CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Visie Stedenbouw Utrecht 2024 Ruimtelijke kwaliteit in de tienminutenstad

Gemeenteraad 8 mei 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Visie stedenbouw Utrecht 2040: Ruimtelijke kwaliteit in de tien-minutenstad en vaststellen reactienota22.217 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5

“Zorg voor raffinement: Utrecht is een verfijnde dame”

7. Extra aandacht voor hoeken en kopgevels in architectuur, of programma, zorgt voor een accent in de straat die van meerder kanten beleefd kan worden.

6

47

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

Hoogbouw met een menselijke maat Gebouwen die hoger zijn dan 30 meter noemen we in Utrecht hoogbouw. Hiervoor gelden aanvullende kwaliteitseisen. Hoogbouw in Utrecht wordt altijd ingebed in de omgeving en de straat. Nieuwe hoogbouw is in Utrecht nooit meer een ‘stand alone’, maar is altijd onderdeel van een groter volume of bouwblok en heeft dus een stedelijke laag. Hiermee wordt voorkomen dat de technische functies die noodzakelijk zijn om een toren te laten functioneren, bijvoorbeeld afval en (fiets)parkeren, in de openbare ruimte landen. De hoogte van de stedelijke laag is afhankelijk van de plek in de stad, maar varieert tussen de vier en acht bouwlagen. Tot deze hoogte houdt men vanuit de woningen of andere functies contact met de straat en verhoudt de bebouwing zich tot de straat. De toren wordt terugliggend ten opzichte van de stedelijke laag aangebracht. Zo wordt hoogbouw op een natuurlijke manier onderdeel van de straatwand, bovendien wordt windoverlast voorkomen (zie uitgangspunt Een aangenaam microklimaat) en ontstaat binnen hoogbouw meer ruimte voor levendige plinten, naast het oplossen van allerlei noodzakelijke functies (zie uitgangspunt Een excellente plint).

Om te voorkomen dat de grote schaal van hoogbouw anoniem, eenvormig en sociaal onvelig wordt is een substantiele menging van functies, zoals wonen, bedrijvigheid, onderwijs, buurtfuncties, et cetera verplicht. Door deze mix ontstaat er een diversiteit aan mensen en gebeurtenissen waardoor er gedurende de dag en avond veel gebeurt op straat. Tevens stimuleert het om creatiever en slimmer gebruik te maken van de beschikbare ruimte. Nieuwe hoogbouw in Utrecht wordt vormgegeven met slanke torens (op een stedelijke laag). Hiermee wordt (zon)licht en lucht in de omliggende ruimte zo veel mogelijk behouden. Ook dragen slanke torens bij aan een mooi stadssilhouet en kunnen zichtlijnen in de stad beter worden gehandhaafd. De omvang van de toren wordt bepaald door zijn functie en hoogte. Het vloeroppervlak dat nodig is om betaalbare hoogbouw te realiseren verschilt

28

per functie. Er wordt gestimuleerd om compacte torens te maken in plaats van andere gebouwvormen. Schijven zijn niet toegestaan omdat zij - aan de brede zijde - te veel het zicht ontnemen. Andere vormen (rond, driehoekig, met afgeronde hoeken) zijn goed denkbaar, het is een kwaliteit als er niet alleen rechthoekige torens gebouwd worden. Richtlijnen specifiek voor hoogbouw • Hoogbouw - gebouwen hoger dan 30 meter - heeft een bredere stedelijke laag (een groter volume of een bouwblok). Hoogbouw staat nooit op zichzelf. • De stedelijke laag is vier tot maximaal acht bouwlagen hoog. De exacte hoogte is afhankelijk van de context van het gebied en is in goede verhouding met de hoogte van de toren. • Na de stedelijke laag volgt een terugliggende laag (setback). De setback zorgt voor een menselijke maat en aangename beleving op straatniveau. De afstand van de setback staat in verhouding met de hoogte van de toren en de stedelijk laag en wordt mede bepaald door de uitkomsten van de benodigde windonderzoeken. • In de stedelijke laag van een toren is voldoende ruimte voor een goede inpassing van alle noodzakelijke voorzieningen (technische ruimten, ruimte voor afval, fietsenstalling, parkeren, etc) zodat er voldoende ruimte is voor actieve functies in de plint.

• Een substantiele menging van functies, doelgroepen en/of een variatie in (woon- of werk)types en plattegronden is gewenst in de toren (verticaal bestemmen) en verplicht op blokniveau (horizontaal bestemmen). • Bij grotere gebiedsontwikkelingen behoren torens onderdeel uit te maken van een stedenbouwkundig ensemble, waarin gestreefd wordt naar een compositie van torens met verschillende hoogtes. • Hoogbouw wordt vormgegeven met slanke torens. • Utrechtse hoogbouw wordt beeindigd door de bovenste lagen op een subtiele wijze te verbijzonderen, waarbij technische installaties uit het zicht worden weggewerkt.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

29

1. Hoogbouw staat niet op zichzelf maar is onderdeel van een stedelijke laag. De stedelijke laag wordt met een setback onderscheiden van de rest van het gebouw. Hierdoor ontstaat een menselijke overgang van straat, naar gebouw, naar de toren. 2. De eerste 4 tot 8 bouwalgen vormen de stedelijke laag. De bovenste verdiepingen worden verbijzonderd met een weloverwogen beëindiging van het gebouw. 3. De beëindiging van het gebouw heeft een subtiele verbijzondering.

3

1

2

4. De toren krijgt een menselijke maat door opdeling in kleinere

“De Dom moet je kunnen blijven zien”

eenheden. Zo kun je gemakkeljker aanwijzen waar je woont.

4

5. De stedelijke laag is voorzien van een actieve plint met een goede binnen- buitenrelatie. De setback kan een onderscheid geven in het programma van het gebouw. 6. Hoogbouw maakt onderdeel van een groter volume en ligt terug vanaf de straat. 7. ‘Stand alone’-torens zorgen voor slecht windklimaat en een gesloten begane grond. Eindeloze repetitie van ramen dragen niet bij aan de leesbaarheid van het gebouw.

5

36

7

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

30

3: Zachte overgang publiek-privé

Een goed vormgegeven overgang van een woning naar het openbaar gebied stimuleert spontane ontmoeting. Het voorkomt dode plinten en dichte gordijnen en daarmee anonimiteit en ongewenst gedrag. De overgang tussen openbaar en privé is in veel gevallen, zoals in een typische woonstraat, de ruimte tussen de stoep en je voordeur; de intermediaire zone. De intermediaire zone kan zich ook bevinden op de galerij of in de portiek waaraan je woont. Soms bestaat de overgang uit de gedeelde ruimte waar je langs komt om je post op te halen, nadat je je auto of fiets hebt geparkeerd in de parkeergarage onder je woning. In grotere woonblokken waar veel mensen samen in een gebouw wonen is extra aandacht nodig voor waar bewoners elkaar tegen komen. Ook moeten gebouwen in de volle breedte toegankelijk zijn. In het gebouw moeten routes zo vormgegeven worden dat vanuit elke entree (ook parkeren) een ontmoetingsplek (binnentuin, hal, plein) onderdeel van die route is. Het is bijvoorbeeld onwenselijk direct vanuit de parkeergarage naar de woonverdieping te gaan. Iedere bewoner komt eerst door de hal voordat hij/zij naar de woonverdieping kan gaan. De ruimte tussen publiek en privé is de plek waar het sociale contact met je directe buren plaatsvindt.

Of dat nu in een woonstraat is of in de gemeenschappelijke hal, het is de plek waar je even een praatje maakt met je buurman of buurvrouw na het wegbrengen van het afval. Tegelijkertijd is het een plek die je, je kan toe-eigenen door er een paar bloempotten of een bankje neer te zetten. Hoewel het contact in de overgangszone soms vluchtig en kortstondig is, draagt het wel degelijk bij aan de sociale verbinding van de buurt of in het gebouw. De intermediaire zone biedt extra leefruimte en kan een zekere intimiteit en gezelligheid creëren. Daarnaast biedt het ruimte voor extra (gevel)groen in de straat.

