CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk_Motivering wijzigingsbesluit

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk45.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebied specifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid. Het gebied specifieke beleid bestaat uit: een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

35

lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter. Ander gemeentelijk beleid bestaat uit: strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies.

De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel); regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebied specifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In paragraaf 5.10 Bodem wordt verder ingegaan op de bodemkwaliteit. Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer en visie op duurzaam gebruik van de ondergrond (2016) Het gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer beschrijft de invulling voor het verbeteren en beschermen van de grondwaterkwaliteit en het zorgvuldig benutten van de ondergrond voor bijvoorbeeld bodemenergie. Een groot gedeelte van de stad, met omvangrijke verontreinigingen in het grondwater, is aangewezen als grondwaterbeheergebied. In het beheergebied hoeft niet voor alle werkzaamheden waarbij grondwater onttrokken wordt een apart saneringsplan te worden gemaakt. Er kan worden deelgenomen aan het gebiedsplan, met een gebruikersbijdrage of een afkoopsom. Door te werken met het gebiedsplan kan de gemeente het grondwater in het omliggende schone gebied beter beschermen, want dat water wordt gebruikt voor drinkwater.

Plangebied Het plangebied is ingelegen binnen een (hoog-)dynamische zone. Deze zone betreft hoogstedelijk gebied waar zich een hoge concentratie aan vermengde grondwaterverontreinigingen in de ondergrond bevindt. Binnen deze zone is de gebiedsgerichte aanpak van kracht (de Biowasmachine). De Biowasmachine is een concept waarbij warmte-koudeopslagsystemen onder binnenstad zorgen voor de ondergrondse verspreiding van vervuild grondwater. Hierdoor mengt het 3 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

vervuild grondwater met van nature aanwezige bacteriën. Deze bacteriën worden extra gestimuleerd door de toevoeging van nutriënten en het verhogen van de watertemperatuur. Het plan betreft een realisatie van een woningbouwontwikkeling en draagt zelf niet direct bij aan grondwateronttrekkingen. Visie Water en Riolering en visie Klimaatadaptatie (2022) De gemeenteraad heeft in februari 2022 de Visie Water en Riolering en de Visie Klimaatadaptatie vastgesteld. De visie Water en Riolering bevat het gemeentelijke beleidskader voor de invulling van de wettelijke zorgplicht op het gebied van water en riolering en is onderdeel van de gemeentelijke omgevingsvisie. De visie vormt samen met het programma water en riolering het nu nog wettelijk verplichte Gemeentelijk Rioleringsplan en is daarmee de opvolger van het Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019. Deze wettelijk verplichting verdwijnt met de invoering van de Omgevingswet. De Visie Klimaatadaptatie sluit aan op de visie Water en Riolering en geeft aan wat nodig is om Utrecht voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte.

Het is dan ook van belang om hier bij nieuwe bouwontwikkelingen rekening mee te houden en de bebouwde omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan het veranderende klimaat. Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater zoveel mogelijk vasthouden op de plek waar het valt. Zowel op eigen terrein, in de openbare ruimte, in de bodem of in het oppervlaktewater. Hiervoor moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden, zodat het riolerings- en afwateringssysteem wordt ontlast en zodat er water beschikbaar is in perioden van droogte. Een voorwaarde voor deze vergroening en voor het toevoegen van meer bomen, is dat de bovengrond en ondergrond op elkaar worden afgestemd en dat er ruimte wordt gemaakt voor het planten van groen en bomen. Met de Visie Klimaatadaptatie worden beleidsdoelen vastgesteld voor het omgaan met wateroverlast door extreme neerslag, het omgaan met droogte en het omgaan met hittestress. Hiervoor zijn geen landelijke beleidsdoelen, maar de gemeente stelt lokale doelen vast.

De doelen zijn dat lopen en fietsen in schaduw in elke straat mogelijk is door 30-40 % schaduw te creëren, iedereen binnen 200 meter van een gebouw/woning een koele groene verblijfsplek heeft in de openbare ruimte van minimaal 200 m2, een minimale hoeveelheid groen in buurten van 40% in het horizontale vlak. Hiermee beperken we het hitte-eiland effect in de stad. Om gevolgen van extreme droogte en wateroverlast te voorkomen, zorgen we dat buien tot aan 80 mm per uur richten een schade aan richten in panden en niet voor onbegaanbare wegen zorgen, we gebruiken de bodem als spons en houden minimaal 90% neerslag vast op de plek waar het valt. We vangen zoveel mogelijk water op in de bodem (bufferen), zodat er in droge periodes nog water beschikbaar is. Bij grootschalige nieuwbouw is de ambitie om hogere doelen te hanteren. De vastgestelde doelen geven de mogelijkheid zowel de gevolgen als de te nemen maatregelen in beeld te kunnen brengen. Hiermee voldoet Utrecht aan de doelstelling uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de afspraken in het Bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie om uiterlijk in 2021 een strategie en uitvoeringsagenda bestuurlijk te hebben vastgelegd. De doelen zijn ook overeenkomstig de gestelde doelen in de RSU 2040.

Het beleid voor klimaatadaptatie is ook vastgelegd in de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, waarin voorstellen zijn opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven. Plangebied Het aspect water is in dit plan verder uitgewerkt in paragraaf 5.13. Visie Utrecht Circulair In februari 2024 is de visie Utrecht circulair 2050 vastgesteld door de gemeenteraad en is onderdeel van de thematische omgevingsvisie. In 2050 wil Utrecht volledig circulair zijn en in 2030 willen we al op de helft zijn, dus 50% minder gebruik van primaire, abiotische grondstoffen (mineralen, metalen en fossiel). Bij het werken aan een circulaire stad zijn de prioriteiten: Circulaire bedrijvigheid en ondernemerschap. We nemen in 2030 circulariteit op in vestigings- en bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

