CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte deel I.pdf

Gemeenteraad 3 juni 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Transitievisie Warmte deel I19.277 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Naar een CO2-vrije warmtevoorziening in 2050 Transitievisie Warmte deel I

utrecht.nl/ aardgasvrij

Voorwoord Nog geen twee jaar geleden stelden ruim honderd organisaties het nationale Klimaat­ akkoord op met als doel de uitstoot van CO2 te verminderen en zo de Nederlandse bijdrage aan wereldwijde klimaatverandering te beperken. Duidelijk werd dat we in Nederland gaan stoppen met het gebruik van aardgas om te koken en om onze huizen en andere gebouwen te verwarmen. Dat betekent dat uiterlijk in 2050 zo’n 8 miljoen gebouwen in Nederland van het aardgas af moeten, waaronder zo’n 130.000 gebouwen in de gemeente Utrecht. Hiervoor in de plaats komen andere, duurzame bronnen. Een enorme klus, waar we ‘slechts’ dertig jaar de tijd voor hebben. In deze periode moeten we onze gebouwen en huizen isoleren, energiebronnen verduurzamen en buurt voor buurt overstappen op een duurzame manier om te verwarmen en te koken. Gemeenten hebben hierin de regie gekregen. Zo’n complexe opgave vraagt om stevige investeringen en een planmatige aanpak. Dat levert ook veel op: nieuwe banen, comfortabele woningen én een gezonde stad voor iedereen, ook voor onze volgende generaties. Helaas hebben we geen glazen bol waarin we al kunnen zien hoe we dit de komende dertig jaar gaan doen. We moeten omgaan met onzekerheden, want wachten is geen optie. Ik ben trots op deze Transitievisie Warmte deel I.

Hierin geven we een eerste aan­zet van hoe we de stad willen laten overstappen van aardgas op een alternatief zonder CO2-uitstoot. Per buurt is bekeken wat het meest kansrijke alternatief is om gebouwen te verwarmen. We kunnen niet de hele stad in één keer aardgasvrij maken. We zullen dit stukje bij beetje doen: buurt voor buurt. De volgorde waarin we de buurten de overstap willen laten maken, bepalen we later dit jaar in de Transitievisie Warmte deel II. Ook dan zal het plan niet ‘af’ zijn. De komende dertig jaar zullen we onze visie aanscherpen, concretiseren en bijsturen op basis van nieuwe inzichten en ervaringen. Hierbij werken we samen met onder meer netbeheerders en woningcorporaties. Bewoners en ondernemers kunnen meepraten over de plannen voor de stad en die voor hun eigen buurt en straat.

Transitievisie Warmte deel I

Het mooie is dat iedereen nu al aan de slag kan. Op basis van het meest kansrijke alternatief in uw buurt kunt u in uw eigen tempo gaan isoleren. Een verbouwing of verhuizing is hiervoor een handig moment. Hoe meer u kunt isoleren, hoe meer u bespaart. Energie die we niet gebruiken, hoeven we immers ook niet op te wekken. Dat is goed voor het klimaat, uw wooncomfort én uw energierekening. Lot van Hooijdonk Wethouder mobiliteit, energie en groen Gemeente Utrecht

2

Samenvatting Naar een CO2-vrije gebouwde omgeving in 2050 Om opwarming van de aarde en klimaatverandering – door CO2-uitstoot – tegen te gaan, zijn in 2015 internationale afspraken gemaakt. Nederland zal daarom in de hele gebouwde omgeving van het aardgas afgaan. Dat betekent dat ook Utrecht voor een grote uitdaging staat als het gaat over een nieuwe duurzame manier van koken en verwarmen. We willen ervoor zorgen dat Utrechters en Utrechtse ondernemers minder energie gaan gebruiken en dat de energie die zij gebruiken duurzaam is opgewekt. In 2050 moeten we volledig CO2-vrij zijn en kunnen we geen aardgas meer gebruiken voor onze gebouwen. De komende jaren vraagt dit stevige investeringen en – om het alleen al logistiek voor elkaar te krijgen – een planmatige aanpak. Dit levert de stad comfortabele en toekomstbestendige woningen en bedrijven op, maar ook veel werkgelegenheid.

Randvoorwaarden voor de warmtetransitie: duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar In 2017 heeft de gemeenteraad randvoorwaarden voor de toekomstige warmtevoor­ ziening vastgesteld in de Visie op de warmtevoorziening van Utrecht: • Duurzaam Een schone warmtevoorziening heeft geen nadelige effecten op de leefomgeving. • Betaalbaar Iedereen in Utrecht kan beschikken over duurzame warmte tegen redelijke kosten; • Betrouwbaar De warmtevoorziening biedt een hoge mate van leveringszekerheid.

Transitievisie Warmte deel I

De opgave: energie besparen, bronnen verduurzamen en energie-infrastructuur aanpassen Voor het realiseren van een CO2-vrije warmtevoorziening zet Utrecht in op drie sporen die onderling met elkaar zijn verbonden: • Energie besparen We brengen de energievraag in de gebouwde omgeving omlaag door te isoleren en over te stappen op zuinige apparaten. Onze inwoners, gebouw­ eigenaren en bedrijven gaan hiermee aan de slag. Hierdoor daalt de CO2-uitstoot en maken we gebouwen geschikt voor de inzet van duurzame bronnen. • Bronnen verduurzamen We bieden ruimte voor de productie van duurzame elektriciteit en warmte voor de gebouwde omgeving, zodat er geen fossiele brand­ stoffen meer nodig zijn. • Energie-infrastructuur aanpassen Duurzame warmte en elektriciteit komt in de huizen van bewoners en in gebouwen: hier zorgen we samen met netbeheerders en warmtebedrijven voor. Warmteaanbieders gaan hiervoor aan de slag met onder meer het aanleggen van warmtenetten om gebouwen met warm water te verwarmen of de netbeheerder verstevigt het elektriciteitsnetwerk om elektrisch te kunnen verwarmen. In de eerste twee sporen moeten de CO2-reducties worden gerealiseerd. Hoe meer we besparen, hoe minder duurzame bronnen er nodig zijn. Het derde spoor, waarin we de infrastructuur (de energienetwerken) aanpassen, is een enorme logistieke uitdaging, waar we tot 2050 de tijd voor nodig hebben.

3

Transitievisie Warmte: planning van de gebiedsgerichte aanpassing van de energie-infrastructuur In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle gemeentes een Transitievisie Warmte opstellen die het veranderingstraject naar een CO2-vrije gebouwde omgeving voor de bestaande gebouwen in kaart brengt. Hierin is een gebiedsgerichte planning voor de aanpassing van de energie-infrastructuur opgenomen. Zo wordt duidelijk: • Hoe Utrecht gebiedsgericht het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving de komende 30 jaar gaat terugdringen; • Welke alternatieven er zijn voor verwarmen met aardgas, en; • In welke gebieden Utrecht vóór 2030 wil beginnen met deze transitie.

Er zijn nog andere afspraken in het Klimaatakkoord opgenomen. Zo zijn het Rijk en decentrale overheden (gemeenten en provincies) samen verantwoordelijk voor invulling van de randvoorwaarden (wettelijke regelingen en uitvoeringsaspecten) om de warmtetransitie uit te kunnen voeren. Na het vaststellen van een Transitievisie Warmte, start de gemeente in een aantal buurten met de gebiedsgerichte aanpak. Met een gezamenlijk opgesteld en door de gemeenteraad vastgesteld plan voor zo’n buurt, ook wel het Wijkuitvoeringsplan genoemd, kondigt de gemeente minimaal acht jaar van tevoren aan wanneer een gebied van het aardgas afgaat. We beginnen pas met de uitvoering als ook daadwerkelijk de randvoorwaarden, betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid op orde zijn. Elke vijf jaar wordt de Transitievisie Warmte vernieuwd met – als dat van toepassing is – nieuwe inzichten. Ook worden hierbij telkens nieuwe gebieden aangewezen die van het aardgas af gaan. Op deze manier hebben we wel op hoofdlijnen een gezamenlijk eindbeeld. Dit helpt bij het bepalen van investeringen, de inzet van middelen en mensen, maar we houden ook ruimte voor flexibiliteit bij nieuwe inzichten. Zo hebben we een manier gevonden om met onzekerheden in de energietransitie om te gaan.

