CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

13-03-03 Naslagwerk Regionale Structuur Warmte incl onderzoek groen gas

Gemeenteraad 21 juni 2021, gemeente VeendamBij agendapunt: Besluitvorming RES 1.035.918 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Productgas ................................................................................................................................................. 9 3.3. Syngas ........................................................................................................................................................ 9 3.4. Groen gas .................................................................................................................................................. 9 3.5. Groene waterstof ...................................................................................................................................... 9 4 Huidige situatie ..................................................................................................................................................... 10 4.1 Capaciteit.................................................................................................................................................. 10 4.2. Beleid ....................................................................................................................................................... 11 5 Potentie.................................................................................................................................................................

13 5.1 Biogrondstoffen (aanwezig) ..................................................................................................................... 13 5.2. Scenario’s ................................................................................................................................................ 15 5.3. Modellen mest ........................................................................................................................................ 16 5.4. Biogrondstoffen (beschikbaar) ................................................................................................................ 17 6 Verbinden vraag en aanbod .................................................................................................................................. 21 6.1 Van productie tot levering: leveringsketen .............................................................................................. 21 6.2 Instrumentarium en wettelijk kader voor sturing vraag en aanbod groen gas ........................................ 23 6.3. Strategieën .............................................................................................................................................. 27 6.4. Praktijkvoorbeelden ................................................................................................................................

36 Casus Nieuwborgen ........................................................................................................................................ 36 Casus Wijnjewoude Energie Neutraal (WEN) ................................................................................................. 38 7 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................................................ 39 7.1. Conclusies ................................................................................................................................................ 39 Lokale productie lokaal gebruiken ................................................................................................................. 39 7.2. Aanbevelingen ......................................................................................................................................... 40 Discussiepunten ....................................................................................................................................................... 42 Bijlage I: Hernieuwbaar-gas-installaties Groningen .................................................................................................

44 Bijlage II: Energie uit biogrondstoffen (MNm³ groen gas) ....................................................................................... 45 Bijlage III: Scenario's voor mest ............................................................................................................................... 46 Bijlage IV: Scenario's per gemeente ......................................................................................................................... 48

3

Samenvatting De potentie van groen gas in de warmtetransitie In dit onderzoek is gekeken naar de potentie van groen gas in relatie tot de regionale warmtetransitie. Hierbij is allereerst gekeken naar de in de Provincie aanwezige biogrondstoffen. Deze vertegenwoordigen, met 11 PJ, een substantiële hoeveelheid energie. Niet al deze reststromen zijn echter beschikbaar voor energietoepassingen. Indien gecorrigeerd wordt voor hoogwaardiger toepassingen zoals bijvoorbeeld grondstof, biobrandstof of veevoer blijft een hoeveelheid over die ingezet zou kunnen worden in de gebouwde omgeving. Ook voor deze hoeveelheden is het dan nog niet vanzelfsprekend dat ze worden ingezet om groen gas van te maken. Om wat meer gevoel te krijgen bij de voor groen gasproductie beschikbare biogrondstoffen zijn verschillende scenario’s beschreven op basis de mate van invloed die er op kan worden uitgeoefend en op basis van de beschikbare technologie. In het meest conservatieve scenario kunnen alleen mest en biogrondstoffen worden gebruikt die vrijkomen bij ‘overheidswerkzaamheden’. Deze biogrondstoffen worden dan in een vergister omgezet in biogas en vervolgens opgewaardeerd naar groen gas. In dit scenario kan uit Groningse biogrondstoffen en mest maximaal 1.985 TJ (56 MNm³ groen gas) worden gewonnen.

In het meest optimistische scenario vindt er een, niet nader uitgewerkte, vorm van sturing plaats die er voor zorgt dat bedrijven hun biogrondstoffen in de regio laten verwerken. Daarbij is dan de technologie ook verder ontwikkeld waardoor ook gebruik gemaakt kan worden van (superkritische water-)vergassers. In dit scenario kan uit Groningse biogrondstoffen en mest maximaal 4.240 TJ (117 MNm³ groen gas) worden gewonnen. De Provincie heeft op basis van landelijke prognoses de energiebehoefte in 2030 berekend, in 2030 is dan nog 15.700 TJ nodig voor de gebouwde omgeving. Dat zou betekenen dat als alle beschikbare biomassa wordt gebruikt voor groen gas productie om ingezet te worden in de lokale gebouwde omgeving minimaal 12,6% en maximaal 27,0% van de gebouwde omgeving in Groningen er gebruik van zou kunnen maken. Indien huishoudens gebruik maken van hybride warmtepompen halveert het gasverbruik en kunnen deze percentages verdubbelen.

Lokale productie lokaal gebruiken Om bij te kunnen dragen aan de regionale warmtetransitie moet het geproduceerde groene gas ook lokaal worden ingezet. Garanties van Oorsprong (GvO’s) zijn uitermate geschikt om het duurzame karakter van (lokaal) geproduceerd groen gas te verbinden aan door de huishoudens afgenomen groen gas, al dan niet in de nabije omgeving van de productie-installatie van groen gas. Ook zijn GvO’s geschikt om deze verbinding inzichtelijk te maken. Wel is voor deze mate van verbinding geen wettelijke verplichting binnen de huidige regeling. Levering aan huishoudens gaat via leveranciers die (verplicht) voor hun klanten GvO’s moeten afboeken en daarmee ook het groene karakter van het door hen geleverde groen gas te waarborgen. Deze GvO’s kunnen overal vandaan komen, ook van buiten Nederland en hoeven ook niet per se met de productie van groen gas te zijn uitgegeven. In dit rapport is een aantal modellen uitgewerkt om de verbinding tussen lokaal geproduceerd groen gas en lokaal afgenomen groen gas te kunnen borgen, ieder met voor- en nadelen. Daarnaast is in dit rapport ook verkend wel mogelijkheden lokale overheden zouden kunnen hebben om de beschikbaarheid van lokaal geproduceerd groen gas en de afname van dit groene gas te kunnen sturen.

Hierbij is met name de vraag in hoeverre lokale overheden zeggenschap zouden kunnen krijgen over de beschikbaarheid van groen gas, de GvO’s en ook de afname van groen gas 4

binnen haar werkgebied. Hiervoor is een drietal strategieën geïdentificeerd waarbij mogelijk zou kunnen worden gestuurd op enerzijds de inzet van de beschikbare biogrondstoffen, betrokken raken bij de productie van groen gas en het mogelijk sturen of stimuleren van de afname van groen gas. Hierbij kunnen lokale overheden bijvoorbeeld sturen op de productie van het groene gas. Bijvoorbeeld zoals bij Omrin, HVC en Twence. Dit zou ook kunnen door het stellen van voorwaarden aan inzet van biogrondstoffen waarover zeggenschap is en het ondersteunen van coöperaties.

5

1 Inleiding Nederland heeft de ambitie om op termijn ‘van het gas af’ te gaan. Vanuit het Klimaatakkoord uit 2018 en de daaruit volgende Warmte Transitie Visies wordt gezocht naar mogelijkheden om – onder andere – de warmtevraag in de gebouwde omgeving te verduurzamen. Voor dit vraagstuk liggen verschillende opties op tafel, zoals het elektrificeren van de warmtevraag (bijvoorbeeld met warmtepompen), het benutten van restwarmte, geo- en aquathermie, getransporteerd door warmtenetten, maar ook het gebruik van waterstof en groen gas. Voor al deze bronnen gelden complexe, lokale vraagstukken. Rondom netinfrastructuur, beschikbaarheid, betaalbaarheid, maar ook acceptatie en draagvlak. Deze aspecten hangen ook met elkaar samen. Het duurzaam verwarmen van de gebouwde omgeving in het landelijk gebied vraagt een eigen aanpak. Het landelijk gebied is vaak dunbevolkt, met verouderde woningvoorraden, relatief lage inkomens en een hoog eigenhuisbezit. Allemaal eigenschappen die er voor zorgen dat de in de vorige alinea genoemde alternatieven hier minder eenvoudig toe te passen zijn. Groen gas is een 1-op-1 vervanger voor aardgas en vraagt daardoor weinig tot geen aanpassingen in de energie infrastructuur en installaties van burgers. Hierdoor kan het in het landelijk gebied een belangrijke bijdrage leveren aan de warmtetransitie.

