CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport.docx

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 8 december 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan Algemene regels13.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Vaststellingsrapport

Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht

september 2022 (versie 8 september 2022)

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Inhoud vaststellingsrapport 1

INLEIDING ...........................................................................................................................................3 1.1 CHW BESTEMMINGSPLAN ALGEMENE REGELS UTRECHT ....................................................................................3 1.1.1 Doel...............................................................................................................................................3 1.2 DE OPBOUW VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT ...............................................................................................4 1.3 DE VASTSTELLINGSPROCEDURE ....................................................................................................................4 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen ...................................................................................4 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan ........................................................................................4 1.3.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen.........................................................................................4 1.3.4 Procedure voor de vaststelling......................................................................................................4 1.3.5 Belangrijkste wettelijke

bepalingen..............................................................................................5

2

SAMENVATTING..................................................................................................................................6 2.1 PROCEDUREEL ..........................................................................................................................................6 2.2 INHOUD VAN DE ZIENSWIJZEN ......................................................................................................................6 2.3 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP .............................................................................................6 2.3.1 Ambtshalve wijzigingen ................................................................................................................6 2.3.2 Regels en verbeelding (juridische regeling) ..................................................................................6 2.3.3 Toelichting en bijlagen (onderbouwing) .....................................................................................12 2.3.4 Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen .............................................................................14 2.3.5 Regels en verbeelding (juridische regeling) ................................................................................14 2.3.6 Toelichting en bijlagen (onderbouwing) .....................................................................................15

3

BEOORDELING VAN DE ZIENSWIJZEN ................................................................................................16 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8

Indiener 1 - Prorail ......................................................................................................................16 Indiener 2 - Elisabeth Beheer B.V................................................................................................21 Indiener 3 - Flink .........................................................................................................................24 Indiener 4 - Gorillas.....................................................................................................................27 Indiener 5 - Begraafplaats St. Barbara .......................................................................................28 Indiener 6 -..................................................................................................................................30 Indiener 7 - Getir .........................................................................................................................32 Indiener 8 - Gearbox Capital BV en Bomvast BV.........................................................................33

2

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

1 Inleiding 1.1 Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht We zijn ons in Utrecht al enige jaren aan het voorbereiden op de Omgevingswet. Een belangrijk doel van de Omgevingswet is meer maatwerk leveren voor de belangen en behoeftes van een bepaald gebied. We krijgen als gemeente meer te zeggen over de regels en de ruimte in onze stad. En dat geldt ook voor de bewoners en ondernemers. De instrumenten van de Omgevingswet, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan helpen daarbij. Op beleidsniveau is de Omgevingsvisie Utrecht samengesteld uit het al geldende beleid en waar nodig aangevuld met nieuw beleid. Op regelniveau zorgen we er met het bestemmingsplan Chwbestemmingsplan Algemene regels Utrecht (Chw staat voor 'Crisis- en herstelwet, zie ook de paragrafen 1.4.1 en 1.4.2) voor dat het werken met het nieuwe instrument omgevingsplan makkelijker wordt. Voorafgaand aan dit plan heeft de gemeenteraad de Chw-bestemmingsplannen Veldhuizen, Voordorp-Voorveldsepolder en Beurskwartier 1 vastgesteld. In die plannen is een nieuwe balans gezocht tussen regels die alleen op een bepaalde locatie werken en algemene regels. Dat heeft geleid tot vernieuwing en uitbreiding van de algemene regels en een vermindering van de locatiegebonden regels. Dat is in de geest van de Omgevingswet: minder regels, duidelijkere regels en de 'activiteiten' staan centraal.

Met dit plan wordt een vervolgstap gezet in het uniformeren van het Utrechtse bestemmingsplan. Voor 2029 moeten de regels over de leefomgeving die in gemeentelijke verordeningen staan, zoals bijvoorbeeld de kapregels in de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna APV), overgeheveld zijn naar het omgevingsplan. In dit plan staan de algemene regels die nodig zijn voor het planologische beheer van de gemeente. Dit bestemmingsplan is de voorloper van het omgevingsplan. In dit plan staan regels, over het bouwen, over het gebruiken van gebouwen (voor bijvoorbeeld wonen, bedrijven en winkels), het grondwerk (graven en archeologie) en het kappen van bomen die straks voor de hele gemeente Utrecht gaan gelden. Dit zorgt voor duidelijkheid en gelijke rechten voor initiatiefnemers. Om toe te werken naar de nieuwe Omgevingswet zijn de kapregels uit de APV en de regels uit de Verordening op de archeologische monumentenzorg opgenomen in dit bestemmingsplan. 1.1.1

Doel

1.1.1.1 Doelstelling In dit plan staan de algemene regels die nodig zijn voor het planologische beheer van de gemeente. Het plan zorgt daarmee voor de uniformering van de regels van de bestemmingsplannen. Als voorbereidingsoefening op de Omgevingswet worden de regels uit de kapverordening en de regels uit de Verordening op de archeologische monumentenzorg overgezet naar dit plan. 1.1.1.2 Plaats en grens van het plangebied Het plangebied beslaat de hele gemeente, met uitzondering van gebieden waarvoor ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp een beheersverordening geldt en gebieden waarvoor een bestemmingsplan in voorbereiding is. 1.1.1.3 Regelingen die worden vervangen Dit plan vervangt in het plangebied de onderstaande plannen. Bestemmingsplan

Vastgesteld door Raad

Onherroepelijk

Chw Bestemmingsplan Algemene

30 november 2017

ja

regels over bouwen en gebruik

3/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

1.2 De opbouw van het vaststellingsrapport

In hoofdstuk 2 wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van dit rapport. Wijzigingen die naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve gemaakt zijn in paragraaf 2.3 opgesomd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de juridische regeling, die is vastgelegd in de regels met de bijbehorende verbeelding, en de onderbouwing van de juridische regeling, die in de toelichting bij het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij wordt gegeven. Dat onderscheid is nodig, omdat belanghebbenden die geen zienswijze hebben ingediend beroep mogen instellen tegen wijzigingen van de juridische regeling. Tegen een wijziging van de onderbouwing kan in beginsel geen beroep ingesteld worden. Het verbeteren van kennelijke fouten, van de redactie of van interpunctie wordt niet vermeld. In hoofdstuk 3 worden de zienswijzen behandeld. De zienswijzen zijn samengevat en per onderwerp van een reactie voorzien. De behandeling van elke zienswijze eindigt met een conclusie waarin wordt aangegeven of naar aanleiding van de zienswijze het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd wordt of niet. In het geval van een wijziging verwijst de conclusie naar de paragraaf in hoofdstuk 2 waarin de wijziging is weergegeven.

1.3 De vaststellingsprocedure 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 28 januari 2022 tot en met donderdag 10 maart 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen over het ontwerp aangeboden worden aan de gemeenteraad. 1.3.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan Er zijn binnen de termijn 8 zienswijzen ingediend. Alle zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke vereisten. 1.3.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen Een zienswijze bevat de mening van een indiener. De meningen in een zienswijze of de zienswijze zelf zijn nooit goed, fout, gegrond of ongegrond. Elke zienswijze wordt zorgvuldig bestudeerd, om te bezien of het ontwerpbestemmingsplan aangepast moet worden. Als een zienswijze vragen bevat, worden die in dit vaststellingsrapport zo mogelijk beantwoord. In dit rapport worden alleen de samenvattingen van zienswijzen opgenomen. In verband met de privacy van indieners worden de zienswijzen niet openbaar gemaakt. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad krijgen wel van alle zienswijzen een kopie toegestuurd, zodat zij de volledige zienswijze kunnen lezen en bijvoorbeeld kunnen nagaan waar de indiener woont.

