5.1 Overzichtstabel effectbeoordeling N233 Rondweg-Oost zonder
N233 Rondweg-Oost
aansluiting Groenpoort
met aansluiting Groenpoort
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie Beoordeling
0
0
0
0
0
0
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Beoordeling Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Beoordeling
5.1
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
In de omgeving van de planlocatie bevindt zich een beperkt aantal risicobronnen. Deze risicobronnen zullen niet wijzigen of op enigerlei wijze veranderen waardoor een groter risico zal ontstaan gericht op de planlocatie dan in de referentiesituatie het geval is. Wel is er sprake van de aanwezigheid van een LPG-tankstation die een potentieel effect heeft op een klein gedeelte van de planlocatie. Er is echter geen sprake van een verslechtering van deze waardering voor de twee varianten, derhalve is dit aspect als neutraal beoordeeld. Mitigerende maatregelen Omdat er geen toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
5.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor de nieuwe variant(en) is de transportroute N233 opnieuw gemodelleerd in het voorgeschreven rekenpakket RBM II. In de onderstaande afbeelding is een gedeelte van de N233 opgenomen van de beoogde situatie waarin de PR-contouren zichtbaar zijn. De zwarte lijn is de weg, de blauwe lijn betreft de 10-7 PR-contour en de groene lijn betreft de 10-8 PR-contour. Dit PR-contouren in het model zijn over de gehele lengte van het plangebied nagenoeg gelijk, de onderstaande afbeelding is daarom representatief voor de rest van het plangebied. In bijlage 2 en bijlage 3 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
20/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 5.1 PR-contouren beoogde situatie
In de beoogde situatie is de weg duidelijk breder. In het model is rekening gehouden met een verdubbeling van het aantal rijstroken ten opzichte van de referentiesituatie (van in totaal twee rijstroken naar vier rijstroken). De 10-7 PR-contour is groter geworden. De 10-8 PR-contour, de groene lijn, is minimaal groter geworden. Er is nog steeds geen 10-6 PR-contour aanwezig. Er is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect plaatsgebonden risico vanuit het thema externe veiligheid. Mitigerende maatregelen Omdat er geen toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
5.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor de varianten is voor dit gedeelte van de N233 ook een groepsrisicoberekening uitgevoerd met RBM II. In de beoogde situatie is er een groepsrisico aanwezig die gelegen is boven 10 % van de oriëntatiewaarde. In onderstaande figuur is de grafiek van het groepsrisico weergegeven. In bijlage 2 en bijlage 3 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
21/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 5.2 Groepsrisico beoogde situatie
In vergelijking met de referentiesituatie is er een lichte stijging van het groepsrisico waarneembaar. Het groepsrisico is echter nog steeds ruim onder de oriëntatiewaarde gelegen. Er is derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Er is sprake van ligging van het groepsrisico boven 10 % van de oriëntatiewaarde (evenals in de referentiesituatie), echter de toename is minder dan 10 % en daarmee is dit criteriumneutraal gewaardeerd. Mitigerende maatregelen Omdat er geen significante toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
22/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Deel 2: N233 Rijnbrug Rhenen
6 Onderzoeksmethodiek Wijze van beoordeling op hoofdlijnen De manier waarop de effecten worden bepaald, verschilt per criterium. Soms kan een effect kwantitatief worden bepaald (bijvoorbeeld ‘10 m2’ of ‘4 gebouwen’), soms is alleen een kwalitatieve benadering mogelijk. De beoordeling van effecten vindt plaats door de effecten te scoren volgens een systeem van plussen en minnen. Hiervoor worden eerst de effecten in klassen ingedeeld door het bepalen van klassengrenzen. Daarbij is rekening gehouden met de verwachte reikwijdte van de onderzoeksresultaten en de mate van het effect. Elke klasse wordt gekoppeld aan een kwalitatieve score met plussen en minnen. Door het inzichtelijk maken van klassengrenzen is altijd navolgbaar welke beoordeling is toegepast bij een bepaalde mate van het effect. Voor de vertaling naar kwalitatieve scores is in dit onderzoek gebruik gemaakt van de volgende 5 puntsschaal (zoals dat ook gebeurt bij de andere milieuthema's in de andere achtergrondrapporten): Tabel 6.1 5 Puntsschaal voor de effectbeoordeling Waardering effecten
Omschrijving ++
Zeer positief effect
+
(Licht) positief effect
0
Niet of nauwelijks effect / neutraal
-
(Licht) negatief effect
--
Zeer negatief effect
De effecten zijn voor alle criteria bepaald zonder rekening te houden met eventuele mitigerende maatregelen. Uitzondering hierop zijn de maatregelen die standaard worden toegepast bij de realisatie van wegen/infrastructuur en een mitigerend effect hebben. Deze maatregelen maken onderdeel uit van de voorgenomen activiteit. Op basis van de gepresenteerde effecten worden mogelijke aanvullende mitigerende maatregelen beschreven om de negatieve effecten te voorkomen of te beperken. De volgende drie criteria zijn meegenomen en worden hieronder toegelicht: 1. Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie 2. Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen 3.
