Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening_Toelichting
Tekst van het document
Dit naar analogie van de beoordeling van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en onder de Omgevingswet. Op grond hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. VRU3.5 – nieuw verkeersmodel en effect op bovenstaande resultaten bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
59
Voor de vaststelling van het bestemmingsplan is het nieuwe verkeersmodel VRU3.5 van kracht geworden. Hiermee veranderen de (toekomstige) verkeersintensiteiten (licht) op de omliggende wegen. Van de Croeselaan Noord en de Mineurslaan zal hierdoor het geluid toenemen. Het geluid van alle 30 km /uur wegen samen zal hierdoor mogelijk maximaal 61 dB i.p.v. 60 dB bedragen. Dit is nog steeds lager dan de ambitiewaarde van de gemeente (maximaal 63 dB), waardoor er óók met de geactualiseerde inzichten gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening. De doorkijk naar VRU 3.5 levert ook andere effecten op ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking op wegen met bestaande woningen of andere geluidgevoelige functies erlangs. Niet alleen de Croeselaan laat het grootste effect zien, maar ook de Van Zijstweg. De toename bedraagt op beide wegen maximaal 1,0 dB. De conclusie dat er geen significant effect van de verkeersaantrekkende werking optreedt bij bestaande woningen omdat de geluidsbelasting minder dan 1,5 dB toeneemt, blijft daarmee in stand. Croeselaan Noord – tussen Van Zijstweg en Rabostraat Plan: 14.900 mvt/etmaal Autonoom = 11.800 mvt/etmaal. Akoestische effect: 10*log(14.900/11.800) = + 1,0 dB. Van Zijstweg (nabij Croeselaan) Plan: 15.400 mvt/etmaal Autonoom = 12.100 mvt/etmaal. Akoestische effect: 10*log(15.400/12.100) = + 1,0 dB.
Conclusie Uit het akoestisch onderzoek en de doorkijk naar het actuele verkeersmodel VRU 3.5 blijkt dat de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder voor geen van de onderzochte wettelijke geluidbronnen wordt overschreden. De maximale geluidbelasting van de 30 km/u wegen voldoet aan de ambitiewaarde van 63 dB van de gemeente (toets in het kader van goede ruimtelijke ordening). De verkeersaantrekkende werking van het plan heeft geen significant effect op de omgeving. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.5
Trillingen
Kader Weg- en railverkeer kunnen leiden tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot schade of hinder. Hinder voor personen in gebouwen wordt in Nederland gewoonlijk beoordeeld op de SBR B-richtlijn. Dit is een door de Stichting Bouwresearch opgestelde richtlijn voor het meten en beoordelen van hinder voor personen in gebouwen. De streefwaarde voor de trillingshinder is onder meer afhankelijk van de gebouwbestemming (kantoor, wonen, gezondheidszorg, etc.) en of het om een nieuwe of bestaande situatie gaat. Het lokaal spoor (tram) kan ook leiden tot trillingen. Trillingen van de tramlijn kunnen relevant zijn op korte afstand van gevoelige functies. Dit is aan de orde bij een afstand van meer dan 100 meter. Plansituatie en conclusie Trillingshinder van het spoor is niet aan de orde. De woningen in de bestemming Gemengd liggen op een grotere afstand dan 100 meter van de spoor- en tramlijn.
5.6
Geur
Kader Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Voor specifieke bedrijven is in de Wet milieubeheer een richtwaarde aangegeven voor de hoeveelheid geur (uitgedrukt in geureenheden/m3) die acceptabel is in de omgeving van bedrijven. Deze geuruitstoot heeft ruimtelijke consequenties. In de directe omgeving van het bedrijf zijn vanuit de norm van de Wet milieubeheer beperkingen gesteld aan de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkeling van gevoelige bebouwing (met name wonen). Dit soort bedrijven bevindt zich niet binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan. Kleinere bedrijven zoals horecavestigingen, of een bakkerij kennen soms ook geurhinder maar daarvoor zijn geen richtlijnen opgesteld. Daarnaast kan de mestopslag bij agrarische bedrijven geurhinder veroorzaken. Door een geschikte locatie van de mestopslag te bepalen, is een deel van de hinder te voorkomen. Echter bij grotere bedrijven is voldoende afstand ten opzichte van woningen van derden noodzakelijk. Dit wordt geregeld in de bestemmingsplanregels. 6 0 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
Plansituatie en conclusie Binnen het plangebied is geen sprake van industriële geurhinder.
5.7
Externe veiligheid
Kader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in omgevingsvergunningen, indien wordt afgeweken van het bestemmingsplan, de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. De normen en richtlijnen voor omgevingsrisico's zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico's beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens twee extra afstandsbepalingen, de zogenaamde vrijwaringszone en het plasbrandaandachtsgebied. Voor zowel de vrijwaringszone als het plasbrandaandachtsgebied geldt een motivatieplicht indien bebouwing gewenst is. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd moet deze aan extra brandveiligheidseisen volgens het Bouwbesluit voldoen.
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10-6) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering. Voor de afstand tussen de risico veroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit. Het Bevt verplicht ertoe dat bij omgevingsvergunningen, waarbij wordt afgeweken van de bestemming, of in de toelichting van het bestemmingsplan het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen. Plansituatie In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risico veroorzakende activiteiten.
