05-02 De Volgende Stap - Definitief adviesrapport RIGG inkoop jeugdhulp 2022 en verder
Tekst van het document
De afgelopen jaren zijn door gemeenten meerdere malen op basis van niet getoetste aannames en financiële dagkoersen steeds grote wijzigingen aangebracht in het stelsel. Dat gebeurt nu weer. Wij adviseren gemeenten met klem om dit te voorkomen in de toekomst. Wij kunnen ons namelijk voorstellen dat deze manier van aansturen het vertrouwen, dat nodig is als smeermiddel voor goede samenwerking, bij 25
jeugdhulpaanbieders, jeugdigen en andere stakeholders geen goed doet. Wij adviseren gemeenten dan ook zich goed te laten bijscholen op alle niveaus in de organisatie om ook werkelijk de nieuwe rollen, taken en verantwoordelijkheden aan te kunnen. Wij vermoeden dat een gebrek aan consistent uitvoeren van het eigen beleid, het nietoptimaal inrichten van organisatie en aansturing van het huidige stelsel, en het doorgronden van het eigen beleid en keuzes de afgelopen periode flink heeft bijgedragen aan het ervaren gebrek aan grip en zicht op kwaliteit.6 Deze aspecten zijn niet gelegen in de keuze voor een inkoopsystematiek zelf, maar in de uitvoering en uitwerking daarvan. Ook voor een nieuwe inkoopsystematiek geldt dat deze enkel en alleen de beste resultaten oplevert wanneer gemeenten de genoemde randvoorwaarden ook echt goed uitwerken en implementeren. Daarnaast adviseren wij de gemeenten niet alleen inhoudelijk met jeugdhulpaanbieders het gesprek aan te gaan, maar actief het vertrouwen daarbij te definiëren, te meten en mee te nemen als procesdoelstelling bij de uitvoering van ons advies (zie ook advies Robbe, 2019). De wijzigingen in contractering leiden niet automatisch tot vertrouwen, daarmee tot goede samenwerking en daarmee tot gewenste effecten.
6 De notitie (Op)Groeien in Groningen (2020) onderschrijft dit beeld.
26
6
Risico’s en beheersmaatregelen
6.1
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de risico’s en beheersmaatregelen die gepaard gaan met het implementeren van het hybride scenario en toewerken naar de stip op de horizon. Wij maken zoveel mogelijk gebruik van data-analyse en inzichten uit objectieve bronnen om dit hoofdstuk te schrijven. Ten aanzien van positieve verwachtingen over de stip op de horizon, nemen wij de positie in van kritische buitenstaander. Wij toetsen als externe adviseurs het realiteitsgehalte van bepaalde verwachtingen en benadrukken welke randvoorwaarden de Groninger gemeenten moeten invullen om de gewenste effecten te realiseren (of maximaliseren) en ongewenste effecten te voorkomen. In dit hoofdstuk definiëren wij een risico als de kans dat iets zich voordoet en de schade die dat met zich meebrengt. Wij beschrijven de volgende risico’s bij de voorgestelde route: - Negatief effect op het jeugdzorglandschap – lichte jeugdhulp lokaal ingekocht; - Negatief effect op het jeugdzorglandschap – ambulante jeugdhulp door verkenners ingekocht; - Jeugdhulpaanbieders die aanbestedingen winnen zijn ‘ongewenst’; - De verwachtte positieve effecten blijven uit. Bij elk risico geven wij onze analyse en mogelijke beheersmaatregelen (verkleinen kans, verkleinen schade of verkleinen beide).
Wij merken nog op dat ons niet is gevraagde de risico’s van het huidige model (‘open house’ contracten en ‘inspanningsgerichte bekostiging’) te analyseren en daar beheersmaatregelen voor te geven. Dit valt dan ook buiten de scope van dit adviesrapport. Wij denken wel dat deze zichtbaar zijn te maken als de gemeenten de eigen aannames toetsen zoals geformuleerd in Hoofdstuk 3. Als beheersmaatregelen van het huidige model gelden bovendien de aanscherpingen genoemd in hoofdstuk 6, maar ook de randvoorwaarden genoemde in Hoofdstuk 5. 6.2
Risico: Negatief effect op het jeugdzorglandschap – lichte jeugdhulp lokaal ingekocht
Bijna alle Groninger gemeenten willen enkele lichte begeleidingsvormen van jeugdhulp7 lokaal gaan organiseren in een algemene voorziening, beschikkingsvrij en (mogelijk) taakgericht gefinancierd. De mate waarin deze plannen concreet en technisch zijn uitgewerkt verschilt. Bij het schrijven van dit adviesrapport is ook niet bekend of er gemeenten zijn die de jeugdhulp helemaal van de markt willen halen (onderbrengen bij bijvoorbeeld een eigen welzijnsinstelling) of dat zij deze willen contracteren bij een De meeste gemeenten noemen Individuele begeleiding basis, gezinsbegeleiding basis, gezinsbegeleiding laagfrequent, groepsbegeleiding basis 7
27
samenwerkingsverband. In totaal gaat het bij de vier meest genoemde lichte begeleidingsproducten om ruim € 17 miljoen aan kosten en 2435 unieke jeugdigen (cijfers van 2019). Uit een analyse van bestaande jeugdhulpaanbieders voor deze begeleidingsproducten blijkt dat een beperkte groep jeugdhulpaanbieders in elke Groninger gemeente voorkomt in de lijst met grootste jeugdhulpaanbieders. Jeugdhulpaanbieders als Team050, Cosis, Martinizorg en Coöperatie Dichtbij staan bij bijna elke gemeente in de top 5 van grootste jeugdhulpaanbieders. Samen bedienen zij 56% van alle jeugdigen in Groningen op deze producten. Enkele andere jeugdhulpaanbieders komen ook bij diverse gemeenten in de top 5 voor. De plannen van de Groninger gemeenten voor de lichte begeleidingsproducten hebben met name gevolgen voor deze jeugdhulpaanbieders. Dit geldt zowel voor het scenario waarin gemeenten de jeugdhulp nog steeds bij deze partijen blijven inkopen, als het scenario waarin gemeenten deze jeugdhulp uit de markt halen. In het eerste geval zullen jeugdhulpaanbieders in bijna alle gemeenten een andere organisatievorm moeten opzetten (met administratie- en frictiekosten van dien). In het tweede geval verliezen de jeugdhulpaanbieders jeugdigen en marktaandeel – en zeker als alle gemeenten deze stap in de komende jaren zetten is het verlies voor deze jeugdhulpaanbieders aanzienlijk.
