Ter informatie - Masterplan Leidsche Rijn (1995).pdf
Tekst van het document
Wanneer de aanwezige kwel en het van de stroom¬ rug afstromende water niet toereikend zijn om verdroging van de veengebieden tegen te gaan kan het in droge periodes noodzakelijk zijn water uit het Amsterdam-Rijnka¬ naal in te laten. Delen met een afwijkende waterhuishouding Voor delen in het plangebied waar de bebouwing gehandhaafd blijft of waarvan de bodem archeologische waarde heeft is de handhaving van een vast peil noodzakelijk. Dit kan geschieden door water uit het Amsterdam-Rijnkanaal in te laten. Speciale aandacht verdient ook het centrale park. In deze zone zal slechts beperkt
infiltratie mogelijk zijn en zullen de oorspronkelijke hydrologische kenmerken gro¬ tendeels blijven bestaan. Aanvoer van voedingswater voor de beregening en afvoer van overtollig water uit drainagesystemen zullen via de Leidsche Rijn kunnen worden bewerkstelligd. Er zijn zekere risico's verbonden aan het hemelwaterafvoersysteem zoals hier voor¬ gesteld. Zo kunnen tengevolge van de infiltratie van afstromend hemelwater veront¬ reinigde stoffen in het grondwater terecht komen. Ook kunnen wateroverlastproblemen ontstaan bij perioden van hevige regenval en bij langdurige perioden van vorst en opdooi. Detailonderzoek zal hiervoor aanvaardbare oplossingen moeten aandra¬ gen. Voor voorzieningen voor het hemelwaterafvoersysteem is in het plangebied een oppervlak van 175 ha gereserveerd. De meestal droogliggende wadi's nemen daarvan 13 ha voor hun rekening. Door het hemelwater in de bodem te bergen wordt nog slechts in beperkte mate op de riolering geloosd. Een van de knelpunten bij de afvoer van hemelwater is de nood¬ zakelijke piekcapaciteit bij hevige regenval waardoor relatief grote leidingdiameters noodzakelijk zijn. Om dit enigszins te beperken wordt bij zware regenval het water overgestort op het oppervlaktewater met alle gevolgen van dien. Daarnaast dient ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie op de piekverbruiken afgestemd te worden.
Door het hemelwater in de bodem te bergen kan het hemelwaterafvoersysteem uitgevoerd worden met kleinere leidingdiameters en ook gedeeltelijk achterwege blijven. Ook wordt de toepassing van bufferbassins hierbij overbodig. Kruipruimteloos bouwen om de waterberging mogelijk te maken leidt eveneens niet tot meerkosten. De besparingen wegen naar verwachting voldoende op tegen de extra kosten die noodzakelijk zijn ten behoeve van de aanleg van de infiltratievoorzieningen in de vorm van o.a. wadi's, greppels en dergelijke. Bovendien maakt infiltratie het treffen van maatregelen ter voorkoming van verdroging overbodig - waarmee additionele kosten uitgespaard worden. De duurzaamheid van het systeem zal naar verwachting een gunstige invloed heb¬ ben op de beheerskosten. De lager gelegen delen van het plangebied zullen ten behoeve van de berging van water doorsneden worden door een groot aantal watergangen. Deze zullen gekruist moeten worden door het verkeer, waarvoor kunstwerken nodig zijn. Door de 'routing' van wegen en paden en de ligging van de watergangen op elkaar af te stemmen kan het aantal kunstwerken beperkt blijven. Hoewel de toepassing van duikers in plaats van kunstwerken uit financieel oogpunt aantrekkelijk is, moet deze oplossing uit eco¬ logisch oogpunt worden ontraden. Duikers verhinderen namelijk de zo noodzakelij¬ ke doorstroming van het water.
Bovendien vormen zij barrières voor migratie, waar¬ door ecologische verbindingen niet tot stand komen.
Het bouwrijp-maken van Leidsche Rijn en de aanleg van de verkeersinfrastructuur en elementen van het waterhuishoudingssysteem vergen grondverplaatsingen. Daar¬ bij is enerzijds grond nodig en komt anderzijds grond vrij. Om het milieu zo min mogelijk te belasten wordt bij de grondverplaatsingen gestreefd naar een gesloten grondbalans. Dit betekent dat er zo min mogelijk grond van buitenaf zal worden aangevoerd en eveneens zo min mogelijk grond zal worden afgevoerd. Een goede bouwfasering is hiervoor een absolute voorwaarde. Bovendien zal het aantal ontgrondingen tot een minimum worden beperkt en zal er bij de ver¬ plaatsing van grond rekening worden gehouden met vervoer en energiegebruik. Grond is vooral nodig om delen van het plangebied op te hogen - ten behoeve van de bouw van woningen en voorzieningen en ten behoeve van de aanleg van wegen. Een belangrijke randvoorwaarde voor het ophogen is het waterhuishoudingssys¬ teem. In het stroomruggebied zijn om het infiltreren van hemelwater en het afstro¬ men ervan over de oppervlakte te bevorderen, lichte gradiënten in het terrein nood¬ zakelijk. Dit kan worden bereikt door partieel op te hogen. De bouwkavels en tracés voor wegen worden daarbij met behulp van de cunettenmethode verhoogd aangelegd, terwijl de naastgelegen stroken op het bestaande niveau worden gehandhaafd.
Overi¬ gens kan bij een minimale drooglegging de stabiliteit van wegconstructies in gevaar komen, terwijl bij graafwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen vorstschade kan ont¬ staan. Daarom zijn aanvullende maatregelen in de vorm van drainage nodig. Bij het ophogen in de lagere delen van het plangebied - de komgronden - moet er rekening mee worden gehouden dat de veenlagen problemen kunnen opleveren in de zin van zetting en het optreden van spanningswater. Uitgegaan wordt van een gemiddelde maaiveldophoging van 0,5 meter. Het voor de ophoging benodigde zand zal in principe worden gewonnen uit de recreatiepias, die tevens deel uitmaakt van het waterhuishoudingssysteem. Bij de zandwinning mogen de dieper gelegen waterafsluitende lagen niet worden doorbroken omdat dit op lan¬ gere termijn doordringende vervuiling en opkomende verzilting tot gevolg kan heb¬ ben. Voor de ophoging van wegennetten zal ook gebruik gemaakt worden van vrijko¬ mend puin.