In levendige gebieden waar veel functies, zoals winkels, horeca en kantoren, aan de openbare ruimte gelegen zijn kan de intermediaire zone ook van toegevoegde waarde zijn. Het is een zone voor koopwaar, een bankje, of een klein terrasje. Het gebruik van de buitenruimte in samenhang met hetgeen er achter de gevel gebeurt kan op een positieve manier bijdragen aan de levendigheid van de stad. Richtlijnen • Zorg voor een intermediaire zone tussen de woning en de openbare ruimte. Voor woningen direct aan de stoep of op een galerij is dit de ruimte voor de deur die mensen kunnen toe-eigenen. Voor woningen in een woonblok is dit een gemeenschappelijke ruimte, waar de bewoners langs komen voordat ze hun woning betreden. Zorg er voor dat de overgang van publiek naar semipubliek of semiprivé, naar privé stapsgewijs is. • Zorg voor een heldere afbakening van de intermediaire zone, zodat duidelijk is welk gebied door de bewoner toegeëigend kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door subtiele verschillen in de materialisering en/of beplanting. • Voor woonblokken met een parkeergarage geldt dat de parkeergarage niet direct doorgeschakeld naar de woning mag zijn. Dit betekent dat een lift of trap vanuit de parkeergarage eerst stopt bij een gemeenschappelijke ruimte, vanuit waar de bewoners een andere lift of trap nemen naar hun eigen voordeur.

Zo kunnen bewoners elkaar tegenkomen en wordt de kans op ondermijning verkleind. • Bij projecten wordt er in de volle breedte rekening gehouden met de toegankelijkheid van het gebouw. Niet enkel rolstoeltoegankelijkheid.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

31

1. De routing van parkeergelegenheid naar de woonruimte wordt verbonden door een gemeenschappelijke ruimte. Dit geeft ruimte aan ontmoeting en voorkomt ondermijning en anonimiteit. 2. Een duidelijke afbakening van de drempelzone zorgt voor intimiteit en een bepaalde mate van privacy

1

2

3. Brede galerijen bieden een plek voor ontmoeting en eigenaarschap.

3

4. Onvoldoende privacy zorgt - ondanks entrees en raamopeningen - voor een gesloten straatbeeld. 5. De zone voor het huis kan

4

5

toegeeigend worden door bewoners en nodigt uit voor een praatje met de buren. 6. Het gebouw en het omliggende landschap lopen in elkaar over bij het Prinses Maxima Centrum en zorgt voor een zachte overgang.

36

“Zorg voor zitplekken voor de deur”

7. De drempelzone kan ook binnen de rooilijn liggen. Dit zorgt voor meer geborgenheid. 8. Een haag zorgt voor een heldere afbakening van de openbare ruimte met de private buitenruimte en zorgt voor privacy.

7

8

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

32

4: Een excellente plint

De eerste laag (of eerste lagen) van een gebouw, de plint, is de plek waar interactie plaatsvindt tussen binnen en buiten. Plinten zijn belangrijk voor de uitstraling van een gebouw en de levendigheid en sociale veiligheid in een buurt. De beleving op ooghoogte – hoe we de ruimte ervaren als we er doorheen lopen – speelt een belangrijke rol in de waardering van de leefbaarheid op straat. Het contact tussen het gebouw en de openbare ruimte is daarbij essentieel. Een aantrekkelijke openbare ruimte is gebaat bij een goed ontworpen plint met entrees en ramen op regelmatige afstand. Hoe een goede plint eruitziet en welke functies er in de plint zitten is afhankelijk van welke plek in de stad de plint zich bevindt. Levendige en actieve plinten zijn plekken in de buurt die kunnen bijdragen aan het functioneren en de leefbaarheid van de wijk: ruimte voor kleinschalige winkels en bedrijven, ateliers voor kunstenaars en ontwerpers, buurtvoorzieningen en dienstverlening. De levendige plint zorgt voor vitale en aantrekkelijke reuringgebieden. Om maximale interactie tussen de binnen en buiten te stimuleren worden de plinten transparant ontworpen. Daarnaast is het van belang is dat plintruimtes niet worden gezien als louter een commerciële ruimte die huur oplevert, maar als een ruimte die bijdraagt aan gebruik en levendigheid van een gebouw, straat en buurt.

Een goede plint is dus niet alleen aan ontwerpopgave maar ook een beheer- en managementopgave. Ook in de rustgebieden moet nagedacht worden over goede plinten. In rustgebieden zal af en toe een levendige functie in de plint zitten, maar zal vooral de woonfunctie dominant zijn. Bij woningen in de plint is er aandacht nodig voor het ontwerp, met name in de woningplattegrond. Slaapkamers grenzend aan de straat zorgen voor dichte gordijnen en anonimiteit. Een keuken daarentegen kan juist extra ontmoeting en contact tot stand brengen. Zorg voor een directe en makkelijke relatie tussen de drempelzone en de verblijfsruimtes van de woning die er direct aan grenzen. Het gebruik

van een borstwering, in plaats van glas, zorgt voor meer privacy. Om ‘dode’ plinten te voorkomen worden garages, bergingen en technische ruimtes zo veel als mogelijk buiten het straatbeeld georganiseerd. Ze kunnen binnen een bouwblok worden geplaatst, afgezoomd met woningen of andere functies. Richtlijnen • Zorg voor een plezierige beleving op begane grond door zorgvuldige en rijke detaillering en de toepassing van tactiele materialen in de gevel. • Zorg voor variatie bij langere aaneengesloten plinten, bijvoorbeeld door meerdere entrees over de lengte van het bouwblok. Deze entrees kunnen van woningen, bedrijven of voorzieningen zijn. • Zorg ervoor dat grootschalige functies worden afgezoomd met kleinschalige units. • Indien utilitaire functies onderdeel moeten uitmaken van de plint van het gebouw (bijvoorbeeld door vereiste toegang vanaf de straat) dan bevinden deze functies zich aan de minst publieke zijde van het gebouw. Entrees naar utilitaire functies zijn mee-ontworpen binnen de architectuur van het gebouw. • Raamopeningen moeten zorgen voor voldoende uitzicht van binnen naar buiten, maar ook voldoende privacy bieden. Voorkom bij woningen het gebruik van te veel glas op de begane grond, omdat deze in de praktijk vaak worden gesloten met gordijnen. Ook de indeling van de woningplattegrond heeft invloed op het straatbeeld.

• Afhankelijk van de ligging in de stad voorziet de plint in de behoefte voor diverse functies (winkels, horeca, bedrijvigheid en maatschappelijke voorzieningen) en zorgt de diversiteit aan functies voor levendigheid gedurende de dag: in de ochtend, middag en avond. • Voor een aantrekkelijk reuringgebied met diversiteit aan voorzieningen is diversiteit aan huurprijzen van plintruimte wenselijk.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

33

1. Een goede plint is afgestemd op een de inpandige functie waarin de beleving van binnen en buiten naadloos met elkaar verbonden is. 2. Een gesloten plint door installaties en weerspiegelende ramen met dichte gordijnen dient - vooral over langere afstand voorkomen te worden.

1

3. Een geïntegreerd bankje bij een raamopening nodigt uit tot gebruik. 4 Een afgebakende ruimte biedt winkeliers de mogelijkheid hun waar te stallen. 5. In de gevel van deze woningen is een bijzondere gevelsteen opgenomen waar staaldraden in gespannen kunnen worden. Zo kunnen bewoners hun eigen gebouw vergroenen en de detaillering draagt bij aan het aangename straatbeeld.

“Een levendige plint met ‘ogen op straat’ zorgt voor een veilig gevoel”

2

3

4

5

6. Nutsvoorzieningen maken onderdeel uit van het gebouw en zijn in de architectuur geïntegreerd. 7. Het gebruik van detail en tactiele materialen zorgen voor een fijne beleving vanaf de straat. De hoogte van de plint varieert, heeft meerdere entrees en een arcade die een brug slaan tussen gebouw en openbare ruimte.

