CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport Westflank Zuid Stationsgebied 1e wijziging

Gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Westflank Zuid, stationsgebied 1e herziening12.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Reactie gemeente

23/32

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Volgens de gemeente leiden de mogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan niet tot een afwijking van de afspraak in de Overeenkomst, omdat de minimale afstand tussen de gebouwen gelijk blijft. In het ontwerp bestemmingsplan is ten opzichte van het geldende bestemmingsplan voor Fase 3 de gevellijn op maaiveld weliswaar 93 cm opgeschoven richting het Bestuurscentrum, maar de afstand tussen de overbouwing (overkraging) en het Bestuurscentrum blijft gelijk, zoals indiener zelf ook constateert in zijn zienswijze. Binnen het bouwvlak mag namelijk een overbouwing van 4-6 meter gerealiseerd worden. Het opschuiven van de gevel op maaiveld met 93 cm gaat ten koste van de breedte voor die overbouwing. De overbouwing zal dan dus nog maximaal 5.07 meter mogen uitsteken. Het enige verschil is dat de gevel op maaiveld iets minder ver terug ligt ten opzichte van de overbouwing. Dit levert geen strijd op met de Overeenkomst. Daar komt bij dat in het ontwerp bestemmingsplan voor het gebouw van Fase 2B de gevellijn ten opzichte van het Stedenbouwkundig Plan juist 4,48 meter van het Bestuurscentrum is afgeschoven (richting Stadskantoor).

Na overleg met indiener op 28 maart 2024 is op verzoek van indiener in een mail van 30 april 2024 door de gemeente bevestigd, dat met de verschuiving van de gevellijn van 93 centimeter, met de bebouwing nog steeds ruimschoots meer dan 2 meter afstand wordt gehouden van de erfgrens.

4.2.1.2 Tegengaan windhinder

Indiener is van mening dat het Ontwerp bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met artikel 4 van de Overeenkomst, waarin de verplichting is opgenomen voor het

Rijksvastgoedbedrijf om alle nodige maatregelen te treffen om het windklimaat op de voor

Rabobank relevante locaties op hetzelfde niveau te houden als in de 0-situatie, zoals is afgesproken in de Overeenkomst.

Indiener geeft aan dat de realisatie van Fase 2 en Fase 3 het windklimaat op de voor Rabobank

relevante locaties negatief zal beïnvloeden. Volgens indiener blijkt dit uit de antwoordbrief van de

gemeente d.d. 29 november 2023 op de reactie van indiener tijdens het vooroverleg, uit paragraaf 5.16 van de Toelichting op het bestemmingsplan en uit het windhinder-onderzoek dat door Peutz is uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 20 juni 2023 (het Rapport Peutz II) dat als bijlage 19 is gevoegd bij de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (de

Toelichting). Bovendien geeft indiener aan dat het rapport Peutz II geen rekening houdt met het gegeven dat het gebied aan de overzijde van Fase 3 bij de personeelsingang van het Bestuurscentrum deels wordt gebruikt als verblijfsgebied.

Reactie gemeente In de overeenkomst is geregeld dat bij de ontwikkeling van Fase 2 en 3 alle mogelijke maatregelen worden getroffen om het windklimaat voor alle voor de Rabobank relevante locaties op het niveau te houden van de uitgangssituatie, zoals omschreven in de rapportage van Peutz (opgenomen in bijlage II bij de Overeenkomst). Wij delen de constatering dat er ten opzichte van de uitgangssituatie van de Overeenkomst na realisatie van de bebouwing een gedeeltelijke verslechtering van het windklimaat ontstaat op voor indiener relevante meetpunten en zullen deze constatering hieronder specificeren. Deze constatering levert naar onze mening echter geen strijd op met de Overeenkomst omdat in het bestemmingsplan, in lijn met de Overeenkomst, een voorwaardelijk verplichting is opgenomen om maatregelen te nemen wanneer niet wordt voldaan aan de eisen voor het windklimaat. Bovendien worden met deze eerste wijziging van het bestemmingsplan Westflank Zuid de afspraken uit de overeenkomst juist wel gerespecteerd, nu het windklimaat dat ontstaat op grond van de 24

