Ruimte voor zaalsport in Utrecht (2022).pdf
Tekst van het document
Ruimte voor zaalsport in Utrecht
Een onderzoek naar de (ontwikkeling van de) Utrechtse zaalsport en de bruikbaarheid van het planologische kengetal
Karin Wezenberg-Hoenderkamp Daniëlle Ruikes
Ruimte voor zaalsport in Utrecht Een onderzoek naar de (ontwikkeling van de) Utrechtse zaalsport en de bruikbaarheid van het planologische kengetal
In opdracht van de gemeente Utrecht
Karin Wezenberg-Hoenderkamp Daniëlle Ruikes Met medewerking van Björn Schadenberg en Marit Dopheide
© Mulier Instituut Utrecht, februari 2022
Mulier Instituut sportonderzoek voor beleid en samenleving Postbus 85445 | 3508 AK Utrecht Herculesplein 269 | 3584 AA Utrecht T +31 (0)30 721 02 20 | I www.mulierinstituut.nl E info@mulierinstituut.nl | T @mulierinstituut
Inhoudsopgave Managementsamenvatting
4
1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding Afbakening Werkwijze Leeswijzer
10 11 11 13
2. 2.1 2.2 2.3
Planologische kengetallen Het Utrechtse kengetal Kengetallen in andere grootstedelijke gemeenten Conclusie
14 14 15 17
3. 3.1 3.2
Capaciteit en gebruik binnensportaccommodaties Utrecht Capaciteit binnensportaccommodaties Gebruik gemeentelijke binnensportaccommodaties (m.u.v. Sporthal Lunetten)
18 18 21
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Deelname georganiseerde zaalsport Lidmaatschappen zaalsportverenigingen Ledenontwikkeling zaalsportverenigingen Herkomst leden Utrechtse binnensportverenigingen Trends en ontwikkelingen Conclusie
27 27 28 30 33 35
5. 5.1 5.2
Ervaringen Gebruikers Exploitanten/beheerders
36 36 47
6. 6.1 6.2 6.3 6.4
Schattingen voor de toekomst Aantal lidmaatschappen Utrechtse binnensportverenigingen Extra trainingsbehoefte volleybal, basketbal, badminton en zaalvoetbal Benodigde ruimte in sporthallen Vertaling naar kengetallen
52 52 54 57 60
7. 7.1 7.2 7.3
Conclusies en aanbevelingen Beantwoording onderzoeksvragen Conclusies Aanbevelingen
61 61 67 69
Referenties
73
Bijlagen Bijlage 1 – Aantal velden per sporthal Bijlage 2 – Aantal velden per sportzaal Bijlage 3 - Afmetingseisen sporten Bijlage 4 - Methodebeschrijving schatting toekomstige behoefte sporthallen
74 74 77 78 80
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
3
Managementsamenvatting Op basis van dit onderzoek concluderen we dat het Utrechtse kengetal van één sporthal per 17.500 inwoners niet past bij de lokale Utrechtse situatie. Door het relatief grote aantal zaalsporters, de (groei)ambities van (top)sportverenigingen, de grote huidige en verwachte knelpunten in vooral het winterseizoen, het verschil tussen gewenste en feitelijke trainingsduur en de verwachte verdere bevolkingsgroei lopen het aanbod van en de behoefte aan sporthallen steeds verder uit de pas. En dat past niet bij het gemeentelijke sportbeleid, waarin ‘de sportmogelijkheden in de stad moeten meegroeien met de groei van de bevolking’ en ‘iedere Utrechtse sporter de kans moet krijgen zich op zijn eigen niveau verder te ontwikkelen’ (Gemeente Utrecht, 2021). Een langetermijnvisie en daaruit volgende beleidskeuzes zouden kunnen leiden tot een aangepast kengetal dat zich meer rond het midden begeeft van de bandbreedte van de herijkte landelijke draagvlakcijfers voor stedelijke context (één sporthal per 10.000-17.500 inwoners). De gemeente Utrecht streeft naar een aanbod aan binnensportruimte voor de (georganiseerde) zaalsport van één sporthal per 17.500 inwoners, naast het aanbod aan sport- en gymzalen. In 2019 voldeed de gemeente aan deze Utrechtse richtlijn.
