CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bij Besluit tot wijziging van de APV hoofdstuk 3 Seksbedrijven e.d

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging APV Utrecht 2010, partiële herziening Hoofdstuk 3 Seksbedrijven e.d. 2024, en Verordening horeca Utrecht 202410.758 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage: Toelichting bij ‘Besluit tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, partiële herziening Hoofdstuk 3 Seksbedrijven e.d. 2024 Artikelsgewijze toelichting Waar in een bestaande toelichting op een artikel van de APV inhoudelijke wijzigingen zijn aangebracht naar aanleiding van dit besluit, zijn deze wijzigingen weergegeven in het rood. Dit is het geval bij de artikelsgewijze toelichting op: - Artikel I, onderdeel A (Beslistermijn, artikel 1:2) - Artikel I, onderdeel B (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat, artikel 2:47) - Artikel I, onderdeel C (Seksbedrijven e.d., Hoofdstuk 3) - Artikel I, onderdeel D (Definities, artikel 3:1) - Artikel I, onderdeel E (Seksbedrijven en escortbedrijven, afdeling 3.2) - Artikel I, onderdeel F (Vergunningplicht, artikel 3:4) - Artikel I, onderdeel G (Aanvraag en vergunning, artikel 3:4a) - Artikel I, onderdeel H (Gedragseisen exploitant en beheerder artikel 3:5) - Artikel I, onderdeel I (Maximumstelsel seksbedrijven en werkruimten, artikel 3:6) - Artikel I, onderdeel J (Geldigheidsduur artikel 3:7) - Artikel I, onderdeel K (Beheerders, artikel 3:8) - Artikel I, onderdeel L (Weigeringsgronden, artikel 3:10) - Artikel I, onderdeel M (Toezicht en verplichtingen seksbedrijven, artikel 3:11) - Artikel I, onderdeel N (Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte, artikel 3:13) - Artikel I,

onderdeel O (Sluiting(stijden), artikel 3:14) - Artikel I, onderdeel P (Intrekkingsgronden, artikel 3:15) - Artikel I, onderdeel Q (Adverteren artikel 3:15a) - Artikel I, onderdeel S (Straatsekswerk artikel 3:17) - Artikel I, onderdeel T (Begripsbepaling binnenevenement artikel 5:20) - Artikel I, onderdeel U (Verbodsbepaling artikel 5:21) - Artikel I, onderdeel V (Nadere regels artikel 5:22) - Artikel I, onderdeel W (Nadere regels artikel 5:33) Artikel I, onderdeel A Artikel 1:2 Beslistermijn .............................. De beslistermijn op een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksbedrijf en voor evenementen is bepaald op twaalf weken te rekenen na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Het niet beslissen van het bestuursorgaan binnen de in lid 1 vastgestelde termijn, houdt in dat er sprake is

van een 'fictieve weigering'. Dit houdt in dat bij het verstrijken van de termijn de aanvrager bevoegd is bezwaar of beroep in te stellen. ............................... Artikel I, onderdeel B Artikel 2:47 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat ......................... Levensgedrag Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de Alcoholwet, de Verordening Horeca en de jurisprudentie hierover. Deze reikwijdte wordt – met betrekking tot dit artikel - begrensd door de mate van relevantie met de ontplooide of te ontplooien bedrijfsmatige activiteit. Dit betekent dat bij de beoordeling van levensgedrag een gedraging, die op zichzelf beschouwd zou kunnen getuigen van ‘slecht levensgedrag’, meeweegt, als die gedraging ook in relatie tot of relevant is voor het bedrijf of de exploitatie van het bedrijf (samenhangcriterium). De persoon van de exploitant en beheerder is van belang voor de wijze van exploitatie van het bedrijf. Om die reden mag deze niet van slecht levensgedrag zijn.

Gedragingen die in ieder geval meegenomen worden in de beoordeling van het levensgedrag zijn: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, drugsdelicten (zoals productie, transport of handel), mensenhandel, uitbuiting, verduistering, illegale sekswerk, fraude, illegaal gokken, faciliteren criminaliteit, wapendelicten (zoals illegaal wapenbezit, -transport of –handel), heling. Ook eerdere weigering van een vergunning vanwege levensgedrag of andere bestuurlijke maatregelen waarbij sprake is van verwijtbaarheid zullen worden betrokken bij de beoordeling ten aanzien van het levensgedrag. In eerste instantie worden in de beoordeling omtrent het levensgedrag gedragingen en veroordelingen meegenomen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit op een aanvraag om vergunning hebben plaatsgevonden. Gedragingen en veroordelingen buiten deze periode worden slechts in de beoordeling betrokken als de hoeveelheid en/of de aard daartoe aanleiding geven. Dit om te voorkomen dat iemand eindeloos wordt achtervolgd door in het verleden gemaakte fouten. .............................. Vijfde lid Overeenkomstig de Verordening Horeca en hoofdstuk 3 ‘Seksbedrijven e.d.’ van de APV geldt strijdigheid met een planologische regel als imperatieve weigeringsgrond.

Het kan voorkomen dat uit beoordeling van de vergunningsaanvraag blijkt dat geen van de gronden uit het vierde lid zich verzetten tegen vergunningverlening, terwijl het geldende bestemmingsplan (of daarmee gelijk te stellen regelingen zoals een beheersverordening) vestiging van het bedrijf ter plaatse niet toestaat. Het is dan moeilijk uit te leggen dat de vergunning moet worden verleend maar dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt. Daarom is deze weigeringsgrond expliciet opgenomen. ........................... Artikel I, onderdeel C Hoofdstuk 3 Seksbedrijven e.d. Algemeen Historie

Per 1 oktober 2000 is het zogenaamde "bordeelverbod" opgeheven en is een vergunningstelsel voor seksinrichtingen en escortbedrijven in de APV van Utrecht in het leven geroepen. Op grond van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht is het exploiteren van prostitutie, toen de gangbare term in plaats van sekswerk, niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar, bijvoorbeeld als het gaat om minderjarigen, gedwongen prostitutie, mensenhandel e.d. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is op dat moment nog geen nadere formele wetgeving vastgesteld. Zolang de Wet regulering sekswerk nog niet in werking is getreden, gaan we uit van de huidige situatie. In 2013 zijn alle vergunningen van exploitanten van de grootschalige raamsekswerklocatie ‘Het Zandpad’ ingetrokken of niet verlengd vanwege betrokkenheid bij misstanden. Sindsdien is het niet gelukt om via verschillende tenders een nieuwe locatie voor raamsekswerk te realiseren. Daarnaast moest de locatie voor straatsekswerk verplaatst worden vanwege grootschalige woningbouw in de directe omgeving, maar een locatiezoektocht leverde in 2017 geen passend alternatief op. De toenmalige 'tippelzone De Baan', gelegen aan de Europalaan, is met ingang van 1 juli 2021 gesloten.

Omdat sekswerk een legaal beroep is, wil de gemeente Utrecht blijven werken aan een stad waar sekswerkers schoon, veilig en transparant hun beroep kunnen uitoefenen. De gemeente heeft daarom na het niet slagen van de vijfde tender voor de raamsekswerklocatie advies gevraagd aan een onafhankelijke commissie onder leiding van mevrouw Sorgdrager. Dit rapport is opgeleverd in september 2022. Conform het advies start het huidige college een aantal proeftuinen waarin het realiseren van werkplekken centraal staat en vereenvoudigt zij de regelgeving. In aansluiting hierop zijn in dit hoofdstuk bepalingen aangepast om ze te laten aansluiten bij de gewenste richting. Hierbij moet worden opgemerkt dat het geenszins de bedoeling is barrières tegen misstanden weg te nemen. Vergunningstelsel en vrije arbeidskeuze Bij artikel 19, derde lid van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van vergunningsvoorschriften beperkingen op (in het belang van kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen gevaar en overlast e.d.).

Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te worden beschouwd als een beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze vergunningsvoorschriften –ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag– niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor beperkt wordt. Gemeenten mogen dan ook aan bijvoorbeeld het beroep van exploitant van een seksbedrijf of een escortbedrijf of aan het beroep van een sekswerker, alleen beperkingen opleggen "ter regulering en bestuur van de gemeentelijke huishouding", zoals in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Verhoging leeftijdseis sekswerkers In het kader van het tegengaan van mensenhandel, is de minimumleeftijd voor sekswerkers verhoogd naar 21 jaar, dit is wenselijk gelet op de zwaarte van het beroep en de verhoogde kwetsbaarheid van de groep 18- tot 21-jarigen. Met 21 jaar zijn personen geestelijk meer volwassen en daardoor weerbaarder en meer in staat tot het nemen van een weloverwogen beslissing. Dit achten we van belang in het kader van het tegengaan van misstanden en het verkleinen van gezondheidsrisico’s. Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en toezichthouders.

Artikel I, onderdeel D Afdeling 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3:1 definities Onder a. beheerder

Omdat veel discussie bleef bestaan over wie nou precies beheerder was in een bedrijf, wat onder een beheerder moest worden verstaan en op welke wijze deze bepalingen handhaafbaar waren is ervoor gekozen om de functie te definiëren en zijn taken apart te benoemen. Zoals ook in de definities tot uitdrukking is gebracht, dient het feitelijke beheer en het dagelijks toezicht in één hand te liggen. Het is daarom niet mogelijk om het feitelijke beheer en het dagelijks toezicht bij twee verschillende partijen neer te leggen. Onder b. beheerderstaken Hieronder wordt onder andere verstaan het toezicht op een veilige en gezonde werkplek voor sekswerkers, bedrijfsadministratie, sleutelbeheer, financiële afhandeling van klanten en sekswerkers, intakegesprekken en tussentijdse gesprekken met sekswerkers evenals het afsluiten van huurovereenkomsten voor kamerverhuur. Onder d. darkroom Voor een darkroom is in beginsel een vergunning nodig. Het gaat namelijk om een seksbedrijf zonder sekswerkers. Hier is een uitzondering op gemaakt als de darkroom in een horecabedrijf is gevestigd en onderdeel uitmaakt van dat horecabedrijf of als een darkroom als activiteit op een evenement plaatsvindt. Deze darkroom wordt niet gezien als een seksbedrijf, maar als een ondergeschikte activiteit van een horecabedrijf of als ondergeschikte activiteit op een evenement.

In beide gevallen geldt dat de darkroom geen zelfstandige hoofdactiviteit mag zijn. Onder e. escortbedrijf De zinsnede “bemiddeling tussen klant en sekswerker” beoogt te voorkomen dat straatsekswerk onder deze omschrijving komt te vallen. Bij een escortbedrijf gaat het om een bedrijfsvorm waarbij seksuele handelingen elders plaatsvinden en de sekswerkers niet aanwezig hoeven te zijn in het bedrijf zelf. Omdat het hier gaat om een bedrijfsvorm waarbij de seksuele handelingen elders plaatsvinden en de sekswerkers ook niet in het bedrijf zelf aanwezig hoeven te zijn is het toezicht op dit soort bedrijven lastiger. Onder f. exploitant Een exploitant (die als vergunninghouder optreedt) wordt aangeduid als "degene voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd". Voor de definitie van ‘exploitant’ is aansluiting gezocht bij een van de definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1° Alcoholwet. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Onder deze definitie valt ook de vennoot in een personenvennootschap.

Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant, dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De verantwoordelijkheid wordt gelegd bij degene(n) die formeel als bestuurder(s) van een bedrijf kunnen worden aangemerkt en bij lager in de organisatie van de exploitant geplaatste beheerders die zijn belast met de dagelijkse leiding en feitelijk beheer van het seksbedrijf. Hiermee wordt tevens een scheiding aangebracht tussen exploitant(en) en ontwikkelaar(s). Wanneer een ontwikkelaar een zodanige invloed heeft op de bedrijfsvoering van de exploitanten dat feitelijk voor rekening en risico van de ontwikkelaar wordt geëxploiteerd, wordt de ontwikkelaar als exploitant gezien. Dat is niet wenselijk en niet toegestaan. Onder g. klant Onder klant wordt verstaan degene die daadwerkelijk de seksuele diensten afneemt dan wel dit als doel heeft. Dit is dus beperkter dan de personen die aanwezig kunnen zijn in het seksbedrijf. Onder h. Seksbedrijf Het begrip "bedrijfsmatig" moet worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken naar de vraag of er meerdere sekswerkers werkzaam zijn, er reclame

wordt gemaakt voor de werkzaamheden, er sprake is van een KvK-inschrijving en of er bijvoorbeeld derden betrokken zijn bij de activiteiten. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld. In het algemeen zal het zo zijn dat wanneer iemand werkzaamheden uitvoert om geld te verdienen er sprake is van een bedrijfsmatige uitoefening. Het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch pornografische aard tegen betaling heeft betrekking op bijvoorbeeld sekstheaters en seksbioscopen, waarbij geen sprake is van seksuele handelingen met een ander. Wij vinden dit wenselijk nu ook hygiëne hier een grote rol speelt. Dergelijke vormen vallen dan ook onder de definitie van “seksbedrijf”. Net als bijvoorbeeld een darkroom waarin seksuele handelingen kunnen worden verricht. Hoewel hier geen sekswerkers werken speelt ook hier de hygiëne een belangrijke rol. Onder i. seksbedrijf met sekswerkers Het begrip “besloten” heeft betrekking op het door wanden omsloten en overdekt zijn van een ruimte, niet op de toegankelijkheid daarvan. Bedrijven zoals bordelen, seksclubs, sekshotels, privé-huizen en erotische massagesalons zijn te kenmerken als seksbedrijven met sekswerkers. Onder j. seksbedrijf zonder sekswerkers Bij deze categorie seksbedrijven gaat het om bedrijven zonder sekswerkers. Randvoorwaarde is dat er geen sprake is van seks tussen performers en/of sekswerkers en klanten.

Hieronder wordt ook een darkroom verstaan. Onder k. sekswerk Met de zinsnede “tegen vergoeding” wordt tot uitdrukking gebracht dat het niet persé hoeft te gaan om betaling van een bepaald geldbedrag. Onder l. sekswerker Met de wijziging van de APV is ervoor gekozen de definitie ‘prostituee’ te vervangen door ‘sekswerker’ en dit consequent door te voeren in de gehele APV. De definitie sekswerker is breder en genderneutraal. Het gaat om personen die seksuele handelingen tegen betaling of anders dan om niet verrichten. Met de zinsnede “tegen vergoeding” wordt tot uitdrukking gebracht dat het niet persé hoeft te gaan om betaling van een bepaald geldbedrag. Onder m. thuissekswerk Onder thuissekswerk wordt verstaan sekswerk waarbij een natuurlijke persoon bedrijfsmatig en tegen betaling of anders dan om niet seksuele handelingen verricht in een woning waar de sekswerker staat ingeschreven. Het gaat dan om zelfstandige woonruimte, bedoeld voor de permanente huisvesting van één afzonderlijk huishouden. De definitie van zelfstandige woonruimte sluit aan bij de definitie hiervan in het omgevingsplan en waarin ook de beroep-aan-huis regeling is opgenomen. Artikel I, onderdeel E Afdeling 3.2 Seksbedrijven en escortbedrijven In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van seksbedrijven en escortbedrijven.