Behalve om op te hogen ten behoeve van bouwrijp maken zijn er nog andere moge¬ lijkheden om vrijkomende grond te benutten. Bij het gebruik van de cunettenmethode wordt de bovenste laag verwijderd. In het stroomruggebied komt hierbij kleigrond vrij. Een deel hiervan zal gebruikt kunnen worden om taluds af te werken. Vrijkomende grond zal ook worden gebruikt om de bodem van de recreatiepias te bekleden, zodat na de zandwinning geen onaanvaard¬ bare diepten overblijven. In de lagere delen komt veengrond vrij. Een deel hiervan zal als afdeklaag worden aangebracht op plekken die als natuurontwikkelingsgebied zijn aangewezen. Door rij¬ kere lagen af te dekken met het armere veen wordt - na opzetten van het grondwa¬ terpeil - een prima uitgangssituatie geschapen voor de ontwikkeling van laagveenmoeras. Naar alle waarschijnlijkheid zal er een overschot aan veengrond zijn. Veen¬ grond, mits goed gescheiden ontgraven, heeft enige marktwaarde, zodat er voor deze grond buiten het plangebied een bestemming gevonden kan worden - en de afvoer ervan kostenneutraal kan geschieden. Een eventueel overschot aan rijke bovengrond kan benut worden om armere lagen in toekomstige groengebieden afte dekken - bijvoorbeeld langs het huidige tracé van de A2. Hierdoor wordt het mogelijk om het bodemleven en de zaadbank van die grond te behouden.
Nader bepaald moet worden op welke wijze licht verontreinigde grond opnieuw inzetbaar is. Een zo groot mogelijke hoeveelheid hiervan zal gebruikt worden voor de aanleg van geluidwallen en het talud van de geïntegreerde A2. Bovendien zal een gronddepot worden opgezet om op regionale schaal vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Materialen die vrijkomen bij de sloop van bestaande opstallen en wegen in het plan¬ gebied zullen zoveel mogelijk opnieuw worden gebruikt. Zo zal wat afval is weer gaan fungeren als grondstof. Hierdoor blijven primaire grondstoffen gespaard en wordt het gebruik van milieubelastende materialen als bijvoorbeeld tropisch hardhout en beton overbodig ofverminderd. Puin kan behalve voor het ophogen van wegennetten in de vorm van 'schanskorven' gebruikt worden als grondstof voor civiele werken zoals landhoofden van bruggen, oevers en geluidschermen. Ook is een toepassing als grondstof voor de fundering en de verharding van wegen mogelijk. Het ligt in de bedoeling om voor het overige sloopmateriaal een convenant te slui¬ ten met firma's die naar vastgelegde kwaliteitseisen dit omzetten tot opnieuw te gebruiken bouwstoffen, zodat de milieukwaliteit goed kan worden gecontroleerd. Bij het verleggen van de A2 zal het bestaande tracé of een gedeelte ervan worden gebruikt als weg voor regionaal of lokaal verkeer.
Zo wordt voorkomen dat er sloop¬ afval ontstaat en worden nieuwe grondstoffen uitgespaard.
Ten aanzien van het gebruik van energie in woningen en kantoren wordt de lande¬ lijke doelstelling aangehouden die neerkomt op een vermindering ten opzichte van het niveau van 1990 met 25%. Om deze vermindering te realiseren wordt in Leidsche Rijn vooral ingezet op ener¬ giezuinige vormen van warmtevoorziening - zonodig gecombineerd met maatregelen op het gebied van isolatie. Een mogelijkheid is het gebruik van afvalwarmte van een elektriciteitscentrale (stadsverwarming). In dit verband is het van belang dat zich in de nabijheid van het plangebied de elektriciteitscentrale Lage Weide bevindt, die vol¬ doende afvalwarmte produceert om in de behoefte van grote delen van het plangebied te voorzien. Een alternatief voor het gebruik van afvalwarmte is de toepassing van decentrale warmtekrachtkoppelingseenheden (wkk). Door schaalvoordelen zijn er in Leidsche Rijn in principe meer mogelijkheden dan elders voor experimenten op het gebied van energiezuinige bouw en alternatieve energiebronnen - met name op de wat langere termijn. Om hierop flexibel te kunnen inspelen wordt vooralsnog de keuze voor het systeem van warmtevoorzieningen alleen vastgelegd voor die gebieden die op korte termijn worden ontwikkeld. Dit bete¬ kent dat de fasering een belangrijke rol speelt bij het streven naar een zo groot moge¬ lijke besparing op het energiegebruik.
In het geval van een centrale warmtevoorziening is de realisering van een gasnet niet rendabel. Dit betekent dat in de woningen elektrisch gekookt zal worden. Ten aanzien van de kosten van de warmtevoorziening wordt uitgegaan van het prin¬ cipe 'niet meer dan anders'. Hogere investeringskosten - en extra kosten als gevolg van ruimtegebruik - moeten opwegen tegen besparingen die kunnen worden gerealiseerd door een langere afschrijvingstermijn van de installaties. Het gangbare tarief voor stadsverwarming geldt als een absoluut maximum. De warmtevoorziening in het plangebied zal gedifferentieerd worden naar plaats en tijd. Daarbij spelen een rol: - de afstand tot de elektriciteitscentrale Lage Weide; - de dichtheid; - het tijdstip van realisering. Voor de warmtevoorziening van de meeste woonwijken in het Utrechtse plandeel is het streven gericht op het gebruik van afvalwarmte van de bestaande elektriciteits¬ centrale. Indien echter door technische problemen - bijvoorbeeld als gevolg van de
verlegging en de integratie van de az - de aanleg van warmteleidingen op korte ter¬ mijn niet mogelijk is, dan kan de inzet van WKK-installaties een tijdelijke oplossing zijn. Ook de kantoorlocaties in het Utrechtse plandeel zullen in principe op het warmwatemet vanafde bestaande elektriciteitscentrale worden aangesloten, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de koeling van de gebouwen door middel van zogeheten absorptiekoelmachines plaatsvindt met warmte als energiedrager. De toekomstige woonwijken in het Vleutense plandeel liggen vrij ver van de bestaande elektriciteitscentrale en hebben een relatief lage woningdichtheid. Boven¬ dien worden zij doorsneden door watergangen. Om deze redenen zal de warmtevoor¬ ziening van de woonwijken ten noorden van de kern Vleuten en ten westen van de kern De Meem geschieden door middel van individuele cv-ketels. Op woningniveau zullen extra energiebesparende maatregelen worden genomen. Voor enkele woonwijken - gelegen respectievelijk in het Utrechtse plandeel, ten noorden van de spoorweg, en in het hart van het Vleutense plandeel - wordt nog geen keuze gemaakt, omdat hier op korte termijn nog niet gestart gaat worden met de bouw. In een later stadium kunnen de ervaringen die elders opgedaan zijn, en even¬ tuele technische en maatschappelijke ontwikkelingen bij de keuze van het type warm¬ tevoorziening meegewogen worden.
