CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport Chw bestemmingsplan Papendorp

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 4 april 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan Papendorp16.476 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Vaststellingsrapport

Chw bestemmingsplan Papendorp

17 januari 2024

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

1

INLEIDING ...........................................................................................................................................3 1.1 1.2 1.3

2

DE VASTSTELLINGSPROCEDURE ...........................................................................................................4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

3

TERMIJN VOOR HET INDIENEN VAN ZIENSWIJZEN .............................................................................................4 ZIENSWIJZEN OVER HET BESTEMMINGSPLAN ...................................................................................................4 WIJZE VAN BEOORDELING VAN ZIENSWIJZEN...................................................................................................4 PROCEDURE VOOR DE VASTSTELLING .............................................................................................................4 BELANGRIJKSTE WETTELIJKE BEPALINGEN .......................................................................................................4

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERP ...............................................................................6 3.1 3.2

4

PLANGEBIED VAN HET BESTEMMINGSPLAN .....................................................................................................3 DOEL VAN HET BESTEMMINGSPLAN ..............................................................................................................3 DE OPBOUW VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT ...............................................................................................3

AMBTSHALVE WIJZIGINGEN .........................................................................................................................6 WIJZIGINGEN NAAR AANLEIDING VAN ZIENSWIJZEN ..........................................................................................9

BEOORDELING VAN DE ZIENSWIJZEN ................................................................................................11 ZIENSWIJZE 1 ZIENSWIJZE 2 ZIENSWIJZE 3 ZIENSWIJZE 4 ZIENSWIJZE 5 ZIENSWIJZE 6 ZIENSWIJZE 7

STEDIN ...................................................................................................................................11 VERENIGING PARKMANAGEMENT PAPENDORP E.A. .........................................................................12 RIJKSWATERSTAAT ....................................................................................................................18 RECYCLINGBEDRIJVEN PRU EN MRU ...........................................................................................21 EIGENAAR KANTOORGEBOUW WESTERSTAETE ................................................................................27 INDIENER 6 (BEWONER KANALENEILAND) ......................................................................................30 GLAZEN DUO C.V. EN FORMA B.V ..............................................................................................33

2

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

1 Inleiding 1.1 Plangebied van het bestemmingsplan

Papendorp is onderdeel van Leidsche Rijn en ligt tegen het knooppunt Oudenrijn. Het plangebied van het bestemmingsplan ligt globaal tussen de Dominee Martin Luther Kinglaan in het noorden, de Rijkswegen A2 en A12 in het westen en zuiden en het Amsterdam-Rijnkanaal langs de noordoostzijde. Vanwege de geplande fietsbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal, maakt ook De Meernbrug onderdeel uit van het plangebied. De nieuw te ontwikkelen woonwijk Groenewoud maakt geen onderdeel uit van dit plan. De grens tussen beide gebieden is de Bevrijdingslaan, de Mercatorlaan en de Taatsendijk.

1.2 Doel van het bestemmingsplan

Papendorp is nu een hoogwaardige locatie voor bedrijven en kantoren. Het doel van het bestemmingsplan is het mogelijk maken van de ontwikkeling van Papendorp van een monofunctionele werklocatie naar een multifunctioneel stedelijk knooppunt en volwaardig woonén werkgebied. Er gaat een complete en moderne wijk ontstaan, waarin wonen en werken gemengd zijn en dat zijn eigen voorzieningen heeft. Het bestemmingsplan gaat over het plangebied van het door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) Papendorp Noord en over het overige, bestaande deel van de bedrijven- en kantorenlocatie Papendorp. Het bestemmingsplan maakt het volgende programma voor Papendorp Noord mogelijk: maximaal 2.000 woningen, 75.000 m2 kantoren, 7.000 m2 kleinschalige bedrijvigheid, 4.500m2 (commerciële) voorzieningen, 200 hotelkamers en een Mobiliteitshub XL met in de eerste fase ongeveer 2.000 autoparkeerplekken voor parkeren op afstand en ongeveer 1.700 fietsparkeerplekken. Voor het bestaande deel van Papendorp maakt het nieuwe bestemmingsplan het mogelijk om nieuwe kantoren (ongeveer 60.000 m2) en andere stedelijke functies te realiseren op de al uitgegeven en nog uit te geven kavels aan bedrijven. Papendorp kan daarmee als totaal nog meer een woon- en werkgebied worden.

De mogelijkheid om nieuwe kantoren te bouwen in Papendorp Noord en in het bestaande deel van Papendorp is een planologische verplaatsing van het programma dat al op andere kavels in Papendorp gerealiseerd kon worden op basis van het geldende provinciale Inpassingsplan Kantoren.

1.3 De opbouw van het vaststellingsrapport

In hoofdstuk 2 is de vaststellingsprocedure beschreven, dat is de fase van het bestemmingsplan die volgt op de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. In hoofdstuk 3 staat op welke manier het bestemmingsplan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Hierbij is onderscheid gemaakt in wijzigingen die ambtshalve zijn gedaan en wijzigingen die zijn gedaan naar aanleiding van zienswijzen. In hoofdstuk 4 zijn de ingekomen zienswijzen behandeld.

3/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

2 De vaststellingsprocedure 2.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan lag van 18 augustus tot en met 28 september 2023 ter inzage. Tijdens deze termijn kon iedereen zienswijzen over het plan sturen aan de gemeenteraad.

2.2 Zienswijzen over het bestemmingsplan

Er zijn 7 zienswijzen ingediend. 2 hiervan zijn buiten de termijn ingediend, maar zijn ambtshalve toch van een reactie voorzien. De andere zienswijzen voldoen aan de wettelijke eisen. 1 zienswijze is in januari 2024 ingetrokken. In hoofdstuk 4 van dit vaststellingsrapport zijn de zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien.

2.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen

Een zienswijze bevat de mening van een indiener. De meningen in een zienswijze of de zienswijze zelf zijn nooit goed, fout, gegrond of ongegrond. Elke zienswijze wordt zorgvuldig bestudeerd, om te bezien of het ontwerpbestemmingsplan aangepast moet worden. Als een zienswijze vragen bevat, worden die in dit vaststellingsrapport zo mogelijk beantwoord. In dit rapport worden alleen de samenvattingen van zienswijzen opgenomen. In verband met de privacy van indieners worden de zienswijzen niet openbaar gemaakt. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad krijgen wel van alle zienswijzen een kopie toegestuurd, zodat zij de volledige zienswijze kunnen lezen en bijvoorbeeld kunnen nagaan waar de indiener woont.

2.4 Procedure voor de vaststelling

Het college van burgemeester en wethouders bereidt de vaststelling van het bestemmingsplan voor. De voorbereiding bestaat uit de beoordeling of het bestemmingsplan nog aangepast moet worden, ‘ambtshalve’ of naar aanleiding van de zienswijzen. Vervolgens stelt het college de gemeenteraad voor het bestemmingsplan, zo nodig met wijzigingen ten opzichte van het ontwerp, vast te stellen. De gemeenteraad kan de indieners van zienswijzen in de gelegenheid stellen om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten. Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan betrokken zijn. Voordat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, wordt het voorstel van het college besproken in de commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken. In de commissie vindt een politieke discussie plaats. De verantwoordelijke wethouder is daarbij aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de vragen van de leden van de raadscommissie. De commissie bepaalt of een nadere bespreking in de gemeenteraad nog nodig is of dat het bestemmingsplan als hamerstuk geagendeerd kan worden. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet als hamerstuk, vast.

