Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen (na verwerking amendementen).pdf
Tekst van het document
37 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
De doelgroepen in het gebied zullen gaan bestaan uit stedelijke starters, stedelijke gezinnen en een sociaal woonconcept. Deze mix van bewoners sluit goed aan bij de Woonvisie (2019) waarin we willen werken aan wijken waarin gemeenschappen kunnen ontstaan voor mensen om prettig en gezond (samen) te leven en er plek is voor alle (inkomens)groepen. Voor iedereen is er ruimte in Utrecht om te wonen. Bovendien zetten we met de Woonvisie naast gemengde wijken in op gemengde woonconcepten: hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een combinatie van kwetsbare jongeren met studenten, studenten met ouderen, of jongeren met statushouders. De groep stedelijke starters bestaat uit 1 à 2 persoonshuishoudens, veelal starters, die hier mogelijk hun eerste kind krijgen. Ze zijn niet (langer) op zoek naar een centrum locatie maar willen nog wel dichtbij het voorzieningenniveau wonen dat de binnenstad biedt. Stedelijke gezinnen vestigen zich hier om de locatie en gemeenschap, zo delen ze graag de tuin. Daar-naast maken ze veelvuldig gebruik van alternatieve mobiliteitsmiddelen als OV, deelauto’s en bakfietsen. Sociaal woonconcept; een van de succesverhalen van het huidige Thomas à Kempisplantsoen is de Majellagroep. Dit is een vorm van een sociaal woonconcept dat bewezen succesvol is. Het concept leunt op een vragers-dragers formule.
Hierin worden mensen die al wel zelfstandig kunnen wonen maar nog wel hulp nodig hebben, gekoppeld aan speciaal geselecteerde bewoners, gemotiveerde huurders die willen omzien naar de huurder met een zorgvraag. Gezien de positieve ervaringen hiermee en de potentiële bijdrage aan het gemeenschapsgevoel wordt onderzocht of zich hier in de toekomst mogelijk weer een woonconcept in het sociaal segment kan vestigen. De precieze vorm en omvang hiervan is echter nog nader te bepalen.
4.3 Ruimtelijk Het Thomas à Kempisplantsoen ligt vlak ten oosten van de Hogewijdebrug/Gele brug en vormt daarmee de entree naar de bestaande stad vanuit Leidsche Rijn. Het is een schakelpunt dat Leidsche Rijn verbindt met het centrum van Utrecht. Ondanks de markante positie van het ThàK-plantsoen heeft het op dit moment een geïsoleerde ligging doordat het wordt afgesneden van zijn omgeving door de Vleutenseweg, de Thomas à Kempisweg en het spoor. Om onderdeel te worden van de bestaande stad en een betere interactie te krijgen met de omgeving is het belangrijk dat de enclave doorbroken wordt. Ook is het wenselijk dat er aan de oostzijde een relatie wordt gezocht met het aangrenzende Nieuw Engeland en Spinozaplantsoen. De uit gebruik genomen Thomas à Kempisweg vormt daarbij een belangrijke schakelstuk. Door deze ruimte groen in te richten zal deze ruimte niet alleen de groene ruimtes in de omgeving met elkaar verbinden en daarmee aanhaken op de stedelijke groenstructuur, maar ook een verbinding vormen met het groene binnengebied van het ThàK-plantsoen. Op deze manier wordt het gebied een interactief park voor mens en dier. De open binnenruimte is dus niet enkel intern georiënteerd. De geslotenheid van het plangebied wordt ook doorbroken door het doorwaadbaar te maken en daarmee verbindingen te creëren aan zowel de westzijde als de oostzijde van het plangebied.
Deze verbindingen moeten in balans zijn met het voorkomen van geluidshinder en het doel van de Westelijke Stadsboulevard. Door in het park een drietal bouwblokken te situeren wordt de Westelijke Stadsboulevard begeleidt door gevels die een levendige en welkome uitstraling hebben. Hierdoor draagt het bij aan de transformatie van een drukke verkeersweg naar een aantrekkelijke en goed oversteekbare stadsboulevard.
38 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Om toch de doorwaadbaarheid van het plangebied te waarborgen is een doorgang door de wand aan de Vleutenseweg hierbij van groot belang. De maat en schaal van de Thomas à Kempisweg moet behouden blijven om er een groene kwalitatieve invulling aan te geven. Daarnaast is deze open ruimte een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van de stad. De continuïteit van deze structuur moet behouden blijven. Door het niet overschrijden van de bestaande rooilijn wordt het behouden hiervan gewaarborgd. Naast de westhoek van het ThàK-plantsoen zal ook door het afbuigen van de Westelijke Stadsboulevard om het ThàK-plantsoen heen de Majellaknoop een markanter punt worden. De Majellakerk geeft hier reeds expressie aan, maar kan door het ThàK-plantsoen versterkt worden door middel van een accent op de zuidhoek. Deze twee accenten gaan een relatie met elkaar aan waarbij de balans in het oog wordt gehouden. Om een prettig verblijfgebied te realiseren is er bescherming van het omringende hinder nodig. Een basis bouwhoogte van 6 lagen helpt hierbij. Door de woningen als geluidswerende voorziening in te zetten kan er een aangenaam binnengebied ontstaan. De accenten op beide hoeken krijgen een verbijzondering door de uitstraling en door de bouwhoogte.
4.4 Bouwblok in de noordwestelijke punt De westhoek van het ThàK-plantsoen luidt de binnenkomst in de bestaande stad in na het oversteken van de Gele brug. Als toevoeging op de iconische JDE kan de west entree van de bestaande stad duidelijker gemarkeerd worden door een accent op de hoek van het ThàK-plantsoen.
Op basis van de huidige geur- en geluidcontouren vanuit JDE is een woonprogramma op deze plek nu niet mogelijk. Onderzocht moet worden welke functie op termijn passend is. Naast dat deze plek om een accent vraagt, functioneert het gebouwde volume ook als een begeleidende wand voor de Westelijke Stadsboulevard. Het bouwblok dient daarnaast goed aan te sluiten op het naastgelegen park en nieuw te realiseren bouwblokken. Dit betekent onder andere dat het bouwblok een hoogte-opbouw krijgt en een bijzondere plintinvulling die voor een levendige uitstraling zorgt. Ook draagt de entree bij aan het activeren van een bijzondere plek in het park.
4.5 Verkeer en parkeren
In het mobiliteitspan 2040 is onder andere benoemd dat de gemeente Utrecht stimuleert dat mensen kiezen voor gezonde, actieve en gedeelde vormen om zich te verplaatsen. Lopen, fietsen en het gebruik van openbaar vervoer en deelmobiliteit (en/of combinaties van deze vormen) hebben de voorkeur boven het gebruik van de (eigen) auto. Om het gebruik van deelmobiliteit te stimuleren, bieden we deelmobiliteit op een digitaal laagdrempelige manier stadsbreed aan op buurtniveau, als volwaardig alternatief voor de eigen auto. We hebben extra aandacht voor de betaalbaarheid, beschikbaarheid, de locaties en voor gemakkelijk gebruik. In de Parkeervisie ‘Ruimte voor de Buurt’, die tegelijkertijd met dit geactualiseerde mobiliteitsplan is uitgewerkt, wordt vastgelegd op welke manier het parkeerbeleid in Utrecht bijdraagt aan een gezonde en leefbare stad, die voor alle doelgroepen bereikbaar en toegankelijk is. Om de bereikbaarheid van de stad te waarborgen, zetten we in op een beperkte toevoeging van autoparkeerplaatsen bij bouwontwikkelingen, en stimuleren we alternatieven zoals deelmobiliteit en de multimodale reis.