Uit deze inventarisatie blijkt dat alleen het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Breukelen-Lunetten relevant is vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Het plangebied bevindt zich namelijk binnen 200 meter van deze spoorlijn. In de omgeving zijn geen buisleidingen, inrichtingen of andere transportroutes met gevaarlijke stoffen die relevant zijn voor de ontwikkeling. In verband met de voorgenomen ontwikkeling van de Knooplocatie in Utrecht is het externe veiligheidsrisico door het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Breukelen - Lunetten berekend voor de bestaande situatie en voor de situatie na realisatie van de plannen. Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 6. Plasbrandaandachtsgebied Voor het beschouwde spoor ter hoogte van het plangebied geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Dit betekent dat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te beschermen tegen de effecten van een plasbrand op het spoor. Plaatsgebonden risico Voor transportroutes die onderdeel uitmaken van het basisnet wordt het plaatsgebonden risico niet berekend, maar wordt getoetst aan de veiligheidsafstanden uit de regeling basisnet. Voor het doorgaande spoor ter hoogte van het plangebied geldt een veiligheidsafstand van 0 meter. Dit betekent dat het risico in de omgeving van het spoor niet hoger mag zijn dan 10-6/jaar.
Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
61
Het groepsrisico is berekend conform de vigerende rekenmethodieken. Het berekende groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door het planvoornemen. In de rekenmethodieken en het basisnet is de realisatie van het doorstroomstation (DSSU) niet verwerkt. Doordat hiermee sporen worden gewijzigd en er met hogere snelheden kan worden gereden, resulteert dit in een beperkt hoger groepsrisico. Aangezien de ontwikkeling voor de Knoop zelf niet bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico, zijn voor deze ontwikkeling geen maatregelen nodig om het groepsrisico verder te beperken. De maatgevende scenario's voor het plangebied zijn: • een explosie: Mensen in de omgeving kunnen slachtoffer worden door de overdruk en de bijkomende hittestraling. Gebouwen in de omgeving raken beschadigd en er kunnen brandhaarden ontstaan. • Een giftige wolk: Mensen in omgeving kunnen slachtoffer worden door de toxische concentraties die vrijkomen. De mogelijkheden voor het bestrijden of beperken van een ongeval, verschillen per scenario. Onderstaand is dit toegelicht waarin het advies van de Veiligheidsregio is meegenomen. De totale bluswatercapaciteit wordt voor de bestrijding van een (dreigend) zwaar ongeval op het spoor als voldoende beschouwd. De planlocatie is voor de brandweer te bereiken binnen de daarvoor geldende opkomsttijden.
Bij een dreigende calamiteit moeten personen in staat zijn om snel van de bedreigde plek weg te kunnen komen. Hiervoor is het nodig dat er in voldoende richtingen straten en wegen zijn waarlangs men kan vluchten. Deze mogelijkheden zijn in voldoende mate in het plangebied aanwezig. Een optimale situering van een (nood)uitgang van een gebouw bevindt zich aan de niet-spoorse kant van dat gebouw. Op die manier worden vluchtende mensen afgeschermd door het gebouw zelf, bijvoorbeeld bij hittestraling van een brand op het spoor. Ook kan een optimalisatie plaatsvinden door de (nood)uitgangen op zo groot mogelijke afstand van het spoor te projecteren. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door noodtrappenhuizen uit te laten komen op bijvoorbeeld een parkeerkelder. De vluchtweg loopt dan voor een deel door een afschermende ruimte. Voor zover mogelijk is de situering van (nood)uitgangen in de regels geborgd. Voor zover dat niet mogelijk is, zullen de vluchtmogelijkheden in volgende fasen (ontwerp, uitvoering) aan de orde moeten komen. Gelet op het karakter van het gebied (kantoren, wonen, horeca etc.) kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen in het gebied een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen.
De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door bouwkundige en organisatorische maatregelen. Het gaat onder andere om de volgende maatregelen die in de volgende fasen (ontwerp, uitvoering) uitdrukkelijke aan de orde moeten komen: a. b.
c.
Afsluitbare mechanische ventilatiesystemen. Deze zijn nodig voor het geval er zich een incident voordoet met giftige stoffen. Brandwerende/brandvertragende constructies zoals brandwerende gevels, splinterwerend /brandwerend glas etc. Voor het geval er zich een incident voordoet met brandbare stoffen, ontstaat er met dit soort maatregelen veel meer tijd om op eigen kracht te kunnen vluchten. Goed getrainde BHV organisaties en afstemming van BHV organisaties van diverse partijen onderling. Een goede voorbereiding en afstemming bevordert een snelle evacuatie en/of hulpverlening; dit is bij elk type incident van belang.
5.8
Ontplofbare Oorlogsresten
Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) worden uitgevoerd. Plangebied en conclusie In 2016 is er voor meerdere spoorlocaties onderzoek gedaan naar conventionele explosieven, zie Bijlage 7. Het Knoopcomplex maakt deel uit van deze spoorlocaties. Met behulp van onder meer luchtfoto's, literatuur, getuigenverklaringen, gebeurtenissen uit het verleden en digitale kaarten is een beeld gevormd over verdachte en onverdachte gebieden. Dit is in beeld gebracht in Bijlage 6 waarin een overzicht is gegeven van de probleeminventarisatie. Vervolgens is in Bijlage 5 de bodembelastingkaart weergegeven. Hierop staan de verdachte en onverdachte gebieden. Uit dit onderzoek blijkt aan de hand van de bodembelastingkaart dat de locatie voor het 6 2 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
Knoopcomplex onverdacht is. Dit onderdeel vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het Knoopcomplex.