Als een zienswijze niet aan de wettelijke eisen voldoet, wordt de indiener, als haar of zijn adres bekend is, in de gelegenheid gesteld om daar alsnog voor te zorgen. Bij een te laat ingediende zienswijze wordt alleen aan de wettelijke eis voldaan, als de indiener kan aantonen dat het op tijd indienen redelijkerwijs niet mogelijk was. Zienswijzen die uiteindelijk nog steeds niet aan de wettelijke eisen voldoen worden buiten behandeling gelaten. Deze wordt echter ook naar de gemeenteraad, zodat de raad kennis kan nemen van de zienswijze. 1.3.4 Procedure voor de vaststelling Het college van burgemeester en wethouders bereidt de vaststelling van het bestemmingsplan voor. De voorbereiding bestaat uit de beoordeling van de zienswijzen en of het ontwerpbestemmingsplan nog aangepast moet worden. Dat kan naar aanleiding van de zienswijzen, maar ook ambtshalve.

4

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

Vervolgens stelt het college de gemeenteraad voor het bestemmingsplan, zo nodig met wijzigingen ten opzichte van het ontwerp, vast te stellen. De gemeenteraad kan de indieners van zienswijzen in de gelegenheid stellen om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten. Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan betrokken zijn. Voordat de voltallige gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, wordt het voorstel van het college besproken in de commissie Ruimtelijke Ontwikkeling, Grondzaken en Vastgoed. In de commissie vindt een politieke discussie plaats. De verantwoordelijke wethouder is daarbij aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de mening van de leden van de raadscommissie. De commissie bepaalt of een nadere bespreking in de gemeenteraad nog nodig is of dat het bestemmingsplan als hamerstuk geagendeerd kan worden. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet als hamerstuk, vast. 1.3.5 Belangrijkste wettelijke bepalingen De vaststellingsprocedure is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel verwijst weer naar Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde uniforme, openbare voorbereidingsprocedure.

Op grond van artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht moeten zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken worden ingediend. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bij verzending per post een zienswijze op tijd ingediend, als hij voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de zienswijze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De grondslag voor een bestemminsplan met verbrede reikwijdte is het Besluit Crisis en herstelwet. Op grond van artikel 7c van het Besluit Chw kunnen onder andere regels in het bestemmingsplan worden opgenomen over het behouden of maken van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In de vakliteratuur spreekt men van 'een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. Met 'verbreed' wordt dan bedoeld: niet alleen 'een goede ruimtelijke ordening' (bestemmingsplan), maar ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Met het opnemen van regels over het kappen van een boom is dit plan ook "breder" dan een gewoon bestemmingsplan.

5/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2 Samenvatting 2.1 Procedureel Er zijn 8 zienswijzen binnengekomen als reactie op het ontwerpbestemmingsplan. Alle zienswijzen voldoen aan de wettelijke eisen en zijn ontvankelijk. In dit document is een samenvatting van alle ingediende zienswijzen over het ontwerp Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht opgenomen. Op grond van de Wet open overheid kennen wij aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 3.1 in samenhang met artikel 5.1 Woo) een groter belang toe dan het belang van openbaarmaking van deze (herleidbare) persoonsgegevens. Daarom is een zakelijke en niet tot personen te herleiden samenvatting van alle ingediende zienswijzen, met de beantwoording daarvan, opgenomen in het vaststellingsrapport.

2.2 Inhoud van de zienswijzen

Er zijn 8 zienswijzen binnengekomen. Van deze zienswijzen gaan 3 zienswijzen over detailhandel en flitsbezorging, 2 zienswijzen gaan over de woningvorming- en splitsing en 2 zienswijzen gaan over de regels over archeologie. De laatste zienswijze gaat over de bescherming van de belangen van het spoor. De zienswijzen zijn allen samengevat en beoordeeld in hoofdstuk 3 van dit vaststellingsrapport.

2.3 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp

Hieronder worden eerst de ambtshalve wijzigingen benoemd en vervolgens worden de wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen beschreven. In beide gevallen is een onderscheid gemaakt in de wijzigingen die over de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan (de juridische regeling) gaan en die gaan over de onderbouwing bij het bestemmingsplan (de toelichting en de bijlagen daarbij). 2.3.1

Ambtshalve wijzigingen

2.3.2

Regels en verbeelding (juridische regeling)

Regels

2.3.2.1 Artikel 1.12 bevat het begrip Bedrijfsvloeroppervlak. De inhoud van dit artikel wordt verplaatst naar artikel 2.3. Dit is de wijze van meten over Oppervlakte. Het begrip bedrijfsvloeroppervlak past qua opbouw en structuur van de regels beter in artikel 2.3. 2.3.2.2 Artikel 1.40 bevat het begrip kantoor. Dit begrip is voor de toepassing van dit bestemmingsplan niet nodig en wordt daarom verwijderd. 2.3.2.3 De titel van artikel 2, lid 2.1 wordt gewijzigd in: Hoogte- en dieptematen. Dit dekt beter de inhoud van dit artikel. 2.3.2.4 Aan artikel 2, lid 2.1 wordt een vierde onderdeel toegevoegd: 4. verticale bouwdiepte: vanaf het peil tot aan het laagste punt van een ondergronds bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals funderingen, heipalen of daarmee vergelijkbare bouwonderdelen. Als de vloer het laagste punt is dan geldt de onderkant van de vloer.

6

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

Deze regel is nodig voor het meten van ondergrondse bouwwerken, zoals ondergrondse parkeergarages. 2.3.2.5 Ter verduidelijking van de werking van dit plan is het bestaande lid 3.1 in artikel 3 verwijderd: 3.1 Verhouding eerder vastgestelde bestemmingsplannen 1. Voor bestemmingsplannen die eerder zijn vastgesteld dan dit plan, gelden de volgende regels: a. de regels uit de hoofdstukken 3, 4 en 5 treden in de plaats van algemene bestemmingsplanregels die in een hoofdstuk met de titel Algemene Regels van een bestemmingsplan staan; b. artikel 2, lid 2.5, van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen. 2. De hoofdstukken 3, 4 en 5 treden in de plaats van de hoofdstukken 3, 4 en 5 van de volgende bestemmingsplannen, waarbij op 1 juli 2022 ook de in die plannen aangeduide zones 'overige zone - archeologische verwachting [nummer]' vervallen: a. Chw bestemmingsplan Veldhuizen, De Meern; b. Chw bestemmingsplan Voordorp - Voorveldsepolder; c. Chw bestemmingsplan Beurskwartier 1; d. Chw bestemmingsplan, Merwedekanaalzone deelgebied 5, Europalaan fase 1. 3. Artikel 2 van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen die onder 1 en 2 genoemd zijn. Als in een eerder vastgesteld bestemmingsplan een meetregel staat die afwijkt van een regel in de leden 2.1 tot en met 2.4, dan wordt de meetregel van het eerder vastgestelde bestemmingsplan toegepast. 4.