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
23/32
Kenmerk
6.1
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
6.1.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek In de omgeving van de planlocatie kunnen diverse risicobronnen aanwezig zijn die een extern veiligheidsrisico veroorzaken met een effect op de planlocatie. Indien een risicobron op korte afstand van de planlocatie is gelegen kan dit een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling van de planlocatie. Aan de hand van gegevens van de landelijke risicokaart wordt een inventarisatie uitgevoerd naar alle externe veiligheidsrisicobronnen die mogelijk van invloed kunnen zijn op de planlocatie. Alle activiteiten worden hierbij meegenomen: inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes (weg, spoor, water) en (ondergrondse) buisleidingen. Van de geconstateerde risicobronnen wordt aan de hand van de wetgeving bepaald of er sprake is van een significant extern veiligheidsrisico of dat het om een acceptabel restrisico gaat. 6.1.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 6.2 Toelichting waardering effecten invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie Waardering
Toelichting
++
Zeer positieve waardering van de omgeving
+
(Licht) positieve waardering van de omgeving
0
Niet van invloed op de planlocatie
-
(Licht) negatieve waardering van de omgeving
--
Zeer negatieve waardering van de omgeving
Een zeer positieve beoordeling is aan de orde wanneer er in de ruime omtrek van de planlocatie geen enkele risicobron aanwezig is. Wanneer er sprake is van een beperkt aantal risicobronnen wordt een (licht) positieve beoordeling gegeven. Een neutrale beoordeling volgt wanneer er wel sprake is van potentiële risicobronnen in de omgeving, maar waarbij de effectafstanden hiervan niet overlappen met de planlocatie. Er is sprake van een (licht) negatieve waardering dan wel zeer negatieve waardering wanneer de effectafstanden van potentiële risicobronnen overlappen met de planlocatie.
6.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
6.2.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.
24/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt: 1. 2.
De kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt De kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of ramp
Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Een PR van 10-6 wordt in de regels voor ruimtelijke ordening en externe veiligheid als een relatief hoog risico beschouwd. Bij een PR van 10-6 is de kans dat een persoon op die afstand van het ongeval daadwerkelijk overlijdt nog redelijk groot. Wegens dit soort relatief grote overlijdenskansen mogen er binnen de contour van 10-6 in principe geen kwetsbare objecten staan. In bijlage 1 wordt nader ingegaan op de beoordelingscriteria en definities binnen externe veiligheid. RBM II is het voorgeschreven rekenpakket voor het berekenen van de omgevingsveiligheidsrisico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Met RBM II wordt bepaald of bij de N233 aan de risiconormen zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes wordt voldaan. Met het rekenpakket kunnen de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water worden berekend.