Utrechtse sportverenigingen ervaren echter een groot tekort aan zaalruimte en hanteren daarom wachtlijsten of minimale trainingsuren. Het doel van dit onderzoek is om de (ontwikkeling van de) Utrechtse zaalsport in kaart te brengen en de bruikbaarheid van de Utrechtse richtlijn voor sporthallen te bepalen. Het Mulier Instituut voerde dit onderzoek uit in opdracht van de gemeente Utrecht. De volgende hoofdvraag stond daarbij centraal: In hoeverre is het Utrechtse planologische kengetal van één sporthal op 17.500 inwoners houdbaar en zo niet, hoe kan dan een nieuw kengetal worden bepaald? Om de hoofdvraag te beantwoorden zijn verschillende deelonderzoeken uitgevoerd: • Er is een beschrijvende analyse uitgevoerd van het Utrechtse planologische kengetal in vergelijking met kengetallen van andere grote gemeenten. • De huidige capaciteit (trainings- en wedstrijdcapaciteit) en het gebruik van de sporthallen en zalen zijn in kaart gebracht door gebruik te maken van een overzicht met eigenschappen van de binnensportaccommodaties en eisen van de bond, en van verhuuroverzichten van de accommodaties. • Op basis van ledencijfers van de verenigingen, ontvangen van de desbetreffende sportbonden, is de (ontwikkeling) van de deelname aan georganiseerde zaalsporten in Utrecht in beeld gebracht en afgezet tegen de landelijke deelname en de deelname in andere grote gemeenten.
• Om de ervaringen en wensen van de gebruikers van binnensportaccommodaties op te halen is een online vragenlijst uitgezet en zijn verenigingsavonden georganiseerd. De ervaringen van topsportverenigingen en exploitanten/beheerders van binnensportaccommodaties zijn opgehaald via online interviews. • Op basis van verschillende scenario’s wordt een inschatting gegeven van het aantal lidmaatschappen bij Utrechtse zaalsportverenigingen in de toekomst en wordt deze inschatting vertaald naar het aantal benodigde sporthallen en een planologisch kengetal.
4
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Hieronder geven we puntsgewijs de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen weer. Planologische kengetallen • De gemeente Utrecht hanteert een planologisch kengetal van één sporthal per 17.500 inwoners om de behoefte aan zaalruimte voor de (georganiseerde) zaalsport te bepalen. De gemeente heeft geen kengetal voor sportzalen. • De landelijke richtlijn vanuit de Planologische Kengetallen (Knol et al., 2002) gaat uit van een draagvlak van één sporthal per 15.000 tot 20.000 inwoners en één sportzaal per 10.000 tot 12.500 inwoners. • Het Mulier Instituut heeft in 2020 een herijking voorgesteld voor de landelijke richtlijn (Schadenberg et al., 2020). In stedelijk gebied hebben sporthallen volgens deze herijking een draagvlak van 10.000 tot 17.500 inwoners. • Andere grootstedelijke gemeenten met een kengetal voor de behoefte aan zaalruimte maken gebruik van de landelijke richtlijn uit de Planologische Kengetallen of hanteren een krappere richtlijn voor sporthallen (meer inwoners per sporthal). • De andere grootstedelijke gemeenten geven aan dat de richtlijn nooit leidend is bij de totstandkoming of instandhouding van binnensportaccommodaties, maar dat dit om lokaal maatwerk vraagt.
Aanvullend op de bestaande richtlijnen worden tal van andere indicatoren geanalyseerd om de lokale (sport)context in kaart te brengen en op basis daarvan beslissingen te nemen over het huidige en toekomstige aanbod aan binnensportaccommodaties. Capaciteit en gebruik binnensportaccommodaties Capaciteit • In Utrecht zijn twintig sporthallen (veertien in gemeentelijk beheer), acht sportzalen en twee locaties met blaashallen. In de winterperiode worden zes hockeyvelden overkapt door blaashallen (niet in beheer van de gemeente). • Het aantal velden per sport varieert tussen de sporthallen door afmetingseisen en aanwezigheid van belijningen. • Omdat niet alle velden voor wedstrijden geschikt zijn, zijn er voor badminton, basketbal en zaalhockey meer trainings- dan wedstrijdvelden (breedtesport) in de Utrechtse hallen. • Aanvullend op de ruimte in de sporthallen is in de Utrechtse sportzalen beperkte ruimte beschikbaar voor badminton, basketbal, volleybal en zaalvoetbal. Gebruik • In de Utrechtse gemeentelijke sporthallen werd in 2019 ruim 19.000 uur gesport (61% van het totale gebruik). De sporthallen worden gemiddeld op jaarbasis ruim 2.200 uur gebruikt, waarvan 1.400 voor sportbeoefening. • Dit totale gebruik is redelijk in lijn met landelijke referentiecijfers voor sporthallen in grootstedelijke gemeenten.