2.5 Belangrijkste wettelijke bepalingen

De vaststellingsprocedure is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel verwijst weer naar Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde uniforme, openbare voorbereidingsprocedure. Op grond van artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht moeten zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken worden ingediend. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bij verzending per post een zienswijze op tijd ingediend, als hij voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de zienswijze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

5/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

3 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp 3.1 Ambtshalve wijzigingen 1

In de functie ‘Mobiliteitshub’ is de aanduiding ‘woongebied’ toegevoegd aan de noordoostelijke zijde van de mobiliteitshub, tussen de parkeervoorzieningen in de hub en de nieuwe woningblokken (in de functie ‘Wonen’) ten noordoosten van de hub. Dit is gedaan om op deze locatie een houten frame/raamwerk mogelijk te maken die gebruikt kan worden voor verschillende functies. Na de bestemmingsplanfase en bij de uitwerking van het bouwplan wordt bepaald of het frame daadwerkelijk wordt gebouwd. Het frame kan zorgen voor een ruimtelijke overgang tussen de mobiliteitshub en het aangrenzende woongebied. Afhankelijk van de uitwerking van het bouwplan kan het frame ook zorgen voor een functionele overgang. In het frame komen enerzijds trappenhuizen en andere voorzieningen voor de hub en anderzijds biedt dit raamwerk plaats aan (mogelijke) voorzieningen voor aangrenzende woningen en de buurt. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan lokaal gebonden activiteiten voor en door bewoners uit de omgeving, sportactiviteiten zoals een bootcamp- of basketbalveldje, ateliers en aan (gemeenschappelijke) tuinen bij de nabijgelegen woningen. Dit laatste kan bijvoorbeeld inhouden dat in het frame een moestuin voor de buurt of een plek om te picknicken wordt aangelegd.

Ook zou het om groenvoorzieningen kunnen gaan die zowel door bewoners (van de nabijgelegen woningen) worden gebruikt, als door de gebruikers van de mobiliteitshub. Aan de regels is aan lid 2 van artikel 11, na onderdeel 4 een nieuw onderdeel ingevoegd die als volgt luidt: “ter plaatse van de aanduiding ‘woongebied’: a. buurtactiviteiten; b. moestuinen;

c. sportactiviteiten; d. ateliers; e. tuinen die bij woningen horen; f. groenvoorzieningen.” 2

In de functie ‘Verkeer’ direct ten zuiden van de functie ‘Mobiliteitshub’ is het vlak van de aanduiding 'langzaam verkeer' 9 meter dieper gemaakt vanwege de wijziging die hierboven staat bij wijziging 1. Dit biedt de ruimte om de daar geplande voetgangersbrug eventueel aan te laten sluiten op het frame in de mobiliteitshub (als wordt besloten om dit frame te bouwen).

3

In de functie ‘Verkeer’ is naast de ontsluitingsweg van de noordelijke entree van de mobiliteitshub, tussen de busbaan en de Marinus van Tyruslaan, de aanduiding ‘zend/ontvangstinstallatie’ toegevoegd om een nieuwe zendmast van KPN mogelijk te maken. Aan de regels is aan lid 3.2 van artikel 14 onderdeel 7 toegevoegd die als volgt luidt: “Ter

plaatse van de aanduiding ‘zend-/ontvangstinstallatie’ en in afwijking van de regel onder 1, mag de bouwhoogte van een zendmast niet hoger zijn dan 40 meter.” De nieuwe mast

vervangt de zendmast die in de huidige situatie langs de Taatsendijk staat, bij het einde van de afslag 8a van de A2. Voor de veiligheid moet de huidige mast verwijderd worden omdat de mast te dicht op de weg komt te staan door de geplande aanpassingen in de infrastructuur en de aansluiting van de afslag 8a hierop. De mast wordt gebruikt voor het plaatsen van zend- en ontvangstapparatuur voor (mobiel) telefoon- en internetverkeer. De nieuwe mast zal op dezelfde wijze gebruikt worden als de huidige mast en wordt ongeveer even hoog. 4

Op twee locaties in Groenewoud Noord zijn de maatvoeringsvlakken voor de maximale bouwhoogtes iets verschoven. Dit is gedaan om meer ruimte te maken voor de ondergrondse infrastructuur (nutstracé, riolering en WKO-systeem). Bij het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan was rekening gehouden met een nutstracé van 1,5 meter breed. De nutsbedrijven hebben inmiddels aangegeven een strook van 2 meter breed nodig te hebben. Het gaat om de locaties waar de woningblokken Dorelies en Mechtelt zijn gepland. De maatvoeringsvlakken voor deze woningblokken zijn 0,5 meter naar het noorden opgeschoven.

6

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

5

In de functie ‘Kantoor’ van het perceel van het bestaande kantoorpand aan de Orteliuslaan 982 is de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ met een waarde van 36 meter toegevoegd overeenkomstig het geldende bestemmingsplan Papendorp. Bij het maken van het ontwerpbestemmingsplan was voor de locatie al een maximale bouwhoogte aangegeven, maar door technische mankementen in de plansoftware was de maatvoeringsaanduiding (ten onrechte) verdwenen in het ontwerpbestemmingsplan.

6

Het bebouwingspercentage van de functie ‘Kantoor’ is op de locatie van de bestaande kantoren aan de Papendorpseweg 88, 92, 96, 100 en 104 gewijzigd van 20% naar 33% overeenkomstig het geldende bestemmingsplan Papendorp. Bij het maken van het ontwerpbestemmingsplan was al uitgegaan van het geldende percentage van 33%, maar door technische mankementen in de plansoftware was dat percentage ten onrechte gewijzigd naar 20%.

7

Aan de regels voor de functie ‘Kantoor’ is een regel toegevoegd om te verduidelijken dat het bouwvlak voor 100% met gebouwen bebouwd mag worden als er geen bebouwingspercentage op een locatie staat. Het gaat om (al bebouwde) gedeeltes van de percelen Papendorpseweg 97 en 100. Aan lid 3 van artikel 8 is de volgende regel toegevoegd: “als geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven, mag dat gedeelte

van het bouwvlak voor 100% worden bebouwd.” 8

Het mogelijke effect van het bestemmingsplan door extra stikstofdepositie op Natura 2000gebieden is onderzocht met behulp van het rekenmodel Aerius. Omdat inmiddels een nieuwe versie van Aerius is verschenen, zijn de berekeningen nogmaals gedaan. Paragraaf 5.11.2.1 van de plantoelichting is hierop geactualiseerd en in de bijlagen bij de plantoelichting zijn de oude Aerius-berekeningen vervangen door de nieuwe Aerius-berekeningen. De nieuwe berekeningen leiden niet tot een andere conclusie dan in het ontwerpbestemmingsplan.

9

De onderbouwing voor soortenbescherming, in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb), is geactualiseerd. Op 28 november 2023 heeft de provincie Utrecht een nieuwe ontheffing verleend op grond van de Wnb voor het slopen van de bedrijfswoning aan de Taatsendijk 1B en 1C. De ontheffing die al in 2022 was verleend (in verband met de aanwezigheid van de Laatvlieger (een vleermuis)) is hiermee uitgebreid voor de ook aanwezige Gewone dwergvleermuis. De Wnb-ontheffing uit 2022 in bijlage 18 van de toelichting is vervangen door de nieuwe Wnb-ontheffing en de teksten in de paragrafen 5.11.2 en 5.11.3 zijn op de nieuwe ontheffing aangepast. Daarnaast is in het ontwerpbestemmingsplan verwezen naar het nadere ecologische onderzoek voor bestemmingsplan Groenewoud. Daarin staat dat de steenmarter aanwezig is op het KWSterrein, op het deel dat binnen het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp ligt. Daarom zou ook een Wnb ontheffing nodig zijn voor de steenmarter. Die constatering is gebaseerd op de camerabeelden die tijdens het onderzoek zijn gemaakt. Uit een latere ecologische analyse van de beelden blijkt het echter niet om een steenmarter te gaan, maar om een dier dat daar sterk op lijkt: een bunzing (ook een marterachtige).

