TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6
Tekst van het document
Daarom hoeft er geen onderzoek te worden gedaan naar eventuele oorlogsresten in de bodem. Bodem. De extra woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bouwmassa. Daarom hoeft er geen onderzoek te worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Bomen. De extra woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bouwmassa. Er worden geen extra bomen gekapt. Water. Het verhogen van het woonprogramma zorgt niet voor een toename van het verhard oppervlak, omdat de extra woningen binnen de bestaande bouwblokken worden gerealiseerd. Archeologie. De extra woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bouwmassa. Daarom hoeft er geen onderzoek te worden gedaan naar de archeologische waarden in de bodem. Kabels en leidingen. De extra woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bouwmassa. Daarom hoeft er geen onderzoek te worden gedaan naar de aanwezige ondergrondse kabels en leidingen. Circulaire economie. Er worden geen wijzigingen aangebracht in de bouwmassa. Daarom is dit niet beschouwd. Energie. De extra woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bouwmassa. Dit is reeds beschouwd in het kader van het bestemmingsplan Cartesiusdriehoek, fase 2-6.
5.2
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plangebied Het in het plan opgenomen project valt onder categorie J11 (Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen) zoals deze is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Op basis van een aanmeldnotitie mer-beoordeling moet het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) beslissen of er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
43
In het kader van het bestemmingsplan voor fase 1 is een aanmeldnotitie (m.e.r.-beoordeling) opgesteld. Daarin zijn niet alleen de gevolgen van fase 1 beoordeeld, maar zijn (mede op basis van de uitgangspunten zoals vastgelegd in het koersdocument voor de Cartesiusdriehoek) ook de milieugevolgen van de totale ontwikkeling in beeld gebracht (fase 1 t/m 6). Voor het bestemmingsplan voor fase 2 t/m 6 zijn op onderdelen aanvullende onderzoeken uitgevoerd en zaken verder uitgewerkt. Om deze reden is een oplegnotitie opgesteld bij de oorspronkelijke aanmeldnotitie, waarin nader wordt ingegaan op de milieugevolgen ten gevolge van de ontwikkeling van fase 2 t/m 6 en de daarmee samenhangende maatregelen (zie Bijlage 2). Voor de 800 extra woningen die nu worden mogelijk gemaakt is opnieuw een oplegnotitie bij de aanmeldnotitie opgesteld. In deze notitie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en er derhalve geen aanleiding is om een milieueffectrapportage op te stellen. De gemeente heeft dan ook op 25 november 2025 besloten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Het mer-beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 3. Conclusie Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
5.3
Geluidhinder
Kader In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (bijvoorbeeld nieuwe woningen toestaan) of het wijzigen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld wegen, industrieterreinen) moet de aanvaardbaarheid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Bkl, het omgevingsplan en de Beleidsnota Geluid en Trillingen een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het (wettelijk) kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangevuld met de Beleidsnota Geluid en Trillingen. In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels. Dit stelsel is in de Beleidsnota Geluid en Trillingen voor Utrecht nader verfijnd. Hieronder is een samenvatting opgenomen van het (wettelijk kader) voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies. Geluidaandachtsgebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl).
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl). De waarden Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een nieuw geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor vier geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel. Geluidbronsoort Rijkswegen Gemeentewegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarden (5.78t Bkl) 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden
Grenswaarde (5.78u Bkl) 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden
De hoofdregel is het voldoen aan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging geldt een aantal eisen. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele specifieke uitzonderingen. 4 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl); De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt is door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl); Bij voorwaarde 1 en 2 hoeft het bevoegd gezag geen beperkende maatregelen te overwegen die financieel ondoelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl); Het bevoegd gezag het gecumuleerd geluid1 beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); Het bevoegd gezag het gezamenlijk geluid2 bepaalt (artikel 5.78ad Bkl); Het bevoegd gezag het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel in bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). De hierboven genoemde waarden worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinder in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB.
De geluidsbelasting wordt bepaald middels een wettelijk voorgeschreven rekenmethode voor een representatief maatgevend toekomstig jaar. Gemeentelijk geluidbeleid In de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt aan de landelijke standaard- en grenswaarde een ambitiewaarde en een Utrechtse-grenswaarde toegevoegd. De Utrechtse ambitiewaarde is de waarde die vanuit het oogpunt van gezondheid bij voorkeur niet wordt overschreden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij het toedelen van functies aan locaties streven we ernaar om deze waarde niet te overschrijden. De Utrechtse grenswaarde is een lokale aanscherping van de (landelijke) grenswaarde in het Bkl met het oog op de gezondheid. Daarnaast geeft deze aanscherping de nodige beweegruimte (tot aan de landelijke grenswaarde) voor het toevoegen of aanpassen van infrastructuur of opvangen van autonome groei. Ambitiewaarde Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies toestaan boven de 63 dB per geluidbronsoort.
We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe bij zwaarwegende belangen of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen). Grenswaarden Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide en 68 dB voor de rest van de stad; Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden. Voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidsbelasting. Dit doen we door voorwaarden te verbinden aan het realiseren van woningen zoals het hebben van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De initiatiefnemer moet zich inspannen om hieraan te voldoen en een leefbare woonomgeving te creëren, als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit is planologisch verankerd in de regels in het omgevingsplan.
De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde c.q. gevel krijgen; Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen; Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
45
liggen; In aansluiting op de Ruimtelijke Strategie Utrecht stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen; Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, kan hiervan worden afgeweken. Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is; Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel. Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen. Ten aanzien van een buitenruimte gelden de volgende eisen: Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde.