39 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
In het Thomas à Kempisplantsoen wordt met de uitwerking van het plan ingezet op deelmobiliteit en het beperken van de ruimte voor auto’s in het openbaar gebied. De deelmobiliteit maakt een norm van circa 0,3 per woning mogelijk, en door deze parkeerplaatsen alleen aan de randen te plaatsen die nu ook al een verkeersbestemming hebben blijft maximaal ruimte over voor voetganger en fietser om de openbare ruimte te ontwerpen volgens “groen tenzij”.
4.6 Openbare ruimte
De ligging op het kruispunt van hoofdfietsroutes maakt dat de knooppunten uit het Wiel met Spaken goed bereikbaar zijn voor evt. vervoer via OV van en naar de regio, én ook dat de centra van de binnenstad en Leidsche Rijn ruim binnen fietsafstand liggen. Dat wordt nog eens versterkt door binnen het deelmobiliteitsconcept aanbieden van elektrische fietsen en/of scooter.
De Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimte is één van de bouwstenen voor de RSU. De Kadernota onderscheidt drie kwaliteiten voor de openbare ruimte: Domstad, Domstad Bijzonder en Utrechtse Allure. Voor het Thomas à Kempisplantsoen geldt het kwaliteitsniveau Domstad. Voor het grootste deel van de stad, namelijk gebieden waar vooral wordt gewoond of gewerkt, is het kwaliteitsniveau Domstad van toepassing. Hiervoor geldt een standaardinrichting en basisonderhoud. Voor de verschillende stedenbouwkundige perioden wordt een beperkt palet aan materialen voorgeschreven. Dat palet geeft de mogelijkheid verschil te maken per tijdsbeeld – binnen de financiële kaders van beheer en onderhoud. De paletten worden per gebied uitgewerkt in het ‘Handboek Openbare Ruimte’.
Westelijke Stadsboulevard De ontsluiting van het autoverkeer komt op dezelfde plaats als in de bestaande situatie. Op deze locatie heeft de aansluiting een beperkt effect op de doorstroming op de Westelijke Stadsboulevard. Door de nieuwe inrichting van de Westelijke Stadsboulevard wordt de fietsroute richting het centrum van de stad extra aantrekkelijk en veilig. Verkeer dat via de Cremerstraat naar de stad wil fietsen hoeft in de toekomst de Thomas à Kempisweg niet meer over te steken.
In de Ruimtelijke Strategie Utrecht is vastgesteld dat er bij herontwikkeling van de bestaande stad verdicht kan worden, wanneer er ook een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van de wijk. Dit betekent voor het ThàK-plantsoen dat een goede openbare ruimte en verbinding met de omgeving belangrijke speerpunten zijn.
40 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
4.7 Groen Het plangebied voor de herontwikkeling van het Thomas à Kempisplantsoen vormt een belangrijke schakel binnen de stedelijke groenstructuur. De oevers van het Merwedekanaal, de spoorzone en de Thomas à Kempisweg die doorloopt in de Westelijke Stadsboulevard zijn onderdeel van de stedelijke groenstructuur en de hoofdbomenstructuur. Met de ontwikkeling van het ThàK-plantsoen is er een kans om deze structuren recreatief, ecologisch en landschappelijk te versterken en te verbinden. Het binnengebied van het Thomas à Kempisplantsoen en de Thomas à Kempisweg spelen hier een centrale verbindingsrol in. De Thomas à Kempisweg en het binnengebied van het Thomas à Kempisplantsoen krijgen een uitgesproken groen karakter waar de behoeftes van de verschillende doelgroepen in verwerkt worden. Het zal een ruimte zijn waar niet alleen kijkgroen, maar ook verblijfsgroen aanwezig is. Op deze manier is het aantrekkelijk voor zowel bewoners als omwonenden hiervan gebruik te maken. Het vormt daarmee een verbinding met de al bestaande groengebieden in de omgeving. Een ‘blokje om’ wordt hiermee aantrekkelijker. Het binnengebied van het Thomas à Kempisplantsoen is een luwe plek. Samen met de Thomas à Kempisweg is het een belangrijke drager van het plangebied die niet alleen de kwaliteit, maar ook de leefbaarheid van het gebied bepaalt.
Naast de recreatieve en landschappelijke invulling, versterkt het binnengebied en de Thomas à Kempisweg ook de ecologische waarde. Het groen in het Thomas à Kempisplantsoen en de Thomas à Kempisweg gaan een vegetatietype van bloeiende vaste en inheemse planten bieden met daarin afwisselend en op regelmatige afstand clusters van opgaande struiken, diverse brede hagen en losse boomgroepen of meerstammige bomen.
De gevels zullen gesierd zijn met bloeiende klimplanten. Zowel huismussen, vlinders als bijen zullen veelvuldig te zien zijn. De groene daken bieden een gevarieerde vegetatie met veel bloeiende planten en zorgt er daarmee voor dat bijen, vlinders, kleine zangvogels hier goed kunnen gedijen.
41 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Afbeelding: Hoofdgroenstructuur
Afbeelding: Boomstructuur
42 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
4.8 Duurzame en gezonde verstedelijking Volgens de prestatieafspraken vormt BENG (“bijna energie neutraal gebouw”) de minimale inspanning voor het ThàK-plantsoen. Daarnaast draagt het Thomas à Kempisplantsoen waar mogelijk bij aan de Utrechtse doelstelling om klimaatneutraal te worden. De ambities van Utrecht gaan verder dan de wettelijke BENG-eisen voor gebouwen, de stad wil als geheel namelijk zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Dit is een stevige uitdaging waaraan het Thomas à Kempisplantsoen waar mogelijk een bijdrage dient te leveren. Utrecht hanteert hiervoor het Utrechts Energieprotocol. Dat protocol biedt handvatten voor de invulling van energieneutraal bouwen. Zie daarvoor: https://ris2.ibabs. eu/Reports/ViewListEntry/Utrecht/3a0b4511-3377-4f8c-9c1d224559a7934b. In motie 2016/252 heeft de gemeenteraad vastgesteld dat circulair bouwen in Utrecht de norm is. Binnen dit plan wordt daar invulling aan gegeven door kostenneutrale oplossingen te vinden, bijvoorbeeld via het circulair slopen van de bestaande bebouwing. Door de afspraak met corporaties dat zij aantoonbaar onderzoeken of en in welke mate zij meer kunnen doen dan de wettelijke eisen vanuit BENG 1 2 en 3 wordt gezocht naar de aansluiting bij de ambitie van energie neutrale stad
43 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5. Onderzoek en haalbaarheid 5.1 Geluidhinder Eind 2019 heeft het college een nieuwe Nota Volksgezondheid (‘Gezondheid voor Iedereen’ Volksgezondheidbeleid 2019-2022) vastgesteld. Een van de speerpunten van deze nota is ‘Gezonde leefomgeving’. In een gezonde leefomgeving is de druk op de gezondheid zo laag mogelijk. Ook geluid heeft invloed op de gezondheid van mensen. We werken daarom toe naar normen die op gezondheid zijn gebaseerd. Concreet vertaalt zich dit in een lokale ambitiewaarde van 63 dB voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. Ook zorgen we dat nieuwe ontwikkelingen zoals woningen, niet leiden tot een hogere druk op gezondheid door bijvoorbeeld een slechtere geluidskwaliteit. Als dat toch zo is, dan compenseren we de extra druk door aanvullende maatregelen (luwe zijde). Het plangebied wordt geluid belast door zowel het omringend wegverkeer als het naastgelegen spoor. Omdat nog onduidelijk is onder welke wet de ruimtelijke procedure van het project wordt gevolgd zijn zowel de randvoorwaarden onder de huidige Wet geluidhinder (Wgh) als de nieuwe Omgevingswet beschreven. Het geluid ten gevolge van Jacobs Douwe Egberts komt in hoofdstuk 5.5 aan de orde. Wegverkeer wordt tot de invoering van de Omgevingswet (vooralsnog invoering op 1-7-2022) volgens de Wet geluidhinder getoetst per weg.
