CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide_Motivering wijzigingsbesluit

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide36.396 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

37

van de omgeving circa één meter hoger ligt dan dat van de boomgaard. Functietoedeling De woningen krijgen de functie 'Wonen'. Het gebied rondom de woningen krijgt de functie 'Groen' met een aanduiding voor 'specifieke vorm van groen - fruitboomgaard'. Dit gebied kan niet worden gebruikt voor de woningen, hier kan dus ook niet vergunningvrij worden gebouwd.

Uitga ngspuntenkaart nieuwe situatie De uitgangspunten zijn voor zover mogelijk vastgelegd in dit TAM-omgevingsplan via bouwvlakken, bouwhoogten, inhoudsmaten en de functies.

4.2

Verkeer en openbare ruimte

4.2.1

Verkeer

Langzaam verkeer Er komen voetgangersbruggen aan de noord- en oostzijde van het plangebied. Daarmee wordt het gebied beter bereikbaar voor langzaam verkeer. Openbaar vervoer De bushalte De Tuinlanden (aan de Seizoentuinenlaan) is de dichtsbijzijnde bushalte in de omgeving. Deze ligt op ongeveer vijf minuten loopafstand. Bij deze bushalte stopt lijn 28 om de tien minuten. Deze bus rijdt tussen station Vleuten, Utrecht CS en Utrecht Science Park. Reizigers kunnen op station Vleuten en Utrecht CS hun reis voortzetten met de trein, bus, taxi of deelmobiliteit. Auto Voor de bereikbaarheid van de toekomstige woningen met auto's komt een gezamenlijk inrit aan de Zandweg. De inrit zal de vorm krijgen van een karrenspoor. De fruitbomen langs de inrit worden opgesnoeid, zodat de woningen ook bereikbaar zijn met een kleine vrachtwagen of een brandweervoertuig. De bestaande inrit wordt verwijderd.

3 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

4.2.2

Parkeren

Het parkeren wordt opgelost op het eigen terrein. Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de eisen van het gemeentelijke parkeerbeleid (momenteel: beleidsregels Parkeernormen Fiets en Auto 2021). Het plangebied ligt in gebied C1 van het parkeerbeleid. In het geval van woningen groter dan 130 m2, zoals hier het geval is, zijn 1,4 parkeerplaatsen per woning nodig. Elke woning beschikt over een inpandige garage met parkeerruimte voor twee auto’s. Daarmee wordt aan het parkeerbeleid voldaan. Bezoekers kunnen parkeren op de oprit bij de woningen. De woningen beschikken over een eigen inpandige berging waarin fietsen worden gestald. 4.2.3

Openbare ruimte en groen

In het plangebied komen diverse paden. Deze paden zijn openbaar toegankelijk en dit moet ook zichtbaar zijn. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld een laag hekwerk bij de entrees van het plangebied, bordjes met huisregels worden geplaatst en semi verharde paden worden aangelegd. De voetpaden zijn in de zomertijd van 9:00 tot 19:00 en in de wintertijd van 9:00 tot 17:00 openbaar toegankelijk. De nieuwe boomgaard wordt verder toegelicht in paragraaf 5.10.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

39

4 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie en conclusie Voor projecten die zijn opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit moet een merbeoordelingsprocedure doorlopen worden (artikel 16.43 Omgevingswet). Een stedelijk ontwikkelingsproject is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Omgevingsbesluit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

Het bouwproject aan de Zandweg 210 is zodanig klein (3 nieuwe en de renovatie van een bestaande woning) dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Omgevingsbesluit. Zie bijlage . Conclusie: Er is geen mer-beoordeling nodig.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Kader De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in een stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige functies, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige functies in de directe nabijheid. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Plangebied Aan de hand van de VNG-systematiek Bedrijven en Milieuzonering zijn de verschillende bestemde bedrijfscategorieën en feitelijk aanwezige bedrijven rond het plangebied beschouwd. In de omgeving van de toekomstige woningen staan bestaande woningen en maatschappelijke voorzieningen. Van bedrijvigheid met onder andere geur, en veiligheid in de nabijheid van het plangebied is geen sprake. Wel zit er op 25 meter afstand van de locatie een buitenschoolse opvang; de speel- en sportlocaties, waar een relevante hoeveelheid geluid kan worden geproduceerd, bevinden zich echter op een afstand van minimaal 50 meter en deze liggen bovendien op een afgeschermde positie. De VNG-systematiek beveelt een afstand aan van minimaal 30 meter.