37

uitgiftevoorwaarden voor publieke en private ruimte; Circulaire gebiedsontwikkeling en circulair bouwen. Naast 50% reductie milieubelasting en 50% reductie gebruik primaire grondstoffen zetten we in op lage MPG-waarden voor nieuwbouw; Circulair opdrachtgeverschap en inkopen. In 2030 kopen we voor 100% circulair en maatschappelijk verantwoord in; Circulaire materiaal- en reststromen. We halveren in 2030 de hoeveelheid restafval. Plangebied Het aspect circulaire economie is in dit plan verder uitgewerkt in paragraaf 5.19. 2.3.2.2.8 Energie in nieuwbouw In de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 is onder andere de strategische visie over energie opgenomen voor 2040. De gemeente Utrecht kiest voor een energie-efficiënte stad, biedt ruimte aan grootschalige productie van duurzame energie en beperkt daarmee het beroep op energie uit de regio. Daarmee wil de gemeente zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en bijdragen aan de nationale klimaatdoelstellingen. Voor nieuwbouw betekent dit dat we alleen woningen en andere gebouwen willen bouwen die energieneutraal of beter zijn. Dit betekent een minimale energievraag gecombineerd met een maximale energieopwekking. Door de uitdagingen op het Utrechtse elektriciteitsnet sturen wij ook op netbewuste gebouwen die zo laag mogelijke piekvraag hebben.

Utrecht wil alle nieuwbouwwoningen automatisch geschikt maken voor lage temperatuur systemen en zet bij grote projecten in op seizoensopslag in de bodem. In onderstaande tabel staan bondig de belangrijkste energiedoelstellingen van de gemeente Utrecht gerelateerd aan nieuwbouw. Doelstellingen/visies - Duurzame, betaalbare, betrouwbare en transparante warmtelevering. - Lage temperatuur warmtesystemen voor nieuwbouw. Bij een nieuwbouwproject met meer dan 150 woningen wordt er gestuurd op collectief warmte-koudesysteem - In 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken - Geen dak- of geveloppervlak in de stad mag onbenut blijven - Netbewust bouwen door onder andere de piekvraag naar elektriciteit te verlagen en het toevoegen van flexibiliteit. - Netbewust laden als eis bij openbare laadpalen - Plaatsing van traforuimtes heeft een minimale impact op de kwaliteit van de openbare ruimte ('Inpandig, tenzij').

Gemeentelijke document Transitievisiewarmte

Utrechts Energie Protocol

Programma zon op dak en netinpassingen 2022-2026

Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026

Plangebied In paragraaf 5.20 Energie wordt verder ingegaan op het aspect energie. Visie op de warmtevoorziening (2017), Transitievisie Warmte (2021) en Regionale Energiestrategie (2021) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld. De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht zo snel mogelijk, in ieder geval in 2030 klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energie-infrastructuur en om nog meer gebruik van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen.

3 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd en worden gemeenten verplicht om een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) op te stellen. De gemeente Utrecht heeft in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) vastgesteld. Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken. Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge-temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden. Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen, hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt en welke duurzame warmtebronnen gebruikt kunnen worden om buurten aardgasvrij te maken. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. Programma zon op dak en netinpassingen2022-2026 Doelstelling is om in 2030 168 GWh op te wekken met zonnepanelen op grote daken en 120 GWh op te wekken met zonnepanelen op kleine daken.

Bij zon op grote daken speelt een grote structurele belemmering: de beperkte netcapaciteit en de huidige netbeperking voor terug levering als gevolg hiervan. Eigenaren van grote daken die zonnepanelen willen plaatsen kunnen niet meer uitgaan van netlevering (opwekken zonder terug te leveren is nog wel mogelijk). Het behalen van de doelstelling voor grote daken is grotendeels afhankelijk van de genoemde netverzwaringen door Tennet. Andere belangrijke oplossingen voor netcongestie zijn het toepassen van congestiemanagement door de netbeheerders en het toepassen van lokale alternatieve oplossingen. Uitvoeringsprogrammaelektriciteitsinfrastructuuren netcongestie 2023-2026 Voor de groei en verduurzaming van de stad is stroom nodig. Met het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie draagt de gemeente Utrecht structureel bij aan het oplossen van knelpunten op het elektriciteitsnet, en aan spitsmijding door de gebruikers van dat net. Plangebied In paragraaf 5.20 Energie wordt verder ingegaan op het aspect energie en hoe de energieambities in het plan worden ingevuld. 2.3.2.3 Gebiedsbeleid In gebiedsbeleid maakt de gemeente de koers en het thematische beleid passend binnen een specifiek gebied. Voor het plangebied is er echter geen specifiek gebiedsbeleid opgesteld.

2.4

Conclusie

Voor het plangebied kan de conclusie worden getrokken dat de ontwikkeling past binnen de beschreven beleidskaders.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

39

4 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3

Bestaande situatie

3.1

Beschrijving van het plangebied

3.1.1

Historische ontwikkeling

Rivierenwijk is voor een belangrijk deel gebouwd in de periode tussen 1920 en 1940 door de overheid en woningbouwverengingen. Voor de periode van planmatige bebouwing is het gebied al ontgonnen. Het gebied tussen het Merwedekanaal en de Vaartsche Rijn maakte deel uit van de 12e eeuwse ontginningen (polder Westraven). De ontginningen vonden plaats in rechte stroken, haaks op een wetering, de voorganger van de Vaartsche Rijn. In 1148 wordt de Vaartsche Rijn gegraven als rechtstreekse verbinding tussen Utrecht en de Hollandse IJssel. Later in 1288 wordt de Vaartsche Rijn doorgetrokken naar de Lek. Langs de Vaartsche Rijn werd aan de westzijde een jaagpad aangelegd. In de 18e eeuw was dit een zandpad. Deze wordt in 1811 bestraat: de Jutfaseweg. De Jutfaseweg was de hoofdroute vanuit Utrecht naar het zuiden. De strook aan weerszijden van de Vaartsche Rijn, zowel oost als west, heeft zich al snel tot een industriële zone ontwikkeld. Vooral tegel- en panovens vestigden zich hier. Het gehele gebied van Rivierenwijk behoort pas in 1894, na het openen van het Merwedekanaal, tot Utrechts grondgebied. Ter vervanging van de Keulse Vaart wordt een nieuw kanaal gegraven aan de westzijde van Rivierenwijk: het Merwedekanaal. Dit kanaal doorsnijdt de polder Westraven, hierdoor ontstaat de vorm van een taartpunt, die Rivierenwijk tot op vandaag kenmerkt.

