Transitievisie Warmte deel I.pdf
Tekst van het document
Een groot deel van de nieuwe spelregels worden nationaal vastgelegd en gaan gelden voor alle warmtenetten in Nederland, dus ook in de gemeente Utrecht. Besluitvorming en de invoering gaan echter nog zeker enkele jaren kosten. De wettelijke kaders bieden elke gemeente speelruimte voor het lokaal op basis van maatwerk invullen van de regierol. Elke gemeente zal dus ook eigen lokale afwegingen maken. Dat betekent dat we in de komende jaren praktisch aan de slag moeten, snel en slim moeten leren en rekening moeten houden met een veranderende context.
Transitievisie Warmte deel I
Omdat de Warmtewet 2.0 nog niet gereed is en we op basis van deze Transitievisie Warmte aan de slag willen gaan met warmtenetten door de lage maatschappelijke kosten, stellen wij vooruitlopend op deze wet onze eigen publieke (rand)voorwaarden op. Zo kan de gemeente zonder vertraging aan de slag gaan met bijvoorbeeld de verkenning van de uitbreiding van het warmtenet in Overvecht-Noord. Daarvoor is het nodig dat de raad heldere publieke kaders meegeeft waarmee de gesprekken en onderhandelingen met betrokken partijen gevoerd kunnen worden. Door de wettelijke en maatschappelijke onzekerheden ligt een stapsgewijze en transparante aanpak voor de hand. De Utrechtse publieke waarden zijn in lijn met de wettelijke (rand)voorwaar den voor (uitbreiding van) warmtenetten.
34
In 2020 is een verkenning uitgevoerd naar de visie van belangrijke partijen in de stad op cruciale aspecten bij de aanleg van collectieve warmtenetten. Verschillende publieke waarden zijn als belangrijk naar voren gebracht tijdens de consultatie van de Warmtewet 2.0 en de Utrechtse raadpleging van belanghebbenden (Berenschot, 2020). Op basis van deze verkenningen stellen we voor de volgende zes publieke waarden op te nemen voor het warmtenet: duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouw baarheid, transparantie, open net en keuzevrijheid. Wij lichten eerst deze publieke waarden toe.
Van de zes publieke waarden zijn de eerste vier (duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouwbaarheid en transparantie) randvoorwaarden voor uitbreiding van het warmtenet. Voor duurzaamheid geldt dat we daaraan een termijn koppelen waarop het warmtenet duurzaam moet zijn. Voor betaalbaarheid, betrouwbaarheid en transparantie geldt dat dit echt randvoorwaarden zijn voor uitbreiding. Als een warmtebedrijf niet aan deze randvoorwaarden voldoet, kan de uitbreiding van het warmtenet niet plaatsvinden. De publieke waarden open net en keuzevrijheid zijn waarden waarnaar wij streven om die zoveel mogelijk per gebied in te vullen, zolang zij niet koste gaan de eerst vier randvoorwaarden.
1. Duurzaamheid: De bron voor het warmtenet is CO2-vrij en zonder andere nadelige effecten op de leefomgeving. 2. Betaalbaarheid: Iedereen in Utrecht kan beschikken over een comfortabel en duurzaam verwarmd gebouw en zal niet meer gaan betalen dan bij het gebruik van aardgas. 3. Betrouwbaarheid: De warmtevoorziening biedt een hoge mate van leverings zekerheid en is toekomstbestendig. 4. Transparantie: Warmtebedrijven geven openheid over de opbouw van hun tarieven en hun investeringen. 5. Open net: De mogelijkheid bestaat voor (nieuwe) partijen om warmte te leveren aan bestaande netten. 6. Keuzevrijheid: De wens van afnemers is om vrij te kunnen kiezen voor een alternatieve duurzame warmteoplossing, warmtebron of leverancier.
Transitievisie Warmte deel I
35
Toelichting publieke waarden Per publieke waarde lichten wij de achtergrond nader toe en geven wij de conceptafspraken in de Warmtewet 2.0 weer. Duurzaamheid: Voor collectieve warmtenetten is draagvlak belangrijk. Duurzaamheid is hierin cruciaal. Voor Utrecht betekent dit: bronnen die voeding zijn van een warmte net moeten (op termijn) CO2 vrij zijn en niet nadelig uitpakken voor de leefomgeving (Utrecht, 2017). In het collegeakkoord is verder vastgelegd dat de gemeente Utrecht de warmtenetten voor 2030 volledig wil verduurzamen (Utrecht, 2018). De ambitie om in 2030 de warmtenetten volledig verduurzaamd te hebben, gaat verder dan de eisen in de Warmtewet 2.0, waarin uit wordt gegaan van CO2-vrij in 2050. Eneco zelf koerst in haar routekaart op 2040).
In de concept Warmtewet 2.0 is voorgesteld een wettelijke norm aan te houden voor de maximale CO2-uitstoot per eenheid (GJ) geleverde warmte. In 2022 is deze norm maximaal 40 kg CO2 per GJ. In 2030 moet dit 25 kg CO2 per GJ zijn.
Transitievisie Warmte deel I
Betaalbaarheid: De aansluiting op een warmtenet is nu en in de toekomst voor de eindgebruiker betaalbaar. In het Klimaatakkoord is daarom afgesproken dat woonlastenneutraliteit voor het overgrote deel van de bewoners het uitgangspunt is. En dat waar dat niet lukt, gerichte ondersteuning moet komen. Bij woonlasten neutraliteit is het uitgangspunt dat de bewoner niet meer gaat betalen dan deze zou betalen voor aardgas. Nu gaat ACM (Autoriteit Consument & Markt) voor het bepalen van betaalbaarheid nog uit van het Niet Meer Dan Anders-principe waarbij de kosten voor aardgas als referentie zijn gekozen. Dat principe zal verdwijnen met de nieuwe wet.
In de concept Warmtewet 2.0 is voorgesteld om over te stappen op een tarief dat op de werkelijke kosten is gebaseerd. De ACM moet dit tarief goedkeuren. Uit de eerste pilots in het land blijkt dat de betaalbaarheid/ woonlastenneutraliteit bij de aanleg van warmtenetten nog niet wordt gehaald. De gemeente blijft (samen met de VNG) lobbyen voor aanpassing van het landelijke beleid om betaalbaarheid/woonlastenneutraliteit te realiseren.Voor 2030 worden de getallen tot 2050 ingevuld.
36
Betrouwbaarheid: Dit betreft de zekerheid van een continue warmtelevering op korte en langere termijn.
In de concept Warmtewet 2.0 staat het voorstel om warmtebedrijven te verplichten een investeringsplan op te stellen zodat de warmtelevering op korte en lange termijn voldoende mate is gegarandeerd. De ACM kan dit toetsen. Warmtenetten zijn op dit moment zeer betrouwbaar omdat in grote warmtenetten altijd meerdere bronnen zijn opgenomen die het van elkaar kunnen overnemen bij uitval. Doel is om dit op peil te houden.
Transitievisie Warmte deel I
Transparantie: Voor de betaalbaarheid en draagvlak bij (toekomstige) gebruikers, vragen we warmtebedrijven openheid te geven over de opbouw van hun tarieven en hun investeringen. Vele belanghebbenden vinden dit een cruciale voorwaarde om draagvlak te krijgen voor aanleg en aansluiting op warmtenetten. Afnemers willen inzicht in een eerlijke prijs. De gemeente vindt het van belang dat voor de uitbreiding van een bestaand warmtenet dezelfde transparantie-eisen gelden als voor een nieuw warmtenet.
