SPVE Matserterrein en Ondaatje
Tekst van het document
Bodemkwaliteit In het verleden zijn op de locatie vijf gevallen van ernstige bodemverontreiniging gesaneerd. De verontreinigingen zijn veroorzaakt door de activiteiten van de Regionale Energiemaatschappij Utrecht (REMU), dat hier zijn hoofdkantoor had. Het betrof verontreinigingen met minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en kwik. In 2002 is door Chemielinco BV een saneringsplan opgesteld (rapportnr. 22040, 8 november 2002). Dit plan is beoordeeld en beschikt door de gemeente Utrecht (nr. DSO 02.120991, 13 Januari 2003). In 2004 is een aanvullend saneringsplan door InfraSoil ingediend (rapportnr. 01.04.301, d.d. 18 februari 2004). Op dit aanvullende saneringsplan is ook een beschikking afgegeven (nr. DSO 04.104669, 28 april 2004). In 2005 is door InfraSoil een tussentijdse evaluatie van de uitgevoerde
56 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
grondsanering opgesteld (rapportnr. 01.04.321, 25-03-2005). Tot slot is in 2013 door InfraSoil een saneringsevaluatie van de grondwatersanering opgesteld (rapportnr. 01.08.0731, 6-3-2013). Op 22-7-2013 heeft het bevoegd gezag ingestemd met de uitgevoerde sanering. Na de bodemsanering zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken meer uitgevoerd op het terrein.
brengen. Voor intensief gebruikt groen dient deze 1 meter dik te zijn. Een ophooglaag van grond kan gerealiseerd worden door het maaiveld met een meter te verhogen of door een combinatie van gedeeltelijke afgraving en ophoging tot de gewenste maaiveldhoogte.
5.4.2 Grondverzet Wettelijk kader Uit de evaluatie van de grondwatersanering blijkt dat vanaf 4 meter beneden Bij grondverzet gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit en de maaiveld (m-mv) nog licht verhoogde concentraties vluchtige aromatische Nota Bodembeheer (2017-2027) van de gemeente Utrecht. De kwaliteit koolwaterstoffen aanwezig zijn. Daarnaast is het ondiepe en het diepere van toe te passen grond moet aansluiten bij het beoogde gebruik. grondwater licht verontreinigd met Vluchtige Organo Chloorverbindingen (VOCl). In het eerste watervoerend pakket (> 6 m-mv) kunnen sterk De toepassingseis van grond is woonkwaliteit. Ook voor PFAS kan, bij verhoogde concentraties VOCl voorkomen. In figuur x is een overzicht onverdachte locaties, gebruik gemaakt worden van deze kaart bij gegeven van de verontreinigingscontour (grondwater). Het gebied ligt in de grondverzet. Dynamische zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer 2015. Ontgravingen dieper dan 4 m-mv en het onttrekken van grondwater Vanuit duurzaamheid en vanuit financiële overwegingen moet gestreefd worden gezien als een saneringsmaatregel en moeten daarom gemeld worden naar een minimale afvoer van grond (‘gesloten grondbalans’) worden bij het bevoegd gezag. waarbij hoogwaardige (vruchtbare) grondstromen zo veel als mogelijk lokaal hergebruikt moeten worden.
Bij aanleg van groen adviseren wij het Voorafgaand aan de geplande ontwikkelingen dient een verkennend gebruik van levende bodem met veel organische stof. bodemonderzoek conform protocol NEN 5740 uitgevoerd te worden. Gezien de saneringsresultaten, wordt verwacht dat er nog beperkt mobiele 5.4.3 Archeologische waarden verontreinigingen in lage concentraties aanwezig zijn. Uit de in het verleden Wettelijk kader en beleid uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat op de gehele locatie een zandige Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet heeft betrekking op ophooglaag met puin- en kooldeeltjes aanwezig is, die licht tot sterk archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige verontreinigd is met de niet-mobiele verontreinigingen zware metalen en Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons PAK. cultureel erfgoed mogelijk. Wetgeving bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te Niet-mobiele verontreinigingen kunnen gesaneerd worden door middel van verwachten archeologische resten. ontgraving of afdekking. Afdekking kan plaats vinden met een gesloten verharding van beton (bebouwing) of een gesloten verharding van asfalt/ Het archeologische beleid van de gemeente Utrecht is vastgelegd in het tegels/klinkers (paden).
Daar waar dit niet gewenst is, kan een afdekking CHW Bestemmingsplan Algemene Regels Utrecht (2023) en bijbehorende gerealiseerd worden door een ophooglaag van schone grond aan te Archeologische Waardenkaart (2023). De regels en de waardenkaart worden op 1 januari 2024 overgenomen in het Omgevingsplan
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 57
Afbeelding: Archeologische waardenkaart Gemeente Utrecht
(Omgevingswet). In het Omgevingsplan worden regels opgenomen (Gebiedsaanduiding ‘Overige zone-archeologische verwachting’), waaraan een vergunningstelsel (omgevingsvergunning) is gekoppeld ter bescherming van het archeologisch erfgoed. Op de archeologische waardenkaart is met kleuraanduidingen aangegeven waar archeologische resten aanwezig zijn of verwacht kunnen worden en bij welke bodemingrepen (oppervlakte en diepte) een vergunning van toepassing is. Het plangebied ligt op de archeologische waardenkaart (2023) in een gebied van hoge archeologische verwachting’ en ‘middelhoge archeologische verwachting’. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100m2 en dieper dan 30 cm. Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachting geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Aan de vergunning kunnen voorwaarden voor archeologisch onderzoek worden verbonden. Bij de aanvraag van de vergunning dient in ieder geval een deskundigenrapport te worden overlegd dat goedgekeurd is door of namens het bevoegd gezag, als zo’n rapport over de gevolgen van het grondwerk op de archeologische waarde nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag.