Waar dat niet nader is onderscheiden gelden bepalingen ten aanzien van beide bedrijfstypen. Artikel I, onderdeel F Artikel 3:4 Vergunningplicht

Eerste lid Uit deze bepaling vloeit een vergunningplicht voort. Het wijzigen van het seksbedrijf of het escortbedrijf valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook met uitzondering van wijzigingen in het bedrijfsplan. Voor wijzigingen van het seksbedrijf of het escortbedrijf kan worden gedacht aan een verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie, het toevoegen van bijvoorbeeld raamwerkplekken, de naam van één of meerdere exploitanten en dergelijke. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie. Voor dergelijke wijzigingen dient dan ook een geheel nieuwe aanvraag gedaan te worden, waarbij het gehele vergunningsproces wordt doorlopen. Wijzigingen in het bedrijfsplan worden via artikel 3:4a van deze verordening gereguleerd. De basisregel luidt dat elk escortbedrijf een exploitatievergunning nodig heeft. Exploiteren zonder vergunning is verboden. Het bevoegde bestuursorgaan toetst de vergunningaanvraag aan een aantal criteria, waaronder eisen aan de persoon van de exploitant en de beheerder, de invloed van het voorgenomen bedrijf op het woon- en leefklimaat van de omgeving, de planologische inpasbaarheid en de wijze van bedrijfsvoering.

De burgemeester is op grond van artikel 174 Gemeentewet belast met het toezicht op voor het publiek toegankelijke gebouwen en bijbehorende erven. Een escortbedrijf kan echter ook worden uitgeoefend in een niet voor het publiek toegankelijk gebouw, bijvoorbeeld in een vaartuig of woning. In zo’n geval is niet de burgemeester, maar het college het bevoegde bestuursorgaan. Derde en vierde lid Het derde lid maakt expliciet dat het alleen mogelijk is om een vergunning voor een escortbedrijf te verlenen als dit bedrijf aan een vast adres is gebonden. In andere gevallen moet de vergunning worden geweigerd. De reden voor deze beperking is gelegen in het kunnen uitoefenen van toezicht op de naleving en het handhaven van de regels. Om dit effectief te kunnen doen is een aantal basale gegevens (naam, adres, woonplaats) nodig. Het wordt aan het oordeel van het bevoegd bestuursorgaan overgelaten of een bedrijf voldoende aan een vast adres is gebonden. Dat daarvan sprake is kan bijvoorbeeld blijken uit een vaste telefoonverbinding (030-aansluiting). Een enkele inschrijving in het Handelsregister is onvoldoende omdat de Kamer van Koophandel lijdelijk is. Op het moment dat escort wordt aangeboden vanuit een seksbedrijf, heeft het escortbedrijf een vast adres en is dan in beginsel vergunbaar. Artikel 1:5 van deze verordening legt vast dat vergunningen en ontheffingen niet overdraagbaar zijn.

Daarnaast regelt artikel 3:4a dat een vergunning voor de exploitatie van een bedrijf ook is gebonden aan de voor bedrijf bestemde ruimte. Beide bepalingen gelden onverkort voor de exploitatievergunning van een escortbedrijf. Aanvullend hierop is in het derde lid geregeld dat een escortvergunning tevens adres gebonden is. Handelen in strijd met de bepalingen betreffende de overdraagbaarheid van een vergunning is een overtreding van de APV en kan bijvoorbeeld leiden tot intrekking van de vergunning.

Vijfde lid De basisregel luidt ook dat elk seksbedrijf een exploitatievergunning nodig heeft. Exploiteren zonder vergunning is verboden. Onder de definitie seksbedrijf valt ook thuissekswerk, waarbij de werkruimte toegankelijk is voor publiek en het sekswerk doorgaans een bedrijfsmatig karakter heeft. Voor thuissekswerk geldt een uitzondering met bepaalde voorschriften en beperkingen, waardoor het zonder exploitatievergunning mogelijk is, mits aan deze voorschriften en beperkingen wordt voldaan. Vijfde lid, onder a. In de woning mag slechts één ingeschreven bewoner sekswerk verrichten. Dit is altijd één en dezelfde persoon. Het is niet toegestaan dat bewoner A op het ene moment sekswerk verricht en bewoner B op

het andere moment. Ervaring leert dat sekswerk van één bewoner in de woning slechts zelden tot overlast leidt. Vijfde lid, onder b. Voor sekswerkers die vanuit hun woonadres werken, is het vereist dat ze minstens drie maanden staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een woonadres in Nederland. Dit voorschrift is bedoeld om de veiligheid van sekswerkers te waarborgen en misstanden tegen te gaan. Het wordt hierdoor moeilijker om vanuit verschillende woningen thuissekswerk te verrichten. Vijfde lid, onder c. In het kader van het tegengaan van mensenhandel, dienen sekswerkers die thuis werken dit zelfstandig en geheel voor eigen rekening doen. Het afstaan van (een deel van) hun verdiensten aan derden is daarom verboden en niet toegestaan. Onder ‘derden’ verstaan we bijvoorbeeld individuen die zich schuldig maken aan mensenhandel of andere misstanden in de branche. Het bijdragen aan de (gezamenlijke) huishouding en het afdragen van belastingen vallen hier niet onder. Vijfde lid, onder d. In het kader van zelfredzaamheid is het van belang dat sekswerkers zelf controle en inzicht hebben in de afspraken die ze met klanten maken. Ons uitgangspunt is dat sekswerkers zelfstandig afspraken maken met (potentiële) klanten, waarbij er geen sprake is van een tussenpersoon die afspraken maakt, inplant of optreedt namens de sekswerker. Vijfde lid, onder e.

Een hygiënische werkruimte is belangrijk voor de gezondheid van de sekswerker en van de klant. Persoonlijke hygiëne, desinfectie en schoonmaak van de werkruimte verkleint het risico op soa en andere infecties. Vijfde lid, onder f. Voor sekswerkers die werken in seksbedrijven geldt dezelfde minimumleeftijd. Om misstanden en mensenhandel te voorkomen, geldt dat sekswerkers minimaal 21 jaar oud moeten zijn. Dit is wenselijk ter bevordering van de bescherming, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid van de sekswerker, gezien de zwaarte van het beroep en de verhoogde kwetsbaarheid van de leeftijdsgroep tussen 18 en 21 jaar. Op 21-jarige leeftijd zijn personen over het algemeen geestelijk volwassener waardoor ze weerbaarder zijn en beter in staat zijn om weloverwogen beslissingen te nemen. Vijfde lid, onder g. Om overlast voor omwonenden door het komen en gaan van klanten 's nachts te beperken, is het voor sekswerkers verboden om tussen 01.00 uur 's nachts en 06.00 uur 's ochtends klanten te ontvangen. Klanten mogen echter wel in dit tijdsbestek in de woning verblijven of de woning verlaten. Zesde lid Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen over voorschriften en beperkingen thuissekswerk, rekening houdend met de belangen zoals vastgesteld in artikel 1:8 en artikel 3:10, tweede lid, van deze verordening. Zevende lid

Een geldige vergunning voor seksbedrijven die is verleend op grond van artikel 3:4 voor de wijziging van hoofdstuk 3 van deze verordening, geldt als een vergunning verleend op grond van artikel 3:4 (nieuw) van deze verordening na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit. Dit betekent dat eenmalig voor deze vergunningen na de vervaltermijn die is opgenomen in de vergunning niet hoeft over te gaan op de openbare selectieprocedure. Achtste lid In de Verordening horeca zijn de regels opgenomen voor een darkroom in een horecabedrijf, dat onderdeel is van de exploitatievergunning en ondergeschikt moet zijn aan het horecabedrijf zelf. Voor een darkroom op een evenement zijn regels opgenomen in afdeling 5.7A en 5.7B van deze verordening. Die regels zien op binnen- en buitenevenementen. De regels over gebruik van de darkroom en de voorschriften waar een darkroom op een evenement aan moet voldoen zijn uitgewerkt in de Nadere regel evenementen. Voor een darkroom is in beginsel een vergunning nodig. Het gaat namelijk om een seksbedrijf zonder sekswerkers. Hier is een uitzondering op gemaakt als de darkroom in een horecabedrijf is gevestigd en onderdeel uitmaakt van dat horecabedrijf of als een darkroom als activiteit op een evenement plaatsvindt.