In paragraaf 5.4 over geluid staat meer over de belasting van geluid vanuit de school en de buitenschoolse opvang. Conclusie De bedrijvigheid in en om het plangebied leidt niet tot onevenredige hinder en omgekeerd is de bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

41

ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoering van bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving.

5.4

Geluidhinder

Kader In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (bijvoorbeeld nieuwe woningen toestaan) of het wijzigen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld wegen, industrieterreinen) moet de aanvaardbaarheid van het geluid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het omgevingsplan en de Beleidsnota Geluid en Trillingen een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het (wettelijk) kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangevuld met de Beleidsnota Geluid en Trillingen. In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels. Dit stelsel is in de Beleidsnota Geluid en Trillingen voor Utrecht nader verfijnd. Hieronder is een samenvatting opgenomen van het (wettelijk kader) voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies. Geluidaandachtgebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl). De waarden Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een nieuw geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor vier geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel. Geluidbronsoort Rijkswegen Gemeentewegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarden (5.78t Bkl) 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden

Grenswaarde (5.78u Bkl) 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden

De hoofdregel is het voldoen aan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging geldt een aantal eisen. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele specifieke uitzonderingen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl); De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt is door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl); Bij voorwaarde 1 en 2 hoeft het bevoegd gezag geen beperkende maatregelen te overwegen die financieel ondoelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl); Het bevoegd gezag het gecumuleerd geluid1 beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); Het bevoegd gezag het gezamenlijk geluid2 bepaalt (artikel 5.78ad Bkl); Het bevoegd gezag het

belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel in bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). De hierboven genoemde waarden worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinder in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB. De geluidsbelasting wordt 4 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

bepaald middels een wettelijk voorgeschreven rekenmethode voor een representatief maatgevend toekomstig jaar.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

43

Gemeentelijk geluidbeleid In de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt aan de landelijke standaard- en grenswaarde een ambitiewaarde en een Utrechtse-grenswaarde toegevoegd. De Utrechtse ambitiewaarde is de waarde die vanuit het oogpunt van gezondheid bij voorkeur niet wordt overschreden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij het toedelen van functies aan locaties streven we ernaar om deze waarde niet te overschrijden. De Utrechtse grenswaarde is een lokale aanscherping van de (landelijke) grenswaarde in het Bkl met het oog op de gezondheid. Daarnaast geeft deze aanscherping de nodige beweegruimte (tot aan de landelijke grenswaarde) voor het toevoegen of aanpassen van infrastructuur of opvangen van autonome groei. Ambitiewaarde Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies toestaan boven de 63 dB per geluidbronsoort. We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe bij zwaarwegende belangen of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen).

Grenswaarden Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide; 68 dB voor de rest van de stad; Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden. Voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidsbelasting. Dit doen we door voorwaarden te verbinden aan het realiseren van woningen zoals het hebben van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De initiatiefnemer moet zich inspannen om hieraan te voldoen en een leefbare woonomgeving te creëren, als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit is planologisch verankerd in de regels in het omgevingsplan. De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde c.q.

gevel krijgen; Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen; Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te liggen; In aansluiting op de Ruimtelijke Strategie Utrecht stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen; Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, kan hiervan worden afgeweken. Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is; Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel.

Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen. Ten aanzien van een buitenruimte gelden de volgende eisen: Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Als er meerdere buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten; Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden 4 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarden te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten; Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden. Andere typen geluid De beoordeling van andere typen geluid dan het geluid van rijkswegen, gemeentewegen, hoofdspoorwegen of industrieterreinen dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaats te vinden. In een aantal gevallen is hierover in de Beleidsnota Geluid en Trillingen reeds een beoordelingswijze of een kader opgenomen. Plangebied Om vast te stellen of de ontwikkeling voldoet aan de gestelde normen zijn er akoestische berekeningen uitgevoerd, zie hievoor het akoestisch onderzoek in bijlage 1. Het berekende geluidsbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 44 dB Lden. De geluidsbelasting voldoet daarmee ruim aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. In de omgeving van het plangebied liggen een kinderdagverblijf en basisschool.

Het stemgeluid van kinderen is hierbij de dominante geluidsbron er van een evenwichtige toedeling van functies is beoordeeld of dit tot problemen leidt. Het plangebied ligt op enige afstand van het plein en het sportveld. Daarnaast ligt aan de Beeldentuinlaan 42 t/m 96 nog een gebouw dat het geluid afschermt. In dit gebouw zijn appartementen aanwezig, deze appartementen zijn zelf ook geluidgevoelig. Omdat hier al sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zal gezien de grotere afstand tot het plangebied en de afschermende werking van dit gebouw ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

45

Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor de ontwikkeling. Het wegverkeerslawaai voldoet ruim aan de standaardwaarde en ook op het gebied van kinderen is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Daarnaast is het stemgeluid van het kinderdagverblijf en de basisschool niet relevant en zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.