Geluidhinder Grenswaarden voor geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder. Er worden verschillende grenswaarden gehanteerd voor bedrijven (industrie), spoorwegen, auto¬ snelwegen (rijkswegen) en interne wegen. In het algemeen geldt dat de voorkeurs¬ grenswaarde niet mag worden overschreden. In bijzondere gevallen is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen. Bij de beoordeling van een ontheffing wordt gekeken naar de inspanning die is verricht om maatregelen te treffen en de mate waarin voor de betrokken locatie verschillende (andere) milieu-aspecten een rol spelen. Wettelijk is vastgelegd dat veranderingen in het geluidsniveau in bestaande gebieden moeten worden onderzocht wanneer deze een gevolg zijn van de voorgenomen ingreep. - industrie. De voorkeursgrenswaarde voor industriële bedrijven is 50 dB(A) en de maximale ontheffingswaarde is 55 dB(A). - spoorwegen. De voorkeursgrenswaarde voor spoorwegen bedraagt 57 dB(A) en de maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw 70 dB(A). De provincie Utrecht heeft de wet aangescherpt met eigen bepahngen, die inhouden dat in bepaalde gevallen ontheffing tot maximaal 65 dB(A) mogelijk is. - rijkswegen. De voorkeursgrenswaarde voor rijkswegen bedraagt 50 dB(A) en de maximale ontheffingswaarde 55 dB(A). - interne wegen.
Voor zover het om nieuw aangelegde wegen gaat bedraagt de voor¬ keursgrenswaarde voor interne wegen 50 dB(A) en de maximale ontheffingswaarde 60 dB(A). Luchtverontreiniging Ter bestrijding van luchtverontreiniging worden richt- en grenswaarden gehan¬ teerd voor de verschillende componenten die de verontreiniging veroorzaken: - stikstofdioxyde (N02). Hiervoor geldt een richtwaarde van 80 ug/m3 (98-percentiel uurwaarden) en een grenswaarde van 135 ug/m3 (98-percentiel uurwaarden). - benzeen. Hiervoor geldt een richtwaarde van 5 ug/m3 (jaargemiddelde). - koolntonoxyde (co). De grenswaarde voor co bedraagt 6.000 ug/m3 (98-percentiel 8uurs-waarde). - zwarte rook (roet). Hiervoor geldt een grenswaarde van 150 ug/m3 (daggemiddelde). De waarden hebben betrekking op lokale luchtverontreiniging. Voor de bestrijding van luchtverontreiniging die bovenlokaal is, zoals de bijdrage aan het broeikaseffect, gaat het erom afwegingen te maken met betrekking tot de totale mobiliteit. Geurhinder Bij de bestrijding van geurhinder wordt gebruik gemaakt van voorkeursnormen. Bij woningbouw in de nabijheid van bestaande bedrijven wordt als voorkeursnorm 1 geureenheid (g.e.) per m3 (98 percentiel) gehanteerd. Indien in de vergunning van een bedrijf een geurcontour is opgenomen, is binnen deze geurcontour geen woning¬ bouw toegestaan.
Voor objecten anders dan reguliere woningen, zoals woningen op industrieterreinen, verspreide woningen in agrarisch gebied en kantoorgebouwen gelden andere voorkeursnormen. Voor bijvoorbeeld kantoren geldt een voorkeurs¬ norm van 1 g.e./m3 (95 percentiel). Onlangs is besloten om niet meer uit te gaan van een absolute normstelling voor alle geursoorten, maar om een relatie te leggen met geurhinderbeleving. Woningbouw binnen de zone van de oorspronkelijke absolute normstelling van 10 g.e./m3 (99,99 percentiel) is hierdoor mogelijk geworden en kan juridisch gezien niet worden tegen¬ gehouden.
Huishoudelijk afval zal in diverse fracties aan de bron worden gescheiden en gescheiden worden afgevoerd. Voor het gescheiden inzamelen van afvalstoffen zoals papier, glas, textiel en metaal zullen voorzieningen getroffen worden. Voor afvalparken en kringloopstations ten behoeve van de afvalverwerking zal ruimte worden gere¬ serveerd. Bestaande activiteiten die hergebruik van materialen en goederen bevorde¬ ren, zullen worden ingepast. Nader bekeken zal worden in hoeverre huishoudelijk restafval in het plangebied is te gebruiken als grondstof.
Bij de inrichting van het plangebied moet rekening gehouden worden met het bestrijden c.q. het voorkomen van geluidhinder, luchtverontreiniging en geurhinder. Ook moet de zogeheten externe veiligheid gewaarborgd zijn. Hierbij wordt uitgegaan van (wettelijke) normen en grenswaarden. Bronnen van hinder en onveiUgheid zijn bestaande en ontworpen - bedrijven en bedrijfsterreinen en verkeerswegen. Toepas¬ sing van de normen en grenswaarden hierop resulteert in het vastleggen van contou¬ ren waarbinnen zones gelegen zijn die - voor bepaalde doeleinden - niet gebruikt mogen worden. Deze zones worden veelal hinderzones genoemd. Wat de bestrijding van bodemverontreiniging betreft - hierbij ligt de nadruk op het 'wegnemen' van de bron, wat in de praktijk neerkomt op sanering. Indien niet anders vermeld gelden de normen en grenswaarden voor woningen. Wat betreft de normen voor externe veiligheid worden bedrijven en kantoren waarbij meer dan 25 personen werken, gelijk gesteld aan woningen.
Externe veiligheid Voor externe veiligheid zijn twee begrippen van belang: het individueel risico en het groepsrisico. Voor spoorwegen, rijkswegen en het Amsterdam-Rijnkanaal geldt een individueel risico van 10-6 als grenswaarde. Binnenkort zal de ontwerp regel/wetgeving voor exter¬ ne veiligheid wat betreft individueel risico van kracht zijn. Het groepsrisico is afhankelijk van de programmatische invulling. Aan de hand van functies en dichtheden van deelgebieden zal bepaald kunnen worden wat het groeps¬ risico is. Bedrijfslocaties en individuele bedrijven die van invloed zijn op het plangebied (met name in relatie tot wonen) zijn: - Lage Weide; - de Douwe Egberts-vestiging; - Hooggelegen; - Oudenrijn; - kleinere locaties/individuele bedrijven (in/aan rand van plangebied). Bij een eventuele verplaatsing van een bedrijf zal de mogehjkheid voor een alterna¬ tieve locatie een belangrijke rol spelen. Lage Weide - geluidhinder. Aan de zuidzijde van het industrieterrein Lage Weide ligt de 50 dB(A)contour ruim over de spoorlijn. Dit is met name het gebied waar ook woningbouw is gepland. De geluidzonering is gebaseerd op gegevens van een aantal jaren geleden en geeft daarmee niet de huidige situatie weer.