Het sportgebruik van de sporthallen in Utrecht is echter over het algemeen hoger; sporthallen in andere gemeenten worden meer voor bewegingsonderwijs gebruikt. • De sporthallen hebben in de doordeweekse avonduren (19:00-22:00 uur) in de winterperiode een bezetting tussen de 90 en 100 procent. • Tussen 16:00 en 18:00 uur wordt in de sporthallen in de meeste maanden relatief weinig gesport. • Zaalvoetbal (23% van het sportgebruik) is de meest beoefende sport in de gemeentelijke sporthallen, gevolgd door volleybal (22%).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
5
•
Drie kwart (75%) van het sportgebruik tussen 08:00 en 23:00 uur wordt gedaan door een sportvereniging. Tijdens de avonduren is dit hoger (82%) en overdag lager (59%). Het aandeel van de verenigingssport in het sportgebruik is in de winter het hoogst.
(Ontwikkeling) deelname georganiseerde zaalsport • In Utrecht is de deelname aan basketbal, zaalhockey, zaalvoetbal en volleybal relatief hoog ten opzichte van deelname in de G32 en Nederland. De deelname aan badminton is gelijk aan het landelijke gemiddelde en hoger dan het gemiddelde van de grotere gemeenten. De deelname aan gymnastiek, handbal en korfbal is in Utrecht lager dan landelijk, maar vergelijkbaar met de deelname in de G32. • Tussen de seizoenen 2017/’18 en 2019/’20 is de Utrechtse zaalsport binnen zeven grote sporttakken in totaal met 4,5 procent gegroeid. Dat is sterker dan de groei van het aantal inwoners in dezelfde periode (2,9%). Landelijk hebben zaalsportverenigingen het juist moeilijk. • De hockeyverenigingen zijn het meest gegroeid (+33%), gevolgd door basketbal (+25%), handbal (+17%) en volleybal (+11%). Alleen de Utrechtse badmintonverenigingen hebben in deze periode een daling van het aantal leden gezien (-7%). • Ruim drie kwart van de leden van Utrechtse verenigingen in vijf sporten (badminton, basketbal, handbal, zaalvoetbal, volleybal) komt uit de gemeente Utrecht (78%). Relatief veel handballers en volleyballers zijn actief in de eigen gemeente. De Utrechtse zaalvoetbalverenigingen kennen juist een grote instroom van seniorleden van buiten de gemeente (34%).
• Op wijkniveau is de procentuele deelname aan deze vijf sporten het laagst in Overvecht, gevolgd door de wijken Noordoost en Zuidwest. In de wijken West, Vleuten-De Meern en Oost is de deelname het hoogst. • Een deel van de inwoners van de gemeente Utrecht sport bij een (zaalsport)vereniging buiten de gemeente Utrecht. Dit geldt het vaakst voor volleyballers en zaalvoetballers. • Trends en ontwikkelingen die worden aangegeven door verenigingen en sportbonden wijzen op een toenemende behoefte aan zaalsportruimte. Dit geldt voor de winterperiode, waarin zaalhockey, handbal en korfbal tot extra ruimtebehoefte leiden, maar ook voor het gehele seizoen. Bijvoorbeeld door zaalvoetbalcompetities voor de jeugd, professionalisering van verenigingen en nieuwe doelgroepen/spelvormen, en voor specifieke tijdvakken (eind van de middag en begin van de avond). Ervaringen gebruikers en exploitanten/beheerders binnensportaccommodaties Ervaringen sportverenigingen en andere gebruikers • 47 procent van de respondenten geeft aan meer gebruik te willen maken van de binnensportaccommodatie(s). • Sportverenigingen wensen voornamelijk meer ruimte in sporthallen. Andere huurders geven de voorkeur aan een gymzaal. • Meer trainingen/wedstrijden aanbieden voor de huidige leden of nieuwe leden kunnen aannemen zijn belangrijke redenen voor sportverenigingen om meer ruimte te wensen.
Overige huurders noemen sportaanbod voor nieuwe doelgroepen relatief vaak. • De meeste verenigingen ervaren het tekort aan ruimte het meest in de trainingscapaciteit op doordeweekse avonden (in de winterperiode). De gymnastiek- en turnverenigingen en de zaalvoetbalverenigingen ervaren juist knelpunten in de wedstrijdcapaciteit. • Ongeveer de helft van de verenigingen staat welwillend tegenover trainen op verschillende locaties en/of doet dit al. • Bijna twee derde van de sportverenigingen staat welwillend tegenover structureel in accommodaties trainen die niet voldoen aan de afmetingseisen voor wedstrijden en/of doet dit al.