5.5

Omgevingsveiligheid

Kader Het werken met, de opslag van en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. De norm- en richtwaarden voor het risico van het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan twee soorten risico's beschreven waarop norm- en richtwaarden van toepassing zijn. Dit betreft: Het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans dat een persoon die onbeschermd en continu aanwezig is buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, overlijdt vanwege een ongewoon voorval, dat veroorzaakt wordt door die activiteit. Hierbij geldt voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Het groepsrisico (GR). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Deze activiteiten en de daarbij behorende geldende afstanden zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl.

Het bevoegd gezag moet in het omgevingsplan of bij het verlenen van een vergunning rekening houden met de kans op het gelijktijdig overlijden van een groep van 10 of meer personen als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit is het zogenaamde groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen die binnenshuis verblijven zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor de scenario's voor brand, explosie en voor een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. Voor het groepsrisico geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht. Wanneer in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning een (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie mogelijk wordt gemaakt binnen in een brand- of explosie aandachtsgebied, moeten we maatregelen overwegen om mensen te schermen tegen de gevaren van een brand, explosie of gifwolk.

Maatregelen die genomen kunnen worden, zijn: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied; aanvullende risicocommunicatie; beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (brand/explosievoorschriftengebied). Bouwkundige maatregelen worden verankerd in het omgevingsplan door het aanwijzen van een brand,- of explosievoorschriftengebied. Binnen dit voorschriftengebied gelden voor nieuwbouw de extra bouweisen die in het Bbl staan. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als er op de locatie zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels uit het Bkl van toepassing. Dit geldt ook voor het thema omgevingsveiligheid. Naast deze beoordelingsregels heeft de gemeente Utrecht ook de Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht vastgesteld. Daarin is beleid opgenomen hoe de gemeente rekening houdt met het groepsrisico. In dit omgevingsveiligheidsbeleid wordt expliciet aangegeven dat rekening gehouden moet worden met het beperken van de effecten van risicovolle activiteiten op haar omgeving. De gemeente stuurt hierop door maatregelen te adviseren die leiden tot een beperking van het groepsrisico binnen een aandachtsgebied.

Plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes (spoor, snelweg, etc.) met gevaarlijke stoffen. Verder zijn er geen bedrijven met gevaarlijke stoffen (risicovolle stationaire 4 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

bronnen) in de directe omgeving die vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid relevant zijn voor de plannen. Het plangebied grenst aan de brandaandachtsgebieden van een buisleiding: gasleidingen W501-21 en W501-02. Feitelijk valt de begrenzing van het brandaandachtsgebied over het westelijk deel van het plangebied. Binnen het aandachtsgebied worden geen nieuwe kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk gemaakt, aanvullende maatregelen om het groepsrisico te beperken zijn daarom niet nodig. Conclusie De ontwikkeling van de drie nieuwe woningen en renovatie van één woning leidt niet tot veiligheidsrisico's.

5.6

Ontplofbare Oorlogsresten

Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) worden uitgevoerd. Plangebied en conclusie Er zijn geen verdachte gebieden op ontplofbare oorlogsresten in het plangebied.

5.7

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Een groot deel van de luchtkwaliteit komt van buiten Utrecht. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. Omdat de gemeente Utrecht een aandachtsgebied is voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10), moet de luchtkwaliteit getoetst en gemonitord worden. Als een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties NO2 en/of PM10, moet de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beoordelen van de luchtkwaliteit betekent dat het bevoegd gezag motiveert dat: er geen overschrijding dreigt van de omgevingswaarden voor NO2, PM10 of andere stoffen, of de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 van het Bkl.

Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1.

2.

Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels een kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) kan aannemelijk worden gemaakt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit moet kwalitatief of kwantitatief aangetoond worden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Eind 2024 zijn nieuwe, aangescherpte Europese grenswaarden vastgesteld. Deze zullen uiterlijk eind 2026 opgenomen worden in landelijke wetgeving. Vanaf 2030 moet voldaan worden aan deze nieuwe grenswaarden. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2021 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