5.9
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.
De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5.
Stof Grenswaarde EU NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m³ PM10 (fijnstof) 40 µg/m³ PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m³ WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5
WHO-advieswaarde-2005 40 µg/m³ 20 µg/m³ 10 µg/m³
Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied Om de gevolgen van de ontwikkeling van het Knoopcomplex voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in beeld te brengen, is een luchtkwaliteitsonderzoek, zie Bijlage 10, uitgevoerd. Bekeken is welke invloed het plan heeft op de luchtkwaliteit en om de concentraties luchtverontreinigende stoffen bij het plan inzichtelijk te maken.
Voor het onderzoek luchtkwaliteit is uitgegaan van de NSL-monitoringstool en niet van het gemeentelijk verkeersmodel. De verkeersgeneratie is op basis van de kencijfers van het CROW bepaald. De verkeersgeneratie hoeft dus niet aangepast te worden op basis van het nieuwe verkeersmodel VRU 3.5 dat in december 2024 is vastgesteld. Voor het plan zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) berekend, voor de nieuwe woningen, een aantal bestaande woonlocaties en enkele andere locatie op het beschouwde terrein. In het luchtkwaliteitsonderzoek staan de resultaten in tabel 3 weergegeven van de berekening. Uit de resultaten blijkt dat de grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) voor zowel de nieuwe als bestaande woningen niet wordt overschreden. De maximale waarde voor NO2 is 24,2 µg/m3 en voor PM10 18,5 µg/m3. Voor zeer fijnstof (PM2,5) geldt een maximale concentratie van 25 µg/m3. De hoogst berekende waarde voor PM2,5 van 10,1 µg/m3, voldoet daarom ook aan de grenswaarde. bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
63
Ten aanzien van de WHO-advieswaarden 2005 wordt nagenoeg voldaan. Alleen voor PM2,5 geldt dat de waarde 0,1 µg/m3 boven de 10 µg/m3 zit. Naar verwachting zal de luchtkwaliteit de komende jaren nog wel verbeteren. Er kan dus worden aangenomen dat in 2030 de concentratie PM2,5 wel zal voldoen aan de WHO advieswaarde van 2005. Verder volgt uit de resultaten dat de grenswaarde van het uurgemiddelde voor NO2 op geen enkel toetspunt wordt overschreden. Voor PM10 mag de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie maximaal 35 keer worden overschreden. Het berekende aantal van zes overschrijdingen voldoet daarom aan de norm.
Conclusie Voor het aspect luchtkwaliteit is inzichtelijk gemaakt of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, met de realisatie van het plan. Daarvoor is een berekening gemaakt van het effect van het verkeer op de nieuwe woningen binnen het plan en bestaande woningen in de omgeving. Uit de resultaten blijkt dat de berekende concentratie voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Voor zowel de nieuwe woningen in het plangebied als bestaande woningen rondom het plangebied, is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat, met de realisatie van het plan.
5.10 Bodem Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plangebied Bodemkwaliteit In het plangebied wordt een deel van de bebouwing gesloopt. Er vindt nieuwbouw plaats en er worden parkeerkelders aangelegd. Op het terrein zijn in het verleden meerdere bedrijven aanwezig geweest, het maakte o.a. deel uit van een kazerne. In de omgeving waren ook veel bedrijfsactiviteiten, zoals een garage, een benzinepomp, een smederij, houtbewerking en een veekoekenfabriek. Er was een gracht aanwezig, die rond 2015 is gedempt, en er heeft meer grondverzet plaatsgevonden. Een aandachtpunt is dat de fundering van de gracht nog steeds aanwezig is en is geperforeerd. Dit kan leiden tot mogelijke sloopwerken met effecten op fundering van de Forum en het warmtenet van NS-energie in de Mineurslaan.
Bij de twee verkennende bodemonderzoeken uit 2010 en 2016 zijn lichte verontreinigingen 6 4 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
aangetroffen. In beide onderzoeken is geboord tot 2,5 à 4,5 m. Deze bodemonderzoeken zijn verouderd en niet compleet voor nieuwe parkeerkelders. Er is actualiserend bodemonderzoek nodig. In de omgeving van het terrein zijn lichte tot plaatselijk sterke verontreinigingen bekend in grond en grondwater. Het plangebied bevindt zich binnen de zogenaamde dynamische zone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Het diepere grondwater binnen deze zone, in het eerste watervoerend pakket, is diffuus licht tot sterk verontreinigd met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen. Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging verspreiden. De gemeente wil verdere verspreiding van verontreinigingen door doorboring van de eerste scheidende laag in de dynamische zone voorkomen, om zo het grondwater uit het tweede watervoerende pakket te beschermen. Dit betekent dat er sprake is van een dieptebeperking voor bijvoorbeeld aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag op een diepte van circa 50 m-mv. Bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en WKO kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak. Zie verder onderstaande alinea bodemenergie. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de toepassingseis voor grond kwaliteit landbouw/natuur.