Hoofdstuk 6 van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen die onder 1 en 2 genoemd zijn. En vervangen door: 3.1 Verhouding eerder vastgestelde plannen 1. Voor bestemmingsplannen die eerder zijn vastgesteld dan dit plan, gelden de volgende regels: a.

de regels uit de hoofdstukken 3, 4 en 5 van dit plan treden in de plaats van: 

algemene bestemmingsplanregels in een hoofdstuk met de titel Algemene Regels van een bestemmingsplan;

 b. c.

de hoofdstukken 3, 4 en 5 van een bestemmingsplan die als Chw bestemmingsplan is vastgesteld;

artikel 2, lid 2.5, van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen;

in afwijking van onderdeel 1a blijft een algemene regel in een bestemmingsplan van toepassing, indien:  

het onderwerp waar de regel betrekking op heeft niet in dit plan is geregeld;

overeenkomstig artikel 4, lid 4.1, een regel in hoofdstuk 4 van dit plan niet te

verenigen is met een regel in hoofdstuk 2 van een vastgesteld bestemmingsplan over de toegewezen functie;  2.

3.

er geen correcte verwijzing meer ontstaat naar een artikel, uitsluitend bij de toepassing van de bijbehorende regel over een functie/bestemming in hoofdstuk 2.

Artikel 2 van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen. Als in een eerder

vastgesteld bestemmingsplan een meetregel staat die afwijkt van een regel in de leden 2.1 tot en met 2.4, dan wordt de meetregel van het eerder vastgestelde bestemmingsplan toegepast. Hoofdstuk 6 van dit plan is van toepassing op alle bestemmingsplannen.

2.3.2.6 Voor de digitale raadpleegbaarheid van het plan is lid 3.3 in artikel 3 toegevoegd. Dit lid luidt als volgt: 3.3 Overige zone – Algemene regels Utrecht In de zone ''overige zone – Algemene regels Utrecht' gelden de regels van dit bestemmingsplan in de gevallen die in artikel 3 lid 3.1 zijn aangewezen.

7/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2.3.2.7 Ter verduidelijking wordt in artikel 4.3 de zinsnede “met toepassing van lid 4.1’’ geschrapt. 2.3.2.8 Ter verduidelijking en uitvoerbaarheid van de regels die het bouwen van een dakopbouw zonder vergunning, met behoud van de ruimtelijke kwaliteit, mogelijk maken, zijn de artikelen 6.3 en 6.4 verwijderd en vervangen door onderstaande artikelen. Voor een initiatiefnemer is nu onder andere duidelijk wanneer een dakopbouw past in het straatbeeld. Indien de gewenste dakopbouw niet past binnen deze voorwaarden, kan het college afwijken met een vergunning en alsnog medewerking verlenen. Dit is maatwerk. Het bestaande lid 6.3 is verwijderd: 6.3 Dakopbouwen in de 'overige zone - bouwen' Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' is voor het bouwen van een dakopbouw op een woning geen vergunning nodig op grond van dit plan, als die dakopbouw voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. de locatie van het hoofdgebouw is niet aangeduid als overige zone - omgevingskwaliteit en op de locatie geldt geen functie die het bouwen verbiedt; 2. het perceel van de woning grenst alleen aan de voorzijde aan de openbare ruimte; 3. het hoofdgebouw is geen hoekpand; 4. het hoofdgebouw heeft een plat dak; 5. het hoofdgebouw bestaat uit 2 bouwlagen; 6. de dakopbouw wordt op de bovenste bouwlaag gebouwd; 7. de dakopbouw heeft niet tot gevolg dat een extra bouwlaag ontstaat; 8.

het is niet de eerste dakopbouw van een rij woningen van hetzelfde type; 9. de dakopbouw is even hoog en ligt even ver terug als eerder gerealiseerde dakopbouwen op woningen van hetzelfde type in de rij of op eenzelfde type woning elders in het plangebied en sluit daar zoveel mogelijk op aan in vorm, afmeting, detaillering en materiaalgebruik. En vervangen door: 6.3 Dakopbouwen in de ‘overige zone – bouwen’ 1. Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' in de gebieden Voordorp,

Veldhuizen en De Balije is het bouwen van een dakopbouw op een woning toegestaan, mits deze voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

de locatie van het hoofdgebouw is niet aangeduid als 'overige zone -omgevingskwaliteit' en

b.

het perceel van de woning grenst alleen aan de voorzijde aan de openbare ruimte;

c.

het hoofdgebouw is geen hoekpand of beëindiging van een rij;

e.

het hoofdgebouw bestaat uit 2 bouwlagen;

d. f.

g. h. i. 2.

op de locatie geldt geen functie die het bouwen verbiedt;

het hoofdgebouw heeft een volledig plat dak;

de dakopbouw wordt op de bovenste bouwlaag gebouwd;

de dakopbouw heeft niet tot gevolg dat een extra bouwlaag ontstaat;

het is niet de eerste dakopbouw van een rij woningen van hetzelfde type;

de dakopbouw is identiek aan een vergunde dakopbouw op eenzelfde type woning in de rij

gelet op hoogte, ligging in het dakvlak, vorm, afmeting, detaillering en materiaalgebruik. Burgemeester en wethouders kunnen met een vergunning afwijken van de regel in 6.3.1 onder i, voor zover de beoogde ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast.

Het bestaande lid 6.4 is verwijderd: 6.4 Dakterrassen 1. Dakterrassen zijn alleen toegestaan op de locaties die in dit lid zijn aangegeven. Op dakterrassen zijn geen gebouwen toegestaan.

8

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

2. Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die uit bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, als het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het dakterras hoort bij een woning; b. het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag; c. het hek om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter; d. op een locatie die op de kaart Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen is aangegeven heeft het dakterras een diepte van maximaal 3 meter, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw. 3. Dakterrassen op hoofdgebouwen op een locatie die met een gele kleur op de kaart Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen is aangeduid, zijn alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van een dakterras mag niet meer bedragen dan 20 m2; b. de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de wegzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 3 meter; c. de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de achterzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 2 meter; d. de afstand van een dakterras tot de dakrand van het hoofdgebouw bij een aan het openbaar gebied grenzende zijgevel bedraagt tenminste 3 meter; e.

de afstand van een dakterras tot de dakrand, grenzend aan een lager gelegen, aangrenzend, ander hoofdgebouw, bedraagt tenminste 1 meter f. een hek om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter. En vervangen door: 6.4 Dakterrassen 1.

Dakterrassen zijn alleen toegestaan op de locaties, die in de onderdelen van dit lid 6.4 zijn

2.

Op dakterrassen zijn geen gebouwen toegestaan, alleen hekwerk of borstwering.

3.

aangegeven.

Op een locatie met de aanduiding 'overige zone - bouwen' in de gebieden Voordorp,

Veldhuizen en De Balije is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, mits het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

het dakterras hoort bij een woning, gelegen binnen hetzelfde perceel;

c.

het hek of de borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter, gemeten vanaf de

b.

d. 4.

het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag; bovenkant vloer van het dakterras;

het dakterras heeft een diepte van maximaal 3 meter, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw.

