CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

10-03a Wildervank - C.W. Lubbersstraat vastgesteld plan versie 11-10

Gemeenteraad 31 oktober 2022, gemeente VeendamBij agendapunt: Bestemmingsplan C.W. Lubbersstraat.24.044 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit de Quickscan is gebleken dat er mogelijk algemene broedvogels, verblijfplaatsen en vliegrouteondersteuning van vleermuizen en verblijfplaatsen van steenmarter en kleine marterachtigen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, dienen voor algemene broedvogels enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Het heeft de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin van het vogelbroedseizoen, dan dient het plangebied ruim voor aanvang van het broedseizoen preventief ongeschikt gemaakt te worden door het verwijderen van bomen en struiken in het plangebied; Het kort maaien en kort houden van de oevervegetatie en het gras, zodat er geen nestgelegenheid is voor watervogels en door het plaatsen van rode vlaggetjes op het dak van het kantoorpand zodat kan worden voorkomen dat soorten als scholekster daar komt te broeden. Daarbij is het wenselijk om nieuwe nestmogelijkheden te creëren, of nestmogelijkheden elders te verbeteren door het plaatsen van inheemse vegetatie. Tevens mogen de genoemde maatregelen niet in strijd zijn met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming voor wat betreft andere beschermde soorten.

Indien gestart wordt te midden van het vogelbroedseizoen, dient er eerst een controle plaats te vinden door een ter zake kundige ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld.

33/510

Voor vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats en/of vliegroute hebben binnen de verstoringszone van het plangebied, dient verstoring door bouwverlichting te worden voorkomen door eventueel te gebruiken verlichting weg te draaien van met name de woningen ten zuiden van het plangebied, de brede watergang ten oosten van het plangebied en de bomenrij langs de doorgaande weg ten oosten van het plangebied. Bij voorkeur wordt bij het plaatsen van een licht gekozen voor amberkleurige verlichting. Om de aanwezigheid van steenmarter en gewone grootoorvleermuis te toetsen is nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 toegevoegd. Uit het nader onderzoek is gebleken dat de steenmarter minimaal één verblijfplaats heeft binnen het plangebied. Dit betekent dat het uitvoeren van de werkzaamheden in strijd is met de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming, omdat de verblijfplaats hierdoor vernield wordt. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden voor de steenmarter om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Om de ontheffing te verkrijgen is het nodig om compensatie aan te bieden en dient een activiteitenplan opgesteld te worden, waarbij onder andere de staat van instandhouding en alternatieve werkwijzen en planning afgewogen dient te worden. Er zijn geen kleine marterachtigen of overige beschermde soorten waargenomen gedurende het onderzoek.

Een mogelijke reden hiervoor is de aanwezigheid van de steenmarter, welke een concurrent vormt voor soorten zoals de bunzing, en concurrenten soms actief verdrijft. Er zijn geen vervolgstappen benodigd voor kleine marterachtigen. Voor de overige voorkomende soorten dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van deze soorten. Er mag dan ook niet tijdens het broedseizoen gewerkt worden. Tot slot geldt de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat men de plicht heeft om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wnb. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), thans genoemd Natuurnetwerk Nederland. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Directe effecten, zoals verstoring, verontreiniging, versnippering etc. zijn op deze afstand uit te sluiten.

Indirecte hinder als gevolg van verkeersbewegingen zijn ook niet aan de orde, omdat autoverkeer de natuurgebieden niet hoeft te kruisen om de planlocatie te bereiken.

34/510

Natuurnetwerk Nederland Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de NNN. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Er worden daarom geen ingrepen voorgesteld. Vanuit de NNN zijn geen belemmeringen voor dit plan aan de orde. Stikstofdepositie Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.

4.6

Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Maatgevende stoffen in Nederland zijn hiervoor stikstofdioxide en fijn stof. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit in Nederland zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Er worden slechts 24 wooneenheden mogelijk gemaakt aan één ontsluitingsweg. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N33 direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 10,9 µg/m³ voor NO2, 13,5 µg/m³ voor PM10 en 6,7 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van

35/510

een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor een verdere onderbouwing wordt tevens verwezen naar paragraaf 4.4. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.7

Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s). Ter voorbereiding is in 2020 een verkennend bodemonderzoek (zie bijlage 4) uitgevoerd. Uit dit onderzoek is een aantal aandachtspunten naar voren gekomen waarbij extra onderzoek is geadviseerd. Dit onderzoek is vervolgens uitgevoerd en als bijlage 5 opgenomen. Op basis van de onderzoekresultaten is sprake van een tweetal verontreinigingen die belemmeringen kunnen geven voor de ontwikkeling van de locatie naar woningbouw. Het betreffen: Deellocatie A: Xylenen verontreiniging voormalige benzinepomp Voor deze verontreiniging geldt geen directe saneringsnoodzaak. Er zijn geen directe contactrisico’s.