Transitievisie Warmte deel I

4

Transitievisie Warmte deel I: visie en strategie We publiceren de Transitievisie Warmte in twee delen. Eerst voeren we in deel I de discussie over de visie en strategie (het wat). Vervolgens bespreken we in deel II de uitkomsten van deze discussie. Het eerste deel omvat:

Met deze visie en strategie bieden we bewoners, bedrijven en vastgoedeigenaren helderheid over (1) de aanpassing van hun gebouw(en) en (2) de verwachte warmteinfrastructuur voor hun buurt.

• WAT-kaarten per buurt die het kader vormen voor - (1) de verwachte aanpassing aan gebouwen bij het terugbrengen van de energievraag; - (2) de verdeling van duurzame bronnen over de stad; - (3) de verwachte toekomstige (aanpassing en/of uitbreiding van de) energie-infrastructuur voor warmte.

Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we gaan beginnen met het gebiedsgericht aardgasvrij maken van gebouwen. In deze buurten beginnen we met de gebiedsaanpak. We stellen samen met bewoners en overige betrokkenen een Wijkuitvoeringsplan op. Daarin wordt de definitieve keuze voor een warmte-oplossing vastgelegd en bepalen we hoe we de transitie in de buurt gaan uitvoeren. Wijkuitvoeringsplannen kunnen pas worden vast­gesteld als de randvoor­ waarden rond onder andere betaalbaarheid en wettelijke verankering, voldoende door het Rijk zijn ingevuld.

• Criteria voor het bepalen van de volgorde van buurten waarin we starten met het opstellen van Wijkuitvoeringsplannen. Dit is het plan waarin samen met alle belanghebbenden in de wijk de definitieve keuze wordt gemaakt voor de warmte­ oplossing(en) in een buurt. • Hoe we met het gewenste isolatieniveau en de verwachte infrastructuur ervaring willen opdoen in projecten van initiatiefnemers uit de markt en uit de samenleving. En hoe we afspraken maken op welke manier publieke waarden bij collectieve warmtenetten worden ingevuld.

Transitievisie Warmte deel I

5

Sturen op het minimaliseren van de maatschappelijke kosten van de warmtetransitie

Noodzaak voor sturing of rechtvaardige verdeling van duurzame warmtebronnen

Om te komen tot een duurzame en betrouwbare warmtevoorziening die betaalbaar is voor iedereen, is afgesproken de maatschappelijke kosten voor Utrecht (en Nederland als geheel) zo laag mogelijk te houden. We hebben daarvoor met uitvoerige model­ berekeningen en scenarioanalyses in beeld gebracht waar nu beschikbare CO2-vrije warmtetechnieken en duurzame warmtebronnen het beste kunnen worden ingezet om die maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.

Op basis van analyses is gebleken dat met het ‘optimaal’ isoleren van bestaande Utrechtse gebouwen de energievraag – en dus de CO2-uitstoot – kan dalen tot wel 30%. Om een volledig CO2-vrije warmtevoorziening te bereiken moeten we voor de resterende energievraag duurzame warmtebronnen inzetten. Uit andere analyses is ook bekend: • Er zijn op termijn voldoende duurzame warmtebronnen om de gehele warmte­ voorziening van Utrecht te verduurzamen. • Het is lastig om die warmtebronnen te benutten omdat de juiste bron niet altijd op de juiste plaats of het juiste moment beschikbaar is (Praktische benutting) of niet van het juiste temperatuurniveau is. • De kosten per buurt en (type) gebouw voor het ontsluiten en exploiteren van duur­zame warmtebronnen lopen sterk uiteen. • Er is nog (veel) onzekerheid over wanneer en hoeveel duurzame bronnen beschikbaar gaan komen.

Transitievisie Warmte deel I

6

WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ Utrecht streeft naar een betaalbare en CO2-vrije warmtevoorziening. Om in 2050 klaar te zijn moeten we nu van start. Daarvoor is sturing nodig op de verdeling van duurzame warmtebronnen over de stad. Dit om ervoor te zorgen dat beschikbare bronnen het beste passen bij gebouwen (type, dichtheid, isolatiegraad). Om tot een rechtvaardige verdeling per buurt te komen, is een inschatting gemaakt van welke

1

voor 1940

• In de rode buurten staan vooral veel gebouwen met een hoge warmtevraag. Het is op dit moment en met de huidige technieken duur of lastig om die energievraag sterk af te laten nemen. Deze gebouwen hebben in de toekomst voor een goede verwarming warmte van hoge temperatuur (hoger dan 70 graden) nodig.

1940 - 2000

• In de gele buurten staan voornamelijk naoorlogse gebouwen. Hier is isolatie en afname van de energievraag meestal goed mogelijk. Voor een comfortabele verwarming is hier warmte op midden-temperatuur van rond de 50 graden voldoende.

isolatieniveaus per buurt haalbaar zijn. Dit leidt tot een verwachte temperatuur van de warmtevraag die de huidige gebouwen in een buurt waarschijnlijk gemiddeld 1 nodig hebben (op basis van inschatting van haalbare isolatie) om in 2040 comfortabel te worden verwarmd. Dit is weergegeven in de WAT-kaart op de volgende pagina.

na 2000

• In de blauwe buurten staan veel gebouwen van na 2000 (op het bedrijventerrein ligt de grens bij 1995) en die zijn al goed geïsoleerd. De energievraag in deze gebouwen is laag: ze kunnen met warmte op lage temperatuur (onder de 50 graden) comfortabel worden verwarmd.

• In de grijze buurten staan minder dan 100 woningen. Daar kunnen we geen algemene uitspraken over doen.

Greenvis heeft in haar studie 2040 aangehouden omdat dat het moment is dat op zijn vroegst de potentiële bronnen beschikbaar kunnen zijn en zij heeft bepaald welke warmtevraag er op dat moment in Utrecht over is na isolatie.

Transitievisie Warmte deel I

7

WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ Voorspelling van de verwachte temperatuurniveaus van de warmtevraag gebaseerd op haalbare isolatieniveaus per buurt voor de bestaande gebouwen.

Spoorweg Utrecht – Amsterdam

Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort

A2

A27

OV E R V E C HT Overvecht

Noordwest NOOR DW E S T

Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam

WE S T West

A28

NOOR DOOS T Noordoost

L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche

B INNE NS TA D Binnenstad

Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N

OOS T Oost

A12

ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem

ZUID Zuid

A12

A2 Buurt met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC) Bedrijventerrein met grootste deel lage-temperatuur warmtevraag (<50oC)

A27

Buurt met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Bedrijventerrein met grootste deel midden-temperatuur warmtevraag (50-70oC) Buurt met grootste deel hoge-temperatuur warmtevraag (>70oC) Buurt met minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing)

Bron: Greenvis (2019).

8

WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ Deze WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ gaan we op twee manieren gebruiken: voor de aanpassing van gebouwen zodat de energievraag naar beneden kan en de verdeling van duurzame warmtebronnen. Door de gewenste isolatieniveaus vast te stellen, geven we duidelijkheid aan gebouweigenaren over de energieprestatie van hun pand(en) in de toekomst. Dit kunnen zij benutten om hun investeringen goed in te plannen. Zo kunnen we veel eigenaren informeren en hen stimuleren om energie te besparen zodat de CO2uitstoot in Utrecht omlaag gaat.

Belangrijk rol voor collectieve warmtenetten in verduurzaming van de warmtevoorziening Doorrekening van verschillende scenario’s laat zien dat de aanleg van grote en kleine warmtenetten in veel Utrechtse buurten de optie is om een CO2-vrije warmte­ voorziening te bereiken tegen de laagste maatschappelijke kosten. Dan gaat het om: • Nieuwe lokale warmtenetten op straat-, buurt- of wijkniveau met een plaatselijke lage of midden temperatuurbron. • Uitbreiding van de huidige hoge temperatuur stadsverwarmingsnetten. • Aanpassen, verduurzamen en uitbreiden van bestaande hoge temperatuur infrastructuur naar een midden of lage temperatuur net.

