CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027

Commissie Samenleving 25 juni 2026, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 202711.602 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening maatschappelijke

ondersteuning gemeente Utrecht 2027

De raad van de gemeente Utrecht;

- gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van …….; - gelet op artikel 108, tweede lid, Gemeentewet;

- gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015: artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.1.6, , 2.3.6, 2.6.6; Overwegende dat: •

inwoners een eigen verantwoordelijkheid hebben voor de manier waarop zij leven en deelnemen aan de maatschappij;

• •

van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

inwoners die zelf, of samen met personen in hun omgeving, onvoldoende zelfredzaam zijn of

onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen; •

het noodzakelijk is om regels vast te stellen voor de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronisch psychische of psychosociale problemen;

•

het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

Besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027.

Hoofdstuk 1 Wat staat er in de verordening en voor wie is het? Artikel 1.1 Wat staat er in deze verordening? Deze verordening bevat de regels van de gemeente voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) die de gemeenteraad heeft vastgesteld.

Artikel 1.2 Definities De verordening bevat veel begrippen. Die leggen we hier uit in alfabetische volgorde. Een aantal begrippen staan al in de Wet. Die herhalen we hier niet. 1. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau. 2. Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet. 3. Basiszorg: generalistische, ambulante en buurtgerichte hulp en/of ondersteuning waarmee inwoners met inbegrip van hun omgeving in het vrijwillig kader ondersteund worden bij het

versterken van hun veerkracht en het benutten en/of ontwikkelen van hun netwerk, aanvullend op wat in de Sociale basis kan worden georganiseerd. 4. Beleidsnota Wmo: het plan van de gemeente Utrecht op grond van artikel 2.1.2 van de Wet. 5. Beleidsregel: Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht. 6. Blended (care): de combinatie van face-tot-face hulpverlening en digitale hulpverlening al dan niet in combinatie met de inzet van e-health, zoals bijvoorbeeld apps die helpen bij het omgaan met problemen bij zelfredzaamheid of participatie. 7. Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Wet. 8. Buurtteam(organisatie): team van beroepskrachten dat: hulp- en/of ondersteuningsvragen voor hulp en ondersteuning behandelt, die de basiszorg dichtbij (in de eigen leefomgeving) en laagdrempelig (gemakkelijk, toegankelijk en goed vindbaar) levert, en door het college gemandateerd is om maatwerkvoorzieningen toe te kennen. 9. Centrumgemeente: een gemeente die een bepaalde functie uitvoert voor andere gemeenten.

Gemeente Utrecht heeft als centrumgemeente een regierol, verantwoordelijkheid en de daarbij horende financiële middelen ten aanzien van de uitvoering van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang voor Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist. Dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoner, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen. 10. Eigen bijdrage: bijdrage zoals beschreven in artikel 2.1.4 (a) van de Wet. 11. Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van cliënt, en personen uit het sociaal netwerk, om tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie te komen, dan wel zich te handhaven in de samenleving. 12. Groepsgericht: gelijktijdig verlenen van ondersteuning aan twee of meer personen, bijvoorbeeld door cliënten/inwoners met een vergelijkbare op elkaar aansluitende vraag of situatie bij elkaar te plaatsen (in een groep) in plaats van of aanvullend op een individueel. 13. Hulpvraag: melding van behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet. 14.

Hulp uit het sociaal netwerk: hulp uit het sociaal netwerk zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 15. Medewerker: gemandateerd persoon die namens het college een melding of aanvraag behandelt. 16. Melding: de mededeling aan het college, zoals beschreven in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet. 17. Ondersteuningsplan: het document met de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. Indien van toepassing aangevuld met adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt. 18. Periode voor de eigen bijdrage: vastgestelde periode die het CAK gebruikt voor de vaststelling van de door de cliënt te betalen bijdrage. 19. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met g van de Wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 20. Pgb: persoonsgebonden budget. 21. Sociale basis: omvat inwoners, hun directe omgeving en algemene voorzieningen die goed toegankelijk en bereikbaar zijn voor iedereen. Het gaat onder andere om onderwijs, sport, welzijn, cultuur, openbare gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg. Bewoners die zich vrijwillig inzetten voor elkaar en voor de buurt, maar ook organisaties en maatschappelijke initiatieven zijn onderdeel van deze sociale basis. 22.

Specifieke expertise: omvat een combinatie van expertise van psychische kwetsbaarheden (waaronder in ieder geval ernstig psychische aandoeningen, autismespectrumstoornissen en verslavingsproblematiek), niet aangeboren hersenletsel, (licht) verstandelijke beperkingen, jongvolwassenen, mensen met een gevaarsrisico (o.a. detentieverleden of risico op radicalisering en/of polarisatie) en lichamelijke beperkingen.

23. Vakantie: aaneengesloten dagen waarop de cliënt buiten de gemeente Utrecht verblijft, maar nog wel aangemerkt kan worden als inwoner van de gemeente Utrecht. De maximale aaneengesloten vakantieduur gedurende welke een inwoner ondersteuning kan blijven ontvangen is 6 weken. Binnen een kalenderjaar worden de verschillende vakantieperiodes bij elkaar opgeteld en deze kunnen samen nooit meer zijn dan 13 weken per kalenderjaar. Ook als de vakantie opgenomen wordt over twee aansluitende kalenderjaren kan niet meer dan 6 weken aaneengesloten opgenomen worden. 24. Vergoeding: budget dat al dan niet als pgb wordt verstrekt op grond van de Wet. 25. Verslag: het gespreksverslag dat de weergave bevat van het onderzoek, de adviezen, verwijzingen en afspraken die de cliënt met de Medewerker heeft gemaakt naar aanleiding van de melding of aanvraag voor ondersteuning op grond van de Wet. 26. Voorliggende voorziening: een andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de Wet of een algemene voorziening. 27. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 28. Wmo Cliëntenraad: de Wmo Cliëntenraad (Wmo CR) adviseert de gemeente bij het maken van beleid over Wmo-voorzieningen en de uitvoering daarvan. 29.

Woonvoorziening: een Wmo voorziening uit de categorie hulpmiddelen, bedoeld voor cliënten die lichamelijke beperkingen in huis ondervinden bij het normale gebruik van een woning. Onder woonvoorzieningen vallen bijvoorbeeld (financiële tegemoetkoming voor) woningaanpassingen.