Datum Rapport

december 2024 Vaststellingsrapport bestemmingsplan Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening

planologische mogelijkheden uit deze eerste wijziging, veel beter is dan het windklimaat dat zou ontstaan op basis van de planologische mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan ‘Westflank Zuid, Stationsgebied’. Dit blijkt uit de vergelijking van onderstaande afbeelding 2 met de figuur II.6 uit het oude windonderzoek van Peutz van 7 augustus 2014, dat als bijlage is opgenomen bij de onderbouwing van het bestemmingsplan Westflank Zuid, Stationsgebied (hier niet opgenomen).’ Specificering verslechtering windklimaat op voor indiener relevante meetpunten: In de legenda op onderstaande afbeelding van de uitgangssituatie (afbeelding 1) is het niveau van de relevante locaties in de uitgangssituatie ingedeeld in de categorieën goed, matig of slecht windklimaat. Daarbij wordt een niet-verblijfsgebied, zoals een straat, beoordeeld op het criterium ‘doorlopen’ en een verblijfsgebied (stoep, plein, entree van het gebouw etc.) op het criterium 'slenteren’. Dat betekent dat voor het niveau ‘goed windklimaat’ de waarden op straat onder de 10 moeten blijven en op de stoep/plein onder de 5. Als we dan de uitgangssituatie vergelijken met de situatie bij drie torens van 90 meter (zie afbeelding 2) dan constateren we: -

-

Dat voor het verblijfsgebied het windklimaat iets verslechtert. Op 8 van de 10 meetpunten die voor de Rabobank relevant zijn, blijft het niveau gelijk: 5 meetpunten blijven 'goed’, 2 meetpunten blijven matig en 1 meetpunt blijft slecht, maar is bij de nieuwe meting (na realisatie van de torens) minder slecht dan in de uitgangssituatie. Op twee meetpunten zakt het niveau van ‘goed’ naar ‘matig’. Voor het niet-verblijfsgebied blijven alle meetpunten op 1 na, onder de waarde van 10 en daarmee op het niveau ‘goed’. Eén meetpunt heeft de waarde 10,6 en zakt daarmee naar het niveau ‘matig’.

Afbeelding 1: de uitgangssituatie uit de Overeenkomst

25/32

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Afbeelding 2: Windhinder en windgevaar in de 90-90-90 basissituatie uit het onderzoek van Peutz van 20 juni 2023.

26

Datum Rapport

december 2024 Vaststellingsrapport bestemmingsplan Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening

Hoogte toren fase 3 in relatie tot windklimaat

Het realiseren van een toren van 75 meter hoog in Fase 3 zal zorgen voor een duidelijk beter

27/32

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

windklimaat dan wanneer een toren van 90 meter hoog zal worden gerealiseerd in Fase 3. Nu het

ontwerpbestemmingsplan toch de mogelijkheid biedt voor een toren van 90 meter hoog, is naar het oordeel van indiener onvoldoende rekening gehouden met de afspraken inzake het te realiseren

windklimaat die in de Overeenkomst zijn opgenomen en met de belangen van indiener. Indiener begrijpt ook niet dat een toren van 90 meter hoog in fase 3 mogelijk gemaakt wordt in het bestemmingsplan.

Reactie gemeente: In het rapport van bureau Peutz van 20 juni 2023 (opgenomen in de bijlagen bij de plantoelichting) zijn de resultaten opgenomen in verschillende situaties, te weten bij een basissituatie van drie gebouwen van 90 meter hoog (figuur f 3.2), in een situatie waarin het gebouw van fase drie 75 meter hoog wordt (figuur f 3.4) en daarnaast in de 3x90 meter situatie met additionele begroeiing (figuur f 3.6). Uit deze figuren blijkt dat een gebouw van 75 meter hoog in plaats van 90 meter slechts voor een gedeelte van de voor indiener relevante meetpunten leidt tot lagere waardes. Met name aan de noordzijde zijn de waardes juist hoger en is het windklimaat dus slechter. De toren van 75 meter heeft met name een positief effect op het windklimaat aan het Knoopplein. Voorwaardelijke verplichting maatregelen windklimaat

Indiener geeft aan dat op grond van de Overeenkomst in ieder geval maatregelen genomen worden om hetzelfde windklimaat te waarborgen als in de 0-situatie. Artikel 7.2 van de regels bij het

ontwerpbestemmingsplan bevat weliswaar een voorwaardelijke verplichting dat het windklimaat

rondom de nieuwe bebouwing aan bepaalde eisen moet voldoen, maar hierin is niet opgenomen dat geen verslechtering mag plaatsvinden ten opzichte van de 0-situatie.

