Ruimte voor zaalsport in Utrecht (2022).pdf
Tekst van het document
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
23
De bezetting van de sporthallen in andere grootstedelijke gemeenten laten soortgelijke patronen zien als de bezetting van de Utrechtse sporthallen. Wat opvalt is dat de bezetting buiten de ‘piekuren’ (18:0022:00 uur) in Utrecht over het algemeen hoger is dan in andere gemeenten. Tabel 3.5 Gemiddelde doordeweekse bezetting gemeentelijke sporthallen gemeente Utrecht (m.u.v. Sporthal Lunetten), naar dag en uur, in 2019 (in procenten)
In tabel 3.6 wordt de gemiddelde weekendbezetting van de gemeentelijke sporthallen in Utrecht weergegeven, naar tijdsblok en periode. Gemiddeld genomen is er voldoende ruimte beschikbaar voor meer gebruik in de weekenden. Wel bestaan er grote verschillen tussen de sporthallen. Deze verschillen zijn groter dan bij de doordeweekse bezetting (niet in tabel). Tabel 3.6 Gemiddelde weekendbezetting gemeentelijke sporthallen gemeente Utrecht (m.u.v. Sporthal Lunetten), naar dag en tijdsblok, in 2019 (in procenten)
24
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Sportzalen De Utrechtse sportzalen die door de gemeente worden geëxploiteerd, werden in 2019 ruim 15.000 uur gebruikt. Ruim de helft van de tijd ging het om sportieve activiteiten (54%, tabel 3.7). Gemiddeld werd een sportzaal ruim 2.100 uur gebruikt, waarvan circa 1.100 uur voor sportbeoefening. In de Fletiozaal, de Broos Gerssenzaal en sportzaal Waterwin werd het meest gesport; in sportzaal De Speler beduidend minder (niet in tabel). Net als in de sporthallen wordt ook in de Utrechtse sportzalen relatief meer gesport dan in sportzalen in andere grootstedelijke gemeenten, hoewel het verschil niet groot is. Het onderwijsgebruik van de sportzalen in Utrecht is echter relatief laag, met als gevolg dat het gemiddelde jaargebruik van de Utrechtse sportzalen lager uitvalt dan het gemiddelde van sportzalen in andere grootstedelijke gemeenten. Tabel 3.7 Jaargebruik gemeentelijke sportzalen gemeente Utrecht in 2019 (in aantal uur en procenten) Sport
Onderwijs
Overig
Totaal
Totaal sportzalen Utrecht
7.674 uur
6.446 uur
179 uur
15.185 uur
Gemiddelde per sportzaal Utrecht
1.096 uur
921 uur
26 uur
2.169 uur
(54%)
(45%)
(1%)
(100%)
Gemiddelde per sportzaal
1.081 uur
1.082 uur
22 uur
2.186 uur
grootstedelijke gemeenten
(49%)
(50%)
(1%)
(100%)
Gymnastiek/turnen is de meest beoefende sport in de sportzalen. 20 procent van het sportgebruik betreft gymnastiek/turnen. Vlak daarna komen diverse verdedigings-/vechtsporten (in totaal 17% van het sportgebruik). Gemiddeld stond het sportgebruik van een sportzaal op naam van 31 verschillende gebruikers. Als de incidentele gebruikers eruit worden gefilterd, wordt een sportzaal gemiddeld door zeven verschillende sportverenigingen en -clubs gebruikt. Bijna twee derde van het sportgebruik stond op naam van een sportvereniging (64%). De overige uren stonden veelal op naam van een particulier (17%). Wanneer alleen gekeken wordt naar het doordeweekse gebruik in de avond en het gebruik in het weekend, buiten vakantieperiodes, staat 69 procent van het sportgebruik op naam van een vereniging. De bezetting van de sportzalen fluctueert, zeker vergeleken met de sporthallen, weinig door het jaar heen (tabel 3.8). Dit komt mede doordat sportzalen niet geschikt zijn voor het beoefenen van de sporten die een korter zaalseizoen kennen, zoals hockey en korfbal. Het gebruik van de meeste sportzalen kan geïntensiveerd worden. Als gevolg van het vele sportgebruik van de Utrechtse sportzalen zijn de bezettingscijfers in de namiddag/avond over het algemeen hoger dan van sportzalen in andere grootstedelijke gemeenten.
Met name het ontbreken van een ‘gat’ in de bezetting van de Utrechtse sportzalen is opvallend; in andere grootstedelijke gemeenten wordt in de namiddag beduidend minder gesport in de sportzalen. In Utrecht zijn in dit tijdvak diverse gymverenigingen en (commerciële) aanbieders van vechtsporten actief.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
25
Tabel 3.8 Gemiddelde doordeweekse bezetting gemeentelijke sportzalen gemeente Utrecht, naar dag en uur, in 2019 (in procenten)
Omdat sportzalen niet voor wedstrijdvormen van alle zaalsporten geschikt zijn, is de weekendbezetting van de sportzalen relatief laag (tabel 3.9). Wel bestaan grote verschillen tussen de sportzalen. Tabel 3.9 Gemiddelde weekendbezetting gemeentelijke sportzalen gemeente Utrecht, naar dag en tijdsblok, in 2019 (in procenten) Zat erdag Oktober-november;april-mei 09:00-12:00 23 12:00-15-00 20 15:00-18:00 14 18:00-21:00 8
Zo ndag 13 13 6 5
Februari-maart
09:00-12:00 30 12:00-15-00 21 15:00-18:00 13 18:00-21:00 7
21 18 10 6
December-januari
09:00-12:00 25 12:00-15-00 13 15:00-18:00 10 18:00-21:00 8
19 15 7 8
26
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
4.
Deelname georganiseerde zaalsport In dit hoofdstuk wordt de deelname aan de georganiseerde zaalsport uiteengezet. Eerst wordt gekeken naar de landelijke trend in lidmaatschappen bij diverse (zaalafdelingen van) sportbonden. Daarna wordt een overzicht gegeven van het aantal lidmaatschappen bij deze bonden onder de inwoners van Utrecht. Dit aantal wordt vergeleken met andere grote gemeenten en het landelijke cijfer. Tot slot kijken we specifiek naar de Utrechtse zaalsportverenigingen en hoe deze zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld.
4.1
Lidmaatschappen zaalsportverenigingen Utrecht, G32 en Nederland De deelname (op basis van het aantal lidmaatschappen bij de desbetreffende sportbond (of enkel de zaalafdeling van de sportbond)) aan acht zaalsporten in Utrecht is vergeleken met de deelname aan deze sporten in de G32 en Nederland. Leden van studentensportverenigingen die bij de betreffende sportbond zijn aangesloten, zijn in het totale aantal lidmaatschappen meegenomen. In Utrecht is de deelname aan basketbal, zaalhockey, zaalvoetbal en volleybal relatief hoog ten opzichte van de deelname in de G32 (excl. Utrecht) en Nederland. De deelname aan badminton is gelijk aan het landelijke gemiddelde en iets hoger dan het gemiddelde van de grotere gemeenten. De deelname aan gymnastiek is in Utrecht beduidend lager dan landelijk (tabel 4.1). Tabel 4.1 Aantal lidmaatschappen diverse sportbonden (zaalafdeling) in de gemeente Utrecht, de G32 en Nederland in 2020 (in aantallen en procenten van aantal inwoners) Totaal aantal lidmaatschappen Badminton (2021) (BN) Basketbal (NBB) Gymnastiek (KNGU) Handbal (NHV) Zaalhockey (KNHB)C, D Korfbal (KNKV)
Gemeente
Gemeente
Utrecht
Utrecht
G32A
Nederland
651
0,18%
0,15%
0,18%
954
0,27%
0,21%
0,22%
3.261
0,91%
0,88%B
1,44%
475
0,13%
0,17%
0,24%
3.294
0,92%
0,50%
0,54%
B
975
0,27%
0,25%
0,46%
Zaalvoetbal (KNVB)
1.243
0,35%
0,14%
0,23%
Volleybal (Nevobo)
2.426
0,68%
0,40%
0,61%
A
Exclusief gemeente Utrecht.
B
Voor de KNGU en KNKV zijn cijfers vergeleken met de G40 (inclusief Utrecht) in plaats van met de G32.
C
Dit zijn de lidmaatschappen bij de verenigingen in Utrecht en de G32. Die leden zijn niet per definitie
woonachtig in Utrecht of de G32. D
Het aantal leden is gebaseerd op het aantal teams, waarbij per team negen leden worden verondersteld.