Artikel 1.3 Voor wie is deze verordening? 1. Deze verordening gaat over de maatschappelijke ondersteuning voor inwoners van de gemeente Utrecht. Een inwoner van de gemeente Utrecht is een natuurlijk persoon die in Utrecht woont en ingeschreven staat in de basisadministratie van de gemeente. 2. In afwijking van het voorgaande lid is deze verordening ook van toepassing op inwoners van gemeenten die voor opvang en beschermd wonen vallen onder de centrumgemeente Utrecht. 3. In afwijking van de voorgaande leden is deze verordening ook van toepassing op inwoners van gemeenten in de U16 regio die de maatwerkvoorziening Beschermd Thuis toegekend hebben gekregen.

Hoofdstuk 2 Toegang tot maatwerkvoorziening Paragraaf 2.1 Hoe werkt een melding, onderzoek en aanvraag?

Artikel 2.1.1 Melding 1. Een melding kan door of namens een inwoner worden gedaan bij een Medewerker op een door het college vastgestelde manier. Het college stelt hiervoor beleidsregels op. 2. De Medewerker die de melding in behandeling neemt: a. stelt vast of het een melding is die past binnen de Wet. b. verwijst, indien dat niet het geval is, de inwoner zo nodig direct door naar de juiste plek. 3. De Medewerker bevestigt de melding en neemt deze verder in behandeling.

4. De Medewerker doet naar aanleiding van de melding onderzoek waar de behoefte aan ondersteuning van de cliënt en diens mantelzorger uit bestaat. 5. Voor zover de hulpvraag kan worden beantwoord door het gebruik van een algemene voorziening, wijst de Medewerker de cliënt hierop. 6. Indien de inwoner dit wenst, kan de inwoner zich bij het doen of afhandelen van de melding laten ondersteunen door iemand uit zijn eigen netwerk en/of een onafhankelijke derde. De Medewerker wijst de inwoner en/of de mantelzorger tijdens de melding op de mogelijkheid een gratis onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Ook als het een aanvraag in het kader van de Wet langdurige zorg betreft. 7. Indien de cliënt dit wenst kan hij binnen 7 werkdagen na de melding een persoonlijk plan indienen zoals omschreven in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet. De medewerker wijst de cliënt tijdens de melding op deze mogelijkheid.

Artikel 2.1.2 Onderzoek Als de Medewerker heeft vastgesteld dat de melding past binnen de Wet, stelt deze een onderzoek in zoals omschreven in artikel 2.3.2 van de Wet. Dit hoeft niet als de situatie bij de Medewerker al voldoende bekend is door eerdere meldingen of onderzoeken.

Artikel 2.1.3 Verslag 1. De Medewerker maakt van het onderzoek een verslag, waarin hij de bevindingen van zowel de Medewerker als de cliënt weergeeft. 2. Het verslag uit lid 1 maakt onderdeel uit van het ondersteuningsplan. De medewerker geeft of verstuurt het ondersteuningsplan na afronding van het onderzoek aan de cliënt. De cliënt kan het verslag ondertekenen voor gezien of akkoord. 3. Het college kan beleidsregels stellen over de methodiek en de procedure waarmee het verslag en het ondersteuningsplan tot stand komt.

Artikel 2.1.4 Aanvraag 1. Een aanvraag kan tot stand komen door ondertekening van het ondersteuningsplan, het invullen van het aanvraagformulier dat door het college is vastgesteld, danwel een ander schriftelijk of digitaal ondertekend verzoek om een maatwerkvoorziening. 2. De datum van het ondertekende document uit lid 1, is de datum van de aanvraag.

Artikel 2.1.5 Ingangsdatum maatwerkvoorziening 1. De ingangsdatum van de maatwerkvoorziening is gelijk aan de datum van de toekenning (datum besluit). 2. In uitzonderlijke gevallen kan het besluit terugwerkende kracht hebben en kan worden gekozen voor een ingangsdatum in het verleden, echter nooit eerder dan de meldingsdatum.

Artikel 2.1.6 Beschikking

1. De beschikking bevat in ieder geval: a. de aard en de duur van de maatwerkvoorziening; b. het doel en het beoogde resultaat van de ondersteuning; c.

de wijze van verstrekking, in natura of pgb;

d. of een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; en e. een bezwaarclausule. 2. Als de maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een pgb, bevat de beschikking, naast de onderdelen uit lid 4, ook: a. de rechten en plichten die gelden voor de besteding van het pgb; en b. de hoogte van het pgb en de wijze waarop dit bedrag is vastgesteld.

Paragraaf 2.2 Vormen van maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2.2.1 Inzet voorzieningen 1. Het college kan voor de maatschappelijke ondersteuning algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen beschikbaar stellen. 2. Het college kan bij het toekennen van deze voorzieningen voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik ervan. 3. Het bieden van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen gebeurt binnen de kaders van de Wet en het beleidsnota Wmo. Het bieden van een voorziening is gericht op het behalen van één of meer doelen, zoals door de medewerker en cliënt in overleg is vastgesteld.

Artikel 2.2.2 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning De door het college aangeboden maatschappelijke ondersteuning levert een belangrijke bijdrage aan het realiseren van een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie, zoals bepaald in het door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota Wmo. Aanvaardbaar niveau betekent dat wat noodzakelijk is op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. Dit is niet hetzelfde als wat de cliënt noodzakelijk vindt in het kader van smaak, gewoonte of wens.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorzieningen 1. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Utrecht of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk voor mensen die maatschappelijke ondersteuning behoeven en tot de doelgroep van de voorziening behoren.

2. Het college bevordert en treft algemene voorzieningen die bijdragen aan het zelfstandig wonen, het versterken van sociale verbondenheid en het actief deelnemen van inwoners, evenals aan de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. 3. Voor het gebruik van de algemene voorziening kan de Medewerker of aanbieder van algemene voorziening een eenvoudige toets toepassen. Deze toets heeft als doel om na te gaan of: a. de cliënt een vraag heeft die ziet op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang zoals bedoeld in de Wet; en b. of de algemene voorziening voldoende passend is voor de vraag die de cliënt heeft; en c.

of de cliënt ingezetene is van gemeente Utrecht voor zover het niet beschermd wonen of opvang voorzieningen betreft.

4. Het college kan beleidsregels maken over onder andere welke specifieke soorten ondersteuning beschikbaar zijn als algemene voorzieningen, de doelgroep(en) en de procedure voor het gebruik van de algemene voorziening.