Reactie gemeente In artikel 7.2 worden de eisen voor het windklimaat voldoende geborgd. Deze eisen staan specifiek omschreven en daarnaast staan ook de maatregelen omschreven die genomen moeten worden als niet aan de eisen kan worden voldaan. Als het realiseren van een toren van 90 meter inderdaad meer maatregelen vergt, dan wordt er met de uitvoering van die maatregelen nog steeds voldaan aan de overeenkomst. Onvolledigheid rapport windhinder

Indiener geeft aan dat het Rapport Peutz II niet volledig zou zijn c.q. een best case scenario

weergeeft die een onderschatting vormt van de potentiële windhinder ter plaatse. In het onderzoek van bureau Peutz lijkt namelijk voort te vloeien dat in de 0-sitiuatie is uitgegaan van de volledige realisatie van het bestemmingsplan Beurskwartier. Dit bestemmingsplan is echter nog niet

onherroepelijk en de op de maquette opgenomen bebouwing in het Beurskwartier is nog niet

gerealiseerd en evenmin is verzekerd dat de desbetreffende bebouwing ook daadwerkelijk in deze vorm zal worden gerealiseerd.

Reactie gemeente: Na overleg met indiener op 28 maart 2024 is op verzoek van indiener in een mail van 30 april 2024 door de gemeente aangegeven dat Bureau Peutz bevestigt dat in het windhinderonderzoek dat is opgenomen bij het bestemmingsplan, de bebouwing van het Beurskwartier als gerealiseerd is beschouwd. Zij geeft aan dat in een eerder stadium van de ontwikkeling het windonderzoek ook zonder Beurskwartier is uitgevoerd/gemeten, maar dat deze resultaten niet representatief zijn voor het plan zoals het er nu ligt, vanwege wijzigingen in opzet en bouwhoogte van de Knoop. De conclusie uit deze eerdere onderzoeken was dat het Beurskwartier inderdaad een significante invloed heeft op het windklimaat rond de Knoop, doordat deze afscherming biedt van de dominante 28

Datum Rapport

december 2024 Vaststellingsrapport bestemmingsplan Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening

zuidwestelijke windrichtingen. Daarbij geeft het onderzoek aan dat de torens die het dichtst bij de Knoop zijn gelegen, hierin bepalend zijn. Deze torens zijn nu in aanbouw en zullen gerealiseerd zijn voordat de Knoopontwikkeling wordt gerealiseerd. Daarmee is het rapport dus gebaseerd op een realistisch scenario. Indiener geeft aan dat onvoldoende is onderzocht of de afwijking van de in de Overeenkomst vastgelegde afstanden, al dan niet in samenhang met de materialisatie van de gevel, het

windklimaat in het Plangebied, nabij het Bestuurscentrum, negatief zal beïnvloeden. Indiener geeft aan dat, hoewel de toegestane overkraging voor Fase 3 niet opschuift en de afstand tussen de overkraging en het Bestuurscentrum daarmee gelijk blijft, onvoldoende is onderbouwd wat de

effecten zijn van het opschuiven van de sokkel op het windklimaat ter plaatse en dat het ontwerp bestemmingsplan hiermee onzorgvuldig tot stand is gekomen. Indien dit wel kan worden

onderbouwd, zal indiener in beginsel geen moeite hebben met het verkleinen van de afstand zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan.

Reactie gemeente Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze en na overleg met indiener op 28 maart 2024 hebben wij op verzoek van indiener hebben wij advies gevraagd aan Bureau Peutz. Peutz geeft aan dat een verschuiving van de gevellijn van 93 centimeter geen noemenswaardig effect heeft op het windklimaat. De bouwmassa is bepalend voor het windklimaat en in het geval van fase 3 is dat toch met name de toren zelf. Door deze wijziging ziet bureau Peutz geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. Wij hebben deze conclusie in een mail van 30 april 2024 meegedeeld aan indiener. Indiener heeft daarop in haar mail van 27 mei 2024 aangegeven dat zij na nadere bestudering van de windhinderrapporten, concluderen dat de gemeten waarden in het laatste rapport niet of nauwelijks verslechteren ten opzichte van de 0-meting. Echter wel met de kanttekening dat nu wordt uitgegaan van realisatie van het Beurskwartier en met een slechtere uitkomst bij de 90 meter variant. Indiener geeft in deze mail aan dat zij op grond van het voorgaande ervan uitgaan, dat het ontwerpbestemmingsplan op het punt van windhinder niet in de weg staat aan de nakoming van de afspraken in de overeenkomst inzake herontwikkeling Westflank Zuid (hierna de Overeenkomst).