47

zijn strenger dan de grenswaarden van de EU. Stof

OmgevingsGrenswaarde EU WHO-advies Toetsingsperiode waarde Bkl 2030 waarde-2021 NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m3 40 µg/m3 10 µg/m3 Jaargemiddelde 3 3 PM10 (fijnstof) 40 µg/m 20 µg/m 15 µg/m3 Jaargemiddelde PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m3 10 µg/m3 5 µg/m3 Jaargemiddelde Omgevingswaarden en WHO-advieswaarden en grenswaarden EU voor NO2, PM10 en PM2,5 In januari 2025 is de nieuwe beleidsnota ‘Gezonde lucht voor iedereen’ vastgesteld door de raad, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2021. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied De ontwikkeling in het plangebied betreft de renovatie van een bestaande woning en het toevoegen van drie nieuwe woningen. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit rondom het plangebied. Daaruit blijkt dat de concentraties over 2023 van fijnstof (PM2,5 en PM10) respectievelijk 8,7 µg/m3 en 15,8 µg/m3 is. De concentratie stikstofdioxide (NO2) was in 2023 14,1 µg/m3.

Daarmee wordt op de locatie voldaan aan de nu gelden EU- grenswaarden en aan de toekomstige EU-grenswaarden die gelden vanaf 2030. Er zijn geen overschrijdingen van de WHO-advieswaarde 2005. Voor zowel stikstofdioxide (NO2) als beide categorieën fijn stof (PM2,5 en PM10) is er echter sprake van (lichte) overschrijdingen van de WHO-advieswaarden 2021. Het is niet mogelijk om vanuit de ontwikkeling van de drie woningen iets aan de overschrijdingen aan de WHO-advieswaarde te veranderen. Genoemde overschrijdingen gelden ook voor de nabije omgeving. Met andere woorden, voldoen aan de WHO-advieswaarden 2021 ter plaatse van de planlocatie zal niet eerder mogelijk zijn dan nadat voor een heel groot gebied maatregelen ter beperking van fijn stof genomen zijn en effecten daarvan zichtbaar worden. De locatie ligt niet in de nabijheid van een drukke weg of snelweg. Er wordt daarmee voldaan aan de eisen en wensen die zijn opgenomen in het gezondheidsbeleid. Conclusie De ontwikkeling van de drie woningen draagt in niet betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling van deze woningen.

5.8

Bodem

Kader Met de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels over bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het kader voor de regels in het Aanvullingsbesluit bestaat uit: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; het evenwichtig toedelen van functies aan locaties; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. In het Aanvullingsbesluit zijn algemene regels toegevoegd aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal milieubelastende activiteiten. Het gaat om activiteiten zoals graven in bodem, saneren van de bodem, opslaan van grond- en baggerspecie, toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanbrengen van meststoffen. Ook staan hierin de regels voor voorafgaand bodemonderzoek. In de Aanvullingswet Bodem moet voor historische verontreinigingen die onder de Wet bodembescherming vielen rekening gehouden worden met het overgangsrecht, en alsmede met verontreinigingen die zijn ontstaan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiervoor worden in artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet Bodem regels gesteld. In paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat er rekening gehouden moet worden bij de planvorming met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies.

Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden moet bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek worden vastgesteld. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Naast nieuwbouwactiviteiten kan ook aan andere activiteiten gedacht worden waarvoor de bodem geschikt moet zijn, zoals graven, 4 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

saneren, grondwateronttrekkingen, het toepassen van verontreinigde grond en/of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt verschillende instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn; op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde; op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Bij het plan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie(s).

Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de voormalige Wet bodembescherming (nu: Omgevingswet met daarbij de bijhorende regelgeving met betrekking tot het thema bodem): Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Voor verontreinigingen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt geldt overgangsrecht, waarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing blijft. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning.

Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Daarnaast gelden er verschillende bruidsschatregels waarmee ook rekening gehouden moet worden. Deze zijn terug te vinden in paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer) van het omgevingsplan Utrecht: Er geldt nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden. Zo gelden er regels voor het treffen van een noodzakelijke maatregelen om een afdeklaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit geldt ook voor toevalsvondsten waarbij tijdelijke beschermingsmaatregelen blootstelling doet voorkomen; Voor kleinschalig graven boven de interventiewaarde van bodemkwaliteit gelden in bepaalde gevallen regels met betrekking tot het aanleveren van gegevens voor het begin van het graven, de tijdelijke opslag van vrijkomende grond (niet langer dan 8 weken) en milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven. Bij een beschikking voorafgaand verleend aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat een spoedige sanering noodzakelijk is, worden maatregelen genomen die redelijkerwijs verlangd kunnen worden om verdere verontreiniging te beperken of ongedaan te maken.