6.2.2 Wijze van beoordeling Voor het criterium plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 6.3 Toelichting waardering effecten plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Waardering
Toelichting
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
Niet of nauwelijks effect op de omgeving
-
(Licht) negatief effect op de omgeving
--
Zeer negatief effect op de omgeving
Wanneer er geen sprake is van een PR 10-6 contour van de transportroute N233 zal dit worden beoordeeld als zijnde niet of nauwelijks effect op de omgeving. Als er wel sprake is van een PR 10-6 contour, maar deze overlapt niet met (beperkt) kwetsbare objecten en vormt conform het wettelijk kader geen verdere belemmering voor de omgeving zal dit worden beoordeeld (licht) negatief effect op de omgeving. In het geval dat er sprake is van een PR 10-6 contour die bovendien overlapt één of meerder (beperkt) kwetsbare objecten, dan zal dit worden beoordeeld als zeer negatief effect op de omgeving.
25/32
Kenmerk
6.3
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
6.3.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Het groepsrisico is een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, een groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Op basis van deze verkregen inzichten kan er bewuster worden omgegaan met risico's. Het groepsrisico kan toenemen door uitbreiding van risicovolle activiteiten enerzijds en door het verhogen van de personendichtheid (bijvoorbeeld door woningbouw) anderzijds. Voor het groepsrisico zijn geen harde normen vastgelegd, alleen oriënterende waarden. In onder andere het Bevi en het Bevt zijn regels opgenomen over de verantwoording van het groepsrisico. Gemeenten en provincies moeten bij een toename van het groepsrisico vaak verantwoording afleggen over het genomen besluit. Hierbij moeten ze in ieder geval aandacht besteden aan mogelijke alternatieven en risicoreducerende maatregelen en ook de mogelijkheden voor rampenbestrijding en hulpverlening belichten. De Veiligheidsregio heeft veelal een wettelijke adviestaak. In bijlage 1 wordt nader ingegaan op de beoordelingscriteria en definities binnen externe veiligheid. Evenals het plaatsgebonden risico wordt middels RBM II het groepsrisico voor de N233 berekend. 6.3.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 6.4 Toelichting waardering effecten groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Waardering
Toelichting
++
n.v.t.
+
n.v.t.
0
Niet of nauwelijks effect op de omgeving
-
(Licht) negatief effect op de omgeving
--
Zeer negatief effect op de omgeving
Wanneer 10 % van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden, of wanneer er überhaupt geen sprake is van een groepsrisico van de transportroute N233, zal dit worden beoordeeld als zijnde niet of nauwelijks effect op de omgeving. Als er wel sprake is van een groepsrisico, maar deze blijft tussen 10 % en 100 % van de oriëntatiewaarde, waarbij bovendien de toename meer dan 10% is, zal dit worden beoordeeld met (licht) negatief effect op de omgeving. In het geval dat er sprake is overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico dan zal dit worden beoordeeld als zeer negatief effect op de omgeving.
26/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
7 Referentiesituatie Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie ten aanzien van externe veiligheid voor het MER. Om de effecten op het thema externe veiligheid te beoordelen, zijn de verschillende alternatieven voor de uitbreiding van brug bij Rhenen vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie in het plan en studiegebied die in 2030 ontstaat als wordt verondersteld dat andere projecten in het gebied, waarover al een besluit is genomen, zijn uitgevoerd. De referentiesituatie is de situatie zonder de uitbreiding van de N233 bij Veenendaal en de uitbreiding van de brug bij Rhenen. De referentiesituatie is per beoordelingscriterium beschreven. De beschrijving vindt mede plaats op basis van kaarten.
7.1
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
7.1.1 Buisleidingen In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Dit aspect is derhalve niet relevant voor nadere beschouwing. 7.1.2 Bevi-inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante Bevi-inrichtingen gesitueerd. De dichtst bijgelegen Bevi-inrichting ligt op een afstand van circa 350 meter van de N233. De PR 10-6-contour hiervan komt niet in de buurt van het plangebied. Dit aspect is derhalve niet relevant voor nadere beschouwing. 7.1.3 Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante transportroutes gelegen die een potentieel effect hebben op het plangebied. Dit aspect is derhalve niet relevant voor nadere beschouwing.