Transitievisie Warmte deel I

De uitgevoerde modelanalyses leiden tot een voorspelling van de verwachte aan­ geboden warmte-infrastructuur per buurt: • In de donkerblauwe buurten komt een warmtenet (van uiteenlopend temperatuur­ niveau) als meest logische optie naar voren. Dan gaat het om een nieuw aan te leggen net of uitbreiding van het bestaande warmtenet. Het gaat hier meestal om buurten met een hoge gebouwdichtheid. • In de paarse buurten is na analyse niet één logische oplossing gevonden, maar zijn er meerdere mogelijkheden. Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen kan dit een warmtenet zijn, een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas. Aan de randen van de stad, in landelijke gebieden, is een individuele oplossing voor de hand liggend omdat er niet genoeg vraag is voor de aanleg van een warmtenet. Met het inzicht in het beschikbaar komen van nieuwe duurzame warmtebronnen en de ervaring in de warmtetransitie, zal ook hier het alternatief voor aardgas steeds duidelijker worden. • In de gearceerde lichtpaarse buurten bevinden zich op dit moment bedrijven­ terreinen waarbij niet één logische warmteoplossing naar voren is gekomen. Afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen en warmte- (en koude-) vraag kan dit een warmtenet zijn (van uiteenlopend temperatuurniveau), een individuele elektrische oplossing of duurzaam gas.

• In grijze buurten staan minder dan 100 woningen en daar zullen maatwerk­ oplossingen gekozen moeten worden, omdat er geen algemene uitspraken over te doen zijn.

9

WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ Prognose van de buurten waar warmtenet bij bestaande gebouwen de robuuste optie is met laagste maatschappelijke kosten.

Spoorweg Utrecht – Amsterdam

Spoorweg Utrecht – Hilversum Spoorweg Utrecht – Hilversum en Amersfoort

A2

A27

OV E R V E C HT Overvecht

Noordwest NOOR DW E S T

Spoorweg Utrecht – Den Haag en Rotterdam

WE S T West

A28

NOOR DOOS T Noordoost

L E IDS C HE RRijn IJ N Leidsche

B INNE NS TA D Binnenstad

Vleuten V L E UT E N -De - DE Meern ME E R N

OOS T Oost

A12

ZUIDWE S T Zuidwest Spoorweg Utrecht – Arnhem

ZUID Zuid

A12

A2

Collectief warmtenet

A27

Oplossing nog onzeker Bedrijventerrein – oplossing nog onzeker Minder dan 100 woningen (maatwerkoplossing) Bestaande warmtenetten (Eneco & USP)

10

WAT-kaarten in de praktijk

Ervaring opdoen met regierol

De WAT-kaarten zijn het resultaat van analyses van landelijke modellen. Elke Nederlandse gemeente gebruikt deze. De kaarten gaan pas leven als bewoners, vastgoedeigenaren en bedrijven de analyses begrijpen en er voor hen meer duidelijkheid ontstaat over de alternatieve warmte-infrastructuur.

De verwachting is dat collectieve (lokale) warmtenetten in Utrecht en in andere Nederlandse steden een belangrijke rol gaan spelen om te verduurzamen. Voor bewoners en bedrijven is de duurzaamheid, betaalbaarheid, betrouwbaarheid en transparantie van warmtelevering van groot belang. Deze willen we bij collectieve warmtenetten zeker stellen. Verder kijken we naar de publieke waarden open net en keuzevrijheid.

Uit veel gesprekken met bewonersgroepen en professionele betrokkenen blijkt dat lage kosten, weinig gedoe en keuzevrijheid belangrijk zijn om de overstap te kunnen maken.

Op landelijk niveau wordt de Wet Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2.0) momenteel ontwikkeld. In deze wet krijgt de gemeente straks de bevoegdheid 2 om 1) warmtekavels aan te wijzen voor de aanleg van een warmtenet en 2) een 3 integraal warmtebedrijf te benoemen. Daarmee krijgen gemeenten mogelijkheden om publieke waarden te beschermen. Vooruitlopend op de nieuwe warmtewet willen we in Utrecht in projecten met alle betrokkenen praktijkervaring opdoen met uitbreiding van het huidige net en de aanleg van nieuwe (lokale) warmtenetten. Ervaringen uit deze projecten moeten de gemeente verder helpen bij het invullen van onze regierol en bij het sturen op de publieke waarden.

Transitievisie Warmte deel I

2

Warmtekavel: (definitie uit concept WCW) aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen.

3

Een bedrijf dat voor 20-30 jaar het exclusieve recht krijgt op het transporteren en leveren van warmte binnen het warmtekavel en volledig verantwoordelijk wordt gesteld voor de continuïteit en kwaliteit van de warmtelevering binnen een specifiek warmtekavel.

11

Criteria voor de gebiedsgerichte aanpak We werken met de Transitievisie Warmte deel I en de WAT-kaarten verder aan een lijst met (volgorde van) buurten waar we starten met het aardgasvrij maken. We hebben met bewoners en andere betrokkenen de WAT-kaarten en wat belangrijk is om te komen tot een gedragen volgorde van buurten besproken. We hebben daarvoor de volgende criteria opgesteld: • Betaalbaarheid voor de eindgebruiker: is het mogelijk ervoor te zorgen dat de eindgebruiker niet meer gaat betalen dan ze zouden betalen voor aardgas. • Robuustheid van de beoogde oplossing: is het gekozen alternatief ook op lange termijn technisch en economisch de beste oplossing voor een gebied? En waar hebben we de meeste zekerheid dat de oplossing die nú als beste uit de bus komt ook in de toekomst de beste is. • Zo min mogelijk overlast en gedoe voor gebouweigenaren en -gebruikers: welke alternatief levert gebouweigenaren en -gebruikers het minste gedoe of overlast in de woningen, het pand en/of de openbare ruimte bij benodigde aanpassingen. Met deze criteria beginnen we de komende tien jaar op die plekken waar de minste aanpassingen in de gebouwen nodig zijn. Stap één voor deze buurten is het maken en vaststellen van een Wijkuitvoeringsplan. Tot uitvoering gaan we pas als de rand­ voorwaarden duurzaamheid, betaalbaar en betrouwbaar op orde zijn.

Transitievisie Warmte deel I

12

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Context Het Klimaatakkoord Doelstellingen voor Utrecht Randvoorwaarden voor de toekomstige warmtevoorziening Naar een CO2-vrije warmtevoorziening Transitievisie Warmte deel I en II Transitievisie Warmte en de Omgevingswet Wie heeft er meegedacht?

14 14 14 14 14 16 16 17

2 2.1 2.2

De huidige situatie in Utrecht CO2-uitstoot Huidige warmtevoorziening

18 18 19

3 3.1 3.2 3.2.1

Naar een CO2-vrije warmtevoorziening langs drie sporen Inleiding Spoor: energie besparen Terugdringen van de energievraag

20 20 21 22

3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3

Spoor: energiebronnen verduurzamen Beschikbaarheid duurzame warmtebronnen Beschikbaarheid duurzame energiedragers Inzet van bronnen

23 25 28 29

3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3

Spoor: energie-infrastructuur aanpassen Afhankelijkheid bronnen, gebouwen en energie-infrastructuur Belangrijke rol voor collectieve warmtenetten Publieke waarden

30 30 32 33

Transitievisie Warmte deel I

4 4.1 4.1.1

Van visie naar uitvoering WAT-kaart ‘Verwachte warmtevraag per buurt’ Inzet van de WAT-kaart

40 40 42

4.2 4.2.1

WAT-kaart ‘Verwachte warmteoplossing per buurt’ Inzet van de WAT-kaart

43 45

4.3 4.4

Ervaring opdoen met regierol Criteria voor de gebiedsgerichte aanpak

45 47

5

Samen aan de slag

50

Bijlage 1 - Begrippenlijst Bijlage 2 - Eerdere publicaties Bijlage 3 - Onderbouwing ‘WAT-kaarten’ Bijlage 4 - Overzicht uitkomsten per buurt

52 54 55 61

13

1

Context

1.1

Het klimaatakkoord

In 2015 zijn in Parijs internationale afspraken gemaakt om de CO2-uitstoot terug te dringen. Nederland heeft haar inspanning vastgelegd in een nationaal Klimaatakkoord dat in juni 2019 is gepresenteerd. Hierin hebben meer dan 100 partijen afspraken vastgelegd over het verlagen van de CO2-uitstoot. Het plan is dat in Nederland in 2030 de uitstoot met 49% is verminderd ten opzichte van 1990. Op hoofdlijnen is de EU nu tot een akkoord gekomen voor een hoger 2030-doel: ten minste een reductie van 55% ten opzichte van 1990. Dit betekent dat waarschijnlijk de opgave tot 2030 groter wordt. Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat de gebouwde omgeving in Nederland in 2050 volledig CO2-vrij is. In 2050 gebruiken we daarom geen aardgas meer in onze gebouwen. Het is nodig dat we hiervoor een omslag maken: meer dan 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen (fabrieken, kantoren, scholen en bijvoorbeeld opslagruimtes) moeten duurzamer worden en voor hun verwarming en koken geen aardgas meer gebruiken. In het Klimaatakkoord is een hele reeks afspraken gemaakt voor een CO2-vrije verwarming van gebouwen. Gemeenten krijgen hierin een belangrijke rol.