36

7

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

34

5: Buurten nodigen uit om te lopen

Buurten in de gemeente Utrecht stimuleren inwoners om te lopen, zowel functioneel, recreatief als sportief. Dat heeft meerdere voordelen, van directe persoonlijke gezondheid tot een duurzamere omgeving; het is immers een schone en goedkope vorm van mobiliteit met een kleine ruimtevraag. Lopen heeft fysieke en mentale gezondheidseffecten en het verhoogt de leefbaarheid doordat het ontmoetingen stimuleert en de zelfredzaamheid vergroot. Daarnaast draagt het vaak bij aan de economische gezondheid van een buurt. Door de focus op de voetganger maken we ruimte in de stad, letterlijk. Meer ruimte voor groen, klimaatadaptie, spelen, bewegen, verplaatsen, verblijven en ontmoeten. Alles wat wonen in onze compacte en groeiende stad zo fijn maakt. Lopen begint bij de voordeur en wordt naast fietsen voor korte afstanden in Utrecht de meest vanzelfsprekende en aantrekkelijke manier om een bestemming te bereiken. Om een uitnodigende buurt voor voetgangers te zijn moet de ruimte zo ingericht worden dat je er ook daadwerkelijk graag wilt en kunt lopen. Om te kunnen lopen is voldoende ruimte, verkeersveiligheid en sociale veiligheid randvoorwaardelijk. Door minder auto’s in het straatbeeld een plek te geven ontstaat hiervoor ruimte. Daarnaast zijn voldoende brede stoepen en een fijnmazig netwerk, waarbij dagelijkse voorzieningen op loopafstand aanwezig zijn, van belang.

Voor de fijnmazigheid is het nodig dat de afstand tussen bouwblokken voldoende klein is. Naast het functionele netwerk is er op wijkniveau een netwerk van groene ommetjes dat vanuit ieder huis ‘om de hoek’ ligt. Barrières in het netwerk, zoals drukke straten of een spoorlijn, dienen beslecht te worden om keuzevrijheid te vergroten. Veiligheid, zowel fysiek als sociaal, wordt georganiseerd door voldoende ogen op straat en een goede bescherming tegen de fysieke gevaren van andere weggebruikers. Naast deze randvoorwaarden – de ondergrens – heeft de kwaliteit van een route een grote impact op de keuze om wel of niet te gaan lopen. De

beleving, een aantrekkelijke inrichting en comfort zijn belangrijk: denk aan voldoende groen, keuze tussen zon of schaduw, niet worden weggewaaid en voldoende rustpunten (zie de uitgangspunten een aangename openbare ruimte en een aangenaam microklimaat). Een prettige beleving op ooghoogte stimuleert lopen. Er dient daarom voldoende visuele variatie in een straat gecreëerd te worden. Het is van belang dat er aandacht is voor detaillering en materiaalgebruik van de gebouwen naast de stoep, met name in de eerste bouwlagen (zie uitgangspunt Excellente plinten). Een houvast om te zorgen voor een beloopbare buurt voor iedereen moet er gedacht worden vanuit de meest kwetsbare doelgroepen. Wanneer de openbare ruimte toegankelijk en veilig is voor kwetsbare voetgangers, zoals mensen met beperking, ouders met jonge kinderen en ouderen, dan zal deze goed beloopbaar zijn voor iedereen. Richtlijnen • Ontwerp gebouwen en buurten met de beleving voor voetgangers en fietsers centraal. • Richt routes met kwaliteit en groen in. Wandelroutes lopen zo veel als mogelijk langs groen en onder de kronen van bomen. • Stimuleer lopen door keuzevrijheid te bieden. Richt een fijnmazig netwerk in dat verschillende type plekken met elkaar verbindt. De maaswijdte van het stratenpatroon tussen bouwblokken is bij voorkeur niet groter dan 50 tot 100 meter.

• Zet in op het verbeteren van de verbinding tussen verschillende buurten en naar groenvoorzieningen door barrières te slechten. Creëer zo min mogelijk nieuwe barrières. Bij ongelijkvloerse kruisingen blijft het langzaam verkeer idealiter op maaiveld. • Lopen in de buurten is inclusief. Ontwerp vanuit de meest kwetsbare doelgroepen, zodat de ruimte voor iedereen toegankelijk, comfortabel en sociaal veilig is.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

35

1. Routes waar de wandelaar centraal staat maken een aantrekkelijke plek in de wijk waar mensen graag een ommetje maken. 2. Fijne straten om te wandelen zijn ingericht met groen. Bomen en beplanting leveren een esthetisch bijdrage maar zorgen ook voor verkoeling tijdens warmere periodes. 3. Een wandelpad verbindt belangrijke plekken in het Werkspoorkwartier en vormt daarmee voor werknemers een aantrekkelijke route om bijvoorbeeld tijdens de lunch een ommetje te maken.

3

1

2

4. Straten waar de verhouding tussen verharding (voor auto’s) en groen en bomen uit balans is, zijn niet uitnodigend om te wandelen.

4

5. Doorgangen in een fijnmazig netwerk hebben een bepaalde maat- en schaal waardoor de route veilig voelt. Entrees van woningen maakt de beleving aangenamer.

“als je het goed doet voor mensen die minder mobiel zijn, dan doe je het goed voor iedereen”

6. Barrières zijn voor wandelaars overbrugd waardoor een aaneengesloten wandelnetwerk ontstaat.

5

36

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

36

6: Een uitnodigende openbare ruimte

De openbare ruimte is de plek waar de bewoners -zowel mens en dier- van de stad samenkomen en samenleven. Een ideale buitenruimte nodigt uit tot bewegen, verblijven, verplaatsen, sporten, spelen, ontmoeten, ontdekken, recreëren en ontspannen. Het heeft voor ieder wat wils en is door iedereen te gebruiken. Het is belangrijk dat de verblijfskwaliteit op orde is en dat de openbare ruimte voldoende beschutting biedt zodat mensen, dieren en planten kunnen samenleven. Een belangrijke functie van de openbare ruimte is het faciliteren van allerlei vormen van ontmoeting. Betekenisvolle sociale contacten zijn belangrijk voor ons welzijn en gezondheid, en ze zorgen voor leefbare buurten en wijken. Ontmoetingen vinden plaats op allerlei manieren, van kortstondige spontane ontmoetingen tot ontmoetingen die uitgroeien tot vriendschappen. Multifunctionele ruimten waar verschillende mensen (variërend in leeftijd, etniciteit, opleidingsniveau, etc.) op hetzelfde moment verschillende dingen doen, zorgen voor toevallige ontmoetingen, contact en kennismaking met elkaar. De ruimtes moeten gelegenheid bieden voor zowel gezamenlijke gebeurtenissen als individuele ontmoetingen. Het is belangrijk in een stad dat de openbare ruimte in de basis voor iedereen toegankelijk is (publiek).

Er zijn plekken waar je even kunt zitten zonder een drankje te moeten bestellen en waar je zelf je eigen broodje kunt eten. Bij een verdichtende stad neemt de druk op de openbare ruimte toe. Als er meer woningen en bedrijven worden gebouwd komen er meer fietsen, auto’s, afvalcontainers, goederenstromen, et cetera. Daarnaast vraagt de energietransitie om een enorme ruimtelijke opgave om de benodigde energievoorzieningen in te passen in nieuwe, maar ook in de bestaande buurten. Al deze ruimtevragers staan op gespannen voet met elkaar. Alle functies die niet positief bijdragen aan de uitstraling en gebruikswaarde van de openbare ruimte moeten zo veel als mogelijk inpandig worden opgelost.

Hierdoor blijft er in de openbare ruimte meer ruimte over voor de voetganger, groen in de volle grond en ruimte voor ontmoeting. Voor een goed ingerichte openbare ruimte is sturing op de ondergrond essentieel. Richtlijnen • Zorg voor duidelijk afgebakende openbare ruimte door middel van goed geplaatste en ontworpen volumes. Maak een helder netwerk van straten pleinen en plekken met een duidelijke hiërarchie. • Stimuleer in de openbare ruimte (intensief en) meervoudig ruimtegebruik door meerdere activiteiten op en rond dezelfde plek te mogelijk te maken. • Stimuleer ontmoeting tussen verschillende groepen door het programmeren van een diversiteit aan voorzieningen rond parken, pleinen en andere verblijfsgebieden. • Zorg voor helder bestemde openbare ruimte (gebruik) passend bij de context (rustige woonwijk of druk centrumgebied). • Alle utilitaire voorzieningen die behoren bij een gebouw worden geïntegreerd in het plan en liggen altijd binnen de rooilijn om de openbare ruimte te ontlasten. • Nutsvoorzieningen moeten inpandig ingepast worden om de openbare ruimte te ontlasten. Wanneer dit niet mogelijk is dan worden ze achter de rooilijn ingepast, bijvoorbeeld geclusterd met een ander gebouw of op een binnenterrein. Pas wanneer er gemotiveerd kan worden dat dit niet mogelijk is, wordt een locatie in de openbare ruimte onderzocht.