7.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Het plangebied zelf, de transportroute N233/N255, is gemodelleerd in het voorgeschreven rekenpakket RBM II. In de onderstaande afbeelding is een gedeelte van de N233/N255 opgenomen van de referentiesituatie waarin de berekende PR-contouren zichtbaar zijn. De zwarte lijn is de weg, de blauwe lijn betreft de 10-7 PR-contour en de groene lijn betreft de 10-8 PR-contour. De PR-contouren in het model zijn over de gehele lengte van het plangebied nagenoeg gelijk, de onderstaande afbeelding is daarom representatief voor de rest van het plangebied. In bijlage 2 en bijlage 4 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
27/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 7.1 PR-contouren referentiesituatie
7.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor dit gedeelte van de N233 is een groepsrisicoberekening uitgevoerd met RBM II. In de referentiesituatie is er een groepsrisico aanwezig die gelegen is onder 10 % van de oriëntatiewaarde. In onderstaande figuur is de grafiek van het groepsrisico weergegeven. In bijlage 2 en bijlage 4 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
28/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 7.2 Groepsrisico referentiesituatie
29/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
8 Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende varianten voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema externe veiligheid gepresenteerd. Tabel 8.1 Overzichtstabel effectbeoordeling N233 Rijnbrug
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
Beoordeling
0
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Beoordeling
0
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen Beoordeling
8.1
0
Invloed (van risicobronnen) vanuit de omgeving op planlocatie
In de omgeving van de planlocatie bevindt zich een beperkt aantal risicobronnen. Deze risicobronnen zullen niet wijzigen of op enigerlei wijze veranderen waardoor een groter risico zal ontstaan gericht op de planlocatie dan in de referentiesituatie het geval is. Er zijn in de nabije omgeving geen risicobronnen aanwezig die een effect kunnen hebben op de planlocatie. Derhalve is dis aspect gewaardeerd als zijnde niet van invloed op de planlocatie. In de twee varianten zal deze beoordeling niet veranderen. Mitigerende maatregelen Omdat er geen toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
8.2
Plaatsgebonden risico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor de nieuwe variant(en) is de transportroute N233/N255 opnieuw gemodelleerd in het voorgeschreven rekenpakket RBM II. In de onderstaande afbeelding is een gedeelte van de N233/N255 opgenomen van de beoogde situatie waarin de PR-contouren zichtbaar zijn. De zwarte lijn is de weg, de blauwe lijn betreft de 10-7 PR-contour en de groene lijn betreft de 10-8 PR-contour. Dit PR-contouren in het model zijn over de gehele lengte van het plangebied nagenoeg gelijk, de onderstaande afbeelding is daarom representatief voor de rest van het plangebied. In bijlage 2 en bijlage 4 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
30/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 8.1 PR-contouren beoogde situatie
De 10-7 PR-contour is groter geworden. De 10-8 PR-contour, de groene lijn, is minimaal groter geworden. Er is nog steeds geen 10-6 PR-contour aanwezig. Er is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect plaatsgebonden risico vanuit het thema externe veiligheid. Mitigerende maatregelen Omdat er geen toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
8.3
Groepsrisico van wegtraject door vervoer gevaarlijke stoffen
Voor de varianten is voor dit gedeelte van de N233 ook een groepsrisicoberekening uitgevoerd met RBM II. In de beoogde situatie is er een groepsrisico aanwezig die gelegen is onder 10 % van de oriëntatiewaarde. In onderstaande figuur is de grafiek van het groepsrisico weergegeven. In bijlage 2 en bijlage 4 zijn de gehanteerde uitgangspunten voor de modellering en de detailresultaten opgenomen.
31/32
Kenmerk
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Figuur 8.2 Groepsrisico beoogde situatie
In vergelijking met de referentiesituatie is er een lichte stijging van het groepsrisico waarneembaar. Het groepsrisico is echter nog steeds ruim onder de oriëntatiewaarde gelegen. Er is derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Omdat er sprake is van ligging van het groepsrisico onder 10 % van de oriëntatiewaarde (evenals in de referentiesituatie) is dit aspect als neutraal gewaardeerd. Mitigerende maatregelen Omdat er geen significante toename in negatieve effecten ten aanzien van externe veiligheid worden verwacht, is er geen noodzaak voor mitigerende maatregelen.