1.2

Doelstellingen voor Utrecht

In het coalitieakkoord ‘Utrecht ruimte voor iedereen’ is vastgelegd dat Utrecht zo snel mogelijk klimaatneutraal wil zijn. Het aantal aansluitingen op het aardgasnet moet in 2030 met minimaal 40.000 zijn afgenomen. Het gaat hier om een derde van alle aardgasaansluitingen in de stad Utrecht. Daarbij gaan we vanwege logistieke overwegingen uit van een geleidelijke verdeling in de tijd.

Transitievisie Warmte deel I

1.3

Randvoorwaarden voor de toekomstige warmtevoorziening

In 2017 heeft de gemeenteraad randvoorwaarden voor de toekomstige warmte­ voorziening vastgesteld in de Visie op de warmtevoorziening van Utrecht: • Duurzaam Een schone warmtevoorziening heeft geen nadelige effecten op de leefomgeving. • Betaalbaar Iedereen in Utrecht kan beschikken over duurzame warmte tegen redelijke kosten; • Betrouwbaar De warmtevoorziening biedt een hoge mate van leveringszekerheid.

1.4

Naar een CO2-vrije warmtevoorziening

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 de warmtevoorziening in Nederland CO2-vrij is. We gebruiken nu voor de warmtevoorziening nog grotendeels fossiele brandstoffen. Deze warmtetransitie vraagt om verschillende aanpassingen in het huidige systeem van onze warmtevoorziening. We onderscheiden in Utrecht drie verschillende sporen in deze transitie (Figuur 1). Een belangrijke stap is energie­ besparing in gebouwen - met isolatie, gedragsverandering en efficiënte installaties - waardoor de warmtevraag en dus de CO2-uitstoot afneemt. Duurzame bronnen vervangen fossiele energiebronnen: ook dit leidt tot CO2-besparing. Tot slot is het door de overstap naar nieuwe manieren van verwarmen op veel plekken in de stad nodig om de energie-infrastructuur aan te passen. Dit laatste is vooral een logistieke uitdaging en zal niet direct tot CO2-besparing leiden. In dit spoor brengen we de duurzame bronnen naar verduurzaamde gebouwen.

14

Huidige warmtevoorziening

Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

CO2-neutrale warmtevoorziening

Figuur 1: Transitie naar CO2-vrije warmtevoorziening langs drie sporen

Transitievisie Warmte deel I

Elk spoor heeft zijn eigen kenmerken. Deze Transitievisie Warmte schetst op hoofd­ lijnen onze visie op het veranderingstraject naar een aardgasvrije stad langs deze drie sporen en specifiek de gebiedsgerichte logistieke planning voor de aanpassing van de energie-infrastructuur. Infrastructuur aanleggen vergt een gezamenlijke aanpak, omdat de gevolgen van de aanleg (ondergrond en werkzaamheden) groot en de investeringen hoog zijn. Het is daarom logisch deze per gebied aan te pakken. Er kan niet overal tegelijkertijd aan de infrastructuur worden gewerkt. Ook daarvoor is een planning per gebied logisch. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle gemeenten hiervoor een Transitievisie Warmte opstellen waarin wordt aangeven: Energie besparen

• Hoe de gemeente de komende 30 jaar per gebied in de gebouwde omgeving alternatieven gaat vinden voor het gebruik van aardgas. • In welke gebieden een gemeente voor 2030 wil beginnen met deze omslag. • Aan welk alternatief voor deze gebieden wordt gedacht. De afspraak is dat het Rijk en gemeenten, provincies en waterschappen samen verantwoordelijk zijn voor invulling van wettelijke regelingen en uitvoeringsaspecten. Als vervolg op de Transitievisie Warmte worden per buurt (of gebied) zogenaamde Wijkuitvoeringsplannen opgesteld. In de Wijkuitvoeringsplannen wordt samen met alle belanghebbenden de definitieve keuze voor de warmteoplossing voor de buurt vastgelegd. De raad legt in het Wijkuitvoeringsplan vast wat de alternatieven voor aardgas in die buurt zijn en wanneer die buurt van het aardgas af zal gaan. Het vaststellen van een Wijkuitvoeringsplan gebeurt minimaal acht jaar voordat een gebied van het aardgas af gaat. Ook is afgesproken dat de Transitievisie Warmte eens in de vijf jaar wordt aangepast op basis van actuele ontwikkelingen.

15

1.5

Transitievisie Warmte deel I en II

De Utrechtse Transitievisie Warmte is opgesplitst in twee delen. Eerst voeren we de discussie over de visie en strategie (het wat). Vervolgens bespreken we in deel II de uitkomsten van deze discussie. Dit is het eerste deel. in de loop van 2021 volgt het tweede deel. • Deel I bespreekt hoe we in Utrecht richting een CO2-vrije warmtevoorziening willen komen, wat logische oplossingen zijn per buurt (vertaald naar WAT-kaarten per buurt) en welke afweging nodig is om later in 2021 aan te kunnen geven in welke buurten te starten. • Deel II bepaalt wanneer en in welke buurt we gaan beginnen met het aardgasvrij maken van gebouwen. Wijkuitvoeringsplan: In de buurten van deel II beginnen we met de gebiedsaanpak. We stellen samen met bewoners en overige betrokkenen in de aangewezen buurten Wijkuitvoeringsplannen op. Daarin wordt de definitieve keuze voor een warmteoplossing vastgelegd en bepalen we hoe we de transitie in de buurt gaan uitvoeren. We gaan pas over tot uitvoering als de randvoorwaarden op orde zijn.

1.6

Transitievisie Warmte en de Omgevingswet

Figuur 2 geeft de plaats aan van de Transitievisie Warmte in de Omgevingswet. De Transitievisie Warmte bouwt voort op de Visie op de warmtevoorziening van Utrecht die de gemeenteraad in 2017 heeft vastgesteld, met daarin een aantal leidende principes en beleidskaders voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Deel I is straks onderdeel van de gemeentelijke Omgevingsvisie.

Visie op de warmtevoorziening (2017) Omgevingsvisie

Transitievisie Warmte deel 1: Doelen en uitvoeringsstrategie

Transitievisie Warmte deel 2: Volgorde van wijken

Omgevingsprogramma

Wijkuitvoeringsplannen Omgevingsplan Figuur 2: Beoogde plaats van de Transitievisie Warmte en de wijkuitvoeringsplannen in de Omgevingswet

Transitievisie Warmte deel I

16

1.7 Deel II is een invulling van de visie en strategie uit het eerste deel en vormt een Omgevingsprogramma. De Wijkuitvoeringsplannen worden ook in een Omgevings­ programma uitgewerkt. Uiteindelijk worden de doelen en maatregelen uit de visie en programma’s vertaald naar concrete regelgeving in het Omgevingsplan. Deze regels gelden voor iedereen.

Transitievisie Warmte deel I

Wie heeft er meegedacht?

Sinds 2019 hebben we data over deze opgave verzameld, verwerkt, getoetst en geanalyseerd. Op verschillende manieren hebben we betrokkenen (waaronder bewonersinitiatieven, bedrijven, woningbouwcorporaties, energiebedrijven, netwerk­ bedrijven) binnen de stad meegenomen in dit proces. De kennis en expertise van bewoners, betrokkenen en technische experts is hierbij benut. Tot en met het voorjaar van 2020 hebben we verschillende keren de (voorlopige) uitkomsten van onze analyses met hen gedeeld en hebben we gesprekken gevoerd over de gevolgen van de omschakeling van aardgas naar duurzame energiebronnen. Zo is er nu meer inzicht in hun positie bij het maken van afwegingen. In het najaar van 2020 hebben we verschillende bijeenkomsten met betrokkenen georganiseerd waarin de WAT-kaarten zijn voorgelegd. In het participatierapport hebben we het proces van participatie uitvoerig beschreven (rapportage Gemeente Utrecht (gelijktijdig gepubliceerd met Transitievisie Warmte deel I).