Van belang zijn hier: • Thomas à Kempisplantsoen • Vleutenseweg Onder de nieuwe wet zullen alle wegen gezamenlijk beoordeeld worden en zullen de grenswaarden anders zijn.
Uitgangspunt is de toekomstige situatie met de Westelijke Stadsboulevard (afsluiting ThàK-weg) met de meest recente verkeerscijfers. De geluidbelastingen zijn gepresenteerd inclusief 5 dB aftrek conform art. 110g Wgh. Voor het railverkeer is het uitgangspunt het wettelijke geluidregister spoor. De volgende legenda is gehanteerd in de navolgende figuren voor zowel het weg- als railverkeer. • Groen: onder voorkeursgrenswaarde • Geel: tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde • Rood: > maximale ontheffingswaarde: Voldoet niet aan de wet. Er zijn maatregelen nodig die bouw van woningen binnen de geldende wetgeving, ondanks de overschrijding van de maximale ontheffingswaarden, mogelijk maken. Bij een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde (vanaf geel) worden er volgens het gemeentelijke geluidbeleid eisen gesteld bij de realisatie van nieuwe woningen. Kort gezegd is de essentie hiervan, dat een waarde boven dan de voorkeurgrenswaarde kan, indien iedere woning beschikt over een luwe zijde (geluidsbelasting onder de voorkeurgrenswaarde), 30% van de verblijfsruimten aan deze luwe zijde zijn gelegen en de buitenruimte zich bij voorkeur aan de luwe zijde bevindt maar zeker niet op een plek waar de voorkeurgrenswaarde met meer dan 5 dB wordt overschreden.
Deze voorwaarden zijn een compensatie met het oog op de gezondheid om te bouwen op een locatie met een hogere geluidbelasting.
44 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Hieronder zijn de geluidbelastingen van de twee relevante wegen op het meest actuele ontwerp te zien indien de toetsing onder de huidige wet zal plaatsvinden. Afbeelding: Geluidbelasting vanwege ThàKplantsoen (Wgh)
Afbeelding: Geluidbelasting vanwege Vleutenseweg (Wgh)
Vanwege het wegverkeer wordt overal voldaan aan de maximale ontheffingswaarde (63 dB). In het zuiden bedraagt de geluidbelasting 63 dB vanwege de Vleutenseweg en wordt dus maar net voldaan. Het is niet uitgesloten dat met iets gewijzigde uitgangspunten er alsnog een overschrijding ontstaat. Om deze hogere geluidbelasting toe te staan (ontheffing) moet er voldaan worden aan de voorwaarden uit het geluidbeleid. Met name op de hoeken van de bebouwing vereist de ‘geluidluwe gevel’ extra aandacht. Het binnengebied is overal geluidluw, met uitzondering van de achterzijde van de toren op het zuidelijke blok. Als de woningen grenzen aan de binnengebieden is er over het algemeen dus sprake van een geluidluwe gevel. Eenzijdig georiënteerde woningen lijken gezien de hoge geluidbelasting aan de zijde van de Vleutenseweg niet overal mogelijk. Een andere eis bij het verlenen van een hogere waarde (ontheffing) is de geluidluwe buitenruimte. Het geluidsniveau mag er niet meer dan 5 dB hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde (in dit geval 48+5=53 dB). Ook hiervoor is extra aandacht nodig indien deze aan de zijde van de Vleutenseweg voorzien zijn. Hiervoor zullen de buitenruimtes bijvoorbeeld afsluitbaar gemaakt moeten worden gezien de hoogte van de geluidbelasting.
45 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Onder de Omgevingswet wordt bij de toetsing van het wegverkeerslawaai de geluidbelasting van alle wegen samen beoordeeld. Afbeelding: Contouren vanwege alle wegen samen op 15m (Omgevingswet)
Afbeelding: Contouren vanwege railverkeer op 25m
De geluidbelasting in het plangebied aan de zijde van de Vleutenseweg ligt tussen de 65-70 dB. Er wordt daarmee voldaan aan de maximale waarde van 70 dB onder de nieuwe wet. Er is aan deze zijde daardoor geen dove gevel noodzakelijk. Wel vraagt het aspect geluid ook dan bijzondere aandacht om toch een goed verblijfsklimaat te kunnen realiseren. Zo moet onder de nieuwe wet ook iedere woning over een geluidluwe gevel beschikken. Vanwege het spoorgeluid moeten de gevels aan de noordzijde van het gebied voldoen aan de regelgeving, bijvoorbeeld door een dove gevel, aangezien de maximale ontheffingswaarde bij nieuwbouw voor railverkeer zowel onder de huidige Wet geluidhinder als de nieuwe Omgevingswet wordt overschreden. Onder de huidige wet is de maximale ontheffingswaarde nog 68 dB (rode gebied in onderstaande figuur), maar onder de Omgevingswet wordt deze verscherpt naar 65 dB (tot en met oranje gebied).
46 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5.2 Trillingen spoor
5.3 Luchtkwaliteit
Om trillingshinder bij nieuwe bouwplannen te voorkomen worden door de gemeente Utrecht grenswaarden voor trillingssterktes opgelegd bij bouwaanvragen binnen 100 meter naast het spoor. De grens van het gebied waar de nieuwe bebouwing zou moeten worden gerealiseerd ligt zo’n 60 meter ten zuiden van de spoorlijn Utrecht-Rotterdam/Den Haag. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met de ambitie van de gemeente om te voldoen aan de SBR-B grenswaarden die gelden voor ‘nieuwe situaties’ volgens de richtlijn en, indien dat niet haalbaar blijkt, met inzet van alle mogelijke maatregelen een zo laag mogelijke Vmax die echter niet hoger is dan de streefwaarde voor ‘bestaande situaties’.
Wettelijk kader Het plan moet voldoen aan de eisen aangaande luchtkwaliteit uit de Wet Milieubeheer. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft een opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen, zoals bij bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien: • Aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Een project – al dan niet per saldo – niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkelingen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie PM10 (fijn stof) en NO2 (stikstofdioxide) in de buitenlucht; • Het voorgenomen besluit is genoemd of is niet in strijd met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Pas bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat het definitieve ontwerp (met mogelijke maatregelen) voldoet aan de grenswaarden. Dan is er weer onderzoek nodig.
