TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide_Bijlagen motivering
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide Vastgesteld, datum nog vast te stellen
TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide
Inhoudsopgave Bijlagen motivering
3
Bijlage 1
Deelonderzoeken Zandweg 210
5
Bijlage 2
Toets actueel regelgeving Fauna & Flora
251
Bijlage 3
Quick Scan Natuur
259
Bijlage 4
Nader onderzoek vleermuis en huismus
295
Bijlage 5
Bomeninventarisatie
305
Bijlage 6
Aanvullend bomenonderzoek
323
Bijlage 7
Archeologisch Onderzoek
329
Bijlage 8
Bodemonderzoek
395
Bijlage 9
Notitie Waterbelang
519
Bijlage 10
Mer beoordelingsbeslissing
525
Bijlage 11
Inrichtingsplan
529
2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlagen motivering
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)
3
4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)
Utrecht
Bijlage 1 Deelonderzoeken Zandweg 210
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Zandweg 210, Vleuterweide" (vastgesteld)
5
Aanmeldingsnotitie woningbouw Zandweg 210 in De Meern Versie D2 Milieu en Ruimte
blad 2 van 22
Het resultaat Projectnummer: 242649 Onderzoekslocatie: Zandweg 210 in De Meern
22 oktober 2024
De uitkomsten
Vervolg
In deze notitie is onderzocht wat de milieueffecten zijn van het realiseren van drie nieuwe woningen op Zandweg 210 in De Meern. Het blijkt dat de effecten op de omgeving zodanig zijn dat er geen sprake is van effecten dat een Milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Het bevoegd gezag vragen om een beschikking dat het opstellen van een milieu effect rapport in het geval van het planvoornemen op Zandweg 210 in De Meern niet nodig is.
Senior Adviseur
Ravenswade 54 3439 LD Nieuwegein quipe-adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl
Controleur:
blad 3 van 22
Inhoudsopgave
pagina
1.
Inleiding ....................................................................................................................................................... 4
2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Kenmerken van het project ....................................................................................................................... 5 De omvang van het project ....................................................................................................................... 5 De cumulatie met andere projecten .......................................................................................................... 6 Natuurlijke hulpbronnen ............................................................................................................................. 6 Productie van afvalstoffen......................................................................................................................... 6 Verontreiniging en hinder .......................................................................................................................... 6 Risico van ongevallen ..................................................................................................................................7 Risico van menselijke gezondheid .............................................................................................................7
3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Plaats van het project ................................................................................................................................ 8 Huidige situatie ruimtelijke ordening......................................................................................................... 8 Toekomstige situatie ruimtelijke ordening................................................................................................ 8 Landschappelijke inpassing ....................................................................................................................... 9 Historisch, cultureel en/of archeologisch waardevol gebied ................................................................. 10 Gevoelige gebieden .................................................................................................................................. 11 Bestaand grondgebruik............................................................................................................................. 12
4.
Kenmerken van de activiteiten ................................................................................................................. 13
5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Toetsing belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ........................................................................ 14 Geluidbelasting .......................................................................................................................................... 14 Luchtkwaliteit............................................................................................................................................. 14 Bodemkwaliteit .......................................................................................................................................... 14 Afvalwater .................................................................................................................................................. 15 Veiligheid .................................................................................................................................................... 16 Energie ....................................................................................................................................................... 16
6.
Algemene conclusie .................................................................................................................................. 17
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4:
Archeologisch onderzoek .............................................................................................................. 18 Stikstofdepositieonderzoek .......................................................................................................... 19 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ................................................................................. 20 Bodemonderzoek ........................................................................................................................... 21
blad 4 van 22
1.
Inleiding
De initiatiefnemer is voornemens om locatie Zandweg 210 in De Meern te ontwikkelen. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van drie nieuwe woningen (naast één bestaande woning) op een perceel dat in het verleden in gebruik is geweest als boomgaard. De fruitbomen zijn momenteel in zeer slechte staat. De initiatiefnemer wil woningen toevoegen aan een gebied waar sprake is van een grote vraag naar woonruimte. In het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11 en bijlage V) zijn project-mer-beoordelingsplichtige projecten, gevallen en besluiten aangewezen. Geregeld is in welke gevallen het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Dit dient te gebeuren op grond van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling. De criteria van bijlage III van de richtlijn omvatten: 1. De kenmerken van het project: • de omvang van het project; • de cumulatie met andere projecten; • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • verontreiniging en hinder; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten.
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaande grondgebruik; • de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bereik van het effect; • het grensoverschrijdende karakter van het effect; • de waarschijnlijkheid van het effect; • de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Het planvoornemen valt binnen categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. Ten behoeve van het nemen van een besluit op de aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geldt de mer-beoordelingsplicht (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet). Hiertoe is deze aanmeldingsnotitie voor een mer-beoordeling opgesteld. Leeswijzer In de hoofdstukken 2 en 3 worden respectievelijk de kenmerken en de plaats van het project beschreven. De kenmerken van de activiteiten staan vermeld in hoofdstuk 4.
De toetsing of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden ten gevolge van het initiatief is uitgewerkt in hoofdstuk 5. De algemene conclusie ten slotte staat in hoofdstuk 6.
blad 5 van 22
2.
Kenmerken van het project
2.1
De omvang van het project
Het perceel is kadastraal bekend onder gemeente Utrecht, sectie E, nummer 1096. De locatie heeft een oppervlakte van circa 9.500 m², is vrijwel geheel onverhard. Er staat één woning die behouden blijft, naar deze woning loopt een halfverhard pad. Verder staan op het perceel fruitbomen, die in slechte staat zijn. Het perceel wordt aan drie zijden begrensd door sloten. Aan de voorzijde van het perceel loopt de Zandweg. Aan de overzijde van de weg is een groenstrook en de Leidse Rijn. Onderstaand figuur 1 geeft een beeld van de locatie en de huidige inrichting. figuur 1: ligging en begrenzing van het plangebied en huidige inrichting.
De afmetingen van de gehele kavel bedragen globaal circa 190 bij 50 m. Het gebied rondom de planontwikkeling wordt grotendeels gekenmerkt door woonwijken die behoren tot de grote uitbreidingslocatie “Leidse Rijn”.
blad 6 van 22
2.2
De cumulatie met andere projecten
In de omgeving van het projectgebied zijn geen andere ontwikkelingsprojecten in voorbereiding of in uitvoering. Er zijn derhalve geen andere projecten in de omgeving waarbij sprake zou kunnen zijn van enige cumulatie met de bouw van de drie woningen.
