CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Stedenbouwkundig programma van eisen Papendorp Noord.pdf

Gemeenteraad 3 februari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord24.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.3 Externe veiligheid

Vervoer gevaarlijke stoffen Het bouwplan is gelegen nabij de rijksweg A2, en het AmsterdamRijnkanaal (ARK), beide zogenaamde basisnetroutes. Dit betekent dat deze trajecten zijn aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen en hebben daarmee een samenhangend veiligheidsrisico. Aangezien het invloedsgebied van de A2 (gelegen tot 355 meter van de A2) deels over het plangebied ligt, dient bij de vaststelling van de plannen rekening te worden gehouden met de risico’s die dit transport met zich meebrengt. Voor het ARK is deze afstand 90 meter, deze ligt ook deels over het plangebied. Plaatsgebonden risico Het pr-plafond ofwel de basisnetafstand van de A2 ter hoogte van het plangebied is 0 meter en vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel geldt er een zogenaamd plasbrandaandachtsgebied. Dit plasbrandaandachtsgebied is gelegen tot 30 meter van de buitenste kantstrepen van de A2. Binnen dit gebied wordt geen bebouwing voorzien. Het plasbrandaandachtsgebied van de A2 legt dus geen aanvullende eisen op aan de geplande bebouwing. Voor het ARK geldt tevens dat de basisnet afstand 0 meter is. Het plaatsgebonden risico van het ARK vormt daarmee geen belemmering. Voor het ARK geldt wel een vrijwaringszone van 25 meter vanaf de kantlijn. Binnen dit gebied wordt geen bebouwing voorzien. De vrijwaringszone van het ARK vormt hiermee geen beperking.

Groepsrisico Aangezien het plangebied binnen de invloedsgebieden van de A2 en het ARK ligt dient het groepsrisico van deze risicobronnen te worden verantwoord.

63 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

Op basis van de vuistregels van de handreiking risicoanalyse transport wordt geconcludeerd dat voor beide risicobronnen de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet wordt overschreden. Gezien de relatief grote afstand van de geplande bebouwing tot de transportroutes is het niet waarschijnlijk dat het groepsrisico groter zal zijn dan 10% van de oriëntatiewaarde. In dat geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De verantwoording van het groepsrisico wordt uitgevoerd door het bevoegd gezag, in deze Gemeente Utrecht, waarbij in de toelichting van het bestemmingsplan moet worden beschreven hoe wordt omgegaan met bescherming en zelfredzaamheid van personen die zich in de gebouwen bevinden. Denk hierbij aan voldoende vluchtwegen, nooduitgangen aan de van de A2 of ARK gekeerde zijde, afsluitbare ventilatiesystemen etc. Tevens dient advies gevraagd te worden door het bevoegd gezag aan de veiligheidsregio ten aanzien van de zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Buisleidingen In en nabij het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die van belang zijn in het kader van de externe veiligheid. Risicobedrijven In en nabij het plangebied is op dit moment geen sprake van (toekomstige)risicobedrijven.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldoende afstand in acht genomen te worden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. In het plangebied en haar directe omgeving zijn er twee aandachtspunten, namelijk Nedal en de bedrijven in Groenewoud Noord. De asfaltcentrale wordt buiten beschouwing gelaten. Deze verhuist naar buiten het plangebied om de ontwikkeling in Groenewoud mogelijk te maken en heeft geen invloed meer op het plangebied. Ook de huidige bedrijven binnen het gedeelte Groenewoud Noord wordt buiten beschouwing gelaten, deze maken plaats voor de ontwikkelingen in het gebied. Nedal Nedal Aluminium B.V. heeft milieucategorie 5.3. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat de geluidszone voor Nedal (en KWS) is opgesteld conform de ‘’handreiking industrielawaai en vergunningverlening’’ en niet conform de ‘’handreiking bedrijven en milieuzoneringen’’. Dit betekent dat voor het aspect geluid de ligging van de geluidzone bepalend is en niet de afstandstabel uit de VNG brochure. Zie hiervoor paragraag 5.1 Geluidhinder. Bedrijven Groenewoud Noord Nieuwe bedrijven in Groenewoud Noord mogen geen hinder veroorzaken voor aangrenzende woningen.