58 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Afbeelding: In rood is de loop van het Lijnpad(rijn) en historische bebouwing weergegeven. In blauw het open water van de Kruisvaart.
Ontwikkelplannen worden getoetst aan de vigerende wet- en regelgeving. Eventuele wijzigingen in beleid en/of vergunningsstelsel zijn dan ook voorbehouden. Archeologische verwachting en archeologische rijksmonumenten Er zijn geen archeologische rijksmonumenten in het plangebied aanwezig. De archeologische verwachting op de archeologische waardenkaart is gebaseerd op de aanwezigheid van de stroomgordel (bedding- en oeverafzettingen) van de Oude Rijn in de ondergrond, waarop bewoning vanaf de prehistorie (Bronstijd/IJzertijd) kan hebben plaatsgevonden. Op basis van onderzoeken in de ruimere omgeving van het plangebied kan de verwachting voor het plangebied op hoofdlijnen nader worden gespecificeerd. Het plangebied ligt op de afzettingen van de stroomgordel van de Oude Rijn (Romeinse tijd en deels Late Middeleeuwen). Binnen het plangebied kunnen meerdere restgeulen aanwezig zijn die gedateerd kunnen worden in de vroege en late Middeleeuwen en mogelijk de Romeinse tijd. Langs de waterlopen kunnen bewoningsresten worden verwacht en in de geulen kunnen water gerelateerde archeologische waarden, zoals bijvoorbeeld schepen, beschoeiingen, visfuiken en afvaldumps worden aangetroffen. Het plangebied ligt naar verwachting ten zuiden van de hoofdgeul van de Romeinse rijn, die de noordgrens van het Romeinse rijk vormde.
Ten zuiden van deze geul kunnen resten van de limesweg aanwezig zijn, alsook wachttorens, nederzettingen en begravingen. Op historische kaarten is af te lezen dat het plangebied ten minste tot 1695 in het buitengebied van de stad Utrecht lag. In 1664 zijn de grachten van het plan Moreelse gegraven, die al afgebeeld zijn op de kaart van Specht (1695). Dwars door het plangebied heeft langs één van de rijnlopen (zogenaamde Lijnpad-Rijn) het historische Lijnpad gelopen, dat in ieder geval vanaf de zestiende eeuw, maar mogelijk al vanaf de vroege
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 59
Middeleeuwen in gebruik was. Op historische kaarten is langs dit Lijnpad op enkele plaatsen bebouwing aanwezig, waaronder in of in de directe omgeving van het plangebied. Aan de westkant van het plangebied is op de Minuutplan 1811-1882 bebouwing weergegeven. Met de aanleg van de moesgrachten van het plan van Moreelse in 1664 raakte dit Lijnpad in onbruik. Resten van de moesgracht Blekersgracht zijn te verwachten onder de huidige Croeselaan en de moesgracht Bloemgracht (nu bekend als Kruisvaart) ligt aan de oostkant van het plangebied en is nog steeds watervoerend. Op basis van onderzoeken in de omgeving van het plangebied geldt er een hoge verwachting op archeologische resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd. Door later gebruik en recente bebouwing van het plangebied kunnen archeologische waarden zijn aangetast. Archeologisch onderzoek Voor het deelgebied Ondaatje is in het kader van de ontwikkeling Beurskwartier 1 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het deelgebied Matser zijn nog geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deelgebied Ondaatje Het uitgevoerde archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het gebied tot 1,5 m onder maaiveld verstoord is. Daarom is de verwachting op nederzettingsresten en begravingen naar ‘laag’ bijgesteld en is het gebied tot deze diepte vrijgegeven (selectiebesluit bevoegd gezag).
Dit betekent dat er tot 1,5 m onder huidig maaiveld geen archeologische verplichtingen meer gelden. Voor bodemingrepen dieper dan 1,5 m geldt er een onbekende verwachting op resten die gerelateerd kunnen worden aan de aangetroffen restgeul, zoals beschoeiingen en scheepswrakken. Het toetsen van de verwachting kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de uitvoeringswerkzaamheden. Het dateren van de diepe restgeul op deze
locatie is hierbij een belangrijk aandachtspunt, omdat dit belangrijke inzichten kan opleveren over mogelijke vindplaatsen in het verleden. Deelgebied Matser Om de archeologische verwachting van het deelgebied Matser vast te stellen moet een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek worden uitgevoerd. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerde verwachting voor het gebied op te stellen op basis van bekende gegevens, waaronder landschappelijke, archeologische, historische gegevens en informatie over verstoringen (saneringen, kabels en leidingen, voormalige bebouwing in het plangebied). Het verkennend booronderzoek heeft tot doel om de gespecificeerde verwachting te toetsen en de bodemopbouw en de intactheid van het plangebied in kaart te brengen. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek kan worden bepaald of en zo ja, welk aanvullend archeologisch noodzakelijk is. Eventueel vervolgonderzoek kan bestaan uit een karterend/waarderend booronderzoek of proefsleuvenonderzoek en/of een opgraving. Eisen aan archeologische onderzoeken Alle archeologische onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door een gecertificeerd archeologisch bedrijf en moeten voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de richtlijnen voor archeologisch onderzoek van de gemeente Utrecht.