Van belang is verder ook hier dat gemeenten met elkaar afstemmen hoe zij lokaal een algemene voorziening inrichten, als zij hiervoor een beroep doen op de bestaande grootste jeugdhulpaanbieders. Als steeds dezelfde jeugdhulpaanbieders in tien gemeenten tegelijk met een lokale contractering aan de slag moeten, dan is dat niet realistisch voor deze jeugdhulpaanbieders. Gemeenten kunnen hier elkaar in de weg zitten voor wat betreft hun ambities. De plannen van de gemeenten hebben ook gevolgen voor jeugdigen: (1) Jeugdigen die een beroep doen op genoemde vormen van jeugdhulp verliezen keuzevrijheid en moeten de PGB-route bewandelen als zij een specifieke jeugdhulpaanbieder wensen die de gemeente niet heeft gecontracteerd. (2) Afhankelijk van de exacte invulling van lokale plannen en de wijze waarop gemeenten omgaan met een overgangsperiode, moeten bestaande jeugdigen mogelijk van hulpverlener veranderen. Zeker als alle Groninger gemeenten ongeveer tegelijkertijd een algemene voorziening voor de lichte begeleiding oprichten, leidt dit voor de huidige jeugdhulpaanbieders tot een forse schokgolf. Vanuit het perspectief van jeugdhulpaanbieders, en uiteindelijk de jeugdigen die van deze jeugdhulp gebruik maken, adviseren wij om de (om)vorming van deze jeugdhulp goed te coördineren tussen gemeenten onderling en met de jeugdhulpaanbieders die deze jeugdhulp nu leveren.
Het spreiden van het beroep op de betrokken jeugdhulpaanbieders ten aanzien van afbouw of ombouw van de capaciteit (niet alle gemeenten tegelijk) verkleint
28
de risico’s van capaciteitsproblemen en acute continuïteitsproblemen bij jeugdhulpaanbieders. 6.3
Risico: Negatief effect op het jeugdzorglandschap – ambulante jeugdhulp door verkenners ingekocht
6.3.1 Inleiding In Hoofdstuk 5 benoemden wij het risico van onwenselijke waterbedeffecten als individuele gemeenten (de verkenners) een samenwerkingsverband of een beperkt aantal hoofdaannemers contracteert voor een brede scope aan jeugdhulp (veel breder dan in Paragraaf 4.2 aan de orde is). Het risico is vooral groot als verkenner-gemeenten zonder verdere afstemming of beheersmaatregelen voor grote delen van de jeugdhulp in één keer overstappen van het huidige inkoopmodel naar het nieuwe inkoopmodel. Om de kans dat waterbedeffecten zich voordoen nader te duiden, is gebruik gemaakt van RIGG-data per gemeente per jeugdhulpaanbieder voor de ambulante jeugdhulpproducten in de ‘open house’ contracten. Wij brachten in beeld hoe het aantal jeugdigen én de kosten verdeeld zijn over de jeugdhulpaanbieders. Er is gekozen om de analyse te richten op (zestien) ambulante jeugdhulpproducten omdat dit de jeugdhulp is die verkenners op korte termijn, namelijk per 1 juli 2022, kunnen en willen contracteren bij een samenwerkingsverband (al dan niet met verschillende hoofdaannemers). De analyses zijn gemaakt op het moment dat van de gemeenten Groningen, Veendam en Pekela bekend was dat zij de stip op de horizon nu al ambiëren en in de terminologie van dit advies dus (verkenner)gemeente zijn.
Midden-Groningen heeft in een later stadium deze ambities ook kenbaar gemaakt, maar is in deze analyse nog niet steeds als zodanig meegenomen. 6.3.2 Data-analyse In totaal maken 13.456 jeugdigen gebruik van de zestien ambulante jeugdhulpproducten (zie Bijlage 1 voor de volledige lijst). Dit gaat om 81% van het totaal aantal jeugdigen in jeugdhulp in 2019. Het gaat daarbij om een kostenpost van ruim € 72 miljoen. Dit is 42% van de totale kosten in 2019 voor alle Groninger gemeenten samen. De verdeling van jeugdigen over de grootste jeugdhulpaanbieders is als volgt: -
50% van de jeugdigen en de kosten zitten bij de vijf grootste jeugdhulpaanbieders;8 De volgende 20% van de jeugdigen en de kosten zitten bij de volgende zeven grootste jeugdhulpaanbieders;9 80% van alle jeugdigen neemt producen af bij vijfentwintig jeugdhulpaanbieders;
8 Accare, Lentis, Molendrift, Inter-psy en Team050 9 OCRN, Elker, Cosis, Leger des Heils, Cedin, In2psy en Martinizorg
29
-
90% van alle jeugdigen neemt producten af bij éénenvijftig jeugdhulpaanbieders; Tweeëntwintig jeugdhulpaanbieders zijn verantwoordelijk voor 80% van de kosten; Tweeënveertig jeugdhulpaanbieders zijn verantwoordelijk voor 90% van de kosten; De Groninger gemeenten hebben 181 jeugdhulpaanbieder gecontracteerd.
Het aandeel van Groningen, Veendam en Pekela in het totaal van de ambulante jeugdhulpproducten is € 30 miljoen en 5.700 jeugdigen. Dit komt neer op 42% van het totaal van de jeugdzorgregio. Tellen wij de cijfers van Midden-Groningen daarbij op, dan gaat het om € 38,6 miljoen aan kosten voor 7.350 jeugdigen. Dit komt neer op 55% van het totaal Verder gelden de volgende cijfers: - De meeste jeugdhulpaanbieders die in de top 50 staan qua jeugdigen en kosten leveren jeugdhulp in elke Groninger gemeente. - Negentien jeugdhulpaanbieders in de top 50 zijn voor meer dan 40% van hun regionale omzet uit de regio afhankelijk van de gemeente Groningen; - Veertien van deze jeugdhulpaanbieders zijn voor meer dan 50% afhankelijk van de gemeente Groningen - Negentien jeugdhulpaanbieders in de top 50 zijn voor meer dan 50% van hun regionale omzet afhankelijk van de gemeente Groningen, Veendam en Pekela - Veel jeugdhulpaanbieders zijn voor hun omzet sterk afhankelijk van één of enkele Groninger gemeenten. 6.3.3 Kans en schade Uit onze analyse blijkt dat van het totale aantal gecontracteerde jeugdhulpaanbieders, maar een selecte groep in veel van de Groninger gemeenten een aanzienlijk deel van de ambulante jeugdhulpproducten voor zijn rekening neemt.