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Hockey Bond, 2021; Koninklijk Nederlands Korfbal Verbond, 2021 via NOC*NSF; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021; Koninklijke Nederlandse Gymnastiekunie, 2021, via NOC*NSF.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
27
4.2
Ledenontwikkeling zaalsportverenigingen Utrecht Het merendeel van (de zaalafdelingen) van de Utrechtse (zaalsport)verenigingen heeft in de afgelopen jaren een groei meegemaakt (tabel 4.3 (volgende pagina)). In totaal is de Utrechtse zaalsport binnen zeven13 grote sporttakken tussen seizoen 2017/’18 en 2019/’20 met 4,5 procent gegroeid. Deze groei is sterker dan de groei van het aantal inwoners in deze periode (2,9%). Alleen bij badminton is een daling te zien in het seizoen 2019/’20 ten opzichte van 2017/’18 (-7%). De Utrechtse zaalafdeling van de hockeyverenigingen is tussen seizoen 2015/’16 en seizoen 2019/’20 met 33 procent gegroeid. Vooral de groep pupillen is bij zaalhockey enorm toegenomen (+129%). Ook de basketbal-, handbal-, en volleybalverenigingen hebben in deze periode veel extra leden gekregen (respectievelijk +25%, +17% en +11%). Bij basketbal is deze groei in alle leeftijdscategorieën terug te zien, terwijl bij handbal voornamelijk het aantal junioren is toegenomen en bij volleybal het aantal senioren. De ledenaantallen van de korfbal- en voetbalverenigingen zijn redelijk stabiel gebleven over de afgelopen jaren. De beschreven groei, stabiliteit en krimp binnen de leeftijdscategorieën van de zeven sporten is niet bij alle verenigingen binnen die sport hetzelfde. Bij de badmintonverenigingen zien we een wisselend beeld per Utrechtse vereniging.
Drie verenigingen zijn nagenoeg stabiel gebleven, één vereniging heeft te maken gehad met een ledentoename en één vereniging met ledenafname. Ditzelfde wisselende beeld is terug te zien bij de korfbalverenigingen. Het merendeel van de basketbalverenigingen is (licht tot fors) gegroeid in ledenaantal, één vereniging is redelijk stabiel gebleven en bij één vereniging is het ledenaantal licht afgenomen. Op één hockeyvereniging na zijn alle handbal- en hockeyverenigingen (flink) gegroeid in de afgelopen jaren. Alle voetbal- en volleybalverenigingen hebben de laatste jaren het ledenaantal zien toenemen of nagenoeg stabiel zien blijven. De (ontwikkeling van de) ledenaantallen van de Utrechtse gymnastiek- en turnverenigingen zijn niet beschikbaar. Via NOC*NSF is wel zicht verkregen op de ontwikkeling van het aantal inwoners in Utrecht dat lid is van de KNGU. In tabel 4.2 is te zien dat het aantal inwoners van Utrecht dat lid is van een gymnastiek- of turnvereniging aangesloten bij de KNGU de afgelopen jaren is toegenomen. Deze toename is hoger dan de bevolkingstoename in dezelfde periode. Dit gaat om leden die in Utrecht wonen; zij hoeven niet per definitie lid te zijn van een Utrechtse vereniging. Andersom kunnen ook inwoners van buiten de gemeente Utrecht lid zijn van een vereniging in de gemeente Utrecht. Dit onderscheid is niet te maken met de beschikbare cijfers.
Tabel 4.2 Totaal aantal leden KNGU onder inwoners gemeente Utrecht in 2015-2019 Leeftijdscategorie
2015
2016
2017
2018
2019
≤ 19 jaar
2.683
2.942
3.068
3.040
3.020
449
464
451
507
496
3.132
3.406
3.519
3.547
3.516
20 jaar en ouder Totaal
Bron: Koninklijke Nederlandse Gymnastiekunie, 2021, via NOC*NSF.
13
28
De KNGU heeft geen gegevens over ledenontwikkeling kunnen aanleveren.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Tabel 4.3 Totaal aantal actieve leden (zaalafdeling) diverse sportverenigingen in de gemeente Utrecht in seizoen 2015/’16-2019/’2014 Binnensport
Leeftijdscategorie
2015/'16
2016/'17
2017/'18
2018/'19
2019/'20
Badminton
Junioren
n.b.
n.b.
177
143
155
Senioren
n.b.
n.b.
616
533
581
Totaal
n.b.
n.b.
793
676
736
Pupillen
n.b.
191
192
197
250
Junioren
n.b.
258
268
320
315
Senioren
n.b.
578
653
694
720
Totaal
n.b.
1.027
1.113
1.211
1.285
Pupillen
103
115
122
117
96
Junioren
45
59
79
89
104
Basketbal
Handbal
Senioren
195
198
207
216
200
Totaal
343
372
408
422
400
Pupillen
45
48
77
84
103
Junioren
170
198
195
198
207
Senioren
61
62
64
56
56
Totaal
276
308
336
338
366
Korfbal
Totaal
1.130
1.203
1.197
1.140
1.161
Zaalvoetbal
Pupillen
2
9
18
94
4
ZaalhockeyA
Volleybal
Junioren
13
35
27
26
12
Senioren
784
1.602
1.619
1.615
1.666
Totaal
799B
1.646
1.664
1.735
1.682
Pupillen
159
140
122
124
142
Junioren
317
320
329
363
368
Senioren
1.744
1.751
1.809
1.899
1.954
Totaal
2.220
2.211
2.260
2.386
2.464
A
De aantallen van de hockeyverenigingen betreffen teamaantallen.
B
De KNVB heeft tijdens de netwerkbijeenkomst met de voetbalverenigingen aangegeven dat de groei tussen
seizoen 2015/’16 en seizoen 2016/’17 waarschijnlijk komt door een verandering in registratie. Het aantal zaalleden is in deze periode niet daadwerkelijk verdubbeld. Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Hockey Bond, 2021; Koninklijk Nederlands Korfbalverbond, 2020; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021.
14
De totalen in deze tabel wijken af van de gegevens in tabel 4.1, omdat het in tabel 4.2 om leden van Utrechtse verenigingen gaat (die ook van buiten Utrecht komen), en in tabel 4.1 om Utrechters die een bepaalde sport beoefenen (ook bij een vereniging buiten Utrecht).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
29
Landelijk Het wekelijkse sportdeelnamecijfer in Nederland is redelijk stabiel over de tijd. Waar het aantal ongeorganiseerde sporters (oftewel sporters buiten verenigingsverband om) de afgelopen jaren is toegenomen en blijft toenemen, is het aantal leden en lidmaatschappen bij sportbonden juist licht afgenomen. In 2019 was een kwart van de inwoners van Nederland lid van een sportvereniging die is aangesloten bij een sportbond gelieerd aan NOC*NSF (25%) (NOC*NSF, 2019). Landelijk gezien hebben de bonden van de traditionele zaalsporten het moeilijk: al jarenlang dalen hun ledencijfers. Een aantal zaalsportbonden is na een periode van ledendaling weer gestabiliseerd (basketbal en korfbal) of gegroeid (handbal) (figuur 4.1). Ondanks dit gegeven blijft het aantal Nederlanders (volwassenen en kinderen) dat gebruikmaakt van sporthallen voor hun sportbeoefening constant.(Mulier Instituut, n.d.). Traditionele veldsporten, zoals hockey en voetbal, zijn steeds vaker een deel van het seizoen actief in de hal. Buitensportverenigingen willen hun (jonge) leden gedurende het hele seizoen trainingen kunnen aanbieden en bovendien winnen de zaalcompetities van de veldsporten veel aan populariteit. Dit leidt in de winterperiode, als ook sporten met een zaalseizoen (zoals korfbal en handbal) van de sporthallen gebruikmaken, vaak tot topdrukte in de sporthallen.
Figuur 4.1 Landelijke ontwikkeling lidmaatschappen bij diverse binnensportbonden t.o.v. Nederlandse bevolking in de periode 2013-2019 (met 2010 als uitgangsjaar; in procenten) 30 15 0
-15 -30 -45 Badminton (BN) Basketbal (NBB)
Gymnastiek (KNGU)
Handbal (NHV)
2013
2019
2016
Korfbal (KNKV)
Volleybal (Nevobo)
Bron: Ledentalrapportages NOC*NSF, 2010-2019. Bewerking: Mulier Instituut.