In dit rapport gaan we in op de potentiële bijdrage van groen gas in de provincie Groningen. Hoeveel zou er beschikbaar kunnen zijn en hoe kan dit worden ingezet voor de regio binnen de warmtetransitie? Om vast te kunnen stellen wat de potentiële bijdrage van groen gas voor de RES Groningen kan zijn is het allereerst van belang te begrijpen wat groen gas is en wat het (nationale) beleid is ten opzichte van groen gas. Vervolgens is het van belang een beeld te hebben van wat de potentie van groen gas is; hoeveel groen gas is er mogelijk beschikbaar in de regio? Deze beschikbaarheid kan worden afgezet tegen de potentiële vraag in de regio, in het licht van de warmtetransitie. Echter, met de beschikbaarheid en de behoefte van groen gas alleen is de analyse nog niet sluitend. (groen) gas wordt namelijk geproduceerd, verhandeld en afgenomen in een marktomgeving. Om te kunnen ‘borgen’ dat het lokaal beschikbare groen gas ook kan worden ingezet voor de lokale behoefte is het ook van belang om een goed beeld te hebben hoe de leveringsketen van groen gas er uit ziet, welk instrumentarium beschikbaar is voor eventuele sturing van de vraag en aanbod en voor wie welke wettelijke kaders gelden m.b.t. de productie, levering en afname.

Met deze kennis is vervolgens een vertaalslag te maken naar een verkenning van de mogelijkheden om te zorgen dat het lokaal beschikbare groen gas ook lokaal zou kunnen worden toegekend en aangewend binnen de binnen Nederland geldende (markt) kaders voor de productie, handel en levering van groen gas. Op basis van de analyses die in dit rapport worden gedaan, kan worden besloten met conclusies en aanbevelingen. Hoewel dit rapport nog slechts een eerste verkenning is, kunnen al wel de nodige relevante inzichten worden geboden in de (on)mogelijkheden en kan ook worden besloten welke vervolgstappen en verdere vragen van belang zijn om de potentie van groen gas voor Groningen zo goed mogelijk te benutten. In dit rapport wordt gebruik gemaakt van de eenheid Terajoule (TJ) en sluit zo aan bij het Concept RES en de RES 1.0. In het hierna opgenomen kader staan een aantal omrekenfactoren die behulpzaam kunnen zijn bij het omrekenen van bijvoorbeeld energie naar kubieke meters groen gas of aantallen huishoudens.

6

Omrekenfactoren Groen gas (& aardgas): 35,17 Megajoule per kubieke meter (MJ/Nm³) Een gemiddeld huishouden verbruikt 1.239 Nm³ gas per jaar. 1.000 Megajoule

= 1 Gigajoule (GJ)

= 28,4 Nm³ groen gas

1.000 Gigajoule

= 1 Terajoule (TJ)

= 28.433 Nm³ groen gas

1.000 Terajoule

= 1 Petajoule (PJ)

= 28.433.324 Nm³ groen gas

1 MWh

= 3.600 MJ

= 102,36 Nm³ groen gas

7

= 22,4 huishoudens = 22.406 huishoudens

2 Regionale behoefte De RES regio Groningen beslaat hetzelfde grondgebied als de Provincie Groningen. In het bijlagenboek bij het concept RES is aangegeven dat het energiegebruik van de gebouwde omgeving 24.400 PJ bedraagt, daarvan wordt 80% geleverd door aardgas voor het invullen van de warmtevraag. Hiervoor werd in 2017 558,2 MNm³ aardgas gebruikt. De verwachting is dat in 2030 de warmtevraag is gedaald van een kleine 17.900 TJ naar 15.700 TJ als gevolg van efficiëntieverbeteringen en besparingen. In het kader van de warmtetransitie is een aantal scenario’s voor het warmteaanbod doorgerekend op buurtniveau en geven een eerste indicatie van de mogelijkheden. De scenario’s gaan uit van een ruime en beperkte beschikbaarheid van groen gas. In het scenario met beperkte beschikbaarheid is uitgegaan van de hoeveelheid groen gas die in de eigen Provincie geproduceerd kan worden. Deze hoeveelheid is becijferd op 2.919 TJ (83 MNm³) en afgeleid uit het Klimaat- en Energieakkoord. Het scenario met ruime beschikbaarheid gaat uit van het totale gasgebruik in de gebouwde omgeving in 2030 en komt dan uit op 14.631 TJ (416 MNm³) groen gas.

8

3 Hernieuwbare gassen Gas dat wordt opgewekt uit hernieuwbare bronnen noemen we hernieuwbare gassen. Hernieuwbare bronnen zijn natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Voorbeelden zijn: wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biogrondstoffen. Anders dan fossiele brandstoffen raken deze hernieuwbare grondstoffen niet op.

3.1 Biogas In een vergister zetten bacteriën biogrondstoffen om in een brandbaar gas dat voornamelijk uit methaan en kooldioxide bestaat. De onderlinge verhoudingen zijn afhankelijk van het proces en de gebruikte grondstoffen, het methaangehalte schommelt tussen de 50% en 65% de rest is voornamelijk kooldioxide. Daarnaast is biogas verzadigd met waterdamp en kunnen er nog wat verontreinigingen aanwezig zijn zoals bijvoorbeeld zwavelverbindingen en ammoniak. Biogas kan na droging en ontzwaveling worden gebruikt in WKK’s voor de productie van stroom en warmte en in stookketels als alleen warmte nodig is. Stortgas is een biogas dat ontstaat door de afbraak van gestort organisch afval. Omdat het storten van organisch afval sinds 2004 verboden is nemen de volumes en de kwaliteit van het stortgas snel af. Op de meeste stortplaatsen wordt daarom het stortgas afgefakkeld. Het sterke broeikasgas methaan (CH4) wordt daarmee omgezet naar het minder sterke broeikasgas CO2.

3.2. Productgas Een vergasser maakt gebruik van hoge temperaturen om biogrondstoffen te ontleden in een brandbaar gas. Dit gas bestaat uit verschillende moleculen, waarvan methaan, waterstof, koolmonoxide en kooldioxide de belangrijkste zijn. Dit is een brandbaar gas dat net als biogas ingezet kan worden in een WKK of stookketel.

3.3. Syngas Door productgas onder hoge temperatuur verder te laten reageren met bijvoorbeeld stoom of zuurstof wordt syngas gevormd. Syngas bestaat uit waterstof en koolmonoxide en is een veel gebruikte grondstof in de chemie.

3.4. Groen gas Door biogas of syngas verder te bewerken kan het dezelfde kwaliteit krijgen als aardgas en kan het aardgas in alle toepassingen vervangen. Zodra dat het geval is wordt het groen gas genoemd, het is dan droog, ontdaan van verontreinigingen en bestaat dan voor zo’n 90% uit methaan. Groen gas kan via het aardgasnet worden getransporteerd.

3.5. Groene waterstof Ook zonder biogrondstoffen kan hernieuwbaar gas gemaakt worden, de energie komt dan uit groene elektriciteit van bijvoorbeeld wind- en zonneparken. Een electrolyser gebruikt elektriciteit om water te splitsen in zuurstof en waterstof. Als de gebruikte elektriciteit groen is mag het waterstof ook groen genoemd worden. Voor de volledigheid wordt waterstof hier wel genoemd maar het komende decennium wordt voor waterstof geen rol van betekenis verwacht in de gebouwde omgeving. Waterstof lijkt vooral goed toegepast te gaan worden in de industrie en voor mobiliteit. In de rest van dit rapport zal waterstof daarom ook niet terug komen.