De Utrechtse gemeenteraad heeft bovendien in 2015 via een motie het college de opdracht gegeven om lagere waarden voor fijnstof te realiseren waarbij gekeken wordt naar de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) advieswaarden. Onderbouwing Vanuit luchtkwaliteit zijn twee aspecten van belang: de invloed van het plan (programma en vormgeving) op de luchtkwaliteit en de aanwezigheid van eventuele gevoelige bestemmingen. Gevoelige bestemmingen zijn plaatsen waar gevoelige groepen (kinderen, ouderen, zieken) lange tijd verblijven, zoals kinderdagverblijven, scholen, ziekenhuizen.
47 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
In het kader van een goede ruimtelijke ordening (Wet RO) adviseren de GG&GD en Milieu en Duurzaamheid bij voorkeur geen gevoelige bestemmingen te ontwikkelen binnen 50 meter van drukke binnenstedelijke wegen (>10.000 motorvoertuigen/etmaal). In het plan zijn geen gevoelige bestemmingen opgenomen. In de omgeving van het plangebied wordt ruim voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2 en fijn stof. Door de beperkte omvang van het bouwprogramma draagt dit project niet in betekenende mate (‘NIBM’) bij aan de concentratie van fijn stof en NO2 in de buitenlucht. Daarmee voldoet het project aan de eisen van de Wet luchtkwaliteit. De gemeente Utrecht heeft het streven om in de toekomst ook te voldoen aan de WHO advieswaarden voor PM10 en PM2,5 (respectievelijk 20 en 10 µg/m3). In het jaar 2030 liggen de concentraties (op 10 meter van de wegrand) PM10 ruim onder de WHO advieswaarde. Voor PM2,5 is dit langs de Vleutenseweg en het Thomas à Kempisplantsoen niet het geval. Deze concentraties liggen tussen 9,8 en 10,2 µg/m3, en daarmee op enkele locaties net boven de WHO advieswaarden van 10 µg/m3. Gezien de afstand van de bebouwing tot de weg is het aannemelijk dat op de locatie van het plan aan de WHO advieswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. Het halen van de WHO advieswaarde is echter geen vereiste voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
In de verdere ruimtelijke procedure (vaststelling bestemmingsplan, zal in het kader van goede ruimtelijke ordening een volledig luchtkwaliteitsonderzoek gedaan moeten worden.
5.4 Externe veiligheid Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico’s voor omwonenden, bedrijven en passanten. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico’s beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevt tevens twee extra afstandsbepalingen, de zogenaamde vrijwaringszone en het plasbrandaandachtsgebied. Voor zowel de vrijwaringszone als het plasbrandaandachtsgebied geldt een motivatieplicht indien bebouwing gewenst is. Indien nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd moet deze aan extra brandveiligheidseisen volgens het Bouwbesluit voldoen. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van een op een miljoen per jaar (aangeduid met 10-6/jaar) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering.
Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit.
48 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Het Bevt verplicht ertoe dat bij omgevingsvergunningen, waarbij wordt afgeweken van de bestemming, of in de toelichting van het bestemmingsplan het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen. Het plangebied is gelegen op circa 650 meter van de spoorlijn UtrechtAmsterdam waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van dit transport ligt tot over de locatie en het transport van gevaarlijke stoffen is daarmee vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant voor de locatie. Voor de spoorlijn geldt dat het plaatsgebonden risico naast de spoorlijn lager is dan 10-6/jaar en er geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Het plaatsgebonden risico legt hiermee geen beperkingen op voor het plangebied en aanvullende brandveiligheidseisen in relatie tot plasbranden zijn niet noodzakelijk. Gezien de relatief grote afstand tot het spoor zal de ontwikkeling niet bijdragen aan de hoogte van het (rekenkundige) groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Op iets meer dan 150 meter van het plangebied bevindt zich een LPG tankstation aan de Cartesiusweg.
Het plangebied bevindt zich net buiten het invloedsgebied, het LPG tankstation is hiermee vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet relevant voor de ontwikkeling. In de omgeving bevinden zich geen andere transportroutes, inrichtingen of buisleidingen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor de locatie Thomas à Kempisplantsoen.
5.5 JDE en convenant Jacobs Douwe Egberts (JDE) In februari 2006 hebben de gemeente en JDE (destijds Sara Lee International, SLI) een convenant gesloten waarin (gecombineerde) geur- en geluidcontouren zijn opgenomen. In het convenant is opgenomen dat de gemeente in ieder relevant bestemmingsplan een maximum bouwhoogte opneemt. Deze hoogte is bedoeld om te voorkomen dat het geluidniveau van JDE op woningen hoger wordt dan 55, 50 en 45 dB(A) voor de dag, avond en nacht. Voor geur gelden de hoogtebeperkingen om overlast vanuit geur te voorkomen. Het convenant geldt alleen voor ‘geluids- en geurgevoelige bestemmingen’ zoals woningen. In het convenant is ook een bepaling opgenomen waarin wordt geconstateerd dat geluidsgevoelige bebouwing binnen 100 meter van JDE verboden is conform thans vigerende planologisch regiem. Thomas à Kempisplantsoen versus JDE De positionering van de woonblokken is dusdanig dat de blokken buiten de zone zijn gepositioneerd waarbinnen bebouwing niet mogelijk is. De hoogte van de bouwblokken is in overeenstemming met de bouwhoogtes zoals die volgen uit de gecombineerde geur- en geluidscontouren. Uitzondering daarop zijn de hoeken in bouwblok 1 en 2, zoals weergegeven in de kaart. Op basis van de gecombineerde geur- en geluidscontouren kan daar tot 4 bouwlagen gebouwd worden.
In afstemming met JDE wordt onderzocht in hoeverre het apart beschouwen van de geur- en geluidscontouren de mogelijkheid biedt om ook op deze hoeken tot 6 lagen te kunnen bouwen.
49 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Afbeelding: Bouwhoogte als gevolg van gecombineerde geur- en geluidscontouren.
Daarbij geldt dat (i) te allen tijde en overal wordt voldaan aan de geuren geluidsvoorschriften die ten grondslag liggen aan de gecombineerde geur- en geluidscontouren; en (ii) de wijziging ook voor het overige niet nadelig uitwerkt voor JDE. Overigens gelden er ook voorwaarden vanuit gemeentelijk beleid bij evt. hoger bouwen dan vier lagen, waaraan ook getoetst moet worden (zie hoofdstuk 5.6).