6
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
•
•
•
• •
Redenen om niet op verschillende of ongeschikte locaties te trainen zijn: het doet af aan de sfeer, het verenigingsgevoel en de binding tussen leden; benodigde materialen moeten op meer locaties aanwezig zijn; bepaalde eisen aan de sportvloer of de hoogte van de accommodatie maken dit onmogelijk; de reisafstand en bereikbaarheid (vooral voor jongeren en ouderen). Een deel van de sportverenigingen hanteert een wachtlijst en/of een ledenstop. Redenen daarvoor zijn: ruimtegebrek; op bepaalde niveaus zitten teams vol; regeling bij studentenverenigingen dat minimaal 75 procent van de leden student moet zijn; en tijd nodig voor het werven van kader. Prestatie- en topsportteams trainen meer dan breedtesportteams en hebben vaak meer of andere materialen nodig. Voor een aantal sporten zijn de randvoorwaarden voor hoge niveaus streng, waardoor niet alle sportaccommodaties geschikt zijn voor wedstrijden. Veel volwassen leden kunnen tot 23:00 uur trainen. Jonge leden kunnen veelal al (laat) in de middag starten. Een aantal verenigingen geeft aan dat hoe vaak en hoe lang ze nu kunnen trainen gelijk is aan hoeveel ze zouden willen dat de teams trainen. De verenigingen die meer willen trainen, geven voornamelijk aan dat ze vaker per week willen trainen.
Ervaringen topsportverenigingen • In de gemeente Utrecht zijn momenteel twintig sportverenigingen actief op het gebied van talentontwikkeling, waarvan vijftien als topsportvereniging worden aangemerkt. • Topsportverenigingen ervaren krapte in de trainingsmomenten. • Uitwijken naar een andere locatie is niet gewenst (o.a. vanwege eisen aan de accommodatie). • Topsportverenigingen geven aan dat hoge zaalhuur een brede talentontwikkeling in de weg staat (sport is niet voor iedereen toegankelijk). • Topsportverenigingen werken veel samen en proberen de mogelijkheden te benutten. Idealiter zouden de verenigingen gebruik maken van een geschikte sporthal met alles onder één dak. Ervaringen exploitanten/beheerders • In beginsel worden sporthallen door zowel sport als bewegingsonderwijs gebruikt en gerealiseerd. Deze combinatie zorgt voor een efficiënt gebruik van zowel (financiële) middelen als ruimte in de stad. • Het topsportbeleid van de gemeente zet vooral in op talentontwikkeling. • Topsportmogelijkheden in de Galgenwaard en Nieuw Welgelegen moeten eerst (en meer dan nu) benut worden. • Knelpunten in het huidige gebruik van sporthallen worden herkend en uitbreiding van het aanbod aan sporthallen zou volgens de gesproken partijen gegrond zijn.
• Beheerders van niet-gemeentelijke sporthallen geven aan dat verenigingen graag gebruik maken van hun accommodaties omdat ze sport uitstralen, er horeca aanwezig is en het verenigingsgevoel er sterk is. • De druk op de drie sporthallen in Sportcentrum Olympos is groot en veel studentenverenigingen ervaren krapte. De krapte is het grootst op de doordeweekse avonden. • Volgens de Studentensportraad konden in 2020 ruim vierhonderd studenten niet worden geplaatst bij de binnensportvereniging waarvoor ze zich hadden aangemeld. • Vanuit de studentensport ligt er de wens voor een extra (topsport)hal met tribunes. Schattingen voor de toekomst • Op basis van een constante sportdeelname en de Utrechtse bevolkingsprognose zal het aantal lidmaatschappen bij Utrechtse binnensportverenigingen oplopen van ruim 11.000 in 2019 tot bijna 13.500 in 2040 (+22,2%). Dit komt nagenoeg overeen met de toename van de bevolking (6-54 jaar) in dezelfde periode (+22,5%).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
7
•
•
•
•
•
Veronderstellen we jaarlijks in elke sporttak een constante toename van 1 procent van het ledenaantal uit 2019/’20 boven op de extra lidmaatschappen op basis van de bevolkingsgroei, dan groeit het aantal lidmaatschappen tot bijna 15.800 in 2040. Uit de analyses van de gewenste en de feitelijke trainingsduur blijkt dat een toename van ruim 10 procent van de huidige trainingsuren nodig is om de gewenste trainingstijd te kunnen faciliteren. Het verschil wordt zowel veroorzaakt doordat het aantal trainingen per week lager is dan gewenst als doordat de duur van de trainingen korter is dan gewenst. Op basis van verschillende scenario’s is voor 2040 een benodigd aantal sporthallen geschat van tussen de 33 en 40 in week 6 (winterseizoen) en tussen de 20 en 23 in week 16 (regulier seizoen). Hierbij kunnen tijdelijke voorzieningen (zoals blaashallen) in een deel van de extra behoefte in week 6 voorzien. Op basis van de huidige deelname aan sporten, bevolkingsprognoses en scenario’s voor uitbreiding van het aantal leden en/of trainingsuren is een bijbehorend planologisch kengetal voor de weken 6 en 16 bepaald. Dit kengetal varieert in de verschillende scenario’s tussen de 11.000 en 14.000 inwoners per sporthal in week 6. In week 16, wanneer het zaalseizoen voor diverse sporten is afgerond, is een kengetal van tussen de 20.000 en 22.500 inwoners per sporthal bepaald.