De industriestrook langs de Vaartsche Rijn / Jutfaseweg verandert ondertussen langzaam naar een gebied met woonfunctie. Eerst gebeurt dit aan de noordrand bij de bestaande stad. Straten als de 'Croesestraat' zijn hier een voorbeeld van, reeksen door particulieren gebouwde woningen, afwisselend in stijl, hoogte en rooilijn. De eerste planmatige woningbouw vindt plaats na de Eerste Wereldoorlog (complex tussen de Waalstraat en Hunzestraat). Rond 1920 worden een reeks complexen gebouwd door woningbouwcorporaties en particuliere bouwers zonder dat er aanvankelijk een stedenbouwkundig plan voor de hele wijk aan ten grondslag ligt. Het zijn kleine complexen. Enige structuur komt voort uit de overname van enkele structuren uit het stratenpatroon van Berlage uit 1920 – 1924. De hoofdroute van de Socrateslaan / Rijnlaan naar de Vondellaan is hieruit voortgekomen. Tevens heeft men hier de dimensionering van de straten van afgeleid. Kenmerkend voor de woningbouw uit deze periode is de typologie van de straten en de bebouwing. Over het algemeen eenvoudige straten met een hogere en meer prominente bebouwing op de kop (aan de hoofdassen Rijnlaan / Merwedekade of Jutfaseweg). De totale wijk wordt gekenmerkt door bakstenen woningreeksen met door rode pannen gedekte kappen. In de naoorlogse jaren verdwijnen de laatste grote industriële complexen aan de zuidkant van de Jutfaseweg.

Op die plekken vindt de laatste invulling plaats met woningbouw, flats en een school aan de Reitdiepstraat en omgeving. Hier stonden de fabrieksgebouwen van tegelfabriek Westraven en een pannenbakkerij. De invulling is herkenbaar naoorlogs met strokenbouw in het groen. Het plangebied valt hier ook onder. Rivierenwijk kent in de jaren tachtig en begin negentig weinig veranderingen. Vanaf de jaren '80 worden bestaande woningbouwcomplexen vervangen door nieuwbouw. In de jaren '80 wordt de bestaande bebouwing aan de Waalstraat vervangen door een moderne variant met huurwoningen. In de jaren '90 begint een grootschalige vernieuwing van delen van de wijk tot op vandaag. De Hogeschool van Utrecht verhuist van het terrein aan de Vondellaan, dit terrein wordt heringericht met scholen en woningbouw, het Vondelparc. Een aantal monumentale gebouwen aan de rand blijft behouden. Het gebied heeft hoofdzakelijk een woonfunctie gekregen.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

41

3.1.2

Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie

De Jutfaseweg / Vaartsche Rijn kennen een lange historie als middeleeuwse entree naar de stad (Vaartsche Rijn dateert uit circa 1100) en daarmee bijzonder in de stedelijke structuur. Na de middeleeuwen heeft de Vaartsche Rijn zich ontpopt tot drager van allerlei industriële ontwikkelingen, wat nog te zien is aan de her-en-der verspreide industriële monumenten. Rivierenwijk heeft een met name archeologisch interessant gebied aan de rand van de wijk langs de Jutfaseweg, met zijn vroeg industriële ontwikkeling (vanaf de 17e eeuw). In de omgeving Reitdiepstraat stonden hier tot de bouw van de naoorlogse flats twee grote industriecomplexen. Eén daarvan (Westraven) heeft een geschiedenis die terug gaat tot de 7e eeuw. De architectuur van de flats aan de Reitdiepstraat is karakteristiek voor de betreffende bouwperiode en heeft tevens een aardige detaillering. De bebouwing is echter niet aangewezen als monument of beeldbepalend element. 3.1.3

Structuurbepalende elementen

De ruimtelijke dragers van de Rivierenwijk zijn de Vaartsche Rijn-Jutfaseweg, het Merwedekanaal en de Rijnlaan. Het Merwedekanaal en de Vaartsche Rijn zijn ten zuiden van de Rivierenwijk met elkaar verbonden, waardoor een schegvormig gebied is ontstaan. De Jutfaseweg en de Rijnlaan zijn de belangrijkste doorgaande verkeerswegen in de wijk. Haaks hierop zijn oostwest georiënteerde (woon)straten gelegen. Deze heldere structuur is in het zuidelijk deel van de wijk minder goed herkenbaar. Ruimtelijke kenmerken van de wijk zijn onder andere het gesloten bouwblok, de nauwe straatprofielen en het (zeer) weinig openbaar gebied/groen. De bebouwingshoogte is overwegend 2 lagen met kap (met rode en zwarte pannen gedekte kappen). Aan de randen van de wijk en aan de belangrijkste ontsluitingswegen is hogere bebouwing gesitueerd (4 – 5 lagen). Rivierenwijk is voornamelijk een woonwijk en op verschillende plekken zijn bedrijfs- en maatschappelijke functies gevestigd.