Voorafgaand aan het booronderzoek dient een Plan van Aanpak te worden opgesteld dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag (afdeling Erfgoed (archeologie), gemeente Utrecht). Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving dient een Programma van Eisen en een Plan van Aanpak te worden opgesteld, dat ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
456
RNO-036-7 RNO-036-6
60 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
RNO-036-3
456018
RNO-036-2
RNO-036-6 RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-7
RNO-036-6
455768
RNO-036-6 RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-6 RNO-036-6
RNO-036-7 RNO-036-7
RNO-036-3
RNO-036-3 RNO-036-3
RNO-036-5
RNO-036-7 RNO-036-3
RNO-036-3
RNO-036-7
RNO-036-3
455518
RNO-036-3
RNO-036-6 455268
RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-3
RNO-036-3
RNO-036-4
134736
134986 RNO-036-7
Afbeelding: Bodembelastingskaart OO (2016; RNO-036-5))
RNO-036-7
135736
135986
136236
136486
136736
136986
137236
137486
137736
137986
454518
RNO-036-4
Status met verwijzing naar deelgebieden Verdacht
Onverdacht
135486
RNO-036-4
Legenda
Verdacht, naoorlogs geroerd/beperkt vrijgegeven
135236
454768
134486
RNO-036-4
0
250
500
750
1000
³
Meter
Esri Nederland & Community Maps Contributors
RNO-036-7
T&A Survey BV Dynamostraat 48 Postbus 20670 1001 NR Amsterdam
Telefoon: 020-6651368 Fax: 020-6685486 E-mail: info@ta-survey.nl Internet: www.ta-survey.nl
454268
134236
455018
RNO-036-4 RNO-036-6
RNO-036-6
HO CE te Utrecht Bijlage:
3. CE-Bodembelastingkaart
Projectnummer:
GPR5420.39
Opdrachtgever:
ProRail
Tekenaar:
Akkoord:
M. van Veelen
M. van Oers
Formaat:
A3
Schaal:
1:10.000
Datum:
14-06-2016
RNO-036-6
RNO-036-2
RNO-036-6 RNO-036-3
RNO-036-7
RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-6 RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-6
RNO-036-6 RNO-036-3
RNO-036-6
RNO-036-7 RNO-036-7
RNO-036-3
RNO-036-3 RNO-036-3 RNO-036-3
RNO-036-7 RNO-036-5
RNO-036-3 RNO-036-7 RNO-036-3
RNO-036-6 RNO-036-6
RNO-036-3
RNO-036-3
RNO-036-4
RNO-036-4 RNO-036-6
RNO-036-7
RNO-036-4 RNO-036-7
RNO-036-4
RNO-036-4
Esri Nederland & Community Maps Contributors
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 61
Afbeelding: overzicht zettingsgevoeligheid
Aandachtspunten • Het advies is om in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg met het bevoegd gezag archeologie (gemeente Utrecht) te bepalen welk archeologisch onderzoek noodzakelijk is en hoe dit kan/moet worden uitgevoerd. • Uitgangspunt is dat eventuele archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard blijven. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door planaanpassing of archeologievriendelijkbouwen. Indien archeologische waarden niet in situ behouden kunnen worden is ex situ behoud door middel van archeologisch onderzoek mogelijk. • Voor de voorgenomen ontwikkeling is een omgevingsvergunning voor het aspect archeologie vereist. In de vergunning worden voorwaarden opgenomen ten aanzien van het uit te voeren archeologisch onderzoek. • Het zichtbaar maken van eventuele archeologische waarden in de openbare ruimte is een mooie ruimtelijke en cultuurhistorische kans. 5.4.4. Ontplofbare Oorlogsresten (voorheen NGE) Wettelijk kader en beleid In het kader van de Arbowet hebben zowel opdrachtgever als opdrachtnemer de verplichting de risico’s, die in de uitvoering van het project kunnen ontstaan, in beeld te brengen. Dit geldt ook voor de risico’s door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten die na de Tweede Wereldoorlog zijn achtergebleven. Met ingang van 1 januari 2021 is een wijzing opgetreden van artikel 4.10 van het Arbobesluit.
Hiermee is het Werkveld Specifiek Certificatieschema voor het Opsporen van Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatie Schema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO), waarin staat beschreven aan welke wettelijke regels moet worden voldaan betreffende de opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Ontplofbare Oorlogsresten In opdracht van de gemeente Utrecht en ProRail zijn in het Stationsgebied diverse (bureau)onderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van
Ontplofbare Oorlogsresten (voorheen Niet Gesprongen conventionele Explosieven (NGcE’s)). In de potentieel verdachte gebieden zijn tijdens veldonderzoeken geen explosieven aangetroffen. In 2023 is het plangebied Ondaatje aanvullend onderzocht (RAWDATA, mei 2023). Hieruit is gebleken dat Ondaatje niet verdacht is voor Ontplofbare Oorlogsresten. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is het plangebied Matserterrein grotendeels vrijgegeven. Nog niet de hele toekomstige bouwplot van het Matserterrein is onderzocht en vrijgegeven van explosieven (zie figuur x). Daarom moet voorafgaand aan de werkzaamheden een actualiserend/aanvullend OO-onderzoek plaatsvinden.
62 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Afbeelding: Overzicht warmtenet en midden spanningsleiding
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 63
Afbeelding: KLIC Melding
De kans op de aanwezigheid van explosieven wordt laag ingeschat . Er hebben al naoorlogse graafwerkzaamheden in het gebied plaatsgevonden. Tijdens werkzaamheden aan kabels en leidingen in de Mineurslaan en de Croeselaan, bij de realisatie van de tijdelijke eindhalte van de tram en bij werkzaamheden op het nabijgelegen Jaarbeursplein zijn geen explosieven gevonden. 5.4.5. Zettingsgevoeligheid Het plangebied is op basis van de bodemopbouw, weinig gevoelig voor zetting. 5.4.6. Kabels en leidingen Wettelijk kader en beleid Het beleid van de gemeente Utrecht aangaande kabels en leidingen is vastgelegd in de Verordening ondergrond en het Handboek Kabels en leidingen. Binnen het plangebied bevindt zich momenteel diverse kabels en leidingen (zie onderstaande figuren). Extra aandacht dient te worden besteed aan het warmtenet en de midden spanningsleiding van Stedin welke centraal over het terrein loopt. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling moet hiermee rekening worden gehouden. Ook staat vervanging van het gemengd riool gepland in de Croeslaan met aansluitingen binnen het projectgebied (2041-2050). 5.4.7.