4.3
Herkomst leden Utrechtse binnensportverenigingen In paragraaf 4.1 is het aantal lidmaatschappen (in percentage van de bevolking) weergegeven voor de inwoners van de gemeente Utrecht. Deze inwoners hoeven niet lid te zijn van een Utrechtse vereniging. Hetzelfde geldt voor het de leden- en teamaantallen van de Utrechtse verenigingen zoals gepresenteerd in tabel 4.2. Niet alle leden van de verenigingen in Utrecht wonen ook in de gemeente Utrecht. Dit betekent dat een deel van de leden van de Utrechtse verenigingen buiten de gemeente Utrecht woont en tegelijkertijd dat een deel van de inwoners van Utrecht lid is van een vereniging buiten Utrecht. Om inzicht te krijgen in deze uitwisseling tussen gemeenten hebben vijf sportbonden postcodegegevens van de leden van de Utrechtse verenigingen aangeleverd. In totaal woont van de Utrechtse verenigingen in de vijf sporten (badminton, basketbal, handbal, zaalvoetbal en volleybal) 22 procent van de leden buiten de gemeente Utrecht. Dit betekent dat ruim drie kwart van de leden van Utrechtse verenigingen uit de gemeente Utrecht komt. Vooral jeugdleden (onder de 18 jaar) wonen in Utrecht zelf (90%). Bij volwassenen ligt dit percentage lager (74%). Ten opzichte van de andere sporten zijn relatief veel handballers en volleyballers actief in de eigen gemeente. Daarentegen
30
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
kennen de Utrechtse zaalvoetbalverenigingen een grote instroom van seniorleden van buiten de gemeente: ongeveer één derde van de leden van 18 jaar en ouder woont niet in de gemeente Utrecht (tabel 4.4). De leden die buiten de gemeente Utrecht wonen, komen niet alleen vanuit aangrenzende gemeenten naar de gemeente Utrecht. Een deel van de leden komt uit een gemeente verder weg dan de randgemeenten, met name bij badminton en zaalvoetbal (tabel 4.5). (Thuiswonende) studentleden bij (studenten)sportverenigingen zijn een reden voor de relatief hoge percentages leden van buiten de gemeente. Tabel 4.4 Leden Utrechtse zaalsportverenigingen die in de gemeente Utrecht wonen, per sporttak (in aantallen en procenten van aantal leden in leeftijdscategorie) Leden die in gemeente Utrecht wonen Utrechtse verenigingen
Senioren
Junioren/Pupillen
Totaal
Badminton
420
(73%)
132
(91%)
552
(77%)
Basketbal
547
(77%)
464
(82%)
1.011
(79%)
Handbal
84
(75%)
170
(94%)
254
(87%)
Voetbal
1.057
(66%)
13
(81%)
1.070
(66%)
Volleybal
1.590
(82%)
480
(94%)
2.070
(84%)
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021. Bewerking: Mulier Instituut. Noot: Het aantal leden wijkt af van de cijfers in tabel 4.2, omdat niet van alle leden postcodes bekend zijn.
Tabel 4.5 Leden Utrechtse zaalsportverenigingen per sporttak woonachtig buiten de gemeente Utrecht (in aantallen en procenten van aantal leden in leeftijdscategorie) % leden woonachtig buiten de gemeente Utrecht Aangrenzende gemeente Utrechtse verenigingen
Senioren
Junioren/pupillen
Badminton
69
(12%)
4
Basketbal
65
(9%)
51
Handbal
19
(16%)
8
Voetbal
310
(19%)
3
Volleybal
205 (10%)
22
(4%)
Andere gemeente Totaal
Senioren
(3%)
73 (10%)
84
(15%)
9
(6%)
93 (13%)
(11%)
116
(9%)
101
(14%)
50
(9%)
151 (12%)
(4%)
27
(9%)
10
(9%)
3
(2%)
13
(19%)
313 (19%)
256 (15%)
0
(0%)
256 (16%)
227
164
9
(2%)
173
(9%)
(8%)
Junioren/pupillen
Totaal
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021. Bewerking: Mulier Instituut.
In tabel 4.6 wordt de herkomst van de leden van de diverse zaalsportverenigingen in Utrecht uitgesplitst naar wijk. Per sporttak verschilt het in welke wijk de deelname het hoogst is. De leden van de badminton-, handbal- en volleybalverenigingen komen relatief veel uit Vleuten-De Meern, terwijl het bij basketbal en voetbal iets meer gelijk verdeeld is over de verschillende wijken.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
31
(4%) (7%)
Tabel 4.6 Herkomst leden Utrechtse badminton-, basketbal-, handbal-, voetbal- en volleybalverenigingen naar wijk (in aantallen en procenten van het aantal leden)
Binnenstad (19.412)
Zuid (27.911)
Zuidwest (38.628)
Leidsche Rijn (41.309)
Vleuten-De Meern (49.795)
Utrecht
Overig
Volleybal
Oost (32.128)
Voetbal
Noordoost (39.693)
Handbal
Overvecht (34.299)
Basketbal
Noordwest (45.270)
Sporttak Badminton
Gemeente
West (29.274)
Wijk
32 (4%) 118 (9%) 15 (5%) 120 (7%) 223 (9%)
40 (6%) 98 (8%) 14 (5%) 168 (10%) 264 (11%)
26 (4%) 33 (3%) 9 (3%) 66 (4%) 77 (3%)
62 (9%) 67 (5%) 3 (1%) 77 (5%) 169 (7%)
83 (12%) 140 (11%) 6 (2%) 123 (7%) 258 (10%)
33 (5%) 54 (4%) 5 (2%) 95 (6%) 128 (5%)
69 (10%) 93 (7%) 9 (3%) 81 (5%) 193 (8%)
40 55 (6%) (8%) 59 170 (5%) (12%) 3 55 (1%) (18%) 107 113 (6%) (7%) 178 238 (7%) (10%)
112 (16%) 173 (14%) 135 (45%) 120 (7%) 341 (14%)
552 (77%) 1.011 (79%) 254 (87%) 1.070 (66%) 2.070 (84%)
166 (23%) 267 (21%) 40 (13%) 566 (34%) 400 (16%)
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021. Bewerking: Mulier Instituut. Noot: Het totale aantal leden wijkt licht af van de cijfers in tabel 4.2, omdat niet van alle leden postcodes bekend zijn.
Zetten we het totale aantal leden van deze vijf sporttakken per wijk af tegen het aantal inwoners van deze wijk, dan ontstaat inzicht in de deelname aan deze sporttakken vanuit verschillende wijken (figuur 4.2). De procentuele deelname is het laagst in Overvecht, gevolgd door Noordoost en Zuidwest. In de wijken West, Vleuten-De Meern en Oost is de deelname het hoogst. Figuur 4.2 Totaal aantal leden van Utrechtse badminton-, basketbal-, handbal-, voetbal- en volleybalverenigingen naar wijk (in percentage van aantal inwoners per wijk) Overvecht
0,6%
Noordoost
1,0%
Zuidwest
1,0%
Noordwest
1,3%
Leidsche Rijn
1,5%
Zuid
1,6%
Binnenstad
1,6%
West
1,7%
Vleuten-De Meern
1,8%
Oost
1,9%
Gemeente Utrecht 0,0%
1,4% 0,5%
1,0%
1,5%
2,0%
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021. Bewerking: Mulier Instituut.
32
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Zoals eerder aangeven zijn niet alle inwoners van de gemeente actief bij een sportvereniging in dezelfde gemeente. Dit geldt ook voor de inwoners van de gemeente Utrecht. In tabel 4.7 wordt het aantal inwoners van de gemeente Utrecht weergegeven dat sport bij een zaalsportvereniging (voor de vijf sporttakken) uitgesplitst naar binnen en buiten de gemeente Utrecht. Voornamelijk het aantal voetballers en volleyballers dat lid is van een vereniging buiten de gemeente is groot. Een van de redenen hiervoor is dat soms hele teams naar een vereniging buiten Utrecht overstappen, omdat daar bijvoorbeeld vaker getraind kan worden. Ten opzichte van het totale aantal Utrechters dat lid is van een vereniging is het percentage dat buiten de gemeente lid is het hoogst bij de seniorenhandballers en -basketballers. Tabel 4.7 Aantal inwoners van de gemeente Utrecht dat lid is van een zaalsportvereniging binnen en buiten de gemeente Utrecht, per sporttak (in aantallen) Totaal
Binnen de gemeente
Junioren/
Buiten de gemeente
Junioren/ Totaal
Senioren
Junioren/
Sporttak
Senioren
Pupillen
Pupillen
Totaal
Senioren
Pupillen
Totaal
Badminton
499
142
641
420
(84%)
132
(93%)
552
(86%)
79
(16%)
10
(7%)
89
(14%)
Basketbal
637
491
1.128
547
(86%)
464
(95%)
1.011
(90%)
90
(14%)
27
(5%)
117
(10%)
Handbal
156
199
355
84
(54%)
170
(85%)
254
(72%)
72
(46%)
29
(15%)
101
(28%)
Voetbal
1.349
16
1.365
1.057
(78%)
13
(81%)
1.070
(78%)
292
(22%)
3
(19%)
295
(22%)
Volleybal
1.955
501
2.456
1.590
(81%)
480
(96%)
2.070
(84%)
365
(19%)
21
(4%)
386
(16%)
Bron: Badminton Nederland, 2021; Nederlandse Basketball Bond, 2021; Nederlands Handbal Verbond, 2021; Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, 2021; Nederlandse Volleybal Bond, 2021. Bewerking: Mulier Instituut.