32/32
Kenmerk
Bijlage 1
R005-1271416LVR-V02-sbb-NL
Beoordelingscriteria en definities Externe Veiligheid
Beoordelingscriteria en definities Externe Veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie. Hierbij dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van externe veiligheid zijn hieraan getoetst.
1.1
Plaatsgebonden risico
Het PR is het risico op een plaats nabij een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval bij de risicobron. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door middel van risicocontouren rond de risicobron en is onafhankelijk van de aanwezige bevolking. Voor transportroutes is in het Basisnet opgenomen wat de begrensde risicoruimte is voor deze infrastructuur. Deze begrensde risicoruimte, de zogenaamde Basisnetafstand of het PR-plafond, wordt gevormd door de maximale PR 10-6 contour die het vervoer van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Voor inrichtingen worden de 10-6 contouren berekend, tenzij er gewerkt wordt met vaste afstanden (bijvoorbeeld voor LPG stations).
1.2
Groepsrisico
Het GR is de cumulatieve kans dat per jaar tenminste tien mensen slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt weergegeven in een zogenaamde FN-curve waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale as het aantal doden logaritmisch is weergegeven. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde waaraan getoetst wordt. In de navolgende afbeelding is de oriëntatiewaarde te herkennen aan de stippellijn.
Figuur 1: Groepsrisicocurve
Bepalend voor de hoogte van het groepsrisico is het aantal personen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is gelijk aan de 1 % letaliteitsafstand, dit is de afstand tot waar 1 % van de bevolking komt te overlijden als gevolg van een incident bij de risicobron. Indien een ontwikkeling buiten deze afstand valt, hebben de aanwezige personen geen invloed op de groepsrisicoberekening en worden deze dus niet meegenomen.
1.3
Kwetsbare objecten
Deze eerder omgeschreven PR 10-6 contour geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat kwetsbare objecten niet binnen deze contour aanwezig mogen zijn of mogen komen. Kwetsbare objecten worden in het Bevi in artikel 1 als volgt gedefinieerd: a. Woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens die aangemerkt worden als beperkt kwetsbare objecten. Dit zijn: verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden. b. Gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: • Ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen • •
Scholen Gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen
c. Gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object 2.
Complexen waarin meer dan vijf winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd
2/4
d. Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen In paragraaf 5.3 van de Nota van Toelichting van het oorspronkelijke Bevi (Staatsblad 2004 nummer 250) wordt een verhandeling gegeven over de kwetsbare objecten en de achterliggende gedachten hierbij. In de aanpassing van het Bevi in 2008 (Staatsblad 2008 nummer 380) worden onder andere de woonschepen toegevoegd en wordt met enkele tekstuele aanpassingen duidelijker gemaakt dat de opsomming van kwetsbare objecten niet limitatief is.
1.4
Doorkijk naar Omgevingswet
Met de Omgevingswet bundelt de overheid de regels voor ruimtelijke projecten. Zo wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Eén van de onderwerpen binnen de Omgevingswet is omgevingsveiligheid (externe veiligheid). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder de Omgevingswet, vanaf 2021, is er een andere manier van omgaan met het groepsrisico. Het begrip ‘aandachtsgebieden’ wordt geïntroduceerd voor externe veiligheid. Nationale en lokale regels en vergunningen verplichten tot veilig gebruik én transport van gevaarlijke stoffen. Als er toch een ongeval gebeurt, is het nodig de omgeving te beschermen tegen gevaren als brand, explosie of een gifwolk. Dit vraagt al bij de inrichting van de omgeving om extra aandacht voor de plekken waar mensen niet voldoende beschermd zijn door de minimale bouwvoorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de reguliere rampenbestrijding. Deze gebieden zullen worden aangeduid als aandachtsgebieden. Er zijn drie typen aandachtsgebieden, namelijk het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.