Indien dat uiteindelijk anders blijkt te zijn, zal het Rijksvastgoedbedrijf respectievelijk de gemeente Utrecht de in de Overeenkomst genoemde maatregelen dienen te treffen. Oók in de periode dat het Beurskwartier nog niet, of niet volledig, is gerealiseerd.

Conclusie: Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze is een gedeelte van de tekst van de toelichting in paragraaf 5.16 van het bestemmingsplan over windhinder aangepast. Zie de aanpassing onder 3.1.2.1. Daarnaast is er overleg gevoerd met indiener, waarna er

overeenstemming is bereikt over het feit dat het bestemmingsplan op het punt van windhinder niet strijdig is met de overeenkomst. 4.2.1.3 Inpandige balkons Indiener geeft aan dat in artikel 3.2 van de Overeenkomst is bepaald dat in Fase 3 in geen geval

externe balkons mogen worden gerealiseerd en dat het Voorontwerp onvoldoende rekening houdt met deze afspraak en met de ruimtelijke effecten die worden ondervonden indien geen inpandige,

maar externe balkons worden gerealiseerd. Door deze mogelijkheid toch te bieden, meent indiener dat niet alleen het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende in lijn is met de Overeenkomst, maar maakt indiener zich tevens zorgen over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan. Indiener is van mening dat de mogelijkheid in het

ontwerpbestemmingsplan om externe balkons te realiseren in Fase 3 geschrapt moet worden.

29/32

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

In de antwoordbrief van de gemeente van 29 november 2023 is toegelicht dat wanneer Fase 3 wordt gerealiseerd in de variant van 75 meter hoog, externe balkons in zijn geheel niet zijn toegestaan. Wanneer Fase 3 echter wordt gerealiseerd in de variant van 90 meter hoog, biedt het

ontwerpbestemmingsplan wél de mogelijkheid om ter hoogte van het woonprogramma externe loggia’s te realiseren met een maximale diepte van 1,5 meter.

Reactie gemeente: De gemeente heeft in haar antwoordbrief van 29 november 2023 aan indiener aangegeven dat het woongedeelte van het gebouw bij een hoogte van 90 meter terug komt te liggen ten opzichte van het kantoorgedeelte (set-back). De loggia's worden bij een gebouw van 90 meter weliswaar extern gerealiseerd, maar wel binnen de breedte van de setback. Daarmee zullen deze loggia's minder opvallend zijn, dan wanneer zij op het breedste punt aangebracht zouden worden. Bovendien gaat het om loggia's en niet om balkons. Loggia's zijn over het algemeen minder open dan balkons en hebben daardoor een minder rommelige uitstraling. Na overleg met indiener op 28 maart 2024 is door indiener in een mail van 27 mei 2024 aangegeven dat zij, vanwege de in de Overeenkomst gemaakte afspraken over windklimaat en inpandige balkons, pleiten voor een maximale hoogte in fase 3 van 75 meter. Verder geeft indiener daarin aan dat in artikel 3.2 van de Overeenkomst is afgesproken dat indiener zal worden betrokken bij het ontwerpproces van de zuidgevel van de toren in fase 3, omdat de vormgeving en materialisatie invloed zullen hebben op het windklimaat en dat zij uitgaan van het respecteren van de afspraken in de overeenkomst. Indiener geeft aan dat uit paragraaf 5.4 van de Toelichting blijkt dat de geluidsbelasting op het

Plangebied wegens omringende wegen een matige geluidkwaliteit veroorzaakt en indiener verwacht dat de ontsluitingsweg langs de Rabostraat effect zal hebben op de geluid- en luchtkwaliteit ter

hoogte van de externe balkons. Indiener geeft aan dat uit niets blijkt dat de gemeente deze effecten heeft meegewogen in de voorbereiding van het ontwerp bestemmingsplan.