De bedrijven die hier komen mogen daarom maximale milieucategorie van 3.1 hebben. De aan te houden afstand tot woningen is dan 30 m omdat het woongebied gezien het achtergrondgeluid van de omliggende wegen kan worden gezien als een ‘gemengd gebied’. De afstand van de bedrijven tot woningen is ruim 30 meter zodat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing.

64 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

5.5 Archeologie en monumenten

Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het ‘verstoorder betaalt’-principe. De kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet heeft onder meer betrekking op archeologisch erfgoed. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.

Legenda: Gebied van hoge archeologische waarde Gebied van hoge archeologische verwachting Gebied van archeologische verwachting Uitsnede archeologische waardenkaart

Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening

65 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde-archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad.

Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen.

Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch-geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Archeologische verwachting voor Papendorp-Noord De archeologische waarden/verwachtingen in plangebied PapendorpNoord laten zich onder drie punten beschrijven: • In alle vier delen van het plangebied komen afzettingen voor van fossiele stroomgordels en crevassegeulen, die met name in de late prehistorie en Romeinse tijd hebben gezorgd voor relatief gunstige mogelijkheden voor bewoning en landgebruik.

In het aangrenzende plangebied Groenewoud zijn in 2020 inderdaad aanwijzingen gevonden voor bewoning in de bronstijd en/of ijzertijd. Op de gemeentelijke archeologische waardenkaart zijn de betreffende gebieden groen gemarkeerd. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm. Op dit punt doet zich wel het probleem voor dat de geomorfogenetische kaart waarop de archeologische waardenkaart is gebaseerd, juist voor het grootste deel van het noordelijke deelgebied, Groenewoud-Noord, een lacune vertoont. Deze gebieden zijn indertijd niet gekarteerd, maar de stroomgordel- en crevasseafzettingen bevinden zich evident ook

66 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

•

•

hier, mét de daaraan verbonden archeologische verwachting. Een zorgvuldige omgang met erfgoedwaarden zou betekenen dat ook deze gebieden in het ontwerp- en realisatieproces worden beschouwd als zijnde ‘groen’ volgens de archeologische waardenkaart. De uiterste noordrand van het deelgebied Groenewoud-Noord en met name de noordoosthoek van Groenewoud-Noord valt binnen de beschermingszone van de limesweg, de Romeinse verbindingsweg die in de 1e-3e eeuw de militaire installaties op de zuidoever van de Rijn met elkaar verbond. Dit gegeven vormt een archeologisch (en cultuurhistorisch) element van de eerste orde, zeker ook in het licht van de aanstaande Werelderfgoedstatus van de resten van de Romeinse grens (limes) in Nederland, ook al maakt het betreffende tracégedeelte geen deel uit van de eigenlijke kern- of bufferzone van het Werelderfgoed. Op de archeologische waardenkaart is de beschermingszone van de limesweg rood gemarkeerd. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. In de oostelijke berm van de Taatsendijk, iets ten zuiden van huisnummer 1, liggen de resten van de voormalige Taatse of Galekopper molen uit de 17e-19e eeuw. De kort na 1880 gesloopte wipwatermolen was verantwoordelijk voor het bemalen van de zuidelijker gelegen polder Papendorp.