9

4 Huidige situatie 4.1 Capaciteit In de Provincie Groningen wordt op 12 locaties biogas geproduceerd met behulp van een SDEsubsidie. Daarnaast zijn er enkele stortplaatsen (Delfzijl, Groningen Stainkoeln I&II, Groningen Woldjesspoor en Veendam) en RWZI’s (Garmerwolde, Scheemda & Veendam) waar biogas wordt geproduceerd zonder subsidie. Van het stortgas werd in 2018 alleen de hoeveelheid van Stainkoeln II nuttig gebruikt in een WKK. De andere locaties verbranden stortgas in een fakkel. De RWZI’s gebruiken het biogas grotendeels voor hun eigen proces. Afbeelding 1 toont de Groningse biogasinstallaties.

Legenda: HG: hernieuwbaar gas HW: hernieuwbare warmte

HE: hernieuwbare elektriciteit F: fakkel HEW: hernieuwbare elektriciteit en warmte

Gezamenlijk zijn de huidige Groningse biogasinstallaties goed voor een opgesteld vermogen van ruim 65 MW. In de praktijk zal echter niet iedere installatie op vol vermogen draaien. Daarnaast worden op

10

dit moment drie grote installaties ontwikkeld; twee biomassavergassers en één vergister. Zodra die gereed zijn groeit het vermogen met 80 MW naar ruim 145 MW. Hierbij zijn alleen de installaties meegeteld die vergund zijn en over een SDE subsidie beschikken. De installaties produceren nu stroom en/of warmte of groen gas. Indien ze allemaal groen gas zouden maken kunnen de huidige installaties 2.250 TJ (64 MNm³) 1 groen gas per jaar leveren. De drie nieuwe installaties zijn groen gasinstallaties en produceren straks 2.427 TJ (69 MNm³groen gas) per jaar. Bijlage I bevat een overzicht van de installaties.

4.2. Beleid Routekaart groen gas In de Routekaart erkent het kabinet dat gasvormige energiedragers, gezien hun unieke karakteristieken, nu en in de toekomst een onvervangbare rol hebben in de verduurzamingsopgave van de Nederlandse samenleving. Om de toekomstige gasbehoefte duurzaam in te kunnen vullen, is de ontwikkeling van groen gas als alternatief voor aardgas essentieel. De routekaart beschrijft de belangrijkste beleidsvoornemens die nodig zijn voor de opschaling van de groengasproductie naar 70.000 TJ (2 BCM2), binnen de kaders voor de duurzame inzet van biogene reststromen en circulariteit. Om de productie van groen gas te stimuleren worden ook vraag-gestuurde instrumenten, zoals een bijmengverplichting voor groen gas of een verlaging van de energiebelasting op groen gas onderzocht. Als zo’n bijmengverplichting er komt kan dat ook consequenties hebben voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, immers als er een nationale verplichting geldt om 10% groen gas bij te mengen hoeft lokaal nog maar 90% groen gas te worden toegevoegd om op 100% te komen. Groen gas zal in de gebouwde omgeving nodig zijn voor het leveren van piekvermogen in warmtenetten en voor de verduurzaming van buurten, zoals oude stadskernen en buitengebieden, waar warmtenetten of elektrificatie beperkt haalbaar zijn.

Buiten de gebouwde omgeving zal groen gas nodig blijven voor het leveren van hoge temperatuur proceswarmte, als industriële grondstof en in de zware mobiliteit. Tot slot zal groen gas in de elektriciteitsproductie een rol blijven spelen in het leveren van piekvermogen bij een hoge elektriciteitsvraag of bij lage elektriciteitsproductie door tegenvallende weersomstandigheden.

SER advies biomassa in balans Om te borgen dat de inzet van biogrondstoffen verantwoord en zorgvuldig gebeurt heeft het kabinet een integraal duurzaamheidskader aangekondigd dat richting moet geven aan de inzet van duurzame biogrondstoffen in Nederland voor de verschillende toepassingen. Belangrijke basis is het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) Biomassa in Balans. De SER erkent het belang van groen gas als robuuste en flexibele drager die inzetbaar is als chemiegrondstof, vervoersbrandstof en warmtebrandstof en onderschrijft de weg die is ingeslagen met de Routekaart Groen Gas. Hierbij benadrukt de SER het belang van het prioriteren van groen gas voor die toepassingen en functies waar alternatieven niet haalbaar zijn, zoals flexibel vermogen, hoge temperatuurwarmte en lage temperatuurwarmte voor woningen waar isoleren moeilijk is en warmtenetten geen oplossing zijn. 1 2

MNm³ = miljoen kubieke meter BCM = Billion Cubic Meters oftewel miljard kubieke meter 11

Regeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++) De SDE++ is een exploitatiesubsidie en richt zich op grootschalige uitrol van technieken die hernieuwbare energie produceren en/of de uitstoot van broeikasgas (CO₂) verminderen. De subsidie vergoedt de onrendabele top; het verschil tussen de kostprijs van de duurzame energie of de te verminderen CO₂-uitstoot en de (mogelijke) opbrengsten en wordt toegekend over een periode van 12 of 15 jaar. Bij de toekenning van de SDE++-aanvragen is de subsidiebehoefte per ton CO₂-reductie bepalend, dat wordt de ook wel de subsidie-intensiteit genoemd. Projecten met een lage subsidieintensiteit mogen als eerste aanvragen. De SDE++ stimuleert veel technieken met een lagere subsidie intensiteit dan groen gas. Als van die projecten veel aanvragen worden ontvangen kan het voorkomen dat het subsidiebudget is uitgeput tegen de tijd dat groen gasprojecten aan de beurt zijn. Dat lijkt te gebeuren in de eerste SDE++ ronde van eind 2020 waarin veel budget is aangevraagd voor CCS en zonPV.

12

5 Potentie 5.1 Biogrondstoffen (aanwezig) Biogrondstoffen is een verzamelnaam voor laagwaardige biomassa met een negatieve waarde, hoogwaardige biomassa met een hoge positieve waarde en alles wat daartussen zit. Dat onderscheid wordt in de discussie over biogrondstoffen wel eens vergeten. Voor vergisting zijn doorgaans vooral de laagwaardige biogrondstoffen van belang die grotendeels uit water bestaan. Vanwege het hoge aandeel water van soms tot wel boven de 90%, zijn dit ook stromen die niet over grote afstanden vervoerd worden. Een vergasser maakt gebruik van droge houtachtige biogrondstoffen en een superkritische vergasser kan met zowel droge als natte biogrondstoffen uit de voeten. In dit onderzoek is gekeken naar de aanwezigheid en beschikbaarheid van biogrondstoffen. Met aanwezigheid wordt bedoeld alle biogrondstoffen die als reststromen vrijkomen in de Provincie en die verder verwerkt moeten worden. Deze biogrondstoffen worden in paragraaf 6.1 besproken. Lang niet al deze biogrondstoffen kunnen gebruikt worden voor energietoepassingen, bijvoorbeeld omdat ze hoogwaardiger kunnen worden ingezet als veevoer, grondstof of voor de productie van biobrandstoffen. Nadat gecorrigeerd is voor deze hoogwaardigere toepassingen blijven biogrondstoffen over die beschikbaar kunnen zijn voor energieproductie. Die worden in paragraaf 6.4 besproken.

VGI – reststromen Dit zijn reststromen die overblijven bij de productie van voedings- en genotsmiddelen. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van het CBS. Gebruikt zijn nationale gegevens omgeslagen per gemeente op basis van het aantal VGI bedrijven. De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in Groningse VGI reststromen bedraagt 2.782 TJ. Zuiveringsslib Deze reststroom ontstaat bij de zuivering van huishoudelijk en industrieel afvalwater. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van het CBS. De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in het Groningse zuiveringsslib bedraagt volgens deze benadering 483 TJ. Agrarische reststromen Deze reststroom bestaat uit mest en uit loofresten, voornamelijk stro en bietenbladeren. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van de S2BIOM database (loofresten) en het CBS (mest). De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in Groningse mest bedraagt 2.929 TJ. Groningen is ook een netto importeur van mest, van buiten de Provincie wordt ca. 500 kton mest per jaar aangevoerd. Dat is goed voor een extra 189 TJ. Groningse gewasresten vertegenwoordigen een hoeveelheid energie van 2.986 TJ.