Op een locatie die op de kaart Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen' is

aangegeven, is een dakterras toegestaan op een aan- of uitbouw die bestaat uit één bouwlaag of op het deel van het hoofdgebouw dat één bouwlaag op de begane grond heeft, mits het dakterras voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

het dakterras hoort bij een woning, gelegen binnen hetzelfde perceel;

c.

het hek of borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter, gemeten vanaf de

b.

d. 5.

het hoofdgebouw heeft meer dan één bouwlaag; bovenkant vloer van het dakterras;

het dakterras heeft een diepte van maximaal 3 meter, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw.

Dakterrassen op hoofdgebouwen op een locatie die met een gele kleur op de

kaart Dakterrassen Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen is aangeduid, zijn alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

9/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

a.

b. c. d. e. f.

de oppervlakte van een dakterras mag niet meer bedragen dan 20 m2;

de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de wegzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 3 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand aan de achterzijde van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 2 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand van het hoofdgebouw bij een aan het openbaar gebied grenzende zijgevel bedraagt tenminste 3 meter;

de afstand van een dakterras tot de dakrand, grenzend aan een lager gelegen, aangrenzend, ander hoofdgebouw, bedraagt tenminste 1 meter;

een hek of borstwering om het dakterras is niet hoger dan 1,2 meter.

2.3.2.9 In artikel 12.2 onder 4 wordt ‘een woonboot en een woonwagen’’ toegevoegd. Hierdoor is het ook toegestaan om in een woonboot of in een woonwagen te wonen. 2.3.2.10 Redactionele aanpassing van artikel 12, lid 12.2, lid 12.3, 12.4 en 12.6 waardoor de leesbaarheid beter wordt. In artikel 12, lid 12.2, onder 4, is na “onder 1” het woordje “is” verwijderd. In artikel 12, lid 12.2, onder 5, is de tekst van het ontwerp in onderdeel a: “als het wonen in onzelfstandige woonruimte, na toepassing van lid 14.1, past binnen het doel van de functie” aan de tekst in de aanhef van lid 12.2, onder 5, toegevoegd en is onderdeel a vervangen door een nieuwe tekst, luidende: ‘als de eigenaar van de woning deze verhuurt aan maximaal twee personen,’ Deze wijziging is in overstemming met het door de gemeenteraad vastgestelde beleid voor

omzetten en splitsen en de door het college vastgestelde ‘Beleidsregels voor wijziging van de

woonruimtevoorraad. In artikel 12, lid 12.3, onder 3c, en lid 12.6, onder 4c, is de tekst van het ontwerp: “het verkeer en de parkeersituatie” vervangen door de volgende tekst: ‘’de verkeers- of parkeersituatie’’. Dit is een redactionele verbetering. Aan de naam van de beleidsregels wordt “gemeente Utrecht” toegevoegd, conform de vermelding op lokaleregelgeving.overheid.nl. In artikel 12, lid 12.4, onder 2 is “aangeven” vervangen door: ‘aangegeven’’. Aanpassing artikel 12, lid 12.4, correctie verwijzing in onderdeel 2 In artikel 12, lid 12.4, onder 2 wordt de tekst van het ontwerp: “In afwijking van de regel onder 1e, kunnen de burgemeester” vervangen door de volgende tekst: In afwijking van de regel onder 1g, kunnen burgemeester. Artikel 12, lid 12.6 onder 2, wordt gewijzigd. De tekst onder 2 wordt verwijderd en vervangen door een nieuwe betere tekst. De volgende tekst wordt verwijderd: ‘een verandering die tot gevolg heeft dat er een nieuwe woning ontstaat is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. het gebruiksoppervlak van de woonruimten in één woning bedraagt minimaal 50m2 of, als de woning binnen de singels van de historische binnenstad ligt, minimaal 40m2 en b. de woonruimten voldoen aan de normen van NEN 5077 voor luchtgeluidsisolatie voor woning scheidende constructies (horizontaal/verticaal) van gebruiksruimte.’ En vervangen door:

‘een verandering die tot gevolg heeft dat er een nieuwe woning ontstaat is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a.

het gebruiksoppervlak van de woonruimten in één woning bedraagt minimaal 50m2 of, als de woning binnen de singels van de historische binnenstad ligt, minimaal 40m2 en

10

Datum Rapport

b.

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

er wordt aangesloten bij de geluidsnormen die gelden bij nieuwbouw; de om te zetten of te vormen woonruimte moet overeenkomstig NEN 5077:2019 voldoen aan: 

minimaal 52 dB voor luchtgeluidsisolatie (DnT,A,k) voor woningscheidende constructies (horizontaal/verticaal) van een verblijfsruimte en een besloten ruimte van een aangrenzende (woon)functie en

 c.

minimaal 47 dB voor luchtgeluidsisolatie (DnT,A,k) bij twee niet in een verblijfsgebied

gelegen besloten ruimtes van aangrenzende (woon)functies. Burgemeester en wethouders kunnen, indien blijkt dat na het treffen van voorzieningen de benodigde geluidsisolatie niet wordt behaald, afwijken van onderdeel 2b.

2.3.2.11 In artikel 14.2 onder 1 en onder 2 wordt het woord ‘kantoorvloeroppervlakte’ verwijderd en vervangen door ‘oppervlakte van de kantoorruimte’. Door deze aanpassing is dit artikel beter leesbaar en duidelijker. 2.3.2.12 In artikel 18, lid 18.1, onder 4 wordt het onderdeel ‘anders dan normaal graafwerk’ verwijderd, omdat deze toevoeging onnodig is. 2.3.2.13 In artikel 19 wordt de zin ‘Dit artikel treedt in werking op 1 juli 2022. Tot die datum blijven de vergelijkbare bepalingen in de Verordening op de archeologische monumentenzorg van toepassing.’ verwijderd. Deze zin is niet meer nodig, omdat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld. 2.3.2.14 In artikel 19, lid 19.1, onder 3 wordt de zinsnede ‘of voor onderzoek naar bodemkwaliteit’ verwijderd, omdat dit onjuist is. 2.3.2.15 In artikel 19, lid 19.2 wordt onder 1 t/m 5 de zinsnede ‘beneden een diepte van’ vervangen door ‘dieper dan’. Deze schrijfwijze is duidelijker. 2.3.2.16 In artikel 19, lid 19.3, onder 2 wordt de zinsnede ‘de locatie en het oppervlak van de verstoring de totale verstoring van het project bepalend’ vervangen door ‘is voor het bepalen van de verstoring de totale verstoring (oppervlak en/of diepte) van het gehele project bepalend’ Deze schrijfwijze is duidelijker. 2.3.2.17 In artikel 19, lid 19.4, onder 5 wordt de term ‘opgravingen’ vervangen door de term ‘archeologisch onderzoek’.