In 2002 kwamen goed bewaarde resten van met name de zogenaamde krimpmuren en achter- en voorwaterloop voor de dag bij de sloop van de woning Taatsendijk nr. 3. De monumentale resten zijn toen oppervlakkig gedocumenteerd en weer toegedekt, met het oog op eventuele integratie in toekomstige plannen. Op de archeologische waardenkaart is de locatie van de voormalige molen en molenaarswoning rood gemarkeerd. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. In de uitwerking zal bekeken worden of en hoe dit ingepast kan worden in de Mbiliteitshub XL

Cultuurhistorie In zijn huidige staat herbergt het plangebied weinig zichtbare cultuurhistorische sporen die die een betekenisvolle verwijzing vormen naar de geschiedenis van dit gebied. Het voornaamste relict is het oude tracé van de Taatsendijk, met zijn westelijke bermsloot (waarvan de noordelijke voorzetting nog bewaard is op de grens van de plandelen Groenewoud-Noord) en de eventueel zichtbaar te maken resten van de verdwenen Taatse of Galekopper molen. Het gaat om een karakteristiek stukje infrastructuur van het historische Nederlandse polderlandschap, bestaande uit een kade met ernaast gelegen wetering en wipwatermolen, tezamen verantwoordelijk voor de waterhuishouding van de polder Papendorp die het plangebied zijn naam gaf.

0

10

20 Meters

072603-X005-00.DWG

locatie van de resten van de voormalige Taatse of Galekopper molen in de oostelijke berm van de Taatsendijk

67 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

5.6 Bodemkwaliteit en ondergrond

Bodembeleid Het bodembeleid gaat uit van: • Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen; • Bij graafwerkzaamheden of (nieuw)bouw op gevallen van bodemverontreiniging zijn saneringsmaatregelen noodzakelijk. Tevens is sanering nodig als er sprake is van risico’s voor de volksgezondheid en het milieu; • Bij hergebruik van grond gelden de (toepassings)eisen uit de Nota bodembeheer 2017-2027, voor het plangebied is dit kwaliteit wonen; • Bij grondwateronttrekkingen voor bouw of bodemenergie moet rekening gehouden worden met nabijgelegen grondwaterverontreinigingen. Door ligging in de zogenaamde dynamische zone kan aansluiting worden gezocht bij het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. • Om te bepalen of het terrein geschikt is voor het toekomstig gebruik moet er inzicht zijn in de bodemkwaliteit. Bodemkwaliteit In het kader van de herinrichting van het projectgebied Papendorp Noord is inzicht in de bodemkwaliteit nodig. Zo moet de (actuele) bodemkwaliteit bekend zijn op die plekken waar nieuwbouw (van woningen/appartementen) gaat plaatsvinden en moet vastgesteld zijn dat de buitenruimte geschikt is voor het beoogde gebruik. Het gebied zal een gemengd gebruik krijgen waarbij de meer bedrijfsmatige bestemmingen aan de A2-zijde worden gerealiseerd en bewoning in de luwte van de bedrijven zal plaatsvinden. De structuur van het plangebied is grotendeels al aangebracht.

Hierbij heeft reeds grondverzet plaatsgevonden. Met name het deelgebied Groenewoud Noord en het noordwestelijke deel van de mobiliteitshub zijn nog niet woonrijp gemaakt.

Voordat daadwerkelijk bodemonderzoek (veldwerk en analyses) kan worden uitgevoerd, moet eerst een ‘historisch vooronderzoek’ uitgevoerd worden waarbij inzichtelijk wordt wat bekend is van de bodemkwaliteit binnen het gebied (en ook van de direct aangrenzende percelen waar eventueel perceelsoverschrijdende bodemverontreinigingen zijn vastgesteld). Een deel van het historisch vooronderzoek is in het kader van het opstellen van dit SPvE uitgevoerd door de bestudering van bestaande bodemrapporten, oude luchtfoto’s, etc. Het gebied is in het verleden nagenoeg geheel onderzocht. Deze onderzoeken zijn oud en sinds die tijd heeft al veel grondverzet plaatsgevonden. De actualiteit en representativiteit van de onderzoeken is dan ook gering. Een samenvatting van deze onderzoeken is beschikbaar en heeft voor dit SPvE nauwelijks toegevoegde waarde. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het plangebied over het algemeen licht verontreinigd is en daarmee, zonder uitvoering van sanerende maatregelen, geschikt is voor het beoogde gebruik. Het deelgebied Groenewoud Noord en het noordwestelijke deel van de mobiliteitshub zijn nog in gebruik. Niet uitgesloten wordt dat ter plaatse verontreinigingen aanwezig zijn die gesaneerd moeten worden. Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer (2015) Het gebied ligt in de bufferzone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer.