Voor week 16 is ervan uitgegaan dat de huidige ruimte in de sporthallen in deze week eerst volledig benut wordt. Tijdelijke voorzieningen kunnen in een deel van de extra behoefte in week 6 voorzien. De toename van het aantal sporters en de toenemende behoefte aan zaalruimte kunnen worden tegengewerkt door de gevolgen van corona. Uit de vierde Monitor Sport en corona (Pulles et al., 2021) blijkt dat vooral binnensportverenigingen met een daling van het ledenaantal te maken hebben. Ook voor de toekomst beschrijven de onderzoekers dat binnensportverenigingen in verschillende scenario’s waarin corona de komende jaren onder ons blijft voor de grootste uitdagingen komen te staan.
Conclusies • Op basis van dit onderzoek concluderen we dat het Utrechtse kengetal van één sporthal per 17.5000 inwoners niet past bij de lokale Utrechtse situatie. De resultaten uit dit onderzoek geven voldoende aanleiding het Utrechtse planologische kengetal niet houdbaar te achten. Dit komt onder andere doordat: o Utrecht een hoge deelname aan zaalsporten kent; o Utrechtse verenigingen al geruime tijd grote tekorten aan zaalruimte ervaren; o de bezetting van de Utrechtse sporthallen hoog is; o beperkte ruimte beschikbaar is voor topsport of talentbegeleiding in de Utrechtse sporthallen; o de behoefte aan sporthallen in de winterperiode veel hoger is dan daarbuiten; o het verschil tussen de gewenste en feitelijke trainingsduur groter dan 10 procent is; o de scenarioberekeningen uitkomen op een kengetal van tussen de 11.000 en 14.000 inwoners per sporthal in week 6 (winterperiode). Aanbevelingen • De gepresenteerde scenario’s met schattingen voor de toekomst geven richting aan de bepaling van een nieuw planologisch kengetal. Afhankelijk van beleidskeuzes zijn tal van andere scenario’s denkbaar. Daarom wordt aanbevolen een langetermijnvisie voor de Utrechtse zaalsport op te stellen en aan de hand daarvan een nieuw kengetal te bepalen.
Verschillende vragen kunnen in deze visie aan bod komen, zoals: o Hoeveel uur aan sportbeoefening wil de gemeente met haar sporthallen faciliteren? o Welke leegstand van sporthallen is acceptabel in het laagseizoen? o Hoeveel ruimte wil de gemeente bieden aan topsport en talentbegeleiding?
8
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
In hoeverre moeten verenigingen een vaste thuisbasis kunnen hebben? Hoe moeten uren worden ingeroosterd? In hoeverre is het wenselijk om ook andere huurders dan sportverenigingen in de populaire tijdvakken te faciliteren? o In hoeverre moeten sportzalen (en/of gymzalen) worden ingezet om de druk op de sporthallen te verlichten? o In hoeverre moeten verenigingen mogelijkheden krijgen om nieuwe leden (bijvoorbeeld specifieke doelgroepen) aan te nemen? o In hoeverre moeten Utrechters in hun eigen stad kunnen sporten? o In hoeverre wil de gemeente tijdelijke voorzieningen, zoals blaashallen, inzetten om de extra behoefte in de wintermaanden op te vangen? o Welke plaats hebben de studentenpopulatie en het studentensportcentrum in het voorzien in voldoende binnensportruimte? o In hoeverre is de koppeling tussen onderwijslocaties en sporthallen een must? o Welke huurtarieven zijn gewenst? Verder volgen uit dit onderzoek de volgende aanbevelingen: o Herzie de manier van inroostering en de rol en werking van de zaalverdelingscommissie. o Onderzoek de mogelijkheden van tijdelijke voorzieningen. o Benut de ruimte in tijdvakken met een relatief lage bezetting. o Bepaal voor welke topsportactiviteiten Nieuw Welgelegen en Galgenwaard geschikt zijn. o Sluit tijdig aan bij sporthallen bij onderwijslocaties. o o o
•
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
9
1.