3.2

Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

3.2.1

Functies

Op de locatie ten zuiden van de Reitdiepstraat staan vier naoorlogse portiekflats (4 hoog) van Bo-Ex. Tussen de flats bevindt zich semi-openbaar groen. De flats staan haaks op de Reitdiepstraat met daartussen garageboxen en een elektriciteitsgebouw. Het bedrijfsgebouw bevindt zich ten noorden van de Hoendiepstraat en sluit aan op het gebied van de flats ten zuiden van de Reitdiepstraat. Dit gebouw is eigendom van Bo-Ex, die het in 2001 heeft overgenomen van de Technische Unie. Dit gebouw was in het verleden als wijkgroenpost in gebruik door de dienst Stadswerken van de gemeente en door de onderhoudsdienst van Bo-Ex. Tegenwoordig wordt dit gebouw tijdelijk gebruikt door verschillende creatieve ondernemers en kunstenaars. De achterzijden van de eengezinswoningen aan de Hoendiepstraat grenzen aan dit terrein van Bo-Ex. De flat (3 hoog) ten noorden van de Reitdiepstraat (aan de zijde Berkelstraat) is eveneens onderdeel van het plangebied. De achterzijde van deze flat grenst aan een strook garageboxen/ bedrijfsruimten. Ten oosten van deze flat aan de noordzijde is het project Reitdiepstraat 1e fase gerealiseerd. Fase 1 bestaat uit een appartementencomplex (een mix van koop en sociale woningbouw) op de hoek van de Jutfaseweg en de Reitdiepstraat en eengezinswoningen (koopwoningen). 3.2.2

Openbare ruimte

De Reitdiepstraat is een 30 km-weg voor verkeer in twee richtingen met aan weerszijden trottoirs en aan de noordzijde langsparkeren. Aan deze kant zijn tijdens de bouw van fase 1 (de nieuwbouw die rondom het Lekplantsoen is gerealiseerd) tussen de parkeervakken jonge bomen aangeplant. Daarnaast bevinden zich aan de zuidkant van de Reitdiepstraat nog twee parkeerhoven (waarvan één gecombineerd met groen) en twee semi-openbare buitenruimten tussen de portiekflats in. Deze twee semi-private groene buitenruimten tussen de portiekflats worden nauwelijks gebruikt. De buitenruimten zijn met gras begroeid en er staan een aantal bomen. De parkeerhoven die om en om met de groene buitenruimten tussen de portiekflats liggen geven het gebied echter een sleets karakter. Dat kan ook gezegd worden van het grasveldje dat grenst aan de schuttingen van de woningen aan de Berkelstraat en wat in gebruik is als hondentoilet. Het terrein van de loods bestaat uit een gebouw en stelconplaat straatafwerking. Rondom het loods terrein loopt een muur welke met een hekwerk wordt ontsloten bij de Jutfaseweg. De woningen aan de Jutfaseweg hebben een korte achterom tussen deze muur en de gevel van hun woning.

4 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

3.2.3

Verkeer en parkeren

Verkeer De 81 bestaande woningen bevinden zich aan de Reitdiepstraat en worden ook via deze straat ontsloten. De bedrijfsruimte bevindt zich aan de Jutfaseweg en heeft een in- en uitrit op de Jutfaseweg. De Reitdiepstraat heeft een functie als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Al het verkeer, gemotoriseerd verkeer en fietsers, maken gebruik van dezelfde rijbaan. De Jutfaseweg heeft nu nog een functie als gebiedsontsluitingsweg, met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Ter weerszijden van de weg bevindt zich een in één richting bereden fietspad. Voetgangers maken gebruik van trottoirs, die verhoogd ten opzichte van de rijbaan zijn aangelegd. Parkeren Parkeren ten behoeve van de woningen vindt plaats langs de openbare weg en in parkeerhavens, zowel in de Reitdiepstraat als tussen de verschillende woningblokken. Parkeren ten behoeve van de bedrijfs- en kantoorfunctie vindt plaats op het eigen terrein. In 2023 is betaald parkeren in Rivierenwijk ingevoerd. Openbaar vervoer De locatie is ontsloten met het openbaar (bus)vervoer vanaf de Rijnlaan met haltes op loopafstand ter hoogte van de Roerstraat en vanaf de Socrateslaan met haltes op loopafstand ter hoogte van de Berkelstraat.

3.3

Conclusie

De verouderde en éénzijdige woningvoorraad sluit niet meer aan bij de behoefte van tegenwoordig en de vraag naar goede kwalitatieve sociale huurwoningen. Daarnaast is de openbare ruimte versnipperd, laagwaardig van kwaliteit en sociaal onveilig. Deze locatie leent zich dan ook goed voor de herontwikkeling van woonfuncties en een verbetering van het plangebied en de leefomgeving.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

43

4 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Projectbeschrijving

4.1.1

Programma

Planbeschrijving

De 81 verouderde woningen en de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Hiervoor in de plaats komen 154 woningen, waarvan 119 appartementen en 35 eengezinswoningen. Dit zijn allemaal sociale huurwoningen. Het aantal woningen binnen het plangebied neemt met 73 woningen toe, waarvan tussen de dertien en twintig wooneenheden voor Lister zijn bedoeld. Lister begeleidt mensen van wie het leven ontwricht is geraakt door psychiatrische kwetsbaarheid of verslaving. De 35 (grondgebonden) woningen zijn bedoeld voor gezinnen. De eengezinswoningen zijn gelegen aan het plantsoen en de autovrije speelstraat. De 154 woningen bestaan uit: 63 2- en 3-kamer appartementen van 40-68 m2 GO tot de eerste aftoppingsgrens; 36 3-kamer appartementen van 60-70 m2 GO tot de 2e aftoppingsgrens; 20 2- en 4-kamer appartementen van 40-80 m2 GO tot de liberalisatiegrens; 35 grondgebonden woningen van minimaal 80 m2 GO tot de liberalisatiegrens. Deze verdeling draagt bij aan het streven om minimaal 70% van de sociale voorraad (stadsbreed) in de kernvoorraad te hebben. 4.1.2

Stedenbouwkundig plan

De herontwikkeling van de Reitdiepstraat is de 2e fase van dit traject. Dit vraagt om een zorgvuldige stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische aansluiting bij fase 1. Kenmerkend hierbij zijn de gesloten bouwblokken. Op de volgende afbeelding zijn de kaders en uitgangspunten uitgewerkt en deze worden vervolgens nader toegelicht.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

45

Kaart met uitgangspunten en randvoorwaarden. Bron: Definitieve bouwenvelop Reitdiepstraat Rooilijn De rooilijn van het appartementengebouw aan Jutfaseweg wordt afgestemd op de naastgelegen bestaande bebouwing net een duidelijke voorkant en oriëntatie op de Jutfaseweg. De vijfde bouwlaag is terugliggend (circa 3 meter) conform het noordelijke gelegen complex aan de Jutfaseweg; Het gebouw volgt de rooilijn van het naastgelegen appartementencomplex aan het Lekplantsoen; De bebouwing aan de andere zijde van de Reitdiepstraat ligt in dezelfde lijn als de laagbouw aan het Lekplantsoen; Ook aan de Reitdiepstraat, richting de Berkelstraat, volgt de bebouwing de rooilijnen van de bestaande bebouwing; Bebouwde hoekoplossingen met architectuur de hoek om ook als dit een muur betreft; Balkons aan de Jutfaseweg en aan de zijde van het plantsoen steken maximaal 60 centimeter uit ten opzichte van de andere straten. Dit wordt in overleg met de gemeente nader uitgewerkt. Belangrijk hierbij is de privacy. Bouwblok De bouwblokken volgen de lijnen in de bestaande structuur.