De camerabeelden worden namelijk gemaakt bij geen tot weinig daglicht, waardoor het onderscheid tussen een bunzing en een steenmarter niet altijd even goed te maken is. De bunzing is minder strikt beschermd dan de steenmarter. Vanuit de wettelijke zorgplicht moet met de bunzing bij de uitvoering rekening worden gehouden, maar het is niet nodig om een Wnb-ontheffing bij de provincie Utrecht aan te vragen voor het aantasten van vaste verblijf- of rustplaatsen van deze soort. Paragraaf 5.11.2.3 is bijgewerkt op deze nieuwe conclusie. Dit betekent ook dat het Activiteitenplan (bijlage 19 van de toelichting) waarin mitigerende maatregelen staan voor de steenmarter niet meer nodig is. Het Activiteitenplan zou eventueel nog wel nodig kunnen zijn als de aanwezigheid van de steenmarter wordt vastgesteld in nader onderzoek voor de nieuwe fietsverbinding over het Amsterdam-Rijnkanaal. Paragraaf 5.11.2.3 is ook hierop bijgewerkt.

7/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

10

Er is op twee locaties in het plangebied aanvullend onderzoek gedaan naar bomen. Het gaat om een verplantbaarheidsonderzoek van schietwilgen in het talud van de A2 langs de Taatsendijk en om een bomen effect analyse op het westelijk deel van het KWS-terrein (driehoek hubplot). De bomenparagraaf (paragraaf 5.12 van de toelichting) en de bomenkaart (bijlage 22 van de toelichting) zijn hierop geactualiseerd en de onderzoeken zijn toegevoegd aan de toelichting (bijlagen 28 en 29).

11

Het ontwerpbesluit hogere waarden geluid (bijlage 12 van plantoelichting) is vervangen door het besluit dat op 29 november 2023 is genomen. Met dit besluit wordt een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde toegestaan op de gevels van een deel van de nieuwe woningen in het plangebied van het bestemmingsplan Papendorp.

12

In de functies Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3, Kantoor, Mobiliteitshub en Wonen is de redactie van de regels voor windhinder en windgevaar aangepast. Dit is gedaan zodat duidelijker uit de regels blijkt dat altijd een aanvraag om omgevingsvergunning nodig is bij het bouwen van gebouwen van 30 meter en hoger om het windklimaat te beoordelen.

13

Onderdeel 5a van lid 2 van artikel 27 is aangepast zodat de regels in overeenstemming zijn met de gewijzigde Huisvestingsverordening (raadsbesluit 16 mei 2023). Naast enkele redactionele verduidelijkingen in onderdeel 5a is nu geregeld dat in een woning meerdere huishoudens mogen wonen wanneer onder andere voldaan wordt aan de voorwaarde dat de eigenaar van de woning, de woning verhuurt aan maximaal drie huishoudens en deze huishoudens gezamenlijk uit maximaal 3 volwassenen bestaan waarbij ontvangers van mantelzorg niet worden meegerekend. De juridische plantoelichting is hier ook op aangepast.

14

In lid 3 van artikel 27 onder 3 van de planregels is verwezen naar de “Beleidsregels wijziging samenstelling van de woningvoorraad (woningsplitsen en omzetten) gemeente Utrecht”. Dit is veranderd in “Nadere regel Huisvestingsverordening gemeente Utrecht”, omdat deze regels inmiddels zijn aangepast. De juridische plantoelichting is hier ook op aangepast.

15

Per abuis is in artikel 39 het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan genoemd als peildatum voor het overgangsrecht, dit moet conform Besluit ruimtelijke ordening inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn. Artikel 39 is hierop aangepast.

16

Verder zijn in het bestemmingsplan ondergeschikte redactionele en kennelijke verbeteringen en verduidelijkingen doorgevoerd. Het gaat bijvoorbeeld om het toevoegen van enkele begripsbepalingen in artikel 1 van de regels, het correct vermelden dat de provinciale omgevingsverordening inmiddels is vastgesteld, een tekstuele aanvulling van de omschrijving van het doel van de functie Groen in artikel 6, dat het groencompensatieplan definitief is gemaakt en dat paragraaf 5.19 (Toegankelijkheid) tekstueel is aangepast.

8

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

3.2 Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen 1. Stedin Om de met Stedin gemaakte afspraken over de uitgifte van kavel N28a een goede en duidelijke plek in het bestemmingsplan te geven, is het bestemmingsvlak van de locatie gesplitst in twee delen. Hierdoor doet het door Stedin geschetste probleem met het bebouwingspercentage zich niet meer voor: kavel N28a heeft nu een eigen bebouwingspercentage. Verder is de ‘specifieke bouwaanduiding - 4' en de ‘specifieke bouwaanduiding - 5’ aan de locatie toegevoegd om de transformatorcellen van 12 meter hoog en een hekwerk van 3 meter hoog te kunnen bouwen. Ook is het bouwvlak aangepast op de afspraken die met Stedin zijn gemaakt over de rooilijnen voor de gebouwen op de kavel. Hiermee is geheel tegemoetgekomen aan de zienswijze. 2. Vereniging Parkmanagement Papendorp e.a. Naar aanleiding van de zienswijze is de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld om een completer beeld te geven van de verkeersafwikkeling. In hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) is toegelicht dat er een betere spreiding van het autoverkeer over het plangebied ontstaat door de tijdelijke verplaatsing van de capaciteit van de tijdelijke P&R naar de Mobiliteitshub en de keuze om de Mobiliteitshub van twee in/uitgangen te voorzien in plaats van één. Ook is een overzicht van de berekende verkeersintensiteiten in en rond het plangebied toegevoegd (bijlage 30).

Voor het overige geeft de zienswijze geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. Rijkswaterstaat Naar aanleiding van de zienswijze zijn de grenzen van de functie ‘Water – Waterstaat’ aangepast aan het actuele beperkingengebied van de waterkering langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Ook is de aanduiding ‘vaarweg’ toegevoegd in de functie ‘Water’ om duidelijk te maken dat het Amsterdam-Rijnkanaal een belangrijke en drukke vaarweg is. Aan de regels is aan lid 2 van artikel 17 onderdeel 7 toegevoegd die als volgt luidt: “vaarwegen ter plaatse van de aanduiding ‘vaarweg’”. Voor het overige geeft de zienswijze geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. Eigenaar kantoorgebouw Westerstaete Naar aanleiding van de zienswijze zijn de regels voor bijbehorende parkeervoorzieningen en zelfstandige parkeervoorzieningen verduidelijkt in de functie ‘Gemengd-2’. De plantoelichting is ook op dit aspect verduidelijkt. Deze wijzigingen staan meer specifiek toegelicht bij de beantwoording van zienswijze 7 waarin hetzelfde onderwerp wordt aangesneden. Verder is naar aanleiding van de zienswijze de aanduiding ‘kantoor’ toegevoegd aan de locatie van het bedrijfspand aan de Papendorpseweg 83 om het gebouw te mogen gebruiken voor zelfstandige kantoren in overeenstemming met de onherroepelijke omgevingsvergunningen voor het gebouw.

Voor het overige geeft de zienswijze geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. 5. Bewoner Kanaleneiland De zienswijze geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. 6. Glazen Duo en Forma Naar aanleiding van de zienswijze zijn de regels voor bijbehorende parkeervoorzieningen en zelfstandige parkeervoorzieningen verduidelijkt in de functie ‘Gemengd – 2’ en is paragraaf 7.2.9 van de toelichting hierop verduidelijkt. Verder is aan lid 2 van artikel 29 een derde onderdeel

9/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

toegevoegd waarmee wordt geregeld dat de algemene regels voor onzelfstandige kantoren niet gelden voor de locaties waarvoor binnen de functie ‘Gemengd – 2’ specifieke regels gelden. Hiermee is geheel tegemoetgekomen aan de zienswijze.