Hier kan sprake zijn van pluimen van verontreinigingen in het diepere grondwater. Er geldt een dieptebeperking voor de aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag tussen het 1e en 2e watervoerend pakket (circa 50 m-mv). Bij bemalingen en grondwateronttrekkingen kan, indien nodig, aansluiting worden gezocht bij de saneringsaanpak van het Gebiedsplan, waarbij een bijdrageregeling geldt.

68 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

Toepassing volgens Nota bodembeheer (2017-2027)

Het gebied is indicatief, op basis van de bodemopbouw, mindergevoelig (groen) tot gevoelig (oranje) voor zetting. Bodemenergie WKOtool.nl (februari 2021) In het reeds ingerichte deel van Papendorp zijn een groot aantal open bodemenergiesystemen aanwezig.

Uitsnede toepassingskaart Nota Bodembeheer 2017-2027, gemeente Utrecht

De toepassingseis van grond is voor het noordelijke (oranje) deel “wonen”. Voor het zuidelijke (groene) deel is dat “landbouw/natuur). Ook voor PFAS kan, bij onverdachte locaties, gebruik gemaakt worden van deze kaart bij grondverzet. Zettingsgevoeligheid

Uitsnede indicatieve zettingsgevoeligheid

69 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

5.7 Water

Watersysteem Papendorp Noord ligt ten noorden van het reeds deels, ontwikkelde kantorenpark Papendorp. Ook de nog te ontwikkelen woonwijk Groenewoud ligt in dit gebied. Het oppervlaktewatersysteem wordt gevoed vanuit Groenewoud, aan de oostzijde. Het water wordt daar aangevoerd door de twee oost-west georiënteerde watergangen. Ter plaatsen van de Mercatorlaan wordt het water en naar het zuiden geleidt en opnieuw aangesloten op de bestaande watergang in de Orteliuslaan. En naar een watergang die om de MobiliteitsHub XL heen loopt. Deze sluit aan op de bestaande duiker bij het Marinus van Tyrusviaduct en stroomt dan verder naar het bestaande watersysteem van kantorenpark Papendorp. De huidige watergang tussen de Mercatorlaan en de Orteliuslaan ten zuiden van de tijdelijke P+R wordt gedempt. De manier waarop de Mercatorlaan nu aan de noordkant bij de KWS centrale een bocht maakt is in het nieuwe plan op een andere manier opgelost. De huidige ‘diagonaal’ wordt opgebroken. De aanwezig watergang in dit deel wordt gedempt en komt terug parallel aan de Mercatorlaan. Riolering In Papendorp Noord wordt het hemelwater zoveel mogelijk binnen het plangebied verwerkt. Het afvalwater wordt verzameld door middel van vrij verval riolering aangesloten op het huidige vuil water stelsel van kantorenpark Papendorp.

Kantorenpark Papendorp heeft een eigen vuil water pomp dat het vuile water afvoert naar de rioolzuiveringsinstallatie in de Wetering van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden. Hemelwater wordt vastgehouden, geïnfiltreerd en vertraagd. Dit vindt plaats op zowel kavel niveau als in de openbare ruimte. In Groenewoud Noord wordt onder de wegen een infiltratie riool toegepast, dit is een duurzame manier om te voldoen aan de waterberging. De deelgebieden De Taats, Taatsenplein en de

Watersysteem Papendorp Noord

70 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

mobiliteitshub XLwordt aangesloten op het bestaande hemelwater systeem van het kantorenpark Papendorp. Het watersysteem draagt zo bij aan de eisen en wensen met betrekking tot klimaatadaptatie. Overtollig water wordt afgevoerd naar oppervlaktewater.