Deellocatie E) Asbestverontreiniging puinlaag Voor de asbestverontreiniging zijn eveneens geen contactrisico’s. De verontreiniging is afgedekt met stelconplaten. Aanbevolen wordt om beide verontreinigingen voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie te verwijderen. Hierbij wordt nog opgemerkt dat middels het aanvullend onderzoek ter plaatse van deellocatie E is gebleken dat de bodemopbouw en bodemkwaliteit op dit deel van het terrein zeer heterogeen is. Puinlagen en dempingsmateriaal (huisvuil) wisselen elkaar, op verschillende dieptes en plaatsen, af. Het is niet uitgesloten dat buiten de reeds onderzochte delen op dit terreindeel verontreinigde puinlagen/dempingsmateriaal kan worden aangetroffen. Bij eventueel toekomstig grondverzet vormt dit onderzoek geen geldig bewijsmiddel, maar geldt het als indicatie voor de kwaliteit van de af te voeren grond. Bij grondverzet en afvoer van grond vanaf de locatie kan het daarom noodzakelijk zijn een partijkeuring volgens de richtlijnen van het Besluit bodemkwaliteit uit te voeren. Vanwege de aanleiding van het huidige onderzoek, transactie, is geen onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PFAS. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan eventuele afvoer van grond hier rekening mee te houden. Ter plaatse van de met asbest verontreinigde puinlagen (> 100 mg/kg d.s.

aan asbest) is voor eventuele grondroerende werkzaamheden veiligheidsklasse Zwart niet vluchtig van toepassing. Voor puinlagen en bodemlagen waarin gehalten aan asbest zijn gemeten < 50 mg/kg d.s. is de basishygiëne van toepassing.

36/510

De ontwikkelaar is bekend met de huidige bodemgesteldheid. De verontreinigde grond zal gesaneerd worden, middels een nader op te stellen saneringsplan. De ontwikkelaar onderzoekt momenteel de mogelijkheden om de bodemgesteldheid op de woonpercelen te laten voldoen aan de kwaliteitsklasse Wonen. Hierover is overleg met de gemeente Veendam omtrent de mogelijkheden. Nader onderzoek op de toekomstige woonpercelen zal uitwijzen welke maatregelen benodigd zijn om te voldoen aan de kwaliteitsklasse Wonen. Ontwikkelaar en gemeente zijn overeengekomen dat de kosten die voortvloeien uit de sanering voor rekening van ontwikkelaar komen. Het in beeld brengen van de kosten is om deze reden geen noodzaak. Echter gezien de ontwikkelingen omtrent de bodemgesteldheid komt de financiële haalbaarheid van dit plan in gevaar. Ontwikkelaar en gemeente hebben overleg gevoerd, waarin is afgesproken dat gemeente bereid is zorg te dragen voor een kosteloze acceptatie van de overtollige grond, met kwaliteitsklasse Industrie, binnen afzienbare afstand van de locatie. Om de bodemkwaliteit aan de beoogde functie te laten voldoen worden de eerder genoemde acties uitgevoerd.

4.8

Water

De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. De aanmelding heeft ertoe geleid dat de normale procedure wordt doorlopen. Op basis hiervan heeft het waterschap een aparte uitgangspunten notitie opgesteld. Deze is als bijlage 12 opgenomen en waar relevant in deze paragraaf verwerkt. Waterveiligheid Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij de doorbraak van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle belangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid. Dit plan voorziet niet in een extra risico voor de waterveiligheid. Ook bevinden zich geen beschermingszones in het plangebied waar rekening mee gehouden moet worden.

Waterhuishouding De afwatering van hemelwater uit het plangebied ligt richting het oosten en onder vrij verval op het A.G. Wildervankkanaal (boezem +0,53 mNAP)). Bij hoog water op de boezem zal dit vrij afwateren niet meer mogelijk zijn. Hier zal in het ontwerp van het watersysteem rekening mee moeten worden gehouden. In extreme situaties zou een afvoer op het Oosterdiep overwogen kunnen worden. Hier zal in het ontwerp van HWA en overstorten rekening moeten worden gehouden.

37/510

Bestaande bebouwing en achtertuinen langs het Oosterdiep en de C.W. Lubberstraat hebben nu een afwatering via aanwezige schouwsloten en een lange duikers richting de Meihuizenweg. Dempen van de schouwsloten en het verwijderen van de duikers kan leiden tot wateroverlast bij de bestaande bebouwing. Daarbij ligt het plangebied lager dan de bestaande woningen zodat hierdoor een natuurlijke drainage richting dit lager gelegen gebied ontstaat. Bij woningbouw in het plangebied zal door hogere vloerpeil en ophoging in het gebied dit effect verdwijnen. Waterkwantiteit Het waterschap heeft als taak de zorg voor voldoende water in droge perioden als de afvoer in perioden van overvloed. Een vergrote kans op wateroverlast of watertekort dient dus voorkomen te worden. Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, de voor dit plan gerelateerde belangen beschreven die in meer of mindere mate de waterkwantiteit beïnvloeden. Wateroverlast vanuit het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Overtollig grond- en hemelwater dat tot afvoer komt volgt de trits ; ''vasthouden, bergen, afvoeren''. Met dit plan neemt de verharding af. In de huidige situatie bedraagt de verharding 7.753 m2 en in de nieuwe situatie 6.985 m2. Zie hiervoor figuur 4.3 en 4.4. De ontwikkelaar is derhalve niet verplicht om compenserende maatregelen te nemen.

Figuur 4.3

38/510

Verharding huidige situatie van 7.753 m2

Figuur 4.4

Verharding huidige situatie van 6.985 m2

Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. In dit thema zijn, indien van toepassing, alle voor dit plan specifieke waterschapsbelangen beschreven die impact hebben op de waterkwaliteit. Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits ; ''schoonhouden, scheiden, zuiveren''. In grote delen van het beheergebied zijn nog gemengde rioolsystemen aanwezig.