Deze term dekt de gewenste lading beter. 2.3.2.18 In artikel 20, lid 20.1.2. onder f wordt de zinsnede ‘op grond van artikel 4:7 lid 3 sub a van de Algemene Plaatselijke Verordening’ verwijderd, omdat dit onjuist is. 2.3.2.19 Aanpassing artikel 20, lid 20.4, verduidelijking van onderdeel 2 In artikel 20, lid 20.4, wordt onder 2 het woord “Hierbij” vervangen door: Bij het bepalen van een locatie voor herplant. De leesbaarheid wordt hiermee beter. 2.3.2.20 Aan artikel 20 worden twee nieuwe leden toegevoegd, lid 20.7 en lid 20.8. Lid 20.7 wordt toegevoegd, omdat deze regel over de herplantplicht bij het kappen ook een regel is over de fysieke leefomgeving en onder de reikwijdte van de Omgevingswet valt. Deze regel uit de APV is abusievelijk niet opgenomen bij het ontwerpplan. Lid 20.8 is nodig voor het overgangsrecht voor lopende aanvragen en vergunningen. Hieronder zijn deze nieuwe leden opgenomen. Lid 20.7 Herplantplicht zonder vergunning 1. Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de

11/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen 2.

3.

binnen een door hen te stellen termijn.

Wordt een verplichting als bedoeld onder 1 opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van

voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die 4.

bedreiging wordt weggenomen.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld onder 1, 2 of 3 is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Lid 20.8 Overgangsrecht De bepalingen van afdeling 4.3 van de Algemene plaatselijke verordening, zoals deze luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding dit bestemmingsplan, zijn van toepassing op: 1.

besluiten en de daaraan verbonden voorschriften die zijn verleend voorafgaand aan de

2.

aanvragen om vergunning die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit

inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

bestemmingsplan, maar die na inwerkingtreding worden afgehandeld.

Verbeelding

2.3.2.21 De verbeelding wordt aangepast, zodat de bebouwde kom in het kader van de Boswet (bebouwingscontour houtkap) op de juiste wijze wordt aangegeven. 2.3.2.22 Aan de verbeelding is de aanduiding ‘overige zone – Algemene regels Utrecht’ toegevoegd, zodat bij het digitaal raadplegen van het plan, duidelijk is welke regels van toepassing zijn. 2.3.2.23 In het ontwerp ontbrak de ‘overige zone – omgevingskwaliteit’ op de verbeelding. Deze zone die voorkomt in de wijken Voordorp en Veldhuizen is alsnog toegevoegd. In de Lijst van omgevingskwaliteiten, bijlage 3 bij de regels, staan de adressen die binnen die zone vallen. 2.3.2.24 De verbeelding is aangepast, zodat het bestemmingsplan niet van toepassing is op het bestemmingsplan “Lage Weide”. Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op 22 september 2022 heeft de afdeling het raadsbesluit tot vaststelling van dit plan vernietigd en besloten dat het bestemmingsplan nog blijft gelden, totdat er een nieuw besluit is genomen door de raad. Gelet op deze uitspraak en de lopende gerechtelijke procedure, is het onwenselijk dat dit Chw bestemmingsplan het bestemmingsplan voor Lage Weide vervangt.

2.3.2.25 Verder zijn nog enkele kleine, redactionele verbeteringen doorgevoerd die geen effect op de inhoud hebben, zoals verbeteringen van verwijzingen naar bijlagen en verbeteringen van de titels van artikelen en artikelleden.

12

Datum Rapport

2.3.3

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

Toelichting en bijlagen (onderbouwing)

Toelichting

2.3.3.1 Aan de tekst van paragraaf 1.3.1 wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ‘, met uitzondering van de regels over de activiteit detailhandel: zie paragraaf 2.5.4’ 2.3.3.2 De tekst in paragraaf 2.3 is gewijzigd, omdat artikel 3, lid 3.1 van de regels is gewijzigd. De volgende tekst wordt verwijderd: ‘is vergelijkbaar met onderdeel 1. Voor de Chw bestemmingsplannen is een regel toegevoegd over de zones die aangeven hoe hoog de verwachting op archeologische vondsten is. De toevoeging is nodig, omdat de zones van dit plan niet samenvallen met de zones van de Chw bestemmingsplannen. Zie ook: paragraaf 2.6.’ En vervangen door: ‘regelt ook dat in bepaalde situaties de algemene regel in een eerder vastgesteld bestemmingsplan toch van toepassing is, omdat er bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 van de regels wordt verwezen naar een algemene regel in hoofdstuk 3.’ 2.3.3.3 Ten aanzien van lid 3.3 is onderstaande tekst toegevoegd:

‘Lid 3.3 Overige zone - Algemene regels Utrecht

Dit lid is opgenomen om de digitale raadpleegbaarheid van dit bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl te verbeteren.’ 2.3.3.4 In paragraaf 2.4 is als gevolg van de wijzigingen in lid 4.3 en 6.3 de tekst aangepast en verduidelijkt. In 2.4.2 is de tekst: ’Het legale bouwwerk wordt geacht in overeenstemming te zijn met de regels die dit bestemmingsplan over de activiteit bouwen stelt.’ toegevoegd en de tekst: ‘De verwijzing naar lid 4.1 geeft aan dat lid 4.3 buiten toepassing moet blijven als een regel bij een functie (bestemming) bepaalt dat een bepaald gebouw niet in overeenstemming met de functie is. Zo'n regel kan in transformatiegebieden voorkomen.’ geschrapt. In 2.4.4 is de volgende tekst: ‘Als er geen trendsetter is of de gewenste dakopbouw past niet in de voorwaarden, dan kan een dakopbouw vergund worden op grond van lid 6.3 onder 2 of artikel 7 of met een omgevingsvergunning waarmee van het plan mag worden afgeweken.’ 2.3.3.5 Bij de tekst in paragraaf 2.6 over artikel 19 worden de zinnen ‘De verplaatsing van de regels heeft als gevolg dat de legesverordening moet worden aangepast, om nog leges te kunnen heffen voor de archeologievergunning. De betreffende aanpassing kan pas per 1 juli 2022 gedaan worden, wat ook de datum is waarop de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt. De regels in dit artikel treden daarom ook pas op die datum in werking.’ verwijderd.

2.3.3.6 Aanpassing § 2.2 van de toelichting In §2.2 is de verwijzing naar de bijlage met begrippen verwijderd. De begrippen zijn namelijk direct in de regels geplaatst om de raadpleegbaarheid te verhogen en om verwijzingen met een link naar de begrippen mogelijk te maken. 2.3.3.7 Aanpassing § 1.2.3 van de toelichting De verwijzing naar de beleidsregels met parkeernormen is geactualiseerd en luidt nu: Bij de vaststelling van dit plan staan die beleidsregels in de Beleidsregel parkeernormen fiets 2021 gemeente Utrecht en de Beleidsregel parkeernormen auto 2021 gemeente Utrecht. 2.3.3.8 Aanpassing § 2.5.3.4 van de toelichting In deze paragraaf is in verband met de wijziging in artikel 12.2 de volgende tekst toegevoegd: ‘De regel onder 5a regelt dat onzelfstandige bewoning is toegestaan, wanneer de eigenaar zelf niet in de woning woont en deze verhuurt aan maximaal twee personen (met afzonderlijke huishoudens). Deze verhuursituatie is vergunningsvrij op grond van het door de gemeenteraad vastgestelde beleid