Dus hoge bebouwing aan de Jutfaseweg en lage bebouwing grenzend aan de bestaande woningen van de Berkel- en Hoendiepstraat; De bebouwing volgt de opbouw van de buurt: Aan de Jutfaseweg behelst de bebouwing uit een grotere en hogere korrel bestaande uit 4 lagen met een terugliggende vijfde laag aan de Jutfaseweg en het plantsoen, gelijk aan de terugligging van het naastgelegen appartementengebouw; Een kleinere en lagere typologie appartementen, bestaande uit maximaal 3 lagen, aan de Reitdiepstraat en aan het plantsoen; 4 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

De (eengezins)woningen liggen aan de noordzijde van de Reitdiepstraat en aan het plantsoen rug aan rug met bestaande woningen: de kwaliteit (luwe zijde, rust) van tuinzijde wordt behouden / versterkt; De parkeervoorziening en toebehoren (zoals borden, slagbomen, paaltjes en dergelijke) van de parkeervoorziening zijn opgenomen in de bouwkundige constructie; De entree naar de parkeervoorziening is in de gevel opgenomen. Plint en entrees Versterking van sociale controle: zoveel mogelijk voordeuren aan de openbare ruimte, oriëntatie van woningen in de plint op de openbare ruimte; Geen gesloten gevels in de plint. Er dient ter versterking van de sociale controle interactie te zijn tussen het programma in de plint (woningen en entrees) en de openbare ruimte; Architectuur loopt de hoek om: geen kopgevels aan de Jutfaseweg; Adressering van de woningen moet eenduidig, helder en goed vindbaar zijn. Dus entrees appartementen en woningen aan straatzijde situeren. De breedte van de stoep is bij de appartementen op hoeken Jutfaseweg en Reitdiepstraat aan beide zijden gelijk zodat er een afstand van ongeveer 15 meter tussen de gebouwen ontstaat.

Beeldkwaliteit Heldere scheiding tussen openbaar en privé, rekening houdend met (sociale) veiligheid en functionaliteit van de openbare ruimte (bijvoorbeeld blinde muren, achtertuinen aan de openbare ruimte voorkomen); Voor een goede samenhang en overgang openbaar-privé worden de geveltuinen bij de woningen aan het plantsoen meegenomen in het ontwerp voor de openbare ruimte. Gesloten geveldelen van met name appartementen worden in de uitwerking zoveel mogelijk als groene gevel uitgevoerd; Vanwege de stedenbouwkundige samenhang met Reitdiepstraat 1e fase, zal met name ook gezocht moeten worden naar een goede architectonische samenhang met fase 1; De architectuur sluit aan op de bestaande bebouwing met gevels in metselwerk en zorgvuldige detaillering; De verschillende bouwdelen worden ontworpen als een ‘ensemble’; verwant aan elkaar maar met elk hun eigen karakter; Extra aandacht gaat uit naar de entrees waarbij de voordeur, het huisnummer, de beldrukker, brievenbus en verlichting zorgvuldig zijn mee ontworpen; Ook de erfafscheidingen maken onderdeel uit van het ontwerp en worden uitgewerkt in lijn met de architectuur van de woningen; Installaties zoals trafo’s, glasvezelkasten, enzovoorts worden inpandig opgelost of anders ingepast in de bebouwde omgeving, waarbij geldt dat alle installaties op eigen kavels en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte worden gesitueerd (geldt ook

voor het te verplaatsen trafo huisje).

4.2

Verkeer en openbare ruimte

4.2.1

Verkeer

De Jutfaseweg zal naar verwachting op het moment van de realisering van het plan afgewaardeerd zijn tot een 30km/uur weg als fietsstraat. Ontsluiting van wegen en eventuele in- en uitgangen van de parkeervoorziening gaan via de Reitdiepstraat. De Reitdiepstraat is de enige weg binnen het plangebied toegankelijk voor autoverkeer. Om de veiligheid en de beleving van het centraal gelegen groene plantsoen te vergroten zijn de overige wegen binnen het plangebied uitsluitend voor langzaamverkeer toegankelijk (met uitzondering van hulpdiensten). Het aantal verplaatsingen ten opzichte van de bestaande situatie is beperkt. Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht en Omgevingsverordening provincie Utrecht waarin getoetst is aan de provinciale instructieregel met betrekking tot verkeer en vervoersbewegingen. 4.2.2

Parkeren

Fietsparkeren Het plan dient eraan bij te dragen om zoveel mogelijk bewoners gebruik te laten maken van fiets, lopen of andere duurzame mobiliteit. Dit betekent dat er voldoende en makkelijk bereikbare stallingen aanwezig moeten zijn voor fietsers en dergelijke. Een en ander volgens de nota Stallen en Parkeren uit 2013 (en het addendum Parkeernormen fiets en auto 2019) en het Besluit bouwwerken leefomgeving; Fietsparkeren voor bewoners wordt op de kavel en in de bebouwing opgelost; bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