Tegelijk kennen veel van juist die jeugdhulpaanbieders een flinke afhankelijkheid van de verkenner-gemeenten (MiddenGroningen is in het tweede deel van de analyse overigens nog niet meegenomen, wat de afhankelijkheid groter maakt). Als verkenner-gemeenten één of enkele jeugdhulpaanbieders uit onze analyse in een samenwerkingsverband (of als hoofdaannemer) contracteren, dan moeten deze jeugdhulpaanbieders in die gemeenten flink groeien of andere jeugdhulpaanbieders als onderaannemer inschakelen. Omdat deze jeugdhulpaanbieders in alle Groninger gemeenten actief zijn, geldt het risico voor waterbedeffecten voor alle andere Groninger gemeenten. Als jeugdhulpaanbieders zich moeten richten op de verkenner-gemeenten en daar capaciteit naar toe verplaatsen, ontstaan (in ieder geval tijdelijk) aanzienlijke gaten in de lokale jeugdzorglandschappen bij de andere gemeenten. De jeugdhulpaanbieders die van de verkenner-gemeenten geen contracten meer krijgen voor ambulante jeugdhulpproducten, verliezen een aanzienlijk deel van hun jeugdigen en omzet. Dat is alleen anders als zij onder acceptabele voorwaarden als onderaannemer aan 30
de slag mogen. De vraag is dan wel wat nieuwe inkoop oplevert, omdat er dan in principe aan het jeugdzorglandschap verder niets verandert, waar dit wel de insteek is van het nieuwe model. Het is ook mogelijk dat jeugdhulpaanbieders door het verlies zodanig krimpen dat zij genoodzaakt zijn te stoppen. Natuurlijk ontstaan er ook kansen. Jeugdhulpaanbieders die ‘verliezen’ in één of meer Groninger gemeenten kunnen wellicht capaciteit verplaatsen naar andere (Groninger) gemeenten waar die capaciteit juist nodig is. Welke effecten precies wanneer optreden is niet door ons – of anderen – te voorspellen. Een belangrijke bepalende factor is de uitkomst van het inkoopproces: welke jeugdhulpaanbieders krijgen een overeenkomst en welke niet? Wat op basis van de analyse wel duidelijk is, is dat de Groninger gemeenten gezamenlijk afhankelijk zijn van hetzelfde ecosysteem aan jeugdhulpaanbieders. De voorgestelde wijziging in de inkoop naar een stip op de horizon, ook in eerste instantie door de verkenner-gemeentes, heeft hoe dan ook gevolgen voor het regionale en lokale jeugdzorglandschap. 6.3.4 Mogelijke beheersmaatregelen Het door ons gesignaleerde risico is gezien de data reëel.
De kans is groot dat het risico zich voordoet en als het zich voordoet is de schade voor enkele individuele gemeenten wellicht overzichtelijk, maar voor andere individuele gemeenten en het regionale jeugdzorglandschap groot. Wat kunnen gemeenten doen aan risicobeheersing? En welke afspraken zijn daarvoor nodig? Wij stellen de volgende maatregelen en afspraken voor: (1) Win zo snel mogelijk informatie in bij jeugdhulpaanbieders over de mogelijkheden om samenwerkingsverbanden of hoofdaannemers op zodanige wijze te contracteren dat deze jeugdhulpaanbieders continuïteit en kwaliteit van de ambulante jeugdzorgproducten op het niveau van de jeugdzorgregio kunnen blijven borgen. (2) Verplicht samenwerkingsverbanden en/of hoofdaannemers contractueel dat zij het huidige niveau van jeugdhulpverlening qua capaciteit en kwaliteit in de overige Groninger gemeenten – in ieder geval voorlopig - moeten handhaven. Stel daarbij in het vooruitzicht dat de gemeenten die geen verkenner zijn hebben uitgesproken dat als de aannames blijken te kloppen (paragraaf 5.5), zij op termijn toegroeien naar hetzelfde model. Het is dan ook voor deze jeugdhulpaanbieders van strategisch belang actief te blijven in de betreffende gemeenten.
(3) Conform de uitgangspunten en het advies voor het hybride model: verplicht samenwerkingsverbanden en/of hoofdaannemers om gebruik te maken van de gemeentelijke open house contracten wanneer zij onderaannemers inschakelen. (4) Maak als gemeenten onderling afspraken over hoe te handelen als het gesignaleerde risico zich ondanks maatregel twee toch in één of meer gemeenten voordoet. De Groninger gemeenten kunnen nu al onderling afspreken hoe zijn dan jegens elkaar handelen op het 31
gebied van kennis, informatie, financiële of andere middelen. Omdat het hier weer een gemeenteoverstijgende aangelegenheid betreft, lijkt de RIGG ons de aangewezen organisatie om deze maatregel te faciliteren en ook het risico te monitoren en signaleren. Tenslotte: niet alleen de overgang naar de contractering van een samenwerkingsverband in de verkennergemeenten leidt tot het besproken risico. Ook als na verloop van tijd andere gemeenten deze stap willen maken richting de gezamenlijke stip op de horizon, kunnen dezelfde ongewenste effecten optreden. Wij adviseren de gemeenten om in een gezamenlijk af te stemmen routekaart afspraken te maken over de planning waarop gemeenten eventueel overstappen naar contractering van een samenwerkingsverband of hoofdaannemers. Afstemming tussen gemeenten onderling en betrokken jeugdhulpaanbieders geeft alle betrokkenen optimale mogelijkheden om een overgang goed voor te bereiden en nadelige effecten te beperken. 6.4
Jeugdhulpaanbieders die aanbestedingen winnen zijn ‘ongewenst’
6.4.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk beschreven wij de juridische instrumenten die de Groninger gemeenten kunnen inzetten. Afhankelijk van het instrument waar gemeenten voor kiezen, is er een groter of kleiner risico dat gemeenten na een inkoopprocedure niet uitkomen bij de gewenste jeugdhulpaanbieders. Daarmee bedoelen wij die jeugdhulpaanbieders die gemeenten nu voor ogen hebben als samenwerkingspartijen voor een partnerschap. Op diverse plekken in Nederland zijn de laatste jaren volledig nieuwe ondernemingen als winnaar uit de bus gekomen in aanbestedingen en subsidietenders. Dat ‘ongewenste’ jeugdhulpaanbieders als winnaar uit procedures komen die gemeenten starten, is dan ook een reëel risico dat we in deze paragraaf nader toelichten. 6.4.2 Kans Inmiddels zijn er flink wat gemeenten die in het sociaal domein ervaringen hebben opgedaan met aanbestedingen en ongewenste uitkomsten. Geheel nieuwe (jeugdhulp)aanbieders wonnen aanbestedingen ten koste van jeugdhulpaanbieders die jarenlang ervaring hebben in en met de lokale sociale situatie en daarin volledig ingewerkt zijn. Enkele recente voorbeelden: (1) In 2019 won Incluzio samen met welzijnsorganisatie Amaryllis in Leeuwarden de aanbesteding voor basis-ondersteuning Wmo. Incluzio was daarvoor niet actief in Leeuwarden.