Ondergrond algemeen Het is verstandig om ook het toekomstig ondergronds ruimtegebruik (voor bodemenergie, waterberging en infiltratie, boomwortels, groen, bodemecologie, kabels en leidingen, riolering, parkeerkelders, infrastructuur) inzichtelijk te maken, om vooraf te kunnen sturen op eventuele knelpunten met (ander) ondergronds en bovengronds gebruik. Hierbij moet ook de mogelijke aanwezigheid van restanten van oude fundering, damwanden of andere ondergrondse structuren worden geïnventariseerd. Het gaat dan om het fysieke ruimtegebruik en het
64 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
invloedgebied. Met vroegtijdige ordening, minimaal ruimtegebruik en toekomstbestendig inrichten van de ondergrond kunnen conflicten in functies en processen (mogelijk) worden voorkomen. Inzicht in de kwaliteiten die de ondergrond biedt (bijvoorbeeld waterbergend vermogen, draagvermogen) helpt hierbij. Als deze kwaliteiten worden aangetast kan schade of overlast het gevolg zijn. Door deze kwaliteiten te benutten voor de diverse thema’s is veelal een duurzame en toekomstbestendige inrichting mogelijk. Nabij het plangebied is omstreeks 2030 ook herinrichting van de Jan van Foreeststraat gepland.
5.5 Klimaatadaptatie en Wateropgave
5.5.1 Klimaatadaptatie Algemeen Utrecht moet ook in een opwarmend klimaat een aangename plek zijn om te wonen, te werken of te recreëren. Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte. Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater – ook op eigen terrein – vasthouden in de openbare ruimte, in de bodem of het oppervlaktewater. Regenwater zal beter en langer vastgehouden moeten worden op de plek waar het valt. Om dit te bereiken moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden. Hiermee wordt het riolerings- en afwateringssysteem ontlast, maar het zorgt er ook voor dat water beschikbaar is in periode van droogte. Wateroverlast We richten het gebied zo in dat zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur geen schade optreedt aan gebouwen en nutsvoorzieningen en dat veiligheidsrisico’s worden voorkomen.
Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan. Uitgangspunt is dat vuil water en schoon regenwater zoveel mogelijk gescheiden worden. Waar mogelijk worden bestrating en dakvlakken afgekoppeld van het gemengde riool en bij voorkeur wordt hemelwater zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Water wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt. Uitgangspunt is dat buien tot 20 mm per uur verwerkt kunnen worden zonder dat er water op straat blijft staan. Voorkeursvolgorde Voor het verwerken van regenwater wordt in Utrecht een voorkeursvolgorde aangehouden. Allereerst wordt water zoveel mogelijk vastgehouden om te hergebruiken. Pas daarna stroomt regenwater oppervlakkig af naar bovengrondse bergingsvoorzieningen t.b.v. infiltratie. Als dat niet kan wordt water geborgen en geïnfiltreerd in ondergrondse voorzieningen. Pas als het niet anders kan wordt het regenwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. In dit geval de Kruisvaart. Droogte Om droogteschade te voorkomen moet de sponswerking van de bodem vergroot worden.
Hiervoor moet zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geïnfiltreerd worden. Het uitgangspunt is om minimaal 90% van het regenwater in het gebied op te vangen en te verwerken zonder afwenteling op het oppervlaktewater. Om hieraan te voldoen moet 15 mm regenwater per m2
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 65
verharding (incl. dakvlakken) vastgehouden kunnen worden in daarvoor bestemde voorzieningen ten behoeve van infiltratie.
Het streven is dat het in de stad op een hete zomerdag maximaal 5 graden warmer is dan in het buitengebied (referentie KNMI De Bilt).
Infiltratie gebeurt bij voorkeur en waar mogelijk d.m.v. bovengrondse voorzieningen zoals wadi’s of waterdoorlatende bestrating. Deze voorzieningen moeten in minimaal 10 en maximaal 48 uur leeg kunnen lopen.
Maatregelen tegen hittestress hebben 2 doelen: De gemiddelde luchttemperatuur van de stad verlagen, zowel overdag als ’s nachts en het creëren van lokale koele plekken met een lage gevoelstemperatuur. Als verkoelende maatregelen kan worden ingezet op het creëren van koele plekken en looproutes met schaduw, bij voorkeur door bomen, zo min mogelijk verharden (groen tenzij), het aanleggen van groene gevels en daken en bewegend water (fonteinen). Concreet betekent dit dat we stadsbreed streven naar een percentage groenoppervlak in het horizontale vlak van minimaal 40%. Dit is inclusief boomkronen en groene daken. Hierdoor is er voldoende mogelijkheid voor verdamping door bomen en groen en het vasthouden van water.