10

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

4 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1

Stedin

Vraag om het bestemmingsplan aan te passen Stedin is de regionale netbeheerder van het elektriciteits- en gasnet in de gemeente Utrecht. Stedin wil een nieuw 50/21 kV transportstation bouwen in Papendorp (op kavel N28a dat ligt tussen de A2 en de Marinus van Tyruslaan). Het station zal bestaan uit twee transformatorcellen met in elke cel een transformator van 45 MVA (mega-volt-ampère) en een schakelgebouw. Stedin geeft aan dat dit station nodig is voor de enorme opgave die Stedin heeft om het elektriciteitsnetwerk te verzwaren en uit te breiden. Hierbij geeft Stedin aan dat het (bouw)plan past binnen de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 en de gemeentelijke Energievisie. De komst van het transportstation is een voorwaarde om invulling te kunnen geven aan de woningbouwopgave, en dan vooral de ontwikkellocaties Merwedekanaalzone, A12-zone en Papendorp. Stedin merkt op dat zij in goed overleg zijn met de gemeente over het stichten van het transportstation en vraagt om het bestemmingsplan op onderstaande punten aan te passen. Gebruik kavel N28a Stedin geeft aan dat het toegestane gebruik binnen de functie ‘Gemengd - 2’ toereikend is voor het beoogde transportstation. Met het vermogen van de transformatoren (2x45 MVA) is het transportstation aan te merken als een bedrijf in bedrijfscategorie 3.1.

Voor Stedin is het niet wenselijk dat er zich gevoelige functies vestigen binnen de richtafstanden voor deze bedrijfscategorie (geluid 50 meter, gevaar 30 meter). Stedin constateert hierbij dat nieuwe maatschappelijke voorzieningen worden uitgesloten door artikel 4.3.3 lid 1 van de planregels waardoor het nieuwe bestemmingsplan al aan deze wens van Stedin voldoet. Bouwregels kavel N28a Stedin constateert dat de bouwregels voor bouwwerken geen gebouw zijnde (artikel 4.3.2 lid 1) ontoereikend zijn voor hun (bouw)plan. Nu is het nog niet bekend of de transformatorcellen zonder of met dak worden gebouwd. In het eerste geval (zonder dak) zijn de trafocellen aan te merken als een bouwwerk dat geen gebouw is. De voorgeschreven bouwhoogte hiervoor van 3 meter (artikel 4.3.2 lid 1), is ontoereikend. Stedin verzoekt deze hoogte aan te passen naar 12 meter. Daarnaast zal Stedin een hekwerk rond het station plaatsen in verband met de veiligheid. Stedin hanteert voor dergelijke hekwerken een hoogte van 3 meter. De opgenomen hoogtes in artikel 4.3.2 lid 1 voor erf- en terreinafscheidingen zijn daarvoor ontoereikend. Bebouwingspercentage kavel N28a Doordat de hele kavel is voorzien van een maximum bebouwingspercentage van 33% is het voor Stedin niet gegarandeerd dat Stedin op dit perceel het geplande station kan bouwen (artikel 4.3.1 lid 2).

Theoretisch kan het bebouwingspercentage opgesoupeerd zijn door andere bouwaanvragen voordat Stedin de bouwaanvraag heeft ingediend. Gelet hierop geeft Stedin de gemeente in overweging de specifieke bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ toe te kennen aan het beoogde perceel van Stedin.

Gemeentelijke reactie De locatie voor het transformatorstation is in eigendom van de gemeente Utrecht. Op het moment van het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan waren de gesprekken met Stedin over de mogelijke uitgifte van deze gemeentelijke kavel nog niet ver genoeg om hiermee rekening te houden in het ontwerpbestemmingsplan. Inmiddels is dit wel het geval. Dit geeft aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen zodat het (bouw)plan van Stedin gerealiseerd kan worden.

11/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Zoals Stedin al opmerkt, is het beoogde gebruik al in overeenstemming met het bestemmingsplan. Het is daarom alleen nodig om de regels aan te passen voor zover het over de bouwmogelijkheden van deze locatie gaat. De opmerkingen van Stedin over de bouwwerken geen gebouw zijnde en het bebouwingspercentage zijn in de aangepaste regels van de functie ‘Gemengd-2’ verwerkt. Conclusie Om de met Stedin gemaakte afspraken over de uitgifte van kavel N28a een goede en duidelijke plek in het bestemmingsplan te geven, is het bestemmingsvlak van de locatie gesplitst in twee delen. Hierdoor doet het door Stedin geschetste probleem met het bebouwingspercentage zich niet meer voor: kavel N28a heeft nu een eigen bebouwingspercentage. Verder is de ‘specifieke bouwaanduiding - 4' en de ‘specifieke bouwaanduiding - 5’ aan de locatie toegevoegd om de transformatorcellen van 12 meter hoog en een hekwerk van 3 meter hoog te kunnen bouwen. Ook is het bouwvlak aangepast op de afspraken die met Stedin zijn gemaakt over de rooilijnen voor de gebouwen op de kavel.

Zienswijze 2

Vereniging Parkmanagement Papendorp e.a.

Indieners hebben hun zienswijze ingediend op zowel het Chw bestemmingsplan Papendorp als het Chw bestemmingsplan Groenewoud. In de zienswijze is met tussenkopjes aangegeven op welk bestemmingsplan de zienswijzenpunten betrekking hebben. In dit vaststellingsrapport staan daarom alleen de samenvattingen en gemeentelijke reacties van de zienswijzenpunten die gaan over het Chw bestemmingsplan Papendorp. 1. Windhinder en windgevaar Indieners stellen dat voor windhinder geen onderzoek is uitgevoerd. Volgens indieners regelen de regels voor windhinder en windgevaar een nader afwegingsmoment in de toekomst, wat niet toegestaan zou zijn. Indieners menen daarom dat de bouwhoogte voor de Mobiliteitshub XL moet worden verlaagd en afwijkingsmogelijkheden voor de bouwhoogte moeten worden geschrapt. Of er moet alsnog onderzoek naar windhinder en windgevaar worden gedaan, aldus indieners.

Gemeentelijke reactie Het nieuwe bestemmingsplan is geen traditioneel bestemmingsplan. Het is een bestemmingsplan met een verbrede reikwijdte. Hierop zijn (delen van) de Crisis- en herstelwet (Chw) en het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) van toepassing. Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte is de voorloper van het nieuwe omgevingsplan en biedt de mogelijkheid om te experimenteren met dit nieuwe instrument. Dat betekent dat gebruik gemaakt kan worden van de nieuwe, juridische mogelijkheden die in het BuChw (artikel 7c) zijn vastgelegd. Eén van de mogelijkheden is dat activiteiten (gebruik en bouwen) kunnen worden gekoppeld aan een omgevingsvergunningplicht die in het bestemmingsplan zelf is opgenomen, inclusief het bijbehorende beoordelingskader. Door dat te doen, wordt het ook mogelijk om onderzoeksverplichtingen ‘door te schuiven’ naar de uitvoeringsfase. De onderzoekslasten voor bestemmingsplannen kunnen zo worden beperkt en de plannen hoeven (daarom) niet helemaal uitgewerkt te worden als het bestemmingsplan wordt gemaakt (voor een meerjarige gebiedsontwikkeling). De resultaten van een onderzoek naar windhinder en windgevaar zijn sterk afhankelijk van het ontwerp van een gebouw, hoe gebouwen in de omgeving vormgegeven zijn en hoe de omgeving rond gebouwen is ingericht.