Uit actueel onderzoek naar de geluidcontou¬ ren van individuele bedrijven (met actuele gegevens) blijkt industrielawaai van Lage Weide aan de zuidzijde van de spoorlijn geen belemmering meer voor woningbouw.
Daarnaast is inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn die ervoor kunnen zorgen dat de geluidcontour nog verder wordt teruggebracht. - geurhinder. Twee veevoederbedrijven zorgen nog voor een geurcontour in het plan¬ gebied. De geplande woonfunctie in Leidsche Rijn ligt buiten de geurcontour. - externe veiligheid. Er bevindt zich een tankstation met lpg. Het vulpunt ligt nabij het tankstation. Rond het vulpunt moet een cirkel van 80 meter vrij blijven van (woon)bebouwing. Voor het industrieterrein Lage Weide wordt momenteel voorgesteld om zonebeheer toe te passen. Daarmee kan greep worden gehouden op ontwikkelingen die de zonering beïnvloeden. De Douwe Egberts-vestiging - geurhinder. De bestaande geurhindercontouren (uit 1989) blijken inmiddels verou¬ derd te zijn. Uit recent onderzoek kan de conclusie getrokken worden dat bij de maximale produktiecapaciteit de emissiecontour van 10 g.e./m3 (99,99 percentiel) vanaf de rand van het Amsterdam-Rijnkanaal ca. 500 meter het plangebied in ligt. Naar verwachting zal in Leidsche Rijn woningbouw mogelijk zijn zonder dat geur¬ hinder optreedt - gezien de resultaten van onderzoek naar geurhinderbeleving in de stad Utrecht en de recente behandeling van de nota Herziening Stankbeleid. Hooggelegen - geluidhinder. Er zijn twee bedrijven die ervoor zorgen dat Hooggelegen een geluid¬ contour in het plangebied heeft.
Saneringsmaatregelen aan de bron bij deze twee bedrijven maken de geluidcontouren kleiner, zij het in beperkte mate. Onderzocht is in hoeverre elk bedrijf bijdraagt aan de geluidzonering. Verplaatsing op termijn wordt overwogen. Oudenrijn - geluidhinder. Door de aard van de bestaande en geplande bedrijven wordt Ouden¬ rijn gezoneerd. Inmiddels is een concept-geluidcontour vastgesteld. Deze contour maakt onder andere woningbouw tussen Oudenrijn en De Meem-Oost praktisch onmogelijk. - externe veiligheid. In principe is woonbebouwing binnen een straal van 600 meter om één bedrijf op het industrieterrein niet mogelijk. Deze zone valt echter geheel binnen de concept-geluidcontour. Bovendien is de verwachting dat volstaan kan worden met een aanmerkelijk kleinere risico-zone. Sanering van het huidige industrieterrein, zodanig dat de hinderzone kleiner wordt, is nauwelijks mogelijk gezien de hoeveelheid bedrijven en de invloed die de bedrijven afzonderlijk hebben op de zonering. Door vestiging van nieuwe bedrijven die 's nachts in bedrijf zijn niet toe te staan, kan voorkomen worden dat de geluidcontour wordt vergroot tot aan de bestaande woonbebouwing en toekomstige woonbebouwing in de omgeving verder wordt beperkt. Diverse individuele vestigingen In de potentiële bouwlocaties zijn in de bebouwingshnten bedrijven gevestigd.
Bij invulling van woonbebouwing is een aantal bedrijven mogelijk niet goed inpasbaar. Te noemen zijn hierbij een aantal transportbedrijven, een bestrijdingsmiddelenhandel, een constructiebedrijf, een sportveldencomplex, varkensmesterijen en twee lpgverkooppunten. De mellweehouderijen zullen bij de grondverwerving een vestiging elders zoeken omdat het om een grondgebonden activiteit gaat. Voor de varkensmes¬ terijen geldt dit in principe niet; deze bedrijven moeten uitgekocht worden vanwege de te hanteren geurhindercontouren bij de invulling van nieuwe woningbouwloca¬ ties. Bij het bepalen van de geluidhinder van wegen wordt uitgegaan van het gebruik van geluiddempend verhardingsmateriaal en van absorberende geluidschermen. Wegen in het plangebied moeten uitgevoerd worden met stil-asfalt (bijvoorbeeld Twinlay). Dit zal het geluid gedeeltelijk absorberen. Spoorweg Utrecht cs - Woerden - geluidhinder. Bij de bepaling van geluidhinder is rekening gehouden met de toe¬ komstige verdubbeling van de spoorweg. Zonder geluidafscherming ligt de 57-70 dB(A)-contour aan beide zijden op circa 300 meter vanaf de rand van het eerste spoor. Bij het stalen spoorwegviaduct over het Amsterdam-Rijnkanaal ligt deze, in een ovale vorm, op circa 400 meter.
Met een geluidafscherming van 1,5 meter boven de bovenkant van het spoor kan de contour voor woningbouw tot maximaal 3 lagen naar circa 80 meter teruggebracht worden. Bij het uitvoeren van de spoorverdubbeling wordt geluidsanering van bestaande woningen in de omgeving eveneens uitgevoerd. - externe veiligheid. In verband met de prognose van het vervoer van gevaarlijke stof¬ fen voor het jaar 2015 zullen ten aanzien van bebouwing twee zones in acht geno¬ men moeten worden. Voor individueel risico geldt een zone van 23 meter vanaf de rand van het eerste spoor, waarin niet gebouwd mag worden. In verband met groepsrisico zullen in de zone tussen de 23 en 200 meter nadere randvoorwaarden gelden voor woningbouw. A2 Vanuit milieu-oogpunt zijn veel argumenten te noemen voor de integratie en de ver¬ legging van de A2. Van belang zijn vooral de volgende thema's die ook weer in verband met elkaar staan:
- beperken automobiliteit (minder geluidhinder en luchtverontreiniging); - efficiënt ruimtegebruik (geen brede milieu-zones noodzakelijk); - vergroten van de veiligheid; - beperken van de aantasting van het landschap; - beperken van (primaire) grondstoffen en energie. Wellicht blijkt het in de toekomst mogelijk en haalbaar om luchtzuiveringsinstalla¬ ties aan te brengen in de ventilatieschachten van de overkapping, zodat nog minder luchtverontreiniging optreedt. Vermindering van luchtverontreiniging geldt ook voor de bestaande bebouwde kom - mede als gevolg van de wijziging van de op de a2 aan¬ sluitende verkeersinfrastuctuur. Er is licht verontreinigde grond te gebruiken voor het talud van de a2. - geluidhinder. Rondom het verkeersplein Oudenrijn en rondom de aansluiting van de Zuilense Ring op de a2 worden geluidzones aangehouden van respectievelijk 1.000 en 300 meter. Voor woningbouw in het invloedsgebied van de aansluiting van de A2 op het knooppunt Oudenrijn is akoestisch onderzoek verricht. Uit dit onder¬ zoek blijkt dat voor het te integreren deel een redelijk goede akoestische afscher¬ ming is te realiseren. De lengte van de overkapping in combinatie met de invloed van de regioweg speelt daarbij een belangrijke rol.