Deze darkroom wordt niet gezien als een seksbedrijf, maar als een ondergeschikte activiteit van een horecabedrijf of als ondergeschikte activiteit op een evenement. In beide gevallen geldt dat de darkroom geen zelfstandige hoofdactiviteit mag zijn.

Artikel I, onderdeel G Artikel 3:4a Aanvraag en vergunning Eerste, tweede lid en derde lid Het bevoegd bestuursorgaan moet zich aan de hand van een ingediende vergunningaanvraag inclusief bijbehorende stukken een oordeel kunnen vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen. Indiening en in ontvangstneming staan dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen. Het niet overleggen van de gevraagde gegevens en bescheiden kan leiden tot het niet behandelen van de aanvraag (artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Gegevens met betrekking tot exploitant en beheerder zijn onder ander relevant in verband met de eisen die ten aanzien van deze personen worden gesteld in artikel 3:5 APV, het feit dat de vergunning persoonsgebonden is en niet verleend kan worden aan personen die niet voldoen aan de verblijfsrechtelijke toets zoals vereist op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Derde lid onder e en f.

De aard van het seksbedrijf of het escortbedrijf en, indien van toepassing, het aantal werkruimtes is van belang voor het eventueel stellen van nadere voorschriften, toetsing aan het omgevingsplan of aan het maximum aantal seksbedrijven of werkruimtes e.d., maar ook in het kader van de andere belangen die het vergunningstelsel beoogt te beschermen (zie hiertoe ook artikel 3:10 APV). Derde lid, onder h. Hierbij kan gedacht worden aan een (ondertekende) huur- of koopovereenkomst. Voor de vergunningaanvraag is het voldoende om een intentieverklaring aan te leveren waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot gebruik van het pand. Later kan gevraagd worden om de aanvraag aan te vullen met bijvoorbeeld een huurovereenkomst. Derde lid, onder i. Gelet op het feit dat een seksbedrijf en escortbedrijf alleen mag adverteren met een telefoonnummer dient dit nummer bij aanvraag van de vergunning te worden overlegd.

Vierde, vijfde en zesde lid Deze leden regelen dat bij de aanvraag om een vergunning voor een seksbedrijf of escortbedrijf ook een bedrijfsplan moet worden overgelegd. Uit het bedrijfsplan moet blijken welk bedrijfsbeleid de exploitant voert op de in het vierde lid genoemde onderwerpen, maar ook wat diens visie is binnen zijn bedrijf. Afhankelijk van deze visie kunnen bijvoorbeeld meer eisen worden gesteld aan bepaalde zaken zoals die in de leden van lid 5 zijn genoemd. De onderwerpen uit lid 5 zijn met name gericht op de bescherming van de positie van sekswerkers en op de zorg voor de werkomstandigheden. In het vijfde lid staat beschreven welke informatie het bedrijfsplan van seksbedrijven met sekswerkers in ieder geval dient te bevatten. Aan het vijfde lid is het onderdeel toegevoegd dat exploitanten in het bedrijfsplan inzichtelijk moeten maken op welke wijze zij invulling geven aan de samenwerking met de betrokken partners, waaronder hulp- en dienstverlening. Uitgangspunt hierbij is een nauwe samenwerking tussen politie, exploitanten en hun beheerders, beveiligers, hulp en dienstverlening en de gemeente Utrecht met als doel het zo schoon en veilig mogelijk houden en bij te dragen aan de zelfredzaamheid van sekswerkers. Buiten de minimale eisen is het aan de exploitant om uitleg te geven over zijn bedrijfsvoering en hoe bepaalde zaken binnen zijn bedrijf worden gezien.

De exploitant en/of beheerder moeten onder meer van een aantal in artikel 3:11 en 3:11a opgenomen verplichtingen aangeven op welke wijze zij aan die verplichting uitvoering gaan geven. Een voorbeeld daarvan is de wijze waarop het toezicht is geregeld en de maatregelen die de exploitant neemt om de zelfredzaamheid van de sekswerkers te waarborgen. Vanwege de toevoeging “in ieder geval” is geen sprake van een limitatieve opsomming en kunnen nog nadere eisen aan het bedrijfsplan worden gesteld. De eisen aan het bedrijfsplan dienen ter ondersteuning van de belangenafweging bij de vergunningverlening en van het toezicht en de handhaving. Als het bevoegd bestuursorgaan van oordeel is dat hetgeen in het bedrijfsplan is opgenomen onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de sekswerkers, dan kan de vergunning worden geweigerd (zie artikel 3:10). In het zesde lid staan voor de seksbedrijven zonder sekswerkers de onderwerpen genoemd die ten minste van belang zijn voor het bedrijfsplan. Van aanvragers van seksbedrijven zonder sekswerkers wordt gevraagd om te beschrijven in het bedrijfsplan hoe de hygiëne wordt bewaakt en daarmee de gezondheid en veiligheid van bezoekers. Ook wordt van de aanvrager verwacht dat uit het bedrijfsplan blijkt hoe toezicht wordt gehouden op dat er geen sekswerkers aanwezig zijn en hoe er in die situaties wordt opgetreden.

Doordat op veel minder onderwerpen ingegaan hoeft te worden, is het aanvragen van een vergunning eenvoudiger en de beoordeling hiervan voor dit soort seksbedrijven sneller. Als het bedrijfsplan niet wordt nageleefd of indien in de praktijk blijkt dat dit bedrijfsplan (en het gevoerde bedrijfsbeleid) onvoldoende garanties biedt voor de bescherming van de positie van de sekswerkers, kan dit leiden tot het intrekken van de vergunning (zie artikel 3:15). Het bevoegd bestuursorgaan kan het bedrijfsplan van de aanvrager om advies voorleggen aan de politie. Zevende lid Op grond van het zesde lid kan het bestuursorgaan aanvullende gegevens vragen indien dat nodig is voor de beoordeling van de aanvraag. Hier moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het feit dat het bestuursorgaan inzicht wil in de bedrijfsconstructie/organisatie, 'hangende' boven de aanvrager zoals die is vermeld op de vergunning. Voor de beoordeling van deze vergunningaanvragen is het van groot belang dat alle natuurlijke personen in beeld zijn die 'een vinger in de pap' kunnen hebben in de bedrijfsvoering van het seksbedrijf, omdat het levensgedrag van al deze personen wordt meegenomen bij de beoordeling van aanvraag en dus het levensgedrag. Wijzigingen in bestuursfuncties van rechtspersonen die een 'vinger in de pap' hebben dienen gemeld te worden bij het bevoegd bestuursorgaan.