Artikel 3.2 Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorziening zijn in ieder geval beschikbaar: a. voorzieningen die zijn opgenomen in de Nadere regel subsidie sociale basis gemeente Utrecht; b. activiteiten die vallen onder de opdracht welzijnswerk in de wijk; c.

activiteiten die vallen onder de opdracht Wmo ondersteuning in de wijk zoals beschreven in de Beleidsregel;

d. opvangvoorzieningen: e. voor dak- en thuislozen zoals beschreven in de Beleidsregel; f.

generalistische basiszorg door Buurtteam.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Algemene criteria voor het treffen van een maatwerkvoorziening 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt de Medewerker het verslag van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.1.3 van deze verordening, als uitgangspunt. 2. In het onderzoek worden alle mogelijkheden beoordeeld die de cliënt heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met ondersteuning van personen uit het sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen, zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of zodanig te regelen dat geen maatwerkvoorziening meer nodig is. 3. Bij de aanvraag om een maatwerkvoorziening beoordeelt de Medewerker of, in aanvulling op de voorgaande leden en met inachtneming van de Beleidsnota Wmo,:

a. er geen sprake is van voorzienbaarheid; als de cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd na de melding maar vóór de aanvraag en voor het besluit, tenzij: i. de Medewerker vóór aanschaf of realisatie schriftelijke toestemming heeft gegeven, of ii. de Medewerker de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. b. Er sprake is van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening ter ondersteuning van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang; c.

er geen sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening;

d. er geen sprake is van voorzienbaarheid als de cliënt de voorziening heeft aangeschaft, gestart of gerealiseerd vóór de datum van de melding, behoudens een acute noodsituatie, waarin onmiddellijke aanschaf, start of realisatie dringend noodzakelijk was;

e. de gewenste maatwerkvoorziening ook de geschikte maatwerkvoorziening in de laagste prijs is; f.

de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening nog voldoende ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt of de normale afschrijvingstermijn van een eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of een eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening technisch nog niet is afgeschreven, tenzij een eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die de cliënt niet kunnen worden aangerekend;

g. de voorziening, gelet op de beperkingen van de cliënt, passend en veilig is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of niet anti-revaliderend is ; h. de cliënt alle informatie verschaft die relevant is voor het onderzoek naar een maatwerkvoorziening en meewerkt aan het opstellen en uitvoeren van het ondersteuningsplan op grond van artikel 2.3.8 Wmo 2015; i.

de cliënt meewerkt aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kunnen worden en die bijdragen aan het verminderen van de beperkingen en het versterken van de zelfredzaamheid of participatie, waardoor er een niet te zwaar beroep op de voorzieningen op grond van de Wet gedaan hoeft te worden;

j.

de voorziening hoofdzakelijk op het individu is gericht;

k.

een maatwerkvoorziening groepsgericht kan worden aangeboden, of dat er feiten en omstandigheden zijn waardoor maatschappelijke ondersteuning in een groep niet mogelijk is;

l.

een maatwerkvoorziening digitaal of blended kan worden aangeboden als dit passend is in de individuele situatie ;

m. de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van de voorziening niet aan de cliënt is te wijten.

n. de meest geschikte maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen of in eigendom aan de cliënt kan worden verstrekt. 4. Het college kan beleidsregels stellen over de definitie van de maatwerkvoorzieningen, methodiek en de procedure waarmee de noodzaak tot het bieden van een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld.

Artikel 4.2 Aanvullende criteria voor Hulp bij het huishouden 1. Hulp bij het huishouden is beschikbaar voor cliënten die als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen en/of chronische psychische en/of psychosociale problemen, niet in staat zijn (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren. 2. Hulp bij het huishouden wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale dagelijks gebruik van de woning, waaronder ten minste wordt verstaan het ondersteunen bij het schoonhouden van de woonkamer, de in gebruik zijnde slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en trap/gang. 3. De omvang van het huishouden, de grootte of inrichting van de woning en het houden van dieren (met uitzondering van hulphonden) vormen geen aanleiding voor extra gemeentelijke ondersteuning. 4. De Medewerker biedt, indien de cliënt daarvoor in aanmerking komt, een basisvoorziening hulp bij het huishouden conform het door KPMG Plexus en Bureau HHM voor gemeente Utrecht opgestelde rapport 'Normering van de basisvoorziening 'Schoon Huis'. 5. De Medewerker kan aanvullende uren toekennen indien, als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen of andere zwaarwegende omstandigheden, het resultaat met basisuren niet gerealiseerd kan worden. 6.

Het college kan nadere regels stellen over de omvang en inhoud van de basisvoorziening, en kan beleidsregels vaststellen over de definitie en de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van hulp bij het huishouden.

Artikel 4.3.1 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor ambulante begeleiding als: a. er sprake is van zware en/of chronische problemen op een of meerdere leefgebieden, waarbij Specifieke expertise is vereist; en b. de ondersteuning complex van aard is door meervoudigheid van de problematiek en de specifieke aard en ernst van de aandoening; en c.

De ondersteuning is gericht op het versterken, bevorderen en behouden van de eigen regie en maatschappelijk herstel, verminderen van de achteruitgang en het aanleren en het versterken van vaardigheden ter bevordering en behoud van het dagelijks functioneren; en

d. de ondersteuning aanvullend is op ondersteuning die niet volledig vanuit de algemene voorzieningen geboden kan worden; en

e. de ondersteuning gepland kan worden geleverd; en f.

de hulpvraag uitstelbaar is.

2. Het college kan beleidsregels vaststellen over de definitie en de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van ambulante begeleiding.

Artikel 4.3.2 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding met praktische ondersteuning

1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor ambulante begeleiding met praktische ondersteuning als: a. er sprake is van zware en/of chronische problematiek op meerdere levensgebieden en; b. er sprake is van zorgmijding. Hierbij is sprake van het onvermogen om de regie te voeren over -of de verwaarlozing van- huishoudelijke taken, welke kunnen leiden tot maatschappelijke overlast; en c.

er ondersteuning nodig is bij het voeren van een gestructureerd huishouden, niet zijnde overname van huishoudelijke taken; en

d. de ondersteuning praktisch en uitvoerend van karakter is. 2. Het college kan beleidsregels vaststellen over de definitie en de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van ambulante begeleiding met praktische ondersteuning.