Ondergrond Het advies is om bij de herontwikkeling inzicht te krijgen in zowel bestaande als gewenste ondergrondse ruimteclaims, die nodig zijn om het gewenste bovengrondse gebruik te realiseren. Om de ondergrond duurzaam te gebruiken en beheren moet er een balans zijn tussen bescherming (gezonde, schone, levende en veilige bodem, archeologie) en benutting (kelders, bodemenergie, groen, waterberging, infrastructuur, afval). Het kan noodzakelijk zijn om ondergrondse functies te ordenen, clusteren en waar mogelijk te minimaliseren of optimaliseren en om effecten van ondergronds gebruik mee te nemen in de beschouwing om (toekomstige) conflicten te voorkomen. Zo gaan bijvoorbeeld ondergrondse bouw met waterglas en verticale hemelwaterinfiltratie niet goed samen met de aanwezigheid van open warmte/koude opslagsystemen in de bodem (verstopping). Zetting Het plangebied is op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid minder gevoelig voor zetting. De huidige bebouwing en ophoging heeft de grond geroerd en gezet, waardoor de kans op daadwerkelijke zetting ook klein is.
Maar, in verband met de ligging vlak naast het spoor en de mate van ingrepen in de ondergrond, zoals de ontgraving voor en bouw van de ondergrondse parkeerkelder, bemalingen en grondwateronttrekkingen of infiltraties voor bodemenergie, moeten de effecten op eventuele zetting en het grondwatersysteem voorafgaand aan de ingreep inzichtelijk en beheersbaar zijn. Bodemenergie Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is toepassen van bodemenergie. In de omgeving van het terrein wordt volop gebruik gemaakt van bodemenergie uit het 1e watervoerend pakket, tot een diepte van circa 50 m-mv. Uit het warmteplan Beurskwartier blijkt dat de warmte- en koude capaciteit van het 1e watervoerend pakket voor circa 60% in gebruik is. De overig 40% is door diverse oorzaken niet beschikbaar binnen de bouwlocatie. Omdat dit voor meerdere bouwplots van het Beurskwartier geldt is in samenwerking met de Provincie Utrecht en RUD een Praktijkonderzoek naar veilig en verantwoord gebruik van de warmtepotentie in het 2e water voerend pakket in opstartfase. Dit praktijkonderzoek duurt enkele jaren. Recent zijn met een proefboring peilfilters geplaatst, om inzicht te krijgen in de verontreinigingssituatie. Tevens wordt onderzoek gedaan naar de fysische samenstelling van de bodem, om te bepalen hoe rendabel bodemenergiesystemen zijn in het 2e watervoerende pakket ter plaatse.
Een bodemenergiesysteem in het 2e watervoerend pakket (mits veilig en verantwoord) gaat deel uitmaken van een collectieve open warmte koude opslagvoorziening in het Beursgebied. De definitieve beoordeling hiervan vindt plaats bij het praktijkonderzoek en valt niet binnen dit bestemmingsplan. Conclusie De bodem is naar verwachting op basis van eerder onderzoek licht verontreinigd. De bodemonderzoeken zijn verouderd en niet compleet voor de parkeerkelders. Na sloop van de bebouwing en vóór de herinrichting moet een actualiserend bodemonderzoek worden verricht. Dit onderzoek kan plaats vinden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag. Ook bij de afvoer van grond en puin moet rekening gehouden worden met extra onderzoek om de afvoerbestemming te bepalen. Een eventuele verdieping van de parkeerkelder vraagt ook een dieper actualiserend bodemonderzoek voor inzicht in de chemische bodemkwaliteit en voor afvoer van grond bij de parkeergarage. bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
65
De fundering van de voormalige gracht, die is aangetroffen bij het bodemonderzoek, is een extra aandachtspunt bij eventuele sloopwerkzaamheden. Er geldt vooralsnog een dieptebeperking voor boringen en bodemenergiesystemen. Er vindt nu een praktijkonderzoek plaats om te bepalen of het veilig en verantwoord is om bodemenergie te benutten uit het 2e watervoerend pakket, waarbij geen verspreiding van verontreiniging plaats vindt. Bij bouwbemalingen kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater volgens het Gebiedsplan. Onder deze voorwaarden vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Inzicht en ordening in de bestaande en gewenste ondergrondse ruimteclaims en de onderlinge beïnvloeding daarbij, kan toekomstig conflicterend ruimtegebruik beperken.
5.11 Natuurbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Utrechtse soortenlijst Bij gemeentelijke plannen moet inzichtelijk gemaakt worden of er soorten van de Utrechtse soortenlijst voorkomen in het plangebied. Dit geldt eveneens bij plannen van derden wanneer hier afspraken over zijn met de gemeente. Het toevoegen van de Utrechtse soorten vormt geen verhoging van deze onderzoeksinspanning, maar dient met behulp van de natuurwaardenkaart en een biotoopbeoordeling in de bureaustudie te worden opgenomen. Als er beschermde of Utrechtse soorten in het projectgebied aanwezig zijn zal worden beoordeeld of de soorten nadelige gevolgen van de ontwikkeling ondervinden. Bij mogelijke nadelige gevolgen, wordt gekeken of de ontwikkeling op een andere manier kan worden uitgevoerd zodat nadelige gevolgen worden voorkomen of geminimaliseerd. Als deze nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn dient het leefgebied gecompenseerd te worden zo dicht mogelijk bij het projectgebied, of wanneer dit niet mogelijk is op een alternatieve locatie binnen de gemeente. Als het leefgebied van een Utrechtse soort niet op korte termijn te compenseren valt zal dit expliciet aan het college worden voorgelegd. De verwachting is dat dit alleen het geval is in enkele oude bomenlanen waarin voor Nederland zeldzame paddenstoelen groeien. Met de stappen 1. Onderzoek, 2. Alternatieven, 3. Mitigeren, 4. Compenseren, 5.