Als er meerdere buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten; Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarden te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten; Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden. Andere typen geluid De beoordeling van andere typen geluid dan het geluid van rijkswegen, gemeentewegen, hoofdspoorwegen of industrieterreinen dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaats te vinden. In een aantal gevallen is hierover in de Beleidsnota Geluid en Trillingen reeds een beoordelingswijze of een kader opgenomen. Overgangsrecht Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden.
Op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet blijft de Wet geluidhinder van toepassing totdat de gemeenteraad op grond van artikel 2.11a van de Omgevingswet bij omgevingsplan als omgevingswaarden geluidproductieplafonds heeft vastgesteld. Het plangebied ligt in de geluidzone van industrieterrein Lage Weide en hiervoor zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld. Plangebied Door Peutz is een akoestisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 4. Daarin is de geluidbelasting ter plaatse van de geprojecteerde woonblokken per woonlaag bepaald. De rekenposities zijn gelijkmatig over de gevels van de woonblokken verdeeld en gegroepeerd per gevelzijde.
Afbeelding 5.1 Gevelzijden A, B, C en D van de beschouwde woonblokken 4 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Wegverkeer De planlocatie is gelegen in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Dit betreft de Cartesiusweg, de Nijverheidsweg en de binnenplanse wegen. In onderstaande tabel is een samenvatting gegeven van de berekende waarden van het geluid Lden vanwege het wegverkeer op gemeentewegen. Daar waar de standaardwaarde van 53 dB(A) voor gemeentewegen wordt overschreden zijn de rekenresultaten vet gedrukt.
Tabel 5.1 Hoogst berekende waarden van het geluid (Lden) vanwege verkeer op gemeentewegen Uit tabel 5.1 blijkt dat het geluid ten gevolge van wegverkeer over gemeentewegen ten hoogste 63 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde overschreden, maar niet de grenswaarde van 70 dB. Tevens wordt voldaan aan de ambitiewaarde van 63 dB uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen. De hoogste waarden van het geluid worden veroorzaakt door het verkeer op de Cartesiusweg. Deze weg is al voorzien van geluidarm asfalt. Het treffen van maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer te reduceren (geluidarm asfalt, schermen, vergroten afstand tussen geluidbron en woningen) is in de onderhavige situatie niet haalbaar te achten. Railverkeer In onderstaande tabel is een samenvatting gegeven van de berekende waarden van het geluid Lden ten gevolge van de spoorwegen. In de tabel is uitsluitend de hoogste geluidbelasting per gevelzijde van de 6 blokken gegeven. Daar waar de standaardwaarde van 55 dB(A) voor spoorwegen wordt overschreden zijn de rekenresultaten vet afgedrukt.
Tabel 5.2 Hoogst berekende waarden van het geluid Lden ten gevolge van de spoorwegen Uit tabel 5.2 blijkt dat het geluid ten gevolge van spoorwegen ten hoogste 66 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 55 dB voor spoorwegen overschreden. Ook wordt de grenswaarde voor railverkeer van 65 dB met 1 dB overschreden. De ambitiewaarde van 63 dB uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt met 3 dB overschreden. De overschrijding van de grenswaarden en de ambitiewaarden treden op ter plaatse van de bovenste verdiepingen van de woonblokken DG07 en DG06 aan de zijde van het spoor Utrecht-Amsterdam. Op basis van de huidige uitgangspunten zijn aan die zijden, daar waar de grenswaarden worden overschreden, niet geluidgevoelige gevels vereist. In de regels is hiervoor een bepaling opgenomen. Ter plaatse van de rode bolletjes in Bijlage 1 van de regels moeten 'niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen' worden gerealiseerd. Hiervan kan worden afgezien als uit geluidberekeningen blijkt dat toch aan de grenswaarden voldaan kan worden. De overschrijdingen van de ambitiewaarde van 63 dB op de gevels van de woonblokken DG06 en DG07 is in de onderhavige situatie aanvaardbaar, omdat door deze woonblokken de achterliggende woongebouwen afgeschermd worden voor het geluid ten gevolge van het railverkeer op het spoor Utrecht-Amsterdam.
Tevens wordt aan de zijde van het spoor Utrecht-Amsterdam een geluidscherm geplaatst met een hoogte van 5 m. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
47
Gezoneerd industrieterrein In onderstaande tabel is het berekende geluid (Letmaal) ten gevolge van het industrieterrein Lage Weide op de gevels van de verschillende bouwdelen gegeven. Daar waar de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden zijn de geluidbelastingen vet afgedrukt.
Tabel 5.3 Hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein Lage Weide Uit bovenstaande tabel volgt dat het geluid op de gevels van de woonblokken ten gevolge van industrieterrein Lage Weide de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh van 50 dB(A) op meerdere gevels van de woonblokken DG02 en DG04 overschrijdt. De hoogst berekende waarde op blok DG02 op de west- en noordzijde (zijde C en D) van het gebouw bedraagt 54 dB(A). De hoogst berekende waarde op woonblok DG04 op de noord- en westzijde van het gebouw bedraagt 52 dB(A). De overschrijdingen treden met name op ter plaatse van de hoogste verdiepingen van de woonblokken DG02 en DG04. Maatregelen bij de bron betreffen het toepassen van geluidreducerende maatregelen bij de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein Lage Weide. Hierbij kan gedacht worden aan stillere toestellen, het inpakken van geluidbronnen of het verplaatsen van de bedrijven. Het betreft echter reeds gevestigde bedrijven die niet in hun bedrijfsvoering beperkt dienen te worden door de nieuwbouw van woningen. Toch zouden bronmaatregelen mogelijk haalbaar kunnen zijn. Indien hier een effectieve bronmaatregel mogelijk zou zijn (gevolgd door een hierop toegespitste aanscherping van de geluidvoorschriften van het desbetreffende bedrijf), zal het aantal woningen met een gevelbelasting van meer dan 50 dB(A) kunnen afnemen.