Artikel 4.3.3 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding met 24/7 bereik- en beschikbaarheid

1. In aanvulling op artikel 4.1 en artikel 4.3.1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor ambulante begeleiding met 24/7 bereik- en beschikbaarheid als: a. er sprake is van risico op ontregeling, crisissituatie of een veiligheidsrisico; en b. de cliënt zijn hulpvraag niet kan uitstellen; en c.

de cliënt zelfstandig woont of kan wonen, en intensieve, niet planbare, gespecialiseerde ondersteuning nodig heeft; en

d. de cliënt is aangewezen op 24-uurs bereikbaarheid en/of beschikbaarheid van intensieve ondersteuning; en e. het voldoende is als er gedurende een etmaal passende ondersteuning bereikbaar en beschikbaar is die op afroep in 30 minuten beschikbaar kan zijn. 2. Ambulante begeleiding met 24/7 bereik- en beschikbaarheid is niet bedoeld voor mensen die acute psychiatrische hulp nodig hebben. 3. Het college kan beleidsregels vaststellen over de definitie en procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van ambulante begeleiding met 24/7 bereik- en beschikbaarheid.

Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagactiviteiten 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor dagactiviteiten als: a. de cliënt gelet op de aard en ernst van de problematiek, ondersteuning nodig heeft in een vorm of intensiteit die niet beschikbaar is binnen de algemene voorziening, en de cliënt specialistische ondersteuning nodig heeft voor het aanbrengen van een dagstructuur en daginvulling; of b. als deelname aan de algemene voorziening dagactiviteiten een contra indicatie is vanwege ernstig sociaal ongewenst/ onveilig gedrag, maar de cliënt via een persoonsgericht ondersteuningsplan kan functioneren in een dagactiveringssetting; of c.

de cliënt als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid alleen kan deelnemen aan de dagactiviteit indien de fysieke ruimte wordt aangepast; of

d. de cliënt zeer snel psychisch uit balans kan raken (de situatie is onvoorspelbaar). 2. In aanvulling op het eerste lid van dit artikel is er sprake van dagactiviteiten gericht op behoud van zelfredzaamheid als: a. sprake is van het bevorderen en zo veel mogelijk behouden van de zelfredzaamheid; en b. sprake is van het ontlasten van de mantelzorger; en c.

de activiteiten in groepsverband worden aangeboden.

3. In aanvulling op het eerste lid van dit artikel is er sprake van dagactiviteiten gericht op participatie als: a. sprake is van het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie; en b. de cliënt vanwege beperkingen (nog) niet in staat is om te functioneren in vormen van reguliere arbeid of vrijwilligerswerk; en c.

de activiteiten in groepsverband worden aangeboden.

4. Het college kan beleidsregels vaststellen over de definitie en de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van dagactiviteiten.

Artikel 4.5 Aanvullende regels voor beschermd thuis, beschermd verblijf, beschermd wonen en opvang

1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beschermd thuis, als: a. de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht staande te houden in de samenleving; en

b. er sprake is van beperkte zelfredzaamheid als gevolg van verslaving, psychiatrie, psychosociaal, (licht) verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen; en c.

de cliënt een hulpvraag kan stellen of een hulpvraag kan worden uitgesteld; en

d. de cliënt zelfstandig woont (of kan wonen) en (zeer) intensieve, niet planbare, gespecialiseerde ondersteuning nodig heeft; en e. de cliënt is aangewezen op 24-uurs beschikbaarheid en/of aanwezigheid van (zeer) intensieve ondersteuning; en f.

het voldoende is als er gedurende een etmaal passende ondersteuning bereikbaar en beschikbaar is, en die op afroep in 30 minuten beschikbaar kan zijn.

2. In aanvulling op artikel 4.1 en op artikel 4.5 lid 1 sub a en b van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beschermd verblijf als: a. de cliënt geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan worden uitgesteld; en b. de cliënt niet zelfstandig kan wonen; en c.

de cliënt intensieve ondersteuning in de nabijheid een 24-uursvoorziening nodig heeft in verband met de noodzaak tot bescherming van de cliënt en/of zijn omgeving. Deze noodzaak komt direct voort uit de problematiek zoals genoemd in artikel 4.5 lid 1 sub b.

3. In aanvulling op artikel 4.1 en artikel 4.5 lid 1 sub a en b van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beschermd wonen, anders dan in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, als: a. er sprake is van een noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit problematiek, zoals vermeld in artikel 4.5 lid 1 sub b; en b. de ondersteuning ten behoeve van een hulpvraag niet uitgesteld kan worden en er een noodzaak bestaat voor 24 uurs toezicht en ondersteuning; en c.

is voldaan aan de voorwaarden uit het convenant landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen.

4. In aanvulling op artikel 4.1 en artikel 4.5 lid 1 sub a en b van deze verordening kan een cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijk opvang als: a. de cliënt rechtmatig in Nederland verblijft en zo nodig aanspraak kan maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen; en b. is voldaan aan de voorwaarden uit het convenant landelijke toegankelijkheid Maatschappelijk opvang. 5. Het college verbindt aan de opvang voorwaarden. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: a. de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;

b. de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsplan; c.

het door de cliënt houden aan de leef- en gedragsregels binnen de opvang.

6. De maatschappelijke opvang kan worden verleend in de volgende vormen: i.

kortdurende opvang voor volwassenen met een grote kwetsbaarheid;

ii.

kortdurende opvang voor gezinnen met begeleiding;

iii. kortdurende opvang voor personen met ernstige psychiatrische en/of verslavingsproblematiek. 7.

Het college kan beleidsregels maken over de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van beschermd wonen en opvang.

Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening komt een cliënt in aanmerking voor kortdurend verblijf ter ontlasting van de mantelzorger, als: a. er sprake is van aanwezige overbelasting, dan wel van dreigende overbelasting van de mantelzorger; en b. de cliënt aangewezen is op intensieve en professionele ondersteuning en/of als de cliënt toezicht nodig heeft gedurende 24-uur; en c.

de intensieve ondersteuning gepaard gaat met toezicht op regelmatige en onregelmatige momenten; en

d. de algemene voorziening of maatwerkvoorziening dagactiviteit en of ambulante begeleiding niet of onvoldoende oplossing biedt; en e. er geen sprake is van behoefte aan kortdurende verblijf in verband met een medische behandeling of herstel van de cliënt. 2. In aanvulling op het tweede lid komt een cliënt in aanmerking voor kortdurend verblijf in relatie tot cliëntproblematiek (adempauzeplekken), als: a. sprake is van een acute en niet planbare situatie waardoor de cliënt niet in zijn of haar eigen woonomgeving kan verblijven, tijdelijk verblijf noodzakelijk is en er geen alternatief beschikbaar is binnen het eigen netwerk; en b. de cliënt nog zelfstandig kan functioneren, niet ADL-afhankelijk is en geen continu toezicht nodig heeft; en c.

aannemelijk is dat verblijf bijdraagt aan stabilisatie of verbetering van de situatie.