Expliciete keuze, wordt voorkomen dat Utrechtse soorten uit onze stad verdwijnen, terwijl gebiedsontwikkelingen mogelijk blijven. Beschermde gebieden (stikstof) Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. In het kader van een toets aan de Wet natuurbescherming wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof).
Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype. Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant 6 6 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (N-depositie). Voor de toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten dus gekwantificeerd te worden. Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan met de Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met de invoering van het PAS was een vrijstelling van de vergunningplicht geïntroduceerd, in combinatie met een meldingsplicht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. Alleen wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er op voorhand geen significante gevolgen te verwachten zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een Wnb-vergunning niet van toepassing. Als dit niet het geval is wordt in het kader van een Wnb-vergunning eerst een voortoets uitgevoerd. Intern salderen is onderdeel van zo'n voortoets. Het project of plan kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden.
Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. In december 2019 zijn provinciale beleidsregels in werking getreden met voorwaarden voor het verlenen van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. De voorschriften voor de mogelijkheid tot intern en extern salderen zijn vastgelegd. Momenteel geldt bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect, een vergunningplicht in het kader van de Wnb. Op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering gold tot voor kort een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor activiteiten in de bouwsector. Daarom hoefde er voor de bouw- en aanlegfase geen stikstofdepositieberekening te worden gemaakt. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter de uitspraak gedaan dat deze vrijstelling niet meer mag worden gebruikt. Dat betekent dat er ook voor de aanleg- en bouwfase een stikstofdepositie-onderzoek moet worden uitgevoerd, waarmee aangetoond wordt dat er geen sprake is van significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen.
Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten In 2021 is een natuuronderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Zie hiervoor Bijlage 12. Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. In 2024 is er een actualisatie op dit onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 13. Voor de vaatplanten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden is de aanwezigheid uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren komen in de omgeving van het plangebied voor, maar het plangebied zelf is enkel geschikt voor (spits)muizen, die vrijgesteld zijn van ontheffing. Voor de vleermuizen is uit de NDFF gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde vleermuizen. Voor de realisatie van het Rijkskantoor de Knoop zijn conform een ontheffing in het kader van de toenmalige Flora- en faunawet voorzieningen getroffen in het nieuwe Rijkskantoor voor de gewone dwergvleermuis. Aan iedere zijde van het gebouw zijn enkele voorzieningen getroffen. Overigens is de ontheffingsaanvraag afgewezen doordat deze niet voor het volledige pand was aangevraagd. In overleg met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is toen besloten een notitie op te stellen waarin het monitoren van de vleermuizen is opgenomen. In 2020-2021 heeft er een monitoring plaatsgevonden. Zie hiervoor Bijlage 14.
In 2020 en in de winter van 2020-2021 is onderzoek gedaan naar de functionaliteit van de gerealiseerde vleermuisverblijfplaatsen in het Rijkskantoor. Er zijn toen geen kraam- en massa winterverblijfplaatsen waargenomen. Ook zomerverblijfplaatsen zijn niet waargenomen. Er is wel een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Het is goed mogelijk dat de paarverblijfplaats net als in 2018 in het Beatrixtheater aanwezig is. De functie van de vleermuiskasten moet gewaarborgd blijven om permanent negatief effect voor deze soorten te voorkomen. Bij het kappen van de bomen, waaraan de kasten hangen, moeten deze naar een andere locatie in de directe omgeving worden verplaatst. Dit moet buiten de actieve periode voor de vleermuizen gebeuren. Mogelijke alternatieve locaties hiervoor zijn de muren van het gebouw langs de Rabostraat en muren van de loopbrug in het noorden van het plangebied. Een bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
67
ontheffing is niet nodig bij het naleven van deze maatregelen en een nader onderzoek is ook niet nodig. Voor broedvogels zijn er waarnemingen bekend van verschillende soorten broedvogels in de omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is uitgesloten. Tijdens het broedseizoen kunnen wel door werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. Om verstoring van broedgevallen te voorkomen, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd of gestart worden. Bij start in het broedseizoen, dient de planlocatie eerst door een ter zake kundig ecoloog gecontroleerd te worden op broedgevallen. Deze maatregelen dienen via een ecologisch werkprotocol bijgehouden te worden. Met het naleven van deze maatregelen is geen ontheffing en geen nader onderzoek nodig. Conclusie beschermde dier- en plantensoorten Het voorkomen van de meest beschermde flora- en faunasoorten is niet te verwachten dan wel uitgesloten op basis van de algemene verspreidingsgegevens en het aanwezige biotoop in het plangebied. De aanwezigheid van beschermde vleermuizen van in het plangebied aanwezige vleermuiskasten is te verwachten of kan niet op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen ook algemeen voorkomende broedvogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen.