In dergelijke systemen wordt het relatief schone hemelwater vermengd met vuilwater en wordt het vervolgens naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) van het waterschap gebracht. Na zuivering wordt het water geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het transport van schoon hemelwater via het gemeentelijk rioolstelsel en het behandelen via een RWZI is niet duurzaam. Om deze reden zal hemelwater alleen op het vuilwaterriool kunnen worden geloosd als het hemelwater; niet kan worden hergebruikt (opvang) en/of kan afvoeren via de bodem, het openbaar regenwaterstelsel, een oppervlaktewaterlichaam zonder een specifieke functie, of via een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Wijzigingen in de behandeling van het hemelwater en vuilwater kunnen echter voor overlast zorgen als mogelijke ongewenste gevolgen onvoldoende bekend zijn en waar nodig zijn verholpen. Rechtstreekse afkoppeling van hemelwater (via een hemelwaterriool) naar het oppervlaktewater (vijvers en sloten) kan dit wateroverlast veroorzaken, als het ontvangende oppervlaktewater niet hiervoor de capaciteit heeft en/of aanwezige kunstwerken (o.a. duikers, stuwen en inlaatwerken) het aangeboden water

39/510

niet kan verwerken. Met dit plan is geen sprake van vervuiling van het oppervlaktewater. Alle woningen zijn aangesloten op het drinkwaternet en de riolering. In de nieuwe situatie wordt het (huishoudelijk) afvalwater afgevoerd naar het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. Ook wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen en vinden er geen bedrijfsmatige activiteitenplaats die voor vervuiling kunnen zorgen. Boezemkaden De boezemkaden, de zogenaamde secundaire kering, beschermen het beheergebied tegen overstromingen vanuit de boezem. De kades hebben een minimale provinciale veiligheidsnorm van 1:100 jaar, welke in sommige delen van het beheergebied kan oplopen tot 1:300 jaar of maximaal 1:1000 jaar. Een hogere norm is gebaseerd op de impact van een overstroming; grotere economische schade door een overstroming resulteert in een hogere norm (Beheerprogramma 2022-2027). Om de werking van de secundaire kering te beschermen ligt aan weerszijden van de kades een beschermingszone van 5 m. Binnen deze zone is voor het uitvoeren van werkzaamheden nodig de werkzaamheden vooraf te melden dan wel een watervergunning aan te vragen, zoals is geregeld in de Keur van het waterschap. Het ingediende plan ligt binnen de beschermingszone van een boezemkade. Hoofdwatergang Aan weerszijden van alle hoofdwatergangen ligt een beschermingszone van 5 meter breed, gerekend vanaf de insteek talud.

Een zone van 4 meter vanaf de insteek langs hoofdwatergangen moet vrij blijven (onderhoudspad/maaipad) van ieder obstakel, zoals: heggen, afrastering, bomen, schuttingen, opstallen en/of verharde paden. Zoals is vastgesteld in de Keur van het waterschap, geldt voor maatregelen binnen deze beschermingszone (en voor maatregelen in de hoofdwatergang zelf) een meldingsplicht (Algemene Regels) en is veelal een watervergunning vereist. Schouwsloten Schouwsloten zijn sloten die niet in eigendom zijn van het waterschap, maar een belangrijke lokale functie vervullen voor de afwatering van een groter gebied, meerdere eigenaren en/of belangen van derden. Vanwege deze afwateringsfunctie is het van belang dat een schouwsloot goed onderhoud heeft. De eigenaren van schouwsloten zijn verplicht het benodigde doorstroomprofiel jaarlijks schoon te houden en het waterschap ziet hierop toe via de schouw. Het profiel van een schouwsloot mag niet zonder toestemming van het waterschap gewijzigd worden (Keur Waterschap Hunze en Aa's). Indien hier sprake van is, dan neemt de initiatiefnemer contact op met het waterschap. Wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem In de meeste gevallen moeten wijzigingen worden gemeld of moet een watervergunning worden aangevraagd, om ongewenste gevolgen voor het watersysteem te voorkomen en/of te beperken.

Het bergend vermogen in het watersysteem mag niet afnemen (bijvoorbeeld door een (gedeeltelijke) demping) op locaties waar dit tot wateroverlast kan leiden en de doorstroomprofiel van het watersysteem mag niet worden gehinderd. In de Keur van het waterschap en in de Algemene Regels staan aangegeven onder welke voorwaarden fysieke aanpassingen aan het watersysteem plaats mogen vinden.

40/510

Grondwaterstand en ontwateringsdiepte Om grondwateroverlast te voorkomen is een minimale ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en de grondwaterstand) nodig. In het plangebied is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) (plaatselijk) relatief hoog, waardoor de kans op overlast toeneemt. De voor het plan noodzakelijke ontwateringsnorm wordt mogelijk niet in het hele plangebied gehaald. Voor primaire wegen is de ontwateringsnorm 1,0 m-mv, voor woningen met kruipruimtes, industrieterreinen en secundaire wegen is dit 0,7 m-mv, voor tuinen en plantsoenen is dit 0,5 m-mv, en voor woningen zonder kruipruimte is de norm 0,3 m-mv. Mocht de beoogde functie van het ingediende plan overlast kunnen ondervinden door onvoldoende ontwateringsdiepte, is het te adviseren om hier rekening mee te houden in het ontwerp en bij de inrichting. ingediende plan overlast kunnen ondervinden door onvoldoende ontwateringsdiepte, is het te adviseren om hier rekening mee te houden in het ontwerp en bij de inrichting. Adaptatie op lokale bodemdaling Het beheergebied van het waterschap Hunze en Aa's wordt gekenmerkt door drie verschillende vormen van bodemdaling, namelijk; door gaswinning, door zoutwinning en door veenoxidatie.