Er wordt in eerste instantie gezocht naar een verharde plek. Als er echt nergens een andere plek beschikbaar is, is het plaatsen in het groen mogelijk.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

37

1. Een aangename zitplek faciliteert een korte stop op de route of een spontane ontmoeting. 2. De fijne openbare ruimte langs de singel nodigt uit om te sporten, verblijven en ontmoeten. 3. De benodigde nutsvoorziening is ingepast in het buurtcafe.

2

4. Een parkeerterrein op maandag is de plek voor de markt op dinsdag. Intensief en meervoudig ruimtegebruik zorgt er voor dat de plek maximaal wordt benut.

1

5. Een waterelement zorgt voor speelplezier en brengt verschillende type mensen bij elkaar. 6. Het skatepark op het Jaarbeursplein zorgt voor levendigheid en is een belangrijke ontmoetingsplek.

3

4

5

56

“Begin áltijd met het structureren en ontwerpen van de openbare ruimte”

7. De hiërarchie van het netwerk is helder onderscheiden door middel van materiaalgebruik. Aan het netwerk zijn zitplekken waar spontane ontmoetingen plaats kunnen vinden.

7

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

38

7: Gevarieerd en verbonden groenblauw

Groen in de stad is het fundament voor gezond stedelijk leven. Het zorgt voor een aantrekkelijke leefomgeving voor de inwoners van Utrecht waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, tot rust kunnen komen, ontspannen of verkoeling zoeken. Daarnaast zorgt het voor een gezondere leefomgeving: schonere lucht, sneller herstel, een beter microklimaat en meer beweging. Groen legt CO2 vast en beperkt de gevolgen van klimaatverandering door hemelwater vast te houden, de stad te verkoelen en het ecosysteem robuuster te maken voor meer biodiversiteit. Een gezonde bodem en een goede waterkwaliteit is een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerend groenblauw systeem. Door verdichting wordt de menselijke druk op het groen in en om de stad steeds groter. Op alle schaalniveaus wordt gewerkt aan een versterking van het groenblauwe raamwerk waarin mens, plant en dier samengaan. De mogelijkheden voor groen worden door zowel de boven- als ondergrondse ruimte beperkt. Het is daarom belangrijk om de verschillende waarden van groen en blauw met elkaar te combineren, en te koppelen aan andere functies. Op gebouwniveau kunnen daken, gevels en (verhoogde) binnenterreinen gebruikt worden als plekken om te vergroenen. Daarnaast kan door natuurinclusief te bouwen nest- en verblijfsruimte voor dieren worden gerealiseerd. Dieren, bomen, bodem en water maken ook deel uit van de stad.

Bij gebiedsontwikkeling is het essentieel dat er wordt ingezet op een gezonde stad in de brede zin. Een houvast hiervoor kan zijn om gebiedsontwikkelingen te beschouwen ‘door de ogen’ van een paar doelsoorten. Om ervoor te zorgen dat groen bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving is het essentieel dat de condities voor bomen, struiken en planten om te kunnen groeien op orde zijn.

Richtlijnen • Zorg voor een robuust groen en blauw systeem. Stem de inrichting van groen af op de waterfunctie, bodemsoort, het natuurtype en de doelsoorten die in de omgeving gewenst zijn. Gebruik een diversiteit aan soorten ten behoeve van de biodiversiteit. • Zorg voor verbonden groen. Groen op daken, gevels en in tuinen staat niet op zichzelf maar sluit zo veel als mogelijk aan bij het groen in de openbare ruimte en de stedelijke groenstructuur. Eventuele barrières worden voorzien van een passagemogelijkheid voor dieren. • Zorg dat het gerealiseerde groen aan meerdere doelen/waarden bijdraagt en combineer andere functies, zoals waterberging, zo veel mogelijk met groen. • Natuurlijke oplossingen gaan voor technische oplossingen. • Idealiter worden bomen, struiken en planten in de volle grond geplaatst. Zorg daarbij voor voldoende onder- en bovengrondse groeiruimte voor bomen, struiken en planten. Dit kan ook door uitsparingen in (de benodigde) parkeergarage. • Zorg op daken, gevels en binnentuinen voor een goede leeflaag voor groen. • Houd hemelwater vast waar het valt (minimaal 90%) en gebruik het bij voorkeur nuttig. Bijvoorbeeld als bewatering van het groen. • Voorkom (grond)wateroverlast door rekening te houden met de hoogte van het bouw- en vloerpeil van gebouwen.

• Maak gebouwen en de buitenruimte natuurinclusief bijvoorbeeld door middel van nestvoorzieningen voor soorten zoals de huismus, de gierzwaluw en de dwergvleermuis.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

1. Een groene inrichting van de straat door bewoners zorgt voor een aangename sfeer en binding met de eigen leefomgeving.

39

“Geen voortuin is prima als er een park om de hoek is”

2. Een leeflaag met onvoldoende dikte zorgt voor schrale beplanting die onvoldoende bijdraagt aan een fijn leefklimaat voor mens en dier. 3.. Een (verhoogde) binnentuin heeft een goede leeflaag nodig voor robuust groen. Bomen, en planten die uit kunnen groeien tot hun volwassen grote zorgen voor een fijne plek voor de bewoners en de biodiversiteit.

1

1 2

4

5

4

57

4. Gevels worden benut voor groen. 5. Het duurzaam vergroenen van bedrijventerreinen maakt de vaak verharde terreinen tegelijkertijd aantrekkelijker voor werknemers, klanten en leveranciers.

3

6. De binnentuin van een van de woonblokken in de Veemarkt vormt een gedeelde groene oase die bedacht is door toekomstige bewoners. Privetuinen grenzen via een zachte overgang aan een gedeelde ruimte. 7. Verbindingswegen, zoals de Eykmanlaan, bieden ruimte voor waterberging en biodiversiteit.

2

6

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

40

8: Een aangenaam microklimaat Het weer beïnvloedt in steeds grotere mate het gebruik van onze leefomgeving. Vooral voor verblijfsplekken is een aangenaam microklimaat van belang omdat dit de plekken zijn waar veel mensen zich langdurig bevinden. Factoren die van belang zijn voor een aangenaam microklimaat zijn wind, zon, groen, schaduw en geluid. De invloed van wind kan zowel positief als negatief zijn. Een briesje kan verkoelend zijn op hete dagen, maar wind kan ook vervelend of zelfs gevaarlijk zijn. Bij de ontwikkeling van nieuwbouw, vooral als deze hoger is dan de naastliggende omgeving, moet windhinder en windgevaar voorkomen worden. Bij windgevaar kunnen windsnelheden zo hoog worden dat mensen omvergeblazen worden. Er is sprake van windhinder als op loop- of verblijfsniveau de drempelsnelheid voor windhinder te vaak wordt overschreden. Bij het meten van windhinder wordt er voor verschillende activiteiten (doorlopen, slenteren en verblijven) een drempelwaarde gedefinieerd. Afhankelijk van het type gebied en het daaraan gekoppelde activiteit kunnen strengere eisen aan het windklimaat worden gesteld. Over het algemeen zijn op plekken waar veel mensen verblijven de eisen strenger. In doorloopgebieden zijn de eisen minder hoog. Slentergbieden zitten hier tussenin. De zon werkt vaak uitnodigend en dus positief voor het maken van een aangenaam microklimaat.