17

2.1

De huidige situatie in Utrecht CO2-uitstoot

* 1.000 kg

We werken toe naar een duurzame warmtevoorziening zonder CO2-uitstoot. Figuur 3 geeft een overzicht van het energiegebruik én de CO2-uitstoot in Utrecht. Het aardgas- en warmtegebruik voor gebouwen zorgden in 2018 voor ongeveer 25% van de CO2-uitstoot in Utrecht.

10.600.000

1.600

10.400.000

1.400

10.200.000

1.200

10.000.000

1.000

800.000

800

600.000

600

400.000

400

200.000

200

0

kg CO2/inwoner

2

0 2015

2016

2017

2018

Particuliere warmte

Woningen elektriciteit

Woningen gas

Zakelijke elektriciteit

Zakelijke warmte

Mobiliteit (***)

Zakelijk gas = 0 (*)

Particuliere uitstoot per inwoner (rechter as)

Figuur 3: Energiegebruik en CO2-uitstoot voor Utrecht in 2018. Bron: Gemeente Utrecht (2020) Noot: Het zakelijk gasgebruik is alleen bekend voor 2015 en voor 2016. Voor 2017 en 2018 is alleen het totaalgebruik inclusief de elektriciteitscentrale bekend. Die produceert voor Utrecht en de regio. Dat geeft geen goed beeld van het verbruik van bedrijven in Utrecht en is daarom nu niet in de grafiek opgenomen.

Transitievisie Warmte deel I

18

2.2

Huidige warmtevoorziening Huidige warmtevoorziening gemeente Utrecht

Op dit moment leidt de verwarming van gebouwen nog tot een aanzienlijke uitstoot van CO2 (Figuur 3). In figuur 4 is te zien hoe de huidige warmtevoorziening in Utrecht is geregeld: • Veel gebouwen zijn slecht of matig geïsoleerd en gebruiken dus relatief veel energie: zo zijn ruim 130.000 woningen in Utrecht voor 2000 gebouwd, 102.000 gebouwen hebben label C of slechter (meer info zie Gemeente Utrecht (2020)). • 130.000 gebouwen in Utrecht zijn aangesloten op aardgas. Het aardgas wordt daar gebruikt voor verwarming, warm water, om te koken en voor diverse industriële productieprocessen. • 45.000 gebouwen zijn aangesloten op een warmtenet. Eneco heeft het grootste warmtenet. Daarnaast ligt er een warmtenet op het Utrecht Science Park. Gebouwen aangesloten op het warmtenet krijgen warm water voor ruimte­ verwarming en warm tapwater. In deze gebouwen wordt meestal elektrisch gekookt maar er zijn ook 16.000 woningen en gebouwen die, naast aansluiting op het warmtenet, een gasaansluiting alleen voor het koken hebben. • Het warme water van het warmtenet wordt nu nog voor 60% geproduceerd met aardgas en voor 40% met duurzame bronnen (grotendeels biomassa). • De elektriciteit komt nu nog grotendeels van fossiele bronnen: in 2019 is het aandeel duurzame bronnen voor elektriciteit voor heel Nederland 18% (CBS, 2020).

100%

aardgas t.b.v. aardgasnet

60%

aardgas +

40%

130.000

gebouwen op aardgasnet

45.000

gebouwen op warmtenet

duurzaam t.b.v. warmtenet

180.000 16.000

gebouwen op warmtenet én aardgasaansluiting (voor koken)

gebouwen in Utrecht

130.000

gebouwen met bouwjaar < 2000

Figuur 4: Huidige warmtevoorziening in Utrecht

Transitievisie Warmte deel I

19

3 3.1

Naar een CO2-vrije warmtevoorziening langs drie sporen Inleiding Huidige warmtevoorziening

De overgang naar een CO2-vrije warmtevoorziening vraagt om verschillende aan­ passingen in de huidige situatie, waarbij wij drie sporen die elk eigen kenmerken hebben, maar ook sterk met elkaar zijn verbonden: • Energie besparen: We brengen de energievraag in de gebouwde omgeving omlaag door te isoleren en over te stappen op zuinige apparaten. Onze inwoners, gebouw­ eigenaren en bedrijven gaan hiermee aan de slag. Hierdoor daalt de CO2-uitstoot en maken we gebouwen geschikt voor de inzet van duurzame bronnen. • Bronnen verduurzamen: We bieden ruimte voor de productie van duurzame elektriciteit en warmte voor de gebouwde omgeving, zodat er geen fossiele brand­ stoffen meer nodig zijn. • Energie-infrastructuur aanpassen: Duurzame warmte en elektriciteit komt in de huizen van bewoners en in gebouwen: hier zorgen we samen met netbeheerders en warmtebedrijven voor. Warmteaanbieders gaan hiervoor aan de slag met onder meer het aanleggen van warmtenetten om gebouwen met warm water te verwarmen of de netbeheerder verstevigt het elektriciteitsnetwerk om elektrisch te kunnen verwarmen.

Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

Energie besparen

CO2-neutrale warmtevoorziening

In de eerste twee sporen moeten de daadwerkelijke CO2-reducties worden ge­ realiseerd en hoe meer we besparen, hoe minder duurzame bronnen er nodig zijn. Het derde spoor, waarin we de infrastructuur aanpassen, is een enorme logistieke uitdaging waar we tot 2050 de tijd voor nodig hebben.

Transitievisie Warmte deel I

20

3.2

Spoor: energie besparen Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

Energie besparen

Bestaande gebouwen isoleren, gedragsverandering en efficiëntere opwekking zijn belangrijke stappen om energie te besparen. Daardoor is er minder vraag naar ver­ warming en is straks bij de overstap minder duurzame energie nodig. Als gebouwen goed geïsoleerd zijn, is er minder warmte nodig om ze warm te krijgen en kunnen er dus ook makkelijker bronnen met een lagere temperatuur worden ingezet. Een groot deel van de Utrechtse gebouwen is slecht of matig geïsoleerd en gebruikt dus relatief veel energie. Uit analyses blijkt dat het energiegebruik in 2030 voor verwar­ ming van woningen met ongeveer 14% omlaag kan door de woningen te isoleren naar een isolatieniveau dat hoort bij energielabel B. Bij het bereiken van een isolatieniveau dat hoort bij energielabel A+ kan het energieverbruik zelfs omlaag met 20-30%. Dit is afgezet tegen een situatie waarin niet wordt geïsoleerd (Gemeente Utrecht (2020). In volgende analyses brengen we het besparingspotentieel gedetailleerder in kaart. De eerste resultaten laten zien dat besparingen mogelijk nog wat hoger liggen. 4

Het onderzoeks- en adviesbureau CE Delft heeft berekend dat isolatie op bedrijven­ terreinen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar de warmtevraag bij bedrijven mogelijk omlaag kan brengen met 15 tot 30%, afhankelijk van het bouwjaar. Woning- of bedrijfseigenaren kunnen zelf nog een stap verder gaan. Als de cv-ketel aan vervanging toe is, maar hun gebouw ligt niet in een gebied dat binnen tien jaar aardgasvrij wordt gemaakt, kunnen zij een hybride warmtepomp als tussenoplossing overwegen. Om volop van de voordelen van een hybride warmtepomp te kunnen profiteren - CO2-reductie en een lagere energierekening - moet een gebouw wel voldoende zijn geïsoleerd. Eerste resultaten van monitoring van 600 woningen laten zien dat een hybride warmtepomp kan zorgen voor 2/3 minder aardgasgebruik voor verwarming van de ruimte (BDH, 2020).

4

Bij het publiceren van de Transitievisie Warmte deel I was het rapport van CE Delft nog niet openbaar.

Transitievisie Warmte deel I

21

3.2.1

Terugdringen van de energievraag

Duidelijk is dat we met energie besparen in bestaande gebouwen een grote CO2winst kunnen behalen. Alle gebouweigenaren kunnen zelf aan de slag gaan met het besparen van energie in een tempo dat bij hen past. De WAT-kaart ‘verwachte warmtevraag per buurt’ (paragraaf 4.1) geeft aan welke gemiddelde warmtevraag overblijft nadat gebouweigenaren hebben geïsoleerd. En geeft daarmee richting voor eigenaren welke aanpassing minimaal nodig is in een gebouw. We moedigen aan meer te isoleren waar dat mogelijk is, dit levert meer energiebesparing op en een comfortabel huis. Elk gebied heeft zijn specifieke uitdagingen ook bij het besparen van energie. We ondersteunen eigenaren met duurzaamheidsadviezen die gericht zijn op die specifieke uitdagingen.

