CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

07-02-02 Bijlage 1 Advies Regiegroep definitief inclusief ontwikkeltafeladviezen

Gemeenteraad 6 maart 2023, gemeente VeendamBij agendapunt: Ingekomen stukken week 23-0721.566 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

1/54

Advies Van:

Regiegroep

Aan:

Adviescommissie Jeugdhulp

Onderwerp:

Advies van de regiegroep aan de Adviescommissie Jeugdhulp

Datum:

11 mei 2022

Beste Adviescommissie Jeugdhulp, De juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener. Dat is wat we kinderen, jeugdigen en gezinnen met een ondersteuningsvraag gunnen. Gemeenten en ketenpartners hebben samen de taak en verantwoordelijkheid om dit te realiseren. Dat vraagt om partnerschap en vertrouwen. Ondanks het feit dat veel dingen goed gaan, hebben gemeenten en ketenpartners de afgelopen periode ook veel discussie gevoerd. Dat heeft soms tot verwijdering geleid en het vertrouwen is onder druk komen te staan. Wat alle betrokkenen echter gemeenschappelijk hebben is de zorg en wens voor een goed functionerend jeugdhulplandschap. De tien Groningse gemeenten hebben eind 2021 een gezamenlijke regiovisie opgesteld, waarin op hoofdlijnen is beschreven wat er nodig is om te komen tot een beter functionerend jeugdhulplandschap. Kern daarin is het belang van samenwerking en partnerschap. De afgelopen periode hebben gemeenten en ketenpartners met elkaar gekeken wat ervoor nodig is om het eerdergenoemde doel – de juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener – te realiseren. Dat hebben we gedaan in de vorm van ontwikkeltafels.

Een ontwikkeltafel is een groep mensen vanuit gemeenten, ketenpartners en (ouders van) cliënten die zich buigen over één actuele opgave in de jeugdhulp in onze regio en daar een advies over uitbrengen. Elke ontwikkeltafel heeft een advies opgeleverd. Deze adviezen concretiseren de regiovisie. Naast het concretiseren van de regiovisie, heeft deze wijze van samenwerken middels ontwikkeltafels ook bijgedragen aan het herstel van vertrouwen (en daarmee ook aan het bouwen aan een basis voor samenwerking en partnerschap). De regiegroep – bestaande uit experts uit gemeenten, jeugdhulp, onderwijs, kennisinstituten/wetenschap en cliënten – stelde de opdracht voor de ontwikkeltafels vast en brengt in dit advies resultaten samen. Voor u ligt het advies dat de regiegroep heeft opgesteld, waarbij voortgebouwd is op de adviezen van de verschillende ontwikkeltafels. In voorliggend advies is achtereenvolgens aandacht voor: 1. 2. 3. 4.

de context waarin dit advies tot stand is gekomen; de reactie van de regiegroep op de adviezen van de verschillende ontwikkeltafels; een voorstel voor het vervolgproces de randvoorwaarden die nodig zijn om stappen voorwaarts te blijven zetten; een voorstel voor het komen tot een passende governance-structuur.

Het voeren van gesprekken over inhoudelijke thema’s gericht op verbeteringen en concretisering van de regiovisie draagt, zo was de hoop en dat is ook gebleken, bij aan het hernieuwen en opbouwen van vertrouwen. Het bestek van de ontwikkeltafels is echter niet voldoende om alle knelpunten weg te werken. Er is een waardevolle (en soms ook moeizame) eerste stap voorwaarts gezet. Vervolgstappen zijn nodig om verder te bouwen aan het vertrouwen en invulling te geven aan partnerschap, waarbij expliciet aandacht nodig is voor het betrekken van de mensen en partijen die geen directe rol hadden in de ontwikkeltafels maar wel deel uitmaken van het Gronings jeugdhulplandschap.

2/54

We vragen uw steun en vertrouwen om op de ingeslagen weg verder te gaan. Hierna doen wij, de regiegroep, daarvoor een aantal voorstellen. Namens de regiegroep bestaande uit: Andrea Bergsma (gemeenten), Danielle Jansen (wetenschap), Geth Kuin (welzijn), Heidi Bolt (gemeenten), Jakko Zwartsenburg (gemeenten), Jan Houwing (onderwijs), Jan Lunshof (jeugdhulp), Karin van den Berg (jeugdhulp), Martine Brouwer (cliënten), Nathalie Kramers (gecertificeerde instellingen), Renate Veenstra (gemeenten), René Dalmolen (gemeenten), Rob Kah (welzijn) en Trea Veldema (jeugdhulp)

3/54

HOOFDSTUK 1

Context

De tien Groningse gemeenten hebben, passend binnen het kader van de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO), een gezamenlijke regiovisie opgesteld. Deze regiovisie is eind 2021 en begin 2022 aan de gemeenteraden voorgelegd. De regiovisie beschrijft de richting die de gemeenten willen inslaan voor het creëren van een duurzaam en dekkend jeugdhulplandschap voor de Groningse jeugdhulpregio. Belangrijke aspecten binnen de regiovisie zijn samenwerking en partnerschap. Gedurende de ontwikkeling van de regiovisie heeft overleg plaatsgevonden met ketenpartners en zijn bijeenkomsten georganiseerd. Het heeft er niet toe kunnen leiden dat een aantal aanbieders van jeugdhulp geen zorgen meer hebben over de invulling ervan. Om die reden hebben de tien gemeenten besloten om voor een aantal thema’s waarop inhoudelijke verbetering en/of concretisering van de ambitie nodig is ontwikkeltafels in te richten waaraan experts van ketenpartners en gemeenten gezamenlijk werken aan de gemeenschappelijke opgave waar de jeugdhulpregio voor staat. Zes thema’s, zes ontwikkeltafels Op 10 november 2021 is het voornemen om te werken met ontwikkeltafels in een werkconferentie gedeeld en besproken met vertegenwoordigers van ketenpartners. De volgende thema’s zijn geselecteerd om middels ontwikkeltafels nader uit te diepen 1: • • • • • •

Toegang via verschillende verwijzers Preventie Afbakening van en realiseren van een dekkend zorglandschap Data en monitoring Aansluiting jeugdhulp en onderwijs Administratieve lasten

Per ontwikkeltafel is een opdracht geformuleerd door de regiegroep. Voor een overzicht van de opdrachtformuleringen, zie bijlage 1. Kader waarin gewerkt wordt in de ontwikkeltafels In de projectinrichting is het kader geschetst waarbinnen de ontwikkeltafels zijn ingericht. Deze kaders zijn als volgt geformuleerd: •

•

Voor de ontwikkeltafels geldt de regiovisie als kader waarbinnen wordt gediscussieerd en gewerkt. Het werk aan de ontwikkeltafels bestaat uit verder invulling geven aan c.q. concretiseren van de regiovisie. Aan de ontwikkeltafels wordt gewerkt aan inhoudelijke voorstellen van hetgeen de regiovisie beoogt. Dat betekent dat er geen onderhandelingen plaatsvinden, maar gezocht wordt naar oplossingen die de hulp aan jeugdigen en hun gezinnen verbetert. De regiegroep bepaalt de inhoudelijke opdracht voor elk van de ontwikkeltafels, en geeft daarbij een aantal wensen mee en stuurt – waar dat nodig is – tussendoor bij.

1 Aanvankelijk was ‘Samenwerking en governance’ ook een aparte ontwikkeltafel. De regiegroep heeft de

keuze gemaakt om dit vraagstuk zelf op te pakken, aangezien de opbrengsten van de ontwikkeltafels vaak ook raken aan vraagstukken rond samenwerking en governance.

4/54

•

•

Naast de implementatie van de regiovisie werken de Groningse gemeenten ook aan nieuw inkoopbeleid. Het inkoopbeleid en -proces staan op zichzelf. Het inkoopbeleid speelt geen rol op de ontwikkeltafels, waarbij helder is dat keuzes met betrekking tot de inkoop van invloed kunnen zijn op thema’s als bijvoorbeeld dekkend zorglandschap of administratieve lasten. Inkoop en het hybride model beschouwen we als gegeven waarmee we te maken hebben tijdens de discussies aan de ontwikkeltafels. Het resultaat van ontwikkeltafels wordt neergelegd in een advies aan Adviescommissie Jeugdhulp. In de Adviescommissie Jeugdhulp zitten alle portefeuillehouders Jeugdhulp van de Groninger gemeenten. De Adviescommissie Jeugdhulp bespreekt haar conclusies over het advies met bestuurders uit de jeugdhulp, waarmee de afgelopen periode ook het overleg over de regiovisie is gevoerd.