2.3
Natuurlijke hulpbronnen
De kavel is in gebruik geweest voor particuliere bewoning met fruitboomgaard. Het terrein is derhalve grotendeels onverhard. De boringen in het kader van het bodemonderzoek geven inzicht in de bodemopbouw. De bodem bestaat vrijwel overal tot een diepte van minimaal 0,5 m -mv uit klei. Op enkele deellocaties bestaat de bovengrond uit zand. Ook de ondergrond (>0,5 m -mv) bestaat voornamelijk uit klei; slechts op drie plaatsen is zand in de ondergrond aangetroffen. Verder zijn enkele antropogene bijmengingen (onder andere puin- en koolresten) in bodemmonsters aangetroffen. Het grondwaterpeil bevond zich tijdens het bodemonderzoek in juli 2024 op ca. 1 m -mv. De kwaliteit van zowel bodem als grondwater (bijlage 4) komt overeen met een voor stedelijk gebied gangbaar beeld van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen. De bestaande bodem wordt in beginsel slechts geroerd ten dienste van de aanleg van de fundering, leidingen en eventueel aan te brengen prefab kelder. De vrijgekomen grond zal op het terrein worden verwerkt. Gezien de grondwaterstand is het niet te verwachten dat tijdens de bouw onttrekking van grondwater noodzakelijk is. Dit zal nader worden uitgezocht en aangegeven bij de aanvraag Omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Verder wordt opgemerkt dat de nog resterende fruitbomen worden gekapt. De toestand van deze bomen is slecht.
Alleen enkele hoogstamfruitbomen aan de zuidkant van het perceel kunnen worden gehandhaafd. Als onderdeel van het plan worden ca. 300-400 nieuwe fruitbomen geplant. De locatie is niet bestemd als waterwingebied en wordt niet benut voor het gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen.
2.4
Productie van afvalstoffen
Bij de activiteiten die plaats gaan vinden op de projectlocatie komt een minimale hoeveelheid afvalstoffen vrij. Dit betreft de normale hoeveelheden bouwafval en huishoudelijk afval. Dit wordt met regelmaat, gescheiden, opgehaald door de gemeentelijke reinigingsdienst en afgevoerd naar een erkende verwerker. Hierbij zijn geen grote nadelige milieueffecten te verwachten.
2.5
Verontreiniging en hinder
Aanlegfase De hinder tijdens aanlegfase zal beperkt zijn gezien de omvang van het project en de relatief korte duur van de bouw, naar verwachting twaalf maanden. Er is geen sprake van sloopwerkzaamheden. Wel worden de nog resterende fruitbomen gekapt. Niet ieder onderdeel van het bouwproces zal hinder veroorzaken waarbij er zal worden gestreefd naar minimale overlast/hinder voor de omgeving. Tevens zullen alle bouwactiviteiten en opslag op het bouwterrein plaatsvinden. Tijdens de bouw zullen er verkeersbewegingen zijn voor onder andere aan- en afvoer van bouwmaterialen en personeel. Gezien het relatief beperkte aantal extra (tijdelijke) verkeersbewegingen door de bouwwerkzaamheden zal geen sprake zijn van additionele verkeershinder.
blad 7 van 22
De bouwwerkzaamheden zullen op hoofdlijnen bestaan uit: 1. 2. 3. 4. 5.
Ontgraven en realiseren van fundering/constructies. Aanleg kabel/leiding tracé en riolering. Bouw nieuwe opstallen en verbouwing bestaande woning. Inrichting buitenterrein. Aanbrengen van groenvoorzieningen.
De geluidseffecten tijdens de bouw zullen in een tijdsperiode van circa twaalf maanden plaatsvinden. De bouw zal voldoen aan de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Eventuele, tijdelijke geluidsproductie door de werkzaamheden in de aanlegfase zal in zeer beperkte mate additionele geluidhinder veroorzaken. Van hinder door trillingen zal eveneens geen sprake zijn. Gebruiksfase Het planvoornemen voorziet in de realisatie van drie extra woningen. De verkeersaantrekkende werking van het plan is berekend op basis van de CROW ASVV 2012. De kentallen uit het CROW rapport zijn: 7,8 – 8,6 autoritten per etmaal per vrijstaande koopwoning (rest bebouwde kom in sterk stedelijk gebied). Maximaal betekent dit dat er sprake is van 26 verkeersbewegingen per dag. Gezien de huidige afwikkeling van het verkeer vormt het aantal verkeersbewegingen geen belemmering voor het planvoornemen. Binnen het project geldt dat geparkeerd zal worden op eigen terrein. De aanleg van parkeerplaatsen in de openbare ruimte is derhalve niet noodzakelijk. De parkeerdruk vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
2.6
Risico van ongevallen
Bij het risico op ongevallen wordt met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Aangezien er geen gevaarlijke stoffen of machines worden gebruikt, is het risico op ongevallen nihil.
2.7
Risico van menselijke gezondheid
Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen op de menselijke gezondheid. Er worden geen schadelijke stoffen gebruikt bij de bouw. Ook wordt er bij de inrichting van het terrein gekozen voor maatregelen die hittestress beperken.
blad 8 van 22
3.
Plaats van het project
3.1
Huidige situatie ruimtelijke ordening
Op de gronden zijn de regels uit het Omgevingsplan van Utrecht van toepassing. Het betreft het bestemmingsplan Vleuterweide, Vleuten. Op de locatie gelden de enkelbestemmingen ‘wonen – 1’ en ‘waarde - archeologie’. Verder is er sprake van de functie fruitteelt (figuur 2). Verder geldt in de noordoosthoek van de kavel een vrijwaringszone met het oog op een straalpad. De consequentie hiervan is dat er niet hoger dan 35 m gebouwd mag worden. Tenslotte geldt voor een smalle strook die parallel loopt aan de Zandweg een tweetal bestemmingen: ‘waterstaat – waterkering’ en ‘leiding – riool’. Op deze strook wordt slechts de aansluiting van de toegangsweg vanaf de Zandweg tot de woningen gerealiseerd; er vinden geen bouwactiviteiten plaats. Binnen de enkelbestemming ‘wonen-1’ is wonen toegestaan. Het bestaande aantal woningen mag echter niet worden uitgebreid. Om deze reden is het initiatief strijdig met de huidige bestemming. Om het initiatief mogelijk te maken moet een Omgevingsvergunning in het kader van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) worden aangevraagd. figuur 2: uitsnede van de verbeelding.