Bodemdaling door gaswinning heeft lokaal geen grote invloed op het functioneren van het watersysteem, maar regionaal dient het watersysteem hierop wel maatregelen te treffen. Bodemdaling door zoutwinning en veenoxidatie kunnen wel tot lokale maatregelen leiden in het watersysteem. Overleg waterbeheerder De initiatiefnemer(s) van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hunze en Aa's, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Nader overleg gaat nog plaatsvinden op basis van het wateradvies wat door het waterschap is verstrekt. Overleg gaat onder andere over mogelijk te nemen compenserende maatregelen in relatie tot het voorkomen van wateroverlast richting omwonenden, over de belangen van het bestaande grondgebruik in de directe omgeving van het plangebied én over het waterbeheer bij een hoogwatersituatie op de boezem (A.G. Wildervankkanaal). De ontwikkelaar treedt hierover in overleg met Waterschap Hunze en Aa's om te komen tot overeenstemming van de juiste uitvoering van dit project.

Deze overeenstemming dient bereikt te zijn alvorens wordt overgegaan tot realisatie.

4.9

Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysiek leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De gemeente Veendam heeft een archeologische beleidsnota en een archeologisch beleidskaart vastgesteld

41/510

(januari 2009). In september 2014 zijn een geactualiseerde nota en kaart vastgesteld waarin ook de cultuurhistorie een plek heeft gekregen. De beleidskaart is in 2016 en 2018 geactualiseerd. De beleidsnota en -kaart dienen als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het geldende bestemmingsplan zijn voor de gronden waar mogelijk archeologische waarden kunnen voorkomen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt voor het plangebied geen archeologische dubbelbestemming waar de woningen gebouwd gaan worden. Wel geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op dit deel van het plangebied vindt geen woningbouw plaats. Nader onderzoek naar archeologie is niet nodig. Wel wordt de dubbelbestemming ook in dit bestemmingsplan overgenomen. Indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dient hiervan direct melding te worden gemaakt conform de Erfgoedwet.

4.10 Cultuurhistorie De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het plangebied zijn geen beschermde monumenten aanwezig zo blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veendam. Zie hiervoor figuur 4.5. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden. De nieuwe inrichting voegt zich in de bestaande structuren en kenmerken van het dorp. Het aspect cultuurhistorie heeft dan ook geen gevolgen voor het project.

42/510

Figuur 4.5

43/510

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

4.11 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het gebied.

4.12 MER (Milieu effect rapportage) verantwoording In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt slechts 24 woningen mogelijk en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is.

In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerdergenoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer-beoordeling. Deze is als bijlage 9 opgenomen. Het college heeft op 6 juni 2022 op grond van deze beoordeling besloten geen milieueffectrapportage (m.e.r.) op te laten stellen voor het plan.

44/510

Hoofdstuk 5 5.1

Toelichting op de planregels

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij het bestaande bestemmingsplan 'Wildervank'. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Beschrijving juridische regeling

Bestemming Woongebied De toekomstige woningen krijgen de bestemming Woongebied. De woningen dienen binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. Het aantal woningen bedraagt niet meer dan het op de verbeelding aangeduide aantal per bouwvlak. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter. Binnen de bestemming Woongebied zijn de gronden ook bestemd voor verkeer en verblijf. De ontsluitingswegen en de parkeervoorzieningen zijn derhalve mogelijk binnen de bestemming Woongebied. Groen Het stedelijk groen heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Tevens vormt dit groen een afscherming van de nieuwe woonwijk tot het omliggende bedrijventerrein. Verkeer - Verblijfsgebied De ontsluitingswegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijf' gekregen. Ook groenvoorzieningen en water worden in deze bestemming meegenomen. Water Het bestaande water aan de noordwest kant van het plangebied heeft de bestemming 'Water' gekregen.

45/510

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie In het zuidelijk deel van het plangebied kunnen mogelijk archeologische resten voorkomen. Daarom is voor deze gronden de dubbel bestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd. Ook voor onder andere afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200 m2 is archeologisch onderzoek nodig. Gebiedsaanduiding geluidzone - industrie De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn naast de voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede aangeduid voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten vanwege het geluidgezoneerde industrieterrein.

46/510

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Algemeen

In het kader van een bestemmingsplan is het van belang om de uitvoerbaarheid na te gaan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. Hierop hebben provincie, waterschap en Veiligheidsregio Groningen gereageerd. Hun overlegreacties zijn als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. In een aparte bijlage zijn de overlegreacties beantwoord. Deze is als bijlage opgenomen. Daarnaast heeft de Omgevingsdienst Groningen ook een advies afgegeven. Ook de beantwoording van dit advies is meegenomen in bijlage 13. Op basis van de overlegreacties en het advies is de toelichting op enkele onderdelen aangepast. De regels en verbeelding zijn ongewijzigd gebleven. Er is op 22 maart 2022 een informatiebijeenkomst voor omwonenden georganiseerd. Verslaglegging hiervan wordt met de gemeente gedeeld. Vervolgens is het bestemmingsplan voor inspraak ter inzage gelegd. Dit heeft verder geen reacties opgeleverd. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan lag ter inzage van 6 juli 2022 tot en met 16 augustus 2022. Binnen de genoemde termijn heeft een ieder een zienswijze naar voren kunnen brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Er is één zienswijze ontvangen. Verder zijn nog enkele reacties ontvangen van de volgende partijen: 1. Provincie Groningen; 2. Omgevingsdienst Groningen; 3. Waterschap Hunze en Aa's. In de zienswijzenota volgt een overzicht van de ingekomen zienswijze met daarbij de inhoudelijke reactie.