Reactie gemeente: De kwalitatieve beoordeling van geluid gebeurt aan de hand van een indeling in categorieën, die loopt van ‘uitstekend’ tot ‘zeer slecht’. Een gecumuleerd geluidniveau van 51-55 dB heeft het label ‘redelijk’. Een geluidniveau van 56-60 dB kwalificeert als ‘matig’ en 61-65 dB als ‘tamelijk slecht’. Voor de stad Utrecht geldt dat meer dan de helft van de stad uitkomt boven een niveau van 55 dB. Daarmee scoren veel locaties dus al snel ‘matig’. Bij deze categorie ‘matig’ voldoen de individuele geluidbronnen doorgaans aan de wettelijke normen of bevinden zij zich binnen de redelijke afwijkingsmarge. Dat is voor deze locatie ook het geval en daarmee wordt de beoordeling van geluid dan ook als ’aanvaardbaar’ bestempeld. De geluidbronnen die onder de Wet geluidhinder vallen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai (spooremplacement) voldoen alle aan de voorkeursgrenswaarden. Dat betekent dat de geluidbelasting op de gehele bouwmassa, inclusief buitenruimten (loggia’s of balkons), onder de voorkeursgrenswaarden ligt en voldoet aan de wettelijke eisen. In paragraaf 5.4 van de toelichting op het bestemmingsplan en in het onderzoek ‘Akoestisch onderzoek geluid op gevels’ dat als bijlage 4 is toegevoegd aan deze toelichting, is bovenstaande conclusie uitgebreid onderbouwd.

Conclusie: Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze zijn geen wijzigingen opgenomen in het bestemmingsplan.

30

Datum Rapport

december 2024 Vaststellingsrapport bestemmingsplan Westflank Zuid, Stationsgebied 1e herziening

4.2.2 Verkeer

Indiener geeft aan dat zij de afgelopen jaren in meerdere procedures tegen door de Raad

vastgestelde bestemmingsplannen aandacht gevraagd voor haar zorgen over de bereikbaarheid van

het kantorencomplex van Rabobank aan de Croeselaan te Utrecht. Het is voor de bereikbaarheid van Rabobank essentieel dat de Van Zijstweg/Overste den Oudenlaan ondanks alle ontwikkelingen in

het Beurskwartier en Merwedekanaalzone, niet vastlopen en dat de Croeselaan via deze wegen goed bereikbaar blijft. Indiener geeft aan dat de gemeenteraad op basis van een onderzoek van Royal

Haskoning DHV (RDHV) uit 2018 meermaals de conclusie heeft getrokken dat deze bereikbaarheid niet in het geding komt bij het planologisch mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in het

stationsgebied. Volgens indiener heeft de gemeenteraad echter ten onrechte niet onderzocht of dit verouderde onderzoek uit 2018 ook ten grondslag kan worden gelegd aan het

ontwerpbestemmingsplan voor de ontwikkeling van fase 2 en 3 van de Knoop. Volgens indiener is

het onderzoek van RDHV inmiddels volledig achterhaald en niet meer bruikbaar. In dat onderzoek is bijvoorbeeld de ontwikkeling van Merwedekanaalzone nog niet meegenomen.

Reactie gemeente: In de studie van RHDHV voor het bestemmingsplan Busbaan Dichterswijk is rekening gehouden met een groot aantal ontwikkelingen aan de westkant van het Stationsgebied. Hierbij is rekening gehouden met de bestaande situatie, zoals het aankomst- en vertrekpatroon van autoverkeer van en naar de Rabobank. De basis van deze ontwikkeling vormde tevens het vigerende verkeersmodel VRU voor het jaar 2030, waarin voor de hele stad de geplande ontwikkelingen zijn meegenomen, zoals de Knoopkazerne, maar bijvoorbeeld ook de Merwedekanaalzone en de verdere groei van Leidsche Rijn. Op 1 december 2024 is het nieuwe verkeersmodel VRU 3.5 vastgesteld. De verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling voor de Knoop is ook doorgerekend op basis van het nieuwe model. De resultaten van VRU3.5 voor het jaar 2035 (VRU3.4 kent als prognosejaar 2030) voor dit bestemmingsplan zijn geanalyseerd en opgenomen in de tabel in paragraaf 4.2.1. De resultaten geven een wisselend beeld. Er zijn wegen in de omgeving die iets drukker worden, maar ook die rustiger worden in 2035 ten opzichte van de resultaten voor 2030. Het programma dat in de modellen VRU3.4 en VRU3.5 is doorgerekend is groter dan het programma dat in werkelijkheid wordt gerealiseerd.