3.2
Toekomstige situatie ruimtelijke ordening
Het project bestaat uit het realiseren van drie extra woningen, aanvullend op de reeds bestaande (figuur 3). Deze drie woningen worden volledig nieuw gebouwd. De hoogte van de nieuwe woningen bedraagt 6,6 m.
blad 9 van 22
3.3
Landschappelijke inpassing
De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woongebied. Veel woningen in de omgeving zijn gerealiseerd als onderdeel van de grote Utrechtse uitbreidingswijk Leidse Rijn. Met name langs de Leidse Rijn is nog sprake van de oorspronkelijke lintbebouwing van De Meern. Verder is er in de nabijheid sprake van diverse maatschappelijke functies en gronden die bestemd zijn voor verkeer, groen en water. De Leidse Rijn enerzijds en bomenrijen anderzijds zijn karakteristieke beeldbepalende elementen. De toekomstige woonbebouwing en nieuw aan te leggen boomgaard worden volledig ingepast in het huidige straatbeeld. Bij de nieuwbouw zal aandacht worden besteed aan infiltratie en berging van water alsmede toevoeging van natuurlijke elementen ter versterking van de biodiversiteit. Dit zal onder andere bestaan uit: • Deels waterdoorlatende bestrating. • Aanplant van nieuwe fruitbomen. • Slootranden die beter overbrugbaar zijn voor dieren (natuurvriendelijke oever). figuur 3: inrichtingsschets van de drie nieuwe en één bestaande woning aan Zandweg 210 in De Meern. A: bovenaanzicht:
blad 10 van 22
B: zijaanzicht:
Natuurinclusief bouwen richt zich op het verhogen van biodiversiteit, het verminderen van de hoeveelheid verhard oppervlak en het creëren van natuurlijke bufferzones. Hierdoor wordt de natuurlijke omgeving gerespecteerd en wordt bijgedragen aan een betere leefomgeving voor mens en dier. Bij de nieuwbouw ontstaan kansen voor de natuur in de stad. Groen en water dragen bij aan het ter plekke vasthouden en verwerken van regenwater en zorgen voor het terugdringen van hittestress en hebben een positief effect op de beperking van wateroverlast bij zware regenbuien.
3.4
Historisch, cultureel en/of archeologisch waardevol gebied
Binnen het planbied zijn op kavelniveau geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Verder is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Het onderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd (figuur 4): • Voor het zuidelijk deel van het plangebied worden geen aanbevelingen voor behoud en/of vervolgonderzoek gedaan. Daar is sprake van een lage archeologische verwachting. Wel geldt daar dat wanneer er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden gevonden, deze op basis van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 bij Gemeente Utrecht moeten worden gemeld. • In het noorden van het plangebied geldt vanaf een diepte van 25 cm -mv een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit betekent dat de aanleg van een bouwput daar, het trekken van wortels en aanplanten van nieuwe bomen (in groepen door hun wortelstelsel) tot verstoringen van de ondergrond zullen leiden. Het onderzoek leidt tot de aanbeveling om op de plaatsen, waar bodemingrepen zullen plaatsvinden, een vervolgonderzoek uit te voeren om te bepalen of en in hoeverre er waardevolle archeologische resten in het gebied aanwezig zijn. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dergelijk onderzoek vindt plaats op een van te voren door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PVE) en Plan van Aanpak (PVA).
Met deze werkwijze kan voor de gehele ontwikkeling worden gegarandeerd dat er geen archeologisch waardevolle objecten verloren zullen gaan.
blad 11 van 22
figuur 4: archeologische verwachtingswaarde (bron: bijlage 1).
3.5
Gevoelige gebieden
Natuur Het plangebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde, Oostelijke Vechtplassen (nr. 95, figuur 5) ligt op een afstand van ca. 9 km. Gezien deze afstand en de aard van het tussenliggende gebied (woonwijken, provinciale wegen) wordt niet verwacht dat de bouwactiviteiten (trillingen, geluid, licht) invloed zullen hebben op de natuurwaarden. Voor het project is tevens gekeken naar de stikstofdepositie ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het planvoornemen (bijlage 2). De berekening geeft aan dat er geen Natura 2000-gebieden zijn met rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j. Het plangebied valt niet onder het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Grondwaterbeschermingsgebieden Het dichtstbijzijnde waterwingebied ligt in het centrum van De Meern. Daaromheen ligt de grondwaterbeschermingszone – boringsvrije zone. Deze zone reikt net niet tot het planinitiatief: de begrenzing ligt ca. 50 naar het oosten. Gezien deze afstand en de aard van de aangevraagde activiteiten, die plaatsvinden in een gebied waar al op uitgebreide schaal sprake is van woningbouw, is er geen negatieve impact op het grondwater te verwachten. Stiltegebieden De dichtstbijzijnde stiltegebieden liggen in de Lopikerwaard en in het gebied ten noorden van Harmelen. Beide liggen op meerdere kilometers afstand.
Gezien deze afstand én mede gezien de tussenliggende situering van drukke wegen en diverse woonwijken, is er van de aangevraagde activiteiten geen impact op deze stiltegebieden te verwachten.
blad 12 van 22
3.6
Bestaand grondgebruik
De locatie is in gebruik geweest voor particuliere bewoning met boomgaard. De inmiddels vervallen ‘boomgaard’ zal nieuw worden aangeplant. De nieuwe inrichting van het terrein voorziet erin dat de groene beleving wordt hersteld en naar de toekomst aanwezig blijft. figuur 5: ligging ten opzichte van het (in groen aangegeven) Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (nr. 95).
blad 13 van 22
4.
Kenmerken van de activiteiten
Het project is te splitsen in meerdere onderdelen. Het eerste onderdeel bestaat uit het bouwrijp maken van het terrein. Onder meer worden de nog resterende fruitbomen gekapt. In de tweede fase worden de woningen gebouwd en ten slotte wordt de buitenruimte (de nieuwe boomgaard) ingericht. Als onderdeel daarvan worden nieuwe fruitbomen geplant. Tezamen met de herinrichting van de waterkanten wordt een ‘groene long’ in het gebied gecreëerd. In figuur 4 staat het ontwerp van de woningen. De maximale hoogte van de gebouwen bedraagt ca. 6,6 m en deze hoogte sluit goed aan bij de bestaande woning en de directe omgeving. Bij de realisatie wordt rekening gehouden met aspecten als duurzaamheid, natuurinclusief bouwen en circulariteit. Duurzaamheid De ontwikkeling wordt waar mogelijk duurzaam ontworpen, zo energiezuinig mogelijk gebouwd en voorzien van duurzame opwekking van energie. In de Bouwenvelop en de Omgevingsvergunning, activiteit bouwen zal nadere invulling worden gegeven aan de hierbij aangegeven aspecten. Hittestress wordt zoveel mogelijk op een natuurlijk wijze voorkomen. Mogelijke maatregelen zijn groendaken, gevelgroen, spui/ventilatiemogelijkheden in de woning, type en hoeveelheid glas, zonwering, KWO-systeem, et cetera.