In de concept Warmtewet 2.0 zijn voorwaarden uitgewerkt voor transparantie van een aangewezen warmtebedrijf over de tarieven van de warmtelevering.
37
Open net: Om optimaal gebruik te kunnen maken van de duurzame warmtebronnen in de stad, streven we naar ‘open’ warmtenetten. Dit betekent o.a. dat de mogelijkheid bestaat voor nieuwe partijen om warmte te leveren aan bestaande netten. Hiermee ontstaan meer kansen voor het aansluiten van nieuwe duurzame energiebronnen. Bijvoorbeeld als bewoners en/of lokale energiebedrijven in een wijk hun eigen warmte net en warmtebron willen beheren. Ook kunnen lokale (kleinschalige) warmtenetten ontstaan die al dan niet onderling zijn verbonden.
In de concept Warmtewet 2.0 is nu opgenomen dat een aangewezen warmtebedrijf op verzoek overlegt over de toegang tot het collectieve warmtesysteem voor inkoop, transport of levering. Dit voorstel voor de toegang tot bestaande netten vindt de gemeente te beperkend. Om openheid, transparantie en concurrentie te bevorderen zou de gemeente graag zien dat er vooraf een tarief bekend is waarvoor bijvoorbeeld warmtelevering aan het net plaats kan vinden. Bedoeling is om het actiever voor meerdere partijen mogelijk te maken van netwerk en bronnen gebruik te maken.
Transitievisie Warmte deel I
Keuzevrijheid: Keuzevrijheid kan in de energiesector over verschillende keuzes gaan: welke bron, welke warmteoplossing, welke leverancier of wat voor soort contract. Keuzevrijheid is dus niet eendimensionaal. De collectieve warmtesystemen zijn te klein om verschillende leveranciers naast elkaar in een buurt te laten concurreren. Wij willen daarom verkennen welke keuzes wij mogelijk kunnen maken op de andere genoemde aspecten.
In de concept Warmtewet 2.0 is nu opgenomen dat binnen een kavel het warmtebedrijf een aanbodplicht heeft voor de levering van warmte en een weigerrecht (Opt-out) voor eigenaar-bewoners als zij op een gelijkwaardige individuele manier (qua duurzaamheid) hun huis kunnen verwarmen.
38
Wisselwerking tussen publieke waarden De eerste vier publieke waarden (duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouwbaarheid en transparantie) zien we als randvoorwaarden. De uitbreiding van warmtenetten of het ontstaan van nieuwe netten kan alleen maar plaatsvinden als deze warmtenetten een duurzame en CO2-vrije bron hebben, betaalbaar zijn voor bewoners en bedrijven, en betrouwbaar zijn qua levering op korte en lange termijn. Duurzaamheid kan op verschillende manieren worden ingevuld: variërend van 100% duurzaam voor een nieuw, lokaal WKO-net tot een verduurzamingstraject tot bijvoor beeld 2040, afhankelijk van bestaande situatie en mogelijkheden. De Warmtewet stelt per jaar een CO2-reductieverplichting vast tot en met 2030. Dit loopt gelijk met de reductieverplichting bij elektriciteit. En toegerekende CO2-reductie aan het ene net kan ten koste gaan van de mogelijkheden bij een ander net. Het is belangrijk dit in samen hang en in het grote plaatje te blijven bekijken.
Ook bij keuzevrijheid en betaalbaarheid zit er spanning tussen de publieke waarden. Bij uitbreiding van een warmtenet is het aantal toekomstige aansluitingen één van de risico’s (het vollooprisico in jargon). Hoe meer bewoners en bedrijven meedoen, hoe betaalbaarder een warmtenet zal zijn. Als de kans groot is dat veel deelnemers afhaken, zal het investeringsrisico toenemen en daarmee staat de betaalbaarheid op de tocht. We moeten er met elkaar voor waken dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Investeren in een duurzaam huis is nu eenmaal gemakkelijker voor iemand die genoeg inkomen en/of vermogen heeft dan voor mensen met een laag inkomen en weinig vermogen. Naast het vollooprisico is er ook een planningsrisico. Ook dit risico kan van invloed zijn op de betaalbaarheid. Het per straat of gebied aansluiten van het warmtenet is goedkoper dan het op eigen verzoek aansluiten van woningen op het warmtenet.
Voor betaalbaarheid en betrouwbaarheid geldt dat dat een daadwerkelijke randvoor waarde is om over te stappen. Ook het maximaal transparant zijn van een warmtebedrijf over de opbouw van tarieven en investeringen is nodig om draagvlak te krijgen bij de Utrechtse bewoners en bedrijven en zien we als een randvoorwaarde. Bij open netten en keuzevrijheid is er een wisselwerking met de waarde betaalbaar heid. De bestaande of een nieuwe warmtenet-eigenaar moet aantrekkelijke en betaal bare randvoorwaarden stellen aan de toetreders van een lokale bron en lokaal net. In de praktijk kan dit betekenen dat de aansluiting van een lokale bron leidt tot hogere kosten en daarmee tot minder betaalbaarheid.
Transitievisie Warmte deel I
39
4
Van visie naar uitvoering
4.1
WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’
Utrecht streeft naar een betaalbare en CO2-vrije warmtevoorziening. Om in 2050 klaar te zijn moeten we nu van start. Dit betekent dat we duurzame warmtebronnen die nu en straks in Utrecht beschikbaar zijn goed moeten verdelen of erop moeten toezien dat ze goed worden verdeeld. Zo zorgen we ervoor dat beschikbare bronnen het beste passen bij de gebouwen (type, dichtheid, isolatiegraad).
9
voor 1940
• In de rode buurten staan vooral veel gebouwen met een hoge warmtevraag. Het is op dit moment en met de huidige technieken duur of lastig om die energievraag sterk af te laten nemen. Deze gebouwen hebben in de toekomst voor een goede verwarming warmte van hoge temperatuur (hoger dan 70 graden) nodig.
1940 - 2000
• In de gele buurten staan voornamelijk naoorlogse gebouwen. Hier is isolatie en afname van de energievraag meestal goed mogelijk. Voor een comfortabele verwarming is hier warmte op midden-temperatuur van rond de 50 graden voldoende.
Een rechtvaardige verdeling van duurzame warmtebronnen per buurt baseren we op 9 de verwachte haalbare isolatieniveaus per buurt in 2040 en de verwachte temperatuur van de warmtevraag. Dit is het gemiddelde wat gebouwen in een buurt waarschijnlijk nodig hebben (op basis van inschatting van een haalbaar isolatieniveau) om comfor tabel te worden verwarmd. De WAT-kaart op de volgende pagina brengt dit in beeld.
na 2000
• In de blauwe buurten staan veel gebouwen van na 2000 (op het bedrijventerrein ligt de grens bij 1995) en die zijn al goed geïsoleerd. De energievraag in deze gebouwen is laag: ze kunnen met warmte op lage temperatuur (onder de 50 graden) comfortabel worden verwarmd.
• In de grijze buurten staan minder dan 100 woningen. Daar kunnen we geen algemene uitspraken over doen.
Greenvis heeft in haar studie 2040 aangehouden omdat dat het moment is dat op zijn vroegst de potentiële bronnen beschikbaar kunnen zijn en zij heeft bepaald welke warmtevraag er op dat moment in Utrecht over is na isolatie.
Transitievisie Warmte deel I
40
Figuur 8: WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ Prognose van de verwachte temperatuurniveaus van de warmtevraag op basis van haalbare isolatieniveaus per buurt voor de bestaande gebouwen. Zie bijlage 4 voor een overzicht per buurt.
