24-05-02 Bijlage 1 - Economische Agenda Nij Begun - 13 juni 2025
Tekst van het document
Noord-Drenthe doet het tot nu toe vooral op eigen kracht. De gehele regio kan veel leren van deze kracht. In grote delen van de regio blijft de vrijetijdseconomie sterk achter. Zo staat de provincie Groningen in veel opzichten onderaan in Nederland. Slechts 1,3% van alle overnachtingen in Nederland vindt in Groningen plaats. Ook neemt het voorzieningenniveau in dorpen al jaren af en scoort het imago van Groningen laag. Tegelijkertijd biedt onze regio juist veel moois op het gebied van erfgoed, landschap, cultuur en sport. Er liggen grote kansen om de vrijetijdseconomie als sector ambitieus te ontwikkelen door in de hele regio te investeren. De sector kan veel werkgelegenheid leveren voor inwoners met verschillende opleidingsniveaus, herintreders en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Maar de impact kan veel verder reiken: de sector draagt ook bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, waardoor het voor zowel inwoners, nieuw talent en kenniswerkers aantrekkelijker wordt om hier te wonen en zich te vestigen. Dit is van belang bij de positionering van Groningen en Noord-Drenthe als interessante vestigingsregio voor bedrijven. Hierdoor draagt vrijetijdseconomie ook bij aan het succes van de andere sectoren in de regio. Het overeind houden van winkels en horeca in dorpen voorkomt verschraling en vergroot de aantrekkelijkheid van dorpen als woonplek.
68
Vrije tijd speelt een cruciale rol in de mentale en fysieke gezondheid en persoonlijke ontwikkeling en identiteit. Ten slotte heeft de vrijetijdssector een belangrijke indirecte invloed op de economie. Investeren in de vrijetijdseconomie heeft hiermee een sterk multipliereffect. Waar zet de Economische Agenda op in: Als nooit tevoren gaat deze regio investeren in de vrijetijdseconomie en zo de achterstand omzetten in een voorsprong. Er moeten jaarlijks 1,5 miljoen meer bezoekers naar de regio komen om te recreëren en te verblijven, met een verdubbeling in verblijfsduur. De Economische Agenda gaat het realiseren van deze voorsprong substantieel cofinancieren met een reservering van 200 miljoen euro. Dit betekent dat overheden en het bedrijfsleven moeten meeinvesteren. Op deze manier verleiden we nieuwe en bestaande partijen meer verantwoordelijkheid te nemen, groter te denken en veel meer samen te werken. Vrijetijdseconomie en cultuur vormen een wezenlijk onderdeel van het regionale verdienvermogen. Voorwaarde voor succes is een ambitieus en regio-dekkend programma waarin de verhalen van de regio op een krachtige manier terugkomen, met duidelijke betrokkenheid van een nieuwe generatie initiatiefnemers en ondernemers. Onderwerpen als arbeidsmarkt, ondernemerschap, onderwijs en samenwerking binnen de sector en een goede vertegenwoordiging, moeten onderdeel zijn van dit programma.
Daarnaast is het noodzakelijk te investeren in de herbestemming van erfgoed voor vrijetijdsondernemers in agrarisch, religieus en industrieel erfgoed. Herbestemming van erfgoedpanden voegt waarde toe aan de regionale economie. Het draagt bij aan een aantrekkelijke
69
- Nieuwe (plekken voor) evenementen op unieke locaties op het gebied van sport en cultuur zoals een internationale marathon, optredens van internationale artiesten of een internationale kunstmanifestatie om te zorgen voor extra bezoekredenen. 2. Verblijfsaccommodaties Er is ruimte in onze regio voor meer hoogwaardige verblijfsaccomodaties. Het huidige aanbod is vooral geconcentreerd in de stad. Er is een stevige impuls nodig in het verblijfsaanbod in de rest van de regio: een verdubbeling van het aantal bedden in professionele hotels, bijzondere vakantieparken, typisch Groningse B&B’s met bijzondere Groningse architectuur of in herbestemd historisch erfgoed.
leefomgeving, behoud van de gebiedsidentiteit en biedt inspiratie voor innovatie en technologische ontwikkelingen. Bovendien versterkt dit het regionale zelfbewustzijn en het imago van de regio. We zien ruimte om de vrijetijdssector serieus te ontwikkelen op de volgende terreinen: 1. Uitbreiden en versterken dagrecreatief aanbod Voor inwoners en bezoekers moet er het hele jaar door meer te beleven zijn. Daarom is het nodig toe te werken naar minimaal vijf grote en tien middelgrote publiekstrekkers die bezoekers uitnodigen om stad en regio te bezoeken. We zien kansen voor het versterken en toevoegen van trekkers op de volgende gebieden: - Museaal aanbod door bijvoorbeeld een depotfunctie van één van de rijksmusea, een foto- of sportmuseum toe te voegen met (inter-)nationale uitstraling en het versterken van het huidige aanbod. - Natuurbeleving door het veel beter toegankelijk maken van onze mooie natuur en gevarieerde (cultuur)landschap, zoals het Middag-Humsterland, met kwalitatief hoogstaande ondersteunende voorzieningen zoals een uitstekende kop koffie. - Nieuw en onderscheidend vrijetijdsaanbod in de hele regio om gericht een impuls te geven aan de ontwikkeling van de sector. - Gericht investeren in erfgoedparels met een bovenregionale publieksfunctie zoals museale borgen, kloosters, landgoederen en havezaten.
70
3. Zakelijke markt Zakelijk toerisme - waarbij bezoekers komen voor een congres, beurs of vergadering - is een belangrijk aanvullend segment op ‘recreatief toerisme’ omdat deze omzet door de week en buiten de schoolvakanties oplevert en leidt tot vervolgbezoek. De regio moet als zakelijke bestemming terugkomen op plek 3 (nu plek 9). De congres-alliantie Groningen Conventions moet worden versterkt en er moet meer worden geïnvesteerd in de uitbreiding van faciliteiten, als onderdeel van het overkoepelende plan. Wat doet de Economische Agenda niet: Investeren in vrijetijdseconomie vraagt iets van alle regionale partners. De samenwerking moet op een nieuwe manier opgebouwd en georganiseerd worden, met de structurele betrokkenheid van overheden en ondernemers. De regionale ambitie om in te zetten op vrijetijdseconomie is niet nieuw maar heeft tot nu toe onvoldoende gestalte gekregen. Daarom investeert de Economische Agenda ook hier niet in single-stakeholder initiatieven en voegt bij voorkeur geen extra subsidie toe aan een het bestaande oerwoud aan subsidies, maar zet in op het samen met betrokken overheden beter richten van het bestaande instrumentarium. De Economische Agenda investeert niet in de structurele exploitatie, het beheer en onderhoud van voorzieningen en tekorten in lopende begrotingen.
Aanvullend financiert de Sociale Agenda met een focus op het culturele erfgoed in de regio, evenals cultuurcoaches en culturele arbeidskrachten. Met de uitbreiding van de onderwijstijd wordt vanuit de Sociale Agenda een stevige impuls gegeven aan culturele werkers in het onderwijs.