Aangezien de bestaande bedrijven niet verder beperkt moeten worden in hun bedrijfsvoering, worden dergelijke maatregelen echter niet nader beschouwd. Maatregelen in het overdrachtsgebied kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het plaatsen van schermen of wallen. Rekening houdend met de ligging van plangebied ten opzichte van het industrieterrein, kan worden geconcludeerd dat het treffen van een maatregel in het overdrachtsgebied niet effectief is. Los daarvan zijn schermen bij woningen gelegen op grote hoogte, hetgeen hier het geval is, niet effectief. Tevens is sprake van een groot aantal geluidbronnen ter plaatse van het industrieterrein, waardoor het treffen van maatregelen in de overdracht niet snel doeltreffend is. Maatregelen ter beperking van de geluidbelasting middels bron- en/of overdracht beperkende maatregelen zijn in redelijkheid aldus niet mogelijk. Voor de bouwblokken uit het bestemmingsplan 'Cartesiusdriehoek, fase 2-6' zijn op 19 juli 2021 hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van industrieterrein Lage Weide van maximaal 55 dB(A). Uit de berekeningen blijkt dat aan deze waarde wordt voldaan. De extra woningen, die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, zijn gelegen binnen de bouwblokken uit het vastgestelde bestemmingsplan.
Voor de woningen waar de voorkeursgrenswaarde van 50 dB wordt overschreden, wordt gebruik gemaakt van deze vastgestelde hogere waarden. Emplacement Cartesius Onder het nieuwe systeem, waarin het geluid van het emplacement is opgenomen onder dat van doorgaand spoor, voegt het emplacementsgeluid slechts een geringe bijdrage toe en is het totaal nog ruim binnen de grenswaarde. Tot het moment dat het emplacementsgeluid in het register met doorgaand spoorgeluid is opgenomen, geldt als overgangsrecht dat de activiteiten van het emplacement nog apart beoordeeld moeten worden. Dat is in dit geval gedaan. De resultaten zijn hieronder weergegeven. In tabel 5.4 is het berekende geluid (Letmaal) ten gevolge van het rijgeluid op het emplacement op de gevels van de verschillende bouwdelen gegeven.
4 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Tabel 5.4 Hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van rijgeluid op het emplacement Uit tabel 5.4 blijkt het geluid op de gevels van de woonblokken ten gevolge van het rijgeluid van het emplacement maximaal 57 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. In tabel 5.5 is het berekende geluid (Letmaal) ten gevolge van het geluid van overige activiteiten op het emplacement op de gevels van de verschillende bouwdelen gegeven.
Tabel 5.5 Hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van overige activiteiten op het emplacement Uit tabel 5.5 volgt verder dat de hoogst berekende waarde als gevolg van het geluid van overige activiteiten op het emplacement op enkele gevels van de nieuwbouw maximaal 56 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. De maximale etmaalwaarde van 57 dB(A) als gevolg van het rijgeluid op het emplacement wordt bepaald door het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 47 dB(A) in de nachtperiode. Deze waarde voldoet aan de geluidgrenswaarde uit de vigerende omgevingsvergunning van 48 dB(A) in de nachtperiode. Er zijn geen wettelijke grenswaarden voor het geluid van activiteiten. Bevoegd gezag kan zelf een afweging maken. Een richtwaarde van maximaal 55 dB(A) kan daarbij het uitgangspunt zijn. Om deze waarde te halen zouden geluidschermen tot 15 meter hoogte nodig zijn om slechts enkele dB's te reduceren (het emplacement is uitgestrekt en daardoor hebben geluidsschermen een beperkt effect op de hogere bouwlagen). Dit wordt mede in het licht van de nieuwe regelgeving niet als doelmatig gezien en we accepteren daarom het nu berekende geluidsniveau. Voor de vergunning van het emplacement heeft dit ook geen gevolgen aangezien hierin toetswaarden op enkele referentiepunten zijn opgenomen.