Voor het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp is deze informatie nog niet beschikbaar. Dat wordt bij de uitwerking van de bouwplannen duidelijk. Daarom is het niet doelmatig om nu windhinder en -gevaaronderzoek uit te voeren. In plaats daarvan is in het bestemmingsplan het kwaliteitsniveau bepaald voor de ruimte rondom nieuwe gebouwen van 30 meter en hoger. De opgenomen regels bepalen, samengevat, dat aan minimale vereisten voldaan moet worden voor windhinder en windgevaar. Anders past een bouwplan niet in het bestemmingsplan. Het te behalen kwaliteitsniveau is expliciet voorgeschreven en wordt objectief 12

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

bepaald aan de hand van NEN 8100. Op deze wijze ontstaat aan de ene kant voldoende flexibiliteit bij de uitwerking van de bouwplannen om gericht naar het windklimaat te kijken en, zo nodig, doeltreffende maatregelen te nemen. Tegelijkertijd is vastgelegd dat de basiskwaliteit voor het windklimaat altijd gehaald moet worden. De regeling voor windhinder en windgevaar betekent concluderend dat de toets aan de kwaliteitscriteria voor windhinder en windgevaar op basis van objectieve normen plaatsvindt in het kader van de beoordeling van een vergunningaanvraag. Van een nader afwegingsmoment is in het bestemmingsplan daarom geen sprake. 2. Parkeren – inzicht parkeerbalans De ‘Parkeerbalans Papendorp’ (bijlage 9) is volgens indieners niet te controleren omdat het een PDF is, terwijl de berekeningen verborgen zijn in de onderliggende Excel-documenten. Hierdoor menen indieners dat het niet te controleren is of de parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers (van bewoners) van Papendorp Noord correct is berekend. Als gevolg daarvan, zo stellen zij, is niet te controleren of de in de Mobiliteitshub XL genoemde 973 autoparkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers (van bewoners) van Papendorp Noord voldoende zijn. Daarbij verzoeken indieners op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van de spreadsheets of -documenten van de parkeerbalans voor Papendorp.

Gemeentelijke reactie In de parkeerbalans zijn de gebruikte aantallen, normen, vormfactoren, (sub)totalen en percentages opgenomen in de tabellen. Daarmee is in zijn geheel herleidbaar hoe het genoemde aantal van 973 parkeerplaatsen tot stand is gekomen. Ook zonder de onderliggende spreadsheet is de parkeerbalans goed controleerbaar. Daarnaast is afzonderlijk beslist op het Woo-verzoek van indieners. De spreadsheets zijn openbaar gemaakt waarmee de parkeerbalans is opgebouwd en de bestanden zijn beschikbaar gesteld aan indieners. Op deze wijze is invulling gegeven aan het verzoek van indieners om te beschikken over de bronbestanden van de parkeerbalans. 3. Parkeren – parkeerbehoefte tweede en derde doelgroep Mobiliteitshub XL De eerste doelgroep voor de Mobiliteitshub XL wordt gevormd door toekomstige bewoners van Zuidwest Utrecht (met behoefte aan parkeren op afstand) en hun bezoekers en bewoners en werknemers van Papendorp Noord en Groenewoud. De tweede doelgroep zijn de bewoners en bezoekers van bestaande omliggende wijken. De derde doelgroep zijn werknemers van de Jaarbeurs, P+R-gebruikers en werknemers van (bestaand) Papendorp. Volgens indieners zijn in de Mobiliteitshub XL maximaal 777 parkeerplaatsen bedoeld voor de resterende behoefte van de eerste doelgroep, de tweede doelgroep en ook de derde doelgroep.

Waarop het aantal van circa 777 parkeerplaatsen is gebaseerd, is voor indieners niet duidelijk. Op grond van de Woo verzoeken indieners om openbaarmaking van de (Excell-)berekening(en) van de parkeerbehoefte van het resterende gedeelte van de eerste doelgroep, alsook de tweede en derde doelgroep. Bij gebrek aan deze informatie menen indieners dat het niet te controleren is of de circa 777 resterende parkeerplaatsen in de Mobilteitshub XL voldoende zijn om de parkeerbehoefte van de doelgroepen te ondervangen. In dit verband merken indieners op dat P+R Papendorp wordt opgeheven, terwijl P+R Papendorp beschikt over maar liefst 750 parkeerplaatsen, enkel voor de derde doelgroep. Het is voor indieners dan ook duidelijk dat het aantal parkeerplaatsen voor de derde doelgroep drastisch wordt ingeperkt.

Gemeentelijke reactie De interpretatie door de indieners van de betreffende berekeningen is onjuist. In de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is – mede gelet op de diversiteit aan doelgroepen – rekening gehouden met dubbelgebruik. De 2000 parkeerplaatsen kunnen worden gebruikt voor het parkeren van ongeveer 3000 auto’s, verdeeld over verschillende dagdelen. Onze inschatting is dat de Mobiliteitshub, zeker de eerste 10 jaar, voldoende capaciteit heeft met 2.000 parkeerplaatsen. Naar aanleiding van het Woo-verzoek zijn indieners verwezen naar de vindplaats van de (al openbaar gemaakte) analyse waarop dat aantal gebaseerd is. Bij deze analyse is rekening gehouden met alle

13/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

drie de doelgroepen. Voor het bestaande kantorenpark Papendorp wordt de parkeergelegenheid op eigen terrein benut, conform het geldende parkeerbeleid en met inachtneming van de actuele parkeernormen. Met dat uitgangspunt is het kantorenpark ook gerealiseerd. De P+R Papendorp is een tijdelijke voorziening en is niet aangelegd voor de opvang van de parkeerbehoefte van de kantoren in Papendorp. Bij verplaatsing van de tijdelijke P+R is de capaciteit tijdelijk verhoogd van 500 naar 750 parkeerplaatsen. Daarbij is afgesproken dat door de bedrijven gewerkt wordt aan een systeem waardoor de aanwezige parkeerruimte op de verschillende kavels efficiënter gebruikt gaat worden. Dat systeem is nu nog niet gerealiseerd. We begrijpen dat bij de bestaande kantoren de behoefte niet op elk moment overeenkomt met de capaciteit, zodat toch naar andere plekken uitgeweken moet worden. Maar de parkeerbehoefte van het bestaande kantorenpark is niet waarvoor wij de mobiliteitshub realiseren, niet in eerste instantie en ook niet in tweede instantie. Wel is er gedurende 10 jaar na realisatie van de Mobiliteitshub naar verwachting voldoende ruimte om indien nodig te voorzien in de P+R-functie. Dat geeft ons dan ook geen reden om de mobiliteitshub kleiner of groter te maken dan nu gepland. 4.

Parkeren – passende transferia op middellange termijn Het is de bedoeling dat op regionaal niveau gezocht wordt naar locaties voor passende transferia welke op middellange termijn de parkeerbehoefte van de derde doelgroep kan ondervangen. Voor indiener is echter onduidelijk wat wordt bedoeld met de middellange termijn. Is dat 5 jaar, 10 jaar, langer? Evenmin is hen duidelijk aan welke vereisten die andere locaties voor transferia moeten voldoen, willen deze als passend worden aangemerkt. En stel, zo vragen indieners, dat er geen locaties voor passende transferia worden gevonden, terwijl de woningbouwontwikkeling doorloopt: hoe wordt gegarandeerd dat de derde doelgroep en meer in het bijzonder werknemers van Papendorp en P+R-gebruikers gebruik kunnen blijven maken van de Mobiliteitshub XL? Volgens indieners is nu al bekend dat de nieuwe bewoners (en bezoekers) uiteindelijk de parkeerplaatsen in de Mobiliteitshub XL ten behoeve van de derde doelgroep gaan innemen. Indieners verzoeken dit nader toe te lichten en concrete toezeggingen te doen.