Spoorweg Utrecht – Amsterdam
Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort
A2
A27
OV E R V E C HT Overvecht
Noordwest NOOR DW E S T
Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam
WE S T West
A28
NOOR DOOS T Noordoost
L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche
B INNE NS TA D Binnenstad
Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N
OOS T Oost
A12
ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem
ZUID Zuid
A12
A2 Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC)
A27
Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70oC) Buurt met minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing)
Bron: Greenvis (2019).
41
Toelichting WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ Toelichting figuur 8: Greenvis heeft de haalbare isolatie niveaus en de verwachte temperatuurniveaus per buurt bepaald op basis van de veronderstelling dat alle gebouw eigenaren hun aandeel leveren in het verlagen van de warmtevraag. De gemiddelde warmtevraag per buurt is bepaald op basis van berekening op adresniveau aan de hand van beschikbare gegevens over bouwjaar, gemeten aardgasverbruik, bruto vloeroppervlaktes, gebruiksfuncties en energielabels. Op basis van de resterende omvang van de warmtevraag per gebouw of m2 na isolatie is een overzicht gemaakt van de verwachte temperatuur van de warmtevraag. (Zie voor verdere toelichting bijlage 3 Onderbouwing ‘WAT-kaarten’.)
4.1.1
Inzet van de WAT-kaart
De WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ zetten we in om te sturen op (1) de inzet van gebouweigenaren in het terugbrengen van de energievraag van hun gebouwen en (2) verdeling van duurzame warmtebronnen. De WAT-kaart maakt straks deel uit van onze Omgevingsvisie. We gebruiken de kaart in gesprekken met partijen die initiatieven inbrengen voor inzet van duurzame bronnen en gesprekken over verduurzaming van het bestaande warmtenet. De kaart is ook de basis voor onze actieve benadering van eigenaren en gebiedsgerichte adviezen bij initiatieven en investeringen voor verduurzaming.
Transitievisie Warmte deel I
42
4.2
WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’
We hebben verschillende alternatieven doorgerekend in onze modellen. Deze model len laten ons zien dat de aanleg van grote en kleine warmtenetten in Utrecht in veel 10 buurten de optie is met de laagste maatschappelijke kosten voor een CO2-vrije warmtevoorziening in Utrecht. De model- en scenario-analyses geven ons een prognose van de verwachte aangeboden warmte-infrastructuur per buurt. Deze prognose is er gekomen door verschillende scenario’s voor de beschikbaarheid van hoge temperatuur warmte en groen gas te combineren met een analyse welke warmteoplossing de laagste maatschappelijke kosten heeft per buurt. Het resultaat is de WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’. Zie voor verdere toelichting bijlage 3 Onderbouwing ‘WAT-kaarten.
• In de donkerblauwe buurten komt een warmtenet als meest logische optie naar voren. Dan gaat het om een nieuw aan te leggen net of uitbreiding van het bestaan de warmtenet. Het gaat hier meestal om buurten met een hoge gebouwdichtheid. • In de paarse buurten is na analyse niet één logische oplossing gevonden, maar zijn er meerdere mogelijkheden. Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen kan dit een warmtenet zijn, een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas. Aan de randen van de stad, in landelijke gebieden, is de individuele oplossing voor de hand liggend omdat er niet genoeg warmtevraag is voor de aanleg van een warmtenet. • In de gearceerde lichtpaarse buurten bevinden zich op dit moment bedrijven terreinen waarbij niet één logische warmteoplossing naar voren is gekomen. Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen en warmte- (en koude-) vraag kan dit een warmtenet zijn (van uiteenlopend temperatuurniveau), een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas. • In grijze buurten staan minder dan 100 woningen. Daar zullen maatwerkoplossingen moeten worden gekozen, omdat er geen algemene uitspraken over te doen zijn.
10
De maatschappelijke kosten omvatten alle uitgaven voor de realisatie van een bepaalde strategie waaronder kosten voor aanleg of versterking van de infrastructuur, isolatie van gebouwen, installaties, jaarlijks onderhoud en uitgaven voor de productie van energie die door gebouwen wordt geconsumeerd. Deze kosten zijn omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks bedrag per woningequivalent per buurt. De hoogte van de maatschappelijke kosten geven dus inzicht in welke strategie voor de maatschappij de meest voordelige is.
Transitievisie Warmte deel I
43
Figuur 9: WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ Prognose van de buurten waar warmtenet bij bestaande gebouwen de robuuste optie is met laagste maatschappelijke kosten. Zie bijlage 4 voor een overzicht per buurt.
Spoorweg Utrecht – Amsterdam
Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort
A2
A27
OV E R V E C HT Overvecht
Noordwest NOOR DW E S T
Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam
WE S T West
A28
NOOR DOOS T Noordoost
L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche
B INNE NS TA D Binnenstad
Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N
OOS T Oost
A12
ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem
ZUID Zuid
A12
A2
Collectief warmtenet
A27
Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein – oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bestaande warmtenetten (Eneco & USP)
44
4.2.1
Inzet van de WAT-kaart
We gebruiken de WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ bij de afweging om buurten te selecteren waar we starten met het opstellen van een Wijkuitvoerings plan (zie paragraaf 4.4). Daarnaast is deze kaart een kader om andere initiatieven uit de markt en samenleving te kunnen beoordelen.
Meekoppelkansen De WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ maakt het ook mogelijk (meekoppel)kansen te herkennen op het moment dat grote infrastructurele aan passingen gaan plaatsvinden. Bijvoorbeeld in een buurt waar op grote schaal de riolering vervangen moet worden, kan ruimte worden gehouden in de ondergrond voor een warmtenet in de toekomst of kan meteen een (deel van) een warmtenet worden aangelegd. Ook bij (grootschalige) gebiedsontwikkeling geeft deze kaart inzicht of de gekozen oplossing voor het nieuwe gebied een kans biedt voor het gebied eromheen.
Transitievisie Warmte deel I
4.3
Ervaring opdoen met regierol
Onze analyses laten zien dat de aanleg van grote en kleine warmtenetten in Utrecht in veel buurten de optie is om een CO2-vrije warmtevoorziening te bereiken tegen de laagste maatschappelijke kosten. Daarbij gaat het om: • Nieuwe lokale warmtenetten op straat-, buurt- of wijkniveau met een plaatselijke lage of midden temperatuurbron. • Uitbreiding en verduurzaming van de huidige hoge temperatuur stadsverwarmings netten. • Aanpassen, verduurzamen en uitbreiden van de bestaande hoge temperatuur infrastructuur naar een midden of lage temperatuur net. In de toekomst krijgen we als gemeente de bevoegdheid om warmtekavels vast te stellen voor de aanleg van een warmtenet en om een integraal warmtebedrijf aan te wijzen (zie paragraaf 3.4.4.3). We willen als gemeente in projecten ervaring opdoen met de nieuwe rol van de gemeente om publieke waarden bij collectieve warmtenetten zeker te stellen. We zullen moeten ervaren hoe ambitieus we kunnen zijn bij de invulling van publieke waarden. Welke afweging moeten we tussen de verschillende waarden maken om ervoor te zorgen dat warmtenetten er ook echt komen? Aan welke publieke waarde geven belanghebbenden de hoogste prioriteit?