Door bij het ontwerp van de gebouwen rekening te houden met het geluid ten gevolge van het emplacement bij het realiseren van geluidluwe gevels en de geluidwering van de gevels (waarde van het geluid Lnight binnen de woningen kan voldoen aan binnenwaarde van 25 dB(A)) kan gesproken worden van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In de toekomst wordt het geluid ten gevolge van de spoorvoertuigen op het emplacement (rijgeluid en geluid ten gevolge van overstand) meegenomen in de waardes van de gpp's van de hoofdspoorwegen. Uit de bijdragen van het geluid van de hoofdspoorwegen en het geluid van het emplacement blijkt dat op de posities waar de bijdrage van het emplacement het hoogst is de ambitiewaarde van 63 dB niet overschreden zal worden. Derhalve is ook in de situatie na toevoegen van het emplacement aan de gpp-systematiek sprake van ETFAL. Gezamenlijk geluid In tabel 5.6 is een samenvatting gegeven van de berekende waarden van het gezamenlijk geluid Lg ten gevolge van de gemeentewegen, spoorwegen en het gezoneerde industrieterrein. In de tabel is uitsluitend de hoogste geluidbelasting per gevelzijde van de 6 blokken gegeven.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
49
Tabel 5.6 Hoogst berekende waarden van het gezamenlijk geluid ten gevolge van de gemeentewegen, spoorwegen en gezoneerd industrieterrein Uit tabel 5.6 blijkt dat het gezamenlijke geluid Lg ten hoogste 66 dB bedraagt op de noordoostzijde (zijde A) van woonblok DG07. Binnen de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bepaalt het gezamenlijke geluid de minimaal vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel. De benodigde geluidwering van de gevel bedraagt ten hoogste 33 dB (gezamenlijk geluid 66 dB minus 33 dB). Gecumuleerd geluid In tabel 5.7 is een samenvatting gegeven van de berekende waarden van het gecumuleerd geluid Lcum ten gevolge van de gemeentewegen, spoorwegen en het gezoneerde industrieterrein. In de tabel is uitsluitend de hoogste geluidbelasting per gevelzijde van de 6 blokken gegeven.
Tabel 5.7 Hoogst berekende waarden van het gecumuleerd geluid ten gevolge van de gemeentewegen, spoorwegen en gezoneerd industrieterrein Een veelgebruikte methode bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van gecumuleerd geluid is het hanteren van onderstaande tabel met kwalificaties van het gecumuleerde geluid.
Afbeelding 5.2 Kwalificatie gecumuleerd geluid Uit tabel 5.7 blijkt dat de ten hoogste berekende waarde van het gecumuleerde geluid Lcum is berekend aan de westgevel van blok DG02 (zijde C) en 64 dB bedraagt. Voor deze gevel is de geluidkwaliteit tamelijk slecht. In tabel 5.8 is op basis van de berekende waarden van Lcum de kwalificatie vermeld per geveldeel van de 6 woonblokken.
5 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Tabel 5.8 Kwalificatie van gecumuleerd geluid Uit de tabel blijkt dat elk woonblok één of meer gevels heeft waar de kwalificatie van het gecumuleerde geluid redelijk tot goed is. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorgenomen omgevingsplanwijziging.
5.4
Geur
Kader Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Uit artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Voor een aantal activiteiten is de gemeente verplicht om geurregels op te nemen, namelijk voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwdieren en andere agrarische activiteiten. Bij rekening houden met geur geldt dat: gelet wordt op het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Geurgevoelige gebouwen zijn alle gebouwen met woongebruik. Maar ook gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen kunnen door de gemeente aangewezen worden als geurgevoelig. Onder een geurgevoelig gebouw vallen ook ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Geurnota JDE (Jacobs Douwe Egberts) Op 5 december 2023 heeft het college van B&W de geurnota voor JDE vastgesteld.
In deze geurnota vormt het geurbeleid voor nieuwe geurgevoelige functies in de nabijheid van JDE. Binnen een straal van 850 meter van de centrale schoorsteen, wordt de maximale bouwhoogte van nieuw te bestemmen woningen en andere geurgevoelige objecten, gezien de relatief korte afstand tot het emissiepunt, beperkt tot 35 meter. Hiervan kan worden afgeweken indien met additioneel onderzoek aangetoond wordt dat de geurimmissie onder de 2,4 ouE/m3 als 98-percentiel blijft. Daarnaast moet voor nieuw te ontwikkelen objecten dichter grenzend aan het terrein van JDE worden aangetoond of de geurbelasting aanvaardbaar is. Plangebied Vanwege de nabijgelegen ligging van het plangebied ten opzichte van koffieproducent Jacobs Douwe Egberts (JDE) is onderzoek uitgevoerd naar het aspect geur (zie Bijlage 5). Daarbij is onderzocht of op de hoogtes boven de 35 meter kan worden voldaan aan de geureisen uit de geurnota, zonder de vergunde milieuruimte van JDE te beperken. Op basis van de geuremissies van JDE, en de berekende geurverspreiding blijkt dat ter hoogte van de beoogde woningen in het plangebied Cartesiusdriehoek, de geurblootstelling ten alle tijden lager zal zijn dan het acceptabele geurhinderniveau voor JDE (<2,4 ouE/m³ als 98-percentiel). Op een hoogte van 35 en 40 meter overlapt de 2,4 ouE/m³-contourlijn gedeeltelijk met het meest zuidwestelijke deel van de Cartesiusdriehoek.
Dit deelgebied is volgens niet bestemd voor woningbouw en heeft in het tijdelijk deel omgevingsplan de functie 'bedrijf'. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat, gelet op de geldende geurnota, geur afkomstig bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
51
van JDE geen knelpunt vormt voor het mogelijk maken van extra woningen (geurgevoelige objecten) op 35 meter of hoger binnen de bestemde woonlocaties in het plangebied Cartesiusdriehoek. Er zijn geen andere relevante geurbronnen nabij het plangebied. Conclusie Binnen het plangebied is geen sprake van industriële of agrarische geurhinder.
5.5
Omgevingsveiligheid
Kader Het werken met, de opslag van en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. De norm- en richtwaarden voor het risico van het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan twee soorten risico's beschreven waarop norm- en richtwaarden van toepassing zijn. Dit betreft: Het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans dat een persoon die onbeschermd en continu aanwezig is buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, overlijdt vanwege een ongewoon voorval, dat veroorzaakt wordt door die activiteit. Hierbij geldt voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Het groepsrisico (GR). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Deze activiteiten en de daarbij behorende geldende afstanden zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Het groepsrisico is relevant als er binnen een aandachtsgebied een ontwikkeling plaatsvindt.