Gemeentelijke reactie Het bestemmingsplan vormt geen belemmering voor het gebruik van de Mobiliteitshub door welke doelgroep dan ook. Als gevolg van in het Mobiliteitsplan 2040 door de Raad vastgesteld beleid moeten ook de bedrijven in Papendorp er echter wel rekening mee houden dat parkeren buiten de eigen locatie in toenemende mate op afstand zal moeten plaatsvinden. Wij voeren actief beleid op de realisatie van nieuwe transferia. Concrete jaartallen zijn nog niet te noemen, maar onze verwachting is dat de nieuwe transferia op de middellange termijn, dus ergens tussen de 5 en 10 jaar, worden gerealiseerd. Dat nieuwe transferia in de toekomst nodig worden, is voor ons geen discussie. Desondanks kan de Mobiliteitshub XL een keer te klein worden. Als de Mobiliteitshub XL te klein wordt, is het een optie om deze parkeervoorziening uit te breiden met nog eens 1000 parkeerplaatsen voor auto’s. In het nieuwe bestemmingsplan is daar nu niet in voorzien. Maar als dat nodig is, zullen we daar op dat moment een nieuwe, ruimtelijke procedure voor doorlopen, waarbij tevens wordt afgewogen voor welke doelgroepen zo'n uitbreiding beschikbaar kan komen. 5. Parkeren – opheffen P+R Papendorp Uit niets blijkt volgens indieners, hoe in de parkeerbehoefte van de derde doelgroep wordt voorzien zodra P+R Papendorp wordt opgeheven, als de bouw van de Mobiliteitshub XL is aangevangen.

Indieners verzoeken dit nader toe te lichten en concrete toezeggingen te doen. De derde doelgroep zijn werknemers van de Jaarbeurs, P+R-gebruikers en werknemers van (bestaand) Papendorp.

Gemeentelijke reactie De (tijdelijke) P+R Papendorp zal slechts gedeeltelijk moeten verdwijnen voor de bouw van de Mobiliteitshub. Wanneer en hoe die bouw precies gaat plaatsvinden, moet nog uitgewerkt worden. Bij die uitwerking bepalen we of en hoe tijdens de bouw van de Mobiliteitshub in een vervangend alternatief voorzien wordt voor het deel van de huidige P+R dat wordt opgeheven. Uiteraard zal het dan ook weer om een tijdelijke oplossing gaan en mogelijk ook om een oplossing met minder 14

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

capaciteit. Zoals toegelicht bij het derde zienswijzepunt, zijn de afspraken meer gericht op het efficiënter gebruiken van de bestaande parkeergelegenheid op de kavels en minder met een P+R. 6. Verkeer – basisgegevens verkeersgeneratie Volgens indieners wordt in de plantoelichting en de bijlagen daarbij niet vermeld hoeveel verkeersbewegingen het ontwerpbestemmingsplan in totaal en per functie tot gevolg zal hebben. Ook is het voor indieners niet duidelijk hoe met die verkeersbewegingen rekening is gehouden. Hetzelfde geldt voor de verkeersbewegingen van en naar de Mobiliteitshub XL, waarbij indieners opmerken dat die gebruikt gaat worden door verschillende doelgroepen. Indieners missen bij het bestemmingsplan de onderliggende berekeningen van de aantallen die voor de verkeersgeneratie zijn gebruikt. Daarbij geldt ook dat het Utrechtse verkeersmodel VRU 3.4 niet openbaar is. Hierdoor is niet te controleren of met de gegevens die zijn gebruikt voor het doorrekenen ook de resultaten zijn behaald die met het bestemmingsplan worden gerepresenteerd, aldus indieners. Daarnaast verzoeken indieners op grond van de Woo om openbaarmaking van alle stukken waarin de verkeersbewegingen staan en waarmee in het ontwerpbestemmingsplan Papendorp rekening is gehouden.

Dat verzoek betreft ook de bewegingen van de drie doelgroepen voor de Mobiliteitshub XL en ook het Utrechtse verkeersmodel VRU 3.4 zelf. Verder zien indieners in de m.e.r.-beoordeling dat talloze getallen genoemd worden, maar onduidelijk is voor hen of dat verkeersbewegingen betreffen of het aantal voertuigen. Volgens indieners ontbreekt ook een onderbouwing van die getallen. Indieners concluderen dat onvoldoende onderbouwd is dat het bestaande wegennet in Papendorp met de voorgenomen infrastructuur voldoende capaciteit heeft om het verkeer af te wikkelen én dat ook de Mobiliteitshub XL vlot in- en uitgereden kan worden. Wel wordt volgens indieners in de plantoelichting van het ontwerpbestemmingsplan vermeld dat in de huidige situatie op enkele weg-/kruispunten al sprake is van een zwaar belast netwerk. Indieners menen dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en onzorgvuldig is voorbereid.

Gemeentelijke reactie Op het Woo-verzoek van indieners is afzonderlijk beslist. De verkeersgegevens (met name spreadsheets) die gebruikt zijn voor de onderzoeken bij het bestemmingsplan, zijn openbaar gemaakt en de bestanden zijn beschikbaar gesteld aan indieners. Dit geldt ook voor de invoergegevens voor het VRU-model. Het model zelf is, zoals indieners zelf ook opmerken, niet openbaar en het is ook niet openbaar gemaakt naar aanleiding van het Woo-verzoek. De gemeente Utrecht is niet de bronhouder van deze software. Aan elke doorrekening met het VRU-model wordt voor elke verschillende functie een uitgangspunt gehanteerd voor het aan die functie toe te rekenen aantal vervoersbewegingen per eenheid. Ook voor de verschillende onderdelen van het woningbouwprogramma zijn daarbij de uitgangspunten standaard gedifferentieerd. Voor Papendorp en Groenewoud is daartoe gerekend met het te realiseren programma in de beide gebieden en met de verkeersgeneratie voor het parkeren op afstand. Omdat parkeren op afstand voor bewoners een nieuw element is binnen de berekeningssystematiek, is geen rekening gehouden met een reductie van het aantal gegenereerde vervoersbewegingen door een beperkter gebruik van de auto (zoals dat voor de bewoners, gebruikers en bezoekers van Papendorp en Groenewoud zelf wel geldt). De doorrekening kan daarom worden aangemerkt als worst-case.

De wegdelen en kruispunten waarvan is aangegeven dat ze in de huidige situatie al zwaar zijn belast bevinden zich buiten het plangebied en betreffen de aansluitingen op de Stadsbaan, verkeersplein Hooggelegen en knooppunt De Meern. De doorrekening met het VRU-model laat zien dat het verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Papendorp en Groenewoud ook in de spitsen op deze aansluitingen nog steeds goed is af te wikkelen. Wel geeft deze situatie ons aanleiding de feitelijke situatie op deze kruispunten periodiek te monitoren. Hiermee is het bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en het plan is ook zorgvuldig tot stand gekomen.

15/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Wel is naar aanleiding van de zienswijze de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld om een completer beeld te geven van de verkeersafwikkeling. In hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) is toegelicht dat er een betere spreiding van het autoverkeer over het plangebied ontstaat door de tijdelijke verplaatsing van de capaciteit van de tijdelijke P&R naar de Mobiliteitshub en de keuze om de Mobiliteitshub van twee in/uitgangen te voorzien in plaats van één. Ook is een overzicht van de berekende verkeersintensiteiten in en rond het plangebied toegevoegd (bijlage 30). 7. Beheer/kostenstijging parkmanagement Volgens indieners leiden de ontwerpbestemmingsplannen Papendorp en Groenewoud tot een intensiever gebruik van het bestaande kantorenpark, met hogere kosten voor het beheer (parkmanagement) tot gevolg. Het gaat volgens indieners in ieder geval om kosten voor terreinbeveiliging, bewegwijzering en het functioneel/dagelijks beheer en onderhoud van het openbaar gebied. Indieners zien niet in waarom de consequenties van Papendorp Noord en Groenewoud voor rekening en risico van de Vereniging Parkmanagement Papendorp en daarmee haar verplichte leden moeten komen.