Nader bepaald moet worden, welke geluidafschermende maatregelen bij de uitein¬ den van een overkapping nodig zijn om woningbouw in de directe omgeving te kun¬ nen realiserén. Een gesloten kantorenwand langs de A2 kan daarbij als geluidbuffer dienen. - luchtverontreiniging. Richt- en grenswaarden ten aanzien van luchtverontreini¬ ging leveren zones vanaf de rand van de weg van respectievelijk 150 meter en 50 meter op. In de zone van 50 meter is geen bebouwing mogelijk met langdurige verblijfsfuncties. In de zone tussen 50 meter en 150 meter worden randvoorwaarden gesteld aan de bebouwing. Ter plaatse van de uiteinden van de overkapping wordt voor luchtverontreiniging een zone van 140 meter aangehouden. Uit oogpunt van luchtverontreiniging is woningbouw in de directe nabijheid van het open deel van de weg, bij de uiteinden van een overkapping en bij een opening in de overkapping niet mogelijk. De bouw van kantoren op die plaatsen is wettelijk wel mogelijk indien het luchtverversingssysteem volledig gesloten is en aanzuiging van lucht aan de 'luwe' zijde plaatsvindt. Overigens zullen de dan noodzakelijke maatregelen ter voorkoming van geurhinder tot gevolg hebben dat een kantoorwand als afscherming moeilijk is te realiseren. - externe veiligheid.
In verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen gelden voor het open gedeelte van de weg ten noorden en ten zuiden van de overkapping individueel-risico<ontouren van respectievelijk 46 meter en 61 meter vanafde rand van de weg. Binnen deze contouren is geen woningbouw mogelijk. De maat van de groepsrisico-contouren is in beide gevallen 120 meter. In de zone tussen beide con¬ touren is onder bepaalde voorwaarden de bouw van woningen en kantoren toege¬ staan. Zo kan er een beperking aan de bebouwingsdichtheid worden gesteld. Voor het gedeelte van de A2 dat wordt overkapt, zijn geen veiligheidscontouren bekend. Vooralsnog wordt 40 meter aangehouden tot de rand van de overkapping. Een deel van het gevaarlijke stoffenvervoer zal wellicht een alternatieve route moe¬ ten volgen. Rekening gehouden moet worden met de veiligheidscontouren van die alternatieve routes. Uit oogpunt van externe veiligheid gelden ten aanzien van de bouw van kantoren vlak bij of over de A2 beperkingen. A12 - geluidhinder. Momenteel worden ter hoogte van de kern De Meem geluidschermen geplaatst, waardoor de geluidbelasting op de nabijgelegen woningen gereduceerd zal worden tot het niveau van 55 dB(A). Dit komt overeen met de maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw.
Indien de schermen in westelijke richting worden verlengd, dan is wanneer de maximale ontheffingswaarde wordt aangehouden, woonbebouwing mogelijk tot op 230 meter afstand van de A12 . Wel zal aan bepaal¬ de randvoorwaarden moeten worden voldaan. - luchtverontreiniging. Dezelfde richt- en grenswaarden en bebouwingsvoorwaarden als voor het niet overkapte deel van de A2 zijn van toepassing. - externe veiligheid. De individuele-risico-contour ligt op 75 meter. Voor het overige geldt hetzelfde als voor het niet overkapte deel van de A2. Hoofdontsluitingswegen in Leidsche Rijn - geluidhinder. Bundeling van het autoverkeer langs de spoorweg (noordelijke cen¬ trale as) maakt het mogelijk milieuzones goed te benutten. De intensiteiten op de interne ontsluitingswegen zijn dusdanig laag dat wallen en/ofschermen nauwelijks nodig zijn. Met een maximum snelheid van 50 km/uur hoeven ook geen grote kin¬ derzones aangehouden te worden. Om de breedte van dergelijke zones langs de ver¬ bindingswegen te kunnen reduceren zal ontheffing nodig zijn. De woningen langs deze wegen, waarvan minimaal één zijde geluidluw moet zijn, zullen de erachter gelegen woningen afschermen. - luchtverontreiniging. Hiervoor moet een zone van 20 meter vanaf de wegkantver¬ harding worden aangehouden.
Bestaande wegen in en in de omgeving van de kernen Vleuten en De Meem Bij het ontwerp van de verkeersstructuur in Leidsche Rijn is uitgegaan van een afna¬ me van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegen in de kernen van Vleuten en De Meern en op de toeleidende wegen. Dit betekent dat de huidige - relatief hoge geluidbelasting gereduceerd zal worden tot onder het niveau van 55 dB(A). Momenteel worden de richtwaarden voor luchtverontreiniging niet overschreden. Dat zal dus in de toekomst ook niet het geval zijn.
Effecten in de bebouwde kom van Utrecht Als gevolg van de bouw van Leidsche Rijn en van de daarmee samenhangende wij¬ zigingen in de regionale verkeersinfrastructuur zullen er milieu-effecten optreden in de stad Utrecht. Meer verkeer is met name te verwachten op de noordelijke rondweg en enkele invalswegen (zoals de Ds. Martin Luther Kinglaan). Minder verkeer krijgen de Vleutenseweg en de daarop aansluitende delen van de interne verdeelring te ver¬ werken. Globaal zijn de volgende efecten te verwachten. - geluidhinder. In het algemeen zal het aantal woningen met een geluidbelasting tus¬ sen 56 dB(A) en 65 dB(A) toenemen. Het aantal woningen met een hogere geluidbe¬ lasting zal echter aanzienlijk afnemen. - luchtverontreiniging. In het algemeen zullen de hoeveelheden N02- en benzeen¬ concentraties die hoger liggen dan de respectievelijke richtwaarden, afnemen. Hoe¬ veelheden relatief lage ccxoncentraties zullen toenemen. (De hoeveelheden wor¬ den uitgedrukt in straatlengten.) Amsterdam-Rijnkanaal - externe veiligheid. De individuele-risico-contour en de groepsrisico<ontour, die in dit geval zijn gebaseerd op een zogeheten plasbrandscenario, liggen respectievelijk op de rand van het kanaal en op 35 meter van die rand.