Parallel aan het proces van de ontwikkeltafels zijn gesprekken gevoerd (en worden nog gesprekken gevoerd) onder leiding van Jan Menting (Zorg voor de Jeugd). Deze gesprekken zijn primair gericht op het herstel van het vertrouwen tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Ontwikkeltafels en rol van de regiegroep Om de ontwikkeltafels een gezamenlijk traject te laten zijn van gemeenten, ketenpartners en cliënten is een regiegroep ingesteld die bestaat uit vertegenwoordigers van gemeenten, ketenpartners, cliënten en kennisinstituten/wetenschap. De regiegroep stelde de opdrachten voor de ontwikkeltafels vast, stuurde gedurende het traject de ontwikkeltafels bij waar dat nodig was en bundelde de resultaten van de verschillende ontwikkeltafels. De regiegroep zag voor zichzelf een rol in het komen tot een advies rond samenwerking en governance. Met het opleveren van voorliggend advies heeft de regiegroep haar taak uitgevoerd en is haar opdracht afgerond. De regiegroep is vijf keer bij elkaar gekomen (voorafgaand, tijdens en na afloop van de ontwikkeltafels), grotendeels in de vorm van fysieke bijeenkomsten. Er zijn met elke ontwikkeltafel in totaal drie digitale gesprekken gevoerd, waarbij elk gesprek twee uur duurde. Voor een overzicht van de planning van de bijeenkomsten van de regiegroep en ontwikkeltafels, zie bijlage 2.

Adviesbureau Berenschot fungeerde als gespreksleider en penvoerder voor zowel de regiegroep als de ontwikkeltafels.

5/54

HOOFDSTUK 2

Reactie van de regiegroep op de adviezen van de verschillende ontwikkeltafels

Elk van de ontwikkeltafels heeft een advies opgeleverd. Deze adviezen zijn in bijlage 3 terug te vinden. In wat volgt wordt eerst een aantal algemene reflecties van de regiegroep op de opbrengsten van de ontwikkeltafels gedeeld. Vervolgens wordt een bondige reactie gegeven per ontwikkeltafel. Onder hoge tijdsdruk zijn eerste stappen voorwaarts gezet In korte tijd zijn vele gesprekken gevoerd, zowel aan de ontwikkeltafels als bij de regiegroep. De adviezen van zowel de ontwikkeltafels als de regiegroep zijn onder hoge tijdsdruk tot stand gekomen. Dat had voordelen, bijvoorbeeld omdat er weinig tijd zat tussen de sessies en er snel voortgebouwd kon worden op datgene wat in een vorige sessie was besproken. Bovendien dwong het om keuzes te maken in welk thema besproken wordt en ook om vooruitgang te boeken. Tezelfdertijd had de tijdsdruk ook als nadelen dat er onvoldoende tijd was om een zaken extra uit te diepen, nuances aan te brengen en het advies ook echt ‘als groep’ vast te stellen. Dat laatste had een extra impuls kunnen geven aan de samenwerking. Vanwege de snelheid van handelen die nodig was binnen de beperkte termijn was er geen ruimte om een eindgesprek te voeren in iedere ontwikkeltafel over het eindconcept dat naar de regiegroep is gestuurd.

Op basis van de reacties die zijn ontvangen op het voorlaatste concept is de verwachting gerechtvaardigd dat de zes adviezen de rode draden weergeven van de gesprekken die zijn gevoerd, al betekent dat niet dat iedereen het ook eens is met elke zin van een advies. Langs de lijn van de inhoud bouwen aan vertrouwen en dat was niet altijd makkelijk Ondanks (en misschien ook wel deels dankzij) de hoge tijdsdruk is in korte tijd veel vooruitgang geboekt; zowel ten aanzien van het komen tot inhoudelijke oplossingen voor actuele opgaven als het herwinnen van het vertrouwen in elkaar. Het werken langs de lijn van de inhoud helpt om te komen tot beter begrip voor elkaar en elkaars standpunten, en daarmee ook tot meer vertrouwen. Deelnemers aan de ontwikkeltafels hebben het aangedurfd om met elkaar in gesprek te gaan, ook als ze elkaar nog niet kenden en ook als de vertrouwensrelatie broos was. Dat was zeker niet altijd makkelijk: verschillende gesprekken aan ontwikkeltafels verliepen – zeker in het begin – stroef en naarmate de tijd vorderde werden gesprekken (meestal) positiever en constructiever. Daarbij waren er grote verschillen tussen ontwikkeltafels: waar, bijvoorbeeld, de ontwikkeltafel rond data en monitoring van begin af aan vlot liep, waren de gesprekken aan de ontwikkeltafel aansluiting jeugdhulp-onderwijs soms ook stroef.

Daarin speelde het thema zelf een rol, maar ook de mate waarin deelnemers bekend waren met elkaar. Er ligt een voorzichtige basis om de komende periode stappen voorwaarts te blijven zetten tussen gemeenten, ketenpartners, cliënten en kennisinstituten/wetenschap. Het is belangrijk aandacht te hebben voor het betrekken van partijen die wel van belang zijn in het zorglandschap maar nu geen actieve rol hadden in de ontwikkeltafels. De adviezen moeten nader geconcretiseerd worden Zoals eerder aangegeven verschilt de mate waarin ontwikkeltafels erin zijn geslaagd om tot concrete adviezen te komen. Het is zaak om de inhoudelijke adviezen die door de ontwikkeltafels zijn opgeleverd in de toekomst (verder) te concretiseren, bijvoorbeeld door specifieke knelpunten te benoemen waardoor ambities niet worden gerealiseerd. Die concreetheid kon in verschillende adviezen van ontwikkeltafels

6/54

nog niet worden bereikt. De complexiteit van de thema’s in combinatie met het korte bestek van drie sessies per ontwikkeltafel waren daar debet aan. De regiegroep kon daar helaas geen actieve rol in spelen omdat er door de beperkte doorlooptijd weinig tot geen tijd was om te sturen op het nader concretiseren van (tussenversies van) adviezen. Daarnaast kan je pas concreet worden als er ook een klimaat van (basis)vertrouwen is en daar hebben de ontwikkeltafels toe bijgedragen. Rode draden in de adviezen van de ontwikkeltafels Volgende rode draden vallen de regiegroep op bij de adviezen van de ontwikkeltafels: 1. De ontwikkeltafels geven invulling aan het centrale element van de regiovisie ‘samenwerking en partnerschap’ De ontwikkeltafels hadden onder andere als doel om de regiovisie te concretiseren en daarmee ook verdieping op de regiovisie aan te brengen. Dat is ten dele gelukt: de link met de regiovisie is in de ene ontwikkeltafel scherper dan de andere ontwikkeltafel. Er zijn geen adviezen gegeven door de ontwikkeltafels die haaks staan op de regiovisie, waardoor de regiovisie een prima basis biedt om verder op te bouwen. Het proces met ontwikkeltafels geeft invulling aan ‘samenwerking’ en ‘partnerschap’, twee centrale elementen in de regiovisie. 2.

Cliëntperspectief aan tafel zorgt voor een beter gesprek Zowel in de regiegroep als in de inhoudelijke ontwikkeltafels zaten (ouders van) cliënten aan tafel. Dat heeft gezorgd voor een verbreding van de inzichten en heeft de kwaliteit van de gesprekken vergroot. Ondanks het feit dat de gesprekken niet altijd makkelijk waren, niet in de minste plaats voor (ouders van) cliënten door de stroom aan beleidstaal, is de nadrukkelijke wens om nu en in de toekomst (ouders van) cliënten direct te betrekken. 3. De thema’s van de ontwikkeltafels raken elkaar en vullen elkaar aan, de ambitieniveaus en de mate van concreetheid verschillen Zoals verwacht raken de thema’s van de ontwikkeltafels elkaar. Zo zijn preventie en aansluiting onderwijs-jeugdhulp niet los te zien van elkaar, is (sturen op) het jeugdzorglandschap niet mogelijk zonder data en monitoring, en is toegang een cruciale schakel om te komen tot een dekkend zorglandschap en ook onderdeel van dat zorglandschap. Er zijn forse verschillen tussen de ontwikkeltafels in ambitieniveau – wat is het lonkend perspectief en hoe hoog leg je de lat. Daarnaast zijn sommige adviezen heel concreet – bijvoorbeeld de adviezen van data en monitoring en van administratieve lasten – en moeten andere adviezen juist nog verder geconcretiseerd worden. 4.