4.4
Trends en ontwikkelingen Utrecht Trends en ontwikkelingen in de afgelopen jaren binnen de verschillende sporttakken en verenigingen kunnen van invloed zijn op de (veranderende) behoefte aan binnensportaccommodaties van de verenigingen. Aan verenigingen is (in de vragenlijst en tijdens de verenigingsavonden) gevraagd welke recente trends en ontwikkelingen binnen de sport of de verenigingen zijn opgetreden die invloed kunnen hebben op de behoefte aan binnensportruimte. Dit zijn de belangrijkste trends en ontwikkelingen binnen de acht sporttakken die genoemd zijn: • opkomst van nieuwe/flexibele vormen binnen de sporten (o.a. 3x3-basketbal); • meer jeugd die gaat zaalvoetballen; • opkomst beachvolleybal en andere beachvarianten; • concurrentie van andere varianten (ook buitenvarianten, zoals 7x7-voetbal); • minder bereidheid om het laatste uur te trainen (vanaf 22:00 uur); • ten behoeve van talentonwikkeling wordt gestreefd naar zoveel mogelijk uitwisseling tussen trainers/coaches op dezelfde locatie, en wordt geprobeerd alles binnen dezelfde accommodatie te trainen/ontwikkelen; • opzetten van eredivisieteams/topsport vereist meer capaciteit; • groei en verjonging van het aantal zaalsporters, waardoor ook meer vrijwilligers en ruimte in de middag en vroege avond nodig zijn;
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
33
Landelijk De diverse sportbonden is gevraagd naar de trends en ontwikkelingen binnen (de zaalafdeling van) de sport die invloed hebben op de toekomstige ruimtebehoefte van de verenigingen binnen de tak van sport: • Badminton: indoor geen ontwikkelingen. • Basketbal: meer behoefte aan variabel en flexibel aanbod. Bijvoorbeeld 3x3-basketbal, dat ook steeds meer in de wintermaanden plaatsvindt. En behoefte aan goede outdoorvelden, die in de zomer eventueel de behoefte aan zaalruimte kunnen verminderen. • Handbal: geen specifieke trends. Gebrek aan zaalruimte neemt steeds verder toe, vooral in de stedelijke gebieden, net als de interesse om te gaan handballen. • Hockey: landelijk een groot tekort aan zaalruimtes in de periode dat de hockeyverenigingen die nodig hebben. Er wordt veel naar blaashallen gegrepen als oplossing; op dat terrein gelden dezelfde eisen. Bezig met NOC*NSF en een aantal andere bonden (o.a. korfbal en tennis) met het ontwikkelen van normen voor deze tijdelijke voorzieningen. • Korfbal: in de zaalcompetitie komt de sport als wedstrijd- en topsport het best tot z’n recht. Er zijn de afgelopen tien jaar diverse ontwikkelingen (schotklok, spelregelaanpassingen) geweest die de korfbalsport naar een hoger niveau hebben getild. Dit heeft gevolgen voor hoe verenigingen zich nu voorbereiden op de zaalcompetitie.
Bij vrijwel alle verenigingen is de trainingsintensiteit toegenomen. Zowel in kwaliteit, maar zeker ook in kwantiteit (meer uren trainen). De seniorenen jeugdselecties trainen niet meer standaard twee à drie uur per week, maar vier tot acht uur. Dat betekent dat verenigingen meer uren aanvragen om alle teams van goede trainingen te voorzien. Daarnaast hebben veel verenigingen hun breedtesportaanbod uitgebreid met recreantenkorfbal, KorfbalFit, Walking Korfbal en andere niet-korfbalspecifieke activiteiten die ook in de winterperiode gebruik van de zaal willen maken. Deze ontwikkelingen zorgen er wel voor dat korfbalverenigingen meer behoefte hebben aan zaaluren en dan ook graag op de primetime-tijdstippen. • Volleybal: Nevobo en de verenigingen zijn een proces gestart om te komen tot meer professionals binnen de verenigingen. Dit proces van ‘Superclubs’ leidt tot een verhoogde organisatiekracht van de clubs. Dus meer mogelijkheden voor stimuleringsactiviteiten, verhoging van kwaliteit van kader (en daarmee tevredenheid van deelnemers) en realisatie van nieuw aanbod. In Utrecht is daarmee bij VVU gestart. Deze structurele investering gaat zeer zeker invloed hebben op een extra instroom van nieuwe deelnemers en verlaging van de uitstroom van bestaande deelnemers. Denk bij nieuw aanbod bijvoorbeeld aan de doelgroepen 4-6 jaar en 55-plus (i.s.m. Ouderenfonds).
In de toekomst zal geprobeerd worden om met gedifferentieerd aanbod de doelgroep met een migratieachtergrond beter te bereiken en te bedienen. Nevobo is samen met de andere zaalsporten een proces gestart om de eisen die aan accommodaties worden gesteld te herzien. Hierbij haken ze aan op de ontwikkeling van het Digitaal Handboek Sportaccommodaties van NOC*NSF (Sportinfrastructuur.nl). De lijn die wordt gehanteerd is dat bij nieuw-/verbouw strenger wordt gekeken naar de eisen die worden gesteld aan de accommodaties. Doel is om te komen tot minder dispensaties, meer veiligheid en een bredere inzet van accommodaties voor de sociaalmaatschappelijke rol die verenigingen steeds meer krijgen. Nevobo adviseert, net als de andere zaalsportbonden, haar verenigingen om meer zeggenschap te bewerkstelligen als het gaat over accommodaties. Dit is volgens Nevobo voorwaardelijk om te komen tot toekomstbestendiger businessmodellen, flexibeler aanbod en hogere kwaliteit. Corona • Aangezien het niet duidelijk is wat de gevolgen van de coronacrisis voor de sport en de verenigingen op zowel korte als lange termijn zijn, is in dit onderzoek gebruik gemaakt van gegevens van voordat het coronavirus uitbrak.
Wel is tijdens de netwerkbijeenkomsten met de verenigingen stilgestaan bij resultaten uit landelijk onderzoek naar de invloed hiervan op de sport en besproken hoe de verenigingen de afgelopen periode ervaren hebben. De verenigingen geven aan dat het lastig in te schatten is hoe dit zich uiteindelijk ontwikkelt. Wel zijn er zorgen 34
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
•
4.5
uitgesproken over de sociale binding tussen de leden en de club en aansluitend daarbij het vinden en behouden van trainers en vrijwilligers. Doordat de leden en het kader elkaar langere tijd niet zien, valt de sociale binding sneller uit elkaar, waardoor bijvoorbeeld ook teams uit elkaar vallen of de bereidheid om zich in te zetten voor de verenging wegvalt. Een aantal verenigingen geeft aan dat er meer leden zijn gestopt dan in een ‘normaal’ jaar en dat de ledenaantallen gedaald zijn doordat er geen nieuwe aanwas van leden is. Doordat er geen tot weinig activiteiten georganiseerd konden worden, zoals proeftrainingen, was het lastig om potentiële nieuwe leden te bereiken en enthousiast te krijgen voor de sport. Een groot deel van de verenigingen geeft overigens aan dat het verlies van leden zeer beperkt is gebleven. Financieel heeft de coronacrisis weinig problemen opgeleverd voor de verenigingen, doordat de zaalhuur gecompenseerd is en de verenigingen weinig vaste lasten hebben, doordat ze niet zelf een accommodatie beheren. Over het algemeen geven de verenigingen aan vertrouwen te hebben in de aankomende jaren.