Transitievisie Warmte deel I

22

3.3

Spoor: energiebronnen verduurzamen Energiebronnen verduurzamen

Energie-infrastructuur aanpassen

Energie besparen

Het tweede spoor is gericht op het verduurzamen van de bronnen die worden ingezet om onze gebouwen van warmte te voorzien. Dit betekent dat het gebruik van fossiele brandstoffen gaat verdwijnen en er CO2-vrije duurzame energiebronnen, zoals zon, wind, aardwarmte, biomassa en oppervlakte-, drink- of afvalwater, voor in de plaats moeten komen. Energiedragers vormen een belangrijke schakel tussen energie uit de duurzame bronnen en de gebouwen. Dit kan op verschillende manieren (Figuur 5): • Zon, wind, biomassa en geothermie kunnen o.a. worden ingezet voor de productie van elektriciteit. • De elektriciteit kan hierna worden gebruikt om lage temperatuur bronnen te verhogen naar midden- of hoge temperatuurbronnen. Ook is het mogelijk met elektriciteit de energiedrager waterstof te produceren. • Restwarmte van bijvoorbeeld de industrie, aquathermie (energie uit oppervlakte, drink- of afvalwater) en geothermie (aardwarmte: energie uit de bodem) kunnen warm water leveren voor de verwarming van gebouwen met lage, midden of hoge temperatuur. • Biomassa kan ook worden gebruikt voor de productie van warm water of groen gas.

Transitievisie Warmte deel I

23

Duurzame bronnen

Energiedragers

Geothermie Ultradiep

Elektriciteit

Diep Ondiep

Wind

Waterstof

Zon

Aquathermie Oppervlaktewater

Groen gas

Drinkwater Afvalwater

Restwarmte

Warm water

Biomassa

Figuur 5: Routes voor omzetten van duurzame bronnen naar energiedragers

Transitievisie Warmte deel I

24

3.3.1

Beschikbaarheid duurzame warmtebronnen

Adviesbureau Greenvis heeft onderzoek gedaan naar de technische mogelijkheden van duurzame warmtebronnen in Utrecht. Het blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om de Utrechtse warmtevraag volledig met duurzame bronnen te dekken (zie cirkel Utrechtse referentie in Figuur 6). Er is een onderscheid tussen hoge temperatuur (HT), midden temperatuur (MT) en lage temperatuur (LT).

• Hoge temperatuur (HT) bronnen (>70 graden) De huidige warmtevraag is ongeveer 8,3 PJ. Hoge temperatuurbronnen kunnen mogelijk, zo blijkt uit de studie, tussen 4,5 en 14,6 PJ leveren. De bronnen die hierbij horen zijn voor Utrecht vooral geothermie, zonthermie en enkele restwarmtebronnen. Deze kunnen allemaal worden ingezet om in de basisvraag naar warmte (de basislast) te voorzien. Daarnaast zijn er ook bronnen nodig om pieken in de warmtevraag op te vangen momenten, bijvoorbeeld bij strenge vorst. Mogelijke bronnen hiervoor zijn bepaalde restwarmtebronnen, biomassa, duurzaam gas en power-to-heat (overschot aan duurzame elektriciteit dat wordt omgezet in warmte). Veel bronnen zijn wel nog onzeker: vooral de aardwarmteprojecten (in onderzoeksfase) kunnen veel betekenen voor Utrecht maar of deze beschikbaar komen is nog onzeker. Daarnaast is nu nog onduidelijk of en hoeveel duurzaam gas voor Utrecht beschikbaar komt. • Midden temperatuur (MT) bronnen (50-70 graden) De mogelijkheden voor midden-temperatuurbronnen zijn klein in Utrecht: tussen de 0 en 0,2 PJ. De MT-vraag kan worden ingevuld met HT-bronnen. Ook het opwaarderen van Lage Temperatuur (LT) bronnen naar MT is mogelijk met een warmtepomp op elektriciteit. Die moet dan wel duurzaam worden opgewekt. De midden-temperatuurbronnen in Utrecht zijn de enkele industriële restwarmtebronnen in de stad.

Deze bronnen zijn in potentie aanwezig en daarmee redelijk zeker, maar of ze ook gebruikt kunnen worden, hangt af van de mogelijkheid om levering financieel interessant te maken voor de verschillende bedrijven. • Lage temperatuur (LT) bronnen (<50 graden) Er zijn in Utrecht zeer veel mogelijk­ heden voor Lage Temperatuur (LT) bronnen: tussen 13 en 40 PJ. Dit zijn: (1) ondiepe aardwarmte, (2) alle vormen van aquathermie (oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater), (3) koelwarmte van magazijnen/supermarkten en (4) restwarmte van datacenters. Meestal is een combinatie van een LT-bron met warmtekoude opslag (WKO) nodig. Deze bronnen zijn er en daarmee is de zekerheid van deze bronnen hoog. Of de bronnen ook ontsloten kunnen worden en dus bereikbaar worden, ligt sterk aan de kosten. Bij nieuwbouw is dit goed te doen, bij bestaande bouw is er nog vrijwel geen ervaring mee opgedaan.

Transitievisie Warmte deel I

25

Een aantal zaken kunnen de praktische benutting van alle technische mogelijkheden in de weg staan: 1. Locatie en moment van de levering bij de bron versus locatie en moment van de vraag komen niet altijd overeen. Opslag van warmte (buffering) gaat daarom een belangrijke rol spelen in een betere afstemming tussen vraag- en aanbod. Het huidige stadsverwarmingsnet bestaat uit verschillende deelnetten die allemaal een hulpwarmtecentrale (HWC) hebben voor opvang van de pieken. In de komende jaren wordt bij al deze locaties een buffer gebouwd, die de korte pieken voor 24 tot 48 uur moet gaan opvangen. Door deze buffers hoeven de piekinstallaties veel minder vaak aan en kunnen duurzame bronnen beter worden benut. Voor HT-netten wordt bij toenemend gebruik van duurzame bronnen ook het overbrug­ gen van de seizoenen van belang. Dat kan ondergronds in een geïsoleerde buffer. Ook in LT-netten is het nodig de seizoenen te overbruggen. Dit vanwege de hoge vraag naar warmte in de winter. Voor deze ondergrondse buffers is warmte-koude opslag (WKO) de geschikte oplossing.

Er is nog (veel) onzekerheid of én wanneer bronnen beschikbaar komen en wat dan de kosten zijn voor het ontsluiten van bronnen. In Figuur 6 is aangegeven wat de ver­ wachte kosten over de levenscyclus zijn en met welke onzekerheden rekening moet worden gehouden. Van een aantal bronnen met een grote potentie om in een flink deel van de Utrechtse warmtevraag te voorzien (zoals diepe en ultradiepe aardwarmte) en met relatief lage kosten, is beschikbaar komen nog onzeker. Van een grote potentiële bron als energie uit oppervlaktewater is de beschikbaarheid vrij zeker maar zijn de kosten nu nog hoog.

2. Afstemming tussen temperatuur van de bron en het gevraagde temperatuurniveau. LT-bronnen zijn niet geschikt voor gebouwen die matig zijn geïsoleerd, omdat ze hiermee niet comfortabel kunnen worden verwarmd. LT-bronnen kunnen wel op een hogere temperatuur worden gebracht met een warmtepomp. Dit kan zowel op een centrale plek gebeuren (zoals bij de RWZI in Overvecht) als in een woning. Hiervoor is dan wel duurzame elektriciteit nodig.

Transitievisie Warmte deel I

26

Hoog

Figuur 6: Potentie van de warmtebronnen (grootte van de bol) onderscheiden naar HT, MT en LT, met indicatie van de kosten over de hele leveringscyclus en zekerheid van de technologie. Groene bol: gerealiseerde inzet van biomassa (BWI) en Utrecht (ref): prognose omvang verwachtte warmtevraag in 2040

Oppervlaktewater

Kosten (levenscyclus)

Utrecht (ref.)

Bron: Greenvis (2019)

Ondiepe aardwarmte

Asfaltcentrale Industr. warmte

Ultradiepe aardwarmte Afvalwater riool Koelwarmte

Laag

Diepe aardwarmte Datacenters Drinkwaterleiding Biomassa (gerealiseerd)

Hoog HT Warmtebron

Transitievisie Warmte deel I

Zekerheid MT Warmtebron

Laag

LT Warmtebron

27

3.3.2

Beschikbaarheid duurzame energiedragers

Energiedragers vormen een belangrijke schakel in het bij elkaar brengen van energie uit de duurzame bronnen en de gebouwen. De inzet van energiedragers is afhankelijk van de beschikbaarheid en de kosten ervan.