Koolstofvastlegging en bodem Bij het vergisten van mest wordt een deel van de koolstof omgezet in biogas, dat deel zou anders (na het uitrijden) ook snel verteren en draagt niet bij aan de koolstofopbouw in de bodem. Na het op de bodem brengen van organische meststoffen is de bodem in staat om een deel van de daarin aanwezige koolstof vast te leggen. Dat is echter een tijdelijk effect, na verloop van tijd wordt ook die koolstof weer afgebroken en beland in de vorm van CO2 weer in de atmosfeer. Bij vergassing van biomassa wordt alle koolstof omgezet in gas en blijft er geen koolstof meer over voor de bodem. In dit onderzoek is er daarom vanuit gegaan dat de mest niet wordt vergast maar vergist zodat er voldoende koolstof overblijft voor een gezonde bodem.

13

Gft-afval en organisch natte fractie (ONF) Dit zijn organische deelstromen uit het huishoudelijke afval, het Gft-afval is gescheiden ingezameld en ONF wordt nagescheiden. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van het CBS. De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in het Groningse Gft-afval en ONF bedraagt volgens deze benadering 351 TJ. Afvalhout Dit is een gecombineerde stroom die bestaat uit afval uit huishoudens dat via milieustraten wordt verzameld, afvalhout dat vrijkomt bij de industrie en overige afvalhout zoals verpakkingsmaterialen. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van de S2BIOM database en het CBS. De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in het Groningse afvalhout bedraagt volgens deze benadering 790 TJ. Productiebossen Houtachtige biogrondstoffen die ontstaan bij de kap en dunning van bomen of dat geteeld wordt in korte omloopbossen met bijvoorbeeld wilg en populier. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van de S2BIOM database. De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in biogrondstoffen uit Groningse productiebossen bedraagt volgens deze benadering 153 TJ. Reststromen uit natuur en landschapsbeheer Berm- en natuurgras en materiaal dat vrijkomt bij het onderhoud van boomgaarden en landschapsbeheer. De voor dit rapport gebruikte gegevens zijn afkomstig van de S2BIOM database.

De totale hoeveelheid energie die besloten ligt in Groningse reststromen uit natuur- en landschapsbeheer bedraagt volgens deze benadering 449 TJ, daarvan komt 26 TJ uit natuur- en bermgras. Onderstaande tabel toont alle beschouwde reststromen en hun energie-inhoud.

14

Gezamenlijk vertegenwoordigen de Groningse reststromen een energie-inhoud van 10.923 TJ. Bijlage II bevat een overzicht van de biogrondstoffen en hoeveel energie daar, in theorie, uit gewonnen zou kunnen worden.

5.2. Scenario’s Voor het bepalen van de scenario's is in eerste instantie gekeken naar waar de biomassastromen vrij komen. Indien dat bij de lokale of regionale overheid is dan is aangenomen dat deze biomassa relatief eenvoudig ingezet kan worden voor de lokale energietransitie. Komt de biomassa vrij bij derden dan bepaald de markt waar de biomassa naar toe gaat en is het nog maar de vraag of alle biomassa lokaal ingezet kan worden. Uiteraard gaan de scenario's er van uit dat reststromen waarvoor een hoogwaardiger toepassing mogelijk is niet gebruikt worden voor energieproductie. Tot slot is er onderscheid gemaakt op basis van technologie. Deze aanpak leidt tot 4 verschillende scenario's die hierna schematisch zijn weergegeven.

Scenario I Dit is de situatie waarin weinig sturing plaatsvindt op de inzet van de biomassa. Voor alle stromen die niet in handen zijn van de overheid geldt dat degene die de hoogste prijs bereid is om te betalen de biomassa ontvangt; de markt bepaalt. We gaan er van uit dat we voor de omzetting van de biomassa gebruik maken van de huidige stand der techniek; vergisting. Scenario II Het verschil met scenario I is dat ook gebruik kan worden gemaakt van innovatieve technologie als hoge druk vergisting en (superkritische water-)vergassing. Hierdoor kan enerzijds meer biomassa gebruikt worden en is anderzijds de omzetting van biomassa naar gas efficiënter. We gaan er van uit dat de mest nog steeds vergist wordt en niet vergast omdat anders de organische stof verloren gaat die nodig is om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden. De houtachtige biomassa kan ook worden ingezet in hout- en/of pelletketels. Daar treedt concurrentie op, voor dat effect is verder niet

15

gecorrigeerd omdat bij deze toepassing het hout ook wordt ingezet in de warmtevoorziening van de gebouwde omgeving. Scenario III In dit scenario wordt gestuurd op lokale inzet, door beleidsmaatregelen of via vergunningverlening worden bedrijven aangezet om vrijkomende biomassa zo dicht mogelijk bij de bron in te zetten. Hierdoor blijven energierijke reststromen uit de industrie beschikbaar voor lokale installaties. Deze installaties zullen vergisters zijn omdat de huidige stand der techniek wordt gebruikt. Scenario IV Dit scenario leidt tot de hoogste groen gas volumes omdat biomassa lokaal wordt ingezet met gebruikmaking van de meest efficiënte technologie.

5.3. Modellen mest Mest is een aparte biogrondstof die in grote hoeveelheden voorkomt. Om een inschatting te kunnen maken van de beschikbaarheid van deze biogrondstof voor vergisting zijn drie modellen doorgerekend. Model I is gebaseerd op een collectieve aanpak waarbij veehouders hun mest uitlenen tegen een geringe vergoeding. De mest wordt opgehaald zodra er voldoende is voor een transport3, vervolgens wordt het centraal vergist, opgewaardeerd naar groen gas (aardgaskwaliteit) en ingevoed in het aardgasnet. De vergister wordt geëxploiteerd door een aparte entiteit (bijvoorbeeld een lokale coöperatie) en het gas wordt geleverd aan de lokale gebouwde omgeving. De uitgegiste mest (digestaat) wordt weer terug geleverd aan de veehouders. Dit is de aanpak die Wijnjewoude Energie Neutraal heeft gekozen. In Wijnjewoude zien we dat deze aanpak goed aansluit bij de lokale veehouders, alle geschikte veehouders werken mee. Dat is een belangrijk voordeel van dit model, andere voordelen zijn dat schaalgrootte van de veehouderij een beperkte rol speelt en dat pluimveemest mee vergist kan worden. Pluimveemest bevat veel energie maar ook veel stikstof, daarom mag het niet een te groot onderdeel worden van het menu van een vergister. In dit model zou het, o.b.v. de verhoudingen tussen pluimveemest en overige mest in de provincie, geen problemen moeten opleveren.

Nadeel van dit model is dat het gevoelig is voor dierziektes, mest wordt immers van het bedrijf af- en daarna weer aangevoerd. Een transportverbod voor mest legt dan de aanvoer stil. Om verspreiding van dierziektes tegen te gaan wordt het digestaat gehygiëniseerd. Dat kost wel behoorlijk wat energie wat ook een nadeel is vergeleken met de andere modellen. Model II is gebaseerd op een individuele aanpak waarbij de mest op het eigen bedrijf wordt omgezet in groen gas. Deze aanpak vereist wel een behoorlijke schaalgrootte en is interessant voor melkveehouders met meer dan 3504 melkkoeien. Melkveehouderijen in de categorie 200 tot 500 stuks vee laten een snelle groei zien. Dit heeft een belangrijk effect voor het potentieel. Dit is de aanpak die erg lijkt op het Jumpstart project. Voor bedrijven die deelnemen aan Jumpstart geldt wel dat de groenwaarde van het gas overgedragen wordt aan FrieslandCampina. Deze kan dus niet worden ingezet voor de gebouwde omgeving. De deelnamebereidheid bij dit model wordt geschat op 25%. Voordeel van dit model is dat de mest erg vers in de vergister beland wat de gasopbrengst ten goede komt (en stalemissies terugdringt).