Niet het ‘wat’ maar vooral het ‘hoe’ vraagt aandacht De ontwikkeltafels maken duidelijk dat al veel dingen goed gaan. Dat moeten we koesteren. Daarnaast zijn vaak al oplossingen beschreven voor knelpunten of opgaven waar we voor staan. Er zijn veel bronnen waarin analyses en knelpunten zijn beschreven. De uitdaging is daarom niet meer om te bedenken wat nodig is, maar om te zorgen dat datgene wat is bedacht “van het papier af komt” en werkelijkheid wordt. De grote hoeveelheid initiatieven maakt het onoverzichtelijk en maakt een versnipperde indruk. Hetzelfde geldt voor het grote aantal bestaande overlegstructuren. Daar een analyse over uitvoeren en schrappen wat overbodig is of niet werkt maakt de inzet effectiever. 5. Pleidooi om, daar waar dat kan, op regionaal niveau op te trekken De discussie over wat op welke schaal wordt georganiseerd, wordt ook op andere overlegtafels gevoerd. Deze ontwikkeltafels pretenderen niet met het antwoord te komen. Wel valt op dat verschillende ontwikkeltafels (meest zichtbaar in de ontwikkeltafel ‘Administratieve lasten’) concluderen dat de regionale schaal veelal de passende schaal is om met elkaar op te trekken. 6. Meer sturing nodig op het realiseren van overkoepelende randvoorwaarden Er is een aantal overkoepelende randvoorwaarden, waarvan het bouwen aan partnerschap en

7/54

vertrouwen de belangrijkste is, waar meer aandacht en centrale sturing op nodig is. Hier wordt in Hoofdstuk 3 aandacht aan besteed. Reactie op de opbrengsten van de verschillende ontwikkeltafels Zoals eerder aangegeven ziet de regiegroep dat er in een kort tijdsbestek veel werk is verzet aan de verschillende ontwikkeltafels. In wat volgt reflecteert de regiegroep op de opbrengsten van de verschillende ontwikkeltafels en benoemt zij aandachtspunten. 1. Toegang via verschillende verwijzers Aan de ontwikkeltafel is een aantal waardevolle uitgangspunten geëxpliciteerd, waaronder: ‘de toegang’ bestaat niet, maar is een proces bestaande uit verschillende functies (waaronder preventie en verwijzen) en toegang als middel, niet als doel. Toegang is de schakel naar dekkend zorglandschap en is deels ook onderdeel van dat zorglandschap. Het is goed dat een selectie wordt gemaakt in wat volgens de ontwikkeltafel de kwaliteitscriteria zijn die het meest prioriteit moeten krijgen in de regio Groningen. Het advies moet echter ook nader worden uitgewerkt en geconcretiseerd. Daarbij is het in ieder geval nodig om concreet te maken welke plek toegang krijgt in het zorglandschap, welke acties precies nodig zijn om te zorgen dat het werkt en hoe de nieuwe aanpak zich onderscheidt van de inzet en aanpak van de afgelopen jaren.

De regiegroep adviseert om het advies eerst concreter te maken alvorens de intentie om te werken langs de lijn van (een select aantal) kwaliteitscriteria bestuurlijk te bekrachtigen (en wijkt daarmee af van het advies van de ontwikkeltafel aan de regiegroep). 2. Preventie Krachtig aan het advies van deze ontwikkeltafel is dat preventie niet gezien wordt als instrument (gelinkt met de systeemwereld) en dat juist de leefwereld centraal is gesteld. Daarop voortbordurend wordt gesteld dat preventie pas effectief is als kinderen, jeugdigen en ouders als vertrekpunt worden genomen. Aandachtspunt is dat er in het advies een tegenstelling lijkt te zijn: preventie dient zo dicht mogelijk rond het kind/jeugdige/gezin en daarmee ook zo lokaal mogelijk te worden georganiseerd en tezelfdertijd roept dit advies op om zoveel als mogelijk regionaal op te trekken ten behoeve van effectieve inzet van mensen en ideeën. De verhouding tussen lokaal/regionaal moet nader worden uitgewerkt, met antwoorden op vragen als: wat moet regionaal worden uitgevoerd, is dit ook goed regionaal uit te voeren en hoe verhoudt het regionaal organiseren/ontwikkelen zich tot de lokale uitvoering? Tot slot dient in algemene zin scherper in kaart te worden gebracht wat de consequenties zijn van dit advies. 3.

Afbakening van en realiseren van een dekkend zorglandschap Deelnemers aan deze ontwikkeltafel zijn erin geslaagd om een eerste stap te zetten in een (tot dan toe) stroeve discussie over het zorglandschap. Het kiezen voor nulplaten als middel om een stap voorwaarts te komen in de gesprekken lijkt goed te werken en de uitdaging wordt om de inzichten uit de nulplaten ook om te zetten in concrete acties. Om te komen tot concrete acties moeten nog forse stappen worden gezet. Daarnaast is in een volgende fase een directe link nodig tussen de ontwikkeltafel rond zorglandschap en de ontwikkeltafel rond data en monitoring, zodat beelden over het zorglandschap ook getoetst en geobjectiveerd kunnen worden. Ook is een directe link nodig met het advies rond samenwerking en governance (netwerksamenwerking heeft wel een governance nodig) en dient nader uitgewerkt te worden hoe de toegang onderdeel uitmaakt c.q. samenhangt met het zorglandschap. 4. Data en monitoring Deze ontwikkeltafel heeft een helder advies geformuleerd, waarbij de ontwikkeltafel zichzelf ziet als ‘duidingstafel’ die ook uitleg geeft bij de resultaten en waar de uitvoering ook betrokken wordt bij het duiden van resultaten. De regiegroep heeft er vertrouwen in dat deze manier van werken rond data en monitoring ook een bron kan zijn om partnerschap te voeden. Data en

8/54

monitoring staat dan niet meer primair in het teken van controle en beheersing, maar wordt juist gebruikt als middel om elkaar beter te begrijpen en om te kijken of wijzigingen ook het gewenste effect hebben. Dit draagt bij aan het realiseren van een lerend jeugdstelsel. De regiegroep onderschrijft het advies en voegt eraan toe dat kennisinstituten/wetenschap een grotere rol kunnen spelen dan nu is voorgesteld door de ontwikkeltafel. 5. Aansluiting jeugdhulp en onderwijs De constatering dat de samenwerking tussen cliënten, gemeenten, onderwijs, jeugdhulp en kennisinstituten/wetenschap (vijfhoek) beter kan en moet is de winst van deze ontwikkeltafel. Er is echter nog maar in beperkte mate een nieuwsgierigheid naar de ander tot stand gekomen. Dit zal ook in de toekomst tijd en aandacht vragen. Een eventueel vervolg op deze ontwikkeltafel dient zorgvuldig te worden uitgewerkt. En dan gaat het in ieder geval om de volgende punten: hoe de samenwerking in de vijfhoek bestuurlijk bekrachtigd kan worden, of dit een aparte ontwikkeltafel moet blijven (en/of er beter aangesloten kan worden op de bestaande overlegstructuren), hoe jongerenperspectief én ouderperspectief worden meegenomen, en hoe de aansluiting met de inzichten en acties uit de ontwikkeltafel ‘preventie’ worden geborgd. 6.

Administratieve lasten Het advies van de ontwikkeltafel wordt gedeeld door de regiegroep, waarbij de regiegroep stelt dat er voldoende aandacht dient te zijn voor de randvoorwaarden. Vertrouwen en partnerschap is randvoorwaardelijk om het advies van de ontwikkeltafel te kunnen implementeren. Tezelfdertijd is het samen werken aan visie op en aanpak van administratieve lasten juist ook een waardevol vehikel om het partnerschap te ontwikkelen. Het realiseren van de ambities rond administratieve lasten zal in sterke mate afhankelijk zijn van de positie die wethouders kiezen: als zij dit niet willen, gaat het niet werken. De ontwikkeltafel waarschuwt dat contracteren op lokale schaal in plaats van regionale schaal indruist tegen de leidende principes die in het advies zijn geformuleerd.