71
Voorbeeld: economische plus op gebiedsontwikkelingen Het gevarieerde landschap van onze regio met het gezichtsbepalend agrarische, religieuze en industriële erfgoed geeft de regio haar unieke identiteit en karakter en onderscheidt de regio van andere delen van Nederland. In delen van onze provincie wordt de komende jaren fors geïnvesteerd in het landschap om het landelijk gebied toekomstbestendiger te maken, bijvoorbeeld op het gebied van waterhuishouding, klimaatbestendigheid en de gebiedsplannen van het Toekomst Landelijk Gebied. Als plus op deze ontwikkelingen in het landelijk gebied maakt de Economische Agenda investeringen mogelijk in publieksvoorzieningen, nieuwe initiatieven voor verblijfs- en dagrecreatie, wandel- en fietsroutes, agrotoerisme, natuurbeleving en de herbestemming van erfgoed. Hiermee versterken we de identiteit en het onderscheidende karakter van onze regio en vergroten we het verdienvermogen. Eigentijds nieuw aanbod maakt het aantrekkelijker om in de regio te wonen en draagt zo bij aan het behouden van talent. Zo koppelen we meerdere investeringsstromen aan de doelen van de Economische Agenda.
BORG VERHILDERSUM MUSEUM WIERDENLAND
FRAEYLEMABORG SLOCHTEREN DE GRAANREPUBLIEK
LANDGOED NIENOORD UNESCO GEOPARK DE HONDSRUG
VEENHUIZEN BOURTANGE
MUSEUM KLOOSTER TER APEL
Uitvoering van de Economische Agenda vraagt om meer dan intensivering van wat we al hebben. Er moet meer worden samengewerkt en dat vraagt iets van alle partijen. Een andere wijze van organiseren van de uitvoering is daarom vanzelfsprekend en op basis van de kabinetsreactie en het startdocument nadrukkelijk onderdeel van de Economische Agenda. Immers: ‘Als we doen wat we deden, krijgen we wat we kregen.’ De Economische Agenda heeft een uitvoeringsstructuur nodig. De uitvoeringsstructuur moet zo eenvoudig mogelijk zijn, samenwerking stimuleren, sturen op doelstellingen voor de lange termijn en ruimte bieden om flexibel in te springen op onvoorziene kansen. We maken in die structuur gebruik van de kennis en kunde die er is in de regio. Voorop staat dat besluitvorming over publieke middelen moet plaatsvinden binnen politiek-bestuurlijke kaders met een duidelijke verantwoording, maar dat betekent niet dat ieder individueel project onderdeel van politieke besluitvorming zou moeten zijn. In de voorgestelde samenwerking organiseren we de structurele betrokkenheid en zeggenschap van overheden, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De Economische Agenda is er voor het gedeelde belang en dat vraagt een gezamenlijke verantwoordelijkheid en inzet.
In de manier van uitvoering moet specifieke aandacht zijn voor het gezamenlijk - triple helix - formuleren van projecten en programma’s en daar ook gezamenlijk in investeren. Het projectgenererend vermogen en de executiekracht van de regio moet een impuls krijgen, zodat de beschikbare middelen ten goede komen aan de regio. De Economische Agenda vervult de rol van ontwikkelmotor in deze samenwerking.
WEC WADDENZEE
GRONINGER MUSEUM
7 Uitvoering: samen werken
De kwartiermaker heeft onafhankelijk advies gevraagd over de uitvoering van de Economische Agenda8. Voor het opstellen van dit advies is gesproken met alle betrokken overheidsbestuurders en met stakeholders vanuit ondernemers en kennisinstellingen. Ook zijn op rijksniveau bestuurlijk en topambtelijk gesprekken gevoerd. In hoofdstuk 7.1 beschrijven we op hoofdlijnen de uitvoeringsstructuur van de Economische Agenda op basis van dit onafhankelijke advies en schetsen we het vervolgproces. De komende periode werken we aan het implementeren van deze structuur. Het staat voorop dat we hierin recht doen aan de rol van volksvertegenwoordigingen in besluitvorming over regionale samenwerking conform de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR). De structuur wordt op zo’n manier uitgewerkt dat deze adaptief is voor de toekomst. 8 Zie advies Berenschot ‘Verkenning en advies governance Economische Agenda’ (2025) op: nijbegun.nl/documenten
72
73
7.1 Uitvoeringsstructuur De Economische Agenda wordt uitgevoerd met betrokkenheid van alle overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven. De hoofdstructuur voor aansturing en uitvoering van de Economische Agenda moet vier essentiële taken vervullen: 1. Het fungeren als bankrekening waar het Rijk de middelen naar kan overdragen. 2. Het vaststellen van de lange termijn Economische Agenda en het vertalen daarvan in een concreet uitvoeringsplan. 3. Het toekennen van financiële middelen aan programma’s en projecten. 4. Het afleggen van verantwoording over de uitgave van publieke middelen in relatie tot de gestelde doelen. De Economische Agenda gaan we uitvoeren via een getrapte structuur van een openbaar lichaam (GR) met daarnaast een stichting. Deze structuur toont gelijkenissen met hoe overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven in de metropoolregio Eindhoven samenwerken onder de noemer ‘Brainport’. Openbaar lichaam In het openbaar lichaam zijn alle regionale overheden vertegenwoordigd door kroonbenoemde burgemeesters, dijkgraven en de commissaris van de Koning van de provincie Groningen. De politiek-inhoudelijke expertise wordt in commissies georganiseerd die zwaarwegend adviseren. Conform het advies gaan we voor de uitwerking uit van gelijkwaardige stemverhoudingen en besluitvorming bij meerderheid van stemmen.
Zo doen we recht aan de noodzaak echt samen te werken en dit met vertrouwen te doen. Het Rijk neemt een eigenstandige positie in als agendalid9 en voert in het kader van haar zorgplicht, via de Staat van Groningen en Noord-Drenthe, gesprekken met het openbaar lichaam over voortgang en resultaten van de Economische Agenda. Het Rijk stuurt daarop door middel van het formuleren van bestedingsdoelen en uitkeringsvoorwaarden bij het over-maken van de middelen. De provincie Drenthe zal eveneens agendalid zijn omdat zij enerzijds een grote inhoudelijke betrokkenheid heeft maar anderzijds in de Wet Groningen geen partij is en daarmee geen formele verantwoordelijkheid heeft voor het behalen van de doelen. Vanuit het openbaar lichaam wordt verantwoording afgelegd over de besteding van de middelen aan volksvertegenwoordigingen. Het openbaar lichaam gaat over wat we willen bereiken en onder welke voorwaarden we daaraan werken. Oftewel: de langjarige doelen, inhoudelijke kaders op hoofdlijnen en daarmee het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan Economische Agenda. Ook 9 Agenda-lidmaatschap houdt in dat de vergaderstukken worden toegezonden en dat de leden worden uitgenodigd voor vergaderingen.