Achtste lid Op grond van het zevende lid heeft het college de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen over onder andere de inhoud van het bedrijfsplan. Met nadere regels kunnen eventueel nieuwe verplichtingen worden opgelegd of kunnen bestaande verplichtingen uit de APV nader worden

uitgewerkt of geconcretiseerd. Indien er nadere regels zijn vastgesteld, dient het bedrijfsplan ook daaraan te voldoen. Mocht dat niet het geval zijn dan kan de vergunning hetzij worden geweigerd, hetzij worden ingetrokken. Negende lid Het negende lid regelt dat voorgenomen wijzigingen van het bedrijfsplan moeten worden gemeld. Het bevoegde orgaan moet immers toetsen of het bedrijfsplan nog aan de gestelde eisen voldoet. De melding moet schriftelijk gebeuren. De melding kan een grond zijn om de vergunning in te trekken. Twaalfde en dertiende lid We hanteren de verdeelsystematiek ‘loting’ om ervoor te zorgen dat ondernemers een eerlijke kans krijgen op een vergunning. Dit is een relatief eenvoudige methodiek waarbij er geen onnodige eisen en procedures zijn. Hiermee houden we ons vergunningsstelsel eenvoudig en transparant. Bij voorkeur hebben ondernemers al beschikking over een pand bij de aanvraag, maar om ook nieuwe toetreders een kans te geven volstaat een intentieverklaring van de verhuurder op het moment van aanvraag. Op het moment van vergunningverlening moet de exploitant kunnen aantonen dat diegene over het pand beschikt met bijbehorende omgevingsvergunning. Als diegene dat niet kan, wordt de vergunning niet verleend en wordt de volgende vergunningaanvraag in behandeling genomen.

Hierbij is de exploitant er zelf voor verantwoordelijk het proces ten aanzien van de omgevingsvergunning tijdig te starten. Door de aanvraagperiode tijdig aan te kondigen, geven we (huidige) ondernemers de kans ruim voor het aflopen van hun vergunning een nieuwe aanvraag te doen. Hierdoor weten ze tijdig of ze al dan niet een vergunning krijgen en krijgen tegelijkertijd nieuwe ondernemers een eerlijke kans. Daarnaast biedt het ruimte om, indien een verleende vergunning wordt ingetrokken omdat niet aan de eis omtrent het beschikbaar hebben van een pand wordt voldaan, een tweede aanvraag in behandeling te nemen. Artikel I, onderdeel H Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder Aan het bevoegde orgaan kunnen onder ander gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag. Bij de gedragseisen voor de exploitant en beheerder wordt zoveel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Alcoholwet en het daarop gebaseerde Alcoholbesluit. Dit heeft als voordeel dat voor seksbedrijven waarvoor tevens een vergunning krachtens de Alcoholwet is vereist één en hetzelfde antecedentenonderzoek kan worden verricht.

Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. Lid 1 onder b maakt duidelijk dat geen exploitanten of beheerders worden geaccepteerd die in het verleden zijn veroordeeld voor een ernstig delict waarvan de daders niet in de sekswerkbranche werkzaam zouden moeten zijn. Het weren van daders van de delicten die relevant zijn voor deze branche werpt een verdere barrière op tegen mensenhandel. Net als in de Alcoholwet kan de aanduiding "in enig opzicht van slecht levensgedrag" méér omvatten dan hetgeen gesteld is in artikel 3:5. Dat het geen limitatieve opsomming is blijkt uit het gebruik van het woord "naast" aan het begin van het tweede lid. Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit onder ander de justitiële documentatie en de toetsing ervan aan de vastgestelde gedragseisen, kan worden aangesloten bij de daarvoor reeds bestaande jurisprudentie. Aangesloten is bij de Novelle van de Wet Regulering sekswerkers waarin ook het nodige wordt gesteld over de zedelijkheidseisen en aan het levensgedrag van de exploitant. Vooruitlopend op inwerkingtreding van deze novelle brengen wij deze zaken vanaf inwerkingtreding van deze APV onder de zogenaamde 'open norm'.

In het zesde lid wordt, in het geval van rechtspersonen, het begrip 'exploitant' verruimd tot de bestuurders, de vertegenwoordigingsbevoegden en de houders van (certificaten van) aandelen. Het doel van deze verruiming is te voorkomen dat degenen die betrokken waren bij een bedrijf waarvan eerder een vergunning is ingetrokken, opnieuw, maar dan op de achtergrond betrokkenheid hebben bij, of gebaat zijn door de exploitatie waarvoor vergunning is aangevraagd of verleend. Artikel I, onderdeel I Artikel 3:6 Maximumstelsel seksbedrijven en werkruimten Uitgangspunt van het Utrechtse sekswerkbeleid is een maximumstelsel van 6 seksbedrijven. Er is sprake van beleidsmatige schaarse vergunningen. Het toepassen van een maximumstelsel levert een vestigingsbeperking op voor ondernemers. Er wordt immers voorgeschreven tot welk maximumaantal vergunningen kunnen worden uitgegeven. Dit is een vestigingsbeperking, die in beginsel niet is toegestaan onder de Dienstenrichtlijn en de Nederlandse Dienstenwet, maar onder voorwaarden wel mogelijk is. De dwingende reden van algemeen belang om het aantal vergunningen te beperken is de handhaving van de openbare orde en in het bijzonder het voorkomen van strafbare feiten ten aanzien van sekswerkers (zoals mensenhandel, gedwongen sekswerk en de bescherming van minderjarige). Daarnaast is het waarborgen van het woon- en leefklimaat in de stad van belang.

Het maximum van zes vergunningen is op dit moment realistisch, gezien de afgelopen jaren slechts vier van de zes vergunningen zijn benut. Het biedt daarmee voldoende ruimte om de door het college gewenste proeftuinen te starten. Er is daarom op dit moment geen aanleiding het aantal vergunningen te heroverwegen. Tweede lid In lijn met het advies dat het college van B&W in september 2022 van de commissie Sorgdrager ontving, zet zij in op kleinschalige verhuur van werkruimten. Bij de verhuur van ruimten zullen naar verwachting meerdere sekswerkers gebruik maken van ruimten dan bij opting-in. Om misstanden tegen te gaan en voldoende zicht te houden op het sekswerk, geldt een maximum van 15 werkruimten wanneer een bedrijf werkruimten verhuurt. Deze kleinschaligheid draagt bij aan een goed woon- en leefklimaat en de veiligheid van sekswerkers. Onder andere omdat sekswerkers elkaar in de gaten kunnen houden. Ook draagt kleinschaligheid bij aan de beheersbaarheid voor toezicht en handhaving en politie. Daarnaast is kleinschaligheid vermoedelijk minder aantrekkelijk voor criminelen. Bovendien is het bij kleinschalige bedrijven eenvoudiger om een vertrouwensrelatie met sekswerkers op te bouwen. We verwachten dat deze kleinschaligheid bij een bedrijf dat maximaal 15 werkruimten verhuurd goed geborgd kan worden.

Sekswerkers kunnen dan goed zicht houden op wie er aan het werk zijn, en ook voor hulp- en dienstverlening, toezicht en handhaving en politie is deze omvang nog relatief overzichtelijk. Het is niet uitgesloten dat een seksbedrijf met een combinatie van opting-in en verhuur van ruimte werkt, zolang het seksbedrijf aan alle verplichtingen in het bedrijfsplan voldoet. Daarbij geldt dat wanneer een bedrijf ruimten verhuurt, de totale omvang niet groter mag zijn dan 15 ruimten. Dit om de kleinschaligheid van een dergelijke locatie te waarborgen. Artikel I, onderdeel J Artikel 3:7 Geldigheidsduur Vergunningen voor seksbedrijven zijn schaars. Dat betekent dat na afloop van de looptijd van de vergunning alle geïnteresseerde partijen de kans moeten krijgen mee te dingen naar deze vergunning. Voor ondernemers is hierbij belangrijk dat de geldigheidsduur lang genoeg is om de investering in een seksbedrijf voldoende lonend te laten zijn. We vroegen onderzoeksbureau SEO onderzoek te doen naar de terugverdientijd van seksbedrijven. SEO maakte hiervoor een schatting van de omzet van een