Inleiding De gemeente Utrecht streeft, naast het aanbod aan sport- en gymzalen, naar een aanbod aan binnensportruimte voor de (georganiseerde) zaalsport van één sporthal per 17.500 inwoners. In het meest recente onderzoek naar de benodigde capaciteit voor de zaalsport is dit Utrechtse kengetal gebruikt om de behoefte aan sporthallen tot 2040 te bepalen (Wezenberg-Hoenderkamp & Schadenberg, 2019). Met twintig sporthallen voldeed de gemeente in 2019 aan deze Utrechtse richtlijn. De verenigingen ervaren echter een groot tekort aan zaalruimte. Zij geven aan al jaren tekorten aan zaalruimte te ervaren, waardoor wachtlijsten of minimale trainingsuren worden gehanteerd. In het onderzoek uit 2019 heeft het Mulier Instituut aanbevolen om te onderzoeken of de Utrechtse richtlijn voor de binnensport recht doet aan de situatie in Utrecht. Enerzijds omdat de verenigingen zich niet herkennen in de uitkomst dat er voldoende sporthallen zouden zijn en anderzijds omdat de gemeente Utrecht voor sportzalen geen richtlijn heeft, terwijl dit in vergelijkbare landelijke richtlijnen wel een onderdeel is. De gemeente Utrecht heeft het Mulier Instituut daarom gevraagd om te onderzoeken in hoeverre het planologische kengetal van één sporthal per 17.500 inwoners passend is voor de Utrechtse situatie.
Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het onderzoek is om te bepalen of het planologische kengetal van één sporthal op 17.500 inwoners te handhaven is met de voorziene groei aan zaalsporters in Utrecht, en om indien nodig te komen tot aanbevelingen voor de bepaling van een nieuw kengetal voor binnensportaccommodaties. De hoofdvraag van het rapport luidt: In hoeverre is het Utrechtse planologische kengetal van één sporthal op 17.500 inwoners houdbaar en zo niet, hoe kan dan een nieuw kengetal worden bepaald? Om deze hoofdvraag te beantwoorden, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 1. In hoeverre wijkt het Utrechtse planologische kengetal af van kengetallen die andere grote gemeenten gebruiken? 2. Wat is de huidige capaciteit in sporthallen en sportzalen, in zowel trainings- als wedstrijdcapaciteit? 3. Hoe verhoudt het gebruik van de sporthallen door de georganiseerde sport (verenigingen) zich tot het gebruik door de ongeorganiseerde sport (particuliere en commerciële huurders)? 4. In hoeverre wijkt de deelname aan georganiseerde zaalsporten in Utrecht af van de landelijke deelname en de deelname in andere grote gemeenten? 5. Hoe hebben Utrechtse zaalsportverenigingen zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld en wat zijn de verwachtingen voor de toekomst? 6. Waar komen leden van Utrechtse zaalsportverenigingen vandaan en waar sporten de Utrechtse zaalsporters? 7.
Wat zijn de ervaringen en wensen van de gebruikers (verenigingen, commerciële en particuliere huurders en topsportverenigingen) van binnensportaccommodaties? 8. Wat zijn de ervaringen en wensen van de topsportverenigingen die gebruikmaken van binnensportaccommodaties? 9. Wat zijn de ervaringen van beheerders/exploitanten van de binnensportaccommodaties?