5.8 Flora en fauna

Ecologische quickscan Er is een quickscan natuurwetgeving voor het plangebied Papendorp Noord te Utrecht uitgevoerd, ten behoeve van op te stellen bestemmingsplan. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling mogelijk in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. De ecologische quickscan is als bijlage bijgevoegd. In de ecologische quickcan bevat de volgende conclusie: Beschermde gebieden • Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn niet uit te sluiten. • Een stikstofdepositie in stikstof gevoelige habitats is mogelijk, een aerius-berekening is daarom noodzakelijk* • De voorgenomen plannen hebben geen aantasting van het NNN tot gevolg • De werkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde beeldbepalende bomen of houtopstanden Er is een eerste quick-scan berekeningn naar stikstof depositie uitgevoerd waaruit blijkt dat stikstof depositie geen belemmering is voor het plan (zie paragraaf 5.10) Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten

Soorten van de Vogelrichtlijn van de Wet natuurbescherming (VR) • Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten • De voorgenomen plannen kunnen negatieve effecten hebben ten aanzien van het foerageer- en broedgebied van algemene vogelsoorten. Hiermee zal bij de ontwikkeling van de plannen rekening gehouden moeten worden. • Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismussen, gierzwaluwen, ransuil, buizerd, sperwer, steenuilen en zwarte roodstaarten in het plangebied aanwezig. Een soortgericht onderzoek naar deze jaarrond beschermde nesten en relevante functionaliteiten is dan ook noodzakelijk Soorten van de Habitatrichtlijn van de Wet natuurbescherming (HR) • door de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden mogelijkerwijs verblijfplaatsen van vleermuizen (in de bedrijfshallen, kantoorpanden, de woning aan de Taatsendijk 1c en de bomen rond KWS Infra) vernietigd of verstoord. • tevens worden mogelijke foerageergebieden en vliegroutes vernietigd of verstoord waardoor negatieve effecten op de vleermuis niet opvoorhand uit te sluiten zijn. • er dient hier een aanvullend onderzoek naar plaats te vinden. Nationaal beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Nat) • de voorgenomen plannen hebben mogelijk een negatief effect op algemeen voorkomende (bunzing, egel, haas, konijn, eekhoorn, huisspitsmuis en veldmuis).

Voor deze soorten geldt in provincie Utrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming • tevens kan de steenmarter in het plangebied leven, deze soort is niet vrijgesteld en de geplande ruimtelijke ontwikkeling kan leiden

71 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

Soort (groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk effect

Ontheffing nodig indien negatief effect

Maatregelen

Gebieden

-

Natura2000/NNN

Ja

-

Aerius berekening

Flora

USL

Groeiplaats grote kaardenbol en veldlathyrus

Ja

Nee

Nader advies

Vlinders en libellen

HR/Nat/

-

Nee

Nee

-

Kevers en slakken

HR

Leefgebied platte schijfhoorn

Ja

Ja

Nader onderzoek

Amfibieën en reptielen

HR

Leefgebied rugstreeppad

Ja

Ja

Nader onderzoek

Vissen

HR/Nat/USL

Leefgebied kleine modderkruiper en bittervoorn

Ja

Nee

Nader advies

Vogels

VR/USL

Foerageer- en nestgebied

Ja

Nee, mits maatregelen getroffen worden

Werk buiten broedseizoen en realisatie geschikt leefgebied.

(nest jaarrond beschermd)

VR

Foerageer- en nestgebied huismus, gierzwaluw, buizerd, steenuil, ransuil, sperwer

Ja

Ja

Nader onderzoek

Zoogdieren

Nat

Leef- en foerageergebied steenmarter

Ja

Ja

Nader onderzoek

HR

Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes

Ja

Ja

Nader onderzoek

Nader advies USL Vogels

Zoogdieren (vleermuizen)