4
4
Groene openbare ruimte Bouwvlak Verkeersruimte Maximale bouwhoogte gecombineerde geur- en geluidscontouren
50 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5.6 Bedrijven en milieuzonering De bestemming voor het JDE-terrein is ‘specifieke vorm van bedrijf - koffiebranderij’ (sb-kbr). Hierbij hoort volgens de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering een richtafstand tot woningen van 500 meter. Deze afstand wordt bepaald door zowel, geur (500 meter) als geluid (200 meter). Voor een drukke woonwijk in de stad, zoals de woningen die aan de drukke Vleutenseweg komen te liggen, is de afstand echter respectievelijk 200 meter en 100 meter. De bedrijfsbestemming ligt op een kortste afstand van 60 m van het plangebied. Omdat het plangebied voor een deel binnen die afstanden ligt is een milieuonderzoek nodig naar de geur- en geluidsniveaus van JDE, het bedrijf dat nu feitelijk aanwezig is op deze bedrijfslocatie. Geluid van JDE De woningen die op kortste afstand van JDE zijn gelegen grenzen aan een drukke doorgaande weg zodat dit woongebied volgens de Geluidnota Utrecht als gemengd kan worden beschouwd. De geluidniveaus door de activiteiten van JDE zijn bij deze woningen bij voorkeur niet hoger dan 50/45/40 dB(A) voor de dag, avond en nacht. Het beleid van de gemeente laat ook de ruimte om ten hoogste 5 dB hoger toe te staan, op plekken waar de ambitiewaarde te beperkend is. Op deze plek wordt het toelaatbaar geacht deze ruimte van 5 dB toe te staan, derhalve 55/50/45 dB.
Door sloop van de verouderde woningen en bouw van nieuwe wordt de geluidssituatie voor de woningen verbeterd. Onderzoek naar het geluidniveau van JDE op de gevels van nieuw te bouwen woningen zal worden uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. In deze fase van het SPvE gelden de geluidcontouren van het convenant als globaal toetsingskader. Daardoor blijft de woningbouw buiten de ‘convenant-geluidcontouren’ (op div. hoogtes) van 55 dB(A) etmaalwaarde, als de hoogtecontouren van het convenant gevolgd worden . De verwachting is dat daardoor de geluidniveaus bij de woningen niet hoger zal zijn dan 55, 50 en 45 dB(A) in de dag, avond en nacht. Dit zijn de geluidniveaus die de gemeente voor deze locatie, vanuit goed woon- en leefklimaat, als uiterste ziet. Voor het omgevingsplan zal dat met een geluidsonderzoek worden onderbouwd. Dit betekent dat bij het onderzoek naar hoger bouwen dan de vanuit het convenant toegestane vier lagen (zoals aangegeven op de kaart), ook onderzocht moet worden (o.a. binnen het kader van het op te stellen omgevingsplan) of het haalbaar is binnen die voorwaarde hoger te bouwen, daarmee rekening houdend met de maximale toegestane geluidsbelasting vanuit bedrijven.
Om een voldoende goed woon- en leefklimaat te garanderen zal een aanvullende stedenbouwkundige eis zijn dat woningen waarbij het geluidniveau van JDE op de gevel meer is dan 50, 45 40 dB(A) in de dag, avond en nacht, tenminste een gevel hebben waar die geluidniveaus niet worden overschreden (‘luwe gevel’). Aan deze eis zal bij deze woningen al worden voldaan omdat ze ook vanwege het geluid al een luwe gevel moeten hebben.
51 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Kaartnaam Afbeelding: Uitsnede archeologische waardenkaart, gemeente Utrecht
Geurhinder van JDE De ontwikkeling houdt rekening met de gecombineerde geur- en geluidcontouren zoals vastgelegd in het convenant. Daarmee doet de ontwikkeling van het Thomas à Kempisplantsoen recht aan de afspraak tussen JDE en de gemeente voor wat betreft de ontwikkeling van woningen in de omgeving van JDE. Voor wat betreft het aspect geur is er derhalve geen noodzaak voor het onderbouwen van de geurbelasting bij de nieuwbouw aan het ThàK-plantsoen in het kader van dit Stedenbouwkundig Programma van Eisen. Aanvullend is nog wel expliciet gekeken naar het onderwerp ‘downwash’, dat wil zeggen het eventueel neerslaan van geur in de gesloten bouwblokken. De conclusie van het rapport is dat in deze specifieke situatie het onwaarschijnlijk is dat de geurpluim van JDE tegen het hoogste gebouw aankomt, en neerslaat in het binnenhof (wat geuroverlast tot gevolg zou kunnen hebben). Het onderzoek is uitgevoerd door Buro Blauw, experts op het gebied van geuremissies.
5.7 Archeologie en monumenten Het plangebied ligt op de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht in een zone zonder archeologische verwachting. Daarom geldt dat de werkzaamheden zonder archeologische voorwaarden kunnen worden uitgevoerd. Er hoeft verder geen archeologisch onderzoek gedaan te worden en/of een vergunning te worden aangevraagd. Wel geldt de wettelijke meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische vondsten. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dient conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Opmerking: Wetenschap c.q. REO afdeling Erfgoed, gemeente Utrecht, 0302862756/archeologie@utrecht.nl te worden gedaan.
Hoge waarde Hoge verwachting Verwachting
Schaal 1:1500 Datum: 08-0
52 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Afbeelding: Bodemkwaliteit
Afdeling Erfgoed is op dit moment bezig met een actualisatie van het archeologiebeleid, waarbij de vrijstellingsgrenzen van de verschillende archeologische verwachtingszones worden verscherpt. Op het moment van uitvoering van de werkzaamheden dient te worden voldaan aan de regels van het bestemmingsplan (na inwerktreding van de Omgevingswet: het omgevingsplan).
53 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5.8 Bodemkwaliteit Bodemkwaliteit, ondergrond en bodemenergie Het bodembeleid gaat uit van: • Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen; • Bij graafwerkzaamheden of (nieuw)bouw op gevallen van bodemverontreiniging zijn saneringsmaatregelen noodzakelijk. Tevens is sanering nodig als er sprake is van risico’s voor de volksgezondheid en het milieu; • Bij hergebruik van grond gelden de (toepassings)eisen uit de Nota bodembeheer 2017-2027, voor het plangebied is dit kwaliteit wonen; • Bij grondwateronttrekkingen voor bouw of bodemenergie moet rekening gehouden worden met nabijgelegen grondwaterverontreinigingen. Door ligging in de zogenaamde dynamische zone kan aansluiting worden gezocht bij het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Om te bepalen of het terrein geschikt is voor het toekomstig gebruik moet er inzicht zijn in de bodemkwaliteit. Bodemkwaliteit In het kader van de herinrichting van het projectgebied Thomas à Kempisplantsoen is inzicht in de bodemkwaliteit nodig. Zo moet de (actuele) bodemkwaliteit bekend zijn op die plekken waar nieuwbouw (van woningen/appartementen) gaat plaatsvinden en moet vastgesteld zijn dat de buitenruimte geschikt is voor het beoogde gebruik. Omdat nadrukkelijk sprake is van “park” en “gemeenschappelijke buitenruimte” moet deze geschikt zijn voor het bodemgebruik “plaatsen waar kinderen spelen”.