45
We onderscheiden: • Verduurzaming bestaande warmtenet: In de verduurzaming van bestaande warmtenetten heeft de gemeente naar verwachting straks weinig directe mogelijk heden om te sturen. In de Warmtewet is het voorstel opgenomen om bestaande warmtenetten in een overgangsregeling op te nemen. Dit betekent dat het bestaan de warmtenet een warmtekavel wordt dat voor 30 jaar wordt toegewezen aan het zittende warmtebedrijf. Het minimale tempo van verduurzaming van het bestaande net wordt daarmee bepaald door de eisen vastgelegd in de Warmtewet 2.0. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat alle warmtenetten in 2040 volledig duurzaam zijn. De warmtebedrijven hebben dit voornemen met het warmtepact bekrachtigd. • Uitbreiding en aanpassing huidige warmtenet (naar HT, MT of LT): Tijdens de uitgevoerde analyse onder belanghebbenden (Berenschot, 2020) hebben andere marktpartijen aangegeven geen interesse te hebben om te investeren in de uitbrei ding van het bestaande warmtenet in Utrecht. Dit betekent dat voor uitbreidingen van het bestaande warmtenet de gemeente met de zittende leveranciers gesprekken aangaat en afspraken maakt over het zeker stellen van onze publieke waarden.
• Nieuwe warmtenetten (HT, LT, MT): Uit de uitgevoerde analyse onder belang hebbenden blijkt ook dat verschillende marktpartijen interesse hebben in deelname bij de aanleg van nieuwe LT/MT-warmtenetten in Utrecht. Bij de aanleg van nieuwe warmtenetten heeft de gemeente waarschijnlijk de meeste mogelijkheden om te sturen bij het zeker stellen van publieke waarden bij de vaststelling van een kavel (omvang) en door randvoorwaarden te stellen aan het integrale warmtebedrijf.
Transitievisie Warmte deel I
In de aanloop naar de nieuwe warmtewet en nieuwe spelregels past in hoofdlijnen de regierol voor de gemeenten bij het zeker stellen van publieke belangen. De manier waarop dit in de praktijk gaat uitpakken, is een leer- en oefentraject. Ondanks de onzekerheden rondom de nieuwe warmtewet starten we met alle betrokkenen projecten om ervaring op te doen hoe we kunnen sturen op de publieke waarden. Komende tijd staan deze punten op de agenda: • We bekijken opnieuw bestaande afspraken over de verduurzaming van het bestaan de warmtenet met Eneco en brengen die in lijn met de huidige situatie en de wensen rondom verduurzaming. We beoordelen de inzet van bronnen, temperatuurniveau in bestaande netten en deelname van derden. We maken afspraken met Universiteit Utrecht over de verduurzaming van de warmtevoorziening op het Utrecht Science Park. Hier willen we vooral ervaring opdoen met WKO-systemen waarop meerdere gebouwen zijn aangesloten. • We voeren gesprekken met Eneco over de start van projecten die zijn gericht op uitbreiding van het bestaande net in de bestaande bouw. • We voeren gesprekken met geïnteresseerde partijen over de start van projecten voor de aanleg van nieuwe netten o.a. in het kader van de Expeditie warmte. Daarnaast zijn er projecten mogelijk in buurten waar bijvoorbeeld renovaties plaatsvinden en waar warmtenet als robuuste oplossing uit de analyse komt.
46
4.4
Criteria voor de gebiedsgerichte aanpak
Met de vaststelling van de Transitievisie Warmte deel I en de twee WAT-kaarten als basis, willen we verder afwegen in welke volgorde gestart wordt in buurten met het opstellen van Wijkuitvoeringsplannen. Op basis van informatie van onze belang hebbenden en uit participatiebijeenkomsten met bewoners blijkt er draagvlak te zijn voor onderstaande criteria voor de afweging wanneer en waar te starten: • Betaalbaarheid voor de eindgebruiker: we zorgen ervoor dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan deze zou betalen voor aardgas. • Robuustheid van de oplossing: is het gekozen alternatief ook op lange termijn technisch en economisch de beste oplossing voor een gebied? En waar hebben we de meeste zekerheid dat de oplossing die nú als beste uit de bus komt, ook in de toekomst de beste is? • Zo min mogelijk overlast en gedoe voor gebouweigenaren en -gebruikers: welk alternatief levert gebouweigenaren of -gebruikers het minste gedoe of overlast in de woningen/pand en/of openbare ruimte aan benodigde aanpassingen.
Transitievisie Warmte deel I
In het proces om de eerste buurten aan te wijzen waar we met de wijkgerichte aanpak gaan beginnen, beoordelen we alle buurten van Utrecht op de beschreven criteria. De criteria zijn niet zwart-wit: we kunnen (en zullen) er geen rekensom van maken. Per buurt maken we een inschatting. Natuurlijk onderbouwen we onze bevindingen, als het kan, met cijfers. Met de scores van de buurten, maken we een onderlinge vergelijking en komen we tot een onderbouwd verhaal in welke buurten het het meest logisch is om met de gebiedsgerichte aanpak te beginnen. Bij het hanteren van deze criteria verwachten we in buurten uit te komen waar voor de overstap naar een alternatief niet meteen de hele schil van een gebouw aangepakt hoeft te worden. Na de overstap kan het terugbrengen van de energievraag in eigen tempo worden gerealiseerd. Daarmee bieden we meer tijd aan buurten waar de overstap meer gedoe is en waar schilaanpassing wel noodzakelijk is voor de overstap. Door in die buurten later de overstap te maken, hebben zij langer de tijd voor de voorbereiding en kunnen ook in die buurten de aanpassingen in eigen tempo worden uitgevoerd. We bespreken de volgorde met de belanghebbenden van de stad in deel II van de Transitievisie Warmte die we voorleggen aan de gemeenteraad.
47
Criteria die we niet meenemen bij bepalen buurtvolgorde In de leidraad voor gemeenten is een bredere lijst van criteria opgenomen die ge meenten kunnen hanteren bij het bepalen van de volgorde waarin gebieden van het aardgas afgaan. Deze criteria zijn in verschillende bijeenkomsten met belanghebben den besproken en zijn om uiteenlopende redenen afgevallen als criteria om hele buurten aan te wijzen om aardgasvrij te worden gemaakt. • Contracteerbaarheid: de veronderstelling is dat in wijken waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit het eenvoudiger is om tot afspraken te komen. Dit zou betekenen dat gebieden met veel corporatiebezit (veel woningen/beperkt aantal eigenaren) eerder worden geselecteerd dan gebieden met veel particulier bezit. Corporaties hebben meerjaren-investeringsplannen waarin ook duurzaamheid is meegenomen. Het is niet mogelijk om deze investeringen allemaal naar voren te halen. Uit gesprekken met de corporaties is gebleken dat er geen draagvlak is om buurten met veel corporatiebezit een hogere prioriteit te geven dan buurten met veel particulier bezit. Als binnen een uitgekozen buurt veel corporaties bezit is, maakt dit het wel mogelijk afspraken te maken voor de lange termijn. Dit kan positief uitpakken voor de betaalbaarheid.
Omgekeerd geldt wel, als een corporatie vergaande renovaties uitvoert in een buurt, zullen we op zoek gaan naar meekoppelkansen voor anderen in dezelfde buurt. • Agenda wijkontwikkeling: de veronderstelling is dat de gemeentelijke meerjaren planning voor aanpak van verschillende wijken een criterium is voor selectie van wijken omdat op deze manier bewoners in een wijk worden ontlast. Gesprekken laten zien dat er wel meekoppelkansen liggen maar deze zijn niet zo groot dat ze zwaar mee zouden moeten wegen bij het bepalen van de volgorde van buurten. Ook de timing loopt vaak niet gelijk. Door het vaststellen van de WAT-kaarten kunnen kansen bij wijkontwikkelingen wel meteen worden meegenomen op een moment dat deze zich voordoen. Deze kansen nemen we mee in de strategie van meekoppelen.