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen die binnenshuis verblijven zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor de scenario's voor brand, explosie en voor een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen. Voor het groepsrisico geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht. Wanneer in een omgevingsplan een locatie is aangewezen als een (beperkt) kwetsbare, zeer kwetsbare gebouw of (beperkt) kwetsbare locaties binnen in een brand- of explosie aandachtsgebied, moeten we maatregelen overwegen om mensen te schermen tegen de gevaren van een brand, explosie of gifwolk. Maatregelen die genomen kunnen worden, zijn: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied; aanvullende risicocommunicatie; beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (brand/explosievoorschriftengebied). Bouwkundige maatregelen worden verankerd in het omgevingsplan door het aanwijzen van een brand,- of explosievoorschriftengebied. Binnen dit voorschriftengebied gelden voor nieuwbouw de extra bouweisen die in het Bbl staan.
Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als er op de locatie zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels uit het Bkl van toepassing. Dit geldt ook voor het thema omgevingsveiligheid. Naast deze beoordelingsregels heeft de gemeente Utrecht ook de Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht vastgesteld. Daarin is bijvoorbeeld beleid opgenomen voor het vestigen of uitbreiden van een risicovol bedrijf. In dit omgevingsveiligheidsbeleid wordt expliciet aangegeven dat rekening gehouden moet worden met het beperken van de effecten van een risicovol bedrijf op haar omgeving. De gemeente stuurt hierop door maatregelen te adviseren die leiden tot een beperking van het groepsrisico binnen een aandachtsgebied. Plangebied Door Antea Group is een beschouwing omgevingsveiligheid opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen 5 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
als Bijlage 6. In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee relevante risicobronnen: Spoortraject Breukelen - Utrecht; LPG-tankstation Cartesiusweg 140. Spoortraject Breukelen - Utrecht Het spoortraject Breukelen – Utrecht (route 71) bevindt zich circa 20 meter ten noordoosten van het plangebied. Over dit spoortraject vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. Plaatsgebonden risico Uit de Regeling basisnet volgt dat voor het spoortraject Breukelen - Utrecht ter hoogte van het plangebied een maximale PR 10-6-contour geldt van 0 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en standaardwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.
Aandachtsgebieden Het spoortraject Breukelen - Utrecht heeft een brand- en explosieaandachtsgebied van respectievelijk 30 meter en 200 meter. Het plangebied ligt binnen het brand- en explosieaandachtsgebied van het spoor. Voor zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied geldt dat het bevoegd gezag verplicht een voorschriftengebied moet aanwijzen.
Afbeelding 5.3 ligging van brand- en explosieaandachtsgebied (respectievelijk rood en oranje) van het spoor ter hoogte van plangebied (zwart) Met dit TAM-omgevingsplan worden slechts extra woningen gerealiseerd binnen de woongebouwen die reeds juridisch planologisch mogelijk zijn gemaakt met het bestemmingsplan 'Cartesiusdriehoek, fase 2-6'. Er worden derhalve geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. LPG-tankstation Cartesiusweg 140 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
53
Het LPG-tankstation aan de Cartesiusweg 140 bevindt zich direct ten zuidwesten van het plangebied. Plaatsgebonden risico Een LPG-tankstation heeft op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) drie PR 10-6-contouren. Deze PR 10-6-contouren bedragen voor dit LPG-tankstation respectievelijk 35 meter (vulpunt), 25 meter (tank) en 15 meter (tankzuil). De ligging van deze contouren is weergegeven in onderstaande afbeelding:
Afbeelding 5.4 PR 10-6 contouren van het LPG-tankstation (blauw) ter hoogte van het plangebied (zwart omlijnd) Eén van deze contouren reikt aan de zuidwestelijke zijde gedeeltelijk tot het plangebied. Binnen deze contour worden geen zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Aandachtsgebieden Een LPG-tankstation heeft op basis van het Bkl twee type aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied rond het vulpunt en de tank (60 meter) en een explosieaandachtsgebied vanaf het vulpunt en de tank (160 meter).
5 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 5.5 Brand- (rood) en explosieaandachtsgebied (oranje) van het LPG-tankstation ter hoogte van het plangebied Met dit TAM-omgevingsplan worden slechts extra woningen gerealiseerd binnen de woongebouwen die reeds juridisch planologisch mogelijk zijn gemaakt met het bestemmingsplan 'Cartesiusdriehoek, fase 2-6'. Er worden derhalve geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Beschermingsniveau Vanwege de ligging van het plangebied in het brand- en explosieaandachtsgebied van het spoor en het LPG-tankstation dient conform artikel 5.15 van het Bkl het bevoegd gezag bij het ruimtelijk besluit te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. In hoofdstuk 4 van het onderzoek zijn verschillende rampscenario's beschouwd: Plasbrandscenario: Zowel het spoor als het LPG-tankstation bevinden zich buiten het plangebied. Bronmaatregelen zijn daarmee vanuit het wijzigingsplan niet mogelijk. Fakkelbrandscenario: Het scenario fakkelbrand is gebaseerd op uitstroom van LPG uit een ketelwagen, waarbij de LPG direct ontsteekt. Aan de zuidwestzijde van het plangebied zijn binnen het brandaandachtsgebied van het LPG-tankstation geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, maar het bestendigen van de bestaande groothandel. Explosie: Binnen het explosieaandachtsgebied kunnen de effecten van een explosie optreden.