efficiënte toetreder in Utrecht waarbij zij gebruik maakten van verschillende methoden. Op basis van een conservatief scenario wordt de terugverdientijd van een efficiënte toetreder geschat op ongeveer 5 jaar. Uit de gevoeligheidsanalyse ban SEO blijkt dat veranderingen in marktomvang, operationele marge of investeringsniveau de terugverdientijd met één jaar kunnen verkorten, maar dat ook voor minder gunstige aannames de terugverdientijd gelijk blijft aan vijf jaar. Op basis hiervan kiezen we een vergunningsduur van 5 jaar. De gemeente heeft zich vergewist van het advies van SEO en nemen het advies over. Het advies van SEO is zorgvuldig tot stand gekomen, volledig, inzichtelijk en logisch. De vervalgronden in het tweede lid zijn onder ander van belang voor het up-to-date houden van het vergunningenbestand, hetgeen ook weer van belang is voor het maximumstelsel. Een kortere vervaltermijn maakt het mogelijk om, indien dat goed te onderbouwen valt, een kortere vergunningstermijn te hanteren. Voor de huidige exploitanten geldt een overgangstermijn van 5 jaar. Door deze termijn te stellen, hebben ze de ruimte te anticiperen op de nieuwe werkwijze. Deze overgangstermijn geldt voor vergunninghouders die voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit Hoofdstuk 3 Seksbedrijven e.d. 2024 een geldige vergunning hebben.

Artikel I, onderdeel K Artikel 3:8 Beheerders In het verleden is duidelijk geworden dat het niet invullen van deze norm in de praktijk onduidelijkheid geeft over welke taken nu door wie mogen worden uitgevoerd en welke personen als gevolg van het beheerder zijn dan ook gescreend worden op levensgedrag. In het verleden was het mogelijk om de beheerder eenvoudig te wijzigen, tegen een aangepast legestarief. Toch werden op dat moment alle personen op de vergunning opnieuw gescreend omdat alle beheerders onderdeel uitmaakten van het aanhangsel bij de vergunning waarop de beheerders staan vermeld. Continuïteit in de bedrijfsvoering van een seksbedrijf of escortbedrijf is zeer wenselijk. Door snelle wisseling van personeelsleden komt die continuïteit in gevaar. Een vast bestand van personeelsleden zorgt voor een bepaalde cultuur in het bedrijf. Het is aan de exploitant om ervoor te zorgen dat deze cultuur een goede is. Het wijzigen dan wel toevoegen van een beheerder vindt plaats door dit te melden bij de gemeente Utrecht. De vergunninghouder meldt een nieuwe beheerder bij de burgemeester. Hiervoor dient hij een aanvraag in om een persoon als beheerder bij te laten schrijven op het aanhangsel bij de vergunning. De vergunninghouder vraagt deze wijziging van het aanhangsel aan met een digitaal aanvraagformulier. De burgemeester bevestigt direct de ontvangst van de aanvraag.

De burgemeester weigert de bijschrijving op het aanhangsel als de beheerder niet voldoet aan de eisen uit artikel 3:5 APV. De burgemeester verwijdert een beheerder van het aanhangsel als de vergunninghouder of een leidinggevende daarom vraagt. De vergunninghouder ontvangt een wijziging van het aanhangsel bij de vergunning, omdat altijd een actuele vergunning in het seksbedrijf aanwezig moet zijn. Artikel I, onderdeel L Artikel 3:10 Weigeringsgronden Algemeen In het eerste lid van deze bepaling zijn de imperatieve weigeringsgronden opgenomen. Indien een van de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoet, is het bevoegd bestuursorgaan gehouden de vergunning te weigeren en kan geen verdere belangenafweging plaatsvinden. Dit is

anders bij de facultatieve weigeringsgronden als bedoeld in het overige leden. In dat geval kan en moet het bevoegde orgaan een afweging maken of de vergunning al dan niet wordt verleend. Eerste lid, onder a. Zie de toelichting bij artikel 3:5. Eerste lid, onder b. De vestiging van een escortbedrijf of een seksbedrijf kan op grond van het geldende omgevingsplan, niet zijn toegestaan. Om te voorkomen dat er wel een vergunning moet worden verleend, indien aan alle vereisten is voldaan, maar hiervan geen gebruik kan worden gemaakt op grond van het omgevingsplan is deze bepaling opgenomen. Bij wijze van coördinatie is dergelijke strijdigheid daarom als weigeringsgrond opgenomen. Dit is aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Het kan zo zijn dat de burgemeester hiermee in de beoordeling van bijvoorbeeld een geldend omgevingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende omgevingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Omgevingswet is geen sprake. Eerste lid, onder c. Deze weigeringsgrond spreekt voor zich. Zie ook de toelichting bij artikel 3:6 APV. Eerste lid, onder d. De weigeringsgrond onder d. maakt dat het bevoegd bestuursorgaan alleen escortbedrijven vanuit een vergund seksbedrijf kan toestaan en niet vanuit een ander voor het publiek toegankelijk gebouw.

Het is ongewenst dat escortactiviteiten plaatsvinden vanuit bijvoorbeeld een horecabedrijf of een winkel. Vermenging van de sekswerkbranche met andere branches zoals de horeca dient te worden vermeden. Eerste lid, onder e. De weigeringsgrond onder e. heeft te maken met de constatering dat de exploitant de bijzondere verantwoordelijkheid die van hem wordt verwacht niet kan dragen. Als een seksbedrijf en een escortbedrijf worden geëxploiteerd vanuit één gebouw dan dienen misstanden bij de exploitatie van de ene bedrijvigheid ook gevolgen te hebben voor de exploitatie van de andere bedrijvigheid. Dat geldt ook indien er sprake is van twee verschillende exploitanten. Eerste lid, onder g. Het moge duidelijk zijn dat in verband met de eis ten aanzien van levensgedrag en de aard van de werkzaamheden, het niet zo kan zijn dat een beheerder feitelijk in of voor een seksbedrijf of escortbedrijf werkzaam is, terwijl hij nog niet is gescreend. Als uit de aanvraag blijkt dat of er zijn te veel onduidelijkheden over welke personen nu welke werkzaamheden in het bedrijf gaat uitvoeren dan wordt de vergunning om deze reden geweigerd. Eerste lid, onder h.

Logischerwijs is het gevolg van het moeten indienen van een bedrijfsplan bij de aanvraag dat wanneer een exploitant niet langer voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld of bijvoorbeeld in strijd handelt met zijn eigen bedrijfsplan de vergunning kan worden ingetrokken. Eerste lid, onder i. Het moge duidelijk zijn dat de misstanden waarnaar wordt verwezen onder sub 1 t/m 4 niet getolereerd kunnen worden. Indien er aanwijzingen zijn dat dergelijke misstanden zich voordoen is vergunningverlening uitgesloten. De misstanden die zijn genoemd onder 1 (mensenhandel/geen werkvergunning) en 3 (geen of onvoldoende toezicht) worden door ons per definitie beschouwd als een aantasting van de openbare orde. Het aantasten van de openbare orde levert tevens een aparte grond tot weigeren op (zie artikel 1:8). In de handhavingsstrategie is opgenomen op welke wijze wij optreden tegen de overtredingen zoals die zijn genoemd onder 2 en 4. Hierbij moet worden opgemerkt dat dergelijke overtredingen op zichzelf signalen van mensenhandel kunnen zijn. In dat kader is de minimumleeftijd van sekswerkers verhoogd naar 21 jaar, dit is wenselijk gelet op de zwaarte van het beroep en de verhoogde kwetsbaarheid van de groep 18- tot 21-jarigen. Met 21 jaar zijn personen geestelijk meer volwassen en daardoor:  weerbaarder; en  meer in staat tot het nemen van een weloverwogen beslissing.