3 Gerekend is met transporten van 36 kuub en 15 kuub. 4 CBS rapporteert over het totaal aantal runderen en maakt voor de grote bedrijven onderscheid in bedrijven met

tussen de 200 en 500 runderen en een bedrijven met meer dan 500 runderen. Groen gas vergisting al bij 350 melkkoeien rendabel kan zijn maar lastig uit te splitsen vanuit de CBS cijfers, in dit model is daarom alleen gerekend met de bedrijven met meer dan 500 runderen.

16

Het model is ook minder gevoelig voor dierziektes omdat de mest op het bedrijf blijft. Nadelen zijn dat in dit model de pluimveemest onbenut blijft en slechts een deel van de bedrijven in staat is om mee te doen. Model III is een hybride model waarbij gebruik gemaakt wordt van groen gas hubs. De mest wordt op het eigen bedrijf vergist en omgezet in biogas, het biogas wordt via een eigen infrastructuur verzameld en op een centrale locatie opgewaardeerd naar groen gas en ingevoed in het net. Bij een coöperatieve aanpak wordt de veehouder zoveel mogelijk ontzorgd en hoeft daarom ook niet te investeren in de vergister op zijn bedrijf. Het kan natuurlijk ook dat een boer voor eigen rekening een vergister exploiteert en dat de opwerkunit gezamenlijk wordt bedreven met anderen. Voordelen van dit model zijn dat schaalgrootte minder bepalend is om mee te kunnen doen, dat de mest vers in de vergister beland en dat het minder gevoelig is voor dierziektes. Nadelen zijn dat pluimveemest onbenut blijft en de verwachting is dat de deelnamebereidheid bij dit model lager zal zijn dan in model I omdat er ruimte op het eigen erf gereserveerd moeten worden. Al deze modellen zijn doorgerekend, besproken met een klankbordgroep en vervolgens aangepast. Uit de doorrekening blijkt dat model I in staat is om de meeste energie uit mest te winnen.

In de scenario's is dit model dan ook als uitgangspunt genomen. Bijlage III bevat meer informatie over deze modellen. Daarnaast zijn er een aantal ontwikkelingen in de melkveehouderij die een effect hebben op de hoeveelheid energie uit mest. Het aantal kleinere bedrijven neemt af en het aantal grote bedrijven neemt toe. Het aantal melkkoeien neemt af maar de totale melkgift (en de hoeveelheid mest) blijft min of meer gelijk. Roostervloeren worden vervangen door modernere stalsystemen die versere mest opleveren en er wordt gewerkt aan andere innovaties zoals conservering die er voor zorgen dat de hoeveelheid te winnen energie uit mest kan toenemen. Gecombineerd zouden deze effecten kunnen leiden tot 20% meer energie uit mest in 2030.

5.4. Biogrondstoffen (beschikbaar) Nu de scenario's bepaald zijn kan een vertaling gemaakt worden van de aanwezige hoeveelheid biogrondstoffen naar de hoeveelheid biogrondstoffen die beschikbaar is voor lokale toepassing. In deze situatie is dat het invullen van de lokale warmtevraag. Het grote verschil is dat de biomassareststromen die hoogwaardiger kunnen worden ingezet niet worden meegenomen. In bijlage IV is aangegeven hoe groot dit deel is voor de diverse biomassastromen. Scenario I (markt bepaalt en technologie van nu) Dit is de situatie waarin weinig sturing plaatsvindt op de inzet van de biogrondstoffen. Voor alle stromen die niet in handen zijn van de overheid geldt dat degene die de hoogste prijs bereid is om te betalen de biogrondstoffen ontvangt; de markt bepaald. We gaan er van uit dat we voor de omzetting van de biogrondstoffen gebruik maken van de huidige stand der techniek; vergisting. In dit scenario verdwijnen energetisch rijkere reststromen uit de regio om te worden toegepast in industrie of voor de productie van biobrandstoffen. Houtige reststromen kunnen niet worden omgezet omdat daarvoor vergassing nodig is. In dit scenario kan maximaal 1.985 TJ geproduceerd worden uit de Groningse biogrondstoffen, daarmee zou 12,6% van de verwachte warmtevraag vanuit de gebouwde omgeving in 2030 ingevuld kunnen worden. Dit is als volgt verdeeld:

17

Scenario II (markt bepaalt en toekomstige technologie) Het verschil met scenario I is dat ook gebruik kan worden gemaakt van innovatieve technologie als hoge druk vergisting en (superkritische water-)vergassing. Hierdoor kunnen meer biogrondstoffen gebruikt worden en is de omzetting naar gas efficiënter. We gaan er van uit dat de mest nog steeds vergist wordt en niet vergast omdat anders de organische stof verloren gaat die nodig is om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden. In dit scenario kan maximaal 2.119 TJ (13,5% van de warmtevraag in 2030) geproduceerd worden uit de Groningse biogrondstoffen als volgt verdeeld:

Scenario III (sturing op lokale toepassing en technologie van nu) In dit scenario wordt gestuurd op lokale inzet, door beleidsmaatregelen of via vergunningverlening worden bedrijven aangezet om vrijkomende biogrondstoffen zo dicht mogelijk bij de bron in te zetten. Hierdoor blijven energierijke reststromen uit de industrie beschikbaar voor lokale installaties. Deze installaties zullen vergisters zijn omdat de huidige stand der techniek wordt gebruikt. In dit scenario kan maximaal 2.552 TJ (16,3% van de warmtevraag in 2030) geproduceerd worden uit de Groningse biogrondstoffen als volgt verdeeld:

18

Scenario IV (sturing op lokale toepassing en toekomstige technologie) Dit scenario leidt tot de hoogste groen gas volumes omdat biogrondstoffen lokaal worden ingezet met gebruikmaking van de meest efficiënte technologie. In dit scenario kan maximaal 4.240 TJ (27,0% van de warmtevraag in 2030) geproduceerd worden uit de Groningse biogrondstoffen als volgt verdeeld:

Bijlage IV bevat de informatie per gemeente voor deze scenario's. Verbruik huidige en geplande installaties Zoals in hoofdstuk 4 is aangegeven staan in de Provincie ook al installaties die biogrondstoffen gebruiken. Op basis van de opgestelde vermogens en met behulp van de informatie uit de SDE berekeningen van het PBL en ECN is bij benadering bepaald hoeveel biogrondstoffen deze installaties nodig hebben. Bij vollast verwerken deze installaties gezamenlijk 700 kton biogrondstoffen, 430 kton daarvan bestaat uit mest. De realiteit is echter dat deze installaties niet op vollast bedreven worden, praktijkcijfers geven aan dat de installaties op gemiddeld 55% van hun maximale vermogen bedreven worden. Ze kiezen er dan voor om het aandeel mest in de vergister te verhogen en de duurdere cosubstraten te verminderen. De kosten voor inkoop van biogrondstoffen en afzet van digestaat

19

nemen dan af. In de praktijk zal dus met name de hoeveelheid gebruikte biogrondstoffen behoorlijk lager zijn dan door ons berekend. Naast de bestaande installaties zijn er plannen voor twee vergassingsinstallaties en één allesvergister. De vergassers gebruiken straks ca. 130 kton houtachtige biogrondstoffen, dat is ca. 2 keer de hoeveelheid die in Groningen vrij komt. De vergister heeft ca. 50 kton gewasresten nodig, voornamelijk in de vorm van bietenblad. Dat is in Groningen wel aanwezig.

20

6 Verbinden vraag en aanbod 6.1 Van productie tot levering: leveringsketen In onderstaande figuur is de leveringsketen voor gas schematisch weergegeven.

De producent levert gas en Garanties van Oorsprong, het bewijs dat het gas ‘groen’ is (zie 6.1.1, 6.2.3.1 en verder) (GvOs), ofwel direct aan een leverancier, ofwel via een handelaar/handelaren/handelsplatform aan een leverancier of eindgebruiker. Voor afnemers (huishoudens), gaat de levering altijd via een leverancier (zie 6.1.2 en 6.2.3.2).