74
de uitvoeringsplannen worden vastgesteld door het openbaar lichaam, maar dit laat het opstellen daarvan aan de triple helix georganiseerd in een stichting. Om te zorgen dat portefeuillehouders inhoudelijk betrokken zijn wordt een politiekbestuurlijke commissie ingesteld. Het openbaar lichaam wint bij het vaststellen van alle onderdelen advies in bij deze commissie. Stichting Het openbaar lichaam gaat over de inhoudelijke en financiële kaders en de leden van het algemeen bestuur kunnen daarover ter verantwoording worden geroepen door hun volksvertegenwoordiging. Dan blijft de vraag wie er gaat over het ‘hoe’, inclusief de toekenning van middelen aan specifieke programma’s en projecten. Om de gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen gestalte te geven, wordt de besluitvorming op dat niveau uitgevoerd door de triple helix (zijnde overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen) in de vorm van een stichting.
RaboResearch (2022, pagina 3) over onze regio “Een grote opgave is om letterlijk nieuwe energie in de organisatie van het bedrijfsleven te brengen. Bedrijven mogen meer het voortouw nemen bij de strategievorming van de regio. Door als groep bedrijven de krachten te bundelen en als één entiteit naar voren te treden, doe je ertoe en zit je bij belangrijke partijen aan tafel. Verenigd kun je immers beter uitdragen waar je als groep behoefte aan hebt. Overheid en onderwijs zullen op die manier meer naar bedrijven toe bewegen. Dit is nodig, aangezien overheid en onderwijs op dit moment zeer bepalend zijn voor de beleidsvorming en -richting. (..) Zodra er een evenwichtige triple helix ontstaat, kunnen de verschillende partijen werken aan een gezamenlijke visie en vervolgens een gezamenlijke agenda.”
Deze stichting staat aan de lat voor het - binnen de door het openbaar lichaam vastgestelde meerjarig uitvoeringsplan Economische Agenda - opstellen van uitvoeringsplannen, opstellen van een gedetailleerde procedure van beoordeling en het op basis daarvan beslissen over de toekenning van middelen. Om stabiliteit te borgen zal het uitvoeringsplan een looptijd van zes jaar hebben, passend bij het langjarige karakter van de ondersteuning van projecten en programma’s. Er ontstaat dan een getrapte structuur. Op die manier vindt uitvoering plaats binnen duidelijke politiek- bestuurlijk kaders, maar is deze zelf niet politiek.
75
Het bestuur van de stichting zal technocratisch, op basis van expertise en gezag, zijn. Dat betekent dat leden er niet zitten als vertegenwoordiger of functionaris van één van de overheden, kennisinstellingen of bedrijven, maar op basis van expertise, profiel en gezag. Zo keuren zij niet hun eigen vlees. Voordracht van bestuurders gebeurt wel vanuit de verschillende geledingen. De stichting heeft ook een belangrijke rol als ontwikkelmotor in het formuleren van projecten, programma’s en initiatieven waar ‘witte vlekken’ zitten. Het is daarvoor cruciaal dat er nauwe verbinding is met zowel de beste ambtenaren van de overheden als de beste medewerkers van bedrijfsleven en kennisinstellingen. Zo wordt op één plek de samenwerking op de thema’s van de Economische Agenda georganiseerd en de ontwikkel- en executiekracht van de regio verhoogd. Verhouding openbaar lichaam en stichting De relatie tussen het openbaar lichaam en de stichting wordt geregeld in de gemeenschappelijke regeling, de statuten van de stichting en via de financieringsen verantwoordingsrelatie. In de statuten wordt in ieder geval opgenomen dat het stichtingsbestuur in al haar handelen binnen de politiek gestelde kaders van de Economische Agenda en het meerjaren uitvoeringsplan dient te blijven. De stichting legt verantwoording af aan het openbaar lichaam over de besteding van de middelen.
Doeltreffende samenwerking Er mogen niet meerdere structuren los van elkaar op ongeveer hetzelfde sturen. De afgelopen jaren is al veel geïnvesteerd in economische ontwikkeling, onder andere met de Economic Board, Nationaal Programma Groningen, de NOM, SNN, het Akkoord van Groningen en Werken aan Ontwikkeling. Komende periode gaan we verduidelijken hoe deze partijen zich verhouden tot de uitvoeringsstructuur. Voorop staat dat een heldere structuur en samenwerking de effectiviteit en efficiëntie van inzet moet vergroten zodat de middelen uiteindelijk bijdragen aan het behalen van de doelen. De komende periode integreren we in ieder geval de uitvoering van het Masterplan Campussen in de Economische Agenda. Ook wordt verkend in welke vorm Nationaal Programma Groningen in de voorgestelde structuur kan worden ondergebracht. Vervolg Het is duidelijk dat het opzetten van deze uitvoeringsstructuur niet over één nacht ijs gaat. We hebben de basis gelegd die nodig is om de start van de uitvoering mogelijk te maken. Deze basis werken we gezamenlijk uit. Dit doen we op zo’n manier dat er ruimte is om in de toekomst aanvullingen te doen wanneer daar inhoudelijk aanleiding toe is. De vorm is immers het middel om de inhoud mogelijk te maken. Doel is dat deze structuur in 2026 in de basis operationeel is.
Deze structuur moet ook worden ondersteund. Het openbaar lichaam heeft een secretaris-directeur met een achtergrond bij de overheid. Die is verantwoordelijk voor topambtelijke afstemming met de besturen en voor het goed laten functioneren van de governance. De stichting heeft een directeur met een achtergrond in het bedrijfsleven of bij een kennisinstelling en een stevige en deskundige staf. Deze staf bestaat uit medewerkers vanuit de verschillende betrokken organisaties. Hun taak is het opstellen van uitvoeringsplannen en het voorbereiden van besluitvorming in het bestuur.
Aandachtspunten Voor de uitwerking van deze hoofdstructuur is het nodig aandacht te hebben voor: - De wijze waarop volksvertegenwoordigers naast hun formele rol conform de WGR directer betrokken kunnen worden. Ons inziens vraagt verlengd lokaal bestuur ook om een vorm van verlengde democratische controle. - De wijze waarop jongeren en vertegenwoordigers en functionarissen van bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in een adviescommissie van het openbaar lichaam worden georganiseerd. - De mogelijkheden om naast de triple helix maatschappelijke organisaties en jongeren een formele positie te geven in de GR of stichting.
76
77
Betrokkenheid jongeren De grootste vernieuwers van de economie zoals we die nu kennen zijn hun bedrijf nog niet gestart, zitten misschien nog op de basisschool of zijn zelfs nog niet geboren. Voor de werkenden van de toekomst geldt hetzelfde. Nu we bouwen aan een economische agenda voor de komende dertig jaar is het vanzelfsprekend jongeren te betrekken. Dat doen we door: het verwerken van inhoudelijk inbreng, de inhoud van de agenda te richten op deze belangrijke groep inwoners, de ondersteuning van ondernemerschapsvaardigheden en het faciliteren van initiatieven van jong ondernemerschap. Al deze onderwerpen krijgen een duidelijke plek in het opstellen van de uitvoeringsplannen en daar zal ook substantieel budget voor komen. Maar, betrekken alleen is niet genoeg. Met een agenda voor dertig jaar en een uitvoeringsstructuur die mogelijk langer functioneert is het van belang jongeren echt positie te geven aangezien zij met een ander toekomstgericht perspectief en minder gehinderd door gevestigde belangen kijken. Wat de Economische Agenda betreft gaan we hierin echt verder dan meepraten en meedenken. Dit betekent dat de stem van jongeren gehoord wordt in besluitvorming op de momenten die ertoe doen.