Ook wordt een inhoudelijke reactie gegeven op de reacties van de provincie, omgevingsdienst en waterschap. De zienswijzenota is als bijlage bij het vaststellingsbesluit toegevoegd. Tot slot vindt een ambtshalve wijziging plaats op de verbeelding. Het bouwvlak aan de noordoostkant is in ondergeschikte mate vergroot, zodat het stedenbouwkundig ontwerp ter plaatse planologisch passend is. Hiermee staan de voorgevels van de levensloopbestendige woningen gelijk aan de zijgevels van de rijwoningen. Vaststelling Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

47/510

6.3

Grondexploitatie

Voor de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarin de gemeente geen directe financiële rol of belangen heeft. De ontwikkelaar kan het project volledig financieren. Er zijn voldoende financiële middelen beschikbaar. Daarmee is de financiële haalbaarheid voldoende gewaarborgd. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan middels een anterieure overeenkomst. De beoogde ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van eventuele planschade.

48/510

Bijlagen bij toelichting

49/510

50/510

Bijlage 1

51/510

Onderzoek wegverkeerslawaai

VEENDAM C.W. LUBBERSSTRAAT akoestisch onderzoek 18 januari 2022

1/14

2/14

DATUM KENMERK

18 januari 2022 20211580_0002

PROJECTLEIDER

J.J. Posthumus MSc

AUTEUR STATUS

Rients Koster Definitief

INHOUD 1. 2. 3.

4.

5.

6.

INLEIDING PLANBESCHRIJVING TOETSINGSKADERS GELUID

5 6 7

3.1

Wegverkeerslawaai 3.1.1 Algemeen 3.1.2 Nieuwe situaties 3.1.3 30 km-wegen

7 7 8 8

3.2 3.3

Industrielawaai Cumulatie

8 8

BEREKENINGEN

9

4.1 4.2 4.3

Rekenmethoden Uitgangspunten wegen Rekenmodel

9 9 10

BEREKENINGSRESULTATEN

11

5.1 5.2 5.3 5.4

11 12 13 13

C.W. Lubbersstraat Meihuizenweg Nijverheidsstraat Industrielawaai

BESPREKING RESULTATEN EN CONCLUSIE

BIJLAGEN

3/14

1

BEGRIPPEN

2

INVOERGEGEVENS

14

4/14

1. INLEIDING Aan de C.W. Lubbersstraat te Wildervank worden maximaal 24 grondgebonden woningen gerealiseerd. Op basis van het geldende bestemmingsplan “Kernen” kent het plangebied momenteel de bestemming “Bedrijventerrein”. Binnen deze bestemming zijn woningen niet toegestaan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidzone (Wet geluidhinder) van de Poststraat/Nijverheidsstraat, de Apollolaan/C.W. Lubbersstraat en de Meihuizenweg. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Het doel van het onderzoek is om na te gaan in hoeverre de nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Naast de zoneringsplichtige wegen is gekeken naar de geluidbelasting vanwege de aanwezige 30 km-wegen in het kader van de beoordeling van goede ruimtelijke ordening/aanvaardbaar woon-/leefklimaat. Het plangebied maakt momenteel deel uit van het gezoneerde industrieterrein “Bedrijventerreinen Veendam”. Woningbouw is momenteel niet toegestaan en kan planologisch mogelijk worden gemaakt door het plangebied de dezoneren. Daarmee komt het plangebied binnen de geluidzone te liggen.

Realisatie van de woningen is mogelijk als wordt voldaan aan de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Dit aspect is onderzocht door de Omgevingsdienst Groningen (ODG); de resultaten hiervan worden meegenomen in voorliggend onderzoek. De gehanteerde akoestische begrippen worden in bijlage 1 toegelicht.

5/14

2. PLANBESCHRIJVING Een overzicht van het voorgenomen plan is gegeven in figuur 2.1. In het gebied komen maximaal 24 woningen, waarvan één vrijstaande (koop)woning aan de westkant van het plangebied ter hoogte van de bestaande watergang. Deze woning krijgt een oriëntatie op het Oosterdiep. Verder bestaat het plan uit 14 twee-onder-één-kap woningen en een rij van acht aaneen gebouwde woningen. Tevens wordt het bestaande kantoorgebouw aan de noordkant van het plangebied omgebouwd tot reguliere woning. De woningen worden ontsloten door een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. Deze sluit aan op de Meihuizenweg en de C.W. Lubbersstraat. Daarnaast worden in het plangebied een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd. Het openbaar gebied krijgt verder een groene uitstraling. Figuur 2.1:

6/14

nieuwe situatie plangebied C.W. Lubbersstraat

3. TOETSINGSKADERS GELUID 3.1

Wegverkeerslawaai

3.1.1 Algemeen Wettelijke zones langs wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 3.1 weergegeven. Tabel 3.1:

schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken

5 of meer 3 of 4 1 of 2

buitenstedelijk gebied 600 400 250

breedte van de geluidzone [m] stedelijk gebied 350 350 200

De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: -

-

stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;

Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: • • •

4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB bedraagt; 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB bedraagt; 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting.

De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbelastingen toegepast, tenzij anders vermeld.

7/14

3.1.2 Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van een autosnelweg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. Voor het nieuwe woningen binnen het plangebied geldt dat er sprake is van een binnenstedelijke situatie. De maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB. 3.1.3 30 km-wegen Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven.

Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde.

3.2

Industrielawaai

Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de geluidzone, dienen voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen/terreinen grenswaarden in acht te worden genomen. Daarbij geldt een systematiek van voorkeursgrenswaarden en hogere grenswaarden. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. De algemene maximale grenswaarde bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties.