72 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

tot negatieve effecten, een aanvullend onderzoek naar deze soort is dan ook noodzakelijk. Soorten van de Utrechtse soortenlijst (USL) • een aantal soorten die in het gebied voorkomen staan op de Utrechtse soortenlijst, het betreft de grote kaardenbol, veldlathyrus, kleine modderkruiper, bittervoorn, kleine karekiet, merel en de tjiftjaf. Ook de aanwezigheid en verspreiding van deze soorten zullen in kaart gebracht moeten worden. Mitigerende maatregelen • op dit moment is er geen duidelijkheid over de omvang van de plannen en de uitvoering hiervan, derhalve wordt uitgegaan van een worse-case scenario waarbij het hele plangebied ontdaan wordt van begroeiing, alle sloten gedempt worden, de bomen gekapt worden en de woningen en bedrijfspanden aan de noordzijde gesloopt worden. Indien een of meer van deze stappen niet uitgevoerd worden, dan kan dat een grote invloed hebben op de te verwachten effecten.

5.9 Stikstofdepositie

Wetgeving De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat achteruit. Om deze te beschermen zijn in Nederland ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen met een Europese beschermingsstatus. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij de gemeente, geldt er in principe een aanhaakplicht (artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht) voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Voor aanvragen waarbij op voorhand duidelijk is dat een Wnbvergunning noodzakelijk is, is het loskoppelen van beide vergunningentrajecten toegestaan, zolang deze keuze is gemaakt vóór indiening van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Alleen wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er op voorhand geen significante bijdrage is van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een Wnb-vergunning niet van toepassing. Als er stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt wordt in het kader van een Wnb-vergunning eerst een voortoets uitgevoerd. Het project kan alsnog worden vergund als er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden.

Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Onderbouwing en onderzoek Er zal in de ruimtelijke procedure middels een stikstofdepositieonderzoek aangetoond moeten worden dat zowel de aanlegfase (bouw) en gebruiksfase niet leiden tot een toename aan

73 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden. Hierbij is voor vaststelling van het bestemmingsplan met name de gebruiksfase maatgevend. De verkeersinvloed van het plan valt binnen 5 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het extra verkeer van het plan zal dus meegenomen moeten worden in een berekening voor de toekomstige gebruiksfase. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de hoeveelheid verkeer zal de gebruiksfase naar alle waarschijnlijkheid geen extra stikstofdepositie opleveren. Het bestemmingplan kan dus op basis van een stikstofdepositieonderzoek met een dergelijke berekening in AERIUS Calculator vastgesteld worden. Voor de daadwerkelijke realisatie van het plan en vergunningverlening voor de bouw zal echter ook aangetoond dienen te worden dat ook de bouwfase niet leidt tot significante effecten (extra stikstofdepositie). In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen binnen het project op zichzelf en in cumulatie, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatieve effecten. Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie.

Indien (middels een voortoets) niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een Passende Beoordeling. Dit is een uitgebreid ecologisch onderzoek. Extern salderen, mitigatie of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Op basis van een eerste quick-scan berekening voor de bouwfase, op basis van de huidige meest recente gegevens van het plan, zal de depositiebijdrage van de bouwfase < 0,05 mol/ha/jr. bedragen. Hierbij is uitgegaan van de maximale bouwomvang en een bouwperiode van 2 jaar voor het gehele plan. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan.

74 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

5.10

Bomen

De bestaande bomen zijn zoveel mogelijk ingepast. Op de volgende plekken is dat niet mogelijk: • ter plaatse van de wijzigingen in de wegenstructuur (nabij de afslag 8a Papendorp, de versmalling van de Mercatorlaan en ten behoeve van de ontsluiting van de Moblititeitshub XL aan de Orteliuslaan) Bomen in de binnengebieden zijn niet aangegeven. De bomen die niet kunnen worden ingepast worden herplant, mits de conditie van de boom dat toelaat. De bomen aan de Orteliuslaan en Mercatorlaan krijgen langs de verlengde Mercatorlaan een nieuwe plek. Bomen in Groenewoud Noord Voor de bomen in Groenewoud Noord geldt dat in het stedenbouwkundig plan nader onderzocht wordt welke bomen er ingepast kunnen worden. Daarbij zal er zorgvuldig worden gekeken naar de grens tussen Groenewoud en Groenewoud Noord (het Bospark) en het de aansluiting op het Amsterdam Rijn Kanaal (het Oeverpark) te herplanten / te kappen bomen nieuw te planten bomen te handhaven bomen nader te onderzoeken bomen