Transitievisie Warmte deel I
• Vervanging andere infrastructuur: de veronderstelling is hier dat noodzakelijke vervanging van bestaande infrastructuur (bijvoorbeeld de vervanging van aardgas leidingen) of inrichting van de openbare ruimte aanleiding is om een wijkaanpak te starten. Op deze manier kan overlast worden beperkt en zouden kostenvoordelen kunnen worden gerealiseerd. Gebleken is dat de hoogste kosten van de warmtetransitie zitten in het aanpassen van het vastgoed en niet in de aanpassing van de infrastructuur. Daarbij is nog niet duidelijk hoe planningen van de wijkgerichte aanpak en het vervangen van andere infrastructuur, goed op elkaar afgestemd kunnen worden. Net als bij de agenda voor de wijkontwikkeling geldt dus dat de voordelen niet zo groot en duidelijk zijn dat deze zwaar mee zouden moeten wegen bij het bepalen van de volgorde van buurten. Dit is anders dan wat in de Visie op de Warmtevoorziening in 2017 werd verondersteld en is vastgesteld. Het vaststellen van de WAT-kaart helpt ons wel meekoppelkansen te pakken (zie paragraaf 4.2.1). Dit doen we zowel in de wijkaanpak, als daarbuiten. • Sociale karakteristieken: sociale kenmerken van een wijk kunnen worden mee gewogen in prioritering wanneer wijken van het aardgas afgaan.
Resultaten van een meedenksessies en de uitgevoerde Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) onder inwoners van Utrecht laten zien dat een klein aantal deelnemers vindt dat gestart moet worden in buurten met een hoge financiële draagkracht. Zij zijn van mening dat het efficiënter is om draagkrachtige wijken te gebruiken als proeftuin dan om de warmtetransitie te starten in minder draagkrachtige wijken. Anderzijds vinden bewoners dat de ‘lusten’ van aardgasvrij opwegen tegen de lasten en dat het niet eerlijk is dat bewoners van draagkrachtige wijken hier als eerste van profiteren (TU Delft, 2020). We gaan ervan uit dat de transitie voor het overgrote deel woonlastenneutraal te maken is, ongeacht draagkracht.
48
• Lokale initiatieven: de gedachte is dat aanwezigheid van lokale initiatieven in een buurt een aanwijzing is voor draagvlak in een buurt/wijk voor aardgasvrij maken. De lokale initiatieven zijn nu nog onvoldoende omvangrijk (dekken niet een hele buurt) om dit als criterium mee te nemen voor het aanwijzen van een hele buurt. Daarnaast kan het zijn dat een buurt niet voldoet aan de drie criteria die we hebben geformuleerd. Wanneer een buurt aan de beurt is, kijken we of het mogelijk is om het buurtinitiatief als positieve motor voor de wijkaanpak in te zetten. • Duurzaamheid/CO2-reductie: Soms worden duurzaamheid en CO2-afname genoemd als criterium voor het bepalen van een volgorde. De CO2-winst halen we echter bij het verduurzamen van de bronnen en het besparen in de gebouwen. Deze zijn uitgangspunten bij het opstellen van de twee WAT-kaarten: alternatieve warmte oplossingen moeten duurzaam zijn en leiden tot een volledig CO2-vrije warmtevoor ziening in 2050. De criteria voor de gebiedsgerichte aanpak bepalen de volgorde van de logistieke kant van de opgave.
Transitievisie Warmte deel I
49
5
Samen aan de slag
Wereldwijd en dus ook in Nederland en Utrecht, werken we samen aan het zo snel mogelijk terugbrengen van onze CO2 uitstoot. De overstap naar een duurzame warm tevoorziening is een belangrijke stap om hieraan bij te dragen. De opgave is groot en complex. Iedereen in de stad gaat er iets van merken. En daarom heeft de gemeente vanuit de overheid de opdracht gekregen om de overstap in goede banen te leiden. We gaan met onze nieuwe regierol zorgvuldig te werk. Met deze Transitievisie Warmte deel I schetsen we een beeld van de complexe opgave en hoe we hier de komende jaren mee aan de slag gaan. We hebben allemaal nog veel vragen over hoe dit de komende jaren gaat lopen. Maar met de geschetste kaders en randvoorwaarden zetten we een eerste stap richting de warmtevoorziening van de toekomst.
Weloverwogen selectie De komende tijd zetten we vervolgstappen. Met de kaders en randvoorwaarden uit de Transitievisie Warmte deel I maken we een weloverwogen selectie van de eerste buurten waar we de wijkaanpak gaan starten. Ook werken we aan een proces voor de wijkaanpak, zodat we vooraf weten welke stappen we met elkaar gaan zetten om te komen tot een ‘Wijkuitvoeringsplan’. Zowel het proces voor de wijkaanpak alsook de selectie van buurten worden later in 2021 vastgesteld in het tweede deel van de Transitievisie Warmte.
Samen werken aan energieke wijken Het in goede banen leiden van deze warmtetransitie betekent niet dat de gemeente er alleen voor staat. Iedereen draagt hieraan bij. Gebouweigenaren (huiseigenaren, woningcorporaties en verhuurders) kunnen aan de slag met het isoleren en de overstap naar elektrisch koken. We gaan op zoek naar duurzame bronnen voor warmte en elektra en buurt-voor-buurt passen netbeheerders en warmteaanbieders de energie-infrastructuur aan. Deze aanpak zorgt voor veel werkgelegenheid in de bouw, bij netbeheerders, installateurs en energiebedrijven. En vraagt ook om voldoende opgeleide jongeren en zij-instromers. Doordat in delen van de stad de straten open gaan voor een andere energie infrastructuur, hebben we ook de kans om de openbare ruimte (verkeers) veiliger, groener en met ruimte voor ontmoeten in te richten.
Transitievisie Warmte deel I
50
Overvecht-Noord Door samen te werken met onder meer bewoners, corporaties, eigenaren van zakelijk en maatschappelijk vastgoed, netbeheerders, warmtebedrijven, uitvoerende partijen en aan de slag te gaan, krijgen we steeds meer antwoorden op onze vragen. In Overvecht-Noord maken we al samen met bewoners, ondernemers, woningcorpora ties, Stedin en Energie-U het eerste Wijkuitvoeringsplan en gaan we aan de slag met de uitvoering. De ervaringen die we in Overvecht-Noord opdoen, nemen we weer mee in de aanpak voor de volgende buurten. Zo krijgt onze regierol steeds meer vorm.
Vervolg Kenmerkend van een transitie is dat er veel onduidelijk is en dat er elke keer nieuwe inzichten ontstaan. De Transitievisie Warmte zal in principe eens in de vijf jaar geactualiseerd worden. Dan passen we het plan op basis van de laatste inzichten, ontwikkelingen én onze ervaringen aan. Ook kunnen dan de volgende buurten aangewezen worden waar een wijkaanpak start. Door komende tijd samen aan de slag te gaan, werken we samen aan de duurzame warmtevoorziening van de toekomst voor iedereen. Zodat elke Utrechter en elk Utrechts bedrijf en elke buurt klaar is voor de toekomst.
Transitievisie Warmte deel I
51
Bijlage 1 - Begrippenlijst Aardgasvrij: Geen aardgas leveren of gebruiken aan/in gebouwen. In de bestaande bouw betekent dit het afsluiten, verwijderen of uit gebruik nemen van de bestaande aardgasleidingen.
Hoge Temperatuur (HT) warmte: Warmte met een temperatuur boven de 70 graden.