10
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
1.1
Afbakening Sportgebruik De focus in dit onderzoek ligt op de behoefte aan zaalruimte om te sporten. Gebruik van binnensportaccommodaties door bewegingsonderwijs wordt in het rapport enkele keren aangestipt, maar niet uitvoerig beschreven. De meeste sporthallen en -zalen worden doordeweeks overdag voor bewegingsonderwijs gebruikt en daarbuiten door sport. Gymzalen worden vaker alleen voor het bewegingsonderwijs gebruikt, zeker als deze zalen niet in gemeentelijk beheer zijn. Accommodaties Het Utrechtse planologische kengetal is enkel van toepassing op sporthallen. De gemeente Utrecht heeft geen kengetal voor het aantal sportzalen; deze worden gezien als aanvulling op de sporthallen. Gymzalen worden, om het bewegingsonderwijs te faciliteren, vanuit onderwijs geprogrammeerd. De gym- en sportzalen voorzien daarnaast ook in ruimte voor bijvoorbeeld vecht- en verdedigingssporten, dansen en tafeltennis. Vanwege de kleinere afmetingen kunnen echter niet alle sporten gebruikmaken van gym- of sportzalen, zeker niet voor wedstrijden. Voor trainingen kunnen gym- en sportzalen soms wel door deze sporten gebruikt worden. In dit onderzoek wordt ingegaan op de behoefte aan zaalruimte in sporthallen. Sportzalen en in mindere mate gymzalen kunnen daarbij voor sommige ‘sporthalsporten’ dienen als trainingsruimte voor jeugd- of lagere teams.
In het onderzoek zijn zowel gemeentelijke als nietgemeentelijke sporthallen meegenomen. Sporten In de analyses is de focus gelegd op acht sporten: badminton, basketbal, handbal, korfbal, turnen, volleybal, zaalhockey en zaalvoetbal. Dit zijn de sporten die het meest worden beoefend in de Utrechtse sporthallen en -zalen. Topsport In afstemming met de gemeente Utrecht en SportUtrecht zijn negen topsportverenigingen geïnterviewd om te onderzoeken wat de specifieke eisen en wensen zijn voor de ruimtebehoefte. Studentensport Met Sportraad Utrecht en de studentensportstichting Mesa Cosa is gesproken over de capaciteit en behoefte aan ruimte vanuit de studentensport. Sportraad Utrecht heeft gegevens over het aantal geplaatste en niet-geplaatste aanmeldingen voor de verschillende takken van sport aangeleverd. De studentensportverenigingen hebben de vragenlijst voor gebruikers van binnensportaccommodaties kunnen invullen en zijn voor de verenigingsavonden uitgenodigd.
1.2
Werkwijze Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 1 is bij zeven grote gemeenten aan een beleidsambtenaar sport gevraagd welke planologische kengetallen of uitgangspunten zij gebruiken om de behoefte aan zaalruimte in de gemeente te bepalen. Sommige gemeenten hebben documentatie opgestuurd, andere hebben telefonisch of per mail een toelichting gegeven. De inventarisatie heeft zich beperkt tot deze kengetallen of uitgangspunten. Er is niet ingegaan op aspecten als bevolkingssamenstelling, sportdeelname of lokale populariteit van sporten. De inventarisatie is benut om te bezien in hoeverre de Utrechtse richtlijn afwijkt van kengetallen van andere grote gemeenten.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
11
De aanwezige capaciteit voor de zaalsport (onderzoeksvraag 2) is in kaart gebracht door per accommodatie te inventariseren hoeveel velden voor elk van de sporttakken 1 aanwezig zijn. Hierbij is onderscheid gemaakt in het aantal velden dat beschikbaar is voor trainingen en voor wedstrijden (breedtesport) en indien van toepassing voor topsport. De gegevens zijn door de gemeente Utrecht en de beheerders van niet-gemeentelijke accommodaties aangeleverd. Tijdens verenigingsavonden en in de terugkoppeling daarvan hebben verenigingen de mogelijkheid gekregen de geïnventariseerde gegevens te controleren. Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 3 zijn de verhuuroverzichten van het seizoen 2018/’19 van de gemeentelijke sportaccommodaties geanalyseerd. Vanwege coronamaatregelen in 2020 en 2021 zijn binnensportaccommodaties periodes gesloten of beperkt bruikbaar geweest. Het seizoen 2018/’19 is het laatste volledige seizoen geweest en daarom gebruikt in de analyses. Naast inzicht in het aantal uren per tijdvak en per accommodatie heeft dit ook inzicht in aantal en type gebruikers (verenigingen, onderwijs, particuliere en commerciële huurders) opgeleverd.