Bospark

bomenkaart Papendorp Noord

De huidige smalle watergang tussen Groenewoud en Groenewoud Noord wordt bij voorkeur uitgebreid. De watergang heeft aan de Groenewoud zijde een harde oever. De Groenewoud Noord zijde krijgt bij voorkeur een zachte, flauwe (natuurvriendelijke) rietoever. Omwille van versterking van de recreactieve en ecologische waarde. Er worden daarvoor onder andere nieuwe bomen bij aangeplant en door meer verschillende soorten te gebruiken. In hoeverre dit ontwerp haalbaar is zal beschouwd worden in relatie tot de huidige bomen, en het aantal bomen dat mogelijk niet inpasbaar zou zijn door de beoogde natuurvriendelijke oever. In de uitwerking voor Groenewoud Noord

75 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

wordt de inrichting van dit bospark nader bepaald en daarmee ook de haalbaarheid van het verbreden van het water incl. natuurvriendelijke oever.

Oeverpark

De parkstrook zelf is hier ingericht met heester- en boomgroepen. In de uitwerking wordt bekeken of de bestaande bomen langs het Amsterdam Rijn Kanaal kunnen worden geïntegreerd in het ontwerp van het Oeverpark.

5.11

Kabels en leidingen

De bestaande kabels en leidingen onder de Taatsendijk bij de Hub zijn ingepast in het plan. In dit tracé liggen veel verschillende kabels en leidingen, hetgeen het een belangrijk tracé maakt en ingewikkeld om deze te verplaatsen. Door deze in te passen zijn geen belemmering voor de ontwikkeling.

locatie tracé kabels en leidingen

76 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

77 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van Papendorp Noord is onderdeel van het deelgebied Papendorp. Deelgebied Papendorp is onderdeel van de opgave Leidsche Rijn. Voor de opgave Leidsche Rijn is een integrale grondexploitatie opgesteld en voor de ontwikkeling van het deelgebied Papendorp is een deel-grondexploitatie opgesteld. Ten gevolge van het voorliggende plan is het plangebied Groenewoud Noord toegevoegd aan de deelgrondexploitatie Papendorp. De kosten en de opbrengsten worden verrekend in deze grondexploitatie. De Mobiliteitshub XL wordt een op zichzelf staande exploitatie, de kosten en opbrengsten van deze ontwikkeling worden daarom niet verrekend in de deelgrondexploitatie van Papendorp. De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels in eigendom van de gemeente. Voor de ontwikkeling van het gebied is het nodig om een deel van de gronden van het voormalige KWS-terrein te verwerven. Deze verwerving vormt een onderdeel van de in voorbereiding zijnde contractuele afspraken binnen het project Groenewoud (naastgelegen ontwikkeling). Dit betreft een grondruil, met aanvullende financiële afspraken. Op de gronden van de gemeente zijn thans bedrijfshallen gevestigd. Bestaande contracten zijn beëindigd. De bedrijfshallen zullen ten behoeve van de ontwikkeling worden gesloopt. De verantwoordelijkheid voor de economische uitvoerbaarheid ligt bij de gemeente.

De grondexploitatiekosten worden gedekt door de opbrengsten uit gronduitgifte ten behoeve van de ontwikkeling van het vastgoed.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het plangebied bestaat uit kantoorgebruikers en vastgoedeigenaren. De belangen van de laatste worden behartigd door de Vereniging Parkmanagement Papendorp. In de voorbereiding van het SPVE is met de VPP regelmatig overleg geweest over de richting van de ontwikkeling. Zowel huurders als eigenaren in het gebied

onderschrijven de ambitie om Papendorp te veranderen naar een woon-werk locatie. Belangrijke gesprekspartners bij de totstandkoming van het SPvE waren Rijkswaterstaat , Nedal, Loostad (ontwikkelaar Groenewoud), Vereniging Parkmanagement, Fietsersbond en makelaars. De overleggen zullen in de verdere uitwerking ook worden voortgezet om de belangen van de partijen in de uitwerking te kunnen borgen.