6.1.1 Productie Voorafgaand aan de leveringsketen voor gas zit een productie keten. Die kan als volgt weergegeven worden.

Het plaatje toont niet alleen de fysieke route die de biogrondstoffen (biomassa) doorlopen maar ook de financiële verhoudingen in de keten. Alvorens de productie kan beginnen, dient er financierend

21

vermogen beschikbaar te zijn om een vergister (productiecentrale) te kunnen realiseren. Dit vermogen kan komen van lokale of niet lokale partijen, die al dan niet commercieel (met winst maken als primaire doelstelling), of niet-commercieel opereren. Ditzelfde geldt voor de uiteindelijke eigenaren of aandeelhouders van de productiecentrale, die deze in stand houden en zeggenschap hebben over de installatie (en de baten hiervan). Voor het productieproces zelf begint de keten bij de beschikbare biogrondstoffen (biomassa in de afbeelding). De biogrondstoffen kunnen lokaal zijn verkregen, maar ook worden ‘geïmporteerd’ uit een andere regio, of zelfs land. Vervolgens worden de biogrondstoffen in de productiecentrale gebruikt om groen gas te produceren. De productiecentrale is locatie gebonden. Deze locatie is van belang voor de geldende (lokale) voorschriften omtrent ruimtelijke ordening. Daarnaast is deze locatie ook belang voor de vermelde locatie op de GvO (Garantie van Oorsprong) die beschikbaar komt bij de productie van groen gas vanuit de productiecentrale. De productiecentrale is eigendom van een of meerdere aandeelhouders. Deze aandeelhouders kunnen bestaan uit commerciële (markt) partijen, maar ook niet commerciële partijen, zoals particulieren of overheden.

Deze aandeelhouders kunnen bovendien bedrijven, particulieren (burgers), of lokale overheden zijn die in de buurt van de centrale gevestigd zijn, of meer op afstand zijn (buiten de ‘regio’, of zelfs in het buitenland). Bij de productie van groen gas wordt er naast het product ‘gas’ ook een duurzaamheidsbewijs geproduceerd: de GvO (zie ook 6.2.3.1). Het gas en de GvO kunnen (los van elkaar) worden verhandeld. De producent van het groene gas verkoopt het geproduceerde gas, al dan niet gezamenlijk met de GvO aan een leverancier voor gas, levert zelf het groen gas aan een afnemer, of biedt het gas aan op de markt (handelsplatform of handelaar).

6.1.2 Levering - Verbruik

De klant (ook wel de (huishoudelijke) gebruiker, gebruiker, afnemer) heeft een overeenkomst met een energieleverancier voor de levering van gas. Dit is altijd een leverancier met een leveranciersvergunning, aangezien alleen vergunningshouders mogen leveren aan huishoudelijke

22

afnemers (afnemers met een kleinverbruikersaansluiting - <40 Nm3/uur) (zie verder 6.2.3). De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de consumentenbescherming (inclusief het correct administreren van GvO's) en marktregels.

6.1.3 Koppeling productie en verbruik Het groene gas wordt via een energieleverancier administratief gekoppeld aan een afnemer. De regionale netbeheerder draagt zorg voor de (fysieke) ‘aflevering’ (het transport) van het groene gas bij de afnemer. Hierbij levert de netbeheerder vaak niet 1-1 het door de afnemer ingekochte gas af bij de afnemer, maar wordt het door de producent ingevoede gas waarschijnlijk op het dichtstbijzijnde punt, door de omliggende afnemers, weer uit het net onttrokken. De netbeheerder zorgt dat er voldoende balans is in zijn net, zodat het net niet ‘leeg’ raakt. De leverancier regelt dus de administratieve afwikkeling tussen de producent enerzijds en de afnemers anderzijds. De leverancier zorgt hierbij vaak op portfolio niveau voor ‘balans’ tussen de door hem ingekochte en verkochte hoeveelheid gas. Voor het groene gas zorgt hij dat er op portfolio niveau voldoende GvO’s aanwezig zijn voor de hoeveelheid verkocht groen gas. Daarbij worden de GvO’s niet op basis van ‘locatie’ (van de producent, al dan niet in relatie tot de afnemer) geregistreerd, maar op het totale klantportfolio van de leverancier. Voorbeeld: alles op de grote bult Leverancier X koopt 100 MNm3 gas in, deels vanaf de open markt en deels middels vaste inkoopovereenkomsten met een aantal producenten van groen gas. Leverancier biedt aan zijn klanten groen gas aan.

Zijn klanten nemen gezamenlijk 65mln MNm3 ‘groen gas’ af. Voor een beperkt deel van dit volume kan de leverancier via de inkoopovereenkomsten met een aantal kleine vergisters die in Nederland/lokaal geproduceerd groen gas verkopen. Voor het overige volume koopt de leveranciers GvO’s in op de markt. De leverancier zorgt op basis van zijn portfolio dat vraag en aanbod van gas in balans zijn, evenals dekking van het totaal aantal benodigde GvO’s voor het ‘geleverde’ groen gas (op jaarbasis).

Sommige leveranciers borgen wel op klantniveau de inkoop van bepaalde bronnen (en de bijbehorende GvO’s). Koppeling vindt hier plaats doormiddels van de ‘rechtstreekste’ inkoop vanuit een specifieke bron (zie verder ‘Model 1 Borging GvOs Groen Gas’ 6.3.1) door de klant. Dit is echter de uitzondering op de regel.

6.2 Instrumentarium en wettelijk kader voor sturing vraag en aanbod groen gas De overheid heeft verschillende instrumenten om te kunnen sturen op de vraag naar en het aanbod van groen gas. Daarnaast is er een gereguleerd kader voor gasmarkt. In deze paragraaf wordt een kort overzicht van de mogelijkheden en kaders gegeven. Zowel de mogelijkheden om zelf te reguleren (voor te schrijven), gebruik te maken van publieke bevoegdheden, als de inzet van privaatrechtelijke mogelijkheden worden hier kort weergegeven. In paragraaf 6.3 worden instrumentarium en kader vervolgens ook verder gekoppeld aan mogelijke constructies en strategieën voor het borgen van lokaal beschikbaar groen gas.

23

Mechanisme

Gemeente

Provincie

Rijk

Subsidies (Publiek) (6.2.1.1)

●

●

●

Belastingen (Publiek) (6.2.1.2)

-

-

●

Investeringen (Privaat) (6.2.1.3)

●

●

●

Fysieke Leefomgeving (Publiek) (6.2.2)

●

●

●

Marktregulering (Publiek) (6.2.3)

-

-

●

Garanties van Oorsprong (Publiek/Privaat) (6.2.3.1)

-/●

-/●

●

Leverancier (Publiek/Privaat) (6.2.3.2)

-/●

-/●

●

Tabel Mogelijk instrumentarium voor sturing vraag en aanbod regionaal groen gas. ●=gebruik en/of regulering mogelijk. ●=mogelijk maar beperkt gebruik. -=geen gebruik, geen regulering. -/● =geen regulering, mogelijk wel (indirect) gebruik via publiek of private route.

6.2.1 Financieel Overheden hebben verschillende financiële instrumenten tot hun beschikking om bepaalde activiteiten binnen hun domein te ontplooien (financiële deelname, directe investeringen), stimuleren (subsidie), of mogelijk afremmen (belastingen). Deze mogelijkheden berusten bij diverse overheden; van het Rijk, de Provincie en de Gemeente. Desalniettemin kunnen deze instrumenten niet naar hartenlust worden ingezet. Enerzijds omdat er een verdeling van de competenties voor de inzet van dit instrumentarium is, waarbij het Rijk een leidende rol heeft, anderzijds vanwege beperkingen bijvoorbeeld vanuit de Europese Unie rondom mededinging.