De Adviesraad Sociaal Domein van Leeuwarden heeft tegen deze werkwijze en uitkomst van de aanbesteding geageerd.10 (2) In 2018 verloor de zittende jeugdzorgaanbieder Parlan de Europese aanbesteding voor jeugdhulp plus in Noord-Holland Noord. Jeugdzorgaanbieder Horizon uit Zuid-Holland won https://www.lc.nl/friesland/leeuwarden/Leeuwarden-moet-samenwerking-met-Incluzio-stoppen25176322.html?harvest_referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F 10
32
deze aanbesteding. Er ontstond bij de jeugdigen en ouders, maar ook op landelijk niveau bij het ministerie, veel onrust over de uitkomst van de aanbesteding en de gevolgen daarvan. Deze onrust loopt tot vandaag door. (3) In 2020 gunde de gemeente Utrecht de basiszorg voor dak- en thuislozen onverwachts aan Incluzio, terwijl deze zorg decennialang – naar volle tevredenheid van de gemeente – door organisaties Backup en Stadsteam Herstel was georganiseerd.11 Enkele jeugdhulpaanbieders, waaronder grote oude, maar ook nieuwe spelers, hebben een expliciete groeistrategie en proberen via fusies en overnames landelijk zoveel mogelijk marktaandeel te verkrijgen in de jeugdzorg. Een aantal van deze ondernemers blijkt zeer succesvol in het inschrijven op aanbestedingen en komt zo als winnaar uit de bus in gemeenten die inkoop over een geheel andere boeg gooien. Vaak vindt daar voor het eerst dan een Europese aanbesteding plaats omdat deze gemeenten in de veronderstelling zijn dat dit moet (bijvoorbeeld als men overstapt van open house contractering naar contracten met een beperkt aantal jeugdhulpaanbieders en taakgerichte bekostiging). De kans dat ook in de jeugdzorgregio Groningen ongewenste jeugdhulpaanbieder aanbestedingsprocedures winnen is dus – afhankelijk van de keuze voor een inkoopprocedure – inmiddels reëel. Er is ook sprake van een historische trend.
Daar waar gemeenten Europees zijn gaan aanbesteden en contracten sloten met een beperkt aantal aanbieders, heeft dit landelijk uiteindelijk steeds geleid tot enkele oligopolisten. Denk aan de hulpmiddelen (gedecentraliseerd in 1992, nog drie leveranciers over), de reintegratietrajecten (in 2004 gedecentraliseerd, inmiddels nog zo’n drie grote aanbieders over) en de hulp bij het huishouden (in 2007 gedecentraliseerd, landelijk drie grote spelers). Deze oligopolisten hebben ook een steeds grotere machtspositie gekregen tegenover gemeenten. Zie voor de hulp bij het huishouden de wijze waarop gemeenten inmiddels tarieven moeten vaststellen. Deze machtspositie lijkt ons onwenselijk. 6.4.3 Schade Als voor de regio volledig nieuwe jeugdhulpaanbieders de jeugdhulp overnemen, dan staat vast dat zij de kennis van de lokale situatie en de lokale netwerken van jeugdhulpverleners opnieuw moeten opbouwen. Die kennis en netwerken zijn in het huidige ecosysteem aanwezig, maar raken verloren als het gesignaleerde risico zich voordoet. De gemeenten moeten er ook rekening mee houden dat een dergelijke uitkomst van een aanbesteding tot veel maatschappelijke onrust en onzekerheid leidt bij jeugdigen en hun ouders. Dat geldt ook voor de hulpverleners – de handen - van zittende jeugdhulpaanbieders.
Zij zijn natuurlijk nodig voor de nieuwe jeugdhulpaanbieder en kunnen waarschijnlijk (ook juridisch gezien) aanspraak maken op een dienstbetrekking. De vraag is of dat onder wenselijke voorwaarden kan en of de hulpverlener überhaupt wel wil werken voor de nieuwe organisatie. Hier staat natuurlijk tegenover dat als de nieuwe jeugdhulpaanbieder(s) de jeugdhulp écht beter gaan organiseren dan de verliezende traditionele partijen dit wellicht enige 11 https://www.groene.nl/artikel/goeie-straathoekwerkers-weg-ermee
33
maatschappelijke onrust waard is. In de juridische paragraaf is daarom het onderscheid tussen verandering door revolutie of evolutie al aangestipt. De uitkomst, een verandering ten goede, is echter allerminst zeker. De nieuwe jeugdhulpaanbieders winnen aanbestedingen vaak op basis van een papieren werkelijkheid: ze schrijven de beste offerte. Dat dit ook daadwerkelijk tot betere en goedkopere jeugdhulp leidt in de praktijk, is nog in geen enkele gemeente objectief aangetoond. Gemeenten die Europese aanbestedingen uitvoerden om te komen tot een beperkte set hoofdaannemers of een consortium, delen vaak positieve ervaringen. Uit diverse onafhankelijke onderzoeken van onderzoeksjournalisten en uit rapporten van de IJG blijkt echter dat: (1) de jeugdhulpaanbieders beloftes uit de inschrijvingen lang niet altijd waarmaken. (2) de kwaliteit van jeugdhulp lang niet altijd bij al deze ondernemers op de voorgrond blijkt te staan; (3) de jeugdhulpaanbieders zich soms van onwenselijke strategieën bedienen jegens onderaannemers, ouders die een PGB aanvragen, en zelfs richting het eigen personeel. Kortom, de potentiële schade is – natuurlijk afhankelijk van de jeugdhulpaanbieder die daadwerkelijk als winnaar uit de bus komt – groot, waarbij uiteindelijk de kwetsbare jeugdigen in de jeugdhulp de dupe zijn.