Door het nemen van de bepaalde voorzorgsmaatregelen, volgens de 'Gedragscode soortenbescherming gemeenten' die specifiek voor Utrecht is uitgewerkt in de 'Leidraad', kan overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor broedvogels en vleermuizen worden voorkomen. Deze voorzorgsmaatregel betreft onder andere het verplaatsen van de vleermuiskasten. Deze voorzorgsmaatregel dient uitgevoerd te worden onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog. Hierbij wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld om hierover bij de werkzaamheden duidelijke afspraken te maken met de aannemer. Daarnaast wordt gewerkt volgens de algemene zorgplicht. Conclusie Utrechtse soorten In 2021 is een natuuronderzoek gedaan naar het voorkomen van Utrechtse soorten, waarbij de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is geraadpleegd. Daarnaast is er door de stadsecoloog een inventarisatie gedaan naar het potentiële leefgebied van de Utrechtse soorten. Binnen het plangebied is leefgebied aanwezig van de zwarte roodstaart, huismus, spreeuwen, egel, tongvaren, veldsalie en wilde reseda. Het kan zijn dat het leefgebied van deze soorten gecompenseerd moet worden als deze door de werkzaamheden verdwijnt of wordt aangetast.
Natura 2000-gebieden (stikstof) Om de effecten van het Knoopcomplex op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen, is een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie in zowel de bouwfase als de gebruiksfase, zie Bijlage 18. Vanwege de vaststelling van het nieuwe verkeersmodel VRU 3.5 op 1 december 2024, zijn de verkeersstromen rondom het plangebied opnieuw berekend en is hierop ook de stikstofberekening voor de gebruiksfase opnieuw berekend. Deze is opgenomen in Bijlage 19. Voor het Knoopcomplex gaat het om nieuwbouw van kantoren en ook een gecombineerd kantoor-woongebouw met gemengde functies in de plint. De beoogde ontwikkeling is gasloos en kent dus geen gebouwemissies van stikstof in de gebruiksfase. In de gebruiksfase is er wel sprake van verkeersbewegingen met mogelijk relevante stikstofeffecten op de nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen'. Met het programma AERIUS Calculator (versie 2024) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen qua stikstofdepositie in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming.
Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2024) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er, zowel op basis van de berekening met het oude verkeersmodel als op basis van de berekening met het nieuwe verkeersmodel, geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatieen gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Nationaal Natuur Netwerk en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Algemene zorgplicht Er dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van algemene soorten fauna, die vallen 6 8 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
onder de zorgplicht. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Gedragscode Flora- en faunawet van de gemeente Utrecht van toepassing. Om de consequenties hiervan voor de werkzaamheden duidelijk te maken dient er voor aanvang van de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld door een deskundige. Diervriendelijk bouwen De ontwikkeling van het Knoopcomplex draagt bij aan de biodiversiteit in het Stationsgebied en de stad. Aan de hand van doelsoorten wordt hier diervriendelijk gebouwd. Het groen biedt een geschikt leefgebied voor de doelsoorten (huismus, vlinders, bijen en zangvogels van de Utrechtse soortenlijst); Er wordt diervriendelijk gebouwd, met als richtlijn één verblijfplaats per woning of 100 m² bvo geïntegreerd in de gevel (voor gierzwaluw, huismus en vleermuis); Er zijn ecologisch rustige zones (plekken waar fauna voldoende rust en dekking vindt); Er worden bij voorkeur inheemse soorten aangeplant en soorten die bijdragen aan de Utrechtse soorten; Borgen dat een minimaal pakket aan maatregelen wordt bereikt door de oppervlakten van intensief groene daken en gevels, de positionering van de hoogtes van de groene daken en het voorschrijven van volwaardige bomen en daarbij behorende plantomvang.
Mogelijkheden scheppen voor een veel verdergaande vergroening door overdimensionering groene daken en gevels en de introductie van insnijdingen in de torens met groene inrichting. Conclusie Het aspect natuur is geen belemmering voor de realisatie van het Knoopcomplex.
5.12 Bomen Kader Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. Sinds 2023 geld de beleidsregel herplant naar waarde. Deze beleidsregels stelt eisen aan welke soorten / maten bomen er herplant dienen te worden, afhankelijk van het type boom die gekapt wordt. Voor de bomen die niet verplaatst kunnen worden, zal herplant volgens deze dezebeleidsregel plaatsvinden bij voorkeur in of rondom het plangebied en als dat niet mogelijk is, op een andere plek.
Plangebied Voor deze planontwikkeling is een bomeninventarisatierapport opgesteld (zie Bijlage 16 Rapport bomeninventarisatie). Om te bepalen wat de staat is van het huidige bomenbestand en of de aanwezige bomen verplant kunnen worden, zijn de volgende onderzoeken verricht: 1. Inventarisatie van de bomen 2. Indicatieve (bovengrondse) beoordeling verplantbaarheid In het onderzoeksgebied zijn 45 bomen beoordeeld. Alle bomen binnen de onderzoekslocatie met een stamdiameter groter dan 10 centimeter (gemeten op 1,30 meter) hebben een individueel boom-ID gekregen. Daarnaast zijn in het kader van het bovengronds verplantbaarheidsonderzoek ook de standplaats, conditie en gebreken beoordeeld. De meeste bomen hebben een matige tot redelijke conditie. Een kleiner aantal heeft een slechte conditie en een goede conditie. Het bomenbestand is gevarieerd in conditie, leeftijd, omvang, soort en toekomstverwachting. Voor 3 bomen is een negatief verplantbaarheidsadvies gegeven. De belangrijkste reden hiervoor is de conditie van de bomen. Daarnaast spelen elementen als beperkte standplaats en gebreken een rol in deze beoordeling. Voor 24 bomen geldt een terughoudend verplantbaarheidsadvies. Deze bomen hebben een bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
69
verlaagde slagingskans voor het verplanten van de boom door matige kwaliteit van een deel van de boom (boom 1), of afgenomen conditie en/of toekomstverwachting. Een aanvullend ondergronds onderzoek kan uitsluitsel geven over de kwaliteit van de groeiplaats en daarmee de verplantbaarheid van deze bomen. Voor 18 bomen geldt een positief advies, omdat ze op basis van soortspecifieke eigenschappen, conditie en toekomstverwachting potentieel verplantbaar zijn. Om definitief uitsluitsel te kunnen geven over de verplantbaarheid van deze bomen is wel aanvullend ondergronds onderzoek nodig naar beworteling en groeiplaats. Afbeelding 9 geeft de luchtfoto met de aanwezige bomen weer. Van de 45 aanwezige bomen, moeten circa 31 bomen verwijderd worden. Deze te verwijderen bomen bevinden zich in het oranje kader weergegeven op afbeelding 9.