Ook het materiaalgebruik in de buitenruimte heeft invloed op de opwarming van de omgeving, het liefst wordt er zo min mogelijk verhard maar indien nodig wordt er gebruikt gemaakt van materialen van een lichte kleur. De nieuwbouwwoningen zullen aardgasvrij zijn. Alternatieven voor verwarmen met aardgas zijn aansluiten op het warmtenet (niet aanwezig in de wijk) of verwarmen met een warmtepomp. De woningen zullen allelectric worden gebouwd en niet worden aangesloten op het warmtenet. Natuurinclusief bouwen Natuur inclusief bouwen richt zich op het verhogen van biodiversiteit, het verminderen van de hoeveelheid verhard oppervlak en het creëren van natuurlijke bufferzones. Hierdoor wordt de natuurlijke omgeving gerespecteerd en wordt bijgedragen aan een betere leefomgeving voor mens en dier. Bij de nieuwbouw ontstaan kansen voor de natuur in de stad. Groen en water dragen bij aan het ter plekke vasthouden en verwerken van regenwater en zorgen voor het terugdringen van hittestress en hebben een positief effect op de beperking van wateroverlast bij zware regenbuien. De nieuwe aanplant en deels groene daken dragen hieraan bij en versterken de biodiversiteit. Energie De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor een groot deel van het energieverbruik en kan daarmee een grote bijdrage leveren aan duurzaamheidsdoelstellingen.
De kansen zitten in het beperken van de energiebehoefte, het opwekken van hernieuwbare energie en in aardgasvrij bouwen. De energiebehoefte van de woningen bestaat uit de warmte- en koudevraag en zal in kaart worden gebracht met een ‘energiescan’. De energiebehoefte wordt bepaald door een samenspel van factoren, zoals de verhouding glas ten opzichte van dichte gevel, mate van isolatie, mate van kierdichting, aanwezigheid van koudebruggen, vorm (geometrie) en de ligging en de bezonning van een gebouw. Hierbij kan ook onderzocht worden of oververhitting in een gebouw een probleem kan zijn en hoe de ventilatie geoptimaliseerd kan worden. Deze aspecten, op basis van de huidige regelgeving en doelstellingen van de gemeente Utrecht, zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Circulariteit Het gebruik van grondstoffen zorgt voor uitputting van de aarde en de uitstoot van CO2. Het is daarom van belang om het gebruik van grondstoffen zoveel mogelijk te beperken. Dit kan bijvoorbeeld door hergebruikte materialen te gebruiken en door bebouwing zodanig te ontwerpen dat hergebruik van materialen mogelijk is. Op het moment dat de bebouwing niet meer kunnen worden gebruikt als woning, kunnen zij circulair worden gesloopt, zodat zoveel mogelijk materialen hoogwaardig kunnen worden hergebruikt. Naast circulaire materialen zijn biobased materialen mogelijk een optie.
Bij de verdere uitwerking van het plan zal worden onderzocht hoe en waar dit kan worden toegepast.
blad 14 van 22
5.
Toetsing belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
In dit hoofdstuk worden de gevolgen van de totale ontwikkeling op de verschillende milieuthema’s beschreven.
5.1
Geluidbelasting
Het plangebied is gelegen binnen de zone van meerdere wegen. Hiertoe zijn akoestische berekeningen uitgevoerd (bijlage 3). De resultaten van het onderzoek zijn: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de gemeentelijke wegen bedraagt ten hoogste 44 dB Lden. De geluidbelasting voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. • Omdat voldaan wordt aan de standaardwaarde kan geconcludeerd worden dat wegverkeerslawaai geen bezwaar vormt voor de realisatie van de woningen. Andersom kan worden gesteld dat de nieuwe activiteiten volledig passen binnen de functie “wonen” in een wijk aan de rand van het centrum en het is dan ook niet te verwachten dat het planvoornemen bijdraagt aan enige geluidsoverlast. Conclusie ten aanzien van het aspect geluid Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.2
Luchtkwaliteit
Fijn stof en stikstofdioxide Als de Gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Bal, moet worden voldaan aan omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekende mate (NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan drie procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan drie procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent onder meer dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen (met één ontsluitingsweg) niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie nieuwe woningen. Hieruit blijkt dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Stof Gezien de activiteiten zijn geen nadelen op de omgeving met betrekking tot stofemissies te verwachten. Geur Gezien de activiteiten zijn geen nadelen op de omgeving met betrekking tot geuremissie te verwachten. Stikstofemissie Voor het project is een AERIUS-berekening gemaakt.
De berekening geeft aan dat er geen Natura 2000gebieden met rekenresultaten die hoger dan de drempelwaarde zijn. De AERIUS-berekening is toegevoegd als bijlage 2. Conclusie ten aanzien van het aspect lucht Gezien de activiteiten zijn geen negatieve gevolgen van diffuse emissies te verwachten. Concluderend vinden er geen nadelige effecten plaats met betrekking tot het aspect lucht.
5.3
Bodemkwaliteit
Ten behoeve van het planvoornemen is door BK ingenieurs een onderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van de bodem (bijlage 4). Ook is asbest meegenomen in dit onderzoek. Het onderzoek heeft de volgende conclusies opgeleverd:
blad 15 van 22
•
•
• • •
De bovengrond is lokaal ‘sterk verontreinigd’ met de parameters koper, zink, cadmium, lood, nikkel en chroom. De verontreiniging is horizontaal en verticaal afgeperkt en is aanwezig over circa 65 m² met een laagdikte van circa 0,5 m. Het volume verontreinigde grond is vastgesteld op ongeveer 33 m3. De bovengrond ter plaatse van het overige terreindeel voldoet indicatief aan maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Er zijn (maximaal) matig verhoogde gehalten aan zink, cadmium, koper en nikkel aangetoond. De ondergrond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 - 0,5 m -mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. In het grondwater zijn geen geanalyseerde stoffen boven de (halve) signaleringsparameters aangetoond.
Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Omdat op de locatie een bodemverontreiniging met zware metalen is aangetroffen, wordt niet volledig aan de beoogde toekomstige functie (‘Wonen met tuin’) voldaan. Om deze reden zijn meldingen conform de volgende milieubelastende activiteiten (MBA) noodzakelijk (uiterlijk vier weken voor de graafwerkzaamheden): • MBA Saneren van de bodem; • MBA Graven in de bodem. Verder geeft de ontwikkeling van het plan geen aanleiding tot nieuwe bodemverontreiniging. Conclusie ten aanzien van het aspect bodem De nieuwe activiteiten vormen geen nieuwe bedreiging voor de bodemkwaliteit.
5.4
Afvalwater
In het gebied is een gemengd rioolstelstel aanwezig. Alle afvalwater (DWA) afkomstig uit woningen en bedrijven is momenteel op dit stelsel aangesloten, evenals het hemelwater. De volgende vuilwaterlast komt daarbij, na realisatie van de drie woningen: ca. 0,11 m3/uur. De verwachting is dat de huidige capaciteit van de persleiding waarop geloosd zal worden toereikend zal zijn. Gemeente Utrecht voorziet dan ook geen noodzaak om de capaciteit van het rioolstelsel in dit deel van De Meern op korte termijn te vergroten. Op termijn wordt het gehele rioolstelsel in gemeente Utrecht gerenoveerd; wanneer dit het geval is in De Meern, is momenteel nog niet aan te geven. Wel worden de afvoeren van huishoudelijk afvalwater en hemelwater zodanig aangelegd dat ze, op termijn, gescheiden kunnen worden aangeboden aan een vernieuwd rioolstelsel. De huidige capaciteit van het bestaande drukrioolsysteem op Zandweg 210 is nog onderwerp van onderzoek. Ten behoeve van de toekomstige afvalwaterlozing zal worden nagegaan of het systeem, inclusief mini-gemaal, toereikend is. Mocht hieruit blijken dat er technische maatregelen (uitbreiding of vervanging) nodig zijn, dan zullen deze voor de oplevering van de nieuwe woningen worden uitgevoerd. Conform de beleidsregels heeft het de voorkeur om regenwater vast te houden, te bergen en dan vertraagd af te voeren zodat overlast wordt voorkomen.
Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden hanteert als principe “hydrologisch neutraal ontwikkelen”. Dit houdt in dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Binnen het plan neemt de oppervlakte met verhard oppervlak toe. Het terrein was grotendeels onverhard (boomgaard), terwijl in de nieuwe situatie woningen, tuinen en een toegangsweg worden gerealiseerd. Hierbij is het streven om een deel van de buitenruimte (inrit en paden) rondom de woningen in te richten met open grastegels of waterdoorlatende afwerking. Dit zou gunstig zijn met het oog op bovenstaand principe en zou aansluiten bij het streven van zowel de Gemeente als het Hoogheemraadschap om particulieren te stimuleren om te “ontharden”. Gezien de feiten en omstandigheden is het aanleggen van watercompensatie voor dit initiatief nodig. De precieze hoeveelheid watercompensatie moet nog worden berekend op basis van het definitieve ontwerp. Het benodigde oppervlak aan oppervlaktewater zal worden gerealiseerd door, op eigen terrein, één van de bestaande sloten te verbreden. De omringende sloten zijn in eigendom van het Hoogheemraadschap of in particulier bezit. De verbreding wordt gecombineerd met het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.
blad 16 van 22
De eigenaar van het perceel is daarbij zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en het in stand houden van de watercompensatie. Conclusie ten aanzien van het aspect afvalwater Het afvalwater wordt zodanig behandeld dat er geen grote nadelige milieueffecten zijn te verwachten.
5.5
Veiligheid
Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes (spoor, snelweg, et cetera) met gevaarlijke stoffen. Verder zijn er geen risicovolle stationaire bronnen in de nabijheid. Het plangebied grenst echter wel aan het invloedsgebied van een buisleiding: gasleidingen W501-21 en W501-02. Feitelijk valt de begrenzing van het brandaandachtsgebied over het westelijk deel van de planlocatie. In het kader van het bestemmingsplan Vleuterweide is reeds aangetoond dat er geen sprake is van plaatsgebonden risico’s en groepsrisico’s. Het groepsrisico wordt als aanvaardbaar beschouwd, omdat mede rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Dit geldt voor vele woningen binnen het bestemmingsplangebied (waarvan er meerdere dichter bij de gasleiding liggen dan het voorliggende planvoornemen) en geldt derhalve eveneens voor het huidige planvoornemen dat immers als inbreidingslocatie te bezien valt. Conclusie ten aanzien van het aspect veiligheid Het initiatief leidt niet tot veiligheidsrisico’s.
5.6
Energie
Het voorziene energiegebruik (zie hoofdstuk 4) als gevolg van de nieuwe activiteiten is zeer gering: er wordt gestreefd naar energie neutrale woningen. Daarmee wordt de nieuwe situatie gunstiger in vergelijking met gangbare woonsituaties. Conclusie ten aanzien van het aspect energie Het initiatief leidt niet tot een onevenredig grote vraag naar fossiele brandstoffen of andere energiedragers.
blad 17 van 22
6.
Algemene conclusie
In deze aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling is de impact van de voorgenomen realisatie van drie extra woningen aan Zandweg 210 in De Meern onderzocht. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Het opstellen van een MER zal niet meer duidelijkheid geven dan verkregen kan worden bij het tot stand komen van de beslissing op de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Wij vragen het bevoegd gezag dan ook een beschikking af te geven dat het opstellen van een MER niet nodig is.