9/54

HOOFDSTUK 3

Voorstel voor het vervolgproces en randvoorwaarden

Voorstel voor het vervolgproces De regiegroep adviseert het instrument van de ontwikkeltafels in stand te houden. Daarbij zijn er de volgende aandachtspunten voor het vervolg: •

•

•

• •

Voor alle ontwikkeltafels lijkt het de regiegroep waardevol om de ontwikkeltafels een aanvullende opdracht mee te geven (en dus te continueren). Uitzondering hierop is de ontwikkeltafel ‘Aansluiting jeugdhulp-onderwijs’, waarbij het beter benutten van de bestaande overlegstructuur passender lijkt dan het in stand houden van een aparte ontwikkeltafel. Hier geldt wel de toevoeging dat de vijfhoek (jeugd en ouders, onderwijs, gemeenten, jeugdhulp en kennisinstituten) die de ontwikkeltafel heeft benoemd zichtbaar in beleid en uitvoering benut moet gaan worden. De ontwikkeltafels komen in een nieuwe fase terecht. Daar waar de eerste fase vooral gericht was op het elkaar leren kennen en oplossingsrichtingen in beeld brengen, is het nu zaak om tot concrete oplossingen te komen en die ook te implementeren. Dat vraagt van de regiegroep, en de ontwikkeltafels, (meer) sturing op het toewerken naar concrete resultaten. Daarbij dient ook expliciet aandacht te zijn voor wat we niet meer gaan doen. De nieuwe fase leidt wellicht ook tot een (gedeeltelijk) andere samenstelling van deelnemers aan ontwikkeltafels. De realiteit is dat het realiseren van het ‘hoe’ andere capaciteiten en vaardigheden vereist dan het formuleren van het ‘wat’. De ontwikkeltafels en regiegroep zijn tijdsintensief. Alle acties uitvoeren uit de verschillende adviezen is wellicht te arbeidsintensief.

Dat betekent dat de regiegroep moet durven prioriteren. Om stappen voorwaarts te zetten moeten alle deelnemende partijen aan zowel de regiegroep als de ontwikkeltafels goed georganiseerd zijn (gemeenten, jeugdhulp, onderwijs, cliënten en kennispartners). Men moet met een zeker mandaat namens een groep kunnen spreken, wetende dat één of een select aantal personen nooit de hele groep vertegenwoordigt.

Randvoorwaarden Zoals in Hoofdstuk 2 beschreven zijn er een aantal overkoepelende randvoorwaarden waar meer aandacht en centrale sturing op nodig is. Het formuleren van randvoorwaarden gaat over de wezenlijke vraag: waarom is het ons de afgelopen jaren op sommige terreinen niet of onvoldoende gelukt om voortgang te boeken? De regiegroep vraagt aandacht voor het realiseren van volgende randvoorwaarden: •

•

Bouwen aan partnerschap en vertrouwen en bestuurders hebben daarin een cruciale rol Partnerschap en vertrouwen staan als randvoorwaarden met stip op één. Partnerschap kan niet ontstaan zonder vertrouwen. Vertrouwen begint bij bestuurders: als op bestuurlijk niveau niet vanuit vertrouwen in elkaar wordt gewerkt, gaat het op de andere niveaus ook niet gebeuren. Dat vraagt om een nieuwsgierigheid in de andere, andere omgangsvormen en tijd: je hebt tijd en rust nodig om elkaar vragen te stellen, elkaar beter te begrijpen en daarmee ook in elkaar te investeren. Die tijd en rust gunnen we bestuurders, maar ook de ontwikkeltafels en de regiegroep. Belang van een governance die samenwerking faciliteert Als vanuit partnerschap en vertrouwen gewerkt wordt en de samenwerking steeds meer in netwerken wordt vormgegeven, dan past daar het traditionele opdrachtgever-/opdrachtnemerschap

10/54

minder bij. Het komen tot een passende governance-structuur is nodig en daar wordt in Hoofdstuk 4 een eerste voorzet toe gedaan.

11/54

HOOFDSTUK 4

Samenwerking vooral realiseren door werken aan cultuur via regelmaat

Ten tijde van de voorbereiding van de ontwikkeltafels was er een zevende thema voorzien om een ontwikkeltafel voor te organiseren, te weten: Samenwerking en governance. Gaandeweg ontstond het besef dat samenwerking en governance pas besproken kunnen worden als er zicht is op wat de inhoudelijke thema’s opleveren. Daarom is besloten dat ‘Samenwerking en governance’ geen aparte ontwikkeltafel werd, maar door de regiegroep zou worden opgepakt. De regiegroep heeft zich gebogen over het thema samenwerking en governance nadat de uitkomsten van de ontwikkeltafels bekend waren. Het streven was een advies te formuleren over de wijze waarop de inhoudelijke adviezen met behulp van een werkende governance gerealiseerd kunnen worden. Het gaat om governance die de samenwerking tussen gemeenten en ketenpartners regelt en effectief maakt. De regiegroep constateert dat samenwerking en governance twee verschillende onderwerpen zijn en niet door elkaar heen gebruikt moeten worden. Governance gaat over het organiseren van de samenwerking op systeemniveau en samenwerking kan gebaat zijn bij governance. Gaandeweg het proces is gebleken dat ‘samenwerking’ veel beter de lading dekt, vandaar dat in wat volgt vooral gesproken wordt over ‘samenwerking’.

Uitgangspunt is dat het belangrijk is dat we elkaar als partners blijven opzoeken om te blijven werken aan het doel van het dekkende zorglandschap voor kinderen en jeugdigen die dat nodig hebben. Daar helpt een reguliere overlegstructuur bij, maar de cultuur en de wil om in gesprek te blijven is doorslaggevend. De regiegroep ziet waarde in een overlegstructuur naar analogie van het werken met overlegtafels, waarin ontwikkeld wordt (in dit traject was dit middels ‘ontwikkeltafels’) en er regievoering plaatsvindt op de inhoud(in dit traject was dit middels een ‘regiegroep’). Het is aan de bestuurders om daar in een vervolg vorm en inhoud aan te geven. Hier past de opmerking dat hoogspecialistische jeugdhulp deels bovenregionaal wordt georganiseerd in de drie noordelijke provincies. Het spreekt voor zich dat regionale en bovenregionale governance en samenwerking op elkaar dienen aan te sluiten. De regiegroep richt zich in dit advies op de samenwerking binnen de regio Groningen. De regiegroep heeft het thema samenwerking en governance besproken aan de hand van een ordening van de context van jeugdhulp in Groningen. Er wordt namelijk op verschillende ‘velden’ samengewerkt. Het eerste veld van samenwerking betreft de gemeenten. Gemeenten werken samen om hun individuele zorgplicht gerealiseerd te krijgen.

In een collectief dat voor meer volume zorgt en waarmee ook functies gedeeld kunnen worden, opereren gemeenten in de inkoop en de beleidsvorming. Die samenwerking heeft structuur en governance nodig. De Norm voor Opdrachtgeverschap stelt dat regio’s in hun regiovisie een niet-vrijblijvende governance kiezen, met één onderling overeengekomen en gedragen aanspreekpunt dat extern kan optreden namens de regio. De gemeenten in Groningen werken zoveel mogelijk volgens deze opdracht, maar zien ook in dat er nog verbetering nodig is om aan de NvO te voldoen. Het tweede veld van samenwerking betreft de ketenpartners. Met het begrip ketenpartners wil de regiegroep alle partijen aanduiden die een rol spelen in de jeugdhulp maar geen gemeente zijn. Dat zijn, zonder uitputtend te willen zijn: de cliënten (kinderen, jeugdigen en hun ouders), jeugdhulpaanbieders, onderwijsinstellingen, huisartsen, gecertificeerde instellingen, et

12/54

cetera. Het is goed om te bedenken dat iedere categorie ketenpartners een eigen relatie heeft met de gemeenten. Dat betekent ook verschillende vormen van samenwerking en vormen van sturing en besturing van die samenwerking. De ketenpartners opereren in hun eigen sectornetwerk, maar gaan ook onderling verbindingen aan. Soms vraagt de casus daar om. Soms is het thema meer omvattend dan de eigen sector en draagt netwerksamenwerking bij aan oplossingen. Maar ook het samenvoegen van expertises en capaciteit, het afstemmen van aanbod op de vraag, zijn goede redenen om samen te werken. Soms vertaalt zich dat in hoofd- en onderaannemerschap. Nota bene: Cliënten maken in deze zin deel uit van het geheel aan ketenpartners. Welbeschouwd zijn cliënten te onderscheiden van de meeste andere ketenpartners omdat die juist zorgen voor zorg en ondersteuning en voorwaarden ten behoeve van cliënten. De reden om cliënten hier onder ketenpartners te voegen is dat ze daarmee een gelijkwaardige status krijgen in de overleggen. Daarnaast is de wens dat alle betrokken partijen, zowel gemeenten als (andere) ketenpartners, vanuit clientperspectief kijken. Het derde veld van samenwerking is de samenwerking tussen het collectief van ketenpartners en het collectief van gemeenten. De behoefte in Groningen ligt sterk op het regelen van de governance, c.q. samenwerking op dit veld.