47

De inpandige collectieve fietsenbergingen bij appartementen moeten op een logische plek, nabij de (hoofd-) entree worden opgenomen; Bij de eengezinswoningen wordt met eigen bergingen voorzien in fietsparkeren; Bezoekers fietsparkeren dient zorgvuldig te worden mee ontworpen om verrommeling van de openbare ruimte tegen te gaan. Voor de fietsparkeerbehoefte van de appartementen is een totaal aantal fietsparkeerplaatsen benodigd van 303 fietsen. Dit zijn 263 plekken voor de bewoners en 40 voor bezoekers. Voor de eengezinswoningen worden de fietsparkeerplekken opgelost in de privébergingen. Voor de appartementenblokken is voor fietsen inpandig ruimte gereserveerd alsmede in collectieve berging die onderdeel is van de van de gemeenschappelijke achtertuin. Bij de appartementen is rekening gehouden met het minimaal vereiste lage aantal fietsparkeerplekken. Door ook hoge in combinatie met lage fietsparkeerplekken bij het grote appartementengebouw te realiseren ontstaat voldoende fietsparkeercapaciteit. Bij de appartementen is rekening gehouden met brede fietsparkeerplekken voor onder andere bakfietsen, scootmobiels en voldoende aansluitingen voor elektrische fietsen. De 40 stuks fietsparkeerplekken voor de bezoekers worden in de openbare ruimte opgelost. Bij het ontwerp openbare ruimte wordt hier invulling aan gegeven.

Autoparkeren Bij binnenstedelijke verdichtingsvraagstukken wordt de ruimte optimaal benut: parkeervoorzieningen voor de auto mogen niet ten koste gaan van de schaarse openbare ruimte en groen, en worden daarom zo ontworpen dat er geen sprake is van enkelvoudig (monofunctioneel) ruimtegebruik. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: Parkeren dient op dusdanige wijze te worden opgelost dat er volgens de parkeernota voldoende parkeerplekken zijn; De Reitdiepstraat is momenteel gelegen in het gebied B1; Toekomstige bewoners van deze ontwikkeling aan de Reitdiepstraat krijgen geen parkeervergunning in de openbare ruimte. Dit zorgt ervoor dat de parkeerdruk in de omliggende straten niet gaat toenemen door deze ontwikkeling; Voor deze ontwikkeling gelden de auto- en fietsparkeernormen uit de nota Stallen en Parkeren (en het addendum Parkeernormen fiets en auto 2019) zone B1, stedelijk met betaald parkeren; Op 25 november 2021 heeft de gemeenteraad de nieuwe parkeervisie en module Aanpak betaald parkeren vastgesteld. Voor de module parkeernormen is op 21 december 2021 de beleidsregel Parkeernormen fiets en auto vastgesteld. Deze beleidsregel is 1 februari 2022 ingegaan.

Voor deze ontwikkeling geldt dat dat we hier een overgangsregeling hanteren en de Nota Stallen en Parkeren uit 2013 met bijhorende fiets- en autoparkeernormen en het bijhorende addendum Nota parkeernormen fiets en auto uit 2019 blijft gelden; Op basis van het op 28 maart 2019 vastgestelde addendum Nota parkeernormen fiets en auto kan de parkeernorm bij sociale en midden huurwoningen die groter zijn dan 55 m² BVO met maximaal 25% verlaagd worden; Uitgaande van de parkeernorm B1 wordt maximaal 10% van de parkeernorm omgezet naar extra fietsparkeren of maximaal 20% van de parkeernorm wordt ingevuld door deelauto’s (4 parkeerplaatsen voor 1 deelauto); Bij het berekenen van de parkeerbehoefte is rekening gehouden met het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat eerst de parkeereis van de meest recente legale functies wordt bepaald (conform de maximum parkeernorm). Deze parkeerbehoefte mag vervolgens worden afgetrokken van de parkeereis van de nieuwe functie (conform de minimum parkeernorm), zodat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog moet worden gerealiseerd; Het parkeren voor bewoners wordt op eigen terrein gerealiseerd en 2 plaatsen voor deelauto’s in de Reitdiepstraat met de optie voor 2 extra deelauto’s bij gebleken belangstelling c.q.

voldoende gebruik; Het ontwerp van de parkeergarage dient rekening te houden met de veiligheid van voetgangers, fietser en automobilisten en de continuïteit van de openbare ruimte. In het plan zijn de volgende parkeervoorzieningen voorzien: 42 plekken in de inpandige parkeervoorziening; 2 plekken voor deelauto’s in de openbare ruimte in de Reitdiepstraat. Er is een parkeerbalans opgesteld voor dit plan, deze is als Bijlage 2 Verkeerskundig onderzoek bijgevoegd. Daaruit komt naar voren dat er met het beoogd aantal parkeerplaatsen voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen.

4 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

4.2.3

Openbare ruimte en groen

Voor de openbare ruimte en groen gelden de volgende uitgangspunten: Er wordt aansluiting gezocht bij fase 1 (het Lekplantsoen ten noorden van de Reitdiepstraat). De samenhang is aangeduid in de volgende afbeelding.

Voor de kwalitatieve aanvulling en uitbreiding is de samenwerking gezocht met de gemeente Utrecht. Tevens is het stedenbouwkundig ontwerp zo ontworpen dat de openbare ruimte beter functioneel gebruikt kan worden. De openbare ruimte wordt onder andere ingezet voor sporten, spelen en bewegen. Daarnaast is de openbare ruimte te gebruiken als ontmoetingsplek voor buurtbewoners. Het ‘groen, tenzij’ principe is van toepassing, de openbare ruimte krijgt een zo groen mogelijke inrichting, wat voor de mens, ecologie en klimaat een positief effect heeft. Het stedenbouwkundig concept gaat uit van een nieuw te realiseren groen plantsoen met betekenis voor de buurt en wijk; Voor de openbare- en buitenruimte in het plangebied wordt in overleg met de gemeente een inrichtingsplan opgesteld. Het betreft ook een deel van het perceel dat nu in gebruik is bij de huidige eigenaar/erfpachter.