Omdat de hele structuur van het plangebied wijzigt zal veel grondverzet plaatsvinden waarbij het belangrijk is om voor aanvang van de werkzaamheden gegevens over de bodemkwaliteit te hebben zodat bijvoorbeeld niet onnodig met verontreinigde grond wordt geschoven én de aannemer die het werk uitvoert in staat is om (zo nodig) maatregelen vanuit de ARBO-regelgeving te nemen. Voordat daadwerkelijk bodemonderzoek (veldwerk en analyses) kan worden uitgevoerd, moet eerst een ‘historisch vooronderzoek’ uitgevoerd worden waarbij inzichtelijk wordt wat bekend is van de bodemkwaliteit binnen het gebied (en ook van de direct aangrenzende percelen waar eventueel perceelsoverschrijdende bodemverontreinigingen zijn vastgesteld). Het grootste deel van het historisch vooronderzoek is in het kader van het opstellen van dit SPvE uitgevoerd door de bestudering van bestaande bodemrapporten, oude luchtfoto’s, etc. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het plangebied over het algemeen licht verontreinigd is en daarmee, zonder uitvoering van sanerende maatregelen, geschikt is voor het beoogde gebruik. De beschikbare gegevens kunnen als volgt worden samengevat: In 2006 is een verkennend bodemonderzoek verricht van het gebied binnen de wegen (Acorius, 0625014/ms, 21-6-2006: AA03440397507-003).
Uit de resultaten van dit bodemonderzoek blijkt dat de locatie over het algemeen licht verontreinigd is met zware metalen en PAK. Plaatselijk is een sterk verhoogd PAK-gehalte wat bij het door Infrasoil in 2007 uitgevoerde nader onderzoek, is afgeperkt (Infrasoil, 01.06.501, 8-2-2007: AA034404096-07-001). Bij dat onderzoek zijn geen sterk verhoogde PAK-gehaltes gemeten. Het betreft derhalve geen omvangrijke verontreiniging. Op de locatie was een ondergrondse tank aanwezig. Ter plaatse zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
54 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Afbeelding: Bodem- en verhardingsonderzoek Westelijke Stadsboulevard
Aan de zuidzijde van het plangebied was een ESSO-tankstation aanwezig (dit is een ander tankstation dan het verderop genoemde ESSO-tankstation). Ter plaatse is met name het grondwater sterk verontreinigd met aromatische koolwaterstoffen. Deze verontreiniging is in 2007 door Infrasoil nader in beeld gebracht. Daarbij is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie en aromaten. Bodemkwaliteit Over de locatie liepen ook watergangen die gedempt zijn voor het gebied bebouwd werd. Deze gedempte sloten zijn aanvullend onderzocht (Geofox-Lexmond, 20062666/IDIJ-deellocatie 1: AA034403975-007-001). Uit dit onderzoek blijkt dat weliswaar een puinbijmenging aanwezig is maar dat de bodemkwaliteit niet afwijkt van de rest van de locatie. Direct ten westen van de projectlocatie was een ESSO-tankstation gevestigd (AA034400689). Na het amoveren van het tankstation en in het kader van de herinrichting van het gebied (project Majellaknoop is een bodemsanering uitgevoerd. De saneringsdoelstelling is nooit gehaald. In 2012 is een actualiserend onderzoek uitgevoerd teneinde de restverontreiniging in beeld te brengen. Hierbij zijn in het grondwater nog sterk verhoogde gehaltes aan olie en aromaten gemeten (rood op naastliggend kaartje). De verontreiniging lijkt zich niet uit te strekken tot onder het projectgebied.
In 2018 is een onderzoek uitgevoerd van de Westelijke Stadsboulevard, waaronder ook de Thomas à Kempisweg, die bij de herinrichting zal worden betrokken, is onderzocht (Stantec, M18B0158. r01, 29-11-2018: AA034409105). De planlocatie zelf is hierbij ook meegenomen. De planlocatie betreft deelgebied 6 uit het onderzoek. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in de grond maximaal matig verhoogde gehaltes aan verontreinigingen zijn aangetroffen.
55 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Afbeelding: Uitsnede toepassingskaart Nota Bodembeheer 20172027, gemeente Utrecht
Kaartnaam
Over het algemeen is de grond slechts licht verontreinigd. In de grond is maximaal 6,2 mg/kg (gewogen) asbest aangetroffen. Formeel is geen sprake van een verontreiniging met asbest in de grond. Het grondwater bevat plaatselijk (PB75, nabij voormalige, zuidelijke ESSO-tankstation) een sterk verhoogd gehalte aan arseen en sporen aan benzeen, naftaleen en xylenen. Het arseen betreft vermoedelijk geen verontreiniging en is vermoedelijk van natuurlijke oorsprong. Nabij het westelijke voormalige tankstation (PB64) zijn geen verhoogde gehaltes aan aromaten en olie gemeten. Verder zijn in het grondwater maximaal licht verhoogde gehaltes aan verontreinigingen aangetroffen. Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer (2015) Het gebied ligt in de dynamische zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Hier kan sprake zijn van pluimen van verontreinigingen in het diepere grondwater. Er geldt een dieptebeperking voor de aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag tussen het 1e en 2e watervoerend pakket (circa 50 m-mv). Bij bemalingen en grondwateronttrekkingen kan, indien nodig, aansluiting worden gezocht bij de saneringsaanpak van het Gebiedsplan, waarbij een bijdrageregeling geldt. De toepassingseis van grond is woonkwaliteit. Ook voor PFAS kan, bij onverdachte locaties, gebruik gemaakt worden van deze kaart bij grondverzet.
Landbouw/natuur Landbouw/natuur* Uitgesloten gebied Water Wonen
Opmerking:
Schaal Datum
56 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Kaartnaam Afbeelding: Uitsnede indicatieve zettingsgevoeligheid
Zettingsgevoeligheid Het gebied is indicatief, op basis van de bodemopbouw, zeer gevoelig voor zetting. Bodemenergie In de wijde omgeving zijn geen gesloten en open bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen aanwezig. Ondergrond algemeen Het is verstandig om ook het toekomstig ondergronds ruimtegebruik (b.v. voor bodemenergie, waterberging, boomwortels, kabels en leidingen, riolering, parkeerkelders, infrastructuur) inzichtelijk te maken, om vooraf te kunnen sturen op eventuele knelpunten met (ander) ondergronds en bovengronds gebruik. Het gaat dan om het fysieke ruimtegebruik en het invloedgebied. Met vroegtijdige ordening, minimaal ruimtegebruik en toekomstbestendig inrichten van de ondergrond kunnen conflicten in functies en processen (mogelijk) worden voorkomen. Inzicht in de kwaliteiten die de ondergrond biedt (bijvoorbeeld waterbergend vermogen, draagvermogen) helpt hierbij. Als deze kwaliteiten worden aangetast kan schade of overlast het gevolg zijn. Door deze kwaliteiten te benutten is veelal een duurzame en toekomstbestendige inrichting mogelijk. Risicoklasse Water Minder gevoelig Gevoelig Zeer gevoelig 4 - ???
Opmerking:
Schaal 1 Datum: 0
57 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5.9 Flora en fauna Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: • of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; • of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; • of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is. Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden
Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde ‘voortoets’ bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast.
Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (artikelen 4.11 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Daarnaast moet er worden voldaan aan de Verordening Natuur en Landschap Provincie Utrecht 2017 (m.n. landschapselementen, art. 5.1.4 VNL). Plansituatie
Beschermde dier - en plantensoorten
In januari 2020 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied (‘Nader onderzoek naar de aanwezigheid van gierzwaluw, huismus en vleermuizen en Toetsing Utrechtse soortenlijst’, 08-01-2020). Het onderzoek is zowel gericht op soorten die wettelijk beschermd zijn (Wnb) als soorten die beleidsmatig beschermd zijn (Nota Utrechtse soortenlijst). Wet natuurbescherming
Vleermuizen
Tijdens het onderzoek zijn verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het gaat om 1 zomerverblijfplaats en 3 paarverblijfplaatsen. Voor de voorgenomen werkzaamheden is er een ontheffing benodigd van de Wet natuurbescherming. Er zijn geen verblijfplaatsen of andere beschermde waarden van wettelijk streng beschermde planten of dieren aangetroffen. In het plangebied zijn wel algemene, onbeschermde plantensoorten gevonden. Van de soortgroep zoogdieren en amfibieën zijn algemene, licht beschermde soorten aanwezig of te verwachten. Voor de te verwachten soorten zoogdieren en amfibieën geldt een algemene vrijstelling van de Wet natuurbescherming in geval van ruimtelijke ingrepen.
58 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
In het kader van de algemene zorgplicht is het belangrijk om bij de start van de werkzaamheden langzaam en in één richting te werk te gaan zodat eventueel aanwezige dieren de kans hebben om te vluchten. Bij de ontwikkeling van het plangebied is tijdens de aanlegfase sterfte van vogels en schade of ernstige verstoring van broedsels mogelijk. Dit is verboden volgens de Wet natuurbescherming. Om conflicten met de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of om vestiging van broedvogels te voorkomen. Bij start van de werkzaamheden in de periode augustus – februari is de kans op broedgevallen nihil en zijn geen maatregelen ten aanzien van broedvogels vereist. Wordt er zonder maatregelen gestart in de periode maart t/m augustus dan is een broedvogelcheck kort voorafgaand aan de start van de werkzaamheden (maximaal 5 dagen ervoor) vereist.
Utrechtse soortenlijst
In het gebied zijn de soorten tongvaren, steenbreekvaren, merel, tjiftjaf en egel aangetroffen of te verwachten. Effecten op andere soorten van de Utrechtse soortenlijst worden niet of nauwelijks verwacht. Door de voorgenomen ontwikkeling verdwijnt het leefgebied (tijdelijk) voor deze soorten. In het ontwerp voor de openbare ruimte worden inrichtingsmaatregelen voor de merel, tjiftjaf, egel, huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis getroffen, dat het oppervlakte aan geschikt leefgebied zal toenemen in de nieuwe situatie. Daarbij zal er diervriendelijk worden gebouwd zodat soorten als huismus en gierzwaluw in de toekomst hier een leefgebied kunnen krijgen. Voor de groeiplaats van tongvaren en steenbreekvaren wordt kwalitatieve compensatie voor andere Utrechtse soorten toegepast. Dit omdat de soorten dusdanige specifieke eisen stellen aan de groeiplaats, die niet goed verenigbaar zijn met de voorgenomen ontwikkeling.
Beschermde gebieden
Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen dient er een onderzoek uitgevoerd te worden naar de stikstofdepositie. Het onderzoek is nodig om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn de Oostelijke Vechtplassen .
Natuurnetwerk Nederland en Groen Contour
Het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Directe effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Stikstofdepositie De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat achteruit. Om deze te beschermen zijn in Nederland ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen met een Europese beschermingsstatus. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient gekeken te worden naar het aspect stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Alleen wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er op voorhand geen significante bijdrage (In de resultaat pdf wordt dit gepresenteerd als “geen resultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar) is van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een Wnbvergunning niet van toepassing en kan het bestemmingsplan vastgesteld worden. Als er stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt wordt in het kader van een Wnb-vergunning eerst een voortoets uitgevoerd.
59 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
Het project of plan kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Er zal in de verdere ruimtelijke procedure (vaststelling bestemmingsplan) middels een stikstofdepositieonderzoek aangetoond moeten worden dat zowel de aanlegfase (bouw) en gebruiksfase niet leiden tot een toename aan stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden. Hierbij is voor vaststelling van het bestemmingsplan met name de gebruiksfase maatgevend. Conclusie Voor beschermde soorten zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming is er voor de aanwezigheid van 3 vleermuisverblijfplaatsen ene ontheffing benodigd van de Wet natuurbescherming. In het plangebied komen algemene beschermde broedvogels voor. De nesten zijn niet-jaarrond beschermd.
Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 augustus) uitgevoerd worden en /of de potentiële nestplaatsen (ruim) vóór het broedseizoen afgesloten of ongeschikt gemaakt worden, wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden.
Voor de Utrechtse soorten dient een onderbouwing te worden opgenomen in het ontwerp voor de openbare ruimte, waarin vastgelegd wordt dat er voldoende compenserende inrichtingsmaatregelen worden getroffen voor de Utrechtse soorten merel, tjiftjaf, egel, huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis. In afstemming met de stadsecoloog worden de maatregelen voldoende bevonden en uitgewerkt. Ten aanzien van de beschermde gebieden dient er een onderzoek uitgevoerd te worden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Er worden geen effecten verwacht op het NNN en de Groene Contour.
60 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
BOMEN GECATEGORISEERD GEEL: DIKKER DAN 15 CM PAARS: DUNNER DAN 15 CM LICHTBLAUW: OPENBAAR GROEN Afbeelding: Bomen bestaande situatie gecategoriseerd; Geel: dikker dan 15cm Paars: dunner dan 15cm Lichtblauw: openbaar groen
5.10 Bomen Door adviesbureau Boomheer.eu is een boomeffect analyse gemaakt voor het Thomas à Kempisplantsoen. In deze effectanalyse is een beoordeling gemaakt van het aantal bomen, eigendom bomen en aantal bomen dat velverguningplichtig is. Dit laatste is het geval als de stamdiameter meer dan 15cm bedraagt. Op basis van deze analyse kan worden geconcludeerd dat voor het ontwikkelen van het vastgoed er circa 25 tot 40 bomen zouden moeten worden gekapt voor het kunnen realiseren van de bebouwing. Dat zijn zowel bomen op gemeentegrond als bomen op grond van de corporaties. De bomen langs de huidige Thomas à Kempisweg en de ventweg van de Vleutenseweg worden in dit plan opgenomen. In het ontwerp van de nieuwe openbare ruimte is inpassing van circa 25 tot 40 bomen naar verwachting mogelijk. Of herplant van de huidige bomen mogelijk is en vanuit de waarde van de bomen ook wenselijk is, is nog nader te onderzoeken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in de aanloop naar het omgevingsplan en omgevingsvergunning. De verwachting is dat conform beleid de bomen die gekapt zijn, binnen 3 jaar weer zijn gecompenseerd binnen het plangebied. In de bijlage is een overzicht van alle geïnventariseerde bomen terug te vinden.