In gebieden met woningen, winkels en (groene) ontmoetingsplekken ligt het onttrekken van zonlicht dan ook gevoeliger dan in gebieden met veel grootschalige infrastructuur en bedrijvigheid. Naast de effecten van bezonning op de openbare ruimte dienen ook de effecten op bestaande woningen en binnenterreinen te worden beoordeeld bij een initiatief. Naast het willen stimuleren van voldoende zonuren, wordt het steeds urgenter om hittestress te voorkomen. Het ontwerpen van voldoende groen, schaduwen het inzetten van het verkoelende effect van wind is dus net zo belangrijk. Met name in de zomer. Geluid is van grote invloed op gezondheid. Ongewenst geluid is een vaak onderschatte oorzaak van gezondheidsproblemen. Vanwege deze negatieve gezondheidseffecten wordt er gestreefd naar lage

geluidsbelasting op gevels van woningen. Per woning is één geluidsluwe gevel randvoorwaardelijk. Bewoners krijgen hiermee de mogelijkheid zich even terug te trekken van het rumoer in de stad. Om ervoor te zorgen dat bewoners van stedelijke bouwblokken geen overlast van elkaar ondervinden, door bijvoorbeeld een spelend kind op de galerij of een aantal bewoners die afspreken in de gezamenlijke binnentuin, is ook hier een goede akoestiek van wezenlijk belang. Richtlijnen • Windonderzoek is verplicht bij hoogbouw en bij grotere gebiedsontwikkelingen (500 woningen of meer). De initiatiefnemer moet vroeg en in meerdere fases van het ontwerpproces onderzoek laten doen door een gespecialiseerd bureau. Windonderzoek moet altijd uitgevoerd worden volgens de landelijke methode. Windgevaar en windhinder moeten beiden (apart) onderzocht worden. • Windgevaar is nooit toegestaan. Windhinder wordt getoetst op basis van vooraf vastgestelde windklassen per activiteit (doorlopen, slenteren of verblijven). • Windoverlast veroorzaakt door gebouwen wordt opgelost door de positionering van volumes binnen het stedenbouwkundig plan en/of de vorm van het gebouw (zoals rondingen of setbacks). Maatregelen in de openbare ruimte (zoals schermen of bomen) zijn ongewenst om windoverlast op te lossen.

• Voor hoogbouw (of gebouwen aan een representatieve openbare ruimte) moet voor het gehele gebied een zonnestudie gedaan worden waarin sunspots en representatieve ruimtes zijn aangewezen. • Neem de bezonning op woningen en bijbehorende (gezamenlijke) buitenruimte vroegtijdig mee in het ontwerp. • Voor elke ontwikkeling moet de bezonning op omliggende woningen worden uitgewerkt op basis van twee bezonningsuren per dag, met als toetsingsdatum 21 maart of 21 september. • Neem de geluidsbelasting op de gevels en de akoestiek van de verblijfsplekken vroegtijdig mee in het ontwerp van het gebouw. Elke woning heeft één geluidsluwe gevel. Verblijfsplekken zijn bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin, een brede galerij of een individueel balkon.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

41

1. Setbacks in de bouwvolumes verminderen windhinder en voorkomen dat maatregelen achteraf opgelost moeten worden in, of ten kostte van, de openbare ruimte. 2. Op het Jaarbeursplein gebruiken mensen de trap als zitplek om te genieten van de zon. 3. Het voorkomen van windhinder is belangrijk voor de veiligheid en leefbaarheid van de stad. 4. Een luifel tegen valwinden is een ongewenste oplossing, en dient voorkomen te worden.

2

3

5

6

1

5. Inzicht in geluidsbelasting en akoestiek zorgt voor een beter ontwerp van een gebouw waar gebruikers fijner kunnen verblijven. 6. Een waterelement zorgt voor verkoeling tijdens warme periodes. 7. Voldoende groen zorgt jaarrond voor een beter microklimaat. Bomen laten zon toe in de winter en beschermen tegen de zon in de zomer met hun bladerdak.

“Houd rekening met wind bij hoge gebouwen. Bij ons huidige huis kunnen we soms de voordeur amper open krijgen vanwege de wind” 4

7

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

42

9: Laat ruimte voor het onverwachte

Aan de rafelranden van de stad ‘gebeurt het’. Het zijn niet de letterlijke randen van de stad, maar de plekken waar nieuwe ideeën ontstaan, waar onderkomens goedkoop zijn en waar creatieve geesten elkaar opzoeken. Rafelranden laten zich niet plannen. Ze ontstaan juist bij het ontbreken van planning. Op plekken die langzaam hun functie verliezen, waar meer leegstand is, minder regels en daarmee ruimte voor initiatief. Een gemeente heeft behoefte aan deze goedkope, laagdrempelige plekken, waar meer vrijheid is. De creatieve en culturele sector floreert op plekken waar veel kleine nieuwe bedrijfjes zich kunnen vestigen. Vaak zorgen ze ervoor dat een vergeten plek weer op de kaart komt te staan en bij een groter publiek bekend wordt, zoals de Vechtclub XL de Merwedekanaalzone activeert en Perron E het wisselspoorgebied. De rafelrandjes van de stad dreigen vaak verloren te gaan op het moment dat de gebiedsontwikkeling start, terwijl deze onverwachte plekken vaak van meerwaarde zijn voor de buurt en de stad als geheel. Wanneer een ontwikkeling nog niet is gestart kan leegstaand vastgoed gebruikt worden voor tijdelijke initiatieven. Braakliggende kavels kunnen ingezet worden voor (tijdelijke) natuurontwikkeling of placemaking: het geven van gebruikswaarde aan de plek.

Het omarmen en het inpassen van de broedplaatsen draagt bij aan de eigenheid en identiteit van de plek en dienen zo veel mogelijk behouden te blijven, ook na de ontwikkeling. Eigenaarschap - collectief of individueel - draagt positief bij aan de ontwikkeling van de stad en zorgt voor betrokkenheid. Ruimte bieden aan (collectieve) initiatieven, zoals bijvoorbeeld (collectief) particulier opdrachtgeverschap, is belangrijk. Bewoners of andere gebruikers hebben ruimte nodig om individueel of gezamenlijk hun eigen (woon) omgeving eigen te maken. Er is plek nodig om te kunnen rommelen. Dit kan bijvoorbeeld vooraf een plek krijgen in het ontwerptraject waarbij (toekomstige) gebruikers betrokken worden bij bijvoorbeeld de inrichting van

een gezamenlijke binnentuin. Of achteraf waarin er ruimte wordt gegeven aan gebruikers om ruimte toe te eigen (zie principe zachte overgang openbaar privé). Ook de mate van flexibiliteit in de woningplattegronden speelt hierin een rol. Wanneer woonruimtes aan te passen zijn aan de eigen (veranderende) situatie dan zorgt dit voor een hogere waardering en binding met de eigen woonomgeving. Richtlijnen • Biedt ruimte voor de tijdelijke invulling van leegstaand vastgoed of lege kavels. • Behoud bestaande lokale ondernemers, broedplaatsen en andere initiatieven, zoals (collectief) particulier opdrachtgeverschap in (gebieds) ontwikkelingen zo veel mogelijk. • Behoud industriele panden, panden met erfgoedwaarden en markante gebouwen. • Zorg bij nieuwe (gebieds)ontwikkelingen voor commerciële en maatschappelijke ruimtes met verschillende huurprijzen voor een diversiteit aan aanbod. • Aanpassingen in de woningplattegrond zijn mogelijk, zodat woonruimtes aan te passen zijn aan de eigen situatie van de bewoner. • Houdt rekening met nazorg na oplevering van een project. In de eerste gebruiksfase van een project zijn altijd aanpassingen nodig, die pas naar boven komen bij het gebruik.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

43

1. Op het Berlijnplein in Leidsche Rijn biedt het placemaking concept RAUM een bruisende plek in de wijk. 2. De binnentuin biedt de bewoners ruimte voor eigen invulling en is een plek waar men samen kan zijn. 3. Het Hof van Cartesius is een verzameling van circulaire gebouwen dat is uitgegroeid tot een proeftuin voor circulair en groen ondernemen.

1

“Organiseer ruimte om te experimenteren”

4. De culturele vrijplaats De Nijverheid is een creatieve verzamelplaats voor de creatieve sector voor experimenten, exposities en inspiratie. 5. In het wooncomplex Space-S (Eindhoven) hadden bewoners zelf invloed op de indeling van hun appartement en waren zij zelf aan zet bij het afbouwen.