We doen hier twee concrete voorstellen voor: (1) elke geleding van de triple helix draagt minimaal 1 bestuurslid voor die bij aanvang jonger is dan 30 jaar en (2) de stichting wordt statutair verplicht tot de betrokkenheid van jongeren in het opstellen van uitvoeringsplannen door de stichting.
8 Financierings- en adviesinstrumenten en regeldruk Uitvoering van de Economische Agenda vraagt passende financierings instrumenten en inzet om de regeldruk voor alle betrokken partijen te verlagen. Financieringsinstrumenten Uitgangspunt van de agenda is dat inzet van geld moet passen bij het doel dat een specifiek initiatief, project of programma wil bereiken ten behoeve van de Economische Agenda (brede welvaart). De Economische Agenda zal zowel bestaande instrumenten inzetten als nieuwe instrumenten, speciaal bedacht en ingericht voor deze agenda. De beschikbare middelen zullen voornamelijk in een financieringsmix worden ingezet, waarbij niet enkelvoudige subsidies maar gezamenlijk investeren, deelnemen en ondernemen de voorkeur hebben. Daarmee ontwikkelen en zorgen we samen voor Return on Investment (ROI) op investeringen met publieke middelen. Sommige ondernemers weten de weg naar subsidies goed te vinden terwijl andere, vaak lokaal mkb, hier in mindere mate toe in staat zijn. De Economische Agenda kan beschikken over instrumenten om te investeren, subsidiëren, adviseren, ondersteunen en (mede)ontwikkelen en wil een substantiële hefboom realiseren. Daarvoor gaan we samenwerken met regionale en nationale partijen die middelen en waardevolle expertise hebben.
In de regio zijn dat bijvoorbeeld lopende programma’s zoals Interreg en regionale investeringsfondsen zoals het NOM Fonds en het Groninger Groeifonds. Nationaal zijn dat regelingen en fondsen van RVO en Invest NL en internationaal de Europese Investeringsbank (EIB). Ook met private partijen zoals pensioenfondsen zoeken we samenwerking. De agenda zet geld, waar mogelijk, gezamenlijk in met dergelijke partijen. Nu al werken Rijk, provincie, NOM en de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) samen aan strategische acquisitie van (internationale) bedrijven. Daartoe kan uit een daarvoor speciaal bestemd budget subsidie of risicokapitaal worden ingezet om partijen in specifieke keten- en clusterambities - die bijdragen aan economische structuurversterking - aan te trekken. Wanneer het instrument succesvol blijkt, kan het een blijvende plek krijgen in de instrumentenmix van de agenda.
78
79
SER Noord, (2023, pagina 4): Organiserend vermogen voor visie- en projectontwikkeling ontbreekt: “In Noord-Nederland wordt nog onvoldoende gebruikgemaakt van het aanwezige organiserend vermogen om voor de inhoudelijke thema’s waar verschillende partijen aan werken, in gezamenlijkheid een integrale visie en strategie te ontwikkelen, met een heldere stip op de horizon. Er is te weinig onderscheidend vermogen binnen de gesignaleerde thema’s wat vervolgens geconcretiseerd kan worden om te komen tot een heldere, consistente aanpak. Dit doortrekkend zien we dat er te weinig organiserend vermogen en ontwikkelcapaciteit is voor industriële projecten in de regio. Met de volgende punten wordt dit tot uitdrukking gebracht: - Ontbreken van ontwikkelfaciliteiten (geld en menskracht) en geen duidelijke regie hierop. - Beperkte kennis en ervaring van initiatiefnemers met de pré- financieringsfase. Ondersteuning bij projectontwikkeling ontbreekt. - Het bestaande mkb kan in de innovatieve processen vaak maar moeilijk aanhaken. De ondersteuning die er is, spitst zich toe op de ‘usual suspects’ (vooral kennisinstellingen en grotere innovatieve bedrijven). - Beperkte ervaring bij gemeenten en provincies op Europees niveau voor het organiseren van projecten.”
Uiteindelijk is het doel een goed werkende, eenduidige en eenvoudige financieringsketen te realiseren. Daarbij denken we in ieder geval aan de volgende instrumenten: - Revolverend fonds Bij een revolverend fonds wordt geld in een zodanige vorm beschikbaar gesteld dat het terugbetaald dient te worden en er rente over betaald wordt; door de aflossing komen de middelen terug in het fonds, door rente groeien deze. Of er staat mede-eigendom (aandelenpositie) in het bedrijf tegenover, dat later kan worden verkocht voor een hogere opbrengst. Het geld komt zo weer terug in het fonds en kan opnieuw en dus meerdere keren (revolverend) worden ingezet. We hebben er hierbij aandacht voor dat de investeringshorizon van een fonds past bij de regionale opgaven. De Economische Agenda wil in ieder geval positieve impact hebben via de financiering van start-ups in een heel vroege fase en voor scale-ups in de eerste financieringsronde via een fonds.
80
- Subsidie Naast financieren kan de agenda ook subsidiëren. Er zijn situaties waarbij het belang van het aanjagen of op gang brengen van een ontwikkeling zwaarder weegt dan de kans op financieel rendement. Marktfalen willen opheffen kan hier een voorbeeld van zijn. De Economische Agenda kijkt naar een slimme financieringsmix van risicokapitaal en subsidie (blended finance). Bij projecten zal cofinanciering worden gevraagd. In elke private of publiek-private samenwerking zal aandacht zijn voor (EU-)staatssteunkaders en stapeling. We verkennen de mogelijkheden voor regionale uitzondering op deze kaders. Advies- en kennisinstrumenten Uitvoering van de agenda vraagt naast financieringsinstrumenten goed toegankelijke advies- en kennisinstrumenten voor het mkb. Regionaal, nationaal en internationaal zijn er veel instrumenten en adviseurs. Het organiseren van het beter benutten daarvan is een belangrijke taak in de uitvoering van de Economische Agenda. Initiatiefnemers moeten in een zo vroeg mogelijk stadium kunnen rekenen op creatieve en deskundige sparringpartners. Voor ‘hun eigen’ (mkb) doelgroepen worden bestaande organisaties als NOM en Economic Board Groningen via extra Rijksmiddelen versterkt met ‘loop- en organiserend vermogen’ voor de agenda.
Het ministerie van Economische Zaken heeft een cluster ingericht om in overleg met partners in de agenda, bedrijfsleven, kennisinstellingen, etc. te ondersteunen bij projecten zoals acquisitie, innovatie en opschaling van (bewezen) aanpak. Ook door het inbrengen van kennis vanuit en initiëren van samenwerking met andere ministeries. Regeldruk Om de ontwikkel- en executiekracht van de regio te vergroten moet worden gekeken naar de regeldruk en doorlooptijden voor alle betrokken partijen. In het uitvoeren van de Economische Agenda zetten we daarom breder in dan alleen op nieuwe financieringsinstrumenten, efficiënte beoordelingsprocessen en passende beslissingsbevoegdheid. Staatssteun De Economische Agenda voor Groningen en Noord-Drenthe dient ter ondersteuning van de sociaaleconomische ontwikkeling van de regio. Bij het ondersteunen van ondernemingen met publieke middelen - door middel van investeringen in deze regio door overheden - moet rekening worden gehouden met het (EU) staatssteunrecht. Het staatssteunkader biedt verschillende vrijstellingen om deze investeringen verenigbaar te maken met de interne markt. Er moet worden afgewogen of deze vrijstellingen toereikend zijn of eventueel een melding nodig is bij de Europese Commissie over de rechtmatigheid van de investeringen. Dit gaan we in de volgende fase verkennen.