3. Deze voorziening is niet bedoeld voor: a. mensen die in aanmerking komen voor een GGZ-crisisopname;

b. cliënten van instellingen die dak- of thuisloos zijn en/of verblijven in een opvang; c.

cliënten in een 24/7 voorziening voor beschermd wonen of beschermd verblijf;

d. wachtlijstoverbrugging; e. time-out- of schorsingsplekken; f.

respijtzorg, dit is kortdurend verblijf ter ontlasting van mantelzorg;

g. mensen die door relationeel geweld een veilige plek nodig hebben. 4. Het college kan beleidsregels vaststellen over de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van kortdurend verblijf.

Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor vervoer 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening, kan de Medewerker een vervoersvoorziening verstrekken, als: a. de vervoersvoorziening de cliënt naar het oordeel van de Medewerker in voldoende mate in staat stelt tot participatie; en b. de cliënt onvoldoende gebruik kan maken van het regulier openbaar vervoer of andere algemene vervoersvoorziening; en c.

er sprake is van vervoersbehoefte in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het dagelijks leven.

2. Een cliënt die, volgens de Medewerker, bij het vervoer met het collectief (openbaar) vervoer is aangewezen op persoonlijke begeleiding, kan gratis een begeleider mee laten reizen. 3. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van Regiotaxi wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum bandbreedte van 1.500 – 2.000 kilometer op jaarbasis. Van deze bandbreedte kan worden afgeweken indien het noodzakelijk is om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van cliënt op een aanvaardbaar niveau te brengen en er geen andere oplossingen beschikbaar zijn. 4. De Medewerker verstrekt uitsluitend een vervoersvoorziening in de vorm van een voertuig als er een adequate stallingruimte is voor dit voertuig. Een adequate stalling is in ieder geval: (brand)veilig, droog en afsluitbaar. 5. Het college kan beleidsregels maken over de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van een sociaal recreatieve vervoersvoorziening.

Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening, kan de Medewerker een woonvoorziening verstrekken voor de aanpassing van de woning, als de cliënt: a. aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning; en

b. alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen; of c. een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kinnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. Dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, als het hoofdverblijf van de cliënt een erkende zorginstelling is. Daarmee wordt bedoeld het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer en het toilet. 3. De mogelijkheid van verhuizen naar een meer geschikte of volledig geschikte woning kan door de medewerker bij de beoordeling van de geschikte oplossing met de laagste kosten worden meegewogen. De verhuizing maakt in dat geval deel uit van de maatwerkvoorziening. De tegemoetkoming in de kosten voor de verhuizing wordt alleen gegeven bij een door het college, in het kader van de Wet, opgelegde verplichting om te verhuizen. 4. De Medewerker kan eerst een tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing verstrekken, als: a. de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken zelf te verhelpen of dit door de verhuurder te laten doen; en b.

er met het oog op de situatie van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op het oplossen van de gebreken aan de woning; en c.

er sprake is van een door het college, in het kader van de Wet, opgelegde verplichting om te verhuizen.

5. Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex hoeft niet te worden verstrekt als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking. 6. De medewerker kan beslissen dat, als onderdeel van een woonvoorziening, de dubbele woonkosten in verband met tijdelijke huisvesting worden vergoed, als cliënt gedurende de verbouwingsperiode de woning niet kan bewonen en de cliënt daardoor genoodzaakt is tijdelijk in een andere woning te verblijven en hiervoor woonlasten verschuldigd is. Onder woonlasten wordt verstaan: huurkosten voor de tijdelijke andere woning, gas, water en licht. 7. De Medewerker kan besluiten geen vergoeding te verstrekken voor dubbele woonlasten als de cliënt zonder noodzaak of zonder voorafgaande toestemming van de Medewerker voor een vervangende woonruimte heeft gekozen. 8. De Medewerker kan een aanvraag voor woonvoorziening (deels) afwijzen als de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, of komen doordat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen. 9. De Medewerker kan een aanvraag voor woonvoorziening afwijzen als een cliënt bij aanschaf, danwel bij verhuizing, geen rekening heeft gehouden met zijn beperking of met een voorzienbare beperking, wanneer deze bekend is op moment van de aanschaf dan wel van de verhuizing.

10. De Medewerker verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang.

Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor sportvoorziening 1. In aanvulling op artikel 4.1 van deze verordening kan de Medewerker aan een cliënt een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een voorziening, indien de sportvoorziening bijdraagt aan zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. 2. Uitgangspunt is dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van voorzieningen die nodig zijn voor sportbeoefening. Een financiële tegemoetkoming wordt slechts verstrekt indien als gevolg van de beperking aantoonbare extra kosten worden gemaakt. 3. Bij de afweging of een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt, betrekt de Medewerker in ieder geval de volgende, niet uitputtende, richtinggevende elementen: a. de wijze waarop de cliënt reeds participeert in de samenleving; b. de noodzaak van de sportactiviteit die bijdraagt aan de participatie in de samenleving; c.

of er sprake is van een eerdere of bestaande betrokkenheid van de cliënt bij sportactiviteiten;

d. of de sportactiviteit plaatsvindt in verenigingsverband of in groepsverband. 4. Sportvoorzieningen die bestemd zijn voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet in aanmerking voor een individuele financiële tegemoetkoming. 5. De financiële tegemoetkoming: a. is gemaximeerd; en b. wordt maximaal éénmaal per zeven jaar verstrekt; en c.

omvat de kosten van aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering van de sportvoorziening.

Paragraaf 4.10 Blijk van waardering mantelzorgers

Artikel 4.10 Activiteit voor mantelzorgers 1. Het college geeft de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers vorm in overleg met het Stedelijk Steunpunt Mantelzorg. 2. Via het Stedelijk Steunpunt Mantelzorg Utrecht worden betrokken organisaties in staat gesteld om activiteiten voor mantelzorgers uit te voeren als waardering voor hun inzet.