Aquathermie: Gebruik van energie uit drinkwater, oppervlaktewater of afvalwater.
Maatschappelijke kosten: De maatschappelijke kosten omvatten alle uitgaven voor de realisatie van een bepaalde strategie waaronder kosten voor aanleg of versterking van de infrastructuur, isolatie van gebouwen, installaties, jaarlijks onderhoud en uitgaven voor de productie van energie die door gebouwen wordt geconsumeerd. Deze kosten zijn omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks bedrag per woningequiva lent per buurt. De hoogte van de maatschappelijke kosten geven dus inzicht in welke strategie voor de maatschappij de meest voordelige is.
Back-up: De capaciteit die nodig is aan bronnen om bij wegvallen van bronnen in het energiesysteem te kunnen bijspringen . Basislast: De warmtevraag (van afnemers) van een energiesysteem in de basis, dus ook in de zomer periode. Bodemenergie: Gebruik van warmte of koude in de ondiepe ondergrond. Voor beelden van bodemenergie zijn warmte-koude opslag (WKO). De bodem kan ook worden gebruikt voor lage en hoge temperatuur opslag (LTO/HTO). Buffering: Tijdelijke opslag van warmte gericht op het beter in balans brengen van lokale vraag een aanbod. Buurten: Onderdeel van een gemeente, dat vanuit bebouwingsoogpunt of sociaal economische structuur homogeen is afgebakend. Deze indeling wordt door CBS gehanteerd bij publicatie van verschillende statistieken. Geothermie: Aardwarmte wordt uit verschillende diepten gehaald: in de ondiepe grond (500-2000 meter) wordt rond 50 graden warmte gewonnen. In de diepe ondergrond (2000 meter tot 4 km) wordt rond de 100 graden warmte gewonnen. In de ultradiepe ondergrond (dieper dan 4 km) wordt warmte tot 200 graden gewonnen (stoom).
Transitievisie Warmte deel I
Lage Tempartuur (LT) warmte: Warmte met een temperatuur onder de 50 graden.
Midden Tempartuur (MT) warmte: Warmte met een temperatuur tussen de 50-70 graden. Pieklast: De warmtevraag van de afnemers/gebruikers in een energie systeem die bovenop de basislast wordt gevraagd. Er zijn kortdurende pieken in de ochtend en langdurende pieken over de seizoenen. Power-to-Heat: Een systeem dat tijdelijke overschotten aan elektriciteit in het landelijke systeem (met name zon en wind) omzet in warmte. Op momenten dat er een overschot ontstaat in elektriciteit wordt met warmtepompen of electrode boiler hoge temperatuur warmte opgewekt. Power-to-heat wordt gecombineerd met een buffer boven of ondergronds. Deze warmte kan als aanvullende bron dienen voor het warmtenet. Warmtebedrijf: Een bedrijf dat voor 20-30 jaar het exclusieve recht krijgt op het transporteren en leveren van warmte binnen het warmtekavel. Het bedrijf is volledig verantwoordelijk gesteld voor de continuïteit en kwaliteit van de warmtelevering binnen een specifiek warmtekavel
52
Warmtekavel: Aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen. Warmtenet: Een collectief leidingnet voor de levering van warmte. Dit kan op lokale of zelfs regionale schaal. Op lokale schaal, als er een grootschalig warmtenet is voor meerdere wijken en/of stadsdelen, spreken we van een stadsverwarmingsnet. Ook koude wordt in toenemende mate door gebouwen gevraagd. Dan wordt er koude van bron naar klant getransporteerd en is sprake van een koudenet. Wijken: Wijken zijn optellingen van één of meer aaneengesloten buurten. Wijkuitvoeringsplannen: Plan waarin samen met alle stakeholders in de wijk de definitieve keuze wordt gemaakt voor de warmteoplossing(en) in een buurt.
Transitievisie Warmte deel I
53
Bijlage 2 - Eerdere publicaties In deze bijlage staan de belangrijkste rapporten die eerder gepubliceerd zijn en die gebruikt zijn bij het opstellen van deze Transitievisie Warmte deel I. • Berenschot (2020). Governance warmtenetten gemeente Utrecht: opgaven, stakeholderinventarisatie en roldefiniëring) • CE Delft (2021). Duurzame bedrijventerreinen Utrecht - Routes naar CO2-vrije bedrijventerreinen (nog te verschijnen) • Gemeente Utrecht (2017). Visie op de warmtevoorziening in Utrecht • Gemeente Utrecht (2020). Data-analyses ten behoeve van het afwegingsproces voor de Transitievisie Warmte in Utrecht • Gemeente Utrecht (2020). Participatieactiviteiten in het kader van de Transitievisie Warmte van gemeente Utrecht (update verschijnt tegelijk met Transitievisie warmte) • Gemeente Utrecht (2020). Resultaten analyse met Vesta MAIS model per buurt • Greenvis (2019). Hernieuwbare warmtebronnen in de gemeente Utrecht
Transitievisie Warmte deel I
54
Bijlage 3 - Onderbouwing WAT-kaarten WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ De WAT-kaart “Verwachte warmtevraag per buurt” geeft de prognose van de verwachte temperatuurniveaus van de warmtevraag op basis van haalbare isolatie niveaus per buurt voor de bestaande gebouwen. Deze kaart is tot stand gekomen op basis van onderzoek uitgevoerd door Greenvis (Greenvis, 2019) en aanvullend onderzoek door CE Delft voor de bedrijventerreinen. Daarvoor zijn de volgende stappen doorlopen:
STAP 2: Opsplitsing naar temperatuurniveau’s Daarna is de berekende warmtevraag opgesplitst naar drie temperatuurniveaus en gekoppeld aan gemiddelde bouwjaar in een buurt. Het gemiddelde temperatuurniveau is de temperatuur die gebouwen in een buurt nodig hebben om comfortabel en tegen redelijke kosten verwarmd te kunnen worden.
STAP 1: Gemiddelde warmtevraag per buurt in 2040 De gemiddelde warmtevraag per buurt is bepaald op basis van berekening op adres niveau aan de hand van beschikbare gegevens van het ‘gebruiksdoel’, ‘bouwjaar’, ‘energielabel’ en ‘oppervlakte verblijfsobject’. Voor gebruiksdoel wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en 11 verschillende utiliteitsgroepen.
Periode bouwjaar
Behoefte aanvoertemperatuur afgiftesysteem
Tot en met 1939 > 70ºC (Hoge temperatuur) 1940 tot en met 1999 50 tot 70 ºC (Midden temperatuur) Vanaf 2000 (dus ook nieuwbouw na 2019) < 50 ºC (Lage temperatuur)
Voor woningen wordt de warmtevraag voor ruimteverwarming berekend per woning type, per energielabel, per groep bouwjaren (8) en afhankelijk van de oppervlakte. Voor utiliteiten wordt de warmtevraag voor ruimteverwarming berekend per utiliteits type, per groep bouwjaren (4) en afhankelijk van de oppervlakte. Naast de ruimte verwarmingsvraag wordt er ook rekening gehouden met de benodigde warmte voor tapwater. Greenvis heeft in haar studie 2040 aangehouden, omdat dat het moment is dat op zijn vroegst de potentiele duurzame bronnen beschikbaar kunnen zijn. Greenvis heeft bepaald welke warmtevraag er dan in Utrecht na isolatie over is.
Transitievisie Warmte deel I
55
WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ De WAT-kaart ‘verwachte warmteoplossing per buurt’ geeft de prognose van de buurten waar een warmtenet in 2030 bij bestaande gebouwen de robuuste optie is 1 met laagste maatschappelijke kosten . Hieronder staat stapsgewijs beschreven hoe deze kaarten tot stand zijn gekomen.