81
9 Monitoring: wanneer is de agenda een succes?
Iedere kernindicator kent twee soorten streefwaarden, aansluitend bij de systematiek van de Sociale Agenda: - Drempelwaarde De regio mag niet onder deze waarde komen; wordt de waarde onderschreden, dan is extra inzet of herprioritering nodig. Soms gaat het om behoud van een bepaald niveau en soms om een lichte verbetering – afhankelijk van de indicator, de huidige score en ook de specifieke doelstelling waar deze bij hoort.
De Economische Agenda draagt samen met de Sociale Agenda bij aan het strategische doel om binnen één generatie ten minste op het nationale gemiddelde te komen op relevante indicatoren van brede welvaart. Door een generatielang te investeren, biedt de Economische Agenda een kans voor duurzame economische structuurversterking van de regio. Binnen de Economische Agenda zijn verschillende hoofd- en subdoelen geformuleerd als operationalisering van het strategische doel, zoals ook te lezen is in hoofdstuk 5 van deze agenda. De Economische Agenda wil voortdurend leren. Periodiek wordt bekeken of met de gekozen strategie, de beoogde resultaten en daarmee doelen bereikt worden of dat er bijsturing nodig is. Voor de monitoring zijn (1) indicatoren en (2) streefwaarden geselecteerd. Indicatoren kunnen een doel concreet en meetbaar maken; waarbij de streefwaarden de gewenste resultaten op die indicatoren aangeven. In lijn met de eerder gedeelde uitgangspunten, is gekozen voor ambitieuze streefwaarden, die zijn gebaseerd op het advies van bureau Rebel. De indicatoren zijn onder te verdelen in ‘kernindicatoren’ en ‘signaalindicatoren’. Kernindicatoren zijn indicatoren die in hoge mate iets zeggen of een doel bereikt wordt. Dit maakt dat deze indicatoren geschikt zijn om op doelen te kunnen sturen.
De kernindicatoren zijn noodzakelijk om een goede invulling te geven aan de monitoring (need to have) en zijn samengevat in de tabellen op de volgende pagina.
- Ambitiewaarde De stip op de horizon waarmee we laten zien hoe groot de sprong moet zijn om écht onderscheid te maken. Dat moeten waarden zijn waar ambitie uit spreekt, waarvoor veel moet meezitten, maar die ook niet onrealistisch zijn.
Doel 1: Het stimuleren van een toekomstbestendige economie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Kernindicator
Bron
Frequentie (meest recent)
Drempelwaarde
Ambitiewaarde
Emissieintensiteit
CBS
Eenmalig
Nader uit te werken
Nader uit te werken
Tevredenheid met woonomgeving
CBS
Driejaarlijks (2024)
De regio scoort minimaal 83,8% conform het Nederlandse gemiddelde, elke deelregio (variërend van 72% - 90%) behoudt minstens zelfde niveau
De regio scoort beter dan het Nederlands gemiddelde en geen enkele gemeente binnen de regio scoort meer dan 2 procentpunt onder het gemiddelde: Geen enkele deelregio onder de 81,8%
Doel 2: Het verdienvermogen van de regio verhogen en het bevorderen van ondernemerschap Kernindicator
Bron
Frequentie (meest recent)
Drempelwaarde
Ambitiewaarde
Gestarte vestigingen per 10.000 inwoners
WSJG / KVK
Per kwartaal (2024)
Halvering achterstand regio t.o.v. NL: 140 per 10.000 inwoners
Regio gelijk aan NL: 156
Aantal vestigingen van snelgroeiende bedrijven per 10.000 inwoners
WSJG / KVK
Jaarlijks, maar tot 2020*
Regio gelijk aan referentie landelijk: 12
Regio gelijk aan NL: 13
EEI
Universiteit
Jaarlijks (2024)
Oost-Groningen verbetert naar 7;
Oost-Groningen verbetert
Utrecht /
Noord-Drenthe en Delfzijl naar 7,5 tot
naar 7,5; Noord-Drenthe
Birch
8; Overig Groningen niet slechter
en Delfzijl naar 8 tot 8,5; Overig Groningen naar 13
82
83
Doel 2/3: H et verdienvermogen van de regio verhogen en meer talent benutten Kernindicator
Bron
Mediaan besteedbaar inkomen
CBS
Huishoudens onder lageinkomensgrens
CBS
Doel 4: Meer kennis uit de regio verzilveren
Ambitiewaarde
Kernindicator
Bron
Frequentie (meest recent)
Drempelwaarde
Ambitiewaarde
Jaarlijks (2022)* Halvering achterstand regio t.o.v. NL: ca. € 39.300
Regio gelijk aan NL: ca. € 41.700
Aantal spin-offs voortkomend uit kennisinstellingen
RUG
Jaarlijks
Nader uit te werken
Nader uit te werken
Jaarlijks (2022)* Halvering achterstand regio t.o.v. NL: 4,5%
Regio gelijk aan NL: 4.4% en geen enkele gemeente zit boven de 5% (muv Groningen als gemeente: niet hoger dan 5,5%)
Verleende NL-octrooien RVO per 100.000 inwoners
Vijfjaarlijks (2023)
Regio zit op 30 per 100.000 inwoners
Regio zit op 38 per 100.000 inwoners
Frequentie (meest recent)
Drempelwaarde
Doel 3: M eer talent ontwikkelen, beter benutten en aan de regio binden Frequentie Drempelwaarde (meest recent)
Kernindicator
Bron
Stay rate
Talentmonitor Groningen
N.t.b.