Hoewel er een verkeersbegeleidend systeem ingevoerd zal worden, waardoor - zelfs bij een toename van de omvang van het transport - de kans op calamiteiten zal afnemen, worden er in ver¬ band met het veelvuldig transport van toxische, gasvormige produkten toch hoge¬ re grenswaarden gehanteerd. Binnen de contour van 35 meter zal in het geheel niet gebouwd mogen worden, terwijl voor woningbouw een zone van 40 a 50 meter moet worden vrijgehouden. Daarbij moet gezorgd worden voor goede vluchtwegen aan de zijde van de bebouwing die van het kanaal afgewend is. Ook zullen strenge eisen ten aanzien van brandwerendheid gesteld worden. In Leidsche Rijn zijn vier locaties bekend waarvan de bodem sterk verontreinigd is: de stortplaats de Put van Kraal (aan de Groenedijk), een stortplaats aan de Rijksstraat¬ weg, de locatie Verlengde Vleutenseweg 31 en het woonwagencentrum aan de Huppeldijk. Daarnaast liggen er in het gebied circa veertig verdachte locaties waarvan de verontreinigingsgraad nog niet bekend is. De Put van Kraal ligt ter plekke van het toekomstige tracé van de A2. Het is een voor¬ malige zandwinput die als zodanig in de jaren '20 en '30 voor de aanleg van de wijk Oog in Al heeft gefungeerd. Tussen 1951 en 1961 is de put die een oppervlakte van 8 ha heeft, met behulp van zandzuigers verdiept tot ca. 20 meter. De put is gevuld met bouw- en sloopafval, huisvuil en bedrijfsafval.
Het ligt in de bedoeling deze locatie te isoleren. Hetzelfde geldt voor de stortplaats aan de Rijksstraatweg. Om deze reden zijn zij niet geschikt voor woningbouw. Tot de verdachte locaties behoren gronden waarop tuindersbedrijven gevestigd zijn. In het algemeen is de verontreinigingsgraad van deze gronden beperkt. Het gaat om olieverontreiniging door de reservetank, lichte tot matige verontreinigingen in de bovenlaag (20 tot 50 cm) en het grondwater, verontreiniging van sloten bij afwateringspunten van kassen en afvalstortjes. In het kader van het verplaatsingsplan voor de glastuinbouw, worden afspraken gemaakt over de sanering van de bodem bij tuin¬ ders. Deze locaties zullen worden gesaneerd. Er wordt van uitgegaan dat de locaties hierna beschikbaar zijn voor het gebruik waarvoor zij bestemd zijn. In sommige geval¬ len kan of moet van dit uitgangspunt worden afgeweken. Dit kan consequenties heb¬ ben voor de planning en de fasering. Bij de aanleg van wegen zullen maatregelen genomen moeten worden ten behoeve van de afvoer van verontreinigd hemelwater. Bij het verwijderen van oude taluds en tracés moet er rekening mee gehouden worden dat de grond (licht) verontreinigd kan zijn. Uit het oogpunt van hergebruik en afvalpreventie verdient het daarom aanbeve¬ ling om zoveel mogelijk gebruik te maken van de bestaande infrastructuur.
De kosten van de isolering van de twee genoemde locaties zijn respectievelijk op 39 miljoen gulden en 22 miljoen gulden geraamd. Ook met de sanering zullen grote bedragen gemoeid zijn. De kosten zullen mede worden gedragen door het Rijk en de provincie. Bovendien zal een deel van de kosten op de veroorzakers van de verontrei¬ niging verhaald worden.
Met kabels en leidingen moet in het programma voor Leidsche Rijn op twee manie¬ ren rekening gehouden worden. Ten eerste wordt het gebied doorsneden door be¬ staande kabels en leidingen - waarvan slechts een deel op de verzorging van het gebied zelfis gericht. Ten tweede is voor de distributie van bijvoorbeeld water en elek¬ triciteit in het toekomstige woongebied een infrastructuur van leidingen en kabels nodig. De tracés van bestaande kabels en leidingen, zowel ondergronds als bovengronds, vormen belangrijke randvoorwaarden voor de planvorming, tenminste wanneer deze om financiële of andere redenen niet kunnen worden verlegd en wanneer hinderzo¬ nes en/of hoogtebeperkingen in acht moeten worden genomen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de kabels en leidingen die niet verlegd zullen worden en van de beperkingen die bij deze infrastructuur in acht genomen moeten worden. PTT straalpad - breedte van de zone: 2 x 100 meter = 200 meter - hoogtebeperking: maximaal 31 meter
Defensie straalpad - breedte van de zone: 375 meter en 300 meter - hoogteberperking: maximaal 30 meter Drinkwaterleiding - breedte van de zone: 20 meter ter plaatse van leiding waterwingebieden Walradar (kanaal) - breedte van de zone: 30 meter Gasunieleidingen - breedten van de zones voor leidingen met diameter 12", 16" en 18": respectievelijk 2 X 30, 2 X 40 en 2 X 45 meter. Er is voor gekozen om de voedingskabels en -leidingen van de distributienetten van de nutsbedrijven zoveel mogelijk te laten samenvallen met de fietsroutes. Ook zal af en toe gebruik gemaakt worden van het tracé van hoofdverkeerswegen. Aangezien deze voedingskabels en -leidingen die geen huisaansluitingen hebben, vrijwel nooit opgegraven behoeven te worden, bestaat hiertegen uit oogpunt van beheer geen bezwaar. Bij het gebruik van verhardingen met een grote dichtheid zal rekening wor¬ den gehouden met de eisen ten aanzien van het uittreden van lekgassen en lekwater. Nieuwe ontwikkelingen in het kader van de elektronische snelweg en glasvezel¬ technieken kunnen probleemloos in de geprojecteerde profielen worden opgenomen. Bekeken zal worden of er aanvullende beschermende maatregelen voor deze kabels noodzakelijk zijn.
De moderne telecom-voorzieningen vereisen behalve ondergrond¬ se ruimte ook bovengronds de nodige gebouwde voorzieningen, zoals trafo-stations, overdracht-stations, verdeelkasten en zendmasten. Hiervoor zal ruimte gereserveerd moeten worden.