2

3

4

6. Een woonstraatje waarin bewoners ruimte hebben om te rommelen en hun eigen invulling geven. 7. Het buurtcentrum Hoge Weide maakt onderdeel uit van de plint van het gebouw.

5

6

7

ST EDENBOU W V ISIE

44

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

10: Meervoudig ruimtegebruik

Door binnenstedelijke verdichting wordt de ruimte binnen de stad schaars. Slim omgaan met de ruimte, meer integraal en gebruik makend van nieuwe technologische mogelijkheden, biedt een kans. Het meervoudig gebruiken van ruimte zorgt ervoor dat er meer ruimte overblijft voor andere functies. Er ontstaat een verschuiving van het claimen van ruimte voor elke functie apart naar het combineren van functies die elkaar versterken. Meervoudig ruimtegebruik wordt gestimuleerd voor het combineren van functies in het gebouw, op het dak van een gebouw en in de aangrenzende (semi)publieke ruimte van een gebouw.

Ook in de (semi)openbare ruimte zijn veel kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Ruimtes kunnen op verschillende tijden anders gebruikt worden. Parkeerplekken van bijvoorbeeld kantoren of sportclubs worden vaak op specifieke momenten intensief gebruikt en kunnen op andere momenten anders worden ingezet. Een ander voorbeeld is het schoolplein dat na sluitingstijd een speelplek wordt voor de buurt of het waterplein wat volloopt als het hard regent. Ook inrichtingselementen kunnen tot verschillend gebruik uitnodigen, zoals de rand van een plantenbak waarop je kunt zitten.

Het combineren van verschillende functies in een gebouw zorgt voor levendigheid in de buurt en brengt mensen in contact met voorzieningen die ze nog niet kennen. Clustering van functies kan een beeldbepalend gebouw opleveren en een duidelijke herkenbare plek voor voorzieningen in de buurt. Door voorzieningen goed te positioneren in de buurt worden mobiliteitsstromen beperkt.

Richtlijnen • Het bundelen van voorzieningen in multifunctionele accommodaties, of het mengen van functies in een gebouw (mixed-use gebouw) heeft de voorkeur boven monofunctionele ontwikkelingen. • Verschillende functies delen zoveel mogelijk dezelfde ruimte in gebouwen. Denk aan sporthallen die overdag door leerlingen van een school gebruikt worden en ’s avonds voor recreatieve doeleinden. • Private ruimtes van voorzieningen en bedrijven kunnen na openingstijden opengesteld worden voor publiek gebruik. Denk aan schoolpleinen die als speelplek kunnen dienen en parkeerterreinen die ook gebruikt kunnen worden door omwonenden. • Een dak heeft altijd ten minste twee functies. Functies die te combineren zijn, zijn ontmoeting, energie, waterberging en groen. Installaties tellen niet mee in de functiemix, maar dienen wel goed ingepast te worden.

Het dak van een gebouw vraagt extra aandacht. In het verleden werden daken vaak monofunctioneel gebruikt voor het oplossen van functionele zaken. Het dak kan een oplossing bieden voor veel ruimtevragende functies, zoals groen, waterberging, het opwekken van energie en buitenruimte. Geen dak mag onbenut blijven. Deze ‘ruimtevragers’ kunnen met elkaar gaan concurreren. We maken daarom onderscheid tussen hoger en lagergelegen daken. In hoge gebouwen kijken veel mensen op daken uit, waardoor met name de lagergelegen daken van een gebouw aantrekkelijk moeten worden vormgegeven en gebruikswaarde kunnen bieden voor mens en dier, terwijl hoger gelegen daken beter geschikt zijn om zaken als techniek, waterberging en energieopwekking op te lossen.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

45

1. De Acamdemie 10 in Leidsche Rijn combineert een school, sporthal en verhoogd schoolplein tot een compact gebouw. 2. Door sportvelden op het dak van de IKEA te realiseren, kan zowel de winkel uitbreiden als de sport- en sociale activiteiten in de buurt behouden worden. 3. Zonnepanelen in combinatie met groen geven een meervoudige functie aan een dak.

3 1

2

4. Een schoolplein is na de lessen toegankelijk voor de hele buurt en is tegelijkertijd een groene, koele plek in de buurt. 5.Wateropvang wordt gecombineerd met een fijne openbare ruimte die uitnodigt om te spelen. 6. Het dak van een parkeergarage in Kopenhagen is een plek om te sporten en te spelen en functioneert als ontmoetingsplek voor diverse mensen.

6 4

5

7

8

7. Verharde parkeerterreinen in een bouwblok bieden geen enkel vorm van dubbelgebruik voor bijvoorbeeld spelen of groen. 8. De schaarse ruimte in de gemeente wordt niet optimaal benut door de gymzaal naast de middelbare school te positioneren.

“Vergroen de speelplekken en schoolpleinen. Zorg dat ze ook na schooltijd toegankelijk zijn”

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

46

11: Een toekomstbestendig gebouw

De manier waarop we de gebouwde omgeving ontwikkelen en gebruiken heeft direct effect op de leefomgeving. Grondstoffen raken op en de grote hoeveelheden afval en vervuilende productieprocessen beschadigen de natuur en onze directe leefomgeving. De manier waarop we bouwen moet bijdragen aan een positieve milieu-impact tijdens de realisatie en het gebruik van de gebouwen. Om dat te bereiken moeten we vaker bestaande gebouwen renoveren of transformeren zodat we hun waarde kunnen behouden. Bij nieuwbouw maken we voornamelijk gebruik van hergebruikte en/of biobased materialen en hernieuwbare energie. Daarnaast hebben al deze (vernieuwende) manieren om te bouwen ruimtelijke consequenties: ze kunnen leiden tot een ander beeldkwaliteit en verschijningsvorm van de gebouwen dan wat we tot nu toe gewend zijn. Gebouwen hebben verschillende gebouwschillen, met elk een andere levensduur. Het is daarbij vooral van belang dat de fundering, de constructie en de schil lang meegaan, gezien de hoeveelheid grondstof die er mee gemoeid is. Het casco van gebouwen heeft de langste technische levensduur en moet voldoende overmaat in zich hebben om zonder grote ingrepen te kunnen transformeren. Binnen het casco kunnen afzonderlijke ruimtes worden samengevoegd of gesplitst om zo een andere doelgroep of functie te bedienen.

Belangrijke kenmerken van de circulaire transitie zijn het minimaliseren van het gebruik van eindige grondstoffen, het aanpasbaar maken van het gebruik van de bebouwing en zo bouwen dat het gebouw in de toekomst hoogwaardig hergebruikt kan worden. Materialen blijven in de gebruikscyclus en worden geen afval. Wanneer hout als materiaal gebruikt wordt voor het casco leidt dit tot ruimere dimensies van het casco door een combinatie van constructieve en bouwfysische eigenschappen zoals sterkte en stijfheid, brandveiligheid en akoestiek. Dit zorgt voor ruimere verdiepingshoogtes dan bij het gebruik van traditionele materialen.

In het streven naar energieneutrale gebouwen is het niet altijd voldoende om zonnepanelen enkel op daken te leggen. Bij projecten met hoge dichtheden is er vaak onvoldoende dakoppervlak om het benodigde energieverbruik op te wekken, zeker in combinatie met andere functies. Zonnepanelen kunnen daarom ook in de gevels worden opgenomen, mits zij geïntegreerd worden in de architectuur van het gebouw. Daarnaast speelt de oriëntatie, vorm en de schil van een gebouw een belangrijke rol in de energiehuishouding en hebben ook effect op de vorm en/of beeldkwaliteit van het gebouw. Richtlijnen • Onderzoek of het mogelijk is om bestaande gebouwen te herbestemmen, renoveren of transformeren voordat sloop en nieuwbouw plaatsvindt. Optoppen kan bijdragen aan zowel verdichting als verduurzaming van bestaande gebouwen. • Nieuwe gebouwen moeten in de toekomst een andere functie of doelgroep kunnen huisvesten, zonder dat er grote ingrepen nodig zijn. Het casco moet voldoende flexibel ontworpen worden om te kunnen transformeren voor een andere doelgroep of functie of om individuele woningen te kunnen splitsen of samenvoegen. Een ruime verdiepingshoogte maakt de plintruimte toekomstbestendig.