Halvering achterstand regio Regio doet het beter dan NL: mbo 65%, hbo 55%, wo 35% op alle opleidingsniveaus tov NL: mbo 61%, hbo 45%, wo 30%
Inverse van stay rate
Talentmonitor Groningen
N.t.b
Halvering achterstand stay rate regio t.o.v. NL (zie hierboven) in combinatie met een inverse stay rate voor provincie Groningen die niet onder de 23% daalt
Onbenut arbeidspotentieel
CBS
Jaarlijks (2024) Regio gelijk aan NL: 8,7%,
Ambitiewaarde
Stay rate voor de regio gelijk aan NL (zie hierboven) in combinatie met een inverse stay rate voor de provincie Groningen die niet onder de 23% daalt -> NB dit kan alleen als het lukt om ook meer mensen die zijn opgegroeid buiten de provincie aan te trekken Regio doet het beter dan NL en halveert
en Groningen als gemeente afstand tot referentie landelijk: 7,1%, en richting aan referentie stad: Groningen als gemeente gelijk aan referentie stad: 10,2%
11%
Doel 5: V ersterken van ons regionale economische zelfbewustzijn en ons imago Kernindicator
Bron
Frequentie Drempelwaarde (meest recent)
Ambitiewaarde
ISI van Groningers
Provincie vergelijkbaar met Friesland en NoordBrabant: 7
Provincie hoger dan Friesland en NoordBrabant: 7,5
ISI van nietGroningers
Provincie vergelijkbaar met Friesland en NoordBrabant: 5,5
Provincie hoger dan Friesland en NoordBrabant: 6,5
Provincie vergelijkbaar met Friesland en NoordBrabant: 4
Provincie hoger dan Friesland en NoordBrabant: 6
Regio richting score van ‘(zeer) goed’: 5,5
Regio op score ‘(zeer) goed’: 7
Verwachting Groningers over ISI van nietGroningers ISI van nietGroningse bedrijven
Imagomonitor Groningen
Jaarlijks (2024)*
Naast de kernindicatoren heeft de Economische Agenda een aantal signaalindicatoren. Deze indicatoren zijn interessant om te monitoren in het kader van de Economische Agenda omdat ze een breder beeld geven over hoe we er voor staan. Hier worden geen streefwaarden aan gekoppeld. Deze indicatoren zijn wel essentieel voor een goede ontwikkeling van de regio. Zie Tabel 1 voor een weergave van de signaalindicatoren. Voor de achtergrond van deze indicatoren verwijzen we naar het advies van Rebel. De kern- en signaal-indicatoren bieden gezamenlijk een breed inzicht in de economische situatie van de regio en hoe deze situatie zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde.
84
85
Tabel 1: Signaalindicatoren voor de Economische Agenda Hoofddoel
Signaalindicatoren
1. H et stimuleren van een toekomstbestendige economie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
• • •
Living Planet Index Emissies van fijnstof naar de lucht Kwaliteit van zwemwater binnenwateren
2. H et verdienvermogen van de regio verhogen en het bevorderen van ondernemerschap
• •
Aanbod kapitaal mkb (€) Totale export (goederen en diensten)
3. M eer talent ontwikkelen, dit talent beter benutten en aan de regio binden
• •
Voortijdig schoolverlaters (%) / startkwalificaties Netto arbeidsparticipatie (%)
4. Meer kennis uit de regio verzilveren
• • • •
Innovatieve bedrijven (%) Publieke R&D uitgaven (% bruto regionaal product) Private R&D uitgaven (% bruto regionaal product) Arbeidsproductiviteit (€/gewerkt uur)
5. Versterken van ons regionale economische zelfbewustzijn en ons imago.
•
Trots Groningers op provincie/woonplaats (rapportcijfer)
Monitoring van output en outcome Bovenstaand overzicht geeft weer welke kernindicatoren goed passen bij de gekozen doelen en streefwaarden. Het betreffen zogenaamde outcomeindicatoren: cijfers die laten zien of de doelen uiteindelijk zijn behaald. Vaak is er een aanzienlijke vertraging tussen het opschrijven van een bepaalde interventie, het uitvoeren ervan (output) en het moment dat het effect ervan is terug te zien in (CBS-)cijfers (outcome). Daarom gaat de Economische Agenda op termijn ook de outcome monitoren, zodat inzichtelijk is wat de voortgang van de uitvoering is en zodat op die manier al eerder is te bepalen of het aannemelijk is dat de doelstellingen worden behaald. Dit kan pas wanneer meer duidelijk is over de uitvoering van concrete maatregelen van de Economische Agenda.
86
Samenhangende monitoring via de Staat van Groningen en Noord-Drenthe In de Staat van Groningen en Noord-Drenthe wordt periodiek verantwoording afgelegd over de voortgang van Nij Begun en daarmee ook de Economische Agenda. Binnen de regio bestaan verschillen. Dat de regio als geheel of een bepaalde gemeente op het landelijk gemiddelde scoort, kan verhullen dat er in specifieke gebieden grote problemen bestaan die moeten worden aangepakt. Dat is meegenomen in de opzet van de monitoring. De indicatoren bieden gezamenlijk een breed inzicht in de economische situatie van de regio en hoe deze zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. Bij de indicatoren is rekening gehouden met twee aspecten. Enerzijds een logische aansluiting op de doelen van de Economische Agenda en het streven naar brede welvaart. Anderzijds databetrouwbaarheid, -beschikbaarheid (ook op lokaal niveau) en de frequentie van rapportage. Als de precieze uitvoeringsstructuur en bijbehorende maatregelen voor de Economische Agenda verder zijn uitgewerkt, kunnen indicatoren en streefwaarden nader worden uitgewerkt. Dit is iets om samen met de relevante partijen te doen. Streefwaarden kunnen op verschillende manieren worden geformuleerd10.
Mochten er in de tussentijd nieuwe indicatoren beschikbaar komen die beter de doelen van de Economische Agenda weerspiegelen, dan kan ervoor gekozen worden deze in het monitoringsapparaat op te nemen. Dit weerspiegelt het adaptieve karakter van de agenda. Voor de bepalingen in de Groningenwet is gekozen voor een benchmark (binnen één generatie tenminste op het nationaal gemiddelde te komen op de belangrijkste indicatoren van brede welvaart). Voor de Economische Agenda zijn streefwaarden omgezet in absolute waarden: die zijn transparant, direct te koppelen aan beleidsinstrumenten en voorkomen dat we ons richten op een steeds verschuivend nationaal gemiddelde. Het is immers moeilijk schieten op een bewegend doel. De ambitie- en drempelwaarden gelden voor het dertigjaars eindpunt; voor tussentijdse sturing kan worden gedacht aan een trendlijn, waarmee tijdig kan worden bijgestuurd als het tempo achterblijft.
10 Zie advies Rebel ‘Economische Agenda - Indicatoren en streefwaarden’ (2025) op: nijbegun.nl/documenten
87
Overzicht van alle indicatoren Doelen
Kernindicator
1
Emissie-intensiteit CBS
1
2/3
2/3
Tevredenheid met woonomgeving*
Bron
CBS
Mediaan besteedbaar inkomen*
CBS
Huishoudens
CBS
Frequentie Drempelwaarde (meest recent)
Ambitiewaarde
Doelen
Kernindicator
Bron
Nader uit te werken
3
Inverse van stay rate
Talentmonitor Groningen
Eenmalig (2020)
Nader uit te werken
Driejaarlijks (2024)
Geen enkele deelregio onder de 82% Elke deelregio (variërend van 72% - 90%) behoudt minstens zelfde niveau
Jaarlijks (2022) Halvering achterstand regio t.o.v. NL: ca. € 39.300
Regio gelijk aan NL: ca. € 41.700
Jaarlijks (2022) Halvering
Regio gelijk aan NL: 4.4% en geen
onder lageinkomensgrens* Gestarte
WSJG / KVK
vestigingen
Ambitiewaarde
N.t.b
Stay rate voor de regio gelijk
Halvering achterstand stay rate regio t.o.v. NL (zie hierboven) in combinatie met een inverse stay rate voor provincie Groningen die niet onder de 23% daalt
3
Onbenut arbeidspotentieel
CBS
Aantal vestigingen
WSJG / KVK
van snelgroeiende
t.o.v. NL: 4,5%
Groningen als gemeente: niet hoger dan
10,2% 4
Aantal spin-offs voortkomend uit kennisinstellingen
RUG
Jaarlijks (2022) Nader uit te werken
Nader uit te werken
Regio gelijk aan NL: 156
4
Verleende NL-
RVO
Vijfjaarlijks
Regio zit op 30 per 100.000
Regio zit op 38 per 100.000
(2023)
inwoners
inwoners
Per kwartaal
Halvering
(2024)
achterstand regio
octrooien per
t.o.v. NL: 140 per
100.000 inwoners
Regio gelijk aan referentie landelijk:
bedrijven 2
EEI
Regio gelijk aan NL: 13
Jaarlijks (2024) Oost-Groningen
5
5
12 Universiteit
Oost-Groningen verbetert naar 7,5; Noord-
Utrecht /
verbetert naar 7;
Drenthe en Delfzijl naar 8 tot 8,5; Overig
Birch
Noord-Drenthe
Groningen naar 13
5
en Delfzijl naar
Imagomonitor Jaarlijks (2024) Provincie vergelijkbaar met
Provincie hoger dan Friesland
Groningen
Friesland en Noord-Brabant: 7
en Noord-Brabant: 7,5
ISI van niet-
Provincie vergelijkbaar met
Provincie hoger dan Friesland
Groningers
Friesland en Noord-Brabant: 5,5 en Noord-Brabant: 6,5
ISI van Groningers
5
Groningen niet slechter Stay rate
Talentmonitor Groningen
N.t.b.