61 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
5.11 Kwaliteit van de leefomgeving De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door aspecten zoals zon, schaduw, windhinder, sociale veiligheid en toegankelijkheid voor iedereen. Voor de huidige bewoners aan de overkant van de Thomas à Kempisweg is een bezonningsstudie uitgevoerd. Daaruit is te concluderen dat een eventueel hoogte accent aan de zuidkant op momenten kan zorgen voor extra schaduw voor een klein deel van de woningen aan de Thomas à Kempisweg. Bij verdere uitwerking wordt onderzocht hoe dit effect zo minimaal mogelijk wordt gehouden door positie en vormgeving van het accent. In de bijlage is de bezonningsstudie toegevoegd zoals die tijdens de participatiebijeenkomst op 6 april is getoond. Het aspect windhinder speelt vooral bij gebouwen die hoger zijn dan 30 meter. De maximale bouwhoogte is waarschijnlijk voor slechts een beperkt deel negen lagen. Dat betekent een bouwhoogte van bijna 30 meter. Omwille van zorgvuldigheid zal in de uitwerking van de bebouwing voor de hoogteaccenten een windonderzoek uitgevoerd worden. Indien noodzakelijk zullen daarbij maatregelen in en/of aan de bebouwing worden opgenomen. De sociale veiligheid kan door deze ontwikkeling verbeteren. Door meer programma toe te voegen is er meer relatie met de straat en zijn er meer mensen in het gebied.
Het opknappen van het gebied en het toevoegen van woningen zorgt daarbij voor een verbeterde uitstraling wat ook bijdraagt aan sociale veiligheid.
Utrecht wil een stad zijn die toegankelijk is voor iedereen. Utrecht werkt sinds 2007 aan die toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu met het VN-verdrag handicap (Utrecht is één van de 25 ‘koplopergemeenten’ die werken aan het VN-verdrag handicap). Dit gaat niet alleen over fysieke toegankelijkheid van de openbare ruimte of gebouw maar ook over sociale toegankelijkheid of inclusiviteit. Bij sloop-nieuwbouw is levensloopbestendigheid en toegankelijkheid goed mogelijk, door de appartementen gelijkvloers te maken, zonder drempels en door ruime badkamers en gangen te ontwerpen.
5.12 Kabels en leidingen Er is een inventarisatie van kabels en leidingen gedaan. Indien voor de ontwikkeling van het woonprogramma kabels en leidingen moeten worden omgelegd dan is dit de verantwoordelijkheid van de corporaties.
62 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Grondeigendom en erfpacht Het grondeigendom van het gehele plangebied behoort bij de Gemeente Utrecht. Verschillende delen zijn in erfpacht uitgegeven aan de corporaties Mitros en Portaal. Binnen het plangebied maken gemeente en corporaties nadere afspraken over onder andere de inrichting van de openbare ruimte. In een tripartite overeenkomst zullen gemeente, Mitros en Portaal afspraken maken over de planontwikkeling. Dit is een zg. anterieure exploitatieovereenkomst. Mitros en Portaal dragen zorg voor de uitvoering van het plan; dat wil zeggen de sloop van de huidige panden, het bouwrijp maken, de planontwikkeling en het woonrijp maken van het plangebied minus de Thomas à Kempisweg. Het nieuwe openbare gebied wordt terug geleverd aan de gemeente. De uitvoering van de herinrichting van de Thomas à Kempisweg binnen het plangebied is voor rekening en risico van de gemeente. Het openbaar gebied, voor zover nog niet in het bezit van de gemeente) wordt uiteindelijk opgeleverd aan de gemeente. Kostenverhaal en planschade De gemeentelijke planontwikkelingskosten en de eventuele bovenwijkse kosten (Thomas à Kempisweg) verhaalt de gemeente via de exploitatieovereenkomst. Ook wordt in deze overeenkomst planschade geregeld, de gemeente wordt hiervoor gevrijwaard.
Door het sluiten van een anterieure exploitatieovereenkomst kan van het opstellen van een exploitatieplan worden afgezien, omdat het kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 onder a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, anderszins (door de anterieure exploitatieovereenkomst) verzekerd wordt. Economische uitvoerbaarheid en financiële haalbaarheid Het plan is economisch uitvoerbaar gezien er markt is voor wat er planologisch mogelijk zal worden gemaakt.
Mitros en Portaal ontwikkelen de woningen en behouden de woningen in portefeuille voor exploitatie. Om de economische uitvoerbaarheid te beoordelen is door Mitros en Portaal een investeringsanalyse gemaakt. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de ontwikkeling met het programma zoals beschreven in dit SPvE haalbaar is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plangebied wordt ontwikkeld in een dynamische omgeving met verschillende belangen. Intern is het project Westelijke Stadsboulevard de belangrijkste stakeholder. Met het projectteam van de Westelijke Stadsboulevard is het programma, planning en stedenbouwkundig model afgestemd. Extern is het ontwerp en programma afgestemd in participatie met bewoners en andere belanghebbenden rond het gebied. De laatste vooral bewonerscomité Fris Alternatief, bestuur van Majellakerk en JDE. Vanwege de sloop/nieuwbouw werkt Portaal aan het opstellen van een sociaal plan met haar huidige huurders, e.e.a. in samenwerking met bewonerscommissie/klankbordgroep. Dit sociaal plan is gereed bij de bestuurlijke besluitvorming van SPVE. Draagvlak onder de huurders vindt plaats direct na bestuurlijke besluitvorming over SPVE.
6.3 Technische uitvoerbaarheid Het project is technisch uitvoerbaar. Wel zullen voor de ontwikkeling aanpassingen in de ondergrondse infrastructuur moeten plaatsvinden, zoals blijkt uit de meest recente inventarisatie van de huidige ligging van de kabels en leidingen. In de uitvoering is afstemming met het project Westelijke Stadsboulevard nodig. Dit betreft een faseringsvraagstuk, waar te zijner tijd de bij de ontwikkelingen betrokken aannemers, corporatie en gemeente goede afspraken moeten maken.
63 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Thomas à Kempisplantsoen, november 2021
7. Verantwoording proces 7.1 Het gevolgde samenwerkingsproces Corporaties en gemeente hebben intensief samen gewerkt aan de totstandkoming van het SPvE. Daarbij zijn vanuit de gemeente diverse adviseurs betrokken geweest op deelonderwerpen. Aan de zijde van de corporaties zijn vanaf het begin een landschapsarchitect en de vastgoedarchitect betrokken. Dit om de integraliteit en kwaliteit van de samenhang tussen vastgoed en openbare ruimte te borgen. Vanuit het bewonersinitiatief “Fris Alternatief” is de opzet van de openbare ruimte gelijk opgetrokken met de opzet van het vastgoed en de woningaantallen. Dit om de herinrichting van de Thomas à Kempisweg een volwaardige plek te geven in de planontwikkeling. Voor de openbare ruimte, en dus ook Thomas à Kempisweg, wordt nog een separaat ontwerp en participatie traject gestart.
7.2 Het gevolgde participatieproces Om tot het huidige voorkeursmodel te komen zijn er 3 participatierondes gehouden tussen juni 2020 en april 2021. De participatierondes kenmerkten zich door interactieve bijeenkomsten waarin omwonenden konden meedenken op basis van stellingen, referenties en tekeningen. De rondes werden ondersteund door de website www.thakplantsoen. nl. Op deze website zijn alle documenten in te zien, en konden belanghebbenden en geïnteresseerden per ronde gedurende een aantal weken reageren op de voorstellen. Deze reacties waren zichtbaar op de website, zodat een ieder de reacties kon volgen. De eerste bijeenkomst in juni is nog “live” georganiseerd. De andere bijeenkomsten in meerdere sessies online vanwege de maatregelen als gevolg van de corona crisis.