blad 18 van 22
Bijlage 1:
Archeologisch onderzoek
Transect-rapport 5534 De Meern, Zandweg 210 Gemeente Utrecht (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Auteur Versie
Versie 1.1
Projectcode
24050110
Gemeentelijke projectcode
DMZ00
Datum
19-07-2024
Opdrachtgever
Equipe Adviseurs
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Veldonderzoek
(Senior KNA Prospector)
Onderzoeksmelding
5645752100
Bevoegde overheid
Gemeente Utrecht
Adviseur bevoegde overheid
Gemeente Utrecht
Status
Nog te beoordelen
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (29-08-2024)
Autorisatie Naam Drs. (Senior KNA Prospector)
Datum
Paraaf
18-09-2024
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Equipe Adviseurs heeft Transect b.v. in augustus 2024 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Zandweg 210 in De Meern (gemeente Utrecht). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. •
•
Het plangebied bevindt zich op de Heldam stroomrug, een voorloper of zijtak van de Oude Rijn, die als rivier reeds actief was in het Neolithicum. De rivier is meerdere malen verjongd en opnieuw geactiveerd, maar als gevolg van de hogere ligging in het landschap, is de stroomrug vanaf haar ontstaan altijd interessant geweest voor bewoning, met name op de relatief hoog gelegen oeverwallen. De top van deze oever, waarin archeologische resten aanwezig kunnen zijn, bevindt zich naar verwachting binnen een diepte van 1,0 m -Mv. In de omgeving van het plangebied zijn in de oeverafzettingen met name resten uit de Romeinse Tijd bekend. Direct ten zuidwesten van het plangebied ligt zelfs de Romeinse limes, een Romeinse weg met erlangs militaire structuren, bewoning en andere, aan infrastructuur gerelateerde, zaken. De ligging van de weg is daar door onderzoek aangetoond. Ook zijn er langs de Leidsche Rijn nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen gevonden. Waarschijnlijk zijn deze onderdeel van huisplaatsen die langs de in aanleg 14e eeuwse vaart hebben gelegen. Zodoende is de verwachting op archeologische resten langs de Leidsche Rijn hoog. Er dient wel rekening mee te worden gehouden dat de bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten (deels) verstoord zijn geraakt.
Dit is het gevolg van het afvletten (afkleien) van de oeverafzettingen van de Heldam stroomrug in de loop van de 17e en 18e eeuw ten behoeve van de steenindustrie. Aanwijzingen hiervoor zijn reeds aangetroffen bij archeologische onderzoeken ten oosten van het plangebied. Bij de kleiwinning behoeven echter niet alle archeologische resten verdwenen te zijn, aangezien bij archeologisch onderzoek langs de Oude Rijn ten westen van Utrecht in grootschalig afgekleide gebieden soms toch sporen van bewoning zijn aangetroffen (Blom e.a., 2003). Daarom is vooralsnog de archeologische verwachting op resten in de rest van het plangebied middelhoog. Het aantreffen van nederzettingsresten uit de Nieuwe Tijd in het plangebied is niet waarschijnlijk aangezien op basis van historische kaarten geen oude bebouwing wordt verwacht. De eerste bebouwing in het plangebied in de Nieuwe tijd is de huidige bebouwing. Er geldt daarom voor vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd een lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de archeologische verwachting voor het noordelijk deel van het terrein naar hoog bij te stellen, terwijl deze voor het zuiden van het plangebied juist laag is.
De hoge verwachting in het noorden van het plangebied hangt namelijk samen met de aanwezigheid van intacte restgeul- en deels oeverafzettingen in combinatie met de aanwezigheid van een oud maaiveldniveau. De aanwezigheid van een intact bodemarchief maakt in combinatie met de rijkdom aan archeologische resten in de omgeving van het plangebied de kans op de aanwezigheid van resten in het plangebied groot, in het bijzonder in relatie tot de Romeinse limesweg. Deze bevindt zich immers vlakbij. De lage verwachting die aan het zuidelijk deel van het plangebied is toegekend is gebaseerd op het volledig ontbreken van de oeverafzettingen daar. Eventueel aanwezige resten zouden immers op de oorspronkelijke top ervan worden verwacht. Waarschijnlijk zijn de archeologische resten met het afvletten van de oeverafzettingen ten behoeve van de kleiwinning in het gebied volledig verdwenen.
Advies In het kader van de planvorming zijn drie nieuwe woningen in het plangebied gepland. Ook zullen fruitbomen worden verwijderd en zullen er nieuwe worden aangeplant. In het noorden van het plangebied geldt vanaf een diepte van 25 cm -Mv een hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit betekent dat de aanleg van een bouwput daar, het trekken van wortels en aanplanten van nieuwe bomen (in groepen door hun wortelstelsel) tot verstoringen van de ondergrond zullen leiden. Daarom verdient het de aanbeveling in het kader van de plannen indien mogelijk het noordelijk deel van bodemingrepen te ontzien (door bijvoorbeeld ophogingen toe te passen of minder geclusterd bomen aan te planten). Anders verdient het de aanbeveling op de plaatsen, waar daar bodemingrepen zullen plaatsvinden, een vervolgonderzoek uit te voeren om te bepalen of en in hoeverre er waardevolle archeologische resten in het gebied aanwezig zijn (inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hier is op voorhand van het onderzoek een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PVE) en Plan van Aanpak (PVA) voor nodig. De ligging van het gebied waarvoor dit geldt is weergegeven in bijlage 10.
Voor het zuidelijk deel van het plangebied worden geen aanbevelingen voor behoud en/of vervolgonderzoek gedaan. Daar is sprake van een lage archeologische verwachting. Wel geldt daar dat wanneer er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden gevonden, deze op basis van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 bij de gemeente Utrecht moeten worden gemeld. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Utrecht) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
4
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
6
5.
Beleidskader
7
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
8
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
12
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
23
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
30
10. Resultaten veldonderzoek
32
11. Beantwoording onderzoeksvragen
34
12. Conclusie en Advies
36
13. Geraadpleegde bronnen
38
Bijlage 1: Plantekening
41
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Utrecht
42
Bijlage 3: Stroomruggen
44
Bijlage 4: Paleogeografische kaart van Van Dinter (2017)
45
Bijlage 5: Hoogtekaart
46
Bijlage 6: Bodemkaart
47
Bijlage 7: Archeologische informatie
48
Bijlage 8: Boorpuntenkaart
49
Bijlage 9: Resultatenkaart
50
Bijlage 10: Verwachtings- en advieskaart
51
Bijlage 11: Foto’s van boringen
52
Bijlage 12: Boorbeschrijvingen
53
1. Aanleiding In opdracht van Equipe Adviseurs heeft Transect b.v.1 in augustus 2024 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Zandweg 210 in De Meern (gemeente Utrecht). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) ten behoeve van de renovatie van de bestaande bebouwing en de realisatie van drie nieuwe woningen in het gebied. Ook zal de boomgaard in het plangebied opgewaardeerd worden. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem - en hiermee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied - zal worden verstoord. Op grond van het archeologisch beleid van de gemeente is voor de werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig. Deze vergunning kan alleen worden aangevraagd, wanneer archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij sprake is van een waardestelling van het terrein. Het plangebied is zodoende onderzoeksplichtig. Dit rapport beschrijft de resultaten van het archeologisch vooronderzoek in het plangebied.