Halvering
Regio doet het beter dan NL: mbo: 65%,
achterstand
hbo: 55%, wo: 35%
regio op alle
Universiteit
Groningers over
Utrecht /
7; Noord-Drenthe en Delfzijl
ISI
Birch
naar 7,5 tot 8; Overig Groningen Delfzijl naar 8 tot 8,5; Overig Groningen naar 13 niet slechter
ISI van nietGroningse bedrijven
Jaarlijks (2024) Oost-Groningen verbetert naar
Regio richting score van ‘(zeer)
naar 7,5; Noord-Drenthe en
Regio op score ‘(zeer) goed’: 7
goed’: 5,5
*Deze kernindicatoren zijn ook onderdeel van de Brede Welvaartsindicatoren van het CBS.
opleidingsniveaus tov NL: mbo: 61%, hbo: 45%, wo: 30%
88
Oost-Groningen verbetert
Verwachting
7,5 tot 8; Overig
3
Groningen die niet onder de
gelijk aan referentie stad:
achterstand regio
tot 2020
stay rate voor de provincie
Groningen als gemeente
enkele gemeente zit boven de 5% (m.u.v.
Jaarlijks, maar
combinatie met een inverse
Regio doet het beter dan Jaarlijks (2024) Regio gelijk aan NL: 8,7%, en Groningen als gemeente richting NL en halveert afstand tot aan referentie stad: 11% referentie landelijk: 7,1%, en
10.000 inwoners 2
aan NL (zie hierboven) in
23% daalt
5,5%) 2
Frequentie Drempelwaarde (meest recent)
89
10 Vervolg Om de Economische Agenda de komende dertig jaar te realiseren, zijn er in 2025 een aantal vervolgstappen te zetten: 1. Uitvoeringsplan De hier genoemde thema’s werken we in 2025 met ondernemers, kennisinstellingen en overheden uit in een eerste uitvoeringsplan. In deze aanpak voor de korte termijn beschrijven we de voorgenomen activiteiten en beschikbare budgetten. We stellen dit op in samenhang met lopende trajecten zoals de omgevingsvisies en het NOVEX-gebied Groningen/ Masterplan Zeehavens en het gebiedsplan Toekomst Landelijk Gebied. De activiteiten binnen dit plan kunnen uiteenlopen van projectfinanciering tot fondsvorming, projectontwikkeling en uitvragen. Het uitvoeringsplan wordt in de toekomst periodiek herijkt onder leiding van de stichting in de uitvoeringsstructuur. Het openbaar lichaam neemt vervolgens besluiten over deze meerjarenprogramma’s. De koers die we willen varen richting structurele economische verbeteringen en maatschappelijke meerwaarde is duidelijk. De precieze stappen krijgen de komende decennia vorm, meebewegend met ontwikkelingen en kansen. Omdat dit uitvoeringsplan wordt opgesteld zonder aansturing vanuit de gewenste governance zal deze een korte(re) looptijd krijgen dan de geadviseerde reguliere zes jaar.
Ook is de nieuwe uitvoeringsstructuur nog niet beschikbaar om het uitvoeringsprogramma vast te stellen, dit zal nu via dezelfde procedure als de Economische Agenda zelf verlopen.
2. Implementeren en verder uitwerken van de uitvoeringsstructuur Na besluitvorming over de Economische Agenda en de daarin beschreven hoofdlijn van de uitvoeringsstructuur, moeten de dan besloten onderdelen (openbaar lichaam en stichting Economische Agenda) formeel worden opgericht en ingericht. Ook is er op een aantal punten uitwerking nodig in samenspraak met betrokken partijen. Daarnaast moet de uitvoering verder worden vormgegeven: wie doet wat en hoe zijn verantwoordelijkheden en sturing belegd. En hoe richten we de ondersteuning van GR en stichting in. Over al deze onderwerpen is vervolgens besluitvorming nodig.
90
3. Financieringsinstrumenten De benodigde instrumenten om daadwerkelijk resultaten te behalen worden verkend en verder vormgegeven. De doelen, voorwaarden en uitgangspunten uit deze agenda en de inhoudelijke aanscherping die daaruit voortkomt in een meerjarig uitvoeringsplan, vertalen we in transparante procedures van beoordeling en toekenning en passende financieringsinstrumenten. Terwijl we aan (de uitwerking van) de Economische Agenda werken staat de wereld niet stil. We houden samen met bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden de vinger aan de pols. Welke economische en maatschappelijke ontwikkelingen zien we en welke kansen doen zich voor die passen bij de doelen van de Economische Agenda? Hoe ontwikkelen bestaande initiatieven, programma’s en projecten zich en waar zien we samenhang? De samenwerking zoals die straks formeel wordt vormgegeven, willen we nu al in gang zetten. Of het nu gaat om het betrekken van volksvertegenwoordigingen of het benutten van de kennis en kunde uit de regio en het land.
91
Literatuur Arbeidsmarktregio Groningen (2024). Regio in beeld 2024- 2025.
Dijk, van J., Brunow, S. en Dall Schmidt, T. (2022). The long-term consequences of brain drain related to depopulation on social and territorial cohesion with a focus on the North of the Netherlands and a short comparison with Germany and Denmark: Research Report Department of Economic Geography. Groningen: RUG - Faculty of Spatial Sciences.