Hiermee wordt beoogd de bescherming van de sekswerkers zelf en in het verlengde daarvan het terugdringen van mensenhandel praktijken, maar tevens is daarbij van belang het openbare ordeaspect, met name wat betreft de gezondheidsrisico’s en de hygiëne. Eerste lid, onder j. Deze weigeringsgrond is gelijkluidend aan de weigeringsgrond voor bijvoorbeeld een Alcoholvergunning. Genoemde bepaling wordt in de praktijk onder meer gebruikt bij gevallen waarin in de aanvraag een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven, waarbij aannemelijk is dat deze zal afwijken van de feitelijke situatie. Tweede lid Voor de toelichting op de weigeringsgronden onder a verwijzen wij naar de toelichting onder artikel 1:8. Hierbij moet opgemerkt worden dat zowel ieder onderdeel van artikel 1:8 als de onderdelen genoemd onder a afzonderlijk een weigeringsgrond kunnen vormen. Zo kan bij de verwijzing naar artikel 1:8 onder andere gedacht worden aan onveiligheid die ontstaat door raamsekswerk, waarbij niet wordt voldaan aan de voorwaarden in het Besluit bouwwerken leefomgeving of de Brandbeveiligingsverordening (artikel 1:8 onder d) of aan beleid gericht op het voorkomen en tegengaan van verspreiding van seksueel overdraagbare aandoeningen waaronder aids (artikel 1:8 onder e).

Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voorlichting over besmettingsrisico's en seksueel veilig gedrag aan sekswerkers en exploitanten en het creëren van zo laagdrempelige mogelijke faciliteiten voor (medische) hulpverlening, hetgeen kan bijdragen aan een verbetering van de gezondheidsomstandigheden in de sekswerkbranche. Het tweede lid, onder b maakt mogelijk dat de vestiging van seksbedrijven kan worden tegengegaan op plaatsen waar daardoor op ontoelaatbare wijze de woon- of leefomgeving nadelig zou worden beïnvloed. Denkbaar is dat dit belang in het bijzonder speelt in woonbuurten, en voor gebouwen met in dit opzicht gevoelig gebruik, zoals scholen, kerkgebouwen en dergelijke.

Bij het tweede lid, onder c is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing in die gevallen waarin sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van de wet. Hiervoor moet een gezagsrelatie bestaan tussen werkgever en werknemers. Derde lid, onder a. Indien, al dan niet na het inwinnen van een advies van het Landelijk Bureau Bibob, blijkt dat een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het benutten van onrechtmatig verkregen voordeel en/of voor het plegen van strafbare feiten kan de vergunning op grond van deze bepaling worden geweigerd. In geval een mindere mate van gevaar wordt vastgesteld kunnen aan de vergunningvoorschriften worden verbonden op basis van artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob. Derde lid, onder b. Niet zonder reden zijn in artikelen 3:11 en 3:11a van deze verordening verschillende verplichtingen opgelegd aan de exploitant voor het exploiteren van een seksbedrijf of een escortbedrijf. Als uit het bedrijfsplan, of uit andere omstandigheden, blijkt dat de exploitant geenszins aannemelijk maakt dat exploitant de gestelde verplichtingen zal naleven, kan de vergunning om die reden geweigerd worden.

Vierde lid Op basis van dit lid is het bevoegd bestuursorgaan bevoegd om een vergunning te weigeren als de exploitatie van het seksbedrijf of escortbedrijf op ontoelaatbare wijze de woon- en leefomgeving nadelig zou beïnvloeden, of de openbare orde en veiligheid in gevaar zou brengen. Het onder a. tot en met c. bepaalde geeft richting aan het invullen van die beoordelingsruimte.

Artikel I, onderdeel M Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen seksbedrijven Eerste lid Uitgangspunt is dat voldoende toezicht alleen mogelijk is als de exploitant of de beheerder(s) feitelijk aanwezig zijn in het seksbedrijf. Tweede lid Dit lid is van betekenis voor (mogelijke) klanten van een seksbedrijf: zij kunnen eenvoudig vaststellen of het om een vergund bedrijf gaat. Derde lid De exploitant en/of de beheerder is verplicht erop toe te zien dat in het bedrijf: - geen onvrijwillige sekswerk plaatsvindt; - geen drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten e.d. plaatsvindt; - geen sekswerk plaatsvindt door illegalen;

- geen minderjarigen in het bedrijf aanwezig zijn; en - geen sekswerkers werken die de leeftijd van 21 nog niet hebben bereikt. Dit toezicht moet voortdurend worden gehouden. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat indien een exploitant misstanden waarneemt, de exploitant zich niet kan verschuilen achter het feit dat diens seksbedrijf op dat moment gesloten was en dat de exploitant dus geen toezicht hoefde te houden. Aan het nemen van maatregelen vanwege niet-naleving van deze verplichting hoeft geen strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling te zijn voorafgegaan, daarvoor moet slechts aannemelijk zijn dat genoemd toezicht niet of onvoldoende is uitgeoefend. Vierde lid De exploitant (en zijn beheerder(s)) moeten er onder meer voor zorgen dat er geen sekswerkers werkzaam zijn die slachtoffer zijn van mensenhandel. Welke maatregelen de exploitant neemt om dit te bewerkstelligen, moet blijken uit het bedrijfsplan (zie (de toelichting op) artikel 3:4a). In ieder geval geldt voor de exploitant de verplichting om met elke sekswerker zowel voordat als tijdens de periode dat de sekswerker in het seksbedrijf een persoonlijk gesprek te voeren. Het gesprek heeft als doel om vast te stellen dat er ten aanzien van de betreffende sekswerker geen sprake is van dwang of uitbuiting. De exploitant moet zich er daarnaast van vergewissen dat de sekswerker voldoende zelfredzaam is.

De zelfredzaamheid van de sekswerker houdt primair verband met het goed en veilig kunnen uitoefenen van het beroep. Een belangrijk onderdeel van die zelfredzaamheid vormt het vermogen om op een aanvaardbaar niveau te kunnen communiceren met exploitanten, toezichthouders en klanten. Daarnaast is kennis over de rechten en plichten die sekswerkers in Utrecht en Nederland hebben belangrijk. De exploitant moet waarborgen dat de in zijn bedrijf werkzame sekswerkers aan die zelfredzaamheidseis voldoen. De exploitant heeft een verantwoordelijkheid in het voorkomen en tegengaan van mensenhandel en uitbuiting. De exploitant moet dit aangeven in zijn bedrijfsplan (zie artikel 3:4a). Een verslag van het gesprek moet deel uitmaken van de administratie zodat op eenvoudige wijze gecontroleerd kan worden dat de exploitant zijn verplichtingen op juiste wijze uitvoert. Vijfde lid De verplichting om een werkruimte te voorzien van een deugdelijke alarminstallatie is opgenomen om de veiligheid van de sekswerker te waarborgen. Het moet gaan om een gecertificeerde alarminstallatie (BORG certificering) waarbij het alarm in de werkruimte direct wordt doorgezet naar het kantoor van de aanwezige beheerder(s) en/of beveiligers. De ervaring leert dat deze verplichting weliswaar voor raamsekswerkbedrijven het meest belangrijk is, maar ook zeker waarde heeft bij de overige seksinrichtingen.

Daarom is bereik van deze verplichting uitgebreid. Hetzelfde kan gezegd worden van de verplichting om een deugdelijke administratie te voeren. De verplichting om een deugdelijke administratie te voeren dient om te verzekeren dat de exploitant de verplichtingen die volgen uit de APV naleeft. Dit is van belang voor het toezicht op de naleving van deze verplichting. Zo kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of de aangetroffen sekswerker inderdaad degene is aan wie de werkruimte is verhuurd (zie ook artikel 3:13 APV). Een deugdelijke administratie houdt in dat de gemeentelijke toezichthouders in het systeem in ieder geval een verslag van het intakegesprek kunnen inzien, een kopie van het identiteitsbewijs, een afschrift van de huurovereenkomst en andere ter zake doende opmerkingen.