Om zoveel mogelijk water vast te kunnen houden is voor het ontwerp en inrichting van de openbare ruimte in de binnenstad “groen, tenzij” het leidende principe. Verharding voegen we alleen toe als het nodig is om het gewenste gebruik en beheer te faciliteren. Daken en gevels zijn zo groen mogelijk ingericht volgens het principe “geen dak of gevel onbenut”. Combinaties met zonnecollectoren hebben daarbij de voorkeur. Dit draagt zowel bij aan de belevings- en ecologische waarde als ook de akoestische en hittestressbestendige kwaliteit van de gebouwen. Hitte Klimaatverandering leidt naar verwachting tot meer zomerse en tropische dagen. Door het opslaan van de warmte van zonlicht in verharding, gevels en daken is het dan in de stad nog warmer dan het buitengebied. De temperatuur in de huidige stad is op een zomerse dag op sommige plekken meer dan 7 graden warmer dan aan de randen van de stad. De in asfalt, steen of beton opgeslagen zonne-energie wordt ‘s nachts als warmte uitgestraald. Dit hitte-eiland effect is een serieuze bedreiging voor de leefbaarheid en volksgezondheid. Vooral kinderen, ouderen en zieken zijn kwetsbaar voor hitte-gerelateerde gezondheidseffecten. Door de grote hoeveelheid verharding kan de gevoelstemperatuur juist in het stationsgebied op hete dagen tot wel 10 graden meer oplopen dan buiten de stad.
Uitgangspunt is dat iedere woning binnen 200 meter loopafstand over een koele groene plek van minimaal 200 m2 moet kunnen beschikken. Een koele plek wordt gedefinieerd als een plek van minimaal 200 m2, met schaduw van bomen, gebouwen of doeken die ingericht is als aantrekkelijke verblijfsplek is, bij voorkeur met veel groen i.v.m. verdamping. Daarnaast moet de koele plek openbaar toegankelijk en bereikbaar zijn door de aanwezigheid van een (wandel)pad, een zitgelegenheid in de schaduw of een activiteit. Daarnaast moet je in iedere straat op een hete dag in de schaduw (bij voorkeur door bomen) kunnen lopen. Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw. Zo blijven essentiële functies in de stad voor iedereen beschikbaar. 5.5.2 Wateropgave Te dempen oppervlaktewater Te dempen oppervlaktewater dient conform de Keur van het waterschap 1 op 1 te worden gecompenseerd met nieuw open water.
66 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Toename verhard oppervlak en watercompensatie Om de waterhuishouding op orde te houden en wateroverlast te voorkomen, zijn op grond van de Keur bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 maatregelen vereist (dit is de ondergrens voor watercompensatie binnen de bebouwde kom). HDSR eist ten behoeve van het tegengaan van versneld afvoeren een compensatie in de vorm van nieuw te graven oppervlaktewater van 15% ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak, of 45 mm waterberging over het toegenomen verhard oppervlak. Richtlijnen voor het ontwerp van infiltratievoorzieningen zijn te vinden op www.hdsr.nl/watertoets. Kunstwerken Nieuwe bruggen mogen niet leiden tot versmalling en/of verkleining van het (natte) profiel van de Kruisvaart. Let ook op de doorvaarbaarheid i.v.m. andere en bestaande functies zoals roeien, kanoën en het beheer. Bij aanleg van nieuwe bruggen moet daarom worden uitgegaan van de hoogte van bestaande bruggen. Natuur en ecologie Om de water- en ecologische kwaliteit te verbeteren is het wenselijk om, in overleg met de gemeente en het waterschap, natuurvriendelijke oevers te realiseren. Het gaat dan vooral om een geleidelijke overgang van water naar land zodat er voldoende habitat- en biotoopmogelijkheden ontstaan voor flora en fauna. De beperkt beschikbare ruimte is bepalend is voor welke oplossingen mogelijk zijn.
Belangrijk is dat deze de afvoerfunctie van de watergang niet belemmeren. Waterkwaliteit T.a.v. waterkwaliteit zijn er regionaal en door het waterschap doelen vastgesteld. In de huidige situatie is er weinig volledige beschaduwing en een goede doorstroming in de Kruisvaart. De waterkwaliteit en
ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater mag niet achteruitgaan ten gevolge van ruimtelijke ingrepen. Waterkwaliteit en recreatie Het water in de stad is op de meeste plekken van voldoende kwaliteit om als zwemwater te kunnen functioneren. Dit is ook het geval in de Kruisvaart, hoewel dit geen officieel zwemwater is waar de waterkwaliteit gemonitord of gegarandeerd wordt. Aan de openbare kade kan gevist worden. Grondwater Bij de planontwikkeling wordt rekening gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte. Er geldt vanuit gemeente Utrecht een ontwateringseis van 0,7 m onder maaiveld. De drooglegging moet volgens de norm van het HDSR 1,0 m zijn Bij de planrealisatie zal mogelijk sprake zijn van een tijdelijke bemaling. De verlaging van de grondwaterstand die hiervan het gevolg is zal zich alleen voordoen op de locatie zelf en richting het spoor. In de bestaande Dichterswijk zal geen verlaging van de grondwaterstand optreden zolang het peil van de Kruisvaart niet verandert. De initiatiefnemer dient ervoor te zorgen dat verlaging van de grondwaterstand geen nadelige gevolgen heeft voor de fundering van nabijgelegen spoorwegen en de aangrenzende bestaande bebouwing. Geadviseerd wordt evt. kelders te voorzien van vloeistofdichte vloeren en wanden, zodat (grond) wateroverlast wordt voorkomen. Riolering Regenwater en vuilwater worden via aparte stelsels ingezameld.
Het te ontwerpen vuilwaterstelsel dient te worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Initiatiefnemer stemt dit af met de beheerder rioleringen.