In het Kadaster zijn deze beschikkingen opnieuw voorzien van een code zodat deze beschikkingen vindbaar en inzichtelijk blijven in het kader deze regeling. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Voor de ontwikkeling van de drie woningen en renovatie van de bestaande woning is door BK bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

49

ingenieurs een onderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van de bodem, zie bijlage 8. Ook is asbest in dit onderzoek meegenomen. Uit het onderzoek kwam het volgende: De bovengrond is lokaal ‘sterk verontreinigd’ met de parameters koper, zink, cadmium, lood, nikkel en chroom. De verontreiniging is horizontaal en verticaal afgeperkt en is aanwezig over circa 65 m2 met een laagdikte van circa 0,5 meter. Het volume verontreinigde grond is vastgesteld op ongeveer 33 m3. De bodem is daarom op dit moment niet geschikt voor het beoogde gebruik. De bovengrond ter plaatse van het overige terreindeel voldoet indicatief aan maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Er zijn (maximaal) matig verhoogde gehalten aan zink, cadmium, koper en nikkel aangetoond. Er zijn verhoogde gehalten aan DDE tot maximaal kwaliteitsklasse 'Industrie' aangetoond in de toplaag. De ondergrond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 - 0,5 m -mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. In het grondwater zijn geen geanalyseerde stoffen boven de (halve) signaleringsparameters aangetoond. De locatie moet geschikt worden gemaakt voor de beoogde functie. Hiervoor moet er gesaneerd worden. De meldingen conform de volgende milieubelastende activiteiten (MBA) zijn noodzakelijk: Graven in de bodem en Saneren van de bodem.

Op basis van de geplande werkzaamheden en de aangetroffen verontreiniging in de grond moet vier weken voor aanvang van de sanering een melding worden ingediend in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De twee meldingen kunnen gecombineerd worden ingediend in het DSO. Vier weken na beëindiging moet een evaluatie in het DSO aangeleverd worden. In het huidige ontwerp worden er bij de beoogde nieuwbouw kelders gerealiseerd. Dit betekent dat de werkdiepte uitgebreid wordt naar ongeveer 4,0 m -mv. De resultaten van bovenstaand onderzoek vormen geen verdenking voor een bodemverontreiniging op deze diepte. Hier kunnen echter geen rechten aan worden ontleend omdat met dit onderzoek slechts de bodemkwaliteit tot een diepte van 2,0 m -mv onderzocht is. Een bodemverontreiniging vanaf 2,0 m -mv kan met dit bodemonderzoek daarom niet worden uitgesloten. Vanwege het ontbreken van een verdenking, wordt er geen aanvullend onderzoek gevraagd. Voor het verplaatsen van de niet-onderzochte grond kan de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden uit de Nota Bodembeheer. Echter, de ontvangende partij kan de grond afwijzen door het ontbreken van een partijkeuring. Het uitvoeren van een partijkeuring geeft meer zekerheid over de bodemkwaliteit. Onttrekken van grondwater en aanleg bodemenergiesysteem Zandweg 210 ligt in de schone zone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer.

Dit betekent dat bij bouwbemalingen en grondwateronttrekkingen er niet hoeft te worden deelgenomen aan het Gebiedsplan omdat het grondwater schoon is. Binnen de schone zone geldt geen dieptebeperking voor het boren. Bodemenergiesystemen mogen dus aangelegd worden in het eerste én tweede watervoerend pakket. Ondergrond De ondergrond kan worden benut voor duurzame energie (bodemenergie), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen (hittestress) en ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, parkeerkelders). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd het ondergronds ruimtegebruik en de afdekking van de bodem mee te nemen in het planontwerp, zodat de verschillende gebruiksdoelen geen belemmering voor elkaar of nadelige beïnvloeding op elkaar hebben. We sturen hierbij op meervoudig ruimtegebruik. Er wordt aangeraden zo min mogelijk grond af te dekken als het niet nodig is, grond her te gebruiken en de bodem zo min mogelijk te belasten waar groen wordt gerealiseerd. Conclusie Met het in acht nemen van bovenstaande maatregelen waaronder het saneren van de bodem om de locatie geschikt te maken voor het geoogde gebruik vormt het aspect bodem voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan geen belemmering.

5 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

5.9

Natuurbescherming

Op grond van de Omgevingswet moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de regels uit de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de omgevingsverordening provincie Utrecht. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet worden onderzocht of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied of er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het kader van soortenbescherming nodig is of er sprake is van een Natura-2000-activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Omgevingsweten en of er een passende beoordeling nodig is op grond van artikel 10.24 Bkl. Als er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele vergunningsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Omgevingswet geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst.