Indieners stellen dat de gemeente Utrecht eenzijdig de erfpachtvoorwaarden wijzigt, waardoor de kosten voor parkmanagement ineens veel hoger zullen uitvallen dan bij aanvang van de erfpachtovereenkomst voorzienbaar was en waarmee de leden van de VPP gedurende hun lidmaatschap hebben ingestemd. Indieners zijn het hiermee oneens en stellen zich op het standpunt dat om deze reden sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan (de uitvoering van) het bestemmingsplan Papendorp in de weg staat.

Gemeentelijke reactie De beheerkosten van de openbare ruimte worden voor 100% gedragen door de gemeente Utrecht. Het door indieners voorgestelde effect doet zich daarom voor die kosten niet voor. Verder is al van meet af aan breed bekend dat Papendorp op een andere manier gebruikt en intensiever bebouwd gaat worden dan nu het geval. In het masterplan voor Vinex-locatie Leidsche Rijn uit 1995 was al opgenomen dat heel Papendorp een plek is voor werken én wonen. De ontwikkelingen Papendorp Noord en Groenewoud kunnen overigens ook een positief effect hebben op de beheerkosten (zoals de terreinbeveiliging), want er kan met het toevoegen van onder andere woningen in het gebied meer sociale controle buiten de kantoortijden ontstaan. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering, zoals indieners stellen, is geen sprake. Dat wat de gemeente met erfpachters (privaatrechtelijk) heeft afgesproken over de beheerkosten van het gebied, vormt geen belemmering voor de uitvoering van de projecten. Het nieuwe bestemmingsplan wijzigt die afspraken niet (dat kan juridisch ook niet) en de verwezenlijking van het nieuwe bestemmingsplan is daar ook niet afhankelijk van. 8.

Hoofdontsluiting Mobiliteitshub XL De bestaande kantoren op de kop (Orteliuslaan 1-27 en 850) van het bestaande kantorenpark Papendorp zullen te midden van allerlei drukke wegen en kruispunten komen te liggen, zo stellen indieners. Belangrijker is voor hun echter dat deze en potentieel andere bestaande kantoren aan de westkant van de Orteliuslaan hun ontsluiting op de Orteliuslaan verliezen. Hoe en exact waar de nieuwe ontsluiting moet plaatsvinden, is indieners onbekend. Ook is hun onbekend of met het veranderen van de ontsluiting van bestaande kantoren wel rekening is gehouden in het ontwerpbestemmingsplan, vooral als het gaat om de verkeersgeneratie.

Gemeentelijke reactie De bestaande kantoren blijven uiteraard bereikbaar. Voor de genoemde panden wordt de aanrijroute via de Orteliuslaan vervangen door een aanrijroute vanaf de Marinus van Tyruslaan. Hoe en wanneer dat precies uitgevoerd gaat worden, vanwege de benodigde aanpassingen van de Orteliuslaan, is nog onbekend. Dat zal bij de verder planuitwerking duidelijk worden. De bedrijven worden daar op dat moment ook over geïnformeerd. Uitgangspunt is dat de bereikbaarheid van de bedrijven goed blijft. In het kader van onderzoek van SWECO naar de ontsluiting van de Mobiliteitshub en de afwikkeling op het onderliggend wegennet is besloten te zorgen voor niet één maar twee in-/uitgangen voor de 16

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

Mobiliteitshub. Samen met het verplaatsen van de tijdelijke P+R naar de Mobiliteitshub zorgt dit voor een betere spreiding van de vervoersbewegingen over het plangebied in de directe omgeving van de hub en een ontlasting van de druk op de aansluiting Orteliuslaan/Marinus van Tyruslaan. 9. Trambaan De ruimtelijke gevolgen van de aanleg van de trambaan zijn onvoldoende in kaart gebracht, aldus indieners. Volgens hen regelt het nieuwe bestemmingsplan een nader afwegingsmoment in de toekomst, wat niet is toegestaan, gelet op jurisprudentie. Indieners vinden dat de mogelijkheid voor de trambaan moet worden geschrapt of alsnog moet onderzoek uitgevoerd worden naar het geluid en de trillingen door de nieuwe trambaan. Indieners verzoeken nadrukkelijk toe te lichten op welke wettelijke basis geluidsruimte kan worden gereserveerd voor toekomstige, onzekere activiteiten.

Gemeentelijke reactie In de eerste plaats verwijzen wij naar ons antwoord op het eerste punt van de zienswijze. Het daar beschreven principe geldt ook voor de regeling voor de trambaan. In het kort: omdat het bestemmingsplan een verbrede reikwijdte heeft, zijn er meer juridische mogelijkheden dan met een gewoon bestemmingsplan. Daarmee is het goed mogelijk om te voorzien in de aangehaalde regeling voor de tram. Wij verwachten overigens dat een vergelijkbare regeling ook in een gewoon bestemmingsplan opgenomen had kunnen worden, maar dat is hier niet aan de orde. De trambaan is niet bij recht toegestaan. Het kan wel worden toegestaan door het verlenen van een omgevingsvergunning. De locatie waar de bestaande busbaan omgezet kan worden naar een trambaan is op de plankaart specifiek aangegeven. Ook de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning kan worden verleend, zijn helder afgebakend en bepalen maxima voor de te verwachten ruimtelijke gevolgen. Daarbij is er ook voor gekozen om een hogere grenswaarde vast te stellen, waarbij een deel van het hogere geluidsniveau alleen aanvaardbaar is vanwege de aanleg van de trambaan. Daarom is het logisch en ook toegestaan om in het besluit voor de hogere grenswaarde geluidsruimte te reserveren voor de trambaan. 10.

Besluit op m.e.r.-beoordeling In het ontwerpbestemmingsplan wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen, zodat geen milieueffectrapportage nodig is. De ontwikkeling leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen als alle onderzoeken zijn uitgevoerd en daaruit blijkt dat dit het geval is, aldus indieners. In dit geval wordt er volgens hen echter voor gekozen om meerdere onderzoeken uit te stellen totdat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Indieners menen dat er dan onvoldoende basis is voor de conclusie dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen, zodat geen milieueffectrapportage nodig is.

Gemeentelijke reactie Bij de punten, waarvoor volgens indieners sprake is van het uitstellen van onderzoeken, ontstaat geen ander plan als die onderzoeken eenmaal uitgevoerd zijn. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn helder afgebakend. De nog uit te voeren onderzoeken gaan slechts over de invulling van die bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dat geldt voor een beperkt aantal aspecten. Bij die aspecten zijn de begrenzingen voor het milieu ook expliciet bepaald. In de opgestelde m.e.r.-beoordeling zijn de milieueffecten goed in beeld gebracht. Het is voldoende aannemelijk dat er in de nadere uitwerking maatregelen mogelijk zijn om eventuele negatieve effecten te mitigeren (weg te nemen). Op basis daarvan is het besluit genomen om voor het plan geen milieueffectrapport op te stellen. Conclusie Naar aanleiding van de zienswijze is de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld. In hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) is toegelicht dat er een betere spreiding van het autoverkeer over het plangebied ontstaat door de tijdelijke verplaatsing van de capaciteit van de tijdelijke P&R naar de Mobiliteitshub en de keuze om de Mobiliteitshub van twee in/uitgangen te voorzien in plaats van één. Ook is een overzicht van de berekende verkeersintensiteiten in en rond het plangebied toegevoegd (bijlage 30). Voor het overige geeft de zienswijze geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.

17/34

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Zienswijze 3

Rijkswaterstaat

Breedte beperkingengebied Rijkswaterstaat merkt op dat de functie Waterstaat - Waterkering smaller is dan het actuele beperkingengebied voor de waterkering langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Rijkswaterstaat vraagt om de zonering aan te passen op het actuele beperkingengebied.