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 67
Wanneer regenwater geloosd moet worden op de Kruisvaart moeten lozingspunt(en) zodanig gekozen worden dat beste doorspoeling ontstaat in het oppervlaktewater. Een aandachtspunt is het blusgemaal aan de achterzijde van de Rabobank, bij de toegang naar de parkeergarage. Dit gemaal moet water pompen naar het station Utrecht Centraal bij een brand en mag vanuit veiligheid zeker niet verdwijnen. Een ander aandachtspunt is een persleiding voor de aanvoer van het water richting het station. Deze loopt hoogstwaarschijnlijk door het plangebied. Watervergunning Voor de volgende onderdelen moet een watervergunning worden aangevraagd of geldt een meldingsplicht bij het waterschap: • het laten toenemen van het verhard oppervlak; • het dempen en de aanleg van oppervlaktewater; • het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; • eventueel andere onderdelen die na detaillering worden toegevoegd bij het plan, zoals damwanden, balkons en (vis)steigers. • Tijdelijke onttrekkingen van grondwater en tijdelijke lozing van bemalingswater op oppervlaktewater tijdens bouwwerkzaamheden. Een watervergunning moet worden aangevraagd indien er onttrekking van meer dan 100m³/h en/of langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt. Indien geen Watervergunning hoeft te worden aangevraagd, kan nog wel een melding nodig zijn.
5.6 Trillingen
Trillingen In de Omgevingswet worden er alleen instructieregels opgesteld voor de bescherming van trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van bedrijven (inrichtingen). Deze regels richten zich niet op trillingen van wegen en spoorwegen. De gemeente Utrecht hanteert sinds enkele jaren de onderstaande werkwijze bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen nabij het spoor, waarbij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen als
leidraad dient. In de nabije toekomst wordt deze werkwijze hoogst waarschijnlijk middels beleid vastgelegd. Om trillingshinder bij nieuwe bouwplannen te voorkomen worden door de gemeente Utrecht grenswaarden voor trillingssterktes opgelegd bij bouwaanvragen binnen 100 meter naast het spoor. In het omgevingsplan zullen hier regels voor worden opgenomen. Ten behoeve van de onderbouwing van de haalbaarheid moet een meet-en rekenonderzoek worden uitgevoerd voor een bouwplan dat past binnen de beoogde invulling van het gebied. Er wordt in eerste instantie getoetst aan de richtwaarden (SBR-B) voor ‘nieuwe situaties’. Als blijkt dat dit niet haalbaar is mag de maximale trillingssterkte onder bepaalde voorwaarde tenminste niet hoger zijn dan de richtwaarde voor ‘bestaande situaties’. Dan moet het bouwplan zoveel mogelijk maatregelen bevatten die trillingshinder voorkomen of verminderen. Op deze manier worden er grenswaarden voor trillingssterktes opgelegd waardoor trillingsmaatregelen nodig kunnen zijn. Het plangebied ligt grotendeels buiten deze 100 meter, maar een deel ligt binnen deze zone. Hierdoor is er voor nieuwbouw in ieder geval trillingsonderzoek nodig en zal - indien daar aanleiding voor is - gekeken moeten worden naar maatregelen om de trillingen te reduceren.
5.7 Groen en ecologie
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied is in 2019 onderzocht doormiddel van een quickscan en in 2020 is een natuurtoets huismusonderzoek uitgevoerd. Daaruit zijn de volgende conclusies gekomen:
68 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
5.7.1. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Oostelijke Vechtplassen, dat is gelegen op 6 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de tussengelegen afstand, infrastructuur en bebouwing is directe invloed van de plannen op Oostelijke vechtplas-sen op voorhand uit te sluiten. Er is mogelijk wel sprake van stikstofdepositie. Wij adviseren voor de volledigheid een AERIUS-berekening uit te voeren. Wanneer uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van toename van stikstofdepositie, zijn verdere vervolgstappen niet noodzakelijk. 5.7.2. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het natuurnetwerk is gelegen op 2,4 kilometer, ten zuiden van het plangebied. Vanwege deze afstand en de tussengelegen infrastructuur en bebouwing is negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet te verwachten. 5.7.3.
Beschermde plant- en diersoorten Bij de herinrichting van een gebied als dit wil de gemeente rekening houden met biodiversiteit. Naast de soorten die in de Wet Natuurbescherming zijn vastgelegd, heeft de gemeente vastgesteld dat onderzoek moet worden gedaan naar het voorkomen van de soorten op de Utrechtse soortenlijst (2018). Een van de belangrijkste criteria is of de functionaliteit van het leefgebied van beschermde soorten door het plan wordt aangetast. Er kunnen maatregelen worden genomen waardoor negatieve effecten voor de beschermde soorten zoveel mogelijk worden
voorkomen of beperkt. Er is nog geen onderzoek gedaan naar Utrechtse soorten in het plangebied. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk broedvogels. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op broedvogels worden voorkomen. Dit kan door te werken buiten het broedseizoen (loopt van maart t/m augustus). Wanneer dit niet mogelijk is dient contact opgenomen te worden met een ecoloog of het noodzakelijk is een broedvogelcontrole uit te voeren voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig. Bij de voorgenomen ontwikkelingen gaat 550 m2 foerageergebied verloren, dat in combinatie met de 950 m2 foerageergebied op het terrein van Rabobank een essentiële functie vervult voor huismus. Het aanwezige hekwerk is essentieel als schuilplaats bij het foerageergebied. Omdat de groenstrook in het plangebied onmisbaar is voor de lokale huismuspopulatie, is het noodzakelijk om adequate mitigerende maatregelen te treffen. Omdat de functionaliteit van huismusnesten dan niet in het geding is, is een ontheffingsaanvraag in dat geval niet noodzakelijk. Gemeente Utrecht en Rabobank dienen gezamenlijk af te stemmen welke stappen ondernomen worden om de functionele leefomgeving van de lokale populatie van de huismus te waarborgen.