Ook is er in beide verkeersmodellen geen rekening gehouden met een restrictief parkeerbeleid, zoals dat in het Mobiliteitsplan voor de Knoop is opgenomen. De berekening van de verkeersaantrekkende werking van het plan aan de hand van beide modellen is te typeren als een zogenaamd 'worst-case-scenario'. De verkeersaantrekkende werking van het te realiseren programma ligt in de praktijk lager, en wel om twee redenen: Ten eerste omdat het programma dat gerealiseerd zal gaan worden, kleiner is dan het programma waarmee de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf is berekend. Ten tweede omdat er sinds de vaststelling van de Parkeervisie 2021 lagere parkeernormen gelden en deze Parkeervisie ook mogelijkheden biedt om het aantal parkeerplaatsen voor dit gebied te beperken. Ten tijde van de berekeningen van de verkeersaantrekkende werking met VRU3.4 was dit beleid nog niet verwerkt in de modelberekeningen. Als er minder parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden, ligt ook het aantal verkeersbewegingen lager. We zien op grond van bovenstaande geen aanleiding om deze studie te actualiseren, omdat het bestemmingsplan ‘Westflank Zuid stationsgebied 1e herziening’ geen sprake is van substantiële wijziging in programma of functies, die onderdeel vormden van de studie uit 2018.

Conclusie: Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze zijn geen wijzigingen opgenomen in het bestemmingsplan.

31/32

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

4.2.3 Parkeren

Indiener geeft aan dat naar haar oordeel onvoldoende verzekerd is dat uit de plantoelichting niet blijkt dat onderzocht is of in het Plangebied voldoende parkeerplaatsen zullen (kunnen) worden gerealiseerd. De enkele abstracte verwijzing in de plantoelichting naar het gemeentelijke parkeerbeleid is volgens indiener in dit verband onvoldoende.

Daar komt volgens indiener bij dat de parkeerbehoefte is afgestemd op gebruik van de kantoren

door de Rijksoverheid en dat daarmee de parkeervraag niet is beoordeeld vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening, maar enkel van een bouwplanbenadering. Volgens indiener is dit niet correct omdat de plan-toelichting behoort uit te gaan van een realistische invulling van de

maximale planologische mogelijkheden. Volgens indiener is het vervoersbeleid van de Rijksoverheid (het stimuleren van duurzame mobiliteit) vanuit planologisch oogpunt niet relevant voor het

antwoord op de vraag in hoeveel parkeerplaatsen het Plangebied moet kunnen voorzien om de in

het plangebied te realiseren bebouwing van voldoende parkeerplaatsen te kunnen laten voorzien.

Reactie Gemeente: De Parkeervisie 2021 is het vigerende parkeerbeleid en maakt het mogelijk om een aantal afwijkingsmogelijkheden ten opzichte van de normatieve parkeereis toe te passen. Zo kan er extra ingezet worden op fietsparkeren, deelmobiliteit en parkeren op afstand. In de bijlages van het bestemmingsplan is een mobiliteitsplan opgenomen voor de gehele ontwikkeling van de Knoop. Hierbij is op basis van de beleidsregels bij de Parkeervisie 2021 onderbouwd waarom deze ontwikkeling minder parkeerplaatsen nodig heeft ten opzichte van de normatieve parkeervraag. Daarbij kan RVB sturen in het beschikbaar stellen van parkeerplaatsen aan de gebruikers van de kantoren. Dit biedt voldoende planologische zekerheid op het gebied van parkeren. Conclusie: Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze zijn geen wijzigingen opgenomen in het bestemmingsplan.

4.3 Conclusie Conclusie: Naar aanleiding van de zienswijzen zijn geen wijzigingen in de juridische regeling aangebracht en is wel een gedeelte van de tekst van de toelichting in paragraaf 5.16 van het bestemmingsplan over windhinder aangepast. Zie de aanpassing in hoofdstuk 3 van dit vaststellingsrapport, onder 3.1.2.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=9c875ec0-a7e0-464a-941c-6552c0dbeb66