Hierin zijn kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Diervriendelijk bouwen Welke maatregelen worden genomen om diervriendelijk te bouwen? In gebouwen kunnen beschermde soorten voorkomen, die niet zomaar verstoord mogen worden. Voor eigen projecten en bepaalde soorten heeft de gemeente een soortenmanagementplan (SMP). Voor werkzaamheden die onder het SMP vallen, is geen vergunning van de provincie nodig voor een flora- en fauna-activiteit. Hiermee kunnen we ontwikkelingen laten plaatsvinden zonder voor elk gebouw een los natuuronderzoek uit te voeren, door negatieve effecten op voorhand te mitigeren en compenseren en een ecologische plus te realiseren. Deze voorwaarden staan in het SMP beschreven. Het SMP is ook voor een aantal gemachtigden beschikbaar, waaronder woningbouwcorporaties.

In eigen projecten en projecten van derden stelt de gemeente kaders aan het inbouwen van nestlocaties voor vogels en vleermuizen. Samen met een ecoloog wordt gekeken naar welke voorzieningen passend zijn in het gebied. Ontwikkelingen die (nog) niet onder het SMP kunnen werken, vragen zelf een vergunning aan. Het compenseren van eventueel verloren verblijfplaatsen wordt dan onderdeel van de vergunningvoorschriften. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Bij een wijziging van het omgevingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000).

Als een activiteit leidt tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en er niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot significante effecten op deze gebieden, wordt de activiteit aangemerkt als een Natura 2000-activiteit volgens de Omgevingswet en is deze vergunningsplichtig. Wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er geen significante bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

51

stikstofdepositie optreedt wordt de activiteit niet bestempeld als Natura 2000-activiteit en hoeft er geen omgevingsvergunning te worden verleend. Als er wel stikstofdepositie optreedt, maar er wordt aangetoond dat deze toename in stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden (middels een voortoets), is de activiteit ook geen Natura 2000-activiteit. Intern salderen is onderdeel van zo'n voortoets. Het project of plan is dus niet vergunningsplichtig als met een voortoets wordt aangetoond dat er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is de activiteit een Natura 2000-activiteit en is deze vergunningsplichtig. Er kan alleen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden afgegeven als uit vervolgonderzoek, in de vorm van een passende Beoordeling, blijkt dat de kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.

Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan ale volgende voorwaarden is voldaan: er zijn reële alternatieven voor de activiteit; er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; er vindt natuurcompensatie plaats. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-mer-plicht (art. 16.36 Ow). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de omgevingsverordening Provincie Utrecht (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen van) een wijziging van het omgevingsplan aan moeten voldoen. Algemene zorgplicht Ten slotte gelden voor Natura 2000-activiteiten en Flora- en Fauna-activiteiten de specifieke zorgplichten van de artikelen 11.6 en 11.27 uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van natuurbescherming is verplicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.

Als de gevolgen niet kunnen worden voorkomen moet zorg gedragen worden voor het zo veel mogelijk beperken of het ongedaan maken van die gevolgen. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet worden bezien of de activiteit achterwege gelaten kan worden, voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Daarom moet iemand die een bepaalde activiteit wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Plangebied Ten behoeve van de aanleg van de woningen is een stikstofdepositieberekening gemaakt (zie bijlage 1 deelonderzoeken Zandweg 210: bijlage 2 ). De stikstofemissie in de aanlegfase bedraagt ca. 84 kg NOx. Uit de berekening blijkt verder dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase ca. 3,4 kg bedraagt. De berekening met de Aerius calculator laat zien dat in beide fasen geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden.