Het 'gebiedseigen watersysteem' levert een flinke bijdrage aan het concretiseren van de milieudoelstellingen voor Leidsche Rijn. Basis is een verbeterd, gescheiden rioolstelsel, waardoor vuil en schoon water gescheiden afgevoerd kunnen worden. Ten behoeve van het schone-waterafvoersysteem worden op de hoger gelegen delen van het plangebied in de directe woonomgeving infiltratievoorzieningen van een bijzon¬ der type gerealiseerd: wadi's. Deze zorgen ervoor dat het schone regenwater van de daken van de woningen in de bodem kan infiltreren. Om pieken in de neerslag te kun¬ nen verwerken wordt een beperkt aantal watergangen gegraven, die het water afvoe¬ ren naar de lager gelegen delen van het plangebied. In de lager gelegen delen wordt het schone water in grote waterbekkens geborgen. De waterkwaliteit kan hoog zijn. Dat betekent ook dat goede voorwaarden ontstaan voor de ontwikkeling van een gro¬ te verscheidenheid aan planten en dieren. Bij elkaar is 175 ha ruimte gereserveerd voor dit watersysteem. De meestal droogliggende wadi's nemen daarvan 13 ha voor hun rekening. Om het watersysteem optimaal te kunnen laten functioneren is - met uitzondering van de gebieden met archeologische monumenten - een peilfluctuatie nodig van ± 30 cm. Gezien de droogleggingseis van 50 cm voor het nieuwe woongebied zal het nood¬ zakelijk zijn om op te hogen in de lager gelegen delen.
Verwacht wordt dat op 40% van het totale plangebied een selectieve ophoging met gemiddeld 50 cm ophoogmateriaal noodzakelijk is. De bovengrondse en ondergrondse infrastructuur levert beperkingen op voor het grondgebruik. Een aantal bestaande bedrijven in en rond het plangebied zorgen voor hinder. Daarnaast is een aantal saneringslocaties onbruikbaar voor woningbouw. Alles bij elkaar opgeteld gaat het om een gebied van 850 ha dat in vrij te houden gebieden ofhinderzones ligt. Daarbij is uitgegaan van de maximale ontheffingswaarde voor ver¬ keerslawaai van 55 dB(A), het treffen van geluidwerende voorzieningen rond de snel¬ wegen en de te verbreden spoorweg. Alle grootschalige, nieuwe ondergrondse infrast¬ ructuur wordt gecombineerd met het aan te leggen netwerk van stadsdeelontsluitingswegen. De genoemde 850 ha is een enorm oppervlak. Door in het ontwerp hinderzones te combineren en door niet-geluidgevoelige functies in de hinderzones op te nemen kan het daadwerkelijk onbruikbare gebied aanzienlijk gereduceerd worden: 60 ha voor lei¬ dingenzones en 90 ha voor hinderzones als gevolg van spoor- en weglawaai. Deze wor¬ den ingericht als bermen.
:i
dvkk lercnkk'
Ten aanzien van milieu, groen en civiele werken zullen diverse procedures gevolgd moeten worden. De belangrijkste procedures zijn hieronder vermeld, met daarbij de te verwachten pro¬ cedure-doorlooptijd
Milieu Verkeers- en raillawaai
Vaststelling hogere grenswaarde, ontheffingsprocedure Wgh
Wijziging geluidszones rond industrieterreinen
3 maanden na indiening van ver¬ zoek Bestemmingsplan-procedure
Verleggen az
Een MIK is voor de verplaatsing noodzakelijk maakt
2,5 jaar
Vestiging nieuwe bedrijven
Wet Milieubeheer-procedure
6 maanden
Bestaande bedrijven verplaatsen
Ontwikkeling gezamenlijk beleid In overleg met bedrijven over het tegengaan van desinveste¬ ringen; alternatieve locatie
Toepassen secundaire grondstoffen Afhankelijk van aard en toepas¬ singscondities, wijze van toepas¬ sen, behandelings- en vergunnin¬ genprocedures
Maximool 6 maanden
Verwijdering/verwerking van bag- Toepassen interimbeleid bagger gersperie (vrije toepassing/vergunningen¬ procedure)
Maximaal 6 maanden
Energie- en nutsvoorzieningen
Geenformele wettelijke procedure. Provincie is aandeelhouder, beleids-opties worden aangehaakt aan goedkeuringsprocedure bestemmingsplan
In overleg met nutsbedrijven
Onthejjing/melding van de Veror¬ dening bescherming natuur en landschap
Veelal via melding 4 weken met verlenging tot 8 weken; ontheffing 12 weken met verdagingsmogelijk¬ heden tot 24 weken
Vergunning op grond van Ontgrondingenwet
6 maanden
Toetsing via art. 19/ bestemmings¬ plan
Procedure RO
Onttrekking (ex-) provinciale wegen aan openbaar verkeer
Overleg, kennisgeving, bezwaren¬ procedure en advisering over bezwaren
Ca. 6 maanden
Eventueel overdracht beheer en onderhoud provinciale wegen
Overleg met betrokken overheids¬ diensten, PS-besluit en publikatie
Benodigde tijd voor overleg nog moeilijk in te schatten
Grondwateronttrekking
Vergunning grondwaterwet t.b.v. bronbemaling, riolering en civiele werken
6 maanden (mits ontvankelijke aanvraag)
Lozing op oppervlakte (incl. overstorten)
Vergunning op grond van wvo. Goedkeuring rioleringsplan
6 maanden (mits ontvankelijke aanvraag)
Aansluiting op zuiveringstechnisch werk
Vergunning op grond van wvo
6 maanden (mits ontvankelijke aanvraag); Leidsche Rijn zal voor¬ lopig voor ca. 2jaar worden aan¬ gesloten op Rwzi De Meem
Aanpassing waterhuishouding
Peübesluiten door Hoogheemraad¬ schap met goed-keuring door Provincie
6 maanden (mits ontvankelijke aanvraag)
Groen Dempen van watergangen, opho¬ gen terreinen, opslag activiteiten
Ontgrondingsactiviteiten Civiele techniek Aonleg wegen
In deze bijlage wordt ingegaan op de omvang van te handhaven elementen in het plangebied. Onderscheid is gemaakt tussen elementen, die in kwalitatieve zin waar¬ devol zijn en elementen, die hinder veroorzaken. Van beide soorten bestaande ele¬ menten is een kaart vervaardigd. De tekst kan gelezen worden als toelichting bij de beide kaarten.
In tabel 30 staan de totalen van de oppervlakten van alle waardevolle elementen in het plangebied die ten behoeve van het realiseren van het Masterplan niet hoeven te wijken. Hun aanwezigheid in Leidsche Rijn zal de kwaliteit van het wonen straks posi¬ tief beïnvloeden. Deze 'kwaliteitselementen' hebben te maken met bestaande woonmilieus, natuur- en groenwaarden, voorzieningen en cultuur-historische waarden. In de tabel worden drie categorieën onderscheiden, afhankelijk van de wijze waarop met de diverse elementen in grondexploitatieve zin moet worden rekening gehouden: - te handhaven elementen. Deze blijven in principe bewaard. Hun oppervlakten wor¬ den van de bruto-oppervlakte van het plangebied afgetrokken. - te handhaven, deels te integreren elementen. Deze blijven in principe ook behou¬ den. Er moet echter nog worden onderzocht èf, en zo ja welk deel, benut kan wor¬ den in het te realiseren woongebied. - te verplaatsen elementen. Deze blijven in principe niet behouden. In het program¬ ma wordt er echter van uitgegaan dat er ter compensatie van deze elementen elders in - en voor sommige groenelementen ook buiten - het plangebied ruimte wordt gereserveerd.