Spoorweg Utrecht – Amsterdam
Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort
A2
A27
OV E R V E C HT Overvecht
Noordwest NOOR DW E S T
Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam
WE S T West
A28
NOOR DOOS T Noordoost
L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche
B INNE NS TA D Binnenstad
Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N
OOS T Oost
A12
ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem
ZUID Zuid
A12
A2 Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC)
A27
Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70oC) Buurt met minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing)
WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’. Zie figuur 8 op pagina 41 voor grotere weergave
1
Transitievisie Warmte deel I
De maatschappelijke kosten omvatten alle uitgaven voor de realisatie van een bepaalde strategie waaronder kosten voor aanleg of versterking van de infrastructuur, isolatie van gebouwen, installaties, jaarlijks onderhoud en uitgaven voor de productie van energie die door gebouwen wordt geconsumeerd. Deze kosten zijn omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks bedrag per woningequivalent per buurt. De omvang van de maatschappelijke kosten geven dus inzicht in welke strategie voor de maatschappij als geheel het meest voordelig is en niet wie de uiteindelijke kosten gaat dragen. De maatschappelijke kosten geven dus aan wat voor de hele maatschappij de beste oplossing is richting de toekomst. De veronderstelling is dat deze keuze uiteindelijk ook resulteert in de strategie met de laagste kosten voor de eindgebruikers.
56
STAP 1: Routes naar een CO2-vrije gebouwde omgeving Allereerst zijn modelberekeningen uitgevoerd met het Vesta-MAIS model voor het zichtjaar 2030. Resultaten van deze berekeningen geven een beeld van de gemiddelde maatschappelijke kosten per woningequivalent per buurt voor de verschillende alternatieven naar een volledig CO2-vrije gebouwde omgeving en hoe deze kosten verschillen tussen de buurten. De volgende strategieen naar aardgasvrij zijn doorgerekend: • Duurzaam hoge temperatuur warmtenet2 zonder extra isolatie • Duurzaam hoge temperatuur warmtenet met isolatie naar schillabel B • Individuele warmtepomp met isolatie naar schillabel B • Lokaal warmtenet: Collectieve warmtepomp met WKO bron met isolatie schillabel B • Lokaal warmtenet: Collectieve warmtepomp met lokale lage temperatuur bron met isolatie schillabel B • Groen Gas zonder extra isolatie • Groen Gas met isolatie schillabel B
STAP 2: Scenario’s opstellen met verschillend aanbod duurzame energiebronnen en -dragers Bij de doorrekening van de maatschappelijke kosten met het Vesta MAIS model in STAP 1 is verondersteld dat alle duurzame energiedragers onbeperkt beschikbaar zijn. Onder deze veronderstelling is voor de meerderheid van de Utrechtse buurten de toepassing van hoge temperatuur (HT) warmtenetten op dit moment de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Voor een beperkt aantal buurten zijn lokale warmtenetten met een lage temperatuurbron de optie met de laagste maatschap pelijke kosten. Verder blijkt dat na hoge temperatuur warmtenetten de toepassing van groen gas in veel buurten het alternatief is met de laagste maatschappelijke kosten. Omdat zowel het beschikbaar komen van duurzame hoge temperatuur warmtebronnen als groen gas met onzekerheden is omgeven zijn negen scenario’s geanalyseerd waarbij is gevarieerd met de beschikbaarheid van hoge temperatuur warmte en groen gas. In onderstaande tabel zijn de veronderstellingen voor de verschillende scenario’s opgenomen.
Voor alle geanalyseerde routes geldt dat wordt verondersteld dat deze CO2 vrij zijn en direct of indirect geen fossiele bronnen meer worden ingezet voor de warmte voorziening in 2050 en dus zowel 1) warmte die via warmtenet wordt geleverd, 2) de elektriciteitsvoorziening als 3) ingezette gassen, volledig met behulp van duurzame bronnen wordt geproduceerd. Uitgebreide beschrijving van de resultaten met buurt en kaarten zijn opgenomen in het rapport Data-analyses ten behoeve van het afwegingsproces voor de Transitievisie Warmte in Utrecht (Gemeente Utrecht, 2020).
Transitievisie Warmte deel I
2
Bij het doorrekenen van de strategie hoge temperatuur warmtenet is rekening gehouden met de aanwezig heid van het bestaande warmtenet in Utrecht. Modelberekeningen laten zien dat bij een percentage waarbij meer dan 50% van de gebouwen in een wijk zijn aangesloten op het warmtenet, minder kosten gemaakt hoeven te worden om andere gebouwen aan te sluiten op het warmtenet als deze al in de straat ligt of binnen 100 meter van het gebouw. Voor deze gebouwen hoeven de initiële gebiedsinvesteringen in de warmte-infrastructuur niet meer te worden gemaakt. Bij de berekeningen voor de warmtenetoplossing (restwarmte, geowarmte en LT-warmte) is bij de initiële gebiedsinvesteringen per buurt evenredig rekening gehouden met het percentage reeds aangesloten woningen en het aantal woningen dat zonder extra investeringen aangesloten kan worden (in de straat d.w.z. dezelfde postcode 6 niveau). Bij de berekening per buurt van de alternatieven all electric, WKO en Groengas is verondersteld dat het warmtenet er niet ligt.
57
Scenario
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Beschikbaarheid duurzame bronnen en energiedragers Hoge temperatuur restwarmte [ PJ ] Hoge temperatuur Geothemie [ PJ ]
Groengas [ PJ }
2 2 2 2 2 geen 2 2 geen
geen geen geen 0,2 0,2 0,2 0,65 0,65 0,65
geen 3 10 geen 3 10 geen 3 10
Onderbouwing scenariokeuzes: Voor de scenario’s waar veel hoge temperatuur warmte beschikbaar komt (scenario’s 3, 6 en 9) is verondersteld dat vrijwel het gehele potentieel voor diepe en ultradiepe geothermie in Utrecht succesvol wordt ontsloten (geschatte potentie tussen de 3,1 en 12,7 PJ). In het midden scenario (scenario’s 2, 5 en 8) is verondersteld dat de onderkant van het ingeschatte potentieel voor diepe en ultradiepe geothermie beschikbaar komt en dat daarnaast de (vrijwel) zekere restwarmtebronnen beschikbaar blijven waaronder biomassa (al gerealiseerd), ACLW (in vergunningstraject) en de te realiseren installatie bij de RWZI. Deze drie samen zouden 2 PJ aan warmte kunnen leveren. In het lage scenario (scenario’s 1, 4 en 7) wordt verondersteld dat alleen de (bijna) zekere bronnen beschikbaar komen/blijven.
Transitievisie Warmte deel I
Ten aanzien van groen gas is verondersteld dat in de scenario’s waar veel groen gas beschikbaar komt (scenario’s 7, 8 en 9) voor maximaal 12,5% van de huis houdens die nu aardgas gebruiken groen gas beschikbaar komt. Dit is gebaseerd op de veronderstellingen gehanteerd in de startanalyse van het PBL (PBL, 2020) waar 1,5 miljard m3 (12,5% van het huidige verbruik) voor directe levering en 0,5 miljard m3 voor de inzet in de piekvraag van warmtenetten wordt gebruikt. Daarbij is verondersteld dat voor Utrecht een evenredig deel beschikbaar komt. Er zijn dus geen veronderstellingen gehanteerd over de verdeling van gas over verschil lende regio’s op basis van andere kenmerken zoals toegang tot alternatieve bronnen of dichtheid van de bebouwing. In het middelscenario (scenario 4, 5 en 6) wordt verondersteld dat maximaal 3% van het huidige aardgas vervangen kan worden door groen gas en in het meest ongunstige scenario (scenario 1, 2 en 3) komt geen groen gas beschikbaar voor de gebouwde omgeving.