Met name dit laatste staat haaks op het uitgangspunt van de gemeenten de menselijke maat te voeren en de jeugdige en het gezin centraal te stellen. 6.4.4 Mogelijke beheersmaatregelen Als belangrijkste maatregel adviseren wij om het juridische instrument (de ‘inkoopprocedure’) zo in te richten, dat gemeenten die jeugdhulpaanbieders contracteren die ook werkelijk het beste in staat zijn om jeugdhulp op een optimale wijze te organiseren in Groningen. Dit zijn niet noodzakelijkerwijs de jeugdhulpaanbieders die het mooiste verhaal op papier kunnen zetten of in zogenaamde dialoogsessies en/of interviewrondes het mooiste verhaal vertellen. Dat zijn commerciële momentopnames. Wij adviseren de gemeenten op grootschalige wijze Groninger hulpverleners en jeugdigen te betrekken bij het komen tot besluiten met welke jeugdhulpaanbieders in zee te gaan. Niet door een paar van hen in beoordelingscommissie deel te laten nemen. Wij adviseren de gemeenten te onderzoeken hoe zij methodes als ‘narratieve verantwoording’ om kunnen vormen en implementeren in het besluitvormingsproces (technisch: ‘in de gunning’). Dit maakt grootschalig ‘luisteren’ naar hulpverleners en jeugdigen mogelijk. En het sluit daarmee weer het beste aan op het uitgangspunt van de gemeenten: menselijke maat en jeugdige centraal.
Als aanvullende maatregel adviseren wij nog om de mogelijkheden te verkennen van financiering van samenwerkingsverbanden en/of hoofdaannemers waarbij de gemeenten in de procedure géén mededinging stellen. Als gemeenten deze juridisch meer riskante route niet aandurven, dan adviseren wij gemeenten om een procedure voor sociale en andere specifieke diensten te hanteren, aangevuld met een dialoog en met gunningscriteria. Het 34
belangrijkste onderdeel van de gunningscriteria moet dan de hiervoor genoemde uitkomst van de ‘narratieve verantwoording’ zijn. 6.5
De verwachtte positieve effecten blijven uit
6.5.1 Kans en schade Het laatste risico dat wij signaleren is het uitblijven van de verwachtte positieve effecten bij het inkopen conform de stip op de horizon. Wij komen in onze beider advies- en onderzoekspraktijk veelvuldig gemeenten tegen die (financiële) problemen in het sociaal domein denken op te lossen door de inkoop van voorzieningen over een andere boeg te gooien. Ook de Groninger gemeenten spreken stevige verwachtingen uit bij de nieuwe inkoopstrategie. Zij verwachten door taakgerichte bekostiging en het aangaan van een partnerschap met een beperkt aantal jeugdhulpaanbieders dat: -
jeugdhulpaanbieders beter gaan samenwerken met elkaar en met de gemeente(n). jeugdhulpaanbieders jeugdhulp meer als een samenhangend totaalpakket lokaal organiseren en aanbieden en daarmee hogere kwaliteit leveren. jeugdhulpaanbieders goedkoper gaan werken en gemeenten kosten besparen.
Deze verwachtingen klinken ons bekend in de oren. Andere gemeenten die eerder overstapten naar vergelijkbare modellen spraken dezelfde verwachtingen uit. Deze verwachtingen zijn nog nergens uitgekomen en/of objectief vastgesteld. Zeer recent is bovendien het onderzoeksrapport ‘Stelsel in groei’ van bureau AEF in samenwerking met het Verwey-Jonker instituut gepubliceerd.12 Dit is een uitvoerig onderzoek naar de tekorten in de jeugdhulp. De onderzoekers bestuderen ook nadrukkelijk tal van beheersmaatregelen waarvan gemeenten veronderstellen dat zij kostenbesparend werken (zie Stelsel in Groei, Hoofdstuk 6, vanaf pagina 27). Over taakgerichte bekostiging meldt het rapport: De werkzame mechanismen van de taakgerichte bekostiging waarbij (een deel van) de jeugdhulp voor een gebied bij één organisatie is belegd zijn voor een groot deel gebaseerd op scherpere afwegingen die gemaakt zouden worden door aanbieders. In de praktijk lijkt dit echter maar beperkt te gebeuren: driekwart van de aanbieders, die in de praktijk de afwegingen zouden moeten maken, geeft aan dat deze vorm van bekostigen niet leidt tot scherpere keuzes. Over het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders meldt het rapport:
https://vng.nl/sites/default/files/2020-12/stelsel-in-groei-een-onderzoek-naar-financiele-tekorten-in-dejeugdzorg-def.pdf 12
35
Een besparing via het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders zou voornamelijk voortvloeien uit het partnerschap dat ontstaat tussen gemeente en aanbieders. Uit het onderzoek blijkt echter dat zowel gemeenten als aanbieders niet herkennen dat het beperken van het aantal gecontracteerde aanbieders leidt tot partnerschap. Op contractmanagement worden geen kosten bespaard, en de administratieve lasten vallen juist hoger uit door het hoge aantal onderaannemers. Met deze vaststellingen is de kans in ieder geval aanwezig dat ook de Groninger gemeenten met de stip op de horizon niet de gewenste effecten bereiken of de ongewenste effecten in de huidige situatie wegnemen. Het rapport benoemt echter ook de maatregelen die wél al aantoonbaar besparingen opleverden. Het gaat dan om de volgende maatregelen. 1. Een POH-jeugd bij huisartspraktijken 2. Versnellen doorstroom naar WLZ door betere informatievoorziening 3. Directe hulpverlening door lokaal team 4. Het versterken van de kwaliteit van de toegang door de inzet van professionals met een SKJ-registratie of vergelijkbaar, en/of professionals die specifiek zijn opgeleid voor de toegang 5. Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband (zoals MKD’s en KDC’s) naar reguliere kinderopvang of bso met extra ondersteuning 6.
Afbakening Jeugdwet met onderwijs verhelderen De Groninger gemeenten beogen in ieder geval in de gewenste situatie ook maatregel drie verder te implementeren. Hier is de kans dus wel aanwezig dat gemeenten gewenste effecten gaan bereiken. De laatste maatregel gaan de Groninger gemeenten nu implementeren in de verordeningen op basis van het onderzoek dat is gedaan naar de afbakening. Deze twee maatregelen staan echter los van welk inkoopmodel dan ook en zijn dus ook niet gerelateerd aan de huidige inkoop via open house en inspanningsgerichte bekostiging, het hybride model of de stip op de horizon. Van belang hier is nog dat het rapport ook meldt dat grote transities in de organisatie van jeugdzorg juist óók kosten met zich meebrengen. Gemiddeld kost een grote transitie ongeveer 1,5% van het basisbudget gedurende de looptijd van de transitie13. Het omzetten van het huidige open house model, naar een hybride model en naar de stip op de horizon kwalificeert zonder twijfel als zo’n grote transitie. De Groninger gemeenten moeten dus ook deze kosten incalculeren als zij de veranderingen in gang gaan zetten.