Het is ook het veld van samenwerking dat onderwerp van gesprek was ten tijde van de voorbereiding van de ontwikkeltafels. Overigens lag in dat gesprek de focus met name op de samenwerking van gemeenten met de jeugdhulpaanbieders. Uit beschrijving van de voorgaande velden volgt dat dit gezamenlijke veld onder invloed staat van de kwaliteit en invulling van de samenwerking bij ketenpartners en gemeenten afzonderlijk. Het vierde veld van samenwerking ligt in de relatie opdrachtgever – opdrachtnemer. Dat veld wordt qua governance beheerst door contractering en de regels die daaruit voortvloeien. In de praktijk is dit veld vooral relevant voor gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Voor het leveren van jeugdhulp sluiten gemeenten contracten met jeugdhulpaanbieders. 2 1 4

3

Derde veld van samenwerking heeft schakeringen door de verschillende ketenpartners De regiegroep richt zich in dit advies op het derde veld van samenwerking. Dat is waar ketenpartijen en gemeenten elkaar ontmoeten. Het belangrijk te onderkennen dat iedere categorie ketenpartij een eigen relatie heeft met gemeenten. Cliënten hebben een zekere afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van

13/54

gemeenten, omdat zij hun zorgvraag willen verzilveren en daar een beschikking van gemeenten voor nodig hebben. Onderwijsinstellingen hebben een wettelijke verantwoordelijkheid waarbinnen het maken van afspraken met gemeenten valt. Het overleg in OOGO-verband is daar de uitvoering van. (OOGO staat voor Op Overeenstemming Gericht Overleg en is een wettelijk voorgeschreven overlegvorm) Jeugdhulpaanbieders hebben een relatie met gemeenten gericht op het gezamenlijk werken aan een dekkend zorglandschap zodat de gemeenten hun zorgplicht na kunnen komen en gecertificeerde instellingen zijn voor de uitvoering van hun werk afhankelijk van passende en tijdige hulp in het jeugdhulplandschap. Het doel van de samenwerking bepaalt de regels die je er voor stelt De regiegroep ziet als overkoepelend doel van deze samenwerking het realiseren van een dekkend zorglandschap waarbinnen effectieve en doelmatige hulp aan jeugdigen en hun ouders die dat nodig hebben, wordt geboden. Dat doel kan geen van de partijen zelfstandig realiseren. Partijen hebben elkaar daar voor nodig. Met dat doel voor ogen kan over ‘governance’ worden gesproken. De regiegroep merkt op dat het beoogde doel niet vanzelf dichterbij komt, als je de governance hebt geregeld. Het begint in het derde veld van samenwerking met het werken aan een cultuur van wederzijdse betrokkenheid.

Het kennen van elkaars mogelijkheden en beperkingen, maar ook het erkennen van elkaars risico’s draagt bij aan de kwaliteit van de samenwerking. Voor die cultuur is tijd nodig, maar de komende tijd ook regelmaat. De regiegroep adviseert voor die regelmaat een structuur te ontwikkelen, die het doel van de samenwerking en die cultuur ondersteunt. Dat zou kunnen door op bestuurlijk niveau een vaste regelmaat van overleg te creëren. Nota bene: de ontwikkeltafel aansluiting jeugdhulp-onderwijs heeft laten zien dat de vijfhoek (cliënten, onderwijs, kennisinstituten, gemeenten en jeugdhulpaanbieders) aan tafel nodig is voor goed beleid en goede uitvoering. Dat voedt de verwachting van de regiegroep dat ook op het derde veld van samenwerking de vijfhoek ingezet kan worden. Het spreekt voor zich dat ook op lokale schaal gewerkt kan worden vanuit deze vijfhoek. Ketenpartners moeten zich organiseren voor effectieve samenwerking Het kunnen voeren van effectief overleg vereist wel dat er personen aan tafel zitten met mandaat of in ieder geval met de bevoegdheid om hun collega’s te vertegenwoordigen. Dat betekent dat ketenpartners zich als sector moeten organiseren, zoals ook gemeenten moeten zorgen voor een gemandateerde vertegenwoordiging. De kwaliteit van de samenwerking in het derde veld is afhankelijk van de kwaliteit van de samenwerking in de velden een en twee.

Dat betekent dat gemeenten uitvoering moeten geven aan wat de Norm voor Opdrachtgeverschap hen hierover opdraagt. En de ketenpartners hebben dat spiegelbeeldig voor hun eigen sector te organiseren. Kort en goed: Wie mee wil praten, moet zich organiseren. De regiegroep constateert dat ‘samenwerking’ en de wil daartoe belangrijker zijn dan ‘governance’. Als het al moet gaan over governance, dan raadt de regiegroep aan om te bedenken hoe het besturen van de samenwerking eruit moet zien. Dan gaat het om concrete zaken als: • • • • •

Wie stelt de agenda samen? Wie zit voor? Welke frequentie van overleg hanteren we? Hoe komen we aan informatie om beleidsthema’s mee voor te bereiden? Naar welke partijen of overlegtafels kunnen vragen en/of besluiten worden doorgezet voor uitwerking en uitvoering?

14/54

Samenwerking en contracteren hoeven niet op spanning te staan De regiegroep heeft stilgestaan bij de ogenschijnlijke spanning die er kan ontstaan tussen samenwerking als gemeenten en ketenpartners en de relatie opdrachtgever en opdrachtnemer in het kader van inkoop en contractering. Dit kan met name spelen tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders. In het ideale geval, of beter; het zou zo moeten zijn dat de contractering in lijn is met wat in de samenwerking is ontwikkeld. De inhoud van een inkoopdocument zou voor aanbieders nauwelijks nog verrassingen in moeten houden als partijen echt samenwerken. Dat neemt niet weg dat iedere partij eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden heeft en houdt en daar ook naar moet handelen. Dat kan betekenen dat de gewenste inhoud niet altijd realiseerbaar is. Hiervoor is nodig dat we in Groningen leren dat we het op momenten ook oneens kunnen zijn. Juist dan is het belangrijk dat we elkaar als partners blijven opzoeken om te blijven werken aan het doel van het dekkende zorglandschap voor kinderen en jeugdigen die dat nodig hebben. Daar helpt een reguliere overlegstructuur bij, maar de cultuur en de wil om in gesprek te blijven is dan toch doorslaggevender.

15/54

Bijlagen Bijlage 1, adviezen van de ontwikkeltafels Achtereenvolgens: • • • • • •

Toegang via verschillende verwijzers Preventie Afbakening van en realiseren van een dekkend zorglandschap Data en monitoring Aansluiting jeugdhulp en onderwijs Administratieve lasten

16/54

Aan:

Regiegroep

Van:

Deelnemers van de ontwikkeltafel Toegang via verschillende verwijzers

Onderwerp:

[Onderwerp]

Datum:

[Publicatiedatum]

Advies De ontwikkeltafel ‘Toegang via verschillende verwijzers’ adviseert over hoe de toegang tot jeugdhulp in de regio Groningen (nog) beter georganiseerd kan worden. Deze ontwikkeltafel focust op de centrale vraag zoals die door de regiegroep is geformuleerd, te weten: Aan welke kwaliteitscriteria moet de toegang voldoen en wat is ervoor nodig bij de betrokken partijen om langs de lijn van deze kwaliteitscriteria te werken?2

Daarbij zijn de volgende aandachtspunten dan wel wensen meegegeven door de regiegroep: •

•

De wens om bij het beantwoorden van de centrale vraag zowel aandacht te hebben voor de kwaliteitscriteria die van toepassing zijn op de verwijzende partij als de kwaliteitscriteria die van toepassing zijn op de ontvangende partij. De wens om te beschrijven welke ontwikkelingen nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle verwijzers, waaronder de gemeentelijke toegangsteams, tijdig en goed (door)verwijzen. Met andere woorden: wat is ervoor nodig om te zorgen dat de toegangsfunctie in de regio voor zowel lichtere als zwaardere vormen van jeugdhulp goed wordt georganiseerd?