Gemeentelijke reactie In het ontwerpbestemmingsplan zijn we voor een deel uitgegaan van de grenzen in het geldende bestemmingsplan Papendorp. Dat geldt ook voor het beperkingengebied langs het AmsterdamRijnkanaal. Door het opheffen van het beperkingengebied voor een andere waterkering binnen het plangebied, is de begrenzing echter niet meer actueel. Naar aanleiding van de zienswijze is de begrenzing van de functie Water – Waterstaat bijgewerkt op basis van het bestand dat wij van Rijkswaterstaat hebben ontvangen. De grenzen komt nu overeen met het actuele beperkingengebied van Rijkswaterstaat. Na overleg met Rijkswaterstaat is het beperkingengebied dat over het kanaal zelf ligt, daarbij niet overgenomen. Voor het kanaal sluit de functie Water namelijk activiteiten uit die invloed kunnen hebben op het functioneren van de waterkering. Daarbij speelt ook dat het kanaal zelf in beheer en eigendom is van Rijkswaterstaat. Op deze manier zijn de belangen van de waterkering al voldoende geborgd. Advies waterbeheerder Rijkswaterstaat vraagt om in de regels van de functie Waterstaat – Waterkering op te nemen dat (bindend) advies van de waterbeheerder (Rijkswaterstaat) nodig is voorafgaand aan de vergunningverlening van (bouw)activiteiten.

Gemeentelijke reactie In het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp is al geregeld dat een advies van Rijkswaterstaat nodig is bij bouwactiviteiten binnen de functie Waterstaat – Waterkering. Dat wordt alleen niet bepaald door de regels binnen de functie Waterstaat – Waterkering, maar via de algemene regels van het bestemmingsplan. Die algemene regels staan in artikel 23.5 (Bouwen op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is) van het bestemmingsplan. Bouwactiviteiten in de functie Waterstaat – Waterkering en die niet voor die functie zijn, kunnen pas worden toegestaan als advies is ingewonnen bij de beheerder van de te beschermen functie. In dit geval is dat Rijkswaterstaat. In artikel 36 van het bestemmingsplan (Vergunning in verband met de bescherming van een functie) is hetzelfde geregeld, alleen dan voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die van invloed kunnen zijn op het functioneren van de waterkering. Gebruik van het Amsterdam-Rijnkanaal (scheepvaartbelangen) Rijkswaterstaat vraagt om de activiteit ‘scheepvaart’ toe te voegen aan de functie ‘Water’. Het Amsterdam-Rijnkanaal is namelijk een belangrijke en drukke vaarweg.

Gemeentelijke reactie Binnen de functie Water is oppervlaktewater toegestaan. Eigen aan oppervlaktewater is dat het groot genoeg en geschikt kan zijn om te gebruiken voor scheepvaart. Wat dat betreft, is het niet nodig om scheepvaart expliciet op te nemen als een mogelijke activiteit binnen de functie. Maar, voor alle duidelijkheid, is naar aanleiding van de zienswijze ter plaatse van het Amsterdam-Rijnkanaal de aanduiding ‘vaarweg’ toegevoegd aan de functie Water om duidelijk te maken dat dit kanaal een belangrijke en drukke vaarweg is. Bereikbaarheid Rijkswaterstaat heeft zorgen over de verkeersafwikkeling en de daarvoor aangekondigde monitoring. Pas op basis van die monitoring worden de maatregelen bepaald en genomen. Het proces om te gaan monitoren is tot op heden niet goed van de grond gekomen. Rijkswaterstaat vraagt om dit actief op te pakken.

18

Datum Rapport

januari 2024 Vaststellingsrapport

Gemeentelijke reactie Het proces om te komen tot de aangekondigde monitoring is inmiddels gestart. Het gaat om de monitoringsaanpak voor het gebied Groot Merwede. Papendorp is daar een onderdeel van. Rijkswaterstaat wordt door ons nauw betrokken in het monitoringsproject. Dat is voor ons essentieel om tot een gedragen aanpak te komen. De uitwerking van de monitoringsaanpak gebeurt tot en met het voorjaar van 2024. Voor de monitoring willen we nog in 2024 een nulmeting uitvoeren. Gelijk daarna gaan we verder met de monitoring. Als blijkt dat maatregelen nodig zijn, kunnen deze maatregelen tijdens de planrealisatie worden uitgevoerd. Dove gevels Rijkswaterstaat geeft aan dat onder de Omgevingswet uit het omgevingsplan (of ander ruimtelijk besluit) moet blijken waar wel of geen dove gevels aanwezig zijn of moeten zijn. Als het bestemmingsplan opgaat in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is niet te bepalen waar eventuele dove gevels zijn. Het bestemmingsplan is nu zo gemaakt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen (geen ruimtelijk besluit) pas duidelijk wordt waar dove gevels nodig zijn (om aan het hogere waardenbesluit te voldoen). Rijkswaterstaat kan dan de dove gevels, juridisch gezien, niet aanmerken als dove gevels (want ze staan niet in een ruimtelijk besluit).

Een dove gevel moet volgens jurisprudentie ook worden vastgelegd in het bestemmingsplan aldus Rijkswaterstaat. Ook is het praktisch slecht werkbaar voor Rijkswaterstaat, want de omgevingsvergunningen moeten opgevraagd worden om te zien waar er dove gevels zijn. Rijkswaterstaat vraagt daarom om dove gevels voor te schrijven in het bestemmingsplan, tenzij bij de realisatie blijkt dat met een gewone gevel toch aan de hogere waarde voldaan kan worden.

Gemeentelijke reactie In het bestemmingsplan is het woon- en leefklimaat voor woningen (en andere geluidgevoelige functies) onder andere geborgd met expliciete verwijzingen naar het hogere waarden besluit. Daarmee maken de regels en voorwaarden van dat besluit onderdeel uit van de regels van het nieuwe bestemmingsplan voor Papendorp. Dit is voor ons de gebruikelijke wijze om hogere waarden goed te borgen. Bij de verdere realisatie leidt dit tot de nodige en passende maatregelen voor geluid. Dat kan dan ook inhouden dat voor een deel dove gevels nodig zijn. Maar het kan ook inhouden dat, juist door andere maatregelen te nemen, toch geen dove gevels nodig zijn op plekken waar die nu, in eerste instantie, wel aan de orde kunnen zijn. Samengevat maakt de regeling het dus mogelijk om bouwplannen en de al dan niet benodigde geluidsmaatregelen goed op elkaar af te stemmen. Het verzoek in de zienswijze is om de plekken waar dove gevels moeten komen, voor te schrijven in het bestemmingsplan. Onze werkwijze zou daarvoor omgedraaid moeten worden. Dit is niet zozeer om het woon- en leefklimaat beter te borgen. Aanleiding is in wezen het willen ‘omzeilen’ van een gebrek in toekomstige wetgeving. Dit gebrek zit in het overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet voor de Wet ruimtelijke ordening en de Wet geluidhinder.

Het gebrek is dat niet in overgangsrecht is voorzien voor dove gevels die zijn vastgelegd, voorgeschreven of onderdeel uitmaken van omgevingsvergunningen, zonder dat een planologische strijdigheid doorbroken moest worden (met dove gevels tot gevolg). Dit probleem hebben wij al jaren geleden aangegeven bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Desondanks is niet in een oplossing in het overgangsrecht voor de Omgevingswet voorzien. Daar komt bij dat, bij het ‘omgekeerd opnemen’ van dove gevels alle woningen die in de betreffende zone liggen een dove gevel moeten krijgen (en in de toekomst als ‘niet geluidgevoelige gevel’). Het gevolg is dat ook de woningen die nu geen dove gevel nodig hebben, uitgesloten zouden worden van bescherming tegen geluid in de toekomst. Dat is onwenselijk en daar kiezen wij dan ook niet voor. De zienswijze geeft ons geen aanleiding om de regels voor geluid aan te passen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=3cc14836-ee1f-48c8-b299-d030824a3b38