De openbare ruimte wordt na inrichting overgedragen aan de gemeente; Het ontwerp (inclusief bomenplan) van het plantsoen en de Reitdiepstraat wordt gemaakt in afstemming met de gemeente Utrecht; Versterking van het fijnmazige netwerk: er worden alternatieve routes voor voetgangers en langzaam verkeer toegevoegd in lijn met de ambitie uit de RSU 2040; De functies grenzend aan het openbaar gebied zullen goed bereikbaar moeten zijn voor voetgangers/fietsers; In de uitwerking van het openbaar gebied moet er aandacht zijn voor de levendigheid rondom het gebouw; Het bestaande hondentoilet moet terug worden opgenomen in het ontwerp van de openbare ruimte. Er dienen zoveel mogelijk bomen te worden behouden. Wanneer dit niet mogelijk blijkt, wordt geprobeerd deze bomen te verplaatsen en pas in de laatste instantie dienen ze gekapt te worden. Deze gekapte bomen moeten eerst binnen het plangebied gecompenseerd worden, vervolgens op wijkniveau en als laatste binnen de gemeente Utrecht; Voor de technische eisen van water, bomen, groen, verlichting en afvalverzameling geldt het bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

49

Handboek Openbare Ruimte en de Eisen zoals vastgesteld door de BInG (Beheer, Inrichting, Gebruik); In het handboek openbare ruimten zijn de toegankelijkheidseisen opgenomen. Vertaling van deze eisen en toetsing zijn terug te vinden in de BING toets. Er wordt een formele speelplek op het groene plein gerealiseerd voor de leeftijd 0-12 jaar. Met als uitgangspunt natuurlijke uitstraling met minimaal 3 speeltoestellen en een bankje. De voorstellen voor de invulling worden voor realisatie aan de toekomstige bewoners en omwonenden voorgelegd. De openbare ruimte sluit aan op het ontwerp (en de planning) van de herinrichting van de Jutfaseweg.

5 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie Het in het plan opgenomen project valt onder categorie J11 (Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen) zoals deze is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Op basis van een aanmeldnotitie mer-beoordeling moet het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) beslissen of er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn is een aanmeldnotitie opgesteld.

In deze notitie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en er derhalve geen aanleiding is om een milieueffectrapportage op te stellen. Het college heeft dan ook op 28 januari 2025 besloten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 3. Conclusie Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Kader De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in een stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige functies, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige functies in de directe nabijheid. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Plangebied Aan de hand van de VNG-systematiek Bedrijven en Milieuzonering (2009) zijn in de huidige situatie de verschillende bestemde bedrijfscategorieën en feitelijk aanwezige bedrijven rond het plangebied beschouwd. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen, te weten: Garage Rivierenwijk: Jutfaseweg 178 (locatie wordt herontwikkeld); Scouting Hoograven: Verlengde Hoogravenseweg 225; bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

51

Stadsbedrijf gemeente Utrecht: Vaartscherijnstraat 1; Technische Handelonderneming Romal: Verlengde Hoogravenseweg 223. Garage Rivierenwijk Ter plaatse van de Jutfaseweg 178 zijn bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan en een garagebedrijf welke als milieucategorie 3 is aangemerkt. Op het terrein zijn verschillende bedrijfsactiviteiten aanwezig. Zo zijn er een garagebedrijf, een bandenservice, garageboxen, twee bedrijfswoningen, een fiets- en scootmobielwinkel, kantoorruimte en een kringloopwinkel aanwezig. Het garagebedrijf Rivierenwijk is een bedrijf welke handelt en repareert in personenauto's en lichte bedrijfsauto's. Dit betreft een milieucategorie 2 bedrijf, waar een richtafstand van 30 meter voor geldt. Het plangebied is buiten de richtafstand van 30 meter gelegen en daarnaast wordt deze locatie ook herontwikkeld tot woningbouw. Scouting Hoograven en Technische Handelsonderneming Romal Deze bedrijven zijn aan de overzijde van de Vaartsche Rijn gelegen en hebben binnen het bestemmingsplan 'Watervogelbuurt, Hoograven, Tolsteeg' de bestemming bedrijf. In dat bestemmingsplan wordt de lijst voor functiemenging gehanteerd. Toegestaan zijn bedrijven in de categorieën A en B1. Dit zijn bedrijven die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan.

De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving toereikend zijn. Wanneer gekeken wordt naar het typologie bedrijven in relatie tot de afstand tot het plangebied (minimaal 45 meter), dan kan zonder meer gesteld worden dat dergelijke bedrijven niet belemmerend zijn voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied. Stadsbedrijf gemeente Utrecht De bedrijfsactiviteiten van het Stadsbedrijf aan de Vaartscherijnstraat 1 zijn als een categorie 3.1 bedrijf gecategoriseerd. Een dergelijk bedrijf kent een indicatieve hindercontour van 50 meter tot een rustige woonwijk. Het plangebied aan de Reitdiepstraat is op minimaal 45 meter tot dit bedrijf gelegen. Specifiek voor deze situatie geldt dat ter plaatse van de dichterbij het stadsbedrijf gelegen woning aan de Vaartscherijnstraat 2 al voldaan moet worden aan de geldende milieunormen voor bijvoorbeeld geur en geluid. Daarnaast geldt dat de bestaande portiekflat langs de Jutfaseweg op nagenoeg gelijke afstand tot het stadsbedrijf is gelegen als de woningen in de toekomstige situatie. De nieuwbouw zal dus geen extra belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van het stadsbedrijf en het woon- en leefklimaat in het plangebied zal niet verslechteren.

Aangezien de nieuwbouw een aanzienlijke betere geluidwering zal krijgen dan de huidige bebouwing kan geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat alleen maar zal verbeteren. Toekomstige situatie De beoogde woonfunctie ter plaatse van het plangebied betreft geen milieubelemmerende functie. Met de voorgenomen ontwikkeling komt de bedrijfsmatige functie ter plaatse van de loods aan de Jutfaseweg 156 te vervallen waardoor de woonkwaliteit in de omgeving enkel zal verbeteren. Conclusie De bedrijvigheid in en om het plangebied leidt niet tot onevenredige hinder en omgekeerd is de ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoering van bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving.