Reflectie op de opdrachtformulering door de leden van de ontwikkeltafel Focus op ‘verwijzen’ doet onvoldoende recht aan de verschillende functies van de toegang De ontwikkeltafel onderscheidt de volgende functies van de toegang: 1. 2.

Het voorkomen, waar dat kan en wenselijk is, van zorg en ondersteuning op indicatie; Het komen tot een gedegen probleemanalyse, waaruit de volgende functies kunnen voortvloeien: a. het verwijzen, waar dat nodig is, naar zorg en ondersteuning; b. het voeren van regie; c. het bieden van zorg en ondersteuning; d. het beschermen van jeugdigen als hun ontwikkeling en/of veiligheid gevaar loopt.

De opdrachtformulering focust onevenredig veel op één onderdeel van de toegang, namelijk ‘verwijzen’. Dat is zonde, want om een kwaliteitsslag te realiseren in de toegang is juist aandacht voor de verschillende functies (en hoe ze elkaar beïnvloeden) van belang. De ontwikkeltafel heeft de vrijheid genomen om bij

2 De opdrachtformulering sluit aan bij de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO), waarbij de kernvraag vanuit de NvO over toegang

als volgt luidt: hoe is de toegang verbonden met gecontracteerde hulp, zodat er sprake is van eenduidige samenwerking met gecontracteerde partijen, waarbij de 5 basisfuncties voor lokale toegang (KPMG, 2019) als leidraad dienen.

17/54

het formuleren van adviezen voor het verbeteren van de toegang (in algemene zin) en het werken met kwaliteitscriteria (in specifieke zin) aandacht te besteden aan de verschillende functies van de toegang. ‘De toegang’ bestaat niet, juist de diversiteit in toegangen vormt de uitdaging (en biedt kansen!) ‘De toegang’ bestaat niet: er zijn verschillen tussen partijen die een rol hebben in de toegang (bijvoorbeeld: huisartsen, gecertificeerde instellingen, onderwijs, GGD en gemeentelijke toegangsteams zijn verschillende actoren die handelen vanuit verschillende wettelijke kaders) én verschillen binnen partijen die een rol hebben in de toegang (bijvoorbeeld: elk gemeentelijk toegangsteam is verschillend). 3 Doordat verschillende partijen een rol hebben in de toegang, is er een risico dat mensen door de bomen het bos niet meer zien en/of dat er kwaliteitsverschillen ontstaan. Het formuleren, vaststellen en toetsen van kwaliteitscriteria kan dit risico ondervangen. De toegang staat niet op zichzelf De kwaliteitscriteria focussen op (de kwaliteit van) de activiteiten in de toegang. Dat is belangrijk, maar uiteindelijk is de grote winst te halen in het succesvol organiseren van de samenwerking tussen toegang, onderwijs, jeugdhulp en andere betrokken organisaties. Een te smalle focus op de toegang leidt ertoe dat er onvoldoende aandacht is voor de wisselwerking met de buitenwereld.

De ontwikkeltafel heeft de wens om een nieuwe manier van werken te ontwikkelen vanuit de ‘pact-gedachte’ en ‘netwerk-gedachte’4 (meer samenwerken als partners dan alleen als opdrachtgever en opdrachtnemer en met meer commitment op de uitkomst). Er gaat al veel goed in de toegang, kwaliteitscriteria bieden handvatten om met elkaar (nog) beter te worden Toegangsprofessionals – van huisartsen tot jeugdconsulenten tot jeugdbeschermers – werken elke dag keihard en vanuit een intrinsieke drijfveer om kinderen, jeugdigen en gezinnen te helpen. Veel gaat al goed. Zaak is dan ook om te kijken hoe we het bestaande kunnen versterken, belemmeringen om te doen wat nodig is in kaart te brengen en daar concrete vervolgacties (waar ook op gestuurd wordt) aan te koppelen. Momentum van de ontwikkeltafel optimaal benutten, maar dit is slechts een eerste stap Als ontwikkeltafel hebben we de wens om het momentum van de ontwikkeltafel optimaal te benutten. In drie bijeenkomsten met de ontwikkeltafel zijn eerste stappen gezet, maar juist het vervolg is van belang om ook “van het papier” af te komen. Om die reden besteden we in dit advies ook uitgebreid aandacht aan ‘hoe nu verder’.

Visie van de ontwikkeltafel op het verbeteren van de toegang ‘De juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener’ is het doel en de toegang draagt daar aan bij De juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener. Dat is waar organisaties in de regio voor aan de lat staan. Een goede toegang leidt ertoe dat kinderen, jeugdigen en ouders passende hulp krijgen. Kwaliteitscriteria zijn dan ook een middel en geen doel op zich. De eindgebruiker aan het stuur en de toegangsprofessional (nog meer en beter) in positie brengen

3 Merk op: daar waar ‘de toegang’ staat in dit document kan ook ‘de toegangen’ (in meervoud) gelezen

worden. 4 De organisaties in (contact met) de toegang dienen los te komen van het keten-denken (vaak gekoppeld aan ‘stepped care’) en meer te acteren vanuit het netwerk-denken (vaak gekoppeld aan ‘matched care’).

18/54

Ook bij een gelijksoortige hulpvraag van een jeugdige of diens ouder, kan de invulling van ‘juist’ in ‘de juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener’ per persoon verschillen. Twee actoren zijn cruciaal om invulling te geven aan ‘juist’: de kinderen, jeugdigen en gezinnen met een ondersteuningsvraag en hun omgeving (de eindgebruiker) én de toegangsprofessional. Om daadwerkelijk stappen voorwaarts te zetten in het verbeteren van de toegang, zijn, aldus de ontwikkeltafel, twee belangrijke stappen te zetten: de eindgebruiker (nog meer en beter) aan het stuur te zetten (in ieder geval in het vrijwillig kader en waar dat kan ook in het gedwongen kader) en de toegangsprofessional (nog meer en beter) in positie te brengen. De kwaliteitscriteria geven richting om ‘aan het stuur’ en ‘in positie brengen’ invulling te geven. Relatie tussen de eindgebruiker en de toegangsprofessional: niet gelijk, wel gelijkwaardig De relatie tussen de toegangsprofessional en eindgebruiker is nooit gelijk: er is altijd een afhankelijkheidsrelatie, zeker als de toegangsprofessional ook een deel van de zorg biedt. Het uitgangspunt dient dan ook te zijn: “niet gelijk, wel gelijkwaardig” (met respect voor en gebruikmakend van ieders expertise).

Als vanuit gelijkwaardigheid gewerkt wordt, dan is het niet meer dan logisch dat de eindgebruiker ook participeert bij het ontwikkelen, uitvoeren, evalueren en doorontwikkelen van beleid en interventies en bij het bepalen in hoeverre er sprake is van kwalitatief goede dienstverlening. De toegang is een middel om inhoudelijke opgaven uit de regiovisie te realiseren De toegang staat ten dienste van het realiseren van de ontwikkelopgaven uit de regiovisie5, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.

Alle jeugdigen krijgen de kans zich positief te ontwikkelen. Jeugdigen worden beschermd als hun ontwikkeling gevaar loopt. Jeugdigen groeien ‘zo thuis mogelijk’ op. De toegang voor (jeugd)hulp kan zijn taak goed uitvoeren. De ondersteuning, begeleiding en behandeling voor jeugdigen en gezinnen is passend voor alle doelgroepen en van goede kwaliteit.