Hoofdstuk 5 Een Persoonsgebonden budget

Artikel 5.1 Regels voor pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, en de ondersteuning zelf wil inkopen met een pgb, toets de Medewerker of voldaan wordt aan de vereisten uit artikel 2.3.6 uit de Wet. 2. De cliënt dient een pgb-plan in te vullen, dan wel een offerte aan te leveren voor zover dat ziet op woonvoorzieningen of hulpmiddelen, gebaseerd op het ondersteuningsplan. In het pgb-plan of offerte geeft de cliënt, voor zover van toepassing, aan: a. hoe de cliënt zelf of met behulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wil ontvangen; c.

indien van toepassing: welke perso(o)n(en) hij schriftelijk heeft gemachtigd als vertegenwoordiger(s) om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen waaronder wordt verstaan: de aan het pgb verbonden taken uit te voeren en/of toe te zien op waarborging van de kwaliteit van de aan de maatwerkvoorziening verbonden diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;

d. welke voorziening hij met het pgb zou willen inkopen en bij welke pgb-hulpverlener; e. op welke manier de kwaliteit van de ondersteuning is verzekerd, waarbij de cliënt aantoont dat de ondersteuning in de vorm van pgb veilig, doeltreffend en cliëntgericht is; f.

hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, waarbij de kosten van de ondersteuning wordt uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

3. Indien de cliënt ondersteuning of begeleiding wil ontvangen van iemand uit het sociaal netwerk kan de medewerker via een onafhankelijke deskundige laten toetsen of deze persoon passende ondersteuning kan leveren. 4. Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.

Artikel 5.2 Weigering van een pgb 1. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden als: a. de cliënt volgens de medewerker niet voldoet aan één van de voorwaarden die in artikel 5.1 staan, of niet voldoet aan één van de voorwaarden die in artikel 2.3.6, tweede lid van de Wet staan; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wil inkopen volgens de medewerker niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat; c.

de cliënt en/of vertegenwoordiger een bespreking van het pgb-plan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

d. de cliënt of vertegenwoordiger door verwijtbaar gedrag onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft, tenzij de bewindvoerder het beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan moet de cliënt betalen; e. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet; f.

onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de ondersteuning niet verantwoord is;

g. het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland; h. de aanvraag tot gevolg heeft dat één en dezelfde persoon meer dan 48 uur per week moet werken. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen, en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden; i.

het pgb bedoeld is of gebruikt wordt voor andere kosten dan het leveren van de benodigde ondersteuning. Onder andere kosten wordt onder andere verstaan: i.

kosten van een vertegenwoordiger;

ii.

kosten van belangenbehartigers;

iii.

kosten van tussenpersonen;

iv.

reis- en verblijfskosten van hulpverleners;

v.

begeleidings- en administratiekosten;

vi.

kosten in verband met het beheren van een pgb.

2. In afwijking van artikel 5.2 lid 1 onder g kan de medewerker toestemming geven om de toegekende ondersteuning die met het pgb ingekocht wordt ook in te zetten tijdens een vakantie. 3. Het college kan beleidsregels maken voor de manier van indienen van een verzoek zoals beschreven in lid 2.

Artikel 5.3 Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid (pgb-beheer) te voldoen, dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp van het sociaal netwerk of, indien sprake is van een pgb vertegenwoordiger, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c.

in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

d. voldoende vaardig te zijn om in Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f.

in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i.

in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

j.

voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

2. Een budgethouder of een pgb vertegenwoordiger wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. de vertegenwoordiger ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder; b. de hulpverlener familie is van de vertegenwoordiger van de cliënt. Onder familie verstaan wij hier familie tot in de 2e graad; c.

er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: i. de cliënt of de vertegenwoordiger problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de Wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan moet de cliënt betalen; ii. er sprake is van ernstige verslavingsproblematiek bij de cliënt of vertegenwoordiger. Bij vermoedens hiervan kan nader onderzoek worden gedaan door bijvoorbeeld een medische verklaring op te vragen; iii. er sprake is van aantoonbaar begane fraude door de cliënt of vertegenwoordiger in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; iv. er sprake is van een aanmerkelijke verstandelijke beperking bij de cliënt of vertegenwoordiger. Een indicatie hiervoor is een IQ tussen de 55-85; v. er sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld waardoor het bij de cliënt of vertegenwoordiger onmogelijk is om op stabiele en consistente wijze de regie te voeren over een pgb; vi. er sprake is van een vastgestelde blijvende cognitieve stoornis bij de cliënt of vertegenwoordiger. Hieronder wordt verstaan de diverse vormen van dementie,

de ziekte van Korsakov en (de gevolgen van) ander niet-aangeboren hersenletsel waardoor het niet mogelijk is om de regie te voeren over een pgb; vii. de cliënt of vertegenwoordiger niet beschikt over de taken, kennis en vaardigheden die nodig zijn om het pgb goed te kunnen beheren, waaronder wordt verstaan het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift. Het college werkt de taken, kennis en vaardigheden uit in de nadere regels; viii. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

Artikel 5.4 Categorieën en kwaliteit pgb hulpverleners 1. Er gelden voor zowel professionele hulpverleners als informele hulpverleners kwaliteitseisen bij het leveren van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren. De kwaliteitseisen voor diensten zijn uitgewerkt in artikel 5.5 van deze verordening. Er zijn verschillende categorieën hulpverleners: a. Onder professionele hulpverlener wordt verstaan: hulpverleners die beroepsmatig ondersteuning bieden. Er is dan altijd sprake van een KvK-registratie. Het kan zowel gaan om zzp’ers als om een instelling (organisatie) met personeel (in dienst of ingehuurd). b. Onder een informele hulpverlener wordt verstaan: een natuurlijk persoon die op persoonlijke titel, niet namens een organisatie en ook niet als zzp’er, ondersteuning aanbiedt. 2. De cliënt dient zich ervan te vergewissen dat de betrokken hulpverlener(s) die de diensten leveren, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren aan de kwaliteitseisen voldoen zoals opgenomen in artikel 5.5 van deze verordening.