• Onderzoek welke ruimte er is binnen de stedenbouwkundige context voor een afwijkende oriëntatie, vorm, bouwhoogte en materiaalgebruik, die ervoor kan zorgen dat het gebouw een kleinere impact heeft op het milieu tijdens de realisatie en het gebruik van het gebouw. • Architectonische vormgeving draagt bij aan de energiehuishouding van gebouwen, door te ontwerpen met natuurlijke ventilatie en zonlicht. • Om in de energiebehoefte te voorzien zijn zonnepanelen - naast de benutting van het dakoppervlak - ook in de gevel toegestaan. Zij dienen geïntegreerd te worden in de architectuur van het gebouw. • Waar mogelijk toepassen van biobased bouwmateriaal en hergebruik van bouwmateriaal.

ST EDENBOU W V ISIE

3 ST EDENBOU W KUNDIG E UITG A NGSPUN T EN

47

1. Zonnepanelen zijn geïntegreerd in de gevel en mee ontworpen in de architectuur van het gebouw.

“Sloop niet tenzij je de materialen kan hergebruiken. Beperk het gebruik van nieuw materiaal”

2. Het gebouw Nijenoord was voorheen een schoolgebouw van de Hogeschool Utrecht en is nu getransformeerd naar een woongebouw. 3. Architectonische vormgeving draagt bij in de energiehuishouding van gebouwen. Door te ontwerpen met natuurlijke ventilatie en inval van zonlicht heeft een kleinre impact op het milieu en draagt bij aan het woon- of werkgenot. 4. Houtbouw legt CO2 vast in de bebouwing en is hierom

1

1

2

toekomst gericht. Hoogbouw in een houten constructie wordt al toegepast. HAUT (Amsterdam) telt 21 verdiepingen en is 73 meter hoog. Het gebouw is voornamelijk gebouwd met hout en beschikt over gevels die energie opwekken. 5. HoutWerk is een bedrijfsverzamelgebouw met een volledig houten constructie in het Werkspoorkwartier. Foto genomen tijdens de bouw.

3

4

5

ST EDENBOU W V ISIE

4 EN NU V ER DER ?

48

4 En nu verder?

In Utrecht sturen we op zowel kwaliteit en leefbaarheid in de bestaande en groeiende stad als groeien in balans. Deze stedenbouwvisie is een toevoeging aan de RSU2040 en zet uiteen op welke manier we met aandacht voor kwaliteit en leefbaarheid in een verdichtende stad ontwikkelen. Deze visie doet geen aanpassingen aan de programmatische uitspraken uit de RSU2040, de prioritering van de knooppunten en/of de planologische opgaven van de stad. De stedenbouwvisie werkt door in thematisch beleid, in gebiedsbeleid en in projecten. Met de RSU 2040 en deze stedenbouwvisie omarmen we de diversiteit van buurten en wijken in Utrecht en hun verschillende identiteiten. In de bestaande woonwijken is op veel plekken rust en behoud van bestaande kwaliteiten belangrijk. In de (in voorbereiding zijnde) Nota Omgevingskwaliteit wordt per bestaand gebied het karakter beschreven en de bijbehorende aandachtspunten. Bij de herijking van de omgevingsvisie Utrecht hebben we ook aandacht voor de uitwerking van de grotere verstedelijkingsknooppunten. De uitwerking per knooppunt werken we samen met de andere betrokkenen overheden en initiatiefnemers uit. Daarbij gaat het zowel om de uitgangspunten om tot kwalitatief goede ontwikkelingen te komen, als om keuzeopties over identiteit, dichtheid en hoogbouw. Hiermee willen we voorkomen dat alle knooppunten op elkaar gaan lijken.

De ruimtelijke projecten en gebiedsontwikkeling realiseert de gemeente Utrecht samen met haar partners. Vanaf heden dient bij de uitwerking van ruimtelijke ontwikkelingen deze visie als uitgangspunt mee te worden

genomen. Hierbij dient altijd een afweging gemaakt te worden tussen de beschikbare financiën, de beoogde ambities en de doorlooptijd van de gebiedsontwikkeling of het ruimtelijke project. Voor realisatie van de ambities uit de RSU en de stedenbouwvisie zijn we ook afhankelijk van financiële bijdragen onze partners bij het Rijk, provincie en regio. De investeringen zorgen ervoor dat de bestaande stad op orde is, dragen bij aan de kwaliteit van de bestaande stad en zijn randvoorwaardelijk voor de groei van de stad. Net zoals ander ruimtelijk beleid werken de uitgangspunten uit deze visie als een handelingsperspectief voor de uitwerking van ruimtelijke plannen van de gemeente en initiatiefnemers in het fysiek domein. Voor de ruimtelijke onderbouwing van deze plannen biedt deze visie handvatten hoe om te gaan met een maximale bouwhoogte in specifieke delen van Utrecht en hoe kwaliteit en leefbaarheid hierbij leidend zijn voor de ontwikkeling van de stad. Gebiedsontwikkeling is een proces van lange adem met een steeds toenemende complexiteit, door meer maatschappelijke vraagstukken en ambities, druk op de financiële haalbaarheid en aandacht voor samenwerking met Utrechters. Bekend is dat beschikbare ruimte en financiële middelen beperkt zijn. In de ruimtelijke projecten en grotere gebiedsontwikkelingen zullen de effecten van de stedenbouwvisie zichtbaar zijn.

Twee jaar voor het einde van de looptijd van deze stedenbouwvisie evalueren we de werking en effecten van deze visie. Op deze manier blijft Utrecht ook in de toekomst de mooie stad die het nu is om in te wonen, te werken en te recreëren.

ST EDENBOU W V ISIE

BIJL AG EN

49

Bijlage 1: Toekomstgesprekken

Wat Utrechters verstaan onder kwaliteit en leefbaarheid

Inleiding Wat heeft Utrecht nodig om prettig in te kunnen leven? Hoe zorgen we ervoor dat de groei niet ten koste gaat van kwaliteit maar juist daaraan bijdraagt? Hoe zien we de toekomst van Utrecht voor ons? Hoe leven we samen in de stad over 20 of 30 jaar, en wat vraagt dat van de inrichting van de stad? Utrecht is volop in beweging. De stad ontwikkelt niet alleen voor de toekomstige Utrechter, maar ook voor de huidige Utrechtse inwoners en ondernemers. Om te weten te komen wat Utrechters belangrijk vinden voor de ontwikkeling van de stad hebben we voor de zomer van 2023 met behulp van een digitale enquête en straatinterviews opgehaald wat Utrechters belangrijk vinden voor de toekomstige inrichting van de stad. Dit deden we aan de hand van de laagdrempelige onderzoekstool Swipocratie. In het najaar van 2023 zijn we op allerlei manieren en momenten met verschillende (groepen) Utrechters verdiepend in gesprek gegaan over bovenstaande vragen. De gesprekken vonden plaats op verschillende locaties en manieren, met een mix van prikkelende en uitnodigende vormen voor iedereen. Soms organiseerden we deze gesprekken en activiteiten zelf. Soms sloten we aan bij wat anderen al organiseerden. Het vinden van antwoorden op bovenstaande en andere vragen stond centraal in de toekomstgesprekken met de stad.

De inbreng uit de peilingen en gesprekken hebben we gebruikt om de uitgangspunten vorm te geven. Niet alle opbrengsten konden een plek krijgen in de richtlijnen voor kwaliteit en leefbaarheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wat daarin geen plek kon krijgen is meegegeven aan de collega’s van ander (thematisch) beleid van de gemeente Utrecht.

Eerste en tweede ronde toekomstgesprekken In de eerste ronde hebben ruim 4.600 mensen met behulp van een digitale enquête (aan de hand van de onderzoekstool Swipocratie) en 553 straatinterviews aangegeven wat zij belangrijk vinden voor de toekomstige inrichting van de stad. In de Raadsbrief Uitkomsten enquête toekomstgesprekken stedenbouwvisie voor Utrecht staat een uitgebreide terugkoppeling van de resultaten uit de eerste ronde. De opbrengsten uit de digitale enquête zijn samengebracht in drie uiteenlopende thema’s. We herkennen hierin de dilemma’s die geuit worden als we spreken over de verdichtende stad, waarbij ook het behoud van de kwaliteit van de huidige leefomgeving voor veel deelnemers als belangrijk wordt ervaren. •

We hebben te maken met klimaatverandering, maar ook met woningnood. Hoe kunnen we toch zoveel mogelijk verdichten en daarbij ook rekening houden met vergroening? Welke keuzes moeten we maken?