De kwaliteitscriteria waar verderop in dit advies dieper op in wordt gegaan, geven inhoud aan het vierde doel uit de regiovisie, te weten: “De toegang voor (jeugd)hulp kan zijn taak goed uitvoeren”. Hierdoor kunnen ook de vier andere opgaven (mede) worden gerealiseerd. Samenwerking in de toegang – specifiek tussen onderwijs, huisartsen en jeugdhulp – is cruciaal om voor kinderen, jeugdigen en gezinnen het verschil te maken Onderwijs en huisartsen zijn belangrijke ‘vindplaatsen’ en hebben een cruciale rol bij het wel of niet realiseren van de opgaven uit de regiovisie. Daarnaast is expertise vanuit de jeugdhulp soms nodig om taken in de toegang goed uit te voeren, bijvoorbeeld bij het komen tot een goede verklarende analyse en het leveren van maatwerk, passende ondersteuning en passende behandeling. Kwaliteit van de toegang vergroten door het werken met kwaliteitscriteria Kwaliteitscriteria als vehikel om de toegang, en uiteindelijk de jeugdhulp, te verbeteren De juiste zorg op de juiste plek op het juiste moment door de juiste hulpverlener. Dat is de stip op de horizon. Kwaliteitscriteria zijn een vehikel om de toegang, en uiteindelijk de jeugdhulp, te verbeteren. Wat zijn kwaliteitscriteria en waarom zijn ze belangrijk?

5 Norm voor opdrachtgeverschap: Concept regiovisie regio Groningen (18 november 2021). Merk op: in de

regiovisie wordt ook een zesde ontwikkelopgave genoemd, getiteld ‘Bij de inzet van jeugdhulp gelden de volgende principes’. Deze ontwikkelopgave behandelen we niet als aparte opgave.

19/54

• • •

De kwaliteitscriteria beschrijven de kenmerken van een goede toegang (‘het wat’). De partijen in de toegang hebben de ruimte om de manier waarop ze dit organiseren (‘het hoe’) zelf vorm te geven. De kwaliteitscriteria geven duidelijkheid aan jeugdigen en ouders, omdat de kwaliteitscriteria inzicht geven in wat zij mogen verwachten van de toegang. Kwaliteitscriteria zijn een stimulans om voortdurend te werken aan kwaliteitswaarborging en kwaliteitsverbetering van de toegang.

Gebruik maken van reeds beschikbare kwaliteitscriteria, maar ook durven kiezen Er zijn reeds diverse kwaliteitscriteria bekend, waaronder de criteria voor lokale teams zoals beschreven in ‘Basisfuncties voor lokale teams in kaart’ (KPMG, 2019), het kwaliteitskader 'Werken aan veiligheid voor lokale (wijk) teams en gemeenten' (VNG, 2019), en criteria afgeleid van de Hervormingsagenda Jeugd en van het ‘Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming’ (Ministerie van VWS, 2021). Het is zaak gebruik te maken van datgene wat al beschikbaar is en te anticiperen op ontwikkelingen die worden verwacht. Deze informatie is gebruikt bij het formuleren van de kwaliteitscriteria, waarbij de ontwikkeltafel heeft gekozen voor een select aantal kwaliteitscriteria. Naar gedragen kwaliteitscriteria voor de toegang in de regio Groningen De ontwikkeltafel komt tot de volgende kwaliteitscriteria voor de toegang in de regio Groningen: 1.

2.

3.

4. 5.

Ieder proces binnen toegang begint en eindigt met een expliciete vraag aan het betrokken kind of jeugdige en diens ouders wat diens wens, behoefte of ambitie is, wat de jeugdige, gezin en het netwerk daarin zelf kunnen organiseren, en of hij/zij vertrouwen heeft dat de gekozen route daarbij zal helpen. De toegangsprofessional acteert primair vanuit gelijkwaardigheid (met respect voor en gebruikmakend van ieders expertise, niet in de minste plaats de expertise van de eindgebruiker), leert en verbetert, verzamelt inzichten, gaat erover in gesprek en durft te veranderen. Er is voldoende inhoudelijke expertise 6 beschikbaar in de toegang. Dit betekent dat de toegangsprofessional zich inzet om regieversterkend te werken 7, kennis heeft over ‘goed genoeg ouderschap’8 en kennis heeft van de sociale kaart. Daarnaast is, onder andere, kennis nodig over licht verstandelijke beperkingen (LVB), traumaproblematiek, huiselijk geweld, verslavingsproblematiek en scheidingsproblematiek.9 De gemeentelijke toegangsprofessional is vindbaar en heeft zicht op de individuele en collectieve vraagstukken van de wijk of buurt. Bij verwijzingen naar specialistische jeugdhulp geldt het volgende: - De toegang kan verwijzen naar specialistisch hulp, maar bepaalt niet welke hulp daarin nodig is. De specialistische hulp zelf bepaalt wat nodig is, omdat zij ook de expertise daarvoor heeft.

- Aan een verwijzing naar specialistische jeugdhulp ligt een gedegen probleemanalyse ten grondslag met zorgen en krachten vanuit het brede (sociale) domein en de verschillende levensgebieden. Bij het bepalen welke specialistische hulp nodig is, wordt een verklarende analyse opgesteld (bij complexe problematiek gebeurt dit niet door de toegang maar door de

6 Er dient nog nader te worden uitgewerkt wat ‘voldoende inhoudelijke expertise is’, zie ook verderop in

dit advies. 7 Meer informatie over ‘regieversterkend werken’ en hoe de toegangsprofessional in dialoog tot beslissingen komt, zie ‘Beslissen over hulp door ouders, jeugdige én de jeugd- en gezinsgeneralist’ (NJi, 2014). 8 Meer informatie over ‘goed genoeg’ opvoederschap, zie ‘Gezinnen met meervoudige en complexe problemen: ‘goed genoeg’ opvoederschap’ (Richtlijnen jeugdhulp, geen datum). 9 Deze lijst is niet limitatief en dient later verder worden uitgewerkt.

20/54

6.

7.

8. 9.

specialistische hulp zelf).10 Tevens wordt een perspectief bepaald en een plan opgesteld voorzien van realistische doelen en evaluatiemomenten. Uitgangspunten zijn: inzet is gericht op herstel van het gewone leven en wordt ‘zo thuis mogelijk’ georganiseerd. - De verwijzer kan benoemen hoe tot een bepaalde verwijzing gekomen is, welke keuzes daarbij gemaakt zijn en hoe daarbij uit is gegaan van de wensen van kinderen, jeugdigen en ouders en hoe daarover met jeugdigen en ouders overeenstemming is bereikt. Uitgangspunten daarbij zijn: niet gelijk wel gelijkwaardig, met respect voor ieders expertise, samen beslissen over hulp, samen aan het stuur, ‘zo thuis mogelijk’ en gericht op herstel van het gewone leven. - Bij een verwijzing naar de specialistische jeugdhulp zijn afspraken gemaakt over de warme overdracht, wie regie voert (merk op: de verwijzer kan ook regie hebben/houden), hoe de verwijzer (indien aan de orde) en andere betrokken organisaties een terugkoppeling ontvangen, en hoe de samenwerking tussen toegang, zorgaanbieders en onderwijs is georganiseerd. - De verwijzer houdt een vinger aan de pols en blijft zichtbaar en benaderbaar. De verwijzer creëert waar nodig ‘stut-en-steunfuncties’. De toegang heeft een rol in het signaleren, bespreekbaar maken van en handelen bij onveiligheid of ontwikkelingsbedreiging.

Ook weet de toegang tijdig (veiligheids)expertise in te roepen als daar aanleiding toe is. Er ontstaat dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om passende hulp en steun voor het gezin in te zetten. Toegangsprofessionals zijn professionals met een BIG- of SKJ-registratie of vergelijkbaar, en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang. Daarbij geldt het ‘pas toe of leg uit’-principe. Het streven is een BIG- of SKJ-registratie. Dat wordt toegepast of er wordt uitgelegd dat je redelijkerwijs kan voldoen aan vergelijkbare uitgangspunten (bijvoorbeeld via de norm verantwoorde werkverdeling). Professionals van de Gecertificeerde Instellingen voldoen aan het normenkader GI. 11 Jeugdartsen zetten jeugdhulp in volgens de huisartsenroute en met kennis van de (hoog)specialistische jeugdhulp.12

Het is van belang op te merken dat er meer kwaliteitscriteria gelden voor de regio, dus bovenstaande opsomming is niet limitatief. De ontwikkeltafel ziet bovenstaande kwaliteitscriteria als criteria die vragen om extra aandacht in de regio. Randvoorwaarden om langs de lijn van kwaliteitscriteria te kunnen werken Er zijn allerlei krachten die invloed hebben op het kunnen bereiken van de kwaliteitscriteria (niet limitatief): de druk op de arbeidsmarkt (zowel het tekort aan personeel als het verloop van personeel), de financiële druk bij gemeenten en de druk vanuit ouders (we kunnen niet alle jeugdigen en ouders tevreden stellen). Als we iets willen veranderen op de inhoud (en daar hopen deze kwaliteitscriteria aan bij te dragen), is er ook een contextverandering nodig. Zolang die context ingewikkeld blijft kunnen we alleen streven naar het maximaal haalbare in de gegeven omstandigheden.