Wij adviseren een mitigatieplan op te stellen waarin voor de aanleg en gebruiksfase stappen worden opgenomen die garanderen dat de huismussenpopulatie op korte en lange termijn kan blijven bestaan.
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 69
Afbeelding: Foerageergebied huismus (blauwe vlakken) te behouden/ compenseren foerageergebied huismus (rood vlak) niet essentieel foerageergebied (paarse vlakken) het hek (gele lijnen). Bron ondergrond: PDOK
70 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid (Matser) Dit hoofdstuk is specifiek voor het plandeel Matserterrein. Voor dit plandeel moet nog een Stedenbouwkundig Plan en nieuw omgevingsplan worden vastgesteld. De uitvoerbaarheid en haalbaarheid daarvan wordt in dit hoofdstuk beschreven. Voor het plandeel Ondaatje is al een recent omgevingsplan vastgesteld (nog niet onherroepelijk) en dit wordt verder uitgewerkt in een bouwenvelop.
6.1 Economische uitvoerbaarheid en financiële haalbaarheid
Het Matserterrein is eigendom van Rabobank. De gemeente voert zelf geen grondexploitatie binnen het Matserterrein. Rabobank draagt zorg voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein. De gemeentelijke planontwikkelingskosten en de bovenwijkse voorzieningen verhaalt de gemeente door het sluiten van een anterieure overeenkomst met de Rabobank. In deze anterieure overeenkomst zullen de ruimtelijke, stedenbouwkundige, civieltechnisch, programmatische en financiële aspecten van het Initiatief Rabo, inclusief het daarbij behorende kostenverhaal in de zin van Afdeling 6.4 Wro, worden vastgelegd. Rabobank vrijwaart de gemeente van planschadeclaims voor zover het haar planontwikkeling (Matserterrein) betreft. Deze vrijwaring wordt opgenomen in de anterieure overeenkomst. Om tot de anterieure overeenkomst te komen zal Rabobank aan de Gemeente een stichtingskosten- c.q. exploitatieopzet van het Initiatief Rabo overleggen. Uitgangspunt is dat er sprake moet zijn van een gezonde en haalbare businesscase voor de ontwikkeling door Rabobank, waarbij de kosten die de gemeente aantoonbaar ten behoeve van het Initiatief Rabo maakt gedekt moeten zijn. Voor wat betreft de aanleg van ontsluitingsroutes en aansluitingen daarop geldt dat Rabobank deze voor haar rekening neemt voor zover deze liggen binnen het nader in de anterieure overeenkomst vast te stellen exploitatiegebied.
Aan verbindingen buiten het exploitatiegebied die kwalificeren als bovenwijkse voorziening in de zin van artikel 6.13 lid 6 Wro zal Rabobank bijdragen conform de Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen. Die Nota geldt vanaf 1-1-2024 en geeft invulling aan het dan geldend wettelijk kader voor kostenverhaal (afdeling 13.6 van de nieuwe Omgevingswet).
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid: samenwerking en participatie
Gemeente en Rabobank werken samen om de ontwikkelingen in dit plangebied goed op elkaar af te stemmen, zodat hier een mooie toevoeging aan de stad Utrecht kan komen. Met een goede mix tussen wonen en werken en een fijne stedelijke, maar ook groene omgeving. Dit programma van eisen hebben we dan ook samen opgesteld en afgestemd met belanghebbenden in het gebied. Zowel ondernemers als bewoners in het gebied zijn gevraagd om inbreng te leveren op het programma van eisen. Met toekomstige bewoners van Ondaatje doorloopt de gemeente een intensief co-creatie traject. We hebben afgesproken dat op cruciale momenten de gemeente en Rabobank afstemming met elkaar zoeken, zodat de ontwerpen en uitvoering goed op elkaar blijven aansluiten, ook als we wat verder in het proces zijn. Bewoners en ondernemers uit de buurt (840 adressen worden betrokken via wijkberichten) hebben tijdens een inloopbijeenkomst positief gereageerd op het concept programma van eisen. Aandacht wordt gevraagd voor parkeren (de parkeerdruk in de wijk is hoog) en veiligheid (overlast die optreedt in het centrumgebied lijkt zich te verspreiden langs de Croeselaan en in de groenzone langs de Kruisvaart). Anderzijds wordt er ook gepleit voor goede verbindingen met het Centrum, voor zowel voetgangers als fietsers.
Naast een fietstunnel ook een betere toegang tot de Moreelsebrug voor fietsers en een extra voetgangersoversteek over het spoor.
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 71
Bewoners vragen ook om voldoende speelruimte voor kinderen te maken en goed te letten op mogelijke geluidsoverlast van horeca. Ver-der willen bewoners dat bouwhinder zoveel mogelijk beperkt wordt, bijvoorbeeld door een slimme bouwfasering en het gebruik van boren in plaats van heien. We blijven bewoners en ondernemers informeren en betrekken via wijkberichten en inloopbijeenkomsten. Daarnaast is er ook een aantal bewoners dat graag wat intensiever betrokken wordt en die op gezette tijden door gemeente en Rabobank benaderd zullen worden (informe-le klankbord).