58
STAP 3: Alloceren van opties naar wijken op basis van laagste maatschappelijke kosten Vervolgens is voor alle scenario’s geanalyseerd welke optie per buurt beschikbaar komt onder de veronderstelling dat voor Utrecht als geheel de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk moeten blijven. Dit betekent dat opties worden gealloceerd aan buurten op basis van hoogste maatschappelijke opbrengst per GJ beschikbare energie. Dit werkt in de praktijk als volgt: De modelanalyses met het Vesta Mais model laten zien dat bij onbeperkte beschik baarheid van duurzame hoge temperatuur warmte dit voor de meeste buurten de optie is met de laagste maatschappelijke kosten. Als echter duurzame hoge temperatuur niet voor heel Utrecht beschikbaar komt, zijn de maatschappelijke kosten voor Utrecht als geheel het laagste als de beschikbare hoge temperatuur warmte wordt ingezet in de buurten waar het verschil met de één na goedkoopste optie (‘second best’) het grootste is: (kosten ‘second best’ – kosten HT)/ hoeveelheid HT is zo groot mogelijk. Dit betekent ook dat aan een groot aantal buurten niet de oplossing wordt gealloceerd met de voor die buurt laagste maatschappelijke kosten maar de “second best” optie.
Op basis van deze analyses kunnen de buurten worden ingedeeld in een aantal groepen: Lage temperatuur warmtenet buurten: in deze buurten is in alle scenario’s de toepassing van een lage temperatuur warmtenet de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Hoge temperatuur warmtenet buurten: deze buurten krijgen in alle negen scenario’s een warmtenet met een hoge temperatuurbron toegewezen. Dit betekent dat in deze buurten eventueel beperkt beschikbare hoge temperatuurwarmte de hoogste maatschappelijke opbrengst genereerd. Warmtenetbuurten (waarschijnlijk hoge temperatuur): in deze buurten wordt in alle scenario’s een warmtenet aangelegd maar of deze gevoed worden met een lage dan wel een hoge temperatuurbron is afhankelijk van de beschikbaarheid warmtebronnen. Op het moment dat meer hoge temperatuur bronnen beschikbaar komen ligt het voor de hand dat deze als eerste in deze buurten worden ingezet omdat ze in deze buurten de hoogste maatschappelijke opbrengst genereren. Warmtenetbuurten (waarschijnlijk lage temperatuur): idem als voorgaand, maar de kans dat hier een hoge temperatuur bron beschikbaar komt is lager omdat de maat schappelijke opbrengsten in deze buurten lager zijn dan in voorgaande categorie.
Buurten met wisselende warmteoplossingen: Voor deze buurten is de warmte oplossing sterk afhankelijk van het scenario, soms een individuele oplossing, afhankelijk van hoeveel restwarmte, geothermie en soms groen gas er beschikbaar komt. Dit betekent dat voor deze buurten nog geen duidelijk profiel kan worden gegeven.
Transitievisie Warmte deel I
59
STAP 4: Selectie buurten waar een collectief warmtenet robuuste oplossing is “WAT-kaart” In de laatste stap is gekeken in welke buurten de aanleg van een collectief warmtenet een robuuste oplossing is. Dit zijn de buurten waarin in alle scenario’s een warmtenet naar voren komt als optie met de laagste maatschappelijke kosten (Hierbij doen we dus nog geen uitspraak over het temperatuurniveau van de warmte in dit warmtenet). Dit resulteert in de WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’.
Spoorweg Utrecht – Amsterdam
Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort
A2
A27
OV E R V E C HT Overvecht
Noordwest NOOR DW E S T
Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam
Voor de bedrijventerreinen doet CE Delft aanvullend onderzoek in opdracht van de gemeente Utrecht. Voorlopige conclusie van dit onderzoek is dat voor de meeste bedrijventerreinen een warmtenet op hoge tempratuur (HT) of midden temperatuur (MT) de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Voor de nieuwe bedrijventerreinen zijn individuele warmtepompen de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten.
WE S T West
A28
NOOR DOOS T Noordoost
L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche
B INNE NS TA D Binnenstad
Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N
OOS T Oost
A12
ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem
ZUID Zuid
In het onderzoek van CE Delft is geen rekening gehouden met de verdeling van de beschikbare bronnen over de hele stad. Belangrijke conclusie in dit onderzoek is dat de maatschappelijke kosten van de verschillende oplossingen zo dicht bij elkaar liggen dat op basis van de onderzoeksresultaten geen keuze kan worden gemaakt voor de beste techniek.
A12
A2
Collectief warmtenet
A27
Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein – oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bestaande warmtenetten (Eneco & USP)
WAT kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ Zie figuur 9 op pagina 44 voor grotere weergave
Transitievisie Warmte deel I
60
Bijlage 4 - Overzicht uitkomsten per buurt Buurt 2e Daalsebuurt en omgeving Abstede Bedrijvengebied Kanaleneiland Bedrijvengebied Oudenrijn Bedrijvengebied Papendorp Bedrijvengebied Strijkviertel Bedrijventerrein De Wetering Bedrijventerrein Lageweide Bedrijventerrein Overvecht Bleekstraat en omgeving Bokkenbuurt Breedstraat en Plompetorengracht en omgeving Buiten Wittevrouwen De Meern-Noord De Meern-Zuid De Meern-Zuid Dichterswijk Domplein, Neude, Janskerkhof Elegantierstraat, Mariëndaalstraat en omgeving Elinkwijk en omgeving Galgenwaard en omgeving Geuzenwijk Grauwaart Haarrijn Haarzuilens en omgeving Halve Maan-Noord Halve Maan-Zuid Het Zand-Oost Het Zand-West Hoge Weide Hooch Boulandt Hoog-Catharijne NS en Jaarbeurs
Transitievisie Warmte deel I
Meest logische warmteoplossing per buurt Collectief warmtenet Collectief warmtenet Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Bedrijventerrein - Oplossing nog onzeker
Verwachte warmtevraag per buurt Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met
grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C)
61
Huizingalaan, K. Doormanlaan en omgeving Julianapark en omgeving Kanaleneiland-Noord Kanaleneiland-Zuid L. Napoleonplantsoen en omgeving Laan van Nieuw Guinea-Spinozaplantsoen Lange Elisabethstraat, Mariaplaats en omgeving Lange Nieuwstraat en omgeving Langerak Lauwerecht Leeuwesteyn Leidsche Rijn Park Leidsche Rijn-Centrum Leidseweg en omgeving Lombok-Oost Lombok-West Lunetten-Noord Lunetten-Zuid Maarschalkerweerd en Mereveld Neckardreef en omgeving Nieuw Engeland, Th. a. Kempisplantsoen en omgeving Nieuw Hoograven-Noord Nieuw Hoograven-Zuid Nieuwegracht-Oost Nijenoord, Hoogstraat en omgeving Nobelstraat en omgeving Ondiep Oog in Al Oud Hoograven-Noord Oud Hoograven-Zuid Oudwijk Parkwijk-Noord Parkwijk-Zuid
Transitievisie Warmte deel I
Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Collectief warmtenet Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Oplossing nog onzeker Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet Collectief warmtenet
Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70°C) Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70°C) Buurt met grootste deel