5.4

Geluidhinder

Kader In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (bijvoorbeeld nieuwe woningen toestaan) of het wijzigen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld wegen, industrieterreinen) moet de aanvaardbaarheid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Bkl, het omgevingsplan en de Beleidsnota Geluid en Trillingen een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het (wettelijk) kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangevuld met de Beleidsnota Geluid en Trillingen. In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels. Dit stelsel is in de Beleidsnota Geluid en Trillingen voor Utrecht nader verfijnd. Hieronder is een samenvatting opgenomen van het (wettelijk kader) voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies. Geluidaandachtgebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond 5 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl). De waarden Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een nieuw geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor vier geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel. Geluidbronsoort Rijkswegen Gemeentewegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarden (5.78t Bkl) 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden

Grenswaarde (5.78u Bkl) 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden

De hoofdregel is het voldoen aan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging geldt een aantal eisen. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele specifieke uitzonderingen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl); De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt is door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl); Bij voorwaarde 1 en 2 hoeft het bevoegd gezag geen beperkende maatregelen te overwegen die financieel ondoelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl); Het bevoegd gezag het gecumuleerd geluid1 beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); Het bevoegd gezag het gezamenlijk geluid2 bepaalt (artikel 5.78ad Bkl); Het bevoegd gezag het

belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel in bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). De hierboven genoemde waarden worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinder in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB. De geluidsbelasting wordt bepaald middels een wettelijk voorgeschreven rekenmethode voor een representatief maatgevend toekomstig jaar. Gemeentelijk geluidbeleid In de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt aan de landelijke standaard- en grenswaarde een ambitiewaarde en een Utrechtse-grenswaarde toegevoegd. De Utrechtse ambitiewaarde is de waarde die vanuit het oogpunt van gezondheid bij voorkeur niet wordt overschreden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij het toedelen van functies aan locaties streven we ernaar om deze waarde niet te overschrijden. De Utrechtse grenswaarde is een lokale aanscherping van de (landelijke) grenswaarde in het Bkl met het oog op de gezondheid. Daarnaast geeft deze aanscherping de nodige beweegruimte (tot aan de landelijke grenswaarde) voor het toevoegen of aanpassen van infrastructuur of opvangen van autonome groei.

Ambitiewaarde Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies toestaan boven de 63 dB per geluidbronsoort. We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe bij zwaarwegende belangen of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

53

doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen). Grenswaarden Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide, 68 dB voor de rest van de stad; Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden. Voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidsbelasting. Dit doen we door voorwaarden te verbinden aan het realiseren van woningen zoals het hebben van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De initiatiefnemer moet zich inspannen om hieraan te voldoen en een leefbare woonomgeving te creëren, als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit is planologisch verankerd in de regels in het omgevingsplan. De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde c.q.

gevel krijgen; Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen; Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te liggen; In aansluiting op de RSU stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen; Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, kan hiervan worden afgeweken. Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is; Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel. Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen.

Ten aanzien van een buitenruimte gelden de volgende eisen: Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Als er meerdere buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten; Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarden te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten; Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben, maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden. Andere typen geluid De beoordeling van andere typen geluid dan het geluid van rijkswegen, gemeentewegen, hoofdspoorwegen of industrieterreinen dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaats te vinden. In een aantal gevallen is hierover in de Beleidsnota Geluid en Trillingen reeds een beoordelingswijze of een kader opgenomen.

Plangebied Wegverkeer Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Jutfaseweg, Rijnstraat en Beneluxlaan/Socrateslaan/Socratesbrug/’t Goylaan. Aangezien er nieuwe woningen worden toegestaan moet akoestisch onderzoek plaatsvinden. Door Aveco de Bondt is er een akoestisch onderzoek in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgevoerd. Uit dit onderzoek zijn de volgende conclusies naar voren gekomen: 5 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Herontwikkeling Reitdiepstraat, Rivierenwijk" (vastgesteld)

Utrecht

Uit de resultaten blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 54 Lden is. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar de grenswaarde uit het Utrechtse geluidbeleid van 68 Lden wordt niet overschreden. De overschrijding van de standaardwaarde vindt plaats op de westgevel van vier grondgebonden woningen is ter hoogte van de begane grond en eerste verdieping. De Jutfaseweg is maatgevend voor de overschrijdingen van de standaardwaarde. Geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk en stuiten op overwegende bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Met het oog op artikel 5.78ab Bkl zijn de vier grondgebonden woningen aan de westzijde voorzien van een geluidluwe gevel. Spoorweg en industrieterrein Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoor en niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Aan de overzijde van de Vaartsche Rijn zijn wel bedrijven gevestigd. Hier mogen echter alleen bedrijven gevestigd worden die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig. Overige In de uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met het tegengaan van geluidhinder van warmtepompen. Hiervoor zullen de geldende regels in acht worden genomen.

Plangebied en conclusie Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Jutfaseweg, Rijnstraat en Beneluxlaan/Socrateslaan/Socratesbrug/’t Goylaan. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 54 Lden is. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden , maar de grenswaarde uit het Utrechtse geluidbeleid van 68 Lden wordt niet overschreden. De overschrijding van de standaardwaarde vindt plaats op de westgevel van vier grondgebonden woningen ter hoogte van de begane grond en eerste verdieping. De Jutfaseweg is maatgevend voor de overschrijdingen van de standaardwaarde. Het nemen van geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen is niet mogelijk en stuit op overwegende bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Met het oog op artikel 5.78ab Bkl zijn de vier grondgebonden woningen aan de westzijde voorzien van een geluidluwe gevel. Er wordt voldaan aan de ambitie- en grenswaarde voor gemeentewegen die zijn opgenomen in het geluidbeleid. Ook wordt voldaan aan de eis dat elke woningen tenminste één geluidluwe gevel heeft. Bij overschrijding van de standaardwaarde moet het gezamenlijk geluid bepaald worden (artikel 5.78ad Bkl). Aangezien er sprake is van maar één geluidbronsoort (gemeentewegen) is het gezamenlijk geluid hetzelfde als het geluid Lden .

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=1955eabe-0c68-4549-b2d5-b8df97817086