6.2.1.1. Subsidies (Publiek) Overheden kunnen subsidies verlenen. Om dit te kunnen doen moet er echter wel een wettelijke grondslag voor zijn (art. 4:23 Algemene Wet Bestuursrecht). Ook Gemeenten en Provincie kunnen dergelijke grondslagen creëren, middels een verordening op basis van de Provincie- of Gemeentewet. In theorie zouden subsidies kunnen worden verstrekt voor zowel de productie als de afname van groen gas. De subsidies moeten echter wel voldoen aan regels rondom mededinging (bijvoorbeeld het verbod op verboden staatssteun). Bij het verstrekken van de subsidie moet de verstrekker, de Gemeente of Provincie, uiteraard ook voorwaarden stellen. Leningen tegen gunstige voorwaarden worden ook (deels) aangemerkt als subsidies. Verder lezen: Subsidierecht. Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG): Basisbeginselen subsidierecht (augustus 2019).

24

6.2.1.1.1 Landelijke subsidies Het Rijk kan ook subsidies organiseren, twee prominente voorbeelden in de context van deze studie zijn daarvoor de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++ - zie ook 4.2 beleid) en de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE). Voorwaarden ISDE voor Particulieren Er kan onder andere een ISDE worden aangevraagd voor een (hybride) warmtepomp of isolerende maatregelen. Voor beide wordt er geen eis of verplichting gesteld aan de gebruikte warmtebron en de duurzaamheid daarvan. De subsidieregeling staat open voor iedere particulier die aan de basisvoorwaarden voldoet. Binnen deze voorwaarden is (nog) niets opgenomen over mogelijke beperkingen in subsidie op basis van bijvoorbeeld de Transitievisie Warmte of Wijkuitvoeringsplannen in het kader van de RES. Reflectie: Hoewel hier nog geen sprake van is, zouden dergelijke plannen in de toekomst een overweging kunnen zijn om wel of geen subsidie voor bepaalde toepassingen te verstrekken in specifieke regio’s. Ook kan er worden gedacht aan de voorwaarde om een duurzame energiebron, zoals groen gas, te gebruiken wanneer er bijvoorbeeld met subsidie een hybride warmtepomp wordt aangeschaft. Momenteel is online te zien binnen welke Provincie welke subsidies worden uitgereikt.

6.2.1.2 Belastingen (Publiek) Belastingen mogen alleen worden geheven indien hiervoor een wettelijke grondslag is (art. 104 Grondwet). Provincie en Gemeente mogen maar beperkt belastingen heffen. De grondslagen hiervoor staan in de Provincie- en Gemeentewet. Momenteel lijkt hiervoor geen grondslag te bestaan voor energie gerelateerde belastingen, die mogelijk het energiegebruik of de opwek ervan zouden kunnen sturen. Bovendien worden dergelijke belasting momenteel al op Rijksniveau geheven: de Opslag Duurzame Energie (ODE), die wordt geheven ten behoeve van de SDE-subsidie en de Energiebelasting, die wordt geheven op grond van de Wet Belastingen op Milieugrondslag.

6.2.1.3 Investering (Privaat) Gemeenten en Provincies kunnen ook (als rechtspersoon) investeringen doen. Hieraan zijn uiteraard wel regels verbonden. Zeker als er geïnvesteerd wordt in marktactiviteiten. Investeringen mogen in beginsel niet marktverstorend werken, bijvoorbeeld door middel van het verstrekken van verboden staatssteun. Verder lezen Staatssteun Informatiewijzer Staatssteun voor Decentrale Overheden (Europa Decentraal).

6.2.2 Fysieke leefomgeving Gemeenten en Provincies kunnen regels stellen aan het gebruik van de fysieke leefomgeving via het omgevingsrecht. Om de mogelijkheden hiervoor te verruimen en de kwaliteit van de ruimtelijke ordening te verbeteren (meer integrale benadering, meer lokaal maatwerk) zal per 2022 de Omgevingswet in werking treden, die een groot aantal wetten samenvoegt en meer mogelijkheden biedt voor bijvoorbeeld meer integrale gebiedsbenadering. Vooruitlopend op een aantal van de in deze Wet geboden mogelijkheden is er nu al de Crisis- en Herstelwet. Uitgangspunt bij het stellen van regels is lokaal waar het kan, centraal waar nodig. Het Rijk en de Provincie stellen kaders en Gemeenten de meer specifiekere eisen (zie verder ook 6.3.1 - Model 3). Er kunnen vanuit ruimtelijke ordening verschillende eisen aan de omgeving worden gesteld, ook in het kader van duurzaamheid en milieu. Ook kunnen eisen en voorwaarden worden gesteld over welke activiteiten (bestemmingen) ergens wel of niet zijn toegestaan.

25

6.2.3 Marktregulering De Gasmarkt, inclusief groen gas, is een gereguleerd domein. Het Rijk stelt - met in achtneming van EU Richtlijnen en Verordeningen - de regels voor de gasmarkt. Hierbij stelt het Rijk onder andere regels voor het verkrijgen en de inzet van Garanties van Oorsprong (GvO) en biedt het een stelsel voor de levering van gas (o.a. rol en regels voor leveranciers en keuzevrijheid voor afnemers van gas).

6.2.3.1 GvO De levering van hernieuwbare energie is nauw verbonden met Garanties van Oorsprong (GvO's), de zogenaamde groen gascertificaten. Een GvO is een (digitaal) certificaat dat de herkomst van een energieproduct aantoont. Een GvO biedt informatie over:      

Energiebron (wind, zon, biogrondstoffen); Productiedatum (begin- en einddatum); Identiteit, locatie, type en capaciteit van de productie-installatie; Of en in welke mate de productie-installatie investeringssteun heeft gekregen; Operationele datum van de productie-installatie; Datum en land van afgifte en een uniek identificatienummer.

GvOs worden verkregen door de productie van hernieuwbare energie, waaronder ook groen gas. Deze certificaten kunnen worden verhandeld, ook los van de geproduceerde hoeveelheid groen gas. In de levering richting afnemers zijn de certificaten van belang om gas als ‘groen gas’ te kunnen verkopen. Wanneer leveranciers ‘groen gas’ verkopen, zijn ze ook verplicht een aan de hoeveelheid verkochte groen gas corresponderende hoeveelheid GvOs af te boeken. De ACM houdt hierop ook toezicht. De registratie van GvO's worden bijgehouden door Vertogas (voor groen gas). De wet schrijft voor dat er GvO's moeten zijn voor geleverd groen gas, de locatie en biogrondstoffen die zijn gebruikt voor het ‘produceren’ van de GvO worden op de GvO vermeld. Ook kan de GvO ‘los’ worden verhandeld van het verhandelde gas (zie verder ook 6.3.1). Hierbij kan eenieder die GvO's wenst te kopen, deze ook proberen te kopen op de ‘GvO-markt’. Ook kunnen bijvoorbeeld afnemers (eindgebruikers) zich kosteloos registreren (een certificaatrekening aanmaken) bij Vertogas. Op deze certificaatrekening kunnen GvO’s die ten behoeve van hun energiegebruik zijn afgeboekt worden ‘bijhouden’. De GvO's zijn een jaar lang na uitgifte geldig en kunnen gedurende deze periode worden gehouden, verhandeld of afgeboekt. Na een jaar vervallen ze.

De hierna opgenomen figuur is overgenomen uit het Panorama groen gas en laat zien waar GvO's ontstaan en waar ze ingezet worden.

26

De certificaten vertegenwoordigen ook een bepaalde marktwaarde die o.a. afhankelijk is van de gebruikte biogrondstoffen en of voor de productie wel of geen gebruik van SDE-subsidies is gemaakt. GvO’s zonder SDE hebben een substantiële waarde in de transportsector omdat ze gebruikt kunnen worden om de gasvormige transportbrandstof BioCNG5 te vergroenen 6, deze waarde kan oplopen tot wel €0,90/Nm³. De GvO waarde voor gas dat met SDE is geproduceerd varieerde de afgelopen jaren tussen €0,05 en €0,15/Nm³. Inkomsten uit de verkoop van GvO's komen bovenop de inkomsten uit de verkoop van het gas en de SDE-subsidie. De GvO’s hebben nu nog geen effect op de SDE-subsidie. In een Kamerbrief uit 2014 wordt aangegeven hoe de Nederlandse overheid daar mee om zal gaan. Daarin staat dat, omdat de GvO’s een bepaalde waarde vertegenwoordigen voor de producenten van hernieuwbare energie, de SDE-regeling de mogelijkheid biedt om de opbrengst van de GvO’s in mindering te brengen op de subsidie. Van deze mogelijkheid is tot op heden geen gebruik gemaakt omdat een gemiddelde waarde van de GvO moeilijk vast te stellen is. De overheid houdt in de gaten hoe de markt voor GvO’s zich ontwikkelt en zal bij nieuwe ontwikkelingen heroverwegen om een correctie voor de GvO-opbrengst in te voeren.