Afbeelding 9: Bomeninventarisatie Bij afweging van de locatie voor herplanting of compensatie zullen de bijdrage aan lokale natuurwaarden (instandhouden, bij voorkeur verbeteren) en de bijdrage aan ruimtelijke kwaliteiten (leefpotentieel, onderhoudbaarheid en veiligheid) worden afgewogen. Voor herplaatsing van bomen in plantenbakken gelden deze afwegingen ook. Binnen het plangebied zullen circa 31 bomen op het maaiveldniveau plaats moeten maken voor de ontwikkeling van fase 2 en de uitbreiding van het bestaande Knoopplein. Voor circa 4 van deze bomen geldt een positief verplantingsadvies. Uitgangspunt is dat deze bomen elders opnieuw plek krijgen. De voornaamste reden om deze bomen niet binnen het plangebied te herplaatsen is dat er na de ontwikkeling van fase 2 en 3 nagenoeg geen volle grond voor herplanting beschikbaar is. Voor circa 24 van deze bomen geldt een terughoudend verplantingsadvies vanwege een matige conditie en beperkte levensverwachting. Uitgangspunt is dat deze bomen elders opnieuw een plek krijgen. De voornaamste reden om deze bomen niet binnen het plangebied te herplaatsen is dat er na de ontwikkeling van fase 2 en 3 nagenoeg geen volle grond voor herplanting beschikbaar is. Als uit nader onderzoek blijkt dat de conditie en levensverwachting geen perspectief bieden voor herplanting op locatie of elders, dan zullen de bomen gekapt worden.
In dat geval zal tijdig een kapvergunning aangevraagd worden. Eventueel te kappen bomen worden elders gecompenseerd. Voor circa 3 bomen geldt een negatief verplantingsadvies vanwege slechte conditie of gebreken. Deze bomen zullen naar verwachting worden gekapt. Hiervoor zal tijdig een kapvergunning 7 0 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
worden aangevraagd. Eventueel te kappen bomen worden elders gecompenseerd. De 4 bomen op het huidige Knoopplein blijven naar verwachting gehandhaafd. De 10 bomen langs het paviljoen The Green House aan de Knooppassage zullen plaats moeten maken voor de ontwikkeling van fase 3. Dit betreft 10 gewone platanen in plantenbakken. Voor deze bomen geldt een positief verplantingsadvies. Uitgangspunt is dat deze bomen op deze locatie opnieuw een plek krijgen, bijvoorbeeld op de hoger gelegen daktuinen. Op het moment van schrijven is de exacte inrichting van het buitenterrein nog niet bekend. Door de initiatiefnemer wordt gekeken op welke manier bomen in plantenbakken kunnen worden ingepast op de locatie. Daarnaast wordt met een bomencoördinator gekeken naar andere locaties voor het herplanten van de bomen die worden verwijderd omdat daar binnen het plangebied geen plek voor is. Bij de planontwikkeling wordt gestuurd op meer en beter groen in de stad, gezonde verstedelijking, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. Door adviesbureau TAUW is in beeld gebracht met welke inrichtingsmaatregelen wordt bijgedragen aan het versterken van natuurwaarden op lokale en regionale schaal.
Bij de planontwikkeling wordt daarom minimaal voorzien in onder andere: 10 solitaire bomen, diverse inheemse soorten zoals (maar niet beperkt tot): wilg, eik, berk, eenstijlige meidoorn, populier, grove den, sleedoorn, els, iep, appel, hazelaar, beuk, es, wilde lijsterbes, haagbeuk, esdoorn. Bij het aanplanten van nieuwe bomen worden de aanbevelingen om bomen met een minimale omtrek van 20-25 cm en ecologisch waardevolle bomen te gebruiken meegenomen; 500 m2 kruidenrijke vegetatie, verdeeld over Knoopplein en (intensieve) groene daken. Variatie van inheemse kruiden- en grassoorten met verschillende bloeiperioden en 'onkruiden'; 50 m2 opgaande struiken, verdeeld over Knoopplein en intensieve groene daken. Variatie in inheemse, bes- of zaaddragende, groenblijvende struiken-, heggen- en hagensoorten met verschillende bloei- en vruchtperioden; 10 m2 bruin dak, niet ingezaaid, spontane opkomst; 500 m2 intensief groendak, variatie van inheemse kruiden- en grassoorten met verschillende bloeiperioden en 'onkruiden'.