Duurzame elektriciteit Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in de meest recente klimaat- en energieverkenning laten zien dat tot 2030 de productie van elektriciteit uit kolen en gas verder afneemt en uit duurzame energiebronnen verder stijgt. Het is de verwachting dat in 2025 ruim de helft van de Nederlandse elektriciteitsproductie uit duurzame bronnen komt. In 2030 is dit naar verwachting 75% (in 2019 bedroeg het aandeel duurzame elektriciteit 18%) (PBL, 2020).

Groen gas In het Klimaatakkoord is afgesproken dat op termijn circa 2 bcm (miljard m3) groen gas beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. Groen gas is biogas of syngas dat op aardgaskwaliteit is gebracht. Hierdoor is het als aardgasvervanger direct inzetbaar in het huidige aardgasnet. Biogas wordt gemaakt door het vergisten van bijvoorbeeld mest en gft (biomassastromen). Duurzaam syngas komt van het vergassen van biomassastromen. Hierna wordt het geschikt gemaakt om toe te passen in het huidige aardgasnet (CE, 2018). Om die 2 bcm te bereiken moeten overheden de productie ervan met onder meer subsidies stimuleren. Gebeurt dat niet en komt er geen innovatie of schaalvergroting dan komt de productie in 2030 niet uit boven de 0,36 bcm (CE, 2020). Het kabinet geeft in een brief aan de Tweede Kamer aan eerst te willen inzetten op vergroting van de productie van groen gas, voordat definitieve keuzes voor de inzet ervan worden gemaakt. Groen gas is breed inzetbaar, maar slechts beperkt beschik­ baar. Het kabinet denkt wel dat de inzet ervan op termijn noodzakelijk is (TK, 2020). Netbeheerder Stedin ziet een grote rol voor duurzame gassen en daarmee het gasnet (op basis van studies van CE Delft). Stedin heeft berekend dat de inzet van duurzame gassen goedkoper is dan andere opties voor de buitengebieden en de randen van de steden waar woningen verder uit elkaar staan (Stedin, 2020).

Wij verwachten dan ook dat groen gas zal worden gereserveerd voor 1) sectoren waarvoor verduurzaming lastiger/duurder is dan in de gebouwde omgeving en waar hogere temperaturen nodig zijn, bijvoorbeeld in de industrie of zwaar transport en 2) gebouwde omgeving waarin isoleren erg kostbaar is, geen andere duurzame bronnen beschikbaar zijn en collectieve oplossingen bovendien weinig kansrijk zijn. Dit bete­ kent dat groen gas naar verwachting de komende jaren niet of nauwelijks beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving en op de lange termijn mogelijk voor landelijk gebied en niet voor een stad als Utrecht waar voldoende alternatieven zijn.

Transitievisie Warmte deel I

28

Waterstof De productie van waterstof gebeurt nu nog vrijwel volledig met fossiele brandstoffen. Deze waterstof kan CO2-vrij worden gemaakt met aardgas als de vrijkomende CO2 wordt opgeslagen. Dit heet dan blauwe waterstof. Groene waterstof produceren kan met duurzame elektriciteit. Uit onderzoek blijkt dat voor 2030 (en waarschijnlijk nog later) geen overschot aan duurzaam geproduceerde elektriciteit verwacht kan worden. Net als bij groen gas wordt waterstof dan eerst ingezet in sectoren waar hogere temperaturen nodig zijn of waar geen alternatieve bronnen beschikbaar zijn. (Groene) waterstof zal niet op korte termijn beschikbaar komen om de gebouwen van een stedelijk gebied als Utrecht betaalbaar te verwarmen (TNO, 2020) (PBL, 2020). Ontwikkelingen en innovaties rondom waterstof houden we goed in de gaten en nemen we steeds mee in de actualisaties van onze analyses.

3.3.3

Inzet van bronnen

Daarmee komen we op de conclusies over de inzet van bronnen. • Er zijn op termijn voldoende mogelijkheden om de hele warmtevoorziening van Utrecht te verduurzamen. • De technische mogelijkheden zijn nu nog beperkt. Dit komt omdat (1) de locatie en het moment van de levering bij de bron niet altijd overeen komen met de locatie en moment van de vraag naar warmte en (2) het beschikbare temperatuurniveau van de bron en het gevraagde temperatuurniveau niet matchen. • De kosten voor toepassing van duurzame warmtebronnen lopen sterk uiteen per buurt en (type) gebouw. • Er is nog (veel) onzekerheid wanneer en in welke omvang duurzame bronnen beschikbaar gaan komen, bijvoorbeeld geothermie. Utrecht streeft naar 1) een betaalbare en CO2-vrije warmtevoorziening voor iedereen en 2) zo snel mogelijk beginnen om in 2050 klaar te zijn. Dit vraagt sturing op een rechtvaardige verdeling van beschikbare duurzame bronnen in Utrecht zodat bronnen daar worden ingezet waar deze het beste passen bij gebouwdichtheid en isolatie­ graad. We willen namelijk dat iedereen straks een betaalbare warmtevoorziening heeft. Bij het aanwijzen van de eerste buurten waar we de gebiedsgerichte aanpak starten, zullen we rekening moeten houden met de onzekere omvang van beschikbare duurzame hoge temperatuur bronnen.

Transitievisie Warmte deel I

29

3.4

Spoor: energie-infrastructuur aanpassen

3.4.1

Energiebronnen verduurzamen

De drie sporen hebben ieder hun eigen kenmerken en tempo maar zijn ook onderling van elkaar afhankelijk. Figuur 7 geeft een schematische weergave van de relatie tussen bronnen, gebouwen en infrastructuur. Daaruit blijkt dat niet elk gebouw geschikt is voor elke duurzame bron.

Energie-infrastructuur aanpassen

Energie besparen

Het omschakelen naar nieuwe manieren van verwarmen vraagt, naast aanpassingen aan gebouwen en het ontsluiten van nieuwe duurzame bronnen, op veel plekken in de stad om aanpassingen van de energie-infrastructuur: zowel de aanleg van nieuwe systemen als het afbouwen van het aardgasnet. De energie-infrastructuur is de schakel tussen duurzame energiebronnen, energiedragers en de gebouwen. Het ligt voor de hand om de infrastructuur per gebied aan te pakken, omdat de planning, de omvang van investeringen en de aanleg ingrijpend zijn en alleen per gebied zijn aan te pakken. Aanpassing of uitbreiding van de infrastructuur is afhankelijk van de warmteoplossing in een buurt en betreft: • Verzwaring van het elektriciteitsnet. Dit is het geval als (een deel van) een buurt elektrisch gaat verwarmen met individuele warmtepompen of een centraal LT-net.

Afhankelijkheid bronnen, gebouwen en energie-infrastructuur

• Gebouwen die goed zijn geïsoleerd kunnen gebruik maken van lage temperatuur verwarming (bijvoorbeeld water dat via een lokaal warmtenet wordt geleverd of een individuele warmtepomp). De radiatoren en vloerverwarming (warmteafgifte­ systemen) in het huis werken dan met een lage temperatuur. • Gebouwen die slecht of alleen tegen hoge kosten zijn te isoleren, hebben warmte op een hoge temperatuur nodig voor een comfortabele verwarming. Levering of productie van de warmte kan via verschillende routes. Bijvoorbeeld via 1) levering van warm water van meer dan 70 graden via een hoge temperatuur warmtenet, 2) levering van groen gas waarmee in een cv-ketel warm water wordt gemaakt of 3) levering van lage temperatuur warm water dat met een warmtepomp in het gebouw op temperatuur wordt gebracht.

• Aanleg van een collectief warmtenet. Dit kan een lokaal warmtenet zijn op buurt- of wijkniveau met gebruik van een lokale warmtebron en/of uitbreiding van het bestaande stadsverwarmingsnet. • Aanpassing van het gasnet om gebruik te kunnen maken van groen gas en/of waterstof.