Conclusie De deelname aan zaalsporten is in Utrecht hoger dan landelijk en voor de meeste sporten ook hoger dan de deelname in de G32. Bovendien is het aantal zaalsporters, in tegenstelling tot de landelijke trend, de afgelopen jaren toegenomen. De toename is sterker dan de bevolkingsgroei in dezelfde periode. In de deelname per wijk valt op dat de wijken Overvecht, Noordoost en Zuidwest achterblijven. De reden hiervoor is binnen dit onderzoek niet onderzocht. Trends en ontwikkelingen die bij verenigingen en sportbonden zijn opgehaald, wijzen op toenemende behoefte aan zaalsportruimte. Dit geldt voor het winterseizoen waarin ontwikkelingen bij zaalhockey, korfbal en handbal tot extra ruimtebehoefte kunnen gaan leiden, maar ook voor het gehele seizoen (zaalvoetbalcompetities voor de jeugd; professionalisering verenigingen; nieuwe doelgroepen/spelvormen) en specifieke tijdvakken (eind van de middag en begin van de avond). De toename van het aantal sporters en de toenemende behoefte aan zaalruimte kan worden tegengewerkt door de gevolgen van corona. Uit de vierde Monitor Sport en Corona (Pulles et al., 2021) blijkt dat vooral binnensportverenigingen met een daling van het ledenaantal te maken hebben.
Ook richting de toekomst beschrijven de onderzoekers dat binnensportverenigingen, voor verschillende scenario’s waarin corona de komende jaren onder ons blijft, voor de grootste uitdagingen komen te staan.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
35
5.
Ervaringen In dit hoofdstuk staan de ervaringen van de gebruikers van binnensportaccommodaties en andere relevante partijen centraal. Eerst wordt verder ingegaan op de ervaringen van de gebruikers van de accommodaties die via een vragenlijst zijn opgehaald en specifiek op de ervaringen van de (studenten)sportverenigingen. Daarna worden de ervaringen van verschillende partijen (beheerders van de binnensportaccommodaties, de zaalverdelingscommissie en topsportverenigingen) besproken die via interviews zijn opgehaald.
5.1
Gebruikers De sportverenigingen en commerciële en particuliere huurders van de binnensportaccommodaties in Utrecht zijn benaderd om een online vragenlijst in te vullen. In deze vragenlijst zijn vragen gesteld over de sporttak, de gebruikte accommodaties, het gewenste en daadwerkelijke gebruik (zowel binnen als buiten de gemeente Utrecht) en de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik. De voorlopige resultaten van het onderzoek zijn tijdens vijf online bijeenkomsten gepresenteerd aan de Utrechtse sportverenigingen die voornamelijk gebruikmaken van sporthallen in de gemeente Utrecht.15 Het doel van deze bijeenkomsten was om het onderzoek toe te lichten en de eerste uitkomsten te presenteren aan de verenigingen, en om aanvullend op de vragenlijst ervaringen op te halen, zodat de resultaten beter in context geplaatst kunnen worden. De sportverenigingen hebben op deze manier de mogelijkheid gekregen om te vertellen of ze zich herkennen in het geschetste beeld en om trends en ontwikkelingen binnen de tak van sport toe te lichten. Ze hebben verder aandachtspunten voor het onderzoek kunnen noemen en ideeën kunnen aandragen voor hoe de (toekomstige) vraag naar binnensportruimte opgevangen kan worden.
De bijeenkomsten werden bijgewoond door twee badmintonverenigingen, vier basketbalverenigingen, drie handbalverenigingen, vier hockeyverenigingen, twee korfbalverenigingen, drie voetbalverenigingen en vier volleybalverenigingen. Bij twee verenigingsavonden waren vertegenwoordigers van de sportbonden aanwezig. Alle gebruikers In totaal hebben 59 sportverenigingen, tien studentensportverenigingen 16, vijf commerciële partijen, 22 particulieren en 23 anders georganiseerden de vragenlijst ingevuld. De vragenlijst is uitgezet onder 306 gebruikers. Het responspercentage is daarmee 39 procent. De particuliere en anders georganiseerde huurders zijn een diverse groep, met onder andere familie-/vrienden-/gelegenheidssportgroepen, buurtverenigingen, personeelsverenigingen, zorginstellingen, fysiotherapeuten en maatschappelijke organisaties. Bij de resultaten in het vervolg van deze paragraaf moet rekening gehouden worden met het lage aantal commerciële huurders dat de vragenlijst heeft ingevuld. In tabel 5.1 wordt weergegeven welke sporten de verschillende gebruikers aanbieden.
36
15
Hockey en korfbal, basketbal, badminton en handbal, voetbal, volleybal.
16
De tien studentensportverenigingen die de vragenlijst hebben ingevuld, zijn alle studentensportverenigingen die gebruikmaken van sporthallen.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Tabel 5.1 Typen sport die organisaties die actief zijn in de binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht aanbieden (in aantallen; meerdere antwoorden mogelijk) Studentensport-
Anders
Sportvereniging
vereniging
Commercieel
Particulier
georganiseerd
Sporttak
(n=59)
(n=10)
(n=5)
(n=22)
(n=23)
Atletiek
0
0
0
0
1
Badminton
5
1
0
8
3
Basketbal
5
2
0
2
3
Floorball
0
1
0
0
0
Gymnastiek
5
0
1
3
3
Handbal
2
1
0
0
0
Hockey
4
0
0
0
1
Korfbal
4
0
0
0
1
Tafeltennis
4
0
0
0
0
Turnen
3
2
0
0
1
/vechtsport
10
0
1
1
7
Voetbal
3
0
0
2
6
Volleybal
7
2
0
6
1
Anders
15
1
4
2
10
Verdedigings-
Vijf van de 119 respondenten maken (naast een binnensportaccommodatie in Utrecht) ook gebruik van een binnensportaccommodatie buiten de gemeente Utrecht (twee sportverenigingen, één commerciële aanbieder, twee anders georganiseerden). Deze partijen geven allen aan bewust op meerdere locaties (in meerdere gemeenten) aanbod te verzorgen. Als de uren die ze momenteel buiten Utrecht huren in Utrecht afgenomen konden worden, zouden ze dit dus niet liever willen. Gemiddeld jaargebruik Gemiddeld maken de sportverenigingen 355 uur per jaar gebruik van (een) binnensportaccommodatie(s) in de gemeente Utrecht (min. 5, max. 4.500), studentensportverenigingen eveneens 355 uur per jaar (min. 150, max. 900), commerciële gebruikers gemiddeld zo’n 1.140 uur per jaar (min. 20, max. 4.200), particulieren 60 uur per jaar (min. 1, max. 135) en anders georganiseerden 135 uur per jaar (min. 10, max. 440). Het grootste deel van de particuliere huurders (86%) en de anders georganiseerden (55%) huurt minder dan 100 uur per jaar (een) binnensportaccommodatie(s) (tabel 5.2). Tabel 5.2 Aantal uur dat organisaties per jaar gebruikmaken van binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht, naar type organisatie (n=117; in procenten) Type organisatie
< 100 uur
100-500 uur
500-1.000 uur
> 1.000 uur
36
38
21
5
Studentensportvereniging (n=10)
0
80
20
0
Commercieel (n=5)
40
20
20
20
Particulier (n=22)
86
14
0
0
Anders georganiseerd (n=22)
55
45
0
0
Sportvereniging (n=58)
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
37
Gewenst extra gebruik Bijna de helft van de respondenten (47 procent) geeft aan meer gebruik te willen maken van de binnensportaccommodatie(s) dan momenteel mogelijk is. Voor zowel de (studenten)sportverenigingen als de commerciële huurders en de anders georganiseerden ligt dit percentage boven de 50 procent. Alleen van de particuliere huurders willen relatief weinig respondenten (9%) extra gebruik maken van binnensportaccommodatie(s) in de gemeente Utrecht (tabel 5.3). Tabel 5.3 Aandeel organisaties dat meer gebruik zou willen maken van de binnensportaccommodatie(s) in de gemeente Utrecht dan momenteel mogelijk is (n=119) Type organisatie
Percentage
Sportvereniging (n=59)
60
Studentensportvereniging (n=10)
53
Commercieel (n=5)
60
Particulier (n=22)
9
Anders georganiseerd (n=23)
61