Bronmaatregelen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn onderhevig aan Europese normen. Hier gelden op landelijk niveau, laat staan op bouwplanniveau, geen bevoegdheden om dergelijke maatregelen op te leggen. Artikel 4.96 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), dat van toepassing is als een gemeente een explosievoorschriftengebied heeft aangewezen, schrijft voor dat er maatregelen genomen moeten worden om de scherfwerking van glas te voorkomen. In het Bbl zijn echter geen normen of nadere uitleg hieromtrent opgenomen. Dit gebrek maakt het noodzakelijk dat een gemeente eigen normen vaststelt, omdat zonder deze normen de glasleverancier geen ontwerpuitgangspunten heeft. De Beleidsnota Omgevingsveiligheid 2024 van de gemeente Utrecht bevat deze normen niet: bij het aanwijzen van een explosievoorschriftengebied dienen daarom de ontwerpuitgangspunten te bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
55
worden bepaald. Toxisch scenario: Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Om personen in gebouwen te beschermen is in het Bbl de verplichting opgenomen dat de mechanische ventilatie in een gebouw handmatig uitgeschakeld moet kunnen worden (artikel 4.124). Daarnaast geven de thermische isolatievereisten uit het Bbl tevens ook een optimale kierdichtheid tegen het indringen van giftige stoffen. Groepsrisico Het bepalen van de rekenkundige hoogte van het groepsrisico is onder de Omgevingswet niet langer een van de verplichte onderdelen bij het beschouwen van omgevingsveiligheid. De groepsrisicobeoordeling is daarom opgesteld aan de hand van een kwalitatieve benadering. Spoortraject Breukelen - Utrecht Het groepsrisico van het spoortraject ter hoogte van het plangebied bedraagt op basis van het vastgestelde bestemmingsplan circa 0,5 keer de oriëntatiewaarde. Met de wijziging van het omgevingsplan vindt ten opzichte van het vastgestelde bestemmingsplan een verdichting van het woonprogramma plaats binnen de bestaande bouwmassa. Waar bij het bestemmingsplan is uitgegaan van een personendichtheid van 2,4 personen per woning, zal de personendichtheid per woning op basis van deze verdichting lager zijn. Voor de beoordeling is uitgegaan van 1,75 personen per woning. Het niet-woonprogramma zal niet wijzigen.
Om de gevolgen van het wijzigingsplan op de hoogte van het groepsrisico te duiden is de verandering van de personendichtheid in de eerstelijnsbebouwing aan het spoor inzichtelijk gemaakt (tabel 5.10). De eerstelijnsbebouwing van het plangebied (afbeelding 5.6) heeft de grootste invloed op de hoogte van het groepsrisico.
Tabel 5.10 Vergelijking personendichtheid eerstelijns-bebouwing
5 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 5.6 Globale ligging deelgebieden (zwart) ten opzichte van brand- (rood) en explosieaandachtsgebied (oranje) spoortraject Uit deze vergelijking blijkt dat de personendichtheid in de toekomstige situatie geen grote verandering vertoont in de eerstelijnsbebouwing. De hoogte van het groepsrisico van het spoortraject zal daarmee naar verwachting een minimale verschuiving kennen en blijft ook in de toekomstige situatie ruim onder de oriëntatiewaarde. LPG-tankstation Cartesiusweg 140 Het groepsrisico van het LPG-tankstation bevindt zich op basis van het vastgestelde bestemmingsplan onder de oriëntatiewaarde. Eén van de deelgebieden waarin woningbouw is voorzien bevindt zich gedeeltelijk binnen het explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation. Om de gevolgen van het wijzigingsplan op de hoogte van het groepsrisico te duiden is de verandering van de personendichtheid in dit deelgebied in beeld gebracht (tabel 5.11). Overige delen van het wijzigingsplan (niet-wonen) veranderen niet ten gevolge van het wijzigingsplan.
Tabel 5.11 Vergelijking personendichtheid eerstelijns-bebouwing
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
57
Afbeelding 5.7 Globale ligging deelgebied DG02 (zwart) ten opzichte van explosieaandachtsgebied (oranje) LPG-tankstation Uit deze vergelijking blijkt dat de personendichtheid binnen het deelgebied dat gedeeltelijk binnen het explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation met circa twintig procent toeneemt. Het deel van het deelgebied dat overlapt met het explosieaandachtsgebied is echter beperkt en bevindt zich bovendien aan de rand van het explosieaandachtsgebied (de bijdrage aan het groepsrisico van dit deelgebied is daarmee relatief beperkt). De hoogte van het groepsrisico van het LPG-tankstation zal daarmee naar verwachting een minimale verschuiving kennen en blijft ook in de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Plasbrandscenario: Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn moeten zij zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 45 meter. In principe is vluchten de beste optie. Of vluchten daadwerkelijk mogelijk is, is afhankelijk van de parameters vluchttijd en alarmeringstijd.