3.3

Cumulatie

Alvorens het bevoegd gezag overgaat tot het vaststellen van een hogere waarde, moet zij de effecten van de samenloop van verschillende geluidbronnen onderzoeken. Hiervoor wordt de gecumuleerde geluidbelasting berekend conform het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012. Er is geen beoordelingsmethode voorgeschreven. In tabel 3.2 is een algemeen geaccepteerde kwaliteitsindicatie van een bepaalde geluidbelasting opgenomen, die in dit rapport wordt toegepast. Tabel 3.2:

8/14

kwaliteitsindicatie geluidbelasting (bron: RIVM) geluidbelasting Lcum [dB]

geluidkwaliteit

<45

zeer goed

46-50

goed

51-55

redelijk

56-60

matig

61-65

slecht

>65

zeer slecht

4. BEREKENINGEN 4.1

Rekenmethoden

Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). De overdrachtsmodellen zijn opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie V2020.2 van dgmr-software. De relevante invoergegevens (brongegevens) zijn gegeven in bijlage 2. De objectgegevens (gebouwen) zijn niet weergegeven in een bijlage. Voor de hele omgeving worden deze ingevoerd vanuit PDOK-bestanden en zijn dermate omvangrijk, dat het niet meer informatief is. De gebouwhoogten in het rekenmodel zijn afgestemd op een effectieve bouwhoogte die toegestaan wordt binnen het plangebied.

4.2

Uitgangspunten wegen

Intensiteiten De verkeersintensiteit is het aantal motorvoertuigen dat per uur/etmaal passeert. Door de gemeente Veendam zijn alleen telgegevens aangeleverd/beschikbaar van de C.W. Lubbersstraat die dateren van 2018. Deze intensiteit is op basis van 1% autonome groei per jaar doorgerekend naar het peiljaar 2032 (10 jaar na plandatum). De verkeersintensiteit bedroeg voor de C.W. Lubbersstraat ca. 5.200 mvt/etmaal in 2018 en afgerond 6.040 mvt/etmaal in 2032 (wegvak tussen Vijverlaan en M. Hardenbergstraat). In de berekeningen is uitgegaan van een doorgaande verkeersstroom van deze intensiteit op de Apollolaan/C.W. Lubbersstraat/Dalweg 12. Van de Meihuizenweg zijn geen gegevens bekend. Wel is er een afvalbrengstation gevestigd. In de berekening is daarom uitgegaan van 2.000 mvt/etmaal op dit wegvak. Voor de Nijverheidsstraat zijn eveneens geen gegevens bekend. In het Mobiliteitsplan gemeente Veendam van 2006 is voor het peiljaar 2020 een intensiteit aangegeven van 6.550 mvt/etmaal voor een gemiddelde werkdag. Voor een gemiddelde weekdag in 2032 is uitgegaan van 1% autonome groei en bedraagt de etmaalintensiteit 6.640 mvt/etmaal op basis van dit uitgangspunt. De voertuig- en etmaalverdelingen zijn gebaseerd op de tellingen van 2018 en voor alle wegvakken gelijk aangehouden (bij gebrek aan andere gegevens).

Rijsnelheid De in te voeren rijsnelheid is de representatief te achten gemiddelde snelheid van een voertuigcategorie voertuigen. Dit is in het algemeen de wettelijke toegestane rijsnelheid. Voor de omliggende relevante wegen geldt een rijsnelheid van 50 km/uur. Wegdekverharding Geluid ten gevolge van wegverkeer kan men onderscheiden in motorgeluid en rolgeluid. Het rolgeluid is een gevolg van de wisselwerking tussen banden en wegdek. De aard van het wegdek is hierbij van invloed. Daarom worden in het rekenschema verschillende typen wegdek onderscheiden. Bij lichte motorvoertuigen is de bijdrage van het rolgeluid aan het totale geluid groter dan bij de zware en middelzware motorvoertuigen. Als gevolg hiervan heeft het wegdek een grotere invloed op de geluidsbelasting naarmate het percentage vrachtverkeer kleiner is. De wegdekverhardingen zijn overeenkomstig de feitelijk situatie te beschouwen als referentiewegdek.

9/14

4.3

Rekenmodel

Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving (voor zover aanwezig of geprojecteerd). De invoergegevens zijn gegeven in bijlage 2 (modelfiguur en wegen). Een overzicht van het akoestisch rekenmodel is gegeven in figuur 4.1. Voor het bodem-model zijn harde (wegen, water, etc.) en zachte (onverhard terrein) bodemgebieden van belang. Verharde gebieden zijn zoveel als mogelijk ingevoerd. Voor de niet gedefinieerde harde bodemgebieden is uitgegaan van een 50% absorberende bodem (Bf = 0,5). De ingevoerde wegen zijn geschematiseerd in rijlijnen die standaard 0,75 m boven het wegdek liggen. Ter plaatse van de bouwvlakken zijn toetspunten zijn ingevoerd met een hoogte ho = +1,5 m t/m ho = 7,5 m (maximaal twee bouwlagen + kap). Het maximum aantal reflecties waarmee de berekeningen zijn uitgevoerd bedraagt 1 reflectie en een sectorhoek van 2˚, conform de aanbeveling van de projectgroep Vergelijkend Onderzoek Akoestische Bureaus (VOAB). In deze projectgroep VOAB zijn afspraken gemaakt om de onderlinge verschillen in rekenprogrammatuur te minimaliseren. Figuur 4.1:

10/14

overzicht van het akoestisch rekenmodel met de ligging van objecten, de harde bodemvlakken (Bf = 0,0) en de toets-/rekenpunten

5. BEREKENINGSRESULTATEN 5.1

C.W. Lubbersstraat

In figuur 5.1 zijn de berekende geluidbelastingenvanwege de C.W. Lubbersstraat weergegeven (Lden in dB). De geluidbelastingen op de toetspunten zijn inclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh (5 dB). Figuur 5.1:

11/14

overzicht van de berekende geluidbelasting Lden in dB vanwege de C.W. Lubbersstraat (inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh)

5.2

Meihuizenweg

In figuur 5.2 zijn de berekende geluidbelastingen vanwege de Meihuizenweg weergegeven (Lden in dB). De geluidbelastingen op de toetspunten zijn inclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh (5 dB). Figuur 5.2:

12/14

overzicht van de berekende geluidbelasting Lden in dB vanwege de Meihuizenweg (inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh)

5.3

Nijverheidsstraat

In figuur 5.3 zijn de berekende geluidbelastingen vanwege de Nijverheidsstraat weergegeven (Lden in dB). De geluidbelastingen op de toetspunten zijn inclusief aftrek op basis van art. 110g Wgh (5 dB). Figuur 5.3:

5.4

overzicht van de berekende geluidbelasting Lden in dB vanwege de Nijverheidsstraat (inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh)

Industrielawaai

Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de geluidzone, dienen voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen/terreinen grenswaarden in acht te worden genomen. Daarbij geldt een systematiek van voorkeursgrenswaarden en hogere grenswaarden. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. De algemene maximale grenswaarde bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. Met het zonebeheersmodel van het gezoneerde industrieterrein industrieterrein “Bedrijventerreinen Veendam” is door de ODG de geluidbelasting berekend op het plangebied/bouwvlakken. Uit deze berekeningen blijkt dat de geluidzone momenteel gevuld is en dat de geluidbelasting op de bouwvlakken niet hoger is dan 51 dB(A) als etmaalwaarde. Door de ODG is geadviseerd om hogere grenswaarden vast te stellen van generiek 55 dB(A).

13/14

6. BESPREKING RESULTATEN EN CONCLUSIE Aan de C.W. Lubbersstraat te Wildervank worden maximaal 24 grondgebonden woningen gerealiseerd. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidzone (Wet geluidhinder) van de Poststraat/Nijverheidsstraat, de Apollolaan/C.W. Lubbersstraat en de Meihuizenweg. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Uit het onderzoek blijkt dat de alleen de berekende geluidbelasting vanwege de (gezoneerde) Nijverheidsstraat hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB (zie figuur 5.3), en dan uitsluitend ter plaatse van de grondgebonden woningen aan het Oosterdiep. De geluidbelasting bedraagt daar ten hoogste Lden = 55 dB (zie figuur 5.3). Dit betekent dat alleen voor deze woning een hogere waarde nodig is voor wegverkeerslawaai. Omdat het slechts één woning betreft zijn geluidreducerende maatregelen (stiller asfalt, snelheidsverlaging) niet kosteneffectief. Daarnaast zijn er stedenbouwkundige bezwaren (geluidschermen). Door de ODG is de geluidbelasting vanwege “Bedrijventerreinen Veendam” berekend op ten hoogste 51 dB(A) op de nieuwe woningen aan de oostzijde van het plangebied, slechts 1 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Om geen belemmeringen te laten ontstaan voor de het gezoneerde industrieterrein wordt een generieke hogere waarde van 55 dB(A) voorgesteld.

Omdat het plangebied vanaf de oostzijde door industrielawaai wordt belast en de hoogste geluidbelasting vanwege wegverkeer vanaf de westzijde is (Nijverheidsstraat), is er geen sprake van cumulatieve effecten. Samenvattend kan worden gesteld dat de woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wgh met een hogere waarde procedure en hogere waarden van 55 dB(A) voor uitsluitend industrielawaai (generiek) en 55 dB voor wegverkeerslawaai (één woning).

14/14

BIJLAGEN

Bijlage 1:

begrippen

Decibel A, afgekort dB(A): een maat voor de sterkte van geluid, zoals het door de mens wordt waargenomen, ten opzichte van een referentiedruk van 20.10-5 Pa. Equivalent geluidsniveau LAeq,T in dB(A): het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid. Gestandaardiseerd immissieniveau Li in dB(A): het equivalente geluidsniveau dat tijdens een bepaalde bedrijfstoestand onder meteoraamomstandigheden op een bepaalde plaats en hoogte wordt vastgesteld. Immissierelevante bronsterkte LWR in dB(A): het geluidvermogensniveau van een denkbeeldige bron, gelegen in het centrum van de werkelijke geluidsbron, die in de richting van het immissiepunt dezelfde geluiddrukniveaus veroorzaakt als de werkelijke geluidsbron. Langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau LAeqi,LT in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een specifieke beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een immissiepunt, bij een meteoraamgemiddelde geluidsoverdracht, zo nodig gecorrigeerd voor de gevelreflectie. Langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveau LAri,LT in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een specifieke beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een beoordelingspunt, zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, zuivere tooncomponent of muziekgeluid.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A): energetische sommatie van de langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveaus. Etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau vanwege het industrieterrein Letmaal in dB(A): de hoogste van de volgende drie waarden: LAr,LT over de dagperiode; LAr,LT over de avondperiode + 5; LAr,LT over de nachtperiode + 10. Europese dosismaat Lden in dB(A): avondperiode en nachtperiode.