Artikel 5.5 Kwaliteitseisen aan professionele en informele pgb hulpverleners 1. De Medewerker betrekt bij de beoordeling omtrent de kwaliteit van een maatwerkvoorziening die wordt ingekocht door middel van een pgb in ieder geval of de pgb - hulpverlener: a. zorg draagt voor ondersteuning van goede kwaliteit die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt; b. beschikt over een relevante Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met screeningsprofiel 'Gezondheidszorg en Welzijn van mens en dier dan wel zijn relevante opvolger. Deze VOG dient bij aanvang van de ondersteuning, en bij her-aanmelding, niet ouder te zijn dan 3 jaar. Indien sprake is van een instelling: 2. Medewerkers en stagiaires van instellingen die in contact kunnen komen met cliënten zijn ook in het bezit van een VOG met screeningsprofiel 'Gezondheidszorg en Welzijn van mens en dier dan wel zijn relevante opvolger. Deze VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de pgb-zorgaanbieder ging werken; en 3. de instelling zelf beschikt over een relevante VOG rechtspersoon (RP) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan drie jaar. a. beschikbaar en deskundig is, waarbij wordt betrokken: 4. of de hulpverlener, dan wel de instelling, in de directe omgeving van de cliënt de zorg kan bieden; en 5.

of de professionele hulpverlener aantoonbare en passende kennis, ervaring, kwalificaties of opleidingen heeft die passend zijn bij de te verrichten werkzaamheden, complexiteit en aard van

de problematiek van de cliënt. Deze vakbekwaamheid kan blijken uit een BIG-registratie, een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlands onderwijsinstelling of een registratie bij het Registerplein; 6. dan wel of de informele hulpverlener beschikt over de juiste vaardigheden en tevens bekwaam is om volwaardige ondersteuning te leveren die tegemoetkomt aan de hulpvraag van de cliënt. Als de dienst ondersteuning omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist, dan beschikt de informele hulpverlener over desbetreffende kwalificatie. 7.

indien sprake is van medewerkers in loondienst of stagiaires, dan draagt de zzp'er of instelling zorg voor scholingsbeleid dat garandeert dat de medewerkers of stagiaires op het benodigde professionele niveau kunnen blijven werken. a. De inzet van vrijwilligers en/of stagiaires dient altijd te gebeuren onder de verantwoordelijkheid van een professionele hulpverlener, waarbij:

8. de vrijwilliger of stagiaire enkel kan worden ingezet als deze de inschrijving voor een relevante opleiding kan overleggen; en 9. de inzet van vrijwilligers of stagiaires altijd in redelijke verhouding staat tot de professionele inzet. a.

De Nederlandse taal in woord en geschrift in voldoende mate beheerst, voor zover relevant voor de uitvoering van de werkzaamheden;

b. beschikt over passende en aantoonbare kennis van lokaal beschikbare voorzieningen; c. in geval van dagactiviteiten waarborgt dat de binnen- en buitenruimtes waar cliënten verblijven gedurende de verstrekking van de voorziening veilig toegankelijk en passend zijn; d. een deugdelijke administratie bijhoudt met een registratie van de geleverde hulp; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f.

de ondersteuning uitvoert in overeenstemming met de beschikking van het college;

g. de ondersteuning afstemt op de persoonlijke situatie van de cliënt; h. de ondersteuning afstemt op andere (overige) voorzieningen; i.

de privacy van de cliënt respecteert en vertrouwelijk omgaat met informatie over de persoonlijke situatie;

j.

bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de cliënt contact opneemt met Veilig Thuis voor advies, of hiervan een melding doet bij Veilig Thuis;

k. calamiteiten en geweldsincidenten bij de ondersteuning meldt bij het college; l.

meewerkt aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek doet door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

m. in geval van Beschermd Thuis aantoonbaar 24 uur per dag bereikbaar en, indien nodig, aanwezig binnen 15-30 minuten op de locatie van cliënt; en n.

naar het oordeel van de Medewerker niet overbelast raakt bij de verlening van de ondersteuning.Op

10. De professionele pgb-hulpverlener dient te beschikken over een aantoonbaar werkzaam kwaliteitssysteem. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een certificaat van de volgende keurmerken: ISO 9001, NEN-EN 15224, HKZ, Prezo of Kiwa (zzp en kleine ondernemers). 11. De gestelde kwaliteitseisen gelden evenzeer voor onderaannemers van de professionele pgbhulpverlener. De professionele pgb-hulpverlener als hoofdaannemer is volledig aansprakelijk voor zorgverlening die zij in onderaanneming laat uitvoeren. 12. Het college kan de eisen aan de professionele en informele pgb-hulpverlener nader uitwerken in het kwaliteitskader van de nadere regels.

Artikel 5.6 Hoogte van het pgb 1. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van de door de cliënt ingediende begroting in het pgb-plan, voor zover de omvang van het pgb niet meer bedraagt dan de waarde van de geschikte voorziening in natura met de laagste prijs. Indien nodig kan het pgb voor een hulpmiddel aangevuld worden met een vergoeding voor instandhouding, bijvoorbeeld voor onderhoud of verzekering. 2. De Medewerker houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb-tarief rekening met de inzet van professionele ondersteuning of ondersteuning door het sociaal netwerk. Daarbij wordt er onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: dit zijn het instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief: a. Van instellingstarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt of vertegenwoordiger: i. personen die in loondienst zijn bij een erkende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en een kopie van deze inschrijving kunnen overhandigen; en ii. die een kopie van een geanonimiseerde arbeidsovereenkomst kunnen overleggen waaruit blijkt welke cao wordt toegepast.

Het dient daarbij te gaan om een voor de betreffende sector relevante cao die aangemeld is bij de directie UAW van het Ministerie van SZW; en iii. die een BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan worden een relevant diploma en een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ingediend. b. Van een zzp-tarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt of vertegenwoordiger: i. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in

het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en een kopie van deze inschrijving kunnen overhandigen; en ii. een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs uitgereikt aan de beoogd zorgverlener die werkzaam is bij de organisatie waarvan de onder a genoemde inschrijving bij de Kamer van Koophandel overleggen; en iii. de BIG registratie van de hulpverlener indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ingediend. c.