Het grootste deel van de verenigingen die hebben aangegeven meer gebruik te willen maken van (een) binnensportaccommodatie(s) in de gemeente Utrecht, wil meer gebruikmaken van een sporthal (47%), gymzaal (43%) of sportzaal (42%). Bijna een vierde (23%) wil meer gebruikmaken van een sportspecifieke accommodatie (zoals een dojo of turnhal) en een klein deel (4%) van een andersoortige accommodatie (zoals een danszaal). Sporthallen zijn voornamelijk in trek bij de (studenten)sportverenigingen, terwijl een groot deel van de commerciële, particuliere en anders georganiseerde huurders meer gebruik van een gymzaal wil maken (figuur 5.1). Figuur 5.1 Typen sportaccommodaties waar organisaties meer gebruik van willen maken dan momenteel mogelijk is in de gemeente Utrecht, naar type organisatie (n=56; in procenten; meerdere antwoorden mogelijk) 100
90 80 70
100
60 50
64
67
33 6
14
0 Sporthal
Sportzaal
Gymzaal
Sportspecifieke accommodatie
Sportvereniging (n=31)
Studentensportvereniging (n=6)
Commercieel (n=3)
Particulier (n=2)
Anders georganiseerd (n=14)
38
17
33
26 17
29
10
35
50
52 36
20
52
30
67
40
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Anders
In tabel 5.4 wordt weergegeven waarom organisaties extra uren willen afnemen. Het merendeel van de respondenten geeft aan meer gebruik te willen maken van de binnensportaccommodaties in de gemeente, zodat ze meer trainingen en/of wedstrijden kunnen aanbieden voor het huidige aantal leden of teams (70%). Meer dan de helft van de respondenten geeft aan nieuwe leden en/of teams te willen kunnen accommoderen (59%). Een kleiner deel, 27 procent van de organisaties, zou sportaanbod voor nieuwe doelgroepen (bijvoorbeeld senioren of mensen met een beperking) willen aanbieden en 30 procent wil meer aan talentontwikkeling en topsport kunnen doen. De (studenten)sportverenigingen zouden de extra uren voornamelijk gebruiken om de huidige leden meer trainingen of wedstrijden te kunnen aanbieden. Ook het accommoderen van nieuwe leden is voor een groot deel van de (studenten)sportverenigingen een reden om extra uren te willen afnemen. Tabel 5.4 Redenen waarom organisaties meer gebruik willen maken van binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht, naar type organisatie (n=56; meerdere antwoorden mogelijk)
Type organisatie Sportvereniging (n=31)
Meer trainingen/wedstrijden Sportaanbod Nieuwe Talentontwikkeling, aanbieden voor voor nieuwe leden/teams sporten op hoger huidige leden/teams doelgroepen accommoderen niveau Anders 84
26
71
39
16
(n=6)
100
0
50
0
0
Commercieel (n=3)
33
0
100
33
33
Particulier (n=2)
50
0
50
0
50
36
50
29
29
29
Studentensportvereniging
Anders georganiseerd (n=14)
Twee derde (66%) van de organisaties die hebben aangegeven meer gebruik te willen maken van (een) binnensportaccommodatie(s) in de gemeente Utrecht geeft aan dat ze dit wekelijks gedurende het hele seizoen (september tot en met juli) willen doen en niet alleen tijdens de winterperiode. Eén op de tien (11%) geeft aan wekelijks gedurende het winterseizoen een extra behoefte te hebben. Van de (studenten)sportverenigingen geeft bijna drie vierde (73%) aan wekelijks gedurende het hele seizoen meer gebruik te willen maken van de binnensportaccommodaties. Eén op de zes studentensportverenigingen wil dit alleen gedurende het winterseizoen wekelijks. In tabel 5.5 wordt weergegeven hoeveel uur de organisaties meer gebruik zouden willen maken van de binnensportruimte in de gemeente Utrecht. De reguliere sportverenigingen die extra ruimte zouden willen gebruiken, willen gemiddeld per jaar 175 uur extra gebruikmaken van de binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht (min. 2, max. 1.300), studentensportverenigingen zo’n 155 uur extra per jaar (min. 40, max. 300), commerciële huurders 320 uur extra per jaar (min. 160, max. 400), particulieren 38 uur (min. 30, max. 45) en anders georganiseerden 72 uur (min. 3, max. 200).
Op een kalenderjaar van 40 weken (exclusief vakantieweken) zou dit voor de reguliere verenigingen 4,5 uur extra per week betekenen en voor studentenverenigingen 4 uur extra per week.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
39
Tabel 5.5 Aantal uur dat organisaties per jaar meer gebruik zouden willen maken van binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht, naar type organisatie (n=56; in procenten)A Type organisatie
A
< 100 uur
100-500 uur
500-1.000 uur
> 1.000 uur
Sportvereniging (n=31)
42
48
6
3
Studentensportvereniging (n=6)
33
67
0
0
Commercieel (n=3)
0
100
0
0
Particulier (n=2)
100
0
0
0
Anders georganiseerd (n=14)
64
36
0
0
Dit gaat alleen om de organisaties die hebben aangegeven extra uren te willen huren. Organisaties die 0 uur
extra willen huren zijn niet meegenomen in de tabel.
De verenigingen gaven tijdens de verenigingsavonden aan zich te herkennen in het beeld dat verenigingen extra gebruik willen maken van binnensportruimte, met name van sporthallen. Knelpunten die verenigingen ervaren, hebben dan ook vooral te maken met de beschikbare capaciteit van de binnensportaccommodaties. De verenigingen lieten weten dat er momenteel al weinig capaciteit is om de huidige leden te laten trainen, waarbij vaak het gewenste aantal van twee trainingen per week voor veel verenigingen niet haalbaar is. Het is niet mogelijk om meer uren te huren op de tijden dat de leden (en het kader) beschikbaar zijn. Dit maakt het aannemen van nieuwe leden lastig, doordat er geen extra ruimte beschikbaar is. De capaciteit-gerelateerde knelpunten die de verenigingen ervaren, hebben voornamelijk betrekking op de winterperiode. Het tekort aan ruimte ervaren de meeste verenigingen in trainingscapaciteit op de doordeweekse avonden. De gymnastiek- en turnverenigingen en de voetbalverenigingen ervaren daarentegen knelpunten in de wedstrijdcapaciteit. Waar voor gymnastiek en turnen (bijna) geen wedstrijdcapaciteit beschikbaar is, doordat de accommodaties niet geschikt zijn voor wedstrijden en doordat wedstrijden een meer incidenteel karakter hebben, zijn voor de voetbalverenigingen de bestaande hallen wel geschikt, maar amper beschikbaar (omdat ze doordeweeks wedstrijden spelen).
De voetbalverenigingen zijn de enige verenigingen die aangeven dat de behoefte aan extra trainingsuren niet zo groot is. De behoefte ligt voornamelijk in extra capaciteit voor wedstrijden, zodat ze de thuiswedstrijden niet meer buiten de gemeente hoeven te spelen. (Studenten)sportverenigingen In een deel van de vragenlijst is specifiek ingegaan op het gebruik van de binnensportaccommodaties door reguliere en studentensportverenigingen.17 In het vervolg van deze paragraaf worden de resultaten voor de (studenten)sportverenigingen verder uiteengezet. Indien relevant wordt in de tekst onderscheid gemaakt tussen de uitkomsten voor de reguliere en de studentensportverenigingen. Gebruik verschillende locaties 40 procent van de studentensportverenigingen en bijna hetzelfde deel van de reguliere sportverenigingen heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om structureel op verschillende locaties trainingen aan te bieden. 17 procent van de reguliere sportverenigingen en 10 procent van de studentensportverenigingen geeft aan dat dit wel mogelijk is, maar niet wenselijk. Dit betekent dat ongeveer de helft van de
17
40
Alle studentensportverenigingen die gebruikmaken van sporthallen hebben de vragenlijst ingevuld (tien verenigingen).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
(studenten)sportverenigingen er welwillend tegenover staat om op verschillende locaties te trainen of dit momenteel al doet (figuur 5.2).