6.5.2 Geen beheersmaatregelen, maar politieke legitimatie van keuzes Naast het centrale uitgangspunt dat het kind centraal staat bij de inrichting en inkoop van het jeugdhulpstelsel, is tevens de hoofddoelstelling van gemeenten het uitvoeren van de 13 Zie Zorgkeuzes in Kaart, CPB, VWS en Financiën, 2020..
36
Jeugdwet binnen een financieel kader. Het uitvoeren van de wet kent een minimum (zie werkgroep afbakening). Daarnaast is de invulling van de wettelijke plicht expliciet politiek gemaakt door de wetgever. Gemeenten mogen zelf besluiten hoe zij het minimum uitvoeren. Het financieel kader is ‘gematigd’ vast. Gemeenten begroten hoeveel zij denken te moeten betalen aan jeugdzorg. Aangezien echter sprake is van een openeinderegeling kan dit altijd hoger uitvallen. En dat gebeurt ook in de praktijk. Vooral het voortdurend overschrijden van het financieel kader is een ‘trigger’ geweest voor gemeenten om te onderzoeken hoe zij het minimum anders kunnen organiseren. En dan op zo’n manier dat gemeenten uiteindelijk wel binnen het financieel kader blijven. Uit ons onderzoek blijkt dat gemeenten denken dat met het werken met samenwerkingsverbanden en/of hoofdaannemers (in ieder geval ‘minder aanbieders’) en een taakgerichte bekostigingsvariant, het minimum - uiteindelijk – is te organiseren binnen het financieel kader. De (impliciete) beleidstheorie is causaal van aard: door samenwerkingsverbanden/hoofdaannemers kan beter partnerschap ontstaan en door beter partnerschap zijn de financiën beter te beheersen. En: door taakgericht te bekostigen krijgen deze partners de ruimte om te ‘doen wat nodig’ is én zullen zij dat dus ook doen.
Uit de voorgaande paragraaf blijkt dat deze beleidstheorie gebrekkig is. Hoewel het mogelijk is om het jeugdhulpstelsel financieel beheersbaar in te richten met inkoop bij samenwerkingsverbanden of hoofdaannemers, volgt de beheersbaarheid niet automatisch uit deze wijze van inkopen. Daarmee is het ook niet zeker dat de Groninger gemeenten met hun stip op de horizon hun financiële doel wél behalen. De voorgestelde werkwijze gaat zelf, door een transitie, gepaard met veel kosten. En er kleven de nodige risico’s aan, die wij ook hebben beschreven, die ook een – blijvende - financiële impact hebben. Als gemeenten deze werkwijze voorstaan, is het daarom verstandig de legitimatie dan ook niet te zoeken in het financieel beheersbaar maken van de uitvoering van de wet. Daarvoor zijn andere ingrepen nodig, die ook door ons en AEF al zijn genoemd. Deze ingrepen zijn echter onafhankelijk van het ‘inkoopmodel’. Gemeenten kunnen deze ook implementeren in het bestaande inkoopmodel (zie ook advies Robbe 2019). De legitimatie moet dan ook zitten op het politieke vlak: het werken met samenwerkingsverbanden/hoofdaannemers en taakgerichte bekostiging is een principieel uitgangspunt. Het werkt niet per definitie financieel beter, maar het past beter bij de (politieke) uitgangspunten die de gemeente hanteert. Het moet dus beter passen bij hoe gemeenten denken het wettelijke minimum uit te voeren.
Dit moeten de gemeenten dan wel expliciet(er) maken dan zij nu hebben gedaan. Zoals wij in aanvang van ons adviesrapport al signaleerden zijn de aannames in de huidige situatie immers nog onvoldoende getoetst. Ook als gemeenten de keuze voor een nieuw model kunnen legitimeren op basis van uitgangspunten, vragen wij aandacht voor de risico’s en beheersmaatregelen die daarmee gepaard gaan. Ook kiezen op basis van (politieke) uitgangspunten organiseert deze risico’s namelijk niet weg. Dromen is mooi, de werkelijkheid wakker tegemoet treden is beter. 37
38
7
Oplossingsrichtingen korte termijn
In het laatste hoofdstuk van dit advies benoemen we maatregelen die de gemeenten – ter ondersteuning van doelstellingen en eerder geformuleerde uitgangspunten – op zeer korte termijn kunnen nemen. Dit hoofdstuk gaat achtereenvolgens in op het realiseren van besparingen in de huidige situatie, het verminderen van het aantal jeugdhulpaanbieders in de huidige open house contractering en het analyseren en verbeteren van de productstructuur. 7.1
Besparingen realiseren in huidige situatie
Er zijn al diverse notities en adviezen gericht aan de Groninger gemeenten waarin maatregelen zijn geadviseerd om uitgaven aan jeugdhulp te beperken. Hieronder beperken we ons tot beheersmaatregelen die nieuw zijn. We benoemen de maatregelen, de kans dat de maatregel tot besparingen leidt, en de impact en risico’s. Nota bene: enkele maatregelen verlangen een wijziging van de huidige open house contracten. Wijzigingen in de open house zijn mogelijk per 1 januari en 1 juli van elk jaar, mits 6 maanden van te voren aangekondigd. Dit betekent dat het eerstvolgende moment van wijzigingen aankondigen 1 juli 2021 is, met een ingangsdatum van 1 januari 2022. 1. Herzien (verlagen) van tarieven van open house contracten Het verlagen van tarieven van open house producten zou vanaf het moment van invoeren de uitgaven voor gemeenten beperken. Echter, gemeenten zijn gehouden om realistische tarieven te betalen voor jeugdhulp, ook nu de criteria waaraan ‘reële tarieven’ moeten voldoen nog niet zijn vastgelegd in de jeugdwet. Gemeenten kunnen dus niet zomaar tarieven verlagen. In dit kader is relevant dat in mei 2019 bureau HHM een second opinion heeft uitgevoerd op de tarieven van de 24 OH producten die tezamen verantwoordelijk waren voor meer dan 80% van de uitgaven jeugdhulp, zowel in aantal jeugdigen als in uitgaven.