gewogen gemiddelde van het geluidsniveau in de dagperiode,

Dagperiode: de beoordelingsperiode van 07.00 tot 19.00 uur. Avondperiode: de beoordelingsperiode van 19.00 tot 23.00 uur. Nachtperiode: de beoordelingsperiode van 23.00 tot 07.00 uur. Maximaal geluidsniveau (piekgeluidsniveau) LAmax in dB(A): het maximaal te meten A-gewogen geluidsniveau, meterstand “fast” gecorrigeerd met de meteocorrectieterm Cm. Immissiepunt: de plaats waarop het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt bepaald. Representatieve bedrijfssituatie: toestand waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode. Bedrijfstoestand: toestand van een inrichting, die relevant is voor te verrichten metingen. Meteoraam: de meteorologische omstandigheden waaronder een goede en stabiele geluidoverdracht plaatsvindt. Stoorgeluid: het op een bepaalde plaats optredende geluid, veroorzaakt door andere geluidsbronnen dan die waarvan het geluidsniveau wordt bepaald. Zone: een rond een industrieterrein gelegen gebied, waarbuiten een bepaalde geluidsbelasting vanwege dit terrein niet wordt overschreden.

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam 1 2 3 3 5

Omschr. C.W. Lubbersstraat (30 km) rotonde Nijverheidsstraat Dalweg 12 Meihuizenweg

X-1 253908,23 254472,75 254033,46 254471,89 254398,86

Y-1 567620,06 567374,89 567267,77 567370,01 567404,43

X-n 254398,76 254472,75 254246,31 254683,33 254592,50

Y-n 567404,47 567374,89 567888,55 567272,87 567923,88

H-1 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

6

C.W. Lubbersstraat

254445,59

567379,77

254398,86

567404,43

0,00

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

Model: Groep:

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam 1 2 3 3 5

H-n 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

M-1 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

M-n 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

ISO_H 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Type Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling Verdeling

Cpl False False False False False

Cpl_W 1,5 1,5 1,5 1,5 1,5

V(MR(D)) ------

V(MR(A)) ------

V(MR(N)) ------

6

0,00

0,00

0,00

0,00

Verdeling

False

1,5

--

--

--

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

Naam 1 2 3 3 5 6

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer V(MR(P4)) ------

V(LV(D)) 50 50 50 50 50

V(LV(A)) 50 50 50 50 50

V(LV(N)) 50 50 50 50 50

V(LV(P4)) ------

V(MV(D)) 50 50 50 50 50

V(MV(A)) 50 50 50 50 50

V(MV(N)) 50 50 50 50 50

V(MV(P4)) ------

V(ZV(D)) 50 50 50 50 50

--

50

50

50

--

50

50

50

--

50

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

Naam 1 2 3 3 5 6

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer V(ZV(A)) 50 50 50 50 50

V(ZV(N)) 50 50 50 50 50

V(ZV(P4)) ------

30 km/uur False False False False False

50

50

--

False

Wegdek W1 W1 W1 W1 W1

Totaal aantal 6040,00 6040,00 6640,00 6040,00 2000,00

%Int(D) 6,39 6,39 6,39 6,39 6,39

%Int(A) 4,50 4,50 4,50 4,50 4,50

%Int(N) 0,67 0,67 0,67 0,67 0,67

%Int(P4) ------

6040,00

6,39

4,50

0,67

--

W1

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

Naam 1 2 3 3 5 6

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer %MR(D) ------

%MR(A) ------

%MR(N) ------

%MR(P4) ------

%LV(D) 96,50 96,50 96,50 96,50 96,50

%LV(A) 98,80 98,80 98,80 98,80 98,80

%LV(N) 98,00 98,00 98,00 98,00 98,00

%LV(P4) ------

%MV(D) 3,10 3,10 3,10 3,10 3,10

%MV(A) 1,10 1,10 1,10 1,10 1,10

%MV(N) 2,00 2,00 2,00 2,00 2,00

%MV(P4) ------

%ZV(D) 0,40 0,40 0,40 0,40 0,40

--

--

--

--

96,50

98,80

98,00

--

3,10

1,10

2,00

--

0,40

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

Naam 1 2 3 3 5 6

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer %ZV(A) 0,10 0,10 0,10 0,10 0,10

%ZV(N) ------

%ZV(P4) ------

MR(D) ------

MR(A) ------

MR(N) ------

MR(P4) ------

LV(D) 372,45 372,45 409,45 372,45 123,33

LV(A) 268,54 268,54 295,21 268,54 88,92

LV(N) 39,66 39,66 43,60 39,66 13,13

LV(P4) ------

MV(D) 11,96 11,96 13,15 11,96 3,96

0,10

--

--

--

--

--

--

372,45

268,54

39,66

--

11,96

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat

Bijlage 2.1: ingevoerde wegen

Model: Groep:

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam 1 2 3 3 5

MV(A) 2,99 2,99 3,29 2,99 0,99

MV(N) 0,81 0,81 0,89 0,81 0,27

MV(P4) ------

ZV(D) 1,54 1,54 1,70 1,54 0,51

ZV(A) 0,27 0,27 0,30 0,27 0,09

ZV(N) ------

ZV(P4) ------

LE (D) Totaal 108,46 108,46 108,87 108,46 103,66

LE (A) Totaal 106,67 106,67 107,08 106,67 101,87

6

2,99

0,81

--

1,54

0,27

--

--

108,46

106,67

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

5-1-2022 12:47:29

Veendam - C.W. Lubbersstraat Model: Groep:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11949591/1