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik en bepalen van de kans op archeologische resten binnen het plangebied. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Ook de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht is geraadpleegd. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd.
Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur, waaronder de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de gemeente Utrecht (AKBU-reeks) en de Archeologische Kronieken van de Provincie Utrecht (AKPU-reeks). Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen, en waar mogelijk, bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. In principe zijn vanwege de geringe omvang van het plangebied en de wijze van onderzoek enige uitspraken te doen over de aanwezigheid van archeologische resten in de vorm van cultuurlagen. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • • •
•
• • •
Hoe ziet de bodem eruit in het plangebied (geologisch, geomorfologisch en bodemkundig)? Is de bodemopbouw intact? Zo nee, tot hoe diep is de bodem verstoord? Kan er een verklaring worden gegeven voor de verstoringen? Zijn binnen het plangebied archeologisch relevante afzettingen, zoals laklagen, oude bodems, oeverafzettingen, ophogingslagen, enz., aanwezig? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de dikte en aard van deze afzettingen? Zijn de resultaten van het booronderzoek in overeenstemming met de verwachting op basis van het bureauonderzoek of overige bekende gegevens, en welke verklaring is er voor eventuele afwijkingen? Dient de archeologische verwachting te worden bijgesteld op basis van het verkennend booronderzoek? In hoeverre worden archeologisch kansrijke bodemlagen bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methodes moeten hierbij ingezet?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het 2
kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat, waar mogelijk, gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2 (KNA 4.2). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.2 (KNA 4.2). Tevens zijn voor alle onderzoeken de richtlijnen voor archeologisch onderzoek in Utrecht gevolgd2
2
https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/9.digitaalloket/VTH/Richtlijnen-archeologisch-onderzoek.pdf
3
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Utrecht
Plaats
De Meern
Toponiem
Zandweg 210
Kaartblad
31G
Centrumcoördinaat
129.082 / 455.696
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Zandweg 210 in De Meern (gemeente Utrecht). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied het perceel VTN00-E1096. In het zuiden grenst het plangebied aan de Zandweg, de overige begrenzing omvat de grenzen van de aanliggende kadastrale kavels. Het plangebied is circa 1,0 ha groot.
4
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
5
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Aanvraag BOPA
Oppervlakte plangebied
1,0 ha
Planvorming
Renovatie bestaande gebouw Nieuwbouw drie extra woningen
Omvang verstoringen
Aanleggen drie bouwputten (van ieder 246 m2) Aanleggen oprit, tuin
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden, heiwerkzaamheden
Diepte verstoring
Onbekend (>50 cm)
Het voornemen bestaat om in het plangebied de bestaande woning te renoveren (246 m2) en in het gebied drie extra woningen bij te bouwen. Deze woningen krijgen eenzelfde omvang (246 m 2). Ook zal een oprit vanaf de Zandweg worden gerealiseerd. Tot slot zal de aanwezige boomgaard opgewaardeerd worden, waarbij de bomen in slechte staat verdwijnen en nieuwe worden geplant. De toekomstige situatie is weergegeven in bijlage 2. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een aanvraag voor een BOPA nodig, aangezien het huidige omgevingsplan niet voorziet in de realisatie van woningen in het plangebied. Hoe groot de exacte bodemingrepen voor de plannen zijn is nog niet bekend. Wel is de verwachting dat ze eventueel aanwezige archeologische waarden zullen aantasten. Het is onbekend of onder de toekomstige bebouwing ook heipalen nodig zijn. Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.
6
5. Beleidskader Onderzoekskader
Aanvraag omgevingsvergunning
Beleidskader
Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht
Onderzoeksgrens
30/500 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door Erfgoedwet, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het deel van het erfgoedbeheer dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat gemeentes rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hieronder vallen dus ook bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente vanuit het Omgevingsplan lokale regels stellen door monumenten (concreet) in de bodem te beschermen of ze juist vakkundig op te laten graven (lid 3, 4 en 5). Ook kunnen ze vanuit het Omgevingsplan eisen stellen aan het onderzoek, waaronder het onderzoeksthema en de onderzoeksvorm. Gemeentes hebben tot 2031 om tot een Omgevingsplan op te stellen. Tot die tijd geldt een Tijdelijk Omgevingsplan. Het archeologiebeleid van de gemeente Utrecht is verwoord in het tijdelijke omgevingsplan ‘Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht’, die gekoppeld is aan de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Op de waardenkaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Op basis hiervan zijn in het bestemmingsplan voorwaarden opgenomen, die bepalen wanneer in het kader van planvorming archeologisch vooronderzoek moet plaatsvinden en een vergunning van toepassing is. Het plangebied ligt op de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht (2022) in zones met een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachting. Het gebied met een hoge verwachting ligt in het zuiden van het plangebied en volgt het traject van de Leidsche Rijn. Hiervoor geldt voor alle bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 100 m2 een onderzoeksplicht.
In het midden van het plangebied is sprake van een middelhoge archeologische verwachting, waarvoor onderzoek gevraagd wordt voor bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 500 m2. Het noordelijk deel van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Hier geldt een onderzoeksplicht vanaf 5000 m2 en 50 cm -Mv. Aangezien de geplande werkzaamheden deze planregels overschrijden, is onderhavig archeologisch onderzoek nodig.
7
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Midden-Nederlands rivierengebied
Geomorfologie
Bebouwd
Bodem
Bebouwd
Maaiveld
circa 0,2 m +NAP
Grondwater
Onbekend
Landschapsgenese Het plangebied ligt in het midden-Nederlands rivierengebied, in het stroomgebied van de Oude Rijn. Tijdens de koudste fase van het Weichselien (het Pleniglaciaal, circa 55.000 tot 15.000 jaar geleden) was in de omgeving van De Meern sprake van een poolwoestijn en een vegetatiearm landschap. Als gevolg van de sterke wind traden grootschalige verstuivingen op van zand uit de drooggelegen rivierbeddingen en het Noordzeebekken. Dit zand werd als dekzand verderop weer afgezet in vlaktes, welvingen en ruggen. Geologisch gezien wordt dit dekzand gerekend tot de Formatie van Boxtel (de Mulder e.a., 2003). Aan het begin van het Holoceen werden deze verstuivingen geleidelijk aan banden gelegd door een sterke toename in de vegetatie, wat op zijn beurt het gevolg was van een klimaatsverbetering. Deze klimaatsverbetering duurt tot op de dag van vandaag voort. Gedurende het Holoceen kwam het gebied, als gevolg van een natuurlijke rivierverlegging bij Wijk bij Duurstede (een zogenaamde avulsie), onder invloed te staan van het Utrecht-stroomsysteem (Stouthamer, 2001). Deze rivierverlegging vond plaats rond 4300 v. Chr.. Via dit stroomsysteem heeft langdurig afvoer van Rijnwater plaatsgevonden, totdat de Kromme Rijn in 1122 na Chr. bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd (Dekker, 1980). Vanaf dat moment werd het grootste deel van het Rijnwater via de Lek en de Waal afgevoerd.