Zesde lid De APV maakt door de zinsnede "indien bij hen redelijkerwijs een vermoeden is ontstaan" duidelijk dat een exploitant en/of beheerder zich niet kunnen verschuilen achter het feit of de opmerking dat zij geen kennis hadden van de signalen of de signalen niet hebben gezien of herkend. De exploitant is een professional in het herkennen van deze signalen; het herkennen van vermoedens begint bij de exploitant eerder dan wanneer de gemiddelde persoon dit zou signaleren. De vraag wanneer redelijkerwijs een vermoeden dient te ontstaan is niet op voorhand te beantwoorden; de exploitant hoeft signalen niet te toetsen op waarheid. De exploitant en/of beheerder dienen te zorgen voor een veilige werkplek en hierop continu te controleren. De exploitant moet in diens bedrijfsplan de concrete maatregelen ten aanzien van voldoende toezicht uitwerken en motiveren. Hierbij zal ook moeten worden ingaan op signalen van mensenhandel en hoe daar mee om moet worden gegaan. Om de exploitant hierin te ondersteunen wordt er bij vergunningverlening een signalenlijst ter beschikking gesteld.

Om te voorkomen dat een exploitant of beheerder vermoedens niet meldt of bij de verkeerde medewerker of instantie meldt in de gedachte dat bepaalde gegevens 'wel zullen worden doorgegeven' wordt expliciet de verplichting opgelegd om vermoedens van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting direct te melden bij de gemeentelijke toezichthouders. Op het moment dat er redelijkerwijs een vermoeden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting zou moeten zijn en de exploitant heeft dit niet gemeld, dan kan hij hierop worden aangesproken, waarbij het duidelijk is dat de exploitant verantwoordelijk is voor het al dan niet handelen van zijn beheerder(s). Het gaat hier ook om vermoedens die al moeten worden gemeld, zodat de gemeente Utrecht al in een vroeg stadium betrokken wordt. Vermoedens kunnen ook 'onderbuikgevoelens' zijn. Nadrukkelijk wordt hierbij opgemerkt dat het melden de vergunninghouder niet ontslaat van zijn verplichting om zelf op te treden tegen signalen van mensenhandel. Bij mensenhandel gaat het om een optelsom van op zichzelf staande signalen die, indien deze apart zouden worden beoordeeld, individueel niets hoeven te zeggen over de conclusie dat sprake is van mensenhandel.

Om te voorkomen dat elke vergunninghouder in dit grijze gebied van signalen een onjuiste beoordeling maakt, verwachten wij dat alle signalen (ook al staan die op zichzelf beoordeeld los van mensenhandel) daadwerkelijk worden gemeld bij de gemeente Utrecht. Zevende lid Om de zelfredzaamheid van de sekswerker te vergroten is als eerste van belang dat de sekswerker op de hoogte is van haar plichten, maar ook van haar rechten. Het is niet meer dan gebruikelijk dat een huurster een afschrift heeft van de huurovereenkomst. Daarnaast vereenvoudigt dit de toezichtstaak nu de sekswerker ter plekke kan aantonen dat zij de rechtmatige huurster is van de werkruimte. Uit dit artikel volgt ook dat het opzeggen van de huurovereenkomst schriftelijk dient te gebeuren. Hiermee wordt de rechtspositie van de sekswerker beschermd en ondersteund. De opzegging, en dus de redenen van opzegging, moet voor de duur van minimaal een jaar onderdeel uitmaken van de bedrijfsadministratie. Achtste lid Om een algehele hygiëne te bevorderen wordt verwezen naar de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden. In principe kan de exploitant aansluiten bij de Hygiënerichtlijn voor seksbedrijven van

het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid. Deze richtlijn is in ieder geval het minimum waaraan zal moeten worden voldaan en waarop gecontroleerd zal worden. Omdat het hier om een richtlijn gaat die vanuit de private sector is opgesteld kan in de regel zelf hiernaar niet verwezen worden. Er mag door de exploitant ook van een vergelijkbare regeling/standaard worden uitgegaan, mits aantoonbaar is dat aan het gestelde minimum wordt voldaan. Dit minimum is van belang omdat dit zorgt voor een goede en gezonde werkomgeving van de sekswerker en een gezonde en nette omgeving voor de klant. Artikel I, onderdeel N Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte Eerste en tweede lid We weten dat sekswerkers op verschillende tijdstippen gedurende de dag klanten ontvangen. De APV-bepaling geeft ruimte aan sekswerkers om op verschillende momenten te werken zonder gebonden te zijn aan verplichte aanwezigheid en aaneengesloten te werken. Een sekswerker kan een ruimte per dagdeel huren; een dagdeel is minimaal 4 uur. Een sekswerker kan een ruimte meerdere dagdelen huren, zolang de sekswerker conform de Arbeidstijdwet niet langer dan maximaal 12 uur per 24 uur werkt. We beseffen ons dat bij een minimale verhuurperiode van 4 uur de wisseling van sekswerkers groter kan zijn dan bij een minimale periode van bijvoorbeeld 3 maanden.

Om goed zicht te houden op het sekswerk, moet de exploitant/beheerder(s) onder andere elke nieuwe sekswerker een intake houden en in diens administratie bijhouden wie wanneer en in welke ruimte werkt. Hiermee wordt voorkomen dat sekswerkers kunnen worden gedwongen onacceptabel lange dagen te maken. De exploitant is verantwoordelijk voor de naleving van dit voorschrift. Gezien de verantwoordelijkheden van de exploitant ten aanzien van het toezicht op de gezondheid en zelfredzaam van sekswerkers, verwachten we dat het aantal unieke sekswerkers dat in een bepaalde periode slechts éénmalig een ruimte huurt beperkt zal zijn. De werkruimte kan aan één sekswerker worden verhuurd. Meerdere sekswerkers kunnen wel gelijktijdig gebruik maken van dezelfde werkruimte. Onderverhuur door de sekswerker aan een andere sekswerker is niet toegestaan, ook niet behoudens bijzondere omstandigheden. Ervaring heeft geleerd dat onderverhuur ertoe bijdraagt dat het overzicht over wie nu welke ruimte huurt wordt bemoeilijkt. Het toezien op onderverhuur door sekswerkers onderling valt onder de toezichtstaken van de exploitant. De exploitant dient in de administratie op te nemen welke sekswerker de werkruimte huurt en welke sekswerker in de ruimte slechts aanwezig is. Hiermee wordt aantoonbaar dat de ruimte, in het geval dat meerdere sekswerkers aanwezig zijn, niet wordt onderverhuurd.

Derde lid Voor alle seksbedrijven geldt dat de werkruimte niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Met “andere doeleinden” wordt bijvoorbeeld bedoeld het gebruik van de werkruimte als nachtverblijf. Hieronder wordt verstaan het slapen in de werkruimte. Afhankelijk van de werktijden van de sekswerker zou dat overdag ook kunnen plaatsvinden. Als gevolg van deze bepaling is dat dus op geen enkel moment toegestaan. Artikel I, onderdeel O Artikel 3:14 Sluitings(tijden) Het is verboden om een seksbedrijf voor publiek geopend te hebben van 1.00 tot 6.00 uur. Afhankelijk van de locatie kunnen andere sluitingstijden worden bepaald in de vergunning. De sluitingstijden worden onder andere bepaald door de bereikbaarheid zoals met het openbaar vervoer en de sociale veiligheid van de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=721a57f4-237b-411e-9a03-ff9cb12c012b