Explosie: Van belang bij een eventuele explosie is dat de interne vluchtwegen in het gebouw zodanig gesitueerd dienen te zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. De woongebouwen moeten via meerdere zijdes kunnen worden ontvlucht. In sommige gevallen kan vluchten uit de directe omgeving eveneens nodig zijn, bijvoorbeeld als reactie op secundaire branden. Voor een juiste inrichting van vluchtroutes naar buiten toe moet rekening gehouden worden met de verschillende scenario’s. De externe vluchtwegen voor de woongebouwen richten zich op verschillende delen van de Cartesiusweg. Hiermee is vluchten (per voet, fiets of gemotoriseerd voertuig) in principe mogelijk via verschillende routes (afbeelding 5.8).
5 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 5.8 Globale indicatie externe vluchtroutes uit het plangebied (paars) Toxisch scenario: Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeursscenario. Het is van belang dat de bebouwing bescherming biedt. De bebouwing is voorzien van mechanische ventilatiesystemen die handmatig kunnen worden uitgeschakeld. Beperkt zelfredzame groepen Met de wijziging van het omgevingsplan worden binnen de aandachtsgebieden geen specifieke ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de langdurige aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen (zoals kinderen, ouderen) faciliteren. Er is daarmee geen bijzondere aandacht nodig voor de zelfredzaamheid van toekomstige aanwezigen. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. Bij bestrijdbaarheid dient rekening gehouden te worden met de volgende aandachtspunten bij de scenario’s. Plasbrandscenario: De brandweer dient tijdig ter plaatse te kunnen zijn om te voorkomen dat een brandbare vloeistof zich verspreidt langs een trein met gevaarlijke stoffen of het plangebied instroomt. Explosie: Belangrijk voor een ongeval met brandbare gassen (in combinatie met brandbare vloeistoffen) is dat de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse van de calamiteit is.
De brandweer heeft voor langere periode voldoende bluswatercapaciteit nodig (primaire, secundaire en eventueel tertiaire bluswatervoorziening). Toxisch scenario: Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. De Veiligheidsregio heeft aparte protocollen voor het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen op de weg. Bereikbaarheid De brandweer Utrecht heeft een kazerne aan de Vlampijpstraat (Schepenbuurt), aan de overzijde van de Cartesiusweg. Het plangebied is meerzijdig te benaderen via de Cartesiusweg. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen omgevingsplanwijziging.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
59
5.6
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Een groot deel van de luchtkwaliteit komt van buiten Utrecht. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. Omdat de gemeente Utrecht een aandachtsgebied is voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10), moet de luchtkwaliteit getoetst en gemonitord worden. Als een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties NO2 en/of PM10, moet de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 en artikel 9.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beoordelen van de luchtkwaliteit betekent dat het bevoegd gezag motiveert dat: er geen overschrijding dreigt van de omgevingswaarden voor NO2, PM10 of andere stoffen, of de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1.
2.
Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels een kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) kan aannemelijk worden gemaakt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit moet kwalitatief of kwantitatief aangetoond worden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden. De grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 worden aangescherpt tot 20, 20 en 10 µg/m3. Stof
Grenswaarde WHO-advies EU waarde-2005 NO2 (stikstofdioxide) 40 µg/m3 40 µg/m3 PM10 (fijnstof) 40 µg/m3 20 µg/m3 3 PM2,5 (fijnstof) 25 µg/m 10 µg/m3 WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5
WHO-advies waarde-2021 10 µg/m3 15 µg/m3 5 µg/m3
Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht – luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. In het coalitieakkoord 6 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
van de gemeente Utrecht is opgenomen dat wij streven naar het behalen van de nieuwe aangescherpte WHO-advieswaarden. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plangebied Door Peutz is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteitsaspecten inzake de beoogde extra woningen in het plangebied. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 7. De jaargemiddelde concentraties nabij het plangebied zijn weergegeven in het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De jaargemiddelde concentraties direct naast de Cartesiusweg, nabij het plangebied, voor het jaar 2025 bedragen 25 µg/m³ voor stikstofdioxide (NO2) en 17 en 9 µg/m³ voor fijn stof (PM10 en PM2,5). De huidige luchtkwaliteit in het plangebied voldoet derhalve ruimschoots aan de van toepassing zijnde rijksomgevingswaarden. Voor 2030 geeft het CIMLK direct naast de Cartesiusweg concentraties NO2, PM10 en PM2,5 van respectievelijk 20, 17 en 9 µg/m³. Dit is niet hoger dan de aangescherpte grenswaarden die per 2030 van toepassing zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat de toetspunten in het CIMLK op korte afstand van de weg gelegen zijn. De woningen worden op grotere afstand van de weg gerealiseerd. De genoemde concentraties zijn derhalve als worst-case te beschouwen.
Woongebouwen zijn aangewezen als categorie gebouwen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, mits sprake is van maximaal 1.500 woningen (uitgaande van één ontsluitingsweg) of maximaal 3.000 woningen (uitgaande van twee ontsluitingswegen). Het plan voldoet hieraan, waardoor de bijdrage van de 800 extra woningen aan de luchtkwaliteit als "niet in betekenende mate" gekwalificeerd kan worden. Bovendien leiden de extra 800 woningen niet tot extra verkeersbewegingen (zie paragraaf 4.2.1 Verkeer). Conclusie Ter plaatse van het plangebied is sprake van een luchtkwaliteit die voldoet aan de van toepassing zijnde rijksomgevingswaarden zoals opgenomen in het Bkl. In 2030 zal ook voldaan worden aan de aangescherpte grenswaarden. De bijdrage van het plan zelf aan de luchtkwaliteit kwalificeert als “niet in betekende mate”. Er is voor wat betreft luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Inzake luchtkwaliteit bestaan er derhalve geen belemmeringen voor de planvorming.