13/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

voor omzetten en splitsen en de door het college vastgestelde ‘Beleidsregels voor wijziging van de woonruimtevoorraad.” 2.3.3.9 Aanpassing van § 2.5.3.7 van de toelichting. Aan de voorlaatste alinea is de volgende tekst toegevoegd: ‘’Sinds 1 januari 2021 is particuliere vakantieverhuur wettelijk geregeld in de gewijzigde Huisvestingswet en valt nu -net als Bed and Breakfast- onder de regeling voor toeristische verhuur. Sinds 1 juli 2021 geldt op grond van de Huisvestingsverordening voor zowel particuliere vakantieverhuur als voor Bed & Breakfast een registratieplicht’’. 2.3.3.10 In paragraaf 2.6 is bij de toelichting van artikel 19 onderstaande tekst verwijderd, omdat dit een separaat raadsbesluit betreft: De verplaatsing van de regels heeft als gevolg dat de legesverordening moet worden aangepast, om nog leges te kunnen heffen voor de archeologievergunning. De betreffende aanpassing kan pas per 1 juli 2022 gedaan worden, wat ook de datum is waarop de Omgevingswet naar verwachting in werking treedt. De regels in dit artikel treden daarom ook pas op die datum in werking.

2.3.3.11 Bij de tekst in paragraaf 2.7.1 wordt de zin ‘Het artikel geldt in ieder geval voor houtopstanden die binnen de bebouwingscontour houtkap (zie hieronder de toelichting van lid 20.6 zie paragraaf 2.7.6) staan.’ verwijderd 2.3.3.12 Bij de tekst in paragraaf 2.7.6 over lid 20.6 Bebouwingscontour wordt de zinsnede ‘Buiten deze contour gelden de gemeentelijke regels over houtopstanden. Buiten die bebouwingscontour mogen gemeenten ook regels stellen voor die houtopstanden waarover geen rijksregels zijn gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (paragraaf 11.3.2).’ vervangen door ‘In de zone buiten de bebouwingscontour houtkap is de gemeente ook bevoegd, tenzij in de Rijksregels (paragraaf 11.3.2 Besluit activiteiten leefomgeving) over houtopstanden, de Provincie als bevoegd gezag is aangewezen.’ 2.3.3.12 Aanpassing paragraaf 2.9.1 over de Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving De toelichting op de Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving is in het ontwerpbestemmingsplan achter de lijst opgenomen. In de vast te stellen versie is die toelichting verplaatst naar paragraaf 2.9.1 en geactualiseerd, zodat de toelichting van de regels en van bijlagen die daarbij horen in hetzelfde hoofdstuk staan. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving is niet gewijzigd.

2.3.3.13 In paragraaf 2.7 is een toelichtende tekst toegevoegd bij de nieuwe leden 20.7 en 20.8. Deze luidt als volgt: ‘2.7.7 Herplantplicht zonder vergunning De in dit artikel bedoelde herplantplicht geldt niet zonder meer, maar pas wanneer burgemeester en wethouders daartoe besluiten.

Het derde lid betreft een boom of andere houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal tenietgaan. Krachtens het derde lid kan de zakelijk gerechtigde worden verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk van (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van afval, enz 2.7.8 Overgangsrecht In artikel 20.8 is geregeld dat de regels uit dit plan voor gaan op de regels uit de APV. Daar waar het Chw bestemmingsplan geldt, gelden de regels uit artikel 20 van het Chw bestemmingsplan en de artikelen 4:10 en 4:12 van de APV. De artikelen 4:10 en 4:12 van de APV blijven gelden naast de regels uit artikel 20 van het Chw bestemmingsplan, omdat deze artikelen niet in het Chw 14

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. Zolang een beheersverordening in een gebied geldt, zijn de regels uit de APV (afdeling 4.3 inclusief de artikelen 4:10 en 4:12) van toepassing.’ Op het moment dat een beheersverordening is omgezet in een Chw bestemmingsplan, gelden de regels uit dat plan. 2.3.3.14 Redactionele wijzigingen Afgezien van bovenstaande in eerder deze paragraaf genoemde wijzigingen zijn nog enkele kleine, redactionele verbeteringen in de toelichting doorgevoerd die geen effect op inhoud hebben.

Bijlagen

2.3.3.15 De archeologische waardenkaart die als bijlage 4 bij de toelichting is gevoegd wordt vervangen door een actuelere versie van deze kaart. 2.3.4

Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen

2.3.5 Regels en verbeelding (juridische regeling) Geen wijzigingen van de regels en de verbeelding naar aanleiding van zienswijzen. 2.3.6 Toelichting en bijlagen (onderbouwing) 2.3.6.1 De toelichting van het bestemmingsplan wordt aangevuld, zodat voor eenieder duidelijk wordt dat grondwerk behorende bij de reguliere exploitatie, het beheren en onderhouden van een begraafplaats niet vergunningplichtig is op basis van de hier geldende archeologische verwachtingswaarde. In de toelichting wordt in paragraaf 2.6 Grondwerk: activiteit in de bodem (hoofdstuk 5 van de regels) de volgende tekst opgenomen: ‘In artikel 19 worden in het eerste en tweede lid enkele categorieën van gevallen van grondwerk aangegeven waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is. Grondwerk dat onderdeel uitmaakt van normaal onderhoud en beheer van een begraafplaats is op basis van de omschrijving in artikel 19.1 onder 2.a. niet vergunningplichtig’.

15/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

3 Beoordeling van de zienswijzen 3.1.1 Indiener 1 - Prorail Nr. Punt Inhoud 1 1 Ontwikkelingen ProRail ziet bereikbaarheid per spoor als belangrijke voorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen die ook een mobiliteitsbehoefte hebben. ProRail ondersteunt nieuwbouw van woningen langs het spoor in de nabijheid van stations en de verdichting rond stations. Dat draagt bij aan de duurzame OV-bereikbaarheid in Nederland. Bouwen nabij het spoor is een samenspel met meerdere belangen dat ook afwegingen noodzakelijk maakt. ProRail wil daarbij graag een aantal aandachtspunten benoemen die in de uitwerking een rol zouden moeten spelen, met als uitgangspunt dat de bedrijfsvoering en eventueel toekomstige uitbreidingen van ProRail niet worden belemmerd. Verder verzoekt ProRail om haar - vooruitlopend op de Omgevingswet actief te betrekken bij het verder ontwikkelen van bouwplannen in de directe nabijheid van de spoorbaan, teneinde in gezamenlijk overleg tot overeenstemming te komen c.q. afspraken te maken alvorens tot uitvoering zal worden overgegaan.

Beoordeling Wij bedanken ProRail voor het concrete en duidelijke overzicht met aandachtspunten die bij ruimtelijke ontwikkelingen een rol spelen in relatie tot de belangen van ProRail. Graag betrekken wij ProRail bij het ontwikkelen van bouwplannen in de directe nabijheid van de spoorbaan. Tegelijkertijd zijn zulke bouwplannen niet concreet aan de orde in dit Chwbestemmingsplan algemene regels. Dit bestemmingsplan is een zogenoemd parapluplan waarin algemene regels zijn geformuleerd voor de gemeente Utrecht. Het gaat dan vooral om generieke regelingen die voor de bestaande stad gaan gelden. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen stellen wij aparte bestemmingsplannen op (of wordt met een omgevingsvergunning medewerking vanuit de gemeente verleend). Voor zover bij die bestemmingsplannen relevant, vanwege de ligging ten opzichte van het spoor van ProRail, maken wij gebruik van de door ProRail benoemde gegevens. Dan wordt concreet bepaald hoe met de benoemde aspecten wordt omgegaan. De concepten van deze bestemmingsplannen sturen wij (indien relevant) in het kader van het vooroverleg volgens het Besluit ruimtelijke ordening voor reactie toe aan ProRail. Onder de Omgevingswet komt het vooroverleg uit het Bro te vervallen. Er komt geen apart vooroverleg meer, omdat de Omgevingswet om integraliteit vraagt. We werken samen aan de wijziging van het omgevingsplan.