Indien de documenten, waarvan sprake is in lid 2 onder a sub ii, niet overlegd worden, kan hoogstens het zzp-tarief worden toegekend.

d. Indien de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, een persoon uit het netwerk van de cliënt of vertegenwoordiger is er altijd sprake van informeel tarief, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. e. Indien de documenten beschreven in lid 2 onder a en/of b, behoudens de VOG, niet worden overlegd is sprake van informeel tarief, ook als er een beroep op zwaarwegende redenen is gedaan. Een VOG kan altijd als eis gesteld worden voor het informeel tarief. Het college kan nadere regels opstellen over de invulling van deze eis. 3. Het college legt normbedragen voor het pgb vast bij de verschillende zorgvormen in de Nadere regel (inclusief Financieel besluit) Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht. Daarbij geldt dat: a. het instellingstarief wordt berekend aan de hand van het kostprijsmodel van de VNG, waarbij rekening is gehouden met de van toepassing zijnde cao's, benodigd opleidingsniveau en van toepassing zijnde opslagen voor bijvoorbeeld overhead; b. het zzp-tarief is gebaseerd op het instellingstarief. Hierbij wordt 17% op dat tarief in mindering gebracht in verband met lagere werkgeverslasten en overheadkosten; c.

het informele tarief voor beschermd thuis is gebaseerd op het tarief dat wordt gebruikt in de Wet Langdurige zorg. Het informele tarief voor hulp bij het huishouden, ambulante begeleiding (inclusief praktische ondersteuning) en kortdurend verblijf is gebaseerd op de Wet Minimumloon (WML).

d. Voor vervoer van en naar dagactiviteiten zijn de tarieven gebaseerd op de vervoerstarieven uit de Wet langdurige zorg. 4. De pgb tarieven zijn bruto tarieven. Dat betekent dat hierin alle kosten besloten zijn, waaronder eventuele werkgeverslasten op het moment dat belanghebbende een overeenkomst in loondienst aangaat met de hulpverlener(s). 5. De pgb tarieven zijn, voor zover van toepassing, inclusief btw. 6. Jaarlijks, per 1 januari kan de beschikbare loon- en prijsindexaties worden vertaald naar indexering van de tarieven.

Artikel 5.7 Besteding en verantwoording van het pgb 1. De cliënt stemt in met en houdt zich aan de regels van de Sociale Verzekeringsbank en de regels die de gemeente en de Sociale Verzekeringsbank hebben afgesproken. 2. Een beschikking tot verlening van een pgb kan ingetrokken worden als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt waarvoor het bedoeld is.

Hoofdstuk 6 Bijdrage voor het gebruik van voorzieningen Artikel 6.1.1 Eigen bijdrage algemene voorzieningen 1. Een cliënt hoeft geen eigen bijdrage te betalen voor algemene voorzieningen genoemd in deze Verordening. Lid 2 en 3 zijn hierop de uitzonderingen. 2. De eigen bijdrage voor algemene kortdurende opvang voor individuele volwassenen met aanzienlijke problematiek, en voor verblijf op de instroombedden van de gecombineerde inloopvoorziening bedraagt 6,50 euro (peildatum 1 januari 2024) per etmaal. Deze eigen bijdrage geldt niet voor personen zonder inkomen. 3. De eigen bijdrage voor kortdurende opvang voor jongvolwassenen wordt berekend volgens de bijdrage systematiek zoals vermeld in artikel 6.1.5 van deze verordening. 4. Het college kan, in de Nadere regel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht eigen bijdrage opvang, de eigen bijdrage uit lid 2 en lid 3 jaarlijks aanpassen met als maximum de percentuele stijging van de bijstandsnorm van het voorgaande jaar.

Artikel 6.1.2 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening 1. De Medewerker vraagt een bijdrage voor een maatwerkvoorziening, geleverd in natura, via een pgb of in de vorm van een financiële tegemoetkoming, zolang de cliënt de maatwerkvoorziening gebruikt, zolang de maatwerkvoorziening niet is ingetrokken of zolang de cliënt in het bezit is van of eigenaar is van de voorziening. 2. De eigen bijdrage zoals vermeld in lid 1 loopt niet langer door dan het moment waarop de kostprijs van de voorziening is bereikt. 3. Als de maatwerkvoorziening is verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de Wet, bedoelde persoon of personen. 4. In afwijking van het eerste lid wordt voor het gebruik van collectief (openbaar) vervoer een instaptarief en een ritbijdrage per kilometer gevraagd. De hoogte van de bijdrage is te vergelijken met de kosten die iemand maakt bij gebruik van regulier openbaar vervoer. 5. In afwijking van het eerste lid zijn cliënten die een inkomen hebben dat minder is dan 125% van het sociaal minimumloon, geen eigen bijdrage verschuldigd. 6. In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorziening dagactiviteiten gericht op participatie.

7. De eigen bijdrage kan worden gepauzeerd indien ten minste 31 opeenvolgende dagen geen feitelijke levering van ondersteuning is geweest als gevolg van een intramurale opname van de cliënt, of wanneer geen sprake is van zo'n opname, wordt de eigen bijdrage alleen gepauzeerd als door de aanbieder gedurende deze periode geen enkel concreet aanbod tot gehele of gedeeltelijke levering is gedaan, terwijl de beschikking doorloopt. 8. Het innen van de eigen bijdrage voor opvang vindt plaats door de instelling die de opvang verzorgt. Tenzij het college in de afspraken met de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt.

Artikel 6.1.3 Individuele vrijstelling eigen bijdrage 1. Het College kan in de situaties genoemd in lid 2 van dit artikel tijdelijk de eigen bijdrage op nihil vaststellen voor individuele cliënten op basis van artikel 3.8, derde lid, sub g en h van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. Een tijdelijke vrijstelling kan worden gegeven in de volgende situaties: a. Inwoners die zorg en ondersteuning mijden vanwege de eigen bijdrage. Het alsnog gaan betalen van de eigen bijdrage en het verminderen van de zorgmijding moet dan een doel van de ondersteuning zijn. b. Inwoners die zelf aangeven de eigen bijdrage niet te kunnen betalen en in een schuldsaneringstraject zitten in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) of in een minnelijke schuldregeling. De vrijstelling is maximaal voor de duur van de schuldregeling.

Artikel 6.1.4 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening 1. De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening is nooit meer dan de maximale eigen bijdrage die mogelijk is op grond van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De kostprijs van de voorziening die wordt gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage is gelijk aan de kostprijs van de toegekende voorziening, en de eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs. 3. In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen vastgesteld volgens het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=7512699c-be49-4135-9fc2-dcce0e58a0a0