5.7
Natuurbescherming
Op grond van de Omgevingswet moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de regels uit de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de omgevingsverordening provincie Utrecht. Beschermde dier- en plantensoorten De gevolgen voor dier- en plantensoorten voor het plangebied zijn al in kaart gebracht voor het bestemmingsplan. Reeds is geconcludeerd dat de herontwikkeling van het plangebied geen negatieve gevolgen heeft voor dier- en plantensoorten. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden en stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Bij een wijziging van het omgevingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Als een activiteit leidt tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en er niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot significante effecten op deze gebieden, wordt de activiteit aangemerkt als een Natura 2000-activiteit volgens de Omgevingswet en is deze vergunningsplichtig. Wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er geen significante stikstofdepositie optreedt wordt de activiteit niet bestempeld als Natura 2000-activiteit en hoeft er geen omgevingsvergunning te worden verleend. Als er wel stikstofdepositie optreedt, maar er wordt aangetoond dat deze toename in stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden (middels een voortoets), is de activiteit ook geen Natura 2000-activiteit. In de bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
61
voortoets mag geen rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen zoals intern salderen. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden moet er voor de wijziging van het omgevingsplan een passende beoordeling worden opgesteld en een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Utrecht). Het bevoegd gezag mag het omgevingsplan alleen vaststellen als uit de passende beoordeling zekerheid kan worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Wanneer er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-mer-plicht of plan-mer-beoordelingsplicht (artikel 16.36 Ow). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de omgevingsverordening Provincie Utrecht (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen van) een wijziging van het omgevingsplan aan moeten voldoen.
Algemene zorgplicht Ten slotte gelden voor Natura 2000-activiteiten en Flora- en Fauna-activiteiten de specifieke zorgplichten van de artikelen 11.6 en 11.27 uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van natuurbescherming is verplicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Als de gevolgen niet kunnen worden voorkomen moet zorg gedragen worden voor het zo veel mogelijk beperken of het ongedaan maken van die gevolgen. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet worden bezien of de activiteit achterwege gelaten kan worden, voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Daarom moet iemand die een bepaalde activiteit wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Plangebied Voor de extra 800 woningen, die met dit plan worden mogelijk gemaakt, is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8).
Uit het stikstofonderzoek blijkt dat de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op relevante Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase bedraagt 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Er is een ecologische voortoets (zie Bijlage 9) uitgevoerd om te beoordelen of deze tijdelijke stikstofdepositie kan resulteren in significant negatieve effecten op het betreffende Natura 2000-gebied. Dit is niet het geval. Conclusie Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er in de aanlegfase sprake is van een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Uit de ecologische voortoets blijkt dat deze tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op het betreffende Natura 2000-gebied.
5.8
Gezond stedelijk leven
Kader In paragraaf 2.3.2.2.3 is het gemeentelijke beleid voor een gezond stedelijk leven uiteengezet. In Utrecht streven wij naar gezond stedelijk leven voor iedereen (Ruimtelijke Strategie Utrecht). Vanuit gezondheidsperspectief is de hoofdambitie om gezondheidsverschillen binnen Utrecht te verkleinen (Nota Samen gezondheidsverschillen verkleinen 2024–2027). Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat Utrechters beschermd zijn tegen negatieve milieufactoren, de fysieke leefomgeving gezonde leefgewoonten ondersteunt en de fysieke leefomgeving sociale kracht versterkt. Hieronder wordt aangegeven op welke manier hier invulling aan is gegeven. Plangebied Bescherming tegen negatieve milieufactoren Er worden veel maatregelen genomen om de gezondheid van bewoners en omwonenden van het gebied te beschermen tegen negatieve milieufactoren. Zo wordt het autoverkeer in het gebied drastisch beperkt, wordt er gebruik gemaakt van duurzame energie en worden er klimaatbestendige 6 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan extra woningen in Cartesiusdriehoek, fase 2-6" (vastgesteld)
Utrecht
maatregelen genomen op het vlak van energie en inrichtingsprincipes. Ook worden gevoelige functies op afstand van de weg gesitueerd, en wordt geluidsoverlast van het spoor beperkt door een geluidwerend scherm. Leefomgeving ondersteunt gezonde leefgewoontes Bij de transformatie van de Cartesiusdriehoek wordt op alle mogelijke wijzen gestreefd naar het creëren van een gezonde leefomgeving. De inrichting van dit stukje stad wordt daarmee één van de pronkjuwelen voor gezonde verstedelijking in Utrecht. Zo worden er veel groene buitenruimten en ontmoetingsruimten gerealiseerd. Ook zijn er veel fietsvoorzieningen zoals snelle fietsverbindingen, het is een autoluw gebied. Binnen het plangebied zijn tevens speel- en sportplekken voorzien. De personendichtheid zal ondanks de extra woningen ongeveer gelijk blijven. Voor het bestemmingsplan is uitgegaan van een personendichtheid van 2,4 personen per woning. Door de verdichting komt de personendichtheid neer op 1,75 personen per woning. De berekening van het toekomstig aantal bewoners is opgenomen in Bijlage 6 Beschouwing omgevingsveiligheid. Er ontstaat dus geen extra druk op de voorzieningen en openbare ruimte. Sociale kracht wordt versterkt De sociale kracht wordt versterkt door de vele ontmoetingsruimten, waaronder binnen elk woonblok, en groene buitenruimten.