Over de invulling van die samenwerking maken we nog nadere afspraken. Dit gebeurt in samenhang met de UPP-trajecten. Wij blijven graag met ProRail in gesprek over nieuwe projecten op, boven, onder en nabij spoorlijnen en treinstations.

16

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

Conclusie Dit deel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. 1

2

Aspect Externe Veiligheid

Zie onze reactie onder 1.

1

3

Aspect Geluid

Zie onze reactie onder 1.

1

4

Aspect Trillingen

Zie onze reactie onder 1.

ProRail verzoekt voor het aspect Externe Veiligheid in relatie tot Railverkeer gebruik te maken van de meest recente gegevens (Basisnet).

ProRail verzoekt voor het aspect Geluid in relatie tot Railverkeer gebruik te maken van de meest recente gegevens (Geluidproductieplafonds).

ProRail beoogt niet alleen voor gemeenten en provincies die plannen maken in de spooromgeving, maar ook voor toekomstige bewoners rond het spoor een “goede buur” te zijn. Indien het ontwerpbestemmingsplan en alle in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen, bebouwing dichtbij het spoor mogelijk maken, kan trillinghinder voor de toekomstige bewoners/gebruikers ontstaan als gevolg van treinverkeer. ProRail raadt dan ook aan om het aspect trillingen te betrekken bij het ontwerpbestemmingsplan en alle in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen. In dit kader verwijst ProRail u naar de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen.

1

5

Percelen ProRail

In het ontwerpbestemmingsplan zijn percelen opgenomen die in eigendom zijn van Railinfratrust B.V./ProRail B.V. (verder te noemen “ProRail”). ProRail merkt op dat deze percelen - zonder nadrukkelijke schriftelijke toestemming van ProRail - niet mogen worden gebruikt. Deze percelen zijn door ProRail nodig voor de uitvoering van haar wettelijke taken en voor eventuele toekomstige (uitbreidings)plannen. De percelen van ProRail, alsmede de spoorbaan, dienen door ProRail, haar aannemers of hulpdiensten te allen tijde onbelemmerd toegankelijk te zijn en te blijven met het materieel dat ook momenteel wordt gebruikt voor het uitvoeren

Zie onze reactie onder 1. In aanvulling hierop merken wij op dat dit bestemmingsplan geen (nieuwe) beperkingen oplevert voor de toegankelijkheid van de percelen van ProRail. Waar nodig hebben de gronden van ProRail al een passende bestemming (zoals de genoemde Verkeer-Railverkeer bestemming) in de geldende bestemmingsplannen. De bestemmingen die daarin aangegeven zijn, blijven gelden. Hier brengt het bestemmingsplan Algemene regels Utrecht geen verandering in.

17/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

van werkzaamheden en in het geval van calamiteiten. ProRail verzoekt tevens alle percelen van ProRail te voorzien van de bestemming VerkeerRailverkeer.

Conclusie Dit deel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

1

6

Overwegen

Zie onze reactie onder 1.

1

7

Waterpeil/Stabiliteit

Zie onze reactie onder 1.

Overwegen vormen een gevaarpunt tussen weg- en spoorverkeer. ProRail verzoekt daarom contact op te nemen met ProRail indien het door uw gemeente voorgestelde ontwerpbestemmingsplan en alle in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen effect kunnen hebben op de bestaande overwegen in Utrecht. Ook verwijst ProRail graag naar de Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020 -2025 waarin het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: lenW) haar visie op overwegveiligheid heeft beschreven. Het streven van lenW is om samen met ProRail, decentrale overheden, recreatieve belangenorganisaties en burgers te zorgen voor nul dodelijke slachtoffers en nul verstoringen op en rondom overwegen om een veilige, vlotte en duurzame mobiliteit (trein- en wegverkeer) te kunnen garanderen.

In verband met het borgen van de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen mag het waterpeil niet wijzigen. Tevens dient de gemeente Utrecht te borgen dat werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen.

Hierbij merken we op dat met dit punt voor een groot deel een uitvoeringsaspect wordt aangesneden. Een bestemmingsplan is daar in de meeste gevallen niet het aangewezen instrument voor. Daarmee blijft wel evident dat bij werkzaamheden in de buurt van het spoor een ongehinderd gebruik van de spoorbaan het na te streven doel moet zijn. Conclusie Dit deel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

1

8

Spoorwegwetgeving

Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van de spoorbaan dient rekening gehouden te worden met het bepaalde in artikel 19 van de Spoorwegwet.

Wij bedanken ProRail voor deze aanwijzingen.

18

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

ProRail merkt in dit kader nu reeds op dat onder de Omgevingswet - voor initiatieven binnen het beperkingengebied hoofdspoor – de gemeente Utrecht het bevoegde gezag is voor meervoudige aanvragen, waarbij vergunning alleen verleend kan worden nadat ProRail haar gemandateerde advies met instemming heeft gegeven. Bij enkelvoudige aanvragen blijft de minister bevoegd gezag en zal ProRail namens de minister vergunning verlenen. 1

9

Spoorwegdoeleinden

Zie onze reactie onder 1 en 5.

1

10

Onderstations

Zie onze reactie onder 1.

ProRail verzoekt zorg te dragen dat gronden welke momenteel voorzien zijn van de bestemming Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, deze bestemmingen ook in de toekomst blijven behouden. Ook verzoekt ProRail om geen dubbelbestemmingen mogelijk te maken.

De binnen het plangebied aanwezige onderstations mogen niet komen te vervallen. Deze onderstations zijn cruciaal voor de elektriciteitsvoorziening van de hoofdspoorweginfrastructuur en daarmee voor de berijdbaarheid van het spoor. Tevens verzoekt ProRail ervoor zorg te dragen dat de onderstations - net als in de huidige situatie - te allen tijde bereikbaar zullen zijn voor onderhouds- en hulpdiensten.

Aanvullend merken wij op dat het bestemmingsplan geen nieuwe regels bevat die gericht zijn op het reguleren van onderstations voor de elektriciteitsvoorziening van de hoofdspoorweginfrastructuur. Dergelijke voorzieningen zijn overigens vaak ook vergunningsvrij te realiseren. Conclusie Dit deel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

1

11

Zicht op de stationsentree

Doordat de stationsomgeving een ideale plek is om je te vestigen, ziet ProRail de laatste jaren steeds meer verdichting en hoogbouw rond het station. Dit komt de vindbaarheid van een station niet ten goede. Reizigers voelen zich hierdoor onzeker, hetgeen een vorm van stress veroorzaakt. Ondanks dat er bewegwijzering is, blijkt uit onderzoek dat zicht op de hoofdingang de beste manier is om het station te vinden. Zichtlijnen naar het station spelen daar een belangrijke rol in en ProRail wil deze graag in stand houden.