Het onderzoek bevestigt het tariefmodel van de RIGG met enkele nuanceringen en het DB heeft daarop besloten om geen tariefaanpassingen door te voeren. Vanuit deze constatering lijkt het bijstellen van tarieven geen beheersmaatregel met besparingspotentieel. Een neerwaartse bijstelling van tarieven zal waarschijnlijk leiden tot discussie met jeugdhulpaanbieders, en een mogelijke gang naar de rechter. 2. Kwaliteitseisen in combinatie met de tarieven De kwaliteitseisen van een jeugdhulpproduct bepalen het benodigde functieniveau van medewerkers. Een neerwaartse bijstelling van de kwaliteitseisen van een product leidt daarom per definitie tot een lager tarief. Het is goed om te toetsen waar de kwaliteitseisen van de OH-producten eventueel kunnen worden bijgesteld en welk effect dit heeft zowel financieel als inhoudelijk. Zie verder onder deelvraag 8. 39
3. Tariefdifferentiatie tussen jeugdhulpaanbieders (instellingen versus kleine jeugdhulpaanbieders) Veel kleine jeugdhulpaanbieders en zzp’ers leveren jeugdhulp met minder hoge overheadkosten. Deze jeugdhulpaanbieders ontvangen nu dezelfde tarieven voor open house producten. Het is mogelijk om voor kleine jeugdhulpaanbieders tarieven te hanteren met een lager overheadpercentage, waardoor kleine jeugdhulpaanbieders lagere tarieven ontvangen dan grotere jeugdhulpinstellingen. Deze differentiatie in tarieven vraagt om een nader bepaling van de grens tussen grote en kleine jeugdhulpaanbieders, aanpassing van de tarieven met bijbehorende administratieve handelingen en heldere communicatie naar aanbieders. De exacte besparing is nog niet te bepalen. Dit hangt bovendien samen met de termijn waarop gemeenten lichte ambulante begeleidingsvormen lokaal gaan organiseren: het aandeel van de kleine jeugdhulpaanbieders zal dan krimpen, en daarmee ook het besparingspotentieel van deze maatregel. 4. Indicatieduur en declaratieduur Data-analyse toont aan dat er variatie is in de aangevraagde en toegekende indicatieduur van een product per jeugdhulpaanbieder. Dit vertaalt zich in variatie in de kosten die jeugdhulpaanbieders declareren voor dezelfde producten. Dit is nu onderwerp van gesprek vanuit het contractmanagement (achteraf), maar de toegang kan daar ook op voorhand op acteren.
Er zijn bovendien voor specifieke behandelvormen landelijke richtlijnen voor de duur van de behandelingen. De behandelduur hangt nauw samen met de vraag: “Wanneer is het goed genoeg?”. Hoe scherper het antwoord op deze vraag per jeugdige is geformuleerd, hoe minder ruimte jeugdhulpaanbieders krijgen om te lang door te behandelen zonder echte meerwaarde voor de jeugdige. De RIGG voorziet op korte termijn in een monitor voor alle gemeenten, die de gemiddelde indicatie en declaratieduur per product en jeugdhulpaanbieder voor elke gemeente zichtbaar maakt. Hiermee kan een bovengemiddelde indicatieaanvraag onderwerp van gesprek zijn in de toegang (vooraf). Neem bovendien richtlijnen mee in de afbakening van jeugdhulp in de verordening. 5. Uitgangspunten voor declareren Er is regelmatig discussie tussen de toegang en jeugdhulpaanbieders over de te declareren tijd, zoals reistijd, no-show van jeugdigen, en ‘behoud van bed’. Door de uitgangspunten expliciet te beschrijven en onderdeel uit te laten maken van de overeenkomst kunnen toegangsmedewerkers en contractmanagers de jeugdhulpaanbieders hier beter op aanspreken. Eventueel kunnen de gemeenten ervoor kiezen de uitgangspunten voor declaratie in de open house aan te passen. Welke besparingen mogelijk zijn is onduidelijk.
De hierboven beschreven beheersmaatregelen lijken op dit moment het meest interessant qua haalbaarheid en potentie. Bijlage 2 toont een tabel met deze nieuwe en andere al bekende beheersmaatregelen en een overzicht van overwegingen daarbij. 7.2
Verminderen van het aantal open house jeugdhulpaanbieders
Meerdere gemeenten geven aan dat ze minder jeugdhulpaanbieders willen. Minder aanbieders is hierbij geen doel op zich. Deze wens hangt samen met de behoefte aan meer 40
grip en inzicht (en de aanname dat dit met minder jeugdhulpaanbieders beter te bereiken is), en de wens dat een beperkt aantal jeugdhulpaanbieders de jeugdhulp lokaal organiseert (met aannames over betere samenwerking en efficiëntie). Wij plaatsen de kanttekening dat het ook binnen een open house mogelijk is om met strategische partners meer te gaan samenwerken en tot nadere afspraken en doelstellingen te komen. We beantwoorden hier nu verder de aan ons gestelde vraag. Zodra gemeenten lichte ambulante begeleiding lokaal inkopen als algemene voorziening zal het totale aantal gecontracteerde jeugdhulpaanbieders dat actief is (jeugdhulp levert) verminderen. Juist in deze segmenten bevinden zich relatief veel (kleine) jeugdhulpaanbieders. Onafhankelijk hiervan is het mogelijk het aantal bestaande jeugdhulpaanbieders in de open house contracten te beperken door het instellen van objectieve criteria met duidelijke motivatie. Voorbeelden zijn specifiekere personeelskwalificaties, een minimum aantal jeugdigen of een minimum omzet in de voorliggende periode. Het is mogelijk om dit per product en/of gemeente in te richten. Ter illustratie: als de RIGG het open house zodanig aanpast dat jeugdhulpaanbieders meer dan 75 jeugdigen in een jaar moeten ondersteunen, dan zou het aantal gecontracteerde jeugdhulpaanbieders van 228 dalen naar 58.