Er zijn namelijk geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j De Natuurbank Overrijssel heeft in 2023 onderzocht of het plan wettelijke consequenties heeft in het kader van de Wet Natuurbescherming. (zie bijlage 3 Quick Scan Natuur, rapport 5603). Per 1-1-2024 is de Wet Natuurbescherming vervangen door de Omgevingswet. In 2025 zijn de bevindingen van het onderzoek getoetst aan de verbodsbepalingen voor beschermde soorten en gebieden zoals opgenomen in de Omgevingswet (zie bijlage 2, Actueel regelgeving Flora & Fauna, apport 5603a). Naar aanleiding van het onderzoek en op verzoek van de gemeente is in 2024 nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en huismussen (zie bijlage 4 Nader onderzoek vleermuis en huismus, rapport 6727). Hieruit is gebleken dat een klein aantal vleermuizen het gebied als foerageergebied gebruiken. Huismussen gebruiken het plangebied niet. Er zijn geen voortplantings- or rustplaatsen gevonden voor beide soorten. Het foerageergebied voor de vleermuizen is door alternatieven in de omgeving niet essentieel. Ook zal het gebied na de herontwikkeling weer geschikt zijn als foerageergebied. Het is niet nodig om een omgevingsvergunning voor een flora- fauna activiteit aan te vragen. 5 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Verder worden ten aanzien van beschermde soorten geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. De zorgplicht is wel te allen tijde van toepassing. Van de Utrechtse soorten komen de tjiftjaf en merel voor in de omgeving. Ook voor deze soorten geld dat het gebied na de ontwikkeling weer geschikt of zelfs beter geschikt wordt. Het uitgangspunt is diervriendelijk bouwen. Dit houdt in dat er per woning minimaal een ingebouwde verblijfplaats voor huismus of gewone dwergvleermuis wordt gerealiseerd. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van maatwerk waarbij een spouw toegankelijk is voor vleermuizen of boeiboorden waar vleermuizen achter kunnen wegkruipen. De positie en het type verblijfplaatsen wordt afgestemd met een stadsecoloog van de gemeente. Ook in de boomgaard komen nestkasten voor verschillende vogels en diersoorten. De haas en konijn zijn vanaf 1 september 2024 niet meer vrijgesteld bij bouwprojecten in de provincie Utrecht. Voor beide soorten wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied beschouwd. Het konijn leeft in halfopen, droge landschappen, zoals tuinen, perken, parken, graslanden en bosranden. Konijnen graven hun verblijven zelf en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems, waar het graven van holen makkelijker is.

Tijdens het veldbezoek zijn echter geen konijnenholen in het plangebied aangetroffen. Door de combinatie van stedelijke ligging, predatie, beperkte vluchtmogelijkheden, geïsoleerde ligging en beperkt voedsel is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor konijnen. De haas leeft vooral in open landschappen met beperkte bebouwing, zoals akkers, weilanden, heide, kwelders en open bosgebieden. Door de besloten ligging, de omringende watergangen, beperkte toegang tot open agrarisch land, menselijke verstoring en mogelijke predatie, is het plangebied niet geschikt als leefgebied voor hazen. Geen dak onbenut Er wordt gestreefd naar ongeveer 50% van de daken ingericht als groen dak, waarvan minimaal 25 % met bloeiende kruidachtige plantensoorten. Grote muurvlakken worden zo mogelijk bedekt met klimplanten die geen schade veroorzaken aan de gevel. Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde plannen.

5.10 Bomen Kader Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Deze beleidsregel is op 1 februari 2025 geactualiseerd met extra voorwaarden voor te herplanten soorten. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. In afdeling 8.1 van het omgevingsplan zijn de regels over het aantasten van bomen of andere houtopstanden opgenomen. In artikel 8.2 is de verbodsbepaling en vergunningsplicht opgenomen en zijn de regels over de 'herplantplicht' geborgd. Plangebied Op het perceel aan Zandweg 210 is de kwaliteit van de fruitbomen slecht tot zeer slecht. Momenteel staan er ruim 130 bomen op het perceel. Het overgrote deel is dood of is in slechte staat (zie bijlage 5, bomeninventarisatie, mei 2024).

In de bomeninventarisatie is gesteld dat laagstam fruitbomen over het algemeen niet ouder dan 30-40 jaar worden. De huidige laagstam appelbomen zijn ouder dan 50 jaar. De komende jaren zal meer dan 90% van de oorspronkelijke bomen dood zijn of zo uit elkaar vallen dat een gehavende situatie zal ontstaan.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

53

7 hoogstam perenbomen zijn nog in goede staat en kunnen behouden blijven. Deze hoogstambomen kunnen ouder dan 60 jaar worden. Bij goede snoeibeurten en goed beheer rondom deze perenbomen hebben ze toekomstwaarde. De rest van de bomen zal worden gekapt. Wegens het formaat van de bomen en het perceel is het nodig om een kapvergunning aan de vragen bij de gemeente Utrecht. Er geldt een herplantplicht en de herplant moet voldoen aan de beleidsregel 'Herplant naar waarde'. In totaal zullen er circa 293 nieuwe bomen geplaatst worden. Een groot deel van de nieuwe bomen zullen fruitbomen zijn. Met de aantallen en de soortkeuze voldoet de herplant aan de beleidsregel. Gezien de slechte staat van de huidige bomen is het aan te 5 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

nemen dat de kapvergunning kan worden verkregen. Dit is dus geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.11 Water en klimaatadaptatie Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem worden beïnvloed en onder druk komen te staan. In een waterparagraaf wordt een ruimtelijke motivering gegeven van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie, de 'watertoets'. Door in een vroeg stadium de weging van het waterbelang mee te nemen in de planontwikkeling en af te stemmen met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Met ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de weging van het waterbelang voor de herinrichting van het gebied in de gemeente Utrecht. Kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