6.3 Technische uitvoerbaarheid.

De technische uitvoerbaarheid is op hoofdlijnen beoordeeld. Daaruit is geconstateerd dat de technische uitvoerbaarheid geen knelpunten kent, anders dan de gebruikelijke. Aandachtspunt voor de technische uitvoerbaarheid is vooral het omleggen van kabels en leidingen, de bereikbaarheid en voorkomen en beperken van overlast. De ontwikkeltijd bedraagt minimaal 10 jaar, en in die periode zullen bedrijven bereikbaar en bewoners van het gebied en/of Kanaleneiland zo min mogelijk hinder moeten ervaren. In de bouwfase zullen hier nadere afspraken over gemaakt moeten zijn, onder andere over bouwtijden, bouwdagen en gebruik van materieel.

78 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

79 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

7. Verantwoording proces Belangrijke gesprekspartners bij de totstandkoming van het SPvE waren Rijkswaterstaat , Nedal, Loostad (ontwikkelaar Groenewoud), Vereniging Parkmanagement, Fietsersbond en makelaars. Het SPVE Papendorp Noord heeft ter inzage gelegen van 16 juli 2021 tot 16 september 2021. In deze periode zijn drie reacties binnengekomen, van Rijkswaterstaat, Vereniging Parkmanagement Papendorp en Nedal. Deze reacties hebben niet geleid tot inhoudelijke aanpassingen aan het SPVE. De tekst in het SPVE is op enkele plekken wel aangepast met als doel de tekst te verduidelijken en/of onjuistheden te herstellen. Met genoemde partijen is gemeente al regelmatig in overleg. De overleggen worden in de verdere uitwerking voortgezet om de belangen van de partijen in de uitwerking te kunnen borgen.

80 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

81 - Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord

8. Vervolgtraject 8.1 planproces

Na vaststelling van het SPVE door de gemeenteraad volgen de volgende stappen: • Opstellen omgevingsplan en in procedure brengen • Uitwerken stedenbouwkundig plan voor deelgebied Groenewoud Noord • Uitwerken ontwerp van de openbare ruimte

Groenewoud Noord: uitwerking in de vorm van stedenbouwkundig plan

Parallel aan de besluitvorming over het SPVE wordt een schetsontwerp opgesteld voor de mobiliteitshub XL. Ook dit zal ten behoeve van besluitvorming over de kredietaanvraag en de te nemen vervolgstappen aan de raad worden voorgelegd. Na afronding van bovenstaande stappen kan begonnen worden met het bouwrijp maken van het gebied. Na bouwrijp maken zal gestart worden met de 1e ontwikkelingen, die volgens het Utrechts selectiebeleid bij gronduitgifte in de markt worden gezet. De kavels in De Taats en aan het Taatsenplein worden op basis van dit SPvE in de markt worden gezet. Daarvoor wordt het programma van eisen aangevuld met beeldkwaliteitseisen. De planning is om in de 2e helft van 2023 de eerste uitgifte te kunnen organiseren.

mobiliteitshub XL: uitwerking in de vorm van een schetsontwerp

De Taats Noord, blok 1: Selectie op basis van dit SPvE

De Taats Noord, blok 2: Selectie op basis van dit SPvE

De Taats Noord, blok 3: Selectie op basis van dit SPvE Reeds gerealiseerd kantoorgebouw Taatsenplein Noord (kavel T8): Selectie op basis van dit SPvE

Taatsenplein Zuid (kavel T1b / T1c): Selectie op basis van dit SPvE

Taatsenplein Noord (Hotel kavel T7): reeds in ontwikkeling

Bezoekadres: Stadsplateau 1, 3533 JE Utrecht Postadres: Postbus 8406, 3503 RK Utrecht Telefoon: 030 - 286 00 00

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=6ac153d5-1732-4532-8233-276ce13c162c