Het nog verder oprekken van het minimum aantal jeugdigen beperkt het totale aantal jeugdhulpaanbieders nog verder. Bron Suite voor Jeugd 2019 totaal jeugdigen > 150 jeugdigen > 75
Aantal aanbieders 228 22 58
Aantal jeugdigen 20.80014 15.736 (76%) 18.586 (89%)
Tabel 1 – impact open house criteria minimum aantal jeugdigen
Ook is het mogelijk aanvullende criteria te stellen om de instroom van nieuwe jeugdhulpaanbieders te beperken. Het is mogelijk om instroom te limiteren tot jeugdhulpaanbieders die een waardevolle aanvulling zijn op het bestaande zorglandschap. Bij aanmelding moeten nieuwe jeugdhulpaanbieders dan een plan van aanpak indienen, waarin ze die meerwaarde onderbouwen. Alle in deze paragraaf genoemde maatregelen vergen een aanpassing van open house contracten. 7.3
Aanpassen van huidige producten
Deze laatste vraag relateert aan ervaringen dat de huidige producten niet allemaal aansluiten bij de wensen van de gemeente. Concreet zouden er met 75 jeugdhulpproducten 14 Dit zijn 15.299 unieke jeugdigen, sommigen kregen van 2 of meer jeugdhulpaanbieders jeugdhulp in 2019
41
in het productenboek van de RIGG (waarvan 60 ingekocht via de open house) teveel producten zijn, waarmee deze in de praktijk te weinig flexibiliteit bieden om maatwerk mogelijk te maken. Door clustering en verruiming van de huidige producten is dit aantal terug te brengen waarmee meer speelruimte binnen een product ontstaat. Dit heeft ook een nadeel: door clustering van producten vervagen scherpe inhoudelijke criteria en tariefdifferentiatie. En aanpassing van producten leidt tot administratieve lasten. Voor een verdere analyse van de aan te passen producten is het noodzakelijk dat gemeenten kenbaar maken voor welke producten zij concreet welke wensen hebben. De RIGG is de aangewezen organisatie om dit in samenspraak met de uitvoering en/of het AOJ verder op te pakken. Wij adviseren overigens wel om een pas op de plaats te maken ten aanzien van de lichte begeleidingsproducten waarvoor de gemeenten op korte termijn een algemene voorziening gaan inrichten. De inzet van deze producten zal snel teruglopen en opdrogen zodra de algemene voorzieningen van start gaan.
42
Bijlage 1 – Ambulante jeugdhulpproducten in data-analyse Producten Individuele behandeling specialistisch middel Individuele behandeling specialistisch zwaar-zeer zwaar Individuele begeleiding basis Gezinsbegeleiding specialistisch Individuele begeleiding specialistisch Individuele behandeling specialistisch licht medicatiecontrole Individuele behandeling specialistisch licht Individuele behandeling basis Intensieve orthopedagogische of psychiatrische gezinsbehandeling Gezinsbegeleiding basis Groepsbegeleiding specialistisch Individuele diagnostiek Groepsbegeleiding basis Individuele behandeling laagfrequent Gezinsbegeleiding laagfrequent Gezinsdiagnostiek Eindtotaal Aandeel ten opzichte van totale jeugdhulp
totaal aantal cliënten 4644 4231 1934 1857 1809
Totale kosten € 19.239.575 € 13.771.865 € 11.234.942 € 10.292.956 € 7.705.984
1361 1295 733
€ € €
3.192.565 2.613.459 1.215.282
492 469 377 225 129 83 73 41 13465 81%
€ € € € € € € € €
870.791 584.533 513.230 470.890 184.462 152.319 61.366 50.138 72.154.357 42%
43
Bijlage 2 – Overzicht nieuwe en bekende kosten-beheersmaatregelen Nieuwe beheersmaatregelen 1 2 3
Herzien tarieven / tariefonderzoek Verlagen kwaliteitseisen i.c.m. verlagen tarieven Tariefdifferentiatie (zzp’ers en kleine jeugdhulpaanbieders)
Status Groningen
Potentie
Haalbaarheid (juridisch & praktisch)
Impact op jeugdigen
Hoe?
Te onderzoeken
++
Juridisch twijfelachtig
Geen
Actie RIGG
Te onderzoeken
+/-
Mogelijk bezwaren aanbieders (landelijke discussie)
???
Actie RIGG
Te onderzoeken
+/-
Mogelijk, ws discussie
Geen
Actie RIGG
4
Indicatieduur en declaratieduur
Monitor implementatie via werkgroep monitoring
+
Meer discussie in de toegang
Korter jeugdhulp Wanneer is het goed genoeg?
Actie gemeenten
5
Uitgangspunten voor declareren
Uitgangspunten ontwikkelen/evalueren
+/-
Mogelijk
Geen
Actie RIGG
Kennis en kunde van de toegang
Going concern
+
Afbakening jeugdwet
Vastgesteld DB, naar colleges
++
POH – JGGZ invoeren
Al breed ingevoerd?
+
Indiceren en Leren uit de data
Doorlopend proces
+
Kaders stellen voor indicatie van jeugdhulpaanbieders bij jeugdigen via medische verwijsroute
Vastgesteld DB, naar colleges
+
Bekende beheersmaatregelen
44
Monitoren op duurste trajecten en jeugdigen
Onderdeel Power BI monitor
+
Aanbieders met dure jeugdigen
Onderdeel Power BI monitor
+
Budgetplafonds
Afgewezen SOO nov 2018, heroverweging mogelijk
+
Uitvoeringslasten (gemeenten)
Going concern
+
Beperken kosten indicatie (kan proces slimmer, sneller – en bijv. langere indicaties waar passend?)
Afspraken Goede toekenning
+
Vanwege ontstaan van wachtlijsten, verplaatsen van jeugdigen en organisatorisch administratieve verzwaring
45
Victor Advocaten & Adviseurs Inventor Business Park Keesomstraat 10d l 1821 BS Alkmaar T +31 (0) 72 528 0036 KCN Tower Nevelgaarde 40 l Nieuwegein T +31 (0) 30 227 3243 E contact@victoradvocaten.nl F +31 (0) 72 528 0080
Public Procurement Research Centre Het Stationsgebouw Spoorstraat 2 l 6741 DE Lunteren T +31 (0) 616382562 E info@pprc.eu
Victor Advocaten en Adviseurs is gevestigd in Alkmaar en Nieuwegein. Het hoofdkantoor staat in Alkmaar, vandaar onze naam. Alkmaar was de eerste stad in Nederland die succesvol in opstand kwam tegen de Spaanse Koning en zo de weg naar Nederlandse onafhankelijkheid inleidde. Die strijdbaarheid, onafhankelijkheid en eigenzinnigheid kenmerkt ook ons kantoor. Daarom zijn wij vaak al betrokken bij zaken waar andere advocaten nog niet betrokken zijn (adviseren, projectmanagement, interim) en gaan wij verder waar normale adviseurs het moeten laten afweten (procederen). Met onze manier van werken leveren wij daarom een effectieve bijdrage aan de algemene doelstellingen en resultaten die onze cliënten willen bereiken, of die nu commercieel, politiek of persoonlijk zijn.
Het Public Procurement Research Centre is een onderzoekscentrum op het vlak van overheidsinkoop in de breedste zin. Wij werken zonder winstoogmerk. Onze missie is het creëren van wetenschappelijke en praktische kennis, en deze te verspreiden. Door (onderzoeks)opdrachten voor derden financiert PPRC wetenschappelijk onderzoek. Alle onderzoekers bij het Public Procurement Research Centre hebben tevens een aanstelling bij een Nederlandse universiteit en zijn gepromoveerd of streven dit na als onderdeel van hun activiteiten binnen ons onderzoekscentrum.
46