ST EDENBOU W V ISIE

• •

50

BIJL AG EN

Hoe kunnen we in een drukker wordende stad zorgen voor voldoende rust? En hoe houden we de wijken tegelijkertijd voldoende levendig? Hoe zorgen we dat in de stad iedereen zich fijn kan (blijven) voelen en prettig kan (blijven) samenleven? Hoe maken we hoogbouw met een groene buitenruimte van hoge kwaliteit? En wat verstaan we dan onder kwaliteit?

In het najaar van 2023 zijn we in de tweede ronde van de toekomstgesprekken op allerlei manieren en momenten met verschillende (groepen) Utrechters verdiepend in gesprek gegaan. In deze verdiepende gesprekken over deze thema’s hebben we vooral de relatie gezocht tussen één van de thema’s en de relatie met leefbaarheid en de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Hieruit zijn vier waarden naar voren gekomen die Utrechters belangrijk vinden bij het ontwikkelen en inrichten van een leefbare de stad. Deze waarden zijn de basis voor de verdere uitwerking later in dit document:

Beeldverslag tweede ronde (Lees de gespreksverslagen op utrecht.nl/stedenbouwvisie)

•

• • •

Tijdens de straatinterviews zijn 553 Utrechters gesproken over wat zij belangrijk vinden voor de toekomstige inrichting van de stad. In totaal hebben 4600 mensen de digitale enquete ingevuld. (Lees de enqueteresultaten op utrecht.nl/stedenbouwvisie)

De mens voorop: Zet de mens voorop bij het ontwerpen van gebouwen en omgeving. Maak voorzieningen op loopafstand en toegankelijk voor iedereen. Ruimtes moeten open en uitnodigend zijn. Laat Utrechters meedoen met het ontwerpen en inrichten van hun omgeving. Diversiteit en menging: Behoud het eigen karakter van dorpen, wijken en buurten. Creëer diversiteit in soorten woningen en voorzieningen. Zorg voor rustig wonen en levendigheid dichtbij. Ruimte voor ontmoeting: Zorg dat de ruimte in en om gebouwen fijn en veilig is, met plekken waar mensen kunnen samenkomen. Dat zorgt voor onderlinge verbondenheid en sociaal contact. Aangename en groene leefomgeving: Richt de beschikbare ruimte zo groen en zo gevarieerd mogelijk in. Heb aandacht voor klimaatverandering, zon en wind. Groen zorgt voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving

ST EDENBOU W V ISIE

BIJL AG EN

Vier Utrechtse waarden voor kwaliteit en leefbaarheid De mens voorop In alle gesprekken komt de “identiteit van Utrecht” terug. Wat is dat precies? Duidelijk is dat deze overal in Utrecht anders is en dat dit het uitgangspunt voor al je ontwikkelingen moet zijn. De diversiteit van Utrecht is een kracht. Haarzuilens is echt anders dan Zuilen. Het eigen karakter van een buurt moet ook bij veranderingen zoveel mogelijk behouden blijven. Verken met elkaar wat een plek fijn maakt en zorg dat de nieuwe ontwikkeling past bij het bestaande. De sociale onderdelen en de stenen gebouwen zijn samen een ding: dat is niet los te zien. Zorg voor genoeg aandacht voor de bestaande structuren. Hoe zorg je dat ingrepen in de ruimte bijdragen aan de bestaande buurt? Gebruik historische landschappelijke elementen (dijken/linten/bomenrijen/waterlopen) om een plek meer identiteit te geven. Gebruik de geschiedenis van een plek om de openbare ruimte vorm te geven.

51

Dichterswijk ingaat, vindt rust en een onverwachts groen ommetje in de vorm van het Ringpark. Het is allemaal op loopafstand: zowel rust als reuring. En: niet alles hoeft overal. Een afwisselend ritme wordt als fijn ervaren. Probeer ook de rustige straten rustig te houden. Concentreer een zo divers mogelijk aanbod van functies en voorzieningen en faciliteer ontmoeten op herkenbare plekken: bijvoorbeeld door horeca met een overgang van privaat naar publiek (dus aan een plein of het groen). Ook dragen levendige plinten bij aan reuring en een veilig gevoel op straat. Gebruik kruispunten om duidelijke, herkenbare en samenhangende plekken vol reuring te creëren. Materiaal en inrichting kunnen helpen bij het sturen naar het gewenste gebruik. Probeer verschillende verkeerstromen te scheiden waar nodig en te mengen waar mogelijk. Dit vergroot de toegankelijkheid en inclusiviteit. Al met al is de conclusie dat we contrasten moeten houden en moeten creëren: zorg voor rust en stilte, voor levendigheid en drukte.

Participatie is een ander onderwerp wat steevast terugkomt in alle gesprekken. Het komt erop neer dat je per gebied en per ontwikkeling moet kijken hoe te participeren. Identiteit van de buurt is immers belangrijk en afhankelijk daarvan wordt besloten hoe de participatie in te steken. Elke ontwikkeling in Utrecht verdient een eigen aanpak; probeer niet alles in regels te vatten. Bij verdichting draait het om de nieuwe en om de oude bewoners: heb oog voor allebei. Steeds over een klein hoekje praten werkt ook niet goed, je moet plannen ergens aan kunnen relateren, aan een groter geheel. Aan de leefomgeving van de bewoners. Zorg voor maatwerk en laat ruimte voor initiatieven. En faciliteer nazorg: na een tijdje kijken of het werkt en of je nog moet bijstellen. Maar spreek aan de voorkant wel duidelijke kaders af. Diversiteit en menging De balans tussen rust en drukte is een veel gehoord thema. In een stad als Utrecht ontkom je bijna niet aan de reuring. Deze is altijd dichtbij. En dat is ook juist wat veel mensen wensen. Rust en reuring om de hoek. Wonen in rust maar reuring dichtbij is veel gehoord. Als voorbeeld wordt de Croeselaan genoemd: dit is een drukke doorgaande route waar verschillende voorzieningen te vinden zijn. Maar wie afslaat en de Kinderen bouwen hun stad van de toekomst

ST EDENBOU W V ISIE

BIJL AG EN

52

Ruimte voor ontmoeting Neem de menselijke maat als startpunt: de voetganger centraal. Stedenbouw en architectuur zijn belangrijk voor de beleving en ook om een gebied of gebouw een kenmerk te geven. Begin bij gebiedsontwikkeling met het ontwerpen en inrichten van de relatie met de openbare ruimte. Dit is cruciaal voor sociale samenhang. Zorg dat iedereen zich thuis kan voelen: creëer diversiteit binnen een bouwblok (dit stimuleert ook doorstroming). Alleen gebouwen of bouwblokken met alleen woonprogramma’s zijn niet meer van deze tijd. Net als alleen andere programma’s zoals werken. Organiseer overgangszones tussen publiek en privaat: ook bij hoogbouw. Dit vergroot de kans op ontmoetingen. Stedelijke ontwikkeling kan zo meer hand in hand gaan met kwaliteit van leven. Omarm de dorpse sfeer: ontwerp meer woonstraten en woonerven, met brede stoepen, en ruimte om voor je huis te zitten. Je moet je welkom en veilig voelen. Er zijn voorbeelden van nieuwe gebieden die wat anoniem voelen, zoals Leidsche Rijn Centrum. Tegelijkertijd wordt er gesteld dat een markant gebouw, zoals de bibliotheek op het Brusselplein, een plek als Leidsche Rijn Centrum wel een eigen smoel geeft. Uiteindelijk geldt wel: iedere buurt is anders dus het vormgeven van de openbare ruimte, het toevoegen van voorzieningen en het verdichten blijft maatwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=3604d306-d0e4-43b5-8aa4-ae751be0e911