Figuur 5.2 Reactie (studenten)sportverenigingen op de stelling: ‘Zou uw vereniging structureel gebruik kunnen maken van binnensportaccommodaties op verschillende locaties voor trainingen?’ (in procenten)
Studentensportvereniging (n=10)
10
40
Sportvereniging (n=59)
0%
37
8
20%
40%
10
40
17
37
60%
80%
100%
Ja, dat is mogelijk en gebeurt momenteel ook al Ja, dat is mogelijk en hier staat de organisatie ook voor open Ja, dat is mogelijk maar niet wenselijk Nee, dat is niet mogelijk
Op de vraag of de vereniging structureel kan trainen in een binnensportaccommodatie die niet voldoet aan de (afmetings)eisen voor wedstrijden, geeft 40 procent van de studentensportverenigingen en 25 procent van de reguliere sportverenigingen aan dat dit niet mogelijk is. 40 procent van de studentenverenigingen en 10 procent van de reguliere sportverenigingen zegt dat het wel mogelijk, maar niet wenselijk is. Bij het merendeel van de reguliere verenigingen (56%) wordt momenteel al structureel getraind op een locatie die niet voldoet aan de (afmetings)eisen voor wedstrijden (figuur 5.3). Figuur 5.3 Reactie (studenten)sportverenigingen op de stelling: ‘Zou uw vereniging structureel kunnen trainen in een binnensportaccommodatie die niet voldoet aan de afmetingseisen voor wedstrijden?’ (in procenten)
Studentensportvereniging (n=10)
20
40
Sportvereniging (n=59)
56
0%
20%
40
8
40%
10
60%
25
80%
100%
Ja, dat is mogelijk en gebeurt momenteel ook al Ja, dat is mogelijk en hier staat de organisatie ook voor open Ja, dat is mogelijk maar niet wenselijk Nee, dat is niet mogelijk
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
41
De (studenten)sportverenigingen die hebben aangegeven dat het niet wenselijk of mogelijk is om op verschillende locaties te trainen of om te trainen op locaties die niet geschikt zijn voor wedstrijden, geven hier diverse redenen voor. Ze geven aan dat het gebruikmaken van verschillende accommodaties afdoet aan de sfeer, het verenigingsgevoel en de binding tussen de leden. Leden uit verschillende teams ontmoeten elkaar minder, waardoor er zowel op sociaal gebied als op sportgebied minder uitwisseling is tussen verschillende leden, maar ook tussen het kader en de leden. Een praktische reden is dat de benodigde materialen op alle locaties aanwezig moeten zijn. Dit betekent dat de materialen meerdere keren aangeschaft moeten worden en dat er ook ruimte nodig is in de accommodaties om de materialen op te slaan. Ook bepaalde eisen aan een sportvloer of de hoogte van accommodaties maken het niet altijd mogelijk om in verschillende accommodaties te trainen of te trainen in andere accommodaties dan waar de wedstrijden gespeeld worden. Tevens hebben de verenigingen aangegeven dat het, voornamelijk voor de jeugd en ouderen, ook niet altijd mogelijk of wenselijk is in verband met de reisafstand en de bereikbaarheid.
Een aantal van deze leden kiest bewust voor een vereniging die traint of wedstrijden speelt in een accommodatie in de buurt of een accommodatie die goed bereikbaar is vanuit waar ze wonen. Tot slot geven verenigingen aan dat het zowel voor leden als voor het kader onoverzichtelijker en verwarrend is om op meerdere locaties te trainen, waardoor leden of vrijwilligers mogelijk voor een andere vereniging of sport kiezen. Tijdens de verenigingsavonden kwam naar voren dat een aantal verenigingen momenteel op meerdere locaties traint of op een andere locatie traint dan waar de wedstrijden gespeeld worden. Op deze bijeenkomsten werd aangegeven dat verenigingen dit geprobeerd hebben omdat in een andere accommodatie ruimte was om extra trainingsuren af te nemen, maar dat de animo bij de leden om op een andere locatie te trainen te laag was. Voor het verenigingsgevoel en de binding tussen de leden, maar ook met het kader, willen de verenigingen het liefst een ‘thuishal’ waar zowel de trainingen als de wedstrijden gespeeld worden en waar de ontmoeting en het sociale aspect van de sport centraal staan. Wachtlijsten en ledenstops Een deel van de (studenten)sportverenigingen hanteert een wachtlijst en/of een ledenstop. Wachtlijsten zijn een manier van verenigingen om met aanmeldingen van potentiële leden om te gaan die niet direct kunnen worden geplaatst.
De omvang van de wachtlijsten is moeilijk op waarde te schatten. Niet alle verenigingen die geen leden meer aannemen hanteren een wachtlijst. Naast wachtlijsten zijn er bijvoorbeeld ook verenigingen die aspirant-leden vragen zich op een later moment nogmaals aan te melden of doorverwijzen naar een andere vereniging. Tegelijkertijd zijn er potentiële leden die op verschillende wachtlijsten staan of inmiddels ergens anders actief zijn. Vijftien reguliere sportverenigingen en zeven studentensportverenigingen hebben aangegeven momenteel een wachtlijst te hebben (zie ook paragraaf 5.2). Drie sportverenigingen en twee studentensportverenigingen hanteren momenteel een ledenstop. Bij de (studentensport)verenigingen die de vragenlijst hebben ingevuld en hebben aangegeven een wachtlijst te hebben, staan in totaal circa 600 senioren, 170 junioren en 100 pupillen op de wachtlijst. Tussen de verenigingen zijn grote verschillen te zien. Sommige verenigingen hebben veel leden op de wachtlijst, andere geen of weinig. De grootste aantallen leden op de wachtlijst zitten voornamelijk bij de (zaal)hockey- en volleybalverenigingen, gevolgd door badminton en basketbal. De (studenten)sportverenigingen hebben verschillende redenen aangegeven waarom ze een wachtlijst of een ledenstop hanteren.
De voornaamste reden die is genoemd, is dat ze binnen de beschikbaarheid van de binnensportaccommodaties niet meer leden kwijt kunnen. Dit capaciteitsprobleem wordt meerdere keren aangekaart: er is meer animo voor de sport dan dat er ruimte beschikbaar is en er zijn beperkte mogelijkheden om het aantal trainingsuren uit te breiden. Ook geven de verenigingen aan dat (op 42
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
bepaalde niveaus) de teams vol zitten en daarom een wachtlijst gehanteerd wordt. Nieuwe leden kunnen dan weer in deze teams opgenomen worden zodra er doorstroom plaatsvindt. Voor de studentenverenigingen geldt daarnaast de regeling dat minstens 75 procent van de leden student moet zijn. Studentensportverenigingen hanteren vaak een wachtlijst om aan deze regeling te kunnen blijven voldoen: ze kunnen dan op het moment geen extra leden meer aannemen die geen student zijn. Tot slot hanteren verenigingen wachtlijsten omdat ze tijd nodig hebben om (extra) kader te werven voor de nieuwe leden. De verenigingen herkenden zich tijdens de verenigingsavonden in de (grote) wachtlijsten bij diverse sporten. Bij sommige verenigingen is de wachtlijst even groot als het aantal actieve leden en staan mensen meerdere jaren op een wachtlijst. Daarnaast zien ze dat hierdoor soms hele teams buiten de gemeente Utrecht gaan spelen, omdat in een aangrenzende gemeente nog ruimte is voor extra teams. Verenigingen die nu al vaak hun thuiswedstrijden buiten Utrecht spelen, geven aan dat ze liever geen nieuwe teams aannemen, omdat ze leden niet willen teleurstellen in waar ze komen te spelen. Prestatie- en topsport Een deel van de Utrechtse verenigingen heeft naast het aanbod voor de breedtesport aanbod voor prestatie- en topsporters.
Met prestatiesport wordt sport bedoeld die bedreven wordt door (jeugd/junioren)selectieteams of -leden die op een hoger speelniveau actief zijn en meer trainen dan nietselectieteams. Met topsport wordt sport bedoeld die bedreven wordt door seniorenteams of -leden op het hoogste en/of een-na-hoogste niveau. In totaal geven elf verenigingen aan dat er bij hun vereniging zowel sprake is van prestatiesport- als van topsport. Bij veertien verenigingen is alleen sprake van prestatiesport en bij vijf alleen van topsport. Van de verenigingen waar momenteel geen sprake is van prestatie- en/of topsport geven zes verenigingen aan dat ze wel een prestatie- en/of topsportambitie hebben. Het hebben van (een) prestatie- en/of topsport(ambitie) heeft volgens de verenigingen op verschillende manieren invloed op de behoefte aan binnensportruimte. De prestatie- en topsportteams hebben een hogere behoefte aan trainingsuren, waarmee de talenten meer trainingsmogelijkheden geboden moeten worden. Verenigingen geven aan deze extra trainingsmogelijkheden in principe te willen aanbieden. Voor de extra trainingsuren voor de prestatie- en topsportleden is meer zaalcapaciteit nodig (meer dan momenteel beschikbaar is in de gemeente). Op de gangbare uren (doordeweeks in de avonden) is de extra ruimte beperkt, waardoor er weinig mogelijkheden zijn om deze groep extra trainingen aan te bieden.