5.13 Water en klimaatadaptatie Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerders opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.
De waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets voor de herinrichting van het gebied in de gemeente Utrecht en is in deze paragraaf opgenomen. Kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV (Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden, bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Omgevingsvisie provincie Utrecht; Omgevingsverordening provincie Utrecht Gemeentelijk beleid: de visie Water en Riolering (februari 2022), de visie Klimaatadaptatie (februari 2022); bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
71
Waterschapsbeleid HDSR: Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 'Stroomopwaarts 2022 – 2027'. In de visie Water en Riolering en de Klimaatadaptatievisie (vastgesteld in februari 2022) zijn eisen opgesteld ten aanzien van het verminderen van hemelwateroverlast, droogte en hittestress. In deze paragraaf zijn deze eisen verder uitgewerkt en toegepast op het plangebied. Waterkwaliteit De gemeente streeft conform het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal (Winnet) verband (regionaal afvalwaterketen beleid, 2014). Deze zegt dat de waterkwaliteit, ook het te realiseren, open water in het gebied, dient te voldoen aan het streefbeeld zichtbaar. Waterwet Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren.
Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Waterwet.
Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp indien het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. Wateroverlast Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering zijn: Vuil water en schoon regenwater worden zoveel mogelijk gescheiden. Bestrating en dakvlakken worden zoveel mogelijk aangesloten op een regenwatersysteem. Regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt en wordt zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Buien tot 20 mm per uur kunnen verwerkt worden zonder dat er water op straat blijft staan. Zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur mag geen schade ontstaan aan gebouwen en nutsvoorzieningen en worden veiligheidsrisico's voorkomen. Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan.
In het kader van het rioleringsplan moet worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloop voorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht, waarvoor er voor dit project mogelijk een watervergunning aangevraagd moet worden. Beleid hemel- en afvalwater Om de klimaatdoelen te behalen, is in de Wet Milieubeheer in artikel 10.29a ingegaan op de voorkeursvolgorde hoe met hemelwater om te gaan. In de waterparagraaf is dit op het projectgebied toegepast en geconcretiseerd. Voorkeursvolgorde: 1.
Vasthouden en nuttig gebruiken (geen lozing);
7 2 bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)
Utrecht
2. 3. 4. 5. 6.
Infiltratie op de bodem (bovengronds via het groen); Infiltratie in de bodem (ondergronds); Directe lozing in het oppervlaktewater; Lozing in een hemelwaterstelsel; Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van bovenstaande lozingsroutes: Lozing in een vuilwaterriool.
Bij het verwerken van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Bij het infiltreren van schoon hemelwater in de bodem (afkoppelen) kan het afvalwater worden afgevoerd naar het vuilwaterriool/DWA. Droogte Een combinatie van groen, water, slimme kavelinrichting en ontwerp van de toekomstige gebouwen kan ingezet worden om wateroverlast en calamiteiten in de toekomst te voorkomen. Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Het waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan: Bij voorkeur dient er 100%, maar minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag over het totaal verhard oppervlak opgevangen en geïnfiltreerd te worden.
Dat is 15 mm ten opzichte van verhard oppervlak binnen het plangebied. Ledigingstijd buffer, maximaal 48 uur. De buffer moet hierna weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe buien. Het uitgangspunt is dat de huidige situatie niet verslechtert: Hittestress Hittestress wordt vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Dit is, naast luchttemperatuur, gebaseerd op factoren zoals luchtvochtigheid, de aanwezigheid van wind en de straling van de zon en omliggende gebouwen. Om hittestress tegen te gaan kan worden ingezet op de volgende maatregelen: Inzetten op het creëren van koele plekken met een lage gevoelstemperatuur en looproutes met schaduw, bij voorkeur door bomen, zo min mogelijk verharden (groen tenzij), het aanleggen van groene gevels en daken en bewegend water (fonteinen). Streven naar een stadsbreed percentage groen van minimaal 40%. Hierdoor is er voldoende mogelijkheid voor verdamping door bomen en groen en het vasthouden van water. Uitgangspunt is dat iedere woning binnen 200 meter loopafstand over een koele groene plek van minimaal 200 m2 moet kunnen beschikken. Daarnaast moet je in iedere straat op een hete dag in de schaduw (bij voorkeur door bomen) kunnen lopen. Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw.
Zo blijven essentiële functies in de stad voor iedereen beschikbaar. Om hittestress in gebouwen te voorkomen moet het gebouw zo worden gebouwd, dat gevels koel blijven, een goede ventilatie in het gebouw aanwezig is en in de zomer geen directe zoninval optreedt. Plansituatie De locatie is in het Stationsgebied van Utrecht gelegen en bestaat momenteel uit parkeerplaatsen en bebouwing. Het gehele plangebied is bijna volledig verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of een boringsvrije zone. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is de locatie niet gekarteerd. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ten westen van het plangebied uit kalkhoudende ooivaaggronden; zware zavel en lichte klei. Met betrekking tot grondwater is er ten westen van het plangebied sprake van grondwater VIIo. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) +0,50 m NAP is, de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) +0,00 m NAP is en de gemiddelde grondwaterstand (GMG) +0,25 m NAP is. Het maaiveld is gelegen op circa 2 meter boven NAP. Waterhuishouding bestemmingsplan "Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening" (vastgesteld)