10 Het Jeugd Expertise Netwerk Noord-Nederland beschrijft wanneer een verklarende analyse nuttig en

noodzakelijk is. Zie Jeugd Expertise Netwerk Noord-Nederland (geen datum). Werkkaart verklarende analyse. 11 In aanvulling op criteria 1 tot en met 7 (dit criterium is dus in aanvulling op de eerder genoemde criteria). 12 In aanvulling op criteria 1 tot en met 7 (dit criterium is dus in aanvulling op de eerder genoemde criteria).

21/54

Met alleen kwaliteitscriteria formuleren zijn we er niet: stappen voorwaarts Werken aan een gedeeld beeld bij (de invulling van) de kwaliteitscriteria Er is actie nodig langs twee lijnen: •

•

Verschillende termen uit de kwaliteitscriteria moeten inhoudelijk geladen worden. Bijvoorbeeld: wat is ‘voldoende inhoudelijke expertise’ (criterium 3) (en als we weten om welke expertise het gaat, in hoeverre hebben we die wel/niet beschikbaar), wat is ‘warme overdracht’ (criterium 5) en wat houdt ‘regie’ precies in (criterium 5). Daarbij kan deels voortgebouwd worden op reeds beschikbare informatie (van binnen en buiten de regio), maar dit zal toch vooral in het gesprek met elkaar moeten ontstaan. Parallel aan het bouwen aan een gedeeld beeld is het zaak te kijken naar wat de kwaliteitscriteria betekenen voor de samenwerkingsafspraken en dat ook te concretiseren. Bijvoorbeeld: behoefte van huisartsen aan een contactpersoon van de gemeente die in verbinding staat met huisartsenpraktijken/POH’er (zoals een ondersteuner sociaal domein en/of een ondersteuner jeugd en gezin).

De kwaliteitscriteria ‘al doende’ aanscherpen Pas als partijen in de toegang met elkaar en eindgebruikers het gesprek voeren over de kwaliteitscriteria, krijgen de kwaliteitscriteria betekenis. Dat betekent ook dat de criteria al doende worden aangescherpt: nieuwe inzichten kunnen leiden tot aangescherpte criteria. Kwaliteitscriteria moeten motiveren om beter te worden Aan kwaliteitscriteria die mooi klinken, maar in de praktijk niet meer zijn dan holle frasen hebben we niets. De wens is dat bovenstaande criteria, die wellicht in de toekomst nog kunnen worden aangescherpt, bij partijen in de toegang het gevoel oproept “hier gaan we echt voor”. Dat betekent dat de kwaliteitscriteria “van het papier af” moeten komen zodat het handvatten worden om – met elkaar – steeds te leren en beter te worden.

De kwaliteitscriteria moeten de betrokken organisaties in de toegang ook uitnodigen tot reflectie: hoe gaan deze kwaliteitscriteria mijn wereld veranderen? Wat gaat de eindgebruiker ervan merken? Welke stappen voorwaarts kan ik zetten om, met elkaar, (nog) beter te worden? Stappen voorwaarts om de kwaliteitscriteria als vehikel te gebruiken Het is zaak om in het vervolg vooral te kijken naar wat belemmeringen zijn om langs de lijn van de kwaliteitscriteria te werken (en niet al te veel tijd te besteden aan de discussie over wat de kwaliteitscriteria zouden moeten zijn) en daar ook gerichte acties aan te koppelen. Wat betreft het “van het papier af” krijgen van de kwaliteitscriteria stelt de ontwikkeltafel de volgende stappen voor: 1. 2.

Aanscherpen en vaststellen van de kwaliteitscriteria. Opstellen en bestuurlijk bekrachtigen van de afspraken uit een (nog op te stellen) implementatieplan dat uit de volgende stappen kan bestaan: a. Inventariseren van knelpunten en ook randvoorwaarden voor het uitvoeren van de aan de toegang (wettelijke verwijzers: medisch specialisten (huisartsen, jeugdartsen en kinderartsen), de Gecertificeerde Instellingen en de gemeentelijke toegangsteams en ‘vindplaatsen’ zoals de GGD en het onderwijs) gestelde kwaliteitscriteria. Hierbij moet worden uitgegaan van een pragmatische aanpak, eerst iedere partij in de toegang individueel en daarna collectief inzichten delen. b. Ophalen en delen van oplossingsrichtingen; wat zijn quick wins? c. Vervolgens wordt collectief besproken welke acties nodig zijn om uitvoering te geven aan de gestelde criteria.

22/54

d.

De afspraken uit het implementatieplan worden bestuurlijk bekrachtigd waarbij tevens wordt gestuurd op de uitvoering ervan.

Daarnaast adviseert de ontwikkeltafel aandacht te besteden aan volgende onderdelen: 3.

4. 5.

Toegankelijke versie van de kwaliteitscriteria voor kinderen, jeugdigen en ouders opstellen, waarin duidelijk wordt gemaakt wat kinderen, jeugdigen en ouders van deze kwaliteitseisen mogen verwachten. Na verloop van tijd kan worden getoetst bij kinderen, jeugdigen en ouders in hoeverre zij ervaren dat de kwaliteitscriteria worden gehaald en waar verbeteringen mogelijk zijn. Het opstellen van samenwerkingsafspraken (en concrete werkafspraken) tussen organisaties (gericht op het kunnen voldoen aan de kwaliteitscriteria). Wat betreft het realiseren van de randvoorwaarden om langs de lijn van kwaliteitscriteria te kunnen werken: één van de grootste belemmeringen bij het doorontwikkelen van de toegang is het vinden van voldoende (kundig) personeel en het grote verloop van personeel. Er is een actieplan arbeidsmarkt nodig voor de regio. Deze vraag overstijgt deze specifieke ontwikkeltafel.

Advies van de ontwikkeltafel aan de regiegroep 1. De ontwikkeltafel adviseert om de negen kwaliteitscriteria eerst te toetsen bij en te bespreken met partijen die wel een rol hebben in de toegang, maar vooralsnog onvoldoende betrokken zijn bij dit proces met ontwikkeltafels (daarbij wordt met name gedacht aan medisch specialisten (huisartsen, jeugdartsen en kinderartsen) en de Gecertificeerde Instellingen). 2. De ontwikkeltafel adviseert de regiegroep om de (aangescherpte) kwaliteitscriteria over te nemen en (bestuurlijk) vast te (laten) stellen. 3. De ontwikkeltafel adviseert de regiegroep om de stappen zoals beschreven in bovenstaand stappenplan uit te voeren. 4. Indien gewenst kan de ontwikkeltafel een rol spelen bij de uitvoering van deze stappen, mits de regiegroep daar opdracht toe geeft en de ontwikkeltafel daar het meest logische gremium voor is. 5. De ontwikkeltafel adviseert een structuur in te richten waarbinnen bovenstaande stappen uitgevoerd kunnen worden. Daarbinnen is veiligheid nodig om zich kwetsbaar op te stellen en zo van elkaar te kunnen leren.

23/54

Aan:

Regiegroep

Van:

Deelnemers aan de ontwikkeltafel Preventie

Onderwerp: [Onderwerp] Datum:

[Publicatiedatum]

Advies De ontwikkeltafel ‘Preventie’ adviseert over hoe de preventie in de regio Groningen (nog) beter gerealiseerd kan worden. Deze ontwikkeltafel focust op de centrale vraag zoals die door de regiegroep is geformuleerd, te weten: Opstellen van een ‘Preventieagenda’ (werktitel) waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan volgende onderdelen: 1.

Hoe wordt preventie gedefinieerd, ingedeeld en afgebakend?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12445200/1