Voor een aantal sporten zijn de randvoorwaarden voor hogere niveaus streng, waardoor de wedstrijden op het hoogste niveau niet in elke accommodatie plaats kunnen vinden (zoals het hebben van een schotklok of bepaalde afmetingseisen (uitloop en hoogte)). Tot slot zijn op de hogere niveaus vaak meer of andere materialen nodig: denk hierbij aan extra toestellen voor meer uitdaging (zoals bij turnen) of dat een bepaalde vloer. Tijdens de verenigingsavonden gaven de verenigingen aan dat het hebben van een prestatie- en/of topsportafdeling of -ambitie voornamelijk invloed heeft op de behoefte aan zaalruimte in de extra uren dat er getraind moet worden. Daarnaast zijn de randvoorwaarden voor het spelen van wedstrijden streng(er) voor deze leden of teams, waardoor niet elke hal per definitie geschikt is. Dit zijn randvoorwaarden die met de afmetingen te maken kunnen hebben (bijvoorbeeld extra ruimte voor uitloop of de hoogte van de accommodatie), maar ook met de benodigde sportvloer of materialen die aanwezig moeten zijn. Daarnaast werd duidelijk dat verenigingen, als ze moeten kiezen, vinden dat prestatie- en topsport belangrijk zijn, maar dat extra uren die zij moeten trainen niet ten koste mogen gaan van de breedtesport.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
43
Beschikbaarheid en trainingsmogelijkheden De leden van de meeste verenigingen hebben de mogelijkheid om in de avond op de doordeweekse avonden te trainen, waarbij de jongere leden soms al (laat) in de middag kunnen beginnen. Op deze meest wenselijke uren is de druk op de sporthallen groot (zie paragraaf 3.2). De verenigingen is gevraagd op welke momenten het voor de organisatie over het algemeen haalbaar is om te beginnen en te eindigen met trainingen. De meeste verenigingen geven aan dat het haalbaar is om op doordeweekse avonden tussen 18:00 en 22:00 uur trainingen aan te bieden. Zowel op de woensdag als op de vrijdag zijn er verenigingen die eerder kunnen beginnen, soms al vanaf 15:00 uur. Voornamelijk bij hockey kan op alle doordeweekse dagen al vroeg begonnen worden met trainen (veel jeugd), maar ook een groot deel van de gymnastiek- en turnverengingen geeft aan dat het mogelijk is om al vanaf de namiddag trainingen aan te bieden. Een aanzienlijk deel van de verenigingen geeft aan dat het haalbaar is (voor de senioren) om tot 23:00 uur door te trainen. Wel geven verenigingen aan dat er uitzonderingen zijn op deze algemene haalbaarheid. De topsporters hebben bijvoorbeeld vaak de mogelijkheid om overdag te trainen, waarbij de jeugd meestal al vroeger (direct na school) zou kunnen beginnen.
Deze groep, de (jongere) jeugd, kan daarentegen meestal niet trainen op de latere trainingstijden die de vereniging aanbiedt. Voor bepaalde groepen binnen de verenigingen, zoals de 50+-groepen, is het mogelijk om op (bepaalde) ochtenden gebruik te maken van de binnensportaccommodaties. Daarnaast moet bij de trainingen rekening gehouden worden met doordeweekse competitieavonden. Verenigingen die op donderdagavond een competitiewedstrijd spelen, gaven aan dat het dan niet haalbaar is om te trainen op woensdagavond of vrijdag. Aanvullend werd aangegeven dat leden (maar ook het kader) nu al vaste momenten vrijhouden waarop de trainingen plaatsvinden, waardoor de kans bestaat dat dat zij niet beschikbaar zijn op andere tijden of avonden. De haalbaarheid om te trainen op bepaalde avonden en tijden is voor een groot deel ook afhankelijk van de beschikbaarheid van de trainers en coaches. Tot slot hebben de verenigingen aangegeven hoe lang en hoe vaak de leden trainen in de week (gemiddeld aantal minuten per team per week per trainingssessie – breedtesport) en wat het gewenste aantal uren en keren is. Een deel van de verenigingen heeft aangeven dat het aantal keren en de duur dat ze nu kunnen trainen gelijk is aan hoeveel ze zouden willen dat de teams trainen.
Wanneer de mogelijkheden die ze nu hebben om uren af te nemen niet overeenkomen met wat ze wensen af te nemen, komt dit voornamelijk doordat ze een keer vaker in de week willen trainen. De verenigingen kunnen dan momenteel de teams één keer in de week laten trainen, maar zouden de teams eigenlijk de mogelijkheid willen geven om twee keer per week te trainen. Dit speelt voornamelijk bij de badminton-, handbal-, hockey- en korfbalverenigingen. De duur van de trainingen komt bij bijna alle verenigingen wel overeen met de gewenste duur. Tijdelijke voorzieningen In de uitvraag bij andere grote gemeenten en de sportbonden is naar voren gekomen dat tijdelijke binnensportvoorzieningen (zoals blaashallen) kunnen zorgen voor een verlichting van de druk op de sporthallen in de winterperiode. Tijdens de verenigingsavonden is dit ook meerdere keren benoemd. Aandachtspunten die verenigingen hierbij plaatsen zijn dat het voor afzonderlijke (kleine) verenigingen niet haalbaar is om een blaashal aan te schaffen en dat het belangrijk is om te kijken naar de kosten (en wie daarvoor opdraait) en wat een blaashal verder van de vereniging of eigenaar vraagt qua onderhoud en qua opbouwen en afbreken van de hal. Verenigingen geven aan dat het wenselijk zou zijn om met meerdere verenigingen samen te kijken naar de mogelijkheden in blaashallen.
Hierbij kan gekeken worden naar de mogelijkheden om verschillende sporten te combineren in een blaashal.
44
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Topsportverenigingen In de gemeente Utrecht worden vier criteria gesteld aan sportverenigingen om te kunnen worden benoemd tot topsportvereniging: (1) de vereniging is statutair gevestigd in de gemeente, (2) de vereniging speelt landelijk in de hoogste divisie, (3) de vereniging heeft beleid gericht op talentontwikkeling en (4) de desbetreffende sporttak is door NOC*NSF gekenmerkt als topsport. SportUtrecht ondersteunt de Utrechtse topsportverenigingen op het gebied van talentontwikkeling. Zij heeft hiervoor een stimuleringsbudget gereserveerd. Uniek binnen de gemeente Utrecht is het Utrecht Talent Center. In dit samenwerkingsverband werken topsportverenigingen, SportUtrecht, onderwijspartners en het bedrijfsleven samen. Deze samenwerking heeft als doel om de talentontwikkeling binnen de gemeente efficiënter en effectiever te laten verlopen. In de gemeente Utrecht zijn momenteel twintig sportverenigingen actief op het gebied van talentontwikkeling, waarvan er vijftien worden gezien als topsportverenigingen. Het Mulier Instituut heeft met acht van deze topsportverenigingen die gebruikmaken van één of meerdere Utrechtse binnensportaccommodaties gesproken (tabel 5.6). SportUtrecht heeft met USV Protos gesproken en een verslag van dit interview aan het Mulier Instituut teruggekoppeld.
Via deze gesprekken is inzicht verkregen in de behoeften, knelpunten en eventuele wensen vanuit de topsport in relatie tot de capaciteit. Tabel 5.6 Geïnterviewde topsportverenigingen/-stichtingen die gebruik maken van binnensportaccommodaties in de gemeente Utrecht Topsportvereniging/
Type sport
stichting VVU
Volleybal
Topsport en/of
Binnensportaccommodatie(s)
talentontwikkeling
topsport
Dames 1 gaat komend
Sportcentrum Galgenwaard en
seizoen Eredivisie spelen,
Nieuw Welgelegen
heren 1 speelt in de Topdivisie. Utrecht Volleybal Academy opgezet voor talentontwikkeling in de regio Utrecht. Top Judo Utrecht
Judo
Stichting gericht op
Kleine zaal sporthal Lunetten
judotalenten t/m 21 jaar.
en Tuindorp
Ongeveer 70 sporters die aanvullende trainingen krijgen. SV Kampong Hockey
Zaalhockey
Topjeugd vanaf 10 jaar en
Blaashal SV Kampong en
dames en heren 1 spelen op
Sportcentrum Galgenwaard
topniveau. Turn 4 U
Turnen
Talentopleidingscentrum. In
Turnhal Nieuw Welgelegen
totaal ongeveer 300 talenten/topsporters. Uball Academy
Basketbal
Basketbal Academy voor
Sportcentrum Oudenrijn en
talenten. Ongeveer 60
deels Sporthal Sportcampus
talenten. Uitstroom voornamelijk naar DBL of buitenland.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
45
BC Cangeroes
Basketbal
Aparte stichting voor de
Sporthal Lunetten en David
topsport. Twee
Lloyd-hal
topsportteams: dames 1 (Eredivisie) en dames < 20. Zetten ook in op talentontwikkeling. SC Antilope
Rolstoelbasketbal
Momenteel drie teams.
Sportcentrum Oudenrijn
Ambitie om met het hoogste team weer Eredivisie te gaan spelen (nu divisie daaronder). BC Iduna
Badminton
Hoogste team speelt in de
Sportcentrum Galgenwaard
eerste divisie met ambitie voor de Eredivisie. Geen jeugdafdeling. USV Protos