Arbeidsmarktregio Groningen (2024). Regioschets basiscijfers jeugd 2023. Atlas Research (2024). Middeldorp, M., Veldkamp, J. en Joosse, A. Aanknopingspunten voor een Nij Begun. Bathelt, H., Malmberg, A. en Maskell, P. (2004). Clusters and knowledge: Local, buzz, global pipelines and the process of knowledge creation, Progress in Human Geography, 28(1). Bijkerk, S. en Raspe, O. (2024). Bredere-welvaartslens biedt nieuw zicht op ongelijkheid. ESB,15 mei 2024. Bijkerk, S. en Raspe, O. (2024). Eerste generatie theoretisch opgeleiden ervaren minder brede welvaart. Utrecht: RaboResearch. Bijkerk, S. en Raspe, O. (2024). Kleinere bedrijven op grotere achterstand in transitie naar nieuwe economie. Utrecht: RaboResearch.
Erken, H. (2024). Lage groei productiviteit mede door ongunstige structuur economie. ESB, 109. Garretsen, H. (2019). Een pleidooi voor indirect innovatiebeleid, Me Judice, 26 september 2019. Garretsen, H. (2024). Gevestigde kritiek op industriebeleid botst met nieuwe realiteit. ESB, 109. Garretsen, H., McCann, Ph., Martin, R. en Tyler, P. (2013). The future of regional policy, Cambridge Journal of Regions, Economy and Society, 6. Hospers, G.J. (2010). Making sense of place: from cold to warm city marketing, Journal of Place Management and Development, Vol. 3 No. 3, pp. Hospers, GJ. (2010). Spatial self-preference: On the limits of place marketing to attract new residents and firms. Place Brand Public Dipl 6.
Boisen, M., Terlouw, K., Groote, P. en Couwenberg, O. (2018). Reframing place promotion, place marketing, and place branding - moving beyond conceptual confusion. Cities, 80.
Hospers, G.J. (2020). A Short Reflection on City Branding and its Controversies, TESG.
Boschma, R. en Balland, P. (2022). Nieuwe methode brengt kansen op regionale vernieuwing in kaart. ESB, 107.
JongerenTop (2024). Jong in Groningen, de dialoogsessies. Kantar Public (2022). Imagomonitor Groningen 2022.
Brakman, S. en Dijk van J. (2024). ‘Regionaal beleid, Elke Regio Telt, wat moet anders voor het Noorden?’. Research Report Faculty of Economics & Faculty of Spatial Sciences, University of Groningen, mei 2024. Achtergrondrapport voor het advies ‘Wat kan Elke regio telt! betekenen voor een Sterk Noord Nederland? Concrete suggesties voor het Noorden’ van SER Noord-Nederland.
Kantar Public (2023). Imagomonitor Groningen 2023. KAW (2024). Masterplan Regiocentra Groningen.
CBS (2018). Monitor Brede Welvaart 2018, Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Masterplan Campussen (2023). Eindrapportage Toekomstagenda Groningen.
Kleinknecht, R. (2024). Investeren in verdienvermogen vergt politici met lef. ESB, 109.
NOM (2024). Energie voor de toekomst. NOM (2024). Van economische achterblijver naar innovatieve koploper.
92
93
Nijs, S. en Thissen, M. (2024). Duurder gas drukt de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. ESB, 109. Planbureau voor de Leefomgeving (2024). Brede welvaart in elke regio. Voor welke keuzes staat het Rijk? Porter, M.E. (2000). Location, competition and economic development: local clusters in a global economy, in: Economic Development Quarterly, 141. RaboResearch (2022). Nieuwe energie en sterkere chemie in Metropoolregio Groningen. Raspe, O. en Stam, E. (2019). Brede welvaart in de regio verdient meer aandacht. ESB, 104. Rijksoverheid (2024). Nationale Technologiestrategie. Rijksoverheid (2024). Ruimtelijke Economische Verkenning.
Talent in de regio (2024). Talentmonitor. www.talendinderegio.com/talentmonitor. Venhorst, V.A., Edzes, A.J.E., Broersma, L. en Dijk, van J. (2011). Brain drain of brain gain? Hoger opgeleiden in grote steden in Nederland. Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen. Vogelaar, J.J., Cloosterman, E., Stam, E. en Oosterwaal, L. (2020). Economisch beleid regio: naar een missie-gestuurde ecosysteembenadering. Economisch Statistische Berichten. Jaargang 105 (4790), 8 oktober 2020. Vogelaar, S. en Stam, E. (2024). Kritiek op de ‘ondernemende staat’ biedt lessen voor beleid. ESB, 109. Weterings, A., Staak, van der M., Snellen, D. en Thissen, M. (2024). Brede welvaart in elke regio. Voor welke keuzes staat het Rijk? Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
Sander, F.J., Aalders, R., Raspe, O., Bavel, van B., Lippe, van der T., Rijpma, A. en Stam, E. (2024). Brede welvaart herstelt, maar ongelijkheid tussen regio’s neemt toe, RaboResearch en Universiteit Utrecht. SER Noord-Nederland (2014). Aan de slag. Innovatieondersteuning voor het mkb in Noord-Nederland. SER Noord-Nederland (2023). Voorwaarden voor regionale innovatie. SNN (2021). Research- en innovatiestrategie voor slimme specialisatie (RIS3) voor Noord-Nederland 2021-2027. SNN en Rijksuniversiteit Groningen (2024). Innovatiemonitor Noord-Nederland 2024. Span, T. et. Al. (2024). Start-ups groeien harder dan andere starters. ESB, 109. Stam, E. (2022). Er is meer inzicht nodig in de effectiviteit en efficiëntie van ondernemerschapsbeleid. ESB, 107. Storper, M. en Venables, A. (2004). Buzz: face-to-face contact and the urban economy, in: Journal of Economic Geography, 42.
94
95
Colofon Fotografie Zeemering Media, Stella Dekker, Peter Tahl, Niels Knelis Meijer, Deon Prins, Koos de Wit, Vincent Lublink, provincie Drenthe, Moament Media Ontwerp Buro Open Economische Agenda Dit document is vastgesteld door de colleges van de gemeenten in Groningen en Noord-Drenthe, het college van de provincie Groningen, de dagelijks besturen van de twee waterschappen in de regio en de ministerraad. We hebben tijdens het ontwikkelen van dit document op drie momenten gevraagd aan iedereen in Groningen en Noord-Drenthe om hierop te reageren, namelijk bij het ontwikkelen van: de uitgangspunten, de doelen en deze Economische Agenda. De reacties hebben we gebruikt bij aanpassingen die we gedaan hebben. Nij Begun De parlementaire enquêtecommissie gaswinning trok 24 februari 2023 harde conclusies. Groningers en Drenten verdienen een nij begun: een mooie, leefbare, veilige en betere toekomst. Dertig jaar lang wordt gewerkt aan herstel en perspectief. De gevolgen van de gaswinning laten diepe sporen na bij een groot deel van onze inwoners. Een noodzakelijke voorwaarde voor een betere toekomst is het herstel van woningen én mensen. Zo lang als nodig. Koste wat kost. Het aanpakken van schade, versterking en herstel is daarom de belangrijkste prioriteit. Daarnaast is 200 miljoen euro per jaar beschikbaar voor sociaal en economisch perspectief.
Ook is er in totaal de komende tien jaar (tot 2035) 1,65 miljard euro voor de isolatie van woningen beschikbaar. In Groningen en Noord-Drenthe zetten we samen de schouders eronder. Versie 13 juni 2025
96
97
ONS NIJ BEGUN MAKEN WE SAMEN