55

afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, Delta-aanpak waterkwaliteit, WB21, NBW, Omgevingswet, Richtlijnen Vaarwegen, etc.; Provinciale Omgevingsvisie; Provinciale Omgevingsverordening; Gemeentelijk beleid: de visie Water en Riolering en de visie Klimaatadaptatie ; Waterschapsbeleid HDSR: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam', de Waterschapsverordening, Onderhoudsverordening, Profielenlegger en Onderhoudslegger; In deze paragraaf zijn het beleid, de richtlijnen en de eisen uit bovengenoemde beleidsdocumenten verder uitgewerkt en toegepast op het plangebied. De ambitie van de gemeente Utrecht is het gezond houden, robuust maken en toekomstbestendig maken van het water- en rioleringssysteem, voor iedereen. Daarbij wordt bijgedragen aan de volgende opgaven voor de stad: De basis op orde, door het borgen van een robuust water- en rioleringssysteem. Het realiseren van een toekomstbestendige stad via een klimaatbestendig en circulair water- en rioleringssysteem.

Het realiseren van een gezonde leefomgeving en een gezond water- en rioleringssysteem voor zowel mens, plant als dier. Oppervlaktewaterkwaliteit De gemeente streeft in overeenstemming met het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal verband (regionaal afvalwaterketen beleid, 2014). Deze zegt dat de waterkwaliteit van bestaand en nieuw te realiseren open water moet voldoen aan het streefbeeld zichtbaar. Afvalwater Het ontstaan van afvalwater wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Als afvalwater toch ontstaat, wordt het zo min mogelijk verontreinigd. Afvalwaterstromen worden daarom gescheiden gehouden, behalve als door het samenvoegen van de stromen de verwerking geen problemen ondervindt. Binnen de bebouwde kom moet huishoudelijk afvalwater op de riolering worden geloosd. Ook bedrijfsafvalwater wordt op deze manier ingezameld, tenzij dit ten koste gaat van het doelmatig functioneren van de riolering of de rioolwaterzuivering. In dat geval moet de eigenaar zelf de behandeling van het afvalwater verzorgen.

Buiten de bebouwde kom geldt hetzelfde, tenzij de capaciteit van het openbare vuilwaterriool niet toereikend is of een decentrale zuiveringstechniek een beter resultaat geeft dan de centrale zuivering van het waterschap. Hemelwater Een combinatie van groen, water, slimme kavelinrichting en ontwerp van de toekomstige gebouwen kan ingezet worden om wateroverlast en calamiteiten in de toekomst te voorkomen. Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Het Rijk, waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan. Klimaatdoelen Wet Milieubeheer Om de klimaatdoelen te behalen, is in de Wet Milieubeheer in artikel 10.29a ingegaan op de voorkeursvolgorde hoe met hemelwater om te gaan. In de weging van het waterbelang is dit op het projectgebied toegepast en geconcretiseerd. De voorkeursvolgorde is: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Vasthouden en nuttig gebruiken (geen lozing); Infiltratie op de bodem (bovengronds via het groen); Infiltratie in de bodem (ondergronds); Directe lozing in het oppervlaktewater; Lozing in een hemelwaterstelsel; Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van bovenstaande lozingsroutes: afvoer naar rioolwaterzuivering.

Waterschapsbeleid 5 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)

Utrecht

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de wateropgave en de benodigde watercompensatie afhankelijk van de aard en omvang van de toename aan verhard, afvoerend oppervlak en van de omgang met het hemelwater. Toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van nieuw aan te leggen oppervlaktewater met een minimaal oppervlak binnen het peilgebied. HDSR: Bij een toename van het verhard oppervlak van minimaal 500 m2 dan geldt de eis: 15% oppervlaktewater in het plangebied ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak of een gelijkwaardige waterbergingsvoorziening. Bij voorkeur moet 100%, maar minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag over het totaal verhard oppervlak opgevangen en geïnfiltreerd worden in de bodem (stap 1 tot en met 3 van de voorkeursvolgorde). Dat kan bereikt worden met minimaal 15 mm waterberging ten opzichte van het verharde oppervlak binnen het plangebied. Het terrein is zodanig ingericht dat het water de bergingsvoorziening kan bereiken. De waterberging moet na 48 uur weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe buien. In het waterhuishoudingsplan moet worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloopvoorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht. Vanaf stap 4 van de voorkeursvolgorde moet onderbouwd worden waarom de stappen met meer voorkeur niet haalbaar zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=91712b90-1c19-4c48-90a5-0a1746f47eab