Het Utrecht-stroomsysteem heeft wisselende perioden van activiteit gekend, die resulteerden in een drietal stroomgordels die via Utrecht afwaterden: de Werkhoven stroomgordel, de Houten stroomgordel en de Kromme Rijn stroomgordel. De oudste stroomgordel is de Werkhoven stroomgordel (4450 – 1750 voor Chr.), gevolgd door de Houten stroomgordel (2250 – 800 voor Chr.). De jongste omvat de Kromme Rijn stroomgordel (1250 voor Chr. – 1122 na Chr.), die gekenmerkt wordt door een nu nog deels watervoerende restgeul van circa 20 m breedte. Het onderscheid tussen deze drie stroomgordels is vooral ten oosten van Utrecht nog duidelijk te zien (Berendsen, 1982), aangezien deze hier als apart te onderscheiden zandlichamen in de ondergrond aanwezig zijn. Alle stroomgordels hebben echter afgewaterd via de Oude Rijn, die sinds 4500 v. Chr. actief is. Dit heeft ertoe geleid dat zich direct ten westen van Utrecht een zandlichaam kon vormen met een breedte van circa 2,5 km. Daarbinnen bevinden zich verschillende stroomgordels en de bijbehorende landschappelijke elementen (oeverwallen, restgeulen, komgronden en crevasses). De ligging van deze elementen spelen een sleutelrol in het bepalen van de archeologische verwachtingspatroon.
Dit is voor het gebied tussen Utrecht en De Meern een lastige opgave, aangezien door de voortdurende activiteit van de Oude Rijn oudere stroomruggen deels of geheel door jongere zijn opgeruimd. De landschappelijke reconstructie vormt daarmee een belangrijk onderdeel van het archeologisch onderzoek, dat plaats heeft gevonden in het kader van de aanleg van de VINEX-wijk Leidsche Rijn ten noordoosten van De Meern. In dat kader hebben inmiddels diverse (geo-)archeologische onderzoeken plaatsgevonden, waaronder door de Universiteit Utrecht (Nales en Vis, 2003; Van Dinter, 2017).
8
Geomorfologie Op basis van de geomorfologische-geologische kaart van Cohen e.a. (2012) ligt het plangebied op de Heldam stroomrug (bijlage 2). De Heldam stroomrug is een aftakking van de Oude Rijn stroomrug met een totale lengte van circa 4 kilometer en een breedte van gemiddeld 300 m. Op basis van diverse archeologische en landschappelijke onderzoeken is enig inzicht verkregen in de ontstaanswijze van deze stroomrug (Nales en Vis, 2003). Hieruit blijkt dat deze stroomrug in totaal uit drie opeengestapelde zandlichamen bestaat, die tussen 2900 v. Chr. en 400 na Chr. actief zijn geweest. Iedere fase betreft een verjonging van de voorgaande fase. Een lithologisch dwarsprofiel dwars over de stroomrug is weergegeven in figuur 3. Ook is van elke fase (gedeeltelijk) een restgeul aanwezig. Daarbij is tenslotte tussen de voorlaatste en de laatste fase sprake geweest van een sterk verminderde dan wel gestopte afvoer via deze stroomrug. Hierdoor heeft zich in het gebied een laklaag kunnen vormen, een bodemniveau dat zich onder rustige doch natte omstandigheden kan vormen. Deze bodem is gedateerd op 800 v. Chr. (Graafstal, 2000). Schematisch is de periode van activiteit van de verschillende fase van de Heldam stroomrug ten opzichte van die van de stroomruggen ten oosten van Utrecht weergegeven in figuur 4 (Nales en Vis, 2003).
Figuur 2: Lithologisch dwarsprofiel over de Heldam stroomrug, ten noorden van de Leidscherijn, ter hoogte van de Zandweg (uit: Nales en Vis, 2003).
Op de paleogeografische kaart van Van Dinter (2017) is ook te zien dat het plangebied deels op de Heldam stroomrug ligt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de vermeende restgeul van de rivier (en daar weer ten zuiden van een Romeinse weg, bijlage 4).
9
Figuur 3: De periode van activiteit van de belangrijkste stroomruggen in het Oude Rijn-gebied (bron: Nales en Vis, 2003).
Lithologische informatie en geologie 200 m ten oosten is een geologische boring beschikbaar uit het TNO boringenarchief. Uit boring B31G1115 valt af te leiden dat rivierbeddingzand van de Heldam stroomrug op een diepte van 380 cm -Mv ligt (-3,3 m NAP). Het zand behoort geologisch gezien tot de Formatie van Echteld. Daarboven ligt klei die geologisch gezien tot de Formatie van Echteld wordt gerekend (bron: www.dinoloket.nl). Gezien de dikte van de laag zijn het waarschijnlijk restgeulafzettingen. Binnen 80 cm -Mv is er sprake van een matig siltige klei, ook onderdeel van de Formatie van Echteld. Onduidelijk is of deze afzettingen als ophoging zijn aangebracht of dat het natuurlijke komafzettingen zijn. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied op 0,2 m NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 4; bijlage 5). Het maaiveld binnen het plangebied is vlak en vertoont weinig reliëf. Ten opzichte van de omgeving ligt het maaiveld lager: dit is waarschijnlijk het gevolg van de ophoging van het gebied rondom het plangebied voor de aanleg van de VINEX locatie Leidsche Rijn. Bodem Volgens de bodemkaart liggen in het plangebied kalkloze poldervaaggronden (bodemkaartcode Rn44C, bijlage 6, www.pdok.nl). Poldervaaggronden zijn over het algemeen kleigronden met een grijze, roestig gevlekte ondergrond, die niet slap is.