6.3 Technische uitvoerbaarheid
De technische uitvoerbaarheid van het plan wordt nog verder onderzocht. Het plan zal in fasen worden uitgevoerd, waarbij Matserterrein door Rabobank in ontwikkeling wordt gebracht en Ondaatje door de gemeente. Deze deelgebieden kunnen los van elkaar worden ontwikkeld, maar wel in onderlinge afstemming en medewerking (gebruik van werkterreinen, kranen, bouwzones e.d.). Tijdens de bouw dient de bouwoverlast voor omwonenden zoveel mogelijk beperkt te worden. Hiervoor dienen uitvoerende aannemers een BLVCplan op te stellen. Eerste gesprekken over beheer en eigendom zijn gestart, bijvoorbeeld over openbare toegankelijkheid van mandelige gebieden. Afspraken hierover worden in de anterieure overeenkomst opgenomen. Het plan (in diverse fasen) voor de inrichting van de openbare ruimte dient te worden getoetst middels een gemeentelijke BING–procedure. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering dient de uiteindelijke planontwikkeling waarschijnlijk ook getoetst te worden op het aspect stikstofdepositie.
Ook zal er onderzocht moeten worden wat de mogelijkheden en belemmeringen zijn bij de realisatie en oplevering als gevolg van de netcongestie in het elektriciteitsnetwerk.
72 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Hoofdstuk 7 Proces en vervolgtraject 7.1 Planproces
Uit het UPP-schema vloeit voort dat in dit geval moet worden uitgegaan van UPP1, met dien verstande dat Partijen zich inspannen om waar mogelijk de doorlooptijden van processen te verkorten. Er zal een bestemmingsplanwijziging (nieuw omgevingsplan) voor het Matserterrein dienen te komen. Om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de Wet ruimtelijke ordening resp. Omgevingswet (per 1-1-2024) zullen de Gemeente en Rabobank tijdig een anterieure (exploitatie)overeenkomst sluiten, waarin nadere afspraken worden vastgelegd over de (her)ontwikkeling van het Matserterrein, alsmede financiële afspraken. Tenslotte zullen de Gemeente en Rabobank zich inspannen om gedurende de ontwikkelingsfase van deze (her)ontwikkeling te bezien of een procedurele versnelling mogelijk is. Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden door gebruik te maken van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 Wro of een equivalent in de nieuwe Omgevingswet. Voor het Matserterrein geldt dat na vaststelling van dit document de Rabobank de plannen verder uitwerkt. Voor het plandeel Ondaatje geldt dat de gemeente op zoek gaat naar een samenwerkingspartner die het gebouw gaat ontwikkelen.
7.2 Planologisch juridisch proces
Voor plandeel Matserterrein geldt dat er een nieuw bestemmingsplan moet worden opgesteld om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Aangezien de Omgevingswet in 2024 in werking treedt, zal dit in de vorm van een Omgevingsplan zijn.
Voor dit project kan wat MER-procedure betreft worden volstaan met een korte (vormvrije) MER-beoordeling. Voor Ondaatje geldt dat recent een bestemmingsplan is vastgesteld (Bestemmingsplan Beurskwartier, 25 november 2021). Dit plan is nog niet onherroepelijk (RvS beroepsprocedure loopt).
7.3 Participatieproces
Voor het vervolgproces van het Matserterrein zal een klankbordgroep worden samengesteld, met bewoners van het toekomstige Ondaatje, bewoners van Asselijnstraat en Croeselaan (overzijde plangebied). Met hen zal afstemming (raadplegen) plaatsvinden bij het Stedenbouwkundig Plan en Omgevingsplan. Voor het vervolgproces van het complex Ondaatje hebben gemeente en toekomstige bewoners een samenwerkingsovereenkomst afgesloten. Het ontwerp voor Ondaatje wordt uitgewerkt volgens de principes van co-creatie, zodat het ontwerp zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de wensen van de bewoners en gemeente; een ontwerp waarin gelijkwaardige woningen, zoals in het Sociaal Afsprakenkader staat, een plek krijgen. Met wijkberichten en via andere kanalen (zoals de wijksite) wordt ook de buurt geïnformeerd over het vervolgtraject. Het omgevingsplan voor het Matserterrein zal t.z.t. ter inzage worden gelegd, waarop bewoners een zienswijze kunnen indienen. Bij het ontwerp van de openbare ruimte rond en binnen het plangebied zal de eerdergenoemde klankbordgroep ook worden betrokken.
SPVE - Matserterrein & Ondaatje - 73
7.4 Streefplanning en mijlpalen
De belangrijkste mijlpalen voor het vervolgtraject zijn de volgende (jaartallen indicatief): Ondaatje (gemeente): • Bouwenvelop, 2024 • Omgevingsvergunning, 2025 • Start bouw, 2026 Matserterrein (Rabobank): • Stedenbouwkundig plan, 2024 • Omgevingsplan en Anterieure Overeenkomst Matserterrein, 2025 • Omgevingsvergunning, evt. gecoördineerd 2026 • Start bouw, 2026
74 - SPVE - Matserterrein & Ondaatje
Hoofdstuk 8 Bronnen •
Omgevingsvisie Utrecht, https://omgevingsvisie.utrecht.nl o Ruimtelijke strategie Utrecht 2040, 2021 inclusief aanvullingen 2023 o Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen, 2020 o Gezondheid voor iedereen, volksgezondheidsbeleid 2019-2023, 2019 • Visie Kruisvaartkwartier, 2003 • Masterplan Stationsgebied, 2004 • Structuurplan Stationsgebied, 2006 • Toekomstvisie Utrecht Centrum, 2015 • Omgevingsvisie Beurskwartier en Lombokplein, 2017 • Stedenbouwkundig Programma van Eisen Kruisvaartkade, 2017 • Mobiliteitsplan 2040, 2021 • Hoogbouwvisie, 2005 en concept 2022 • Parkeervisie 2021 • Groenstructuurplan Utrecht, Stad en land verbonden, 2007 • Actualisatie groenstructuurplan Utrecht (2017-2030), 2018 • Utrechtse soortenlijst, 2018 • Visie klimaatadaptie, 2022