In tabel 31 staan de totalen van de oppervlakten van alle grootschalige infrastructu¬ rele elementen, kabel- en leidingentracés, (nuts)bedrijfs- en kantoorterreinen, stort¬ plaatsen en waterwingebieden alsmede de bijbehorende hinderzones waarmee in het plan rekening moet worden gehouden. In de tabel worden onderscheiden: - te handhaven elementen. De oppervlakten van deze elementen moeten worden afgetrokken van de oppervlakte van het bruto-plangebied. - niet te bebouwen, mogelijk te integreren zones. Hiervoor wordt nog onderzocht in welke mate zij mogelijk programma-onderdelen kunnen dragen. - eventueel te saneren gebieden. Hierover is onderzoek gaande naar de financiële consequenties van de sanering. - bijbehorende en eventuele hinderzones. Hiervoor wordt nog gezocht naar het opti¬ male ruimtebeslag in relatie tot de technische maatregelen die daartoe moeten wor¬ den genomen. Immers hinderzones kunnen slechts voor een beperkt aantal func¬ ties worden gebruikt. - overige hinderzones. Deze zijn inmiddels geïnventariseerd en hun ruimtelijke con¬ sequenties zijn vertaald in de programmatische invulling van het plan.
Oppervlakten van elementen waarmee, uit oogpunt van hinder, rekening gehouden moet worden, in ha 1
Te handhaven totaal bedrijven en kantoren 72,93 KWZI 2,25 stortplaatsen 6,19 snelweg (verlegd tracé) 88,48 spoorlijn (verdubbeld) 23,65 zone A12/S20 24,66 totaal 218,16
pervlakten van waardevolle elementen in het plangebied, in ha 2 Niet te bebouwen, mogelijk te integreren totaal
Te handhaven
totaal
kernen lintbebouwing (cal. A) lintbebouwing (cat. B) lintbebouwing (cat. C) water openbaar groen Strijkviertel sportveld begraajplaats zwembad bosopstand (cat.l) hoogstamboomgaarden totaal
315,02 76,20 18,19 0,28 26,81 6,92 8,00 0,30 1,10 15,51 5,60 473,91
Te handhaven, deels te integreren
totaal
archeologische monumenten potentiële archeologische vindplaatsen cultuur-historische wegen overige wegen totaal
20,15 31,14 32,79 1,07 85,15
Te verplaatsen
totaal
kwzi: snelwegen:
woonwagenstandplaatsen sportvelden volkstuinen bosopstand (cat. 2) bosopstand (cat. 3) totaal
0,92 44,00 8,00 32,16 11,52 96,60
6
Overige hinderzones totaal
Rwzi: snelwegen:
binnencirkel 4,31 binnenzone 260,10 hinder spoorlijn 37,99 hinder bedrijfsterreinen 89,73 totaal 392,13
Bij zorgvuldige bestudering van de kwaliteitskaart en de tabel zal blijken dat niet alle kwalitatief waardevolle elementen zijn opgenomen. Zo hebben infrastructurele oplossingen en de wens relatiefhoge dichtheden in het plan te realiseren ertoe geleid de cultuur-historische waarden van de Huppeldijk, de Hogeweide en de Groenewoudsedijk, en van de bebouwing aan weerszijden van deze linten (monumenten uitge¬ zonderd) niet te honoreren. De diverse tuincentra in het plangebied zijn nog niet geïn¬ ventariseerd.
waterwingebieden 9,45 leidingtracés en zones 84,54 totaal 93,99 3
Eventueel te saneren totaal Papendorp-Noord 19,04 aluminiumfabriek Nedal 6,64 totaal 25,68
4
Bijbehorende hinderzones totaal hinder Papendorp-Noord 18,63 hinderNedal 6,64 totaal 25,27
5
Eventuele hinderzones totaal buitencirkel 4,27 buitencirkel 71,43 totaal 75,70
Uit de kaart en de tabellen blijkt dat een aantal elementen niet is opgenomen: - Drie vuilstortplaatsen ten noorden van de spoorlijn worden ten behoeve van het Masterplan gesaneerd. - Voor de bovengrondse 150 KV-hoogspanningsleiding is op de kaart een nieuw onder¬ gronds tracé aangegeven langs het Amsterdam-Rijnkanaal waar tevens een aantal leidingen, die nu parallel aan de huidige A2 lopen, kunnen worden opgenomen. Deze leidingtracés staan dan ook als vervallen op de kaart, net als een tweetal 50 kvleidingen in noord-zuidrichting die dank zij een nieuw verdeelstation kunnen ver¬ vallen, en een defensie-brandstofleiding die binnen afzienbare tijd buiten werking zal worden gesteld.
- De strategische ligging van de veiling aan de Utrechtseweg, in een woongebied met hoge dichtheden vlak bij het nieuwe station Leidsche Rijn, maakt het onmogelijk een dergelijk hinderlijk bedrijf te handhaven. De betreffende hinderzone komt op de kaart niet voor. - Van alle agrarische bedrijven in het plangebied wordt vooralsnog rekening gehou¬ den met sanering, waardoor bijbehorende geurcontouren niet op de hinderkaart zijn terug te vinden. - Dezelfde sanering is verondersteld voor alle (kleine) bedrijven temidden van de lint¬ bebouwing. Hun geluid- en calamiteitencontouren zijn op de kaart niet terug te vin¬ den. - Op welke wijze er moet worden omgegaan met de watertransportleidingen van RijnKennemerland is nog onderwerp van studie.
Plankaart Leidsche Rijn Woongebied Voorzieningen/kantoren/wonen Detailhandel/wonen Voorzieningen Bedrijven C Kantoren Bedrijven B/kantoren Bestaande bebouwing Spoordijk Water Bosopstand Boomgaard Rietland Grasland Park Recreatie Strand Kavels RGS buiten plangebied (indicatief) ■II
- Ns/Randstadrailstation Hov/station
— — - Reservering Hov Hoofdontsluiting Bestaande ontsluiting Buurtontsluiting (indicatief) Reserveringfietsroute Tracé A2 overkapt Plangrens Gemeentegrens Aangepast 19(0711995
Master
plan
Leidsche
Rijn