Zie onze reactie onder 1.

19/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

1

12

Windbeleving en windhinderrisico’s

Zie onze reactie onder 1.

1

13

Bureau Spoorbouwmeester

Dit punt van de zienswijze nemen we ter kennisgeving aan.

1

14

Schaduwwerking op zonnepanelen ProRail stelt zich als doel om in 2030 CO2 neutraal te opereren. Dat betekent dat vele daken en perronoverkappingen voorzien zijn of worden van zonnepanelen om zo voldoende stroom op te wekken voor verlichting, reisinformatie, liften en roltrappen. ProRail verzoekt derhalve bij het maken van plannen rekening te houden met mogelijke schaduwwerking op de ProRail zonnepanelen en indien nodig met ProRail in contact te treden, zodat voornoemde doelstelling van ProRail voor 2030 haalbaar blijft.

Zie onze reactie onder 1.

Hoogbouw rond het station heeft invloed op de windbeleving van de reiziger. Gemiddeld wachten reizigers 7 tot 10 minuten op een trein en dat doen ze bij voorkeur op het perron waar de trein halteert. Wachten met veel wind draagt niet bij aan een positieve stationsbeleving. Reizigers wachten bij voorkeur warm, beschut en comfortabel. Helaas is er niet voldoende wachtgelegenheid voor elke reiziger. Daardoor is het van belang dat in de omgeving rekening wordt gehouden met de windbeleving op het perron. Hoogbouw rond het station heeft ook invloed op de windcirculatie/ windstromen en dit kan risico’s opleveren voor omliggende bebouwing (zoals schade aan daken/kappen) door veranderende windbelastingen. Hiermee moet rekening worden gehouden.

Bureau Spoorbouwmeester is in 2001 op initiatief van de directies van NS en ProRail opgericht als een onafhankelijk adviserend orgaan voor ontwerp en vormgevingsopgaven binnen de spoorsector. Sinds het ontstaan van het bureau wordt aan en met het Spoorbeeld gewerkt. Vanuit Het Protocol het document waarin de afspraken tussen NS, ProRail en Bureau Spoorbouwmeester zijn vastgelegd - is het bureau bevoegd het Spoorbeeld te ontwikkelen, te beheren en uit te dragen. Zodoende vormt het Spoorbeeld het kader voor nagenoeg alle werkzaamheden van Bureau Spoorbouwmeester. Meer informatie over Spoorbeeld en de voor uw gemeente van belang zijnde documenten (zoals bijvoorbeeld de Visie omgeving spoor en stations, Het stations concept en Het stationskwartier) kunt u vinden op www.spoorbeeld.nl.

20

Datum Rapport

7 oktober 2022 Vaststellingsrapport

3.1.2 Indiener 2 - Elisabeth Beheer B.V Nr. Punt Inhoud 2 1 Indiener is al langere tijd bezig met een plan om 15 nieuwe appartementen te realiseren op een locatie gelegen in de binnenstad aan de Korte Elisabethstraat, de Lange Elisabethstraat en Achter Clarenburg.

Het concept plan is door indiener gedeeld met de gemeente en op 10

december 2021 is er vanuit stedenbouw en welstand een principeakkoord op gegeven. Indiener is verbaasd dat het plan niet past binnen het voorliggende ontwerpbestemmingsplan.

Indiener is van mening dat het plan wel tegemoetkomt aan de behoefte

van woningbouw en rekening houdt met leefbaarheidseisen en verzoekt daarom de regeling in het bestemmingsplan aan te passen.

Beoordeling

In het voorliggende Chw-bestemmingsplan Algemene regels Utrecht zijn in artikel 12 algemene regels opgenomen over woningvorming en -omzetting. Deze regels zijn overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Chw Algemene regels over bouwen en gebruik’ en gebaseerd op de gemeentelijke beleidsregels ‘beleidsregels wijziging samenstelling van de woningvoorraad (woningsplitsen en omzetten)’. Deze beleidsregels zijn ook opgenomen in de Omgevingsvisie Utrecht. De regels in dit bestemmingsplan gaan over het realiseren van een nieuwe woning in een bestaande woning (woningvorming, splitsing) en over het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte. In de regels zijn onder andere minimale oppervlaktematen voor nieuwe woningen opgenomen, waarbinnen geen flexibiliteit is opgenomen voor de minimale oppervlaktemaat. Het gebruiksoppervlak van de woonruimte van een nieuwe woning als gevolg van woningvorming en omzetting bedraagt minimaal 50 m2. Als deze nieuwe woning is gelegen binnen de singels van de historische binnenstad is het gebruiksoppervlak van de woonruimte van een woning minimaal 40 m2. Over het specifieke bouwplan in de binnenstad waarover een deel van deze zienswijze gaat, kan in deze procedure over het Chw-bestemmingsplan Algemene regels Utrecht geen bindende uitspraak worden gedaan.

In dit bestemmingsplan is de algemene beleidslijn over de oppervlaktemaat van nieuwe woningen als gevolg van woningvorming en omzetting opgenomen. De gemeente is met de indiener in gesprek over het genoemde bouwplan in de binnenstad. Dit overleg kan leiden tot afzonderlijke afspraken over dit

21/36

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

bouwplan. Deze afspraken kunnen afwijken van de algemene beleidslijn over woningvorming en omzetting. Het is en blijft mogelijk om voor wenselijke bouwontwikkelingen via een afzonderlijke planologische procedure gemotiveerd af te wijken van regels zoals die zijn opgenomen in geldende bestemmingsplannen. Ook van de in dit bestemmingsplan bepaalde minimale gebruiksoppervlak van nieuwe woningen als gevolg van woningvorming en omzetting kan indien gewenst door het bevoegd gezag gemotiveerd worden afgeweken. Of dit daadwerkelijk voor het genoemde bouwplan in de binnenstad het geval zal zijn, kan in deze procedure geen uitspraak worden gedaan. Het verzoek om een meer flexibele regeling op te nemen in dit bestemmingsplan voor de minimale oppervlaktemaat van nieuwe woningen als gevolg van woningvorming en omzetting wordt niet overgenomen. De gemeente Utrecht hecht veel belang aan het waarborgen en behouden van de leefbaarheid. Door een duidelijke minimale oppervlaktemaat van nieuwe woningen als gevolg van woningvorming en omzetting vast te leggen in dit bestemmingsplan met eenduidige regels, is een passende regeling opgenomen voor het waarborgen en behouden van de leefbaarheid. Deze regels gelden nu al op grond van het bestemmingsplan Chw Algemene regels over bouwen en gebruik. Deze zijn beleidsneutraal in het voorliggende Chw-bestemmingsplan overgenomen.

Nieuwe woningen in Utrecht o.a. als gevolg van woningvorming en omzetting mogen uiteraard wel groter worden dan de genoemde minimale oppervlaktematen. Er zit dus wel enige flexibiliteit in de regels. Conclusie Dit deel van de zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=646679ca-14b5-4949-99e1-c7f79554ef53