Wanneer ze over gaan tot het maken van een correctie voor de GvO-opbrengst, zal dit uitsluitend voor nieuwe SDE-aanvragen gelden en zal dit tijdig gecommuniceerd worden. Vanuit de EU is al eens gesuggereerd dat de GvO's om dezelfde reden zouden moeten toekomen aan de Nederlandse overheid die ze dan vervolgens zou kunnen laten veilen.

6.2.3.2 Leverancier Om leverancier van (groen) gas te kunnen zijn moet worden voldaan aan de bepalingen voor leveranciers uit de Gaswet. Het Rijk gaat over deze wet, maar is hierbij wel gebonden aan een fors pakket aan EU-bepalingen, onder andere uit de Gasrichtlijn. Binnen de Gaswet zijn grofweg twee 'typen’ leveranciers: zij die leveren aan kleinverbruikers (aansluiting <40 Nm3/uur, zie 6.1.2) of grootverbruikers (alle afnemers met een aansluiting >40 Nm3/uur). Voor particulieren/huishoudelijke afnemers geld vrijwel altijd dat dit kleinverbruikers zijn. Voor deze categorie afnemers moet er altijd een leveranciersvergunning zijn om aan deze afnemers te kunnen leveren. Daarnaast moeten alle bepalingen voor kleinverbruikers (met name in het kader van consumentenbescherming) uit de Gaswet worden nageleefd, waaronder de verplichtingen rondom leveringszekerheid, betrouwbare levering, maar ook de leveringsplicht (verplichte levering aan iedereen die hierom vraagt). De leveringsplicht zorgt er ook voor dat een leverancier zich niet kan beperken tot de levering binnen één bepaalde regio, maar in heel Nederland gas moet aanbieden. Tenslotte hebben alle afnemers (niet alleen huishoudelijk) vrije keuze van energieleverancier (gas en elektriciteit) en kunnen dus niet worden gedwongen door enig voorschrift om energie van een bepaalde partij af te nemen.

6.3. Strategieën Om lokaal beschikbaar groen gas, of de potentie voor de beschikbaarheid daarvan te borgen voor de regio is een aantal opties en strategieën denkbaar. Enerzijds kan worden gedacht aan het mogelijk borgen van de lokale inzet of inzetbaarheid van het lokale groene gas door middel van het veiligstellen van GvO’s voor een regio (of de daarbinnen wonende huishoudens). Dit zou mogelijk kunnen door lokale overheden, maar ook op individueel (huishoudelijk) niveau. Ook kan worden gedacht aan het actief beïnvloeden van de beschikbaarheid en inzet van biogrondstoffen, de productie van groen gas en/of afname van het groen gas door lokale overheden. Beide worden hierna verder toegelicht.

5 Bio Compressed Natural Gas oftewel gecomprimeerde biomethaan

6

In de toekomst kunnen GvO’s wellicht ook gebruikt worden om LNG te vergroenen en zo BioLNG te maken.

27

Uitgaande van het behoud van gasaansluitingen voor afnemers binnen een bepaalde regio, of wijk en het op termijn verdwijnen van de mogelijkheid om nog aardgas af te nemen, nemen we voor onderstaande modellen en strategieën aan dat aardgas uiteindelijk niet meer kan worden afgenomen via leveranciers en dat enkel nog groen gas gebruikt kan worden in de toekomst. Echter, de situatie waarin enkel nog groen gas (geen aardgas) meer beschikbaar is er niet van vandaag op morgen is. Daarom verkennen we ook de routes met het gebruik van GvO’s, met het uitgangspunt dat aardgas nog wel beschikbaar zal zijn. De vraag is in hoeverre lokaal geproduceerd groen gas regionaal kan worden ingezet en hoe de verbinding tussen lokale vraag en aanbod kan worden gemaakt. Opgemerkt moet worden dat zonder enige actie het lokaal geproduceerde groene gas in ieder geval al een ‘lokaal gewaarmerkte’ GvO krijgt. Immers, de productielocatie staat altijd op de GvO. Een uitgangspunt kan zijn dat wanneer er voldoende ‘lokale’ GvO’s beschikbaar zijn, de lokale vraag zou kunnen worden afgezet tegen deze beschikbaarheid. Lokale GvO’s in deze setting duidt op GvO’s met een aangegeven productielocatie overeenkomstig met een afgebakend gebied waarin groen gas als warmtebron is aangewezen door lokale overheden.

Deze afbakening kan bijvoorbeeld geografisch zijn, of gebaseerd op een bepaald netdeel van het gasdistributiesysteem. Wanneer de productiecentrale gelegen is binnen het geografische gebied, of is aangesloten op het betreffende netdeel zou kunnen worden aangenomen dat er binnen dit gebied ‘lokaal groen gas’ wordt geproduceerd. Wanneer er voor de afnemers van gas in dit gebied binnen het GvO register GvO’s worden afgeboekt en de lokale productiecentrale tenminste dit aantal afgeboekte GvO’s heeft geproduceerd, is er ‘centraal’ balans tussen de lokale behoefte aan GvO’s groen gas en de centraal opgewekte GvO’s. Aanname hierbij is wel dat er louter GvO’s worden meegeteld die voortkomen uit de productie van groen gas. Dit kan bijvoorbeeld doordat afnemers 100% Nederlands groen gas zouden afnemen van hun leverancier. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat dit momenteel nog hypothetisch is, omdat er momenteel nog lang niet door alle energieleveranciers Nederlands groen gas wordt verkocht (zie ook 6.3.1, Model 1) en het ook niet waarschijnlijk is dat er voldoende groen gas zal zijn om voor alle Nederlandse gasconsumenten om te voorzien in de vraag, waarmee ook niet alle bewoners binnen een regio daadwerkelijk Nederlands groen gas geleverd kunnen krijgen. Rekenvoorbeeld Binnen Gemeente X wordt een gebied geografisch afgebakend: bijvoorbeeld regio Y.

Binnen deze afbakening bevindt zich een productiecentrale voor groen gas. Deze produceert genoeg groen gas met bijbehorende GvO’s voor 1000 huishoudens. Binnen regio Y wonen 600 afnemers. Deze hebben allemaal een overeenkomst met een energieleverancier voor de levering van groen gas dat geproduceerd is in Nederland. Hier worden ook de benodigde GvO’s voor afgeboekt. Bij Vertogas, de beheerder van het Nederlandse GvO register, zijn dus meer GvO’s aangemaakt door de producent binnen regio Y, dan er (Nederlandse) groen gas GvO’s zijn afgeboekt voor de afnemers van regio Y. Bij de hypothese dat op deze wijze voldoende centrale balans is tussen lokaal vraag en aanbod van groen gas en de bijbehorende GvO’s, zou kunnen worden gesproken van voldoende lokale beschikbaarheid van groen gas. Desalniettemin zou dergelijk scenario ‘centrale borging’ kunnen worden genoemd: binnen Nederland zijn vraag en aanbod van Nederlands groen gas in balans. De borging in dergelijke setting komt dan van: a) de ‘lokaal gewaarmerkte’ GvO's; en b) de afname van (Nederlands) groen gas (waarvoor ook GvOs zijn afgeboekt) van de lokale afnemers. Met dergelijke aanname is de directe relatie tussen de door de leverancier ten behoeve van de afnemer afgeboekte GvO’s en de door de leverancier gehouden GvO’s van lokaal geproduceerd groen gas irrelevant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10239238/1