Transitievisie Warmte deel I

30

Duurzame bronnen

Energiedragers

Infrastructuur

Warmteoplossing

Geothermie Ultradiep

Gebouwen

Elektriciteit

Elektriciteitsnet

Isolatie

Warmtepomp

Diep Ondiep LT warmte-afleverset

na 2000

Goede isolatie

Wind

Waterstof Hybride warmtepomp

Zon Gasnet MT warmte-afleverset

Aquathermie Oppervlaktewater

1940 - 2000 Gemiddelde isolatie

Groen gas

Drinkwater

Gasketel

Afvalwater

Restwarmte

HT warmte-afleverset Warm water

voor 1940

Warmtenet

Weinig isolatie

Biomassa

Figuur 7: Relatie en afhankelijkheden tussen de drie sporen

Transitievisie Warmte deel I

Biomassaketel

HT - Hoge Temperatuur (vanaf 70 ºC)

MT - Midden Temperatuur (tussen 50 – 70 ºC)

LT - Lage Temperatuur (onder 50 ºC)

31

3.4.2

Belangrijke rol voor collectieve warmtenetten

De verschillende routes naar een CO2-vrije warmtevoorziening zijn doorgerekend met het algemeen beschikbare Vesta-MAIS model van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL). Vesta-MAIS model. Dit laat zien dat de aanleg van warmtenetten in Utrecht in veel buurten de mogelijkheid is om een CO2-vrije warmtevoorziening te bereiken tegen de laagst maatschappelijke kosten (Gemeente Utrecht, 2020). Dit omvat zowel: • Nieuwe lokale warmtenetten op straat-, buurt- of wijkniveau met een plaatselijke lage of midden temperatuurbron. • Uitbreiding en verduurzaming van de huidige hoge temperatuur warmtenetten 5 (Eneco en Utrecht Science Park ). • Aanpassen, verduurzamen en uitbreiden van de bestaande hoge temperatuur infrastructuur naar een midden of lage temperatuur net.

5

Op dit moment worden plannen uitgewerkt voor de toekomstige verduurzaming van de warmtevoorziening waarbij ook wordt bekeken wat de mogelijke rol wordt van het bestaande net op het Utrecht Science Park.

6

Bij het publiceren van de Transitievisie Warmte deel I was het rapport van CE Delft nog niet openbaar.

Transitievisie Warmte deel I

Geanalyseerde routes naar aardgasvrij • De modelberekeningen met het Vesta-MAIS model naar de kosten voor verschillen­ de strategieën voor verduurzaming van de gebouwde omgeving in Utrecht zijn gemaakt op buurtniveau (Gemeente Utrecht, 2020). Het gaat hier om 1) isolatie­ scenario’s om inzicht te krijgen in de kosten van extra isoleren en 2) strategieën richting aardgasvrij per buurt. Er is gekeken naar individuele en collectieve opties, naar gebruik van hoge temperatuur versus lage temperatuur warmtebronnen, en zonder en met extra isoleren. Doel was om inzicht te krijgen in de kosten en de verschillen per buurt voor de vijf strategieën. • In een scenario waarin alle technische mogelijkheden van hoge temperatuur duurzame bronnen in Utrecht beschikbaar komen, heeft in de meeste buurten de toepassing van hoge temperatuur (HT) warmtenetten de laagste maatschappelijke kosten. Voor een beperkt aantal buurten kosten lokale warmtenetten met een lage temperatuurbron het minste. • Na hoge temperatuur warmtenetten is de toepassing van duurzaam gas in veel buurten het alternatief met de minste maatschappelijke kosten. Zoals aangeven in paragraaf 3.3.2 is het niet te verwachten dat dit in grote mate beschikbaar gaat komen voor de gebouwde omgeving in Utrecht.

• In scenario’s waarin beschikbaarheid van hoge temperatuur bronnen beperkt blijft en wordt ingezet op gebruik van lage temperatuur bronnen met meer isolatie, is de aanleg van (lokale) warmtenetten een optie die maatschappelijk het minste kost. 6 • Voor de bedrijventerreinen heeft CE Delft aanvullend onderzoek gedaan in opdracht van de gemeente Utrecht. Conclusie van dit onderzoek is dat voor de meeste bedrijventerreinen een warmtenet op hoge tempratuur (HT) of midden temperatuur (MT) de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Voor de nieuwe bedrijventerreinen zijn individuele warmtepompen de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. In dit onderzoek is geen rekening gehouden met de verdeling van de beschikbare bronnen over de hele stad. Belangrijke conclusie in dit onderzoek is dat de maatschappelijke kosten van de verschillende oplossingen zo dicht bij elkaar liggen dat op basis van de onderzoeksresultaten geen keuze kan worden gemaakt voor de beste techniek.

32

3.4.3

Publieke waarden

De verwachting is dat collectieve (lokale) warmtenetten niet alleen in Utrecht maar op vele andere plaatsen in Nederland een belangrijke rol gaan spelen in de verduur­ zaming van de gebouwde omgeving. Daarom wordt op rijksniveau gewerkt aan een nieuw beleidskader: de Warmtewet 2.0. De huidige wet heeft als doel om de consumentenrechten te beschermen. De Warmtewet 2.0 moet de energietransitie mogelijk maken en streeft de volgende doelen na: (1) groei van collectieve warmte­ systemen mogelijk maken door nieuwe spelregels, (2) meer transparantie in de tariefstelling, (3) aanscherpen vereisten voor leveringszekerheid, en (4) zeker stellen van de verduurzaming. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeente een regierol krijgt bij de totstandkoming van warmtenetten. Dit wordt onder meer vertaald in meer bevoegdheden voor gemeenten, die ook in de nieuwe Warmtewet 2.0 worden opgenomen.

Het wetsvoorstel is in consultatie: betrokken organisaties en partijen kunnen op de inhoud reageren. Het is nog niet duidelijk wanneer het wetsvoorstel in behandeling wordt genomen en hoe een nieuw kabinet gaat beslissen over de uiteindelijke verhouding tussen publieke waarden en private belangen. De bedoeling was de Warmtewet 2.0 per 1-1-2022 in te voeren. Wij verwachten dat dit niet eerder dan half 2022 of op 1 januari 2023 wordt en dat er een aanzienlijke overgangsperiode wordt aangehouden.

Transitievisie Warmte deel I

Wet Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2.0) Het wetsvoorstel voor de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening (WCW ook wel Warmtewet 2.0 genoemd) is belangrijk als het om publieke waarden gaat. Dit wetsvoorstel is erop gericht om de publieke waarden veilig te stellen door gemeenten een regierol te geven voor lokale sturing op ontwikkeling en exploitatie van warmte­netten. In het voorstel krijgt de gemeente straks de bevoegdheid om 7 1) warmtekavels vast te stellen voor de aanleg van een warmtenet en 2) een integraal 8 warmtebedrijf aan te wijzen. De vaststelling en de randvoorwaarden van de kavel moeten het voor (markt)partijen interessant maken om in uitbreiding en/of aanleg van warmtenetten te investeren. Om groei te faciliteren moet een warmtebedrijf mogelijk­ heden zien voor het realiseren van een robuust, zelfstandig opererend en efficiënt collectief warmte­systeem dat duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar is. In de nieuwe Warmtewet worden waarschijnlijk minimale eisen opgenomen voor integrale warmte­ bedrijven. De regierol van de gemeente maakt het mogelijk om op publieke waarden te sturen en de consument te beschermen.

7

Warmtekavel: (definitie uit concept WCW) aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen.

8

Bedrijf dat voor 20-30 jaar het exclusieve recht krijgt op het transporteren en leveren van warmte binnen het warmtekavel en volledig verantwoordelijk wordt gesteld voor de continuïteit en kwaliteit van de warmtelevering binnen een specifiek warmtekavel.

33

Zeker stellen van publieke waarden

Utrechtse publieke waarden

Het beleidskader is gericht om de publieke waarden, zoals duurzaamheid, betrouw­ baarheid en betaalbaarheid, bij collectieve warmtelevering zeker te stellen. De levering van warmte via een warmtenet is immers vergelijkbaar met de levering van gas, water en elektriciteit. Voor de gemeente zijn dit ‘nutsvoorzieningen’. De warmtevoorziening en een warm huis zijn net als elektriciteit primaire behoeftes die aan bepaalde kwali­ teitsnormen moeten voldoen. Dat is de reden voor de overheid om extra afspraken te maken en toezicht in te stellen. Vooral ook omdat een warmtenet – als het er eenmaal ligt – een natuurlijk monopolie heeft. De aanleg van een alternatief warmtenet is dan niet meer economisch haalbaar. Er moeten daarnaast grote investeringen worden gedaan die pas na vele jaren worden terugverdiend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=78aa14a3-8a5d-4616-b69e-24261acc7ea8