Voor onderzoeksvragen 4, 5 en 6 zijn bij acht sportbonden2 gegevens over het aantal leden voor Utrecht, de G323 en landelijk opgevraagd; alleen de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU) was niet in staat om de gegevens te leveren. Van het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond (KNKV) zijn alleen ledencijfers van de Utrechtse verenigingen verkregen. Bij NOC*NSF zijn ledenaantallen van de KNKV en KNGU voor de gemeente Utrecht, de G404 en landelijk gevraagd en verkregen. De gegevens van de sportbonden zijn gebruikt om de Utrechtse deelname en de ontwikkeling daarin te vergelijken met de (ontwikkeling van de) deelname in de G32 en landelijk. Zes sportbonden hebben naast de ledenaantallen ook de postcodes (postcode-4) van de leden van Utrechtse verenigingen en van alle Utrechtse leden (die ook lid kunnen zijn van een vereniging buiten Utrecht) aangeleverd. Deze gegevens zijn gebruikt om in kaart te brengen of verenigingen vooral leden hebben uit de buurt, uit heel Utrecht of ook van daarbuiten. Daarnaast is inzichtelijk gemaakt hoeveel Utrechters lid zijn van een vereniging in Utrecht, in een aangrenzende gemeente of daarbuiten.
Om de ervaringen en wensen van gebruikers op te halen (onderzoeksvraag 7) zijn de gebruikers van binnensportaccommodaties (exclusief onderwijsinstellingen) gevraagd een online vragenlijst in te vullen over onder andere het huidige en gewenste ruimtegebruik, de ervaren en verwachte knelpunten voor de zaalsportruimte en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. De lijst van gebruikers is opgesteld in samenspraak met de gemeente, SportUtrecht en Sportraad Utrecht. In totaal hebben 119 gebruikers de vragenlijst ingevuld, waarvan 59 reguliere sportverenigingen, tien studentensportverenigingen, vijf commerciële huurders, 22 particuliere huurders (zoals vriendengroepen) en 23 anders georganiseerden (zoals buurtverenigingen). Voor meer kwalitatieve input zijn afzonderlijke interviews gehouden met eigenaren/beheerders van de gemeentelijke en niet-gemeentelijke binnensportaccommodaties, de zaalverdelingscommissie,
12
1
Omdat voor turnen geen speciale belijning nodig is, is turnen niet in deze analyse meegenomen.
2
Badminton Nederland (BN); Nederlandse Basketball Bond (NBB); Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie (KNGU); Nederlands Handbal Verbond (NHV); Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB); Koninklijk Nederlands Korfbalverbond (KNKV); Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB); Nederlandse Volleybal Bond (Nevobo).
3
Alle gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.
4
De veertig grootste gemeenten (qua inwoneraantal).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
SportUtrecht, Sportraad Utrecht, studentensportstichting Mesa Cosa, de beleidsadviseur Topsport van de gemeente Utrecht en topsportverenigingen/-stichtingen. Deze interviews hebben als input gediend voor de beantwoording van onderzoeksvragen 8 en 9. De voorlopige resultaten zijn tijdens vijf online discussiebijeenkomsten5 gedeeld met verenigingen, SportUtrecht en de gemeente. Bij twee bijeenkomsten was de betreffende sportbond vertegenwoordigd (zaalvoetbal en volleybal). Tijdens de bijeenkomsten zijn naast de voorlopige resultaten ook stellingen en oplossingsrichtingen ter discussie ingebracht. De avonden zijn een waardevolle aanvulling op de uitgevoerde analyses gebleken. De aanwezigen hebben het verslag van de avond toegestuurd gekregen en de mogelijkheid gekregen om dit aan te vullen of te corrigeren. Om zicht te krijgen op de gewenste frequentie en duur van de trainingen van de sportverenigingen heeft SportUtrecht een inventarisatie hiervan uitgevoerd bij bestuurders van badminton-, basketbal- en volleybalverenigingen in Utrecht en de betreffende sportbonden. Hierbij is onderscheid gemaakt naar verschillende spelniveaus en leeftijdscategorieën. De gemeente Utrecht heeft voor een aantal verenigingen geïnventariseerd hoeveel daadwerkelijk getraind wordt.
Het Mulier Instituut heeft daarnaast van enkele verenigingen de trainingsroosters gebruikt die beschikbaar waren op websites. De inventarisaties van zowel de gewenste als de daadwerkelijke trainingsfrequentie en -duur zijn gebruikt om een inschatting te maken van de extra behoefte aan ruimte in sporthallen. De KNVB heeft daarnaast gegevens aangeleverd over de locatie van zaalvoetbalwedstrijden om te kunnen bepalen in hoeverre verenigingen hun wedstrijden buiten de gemeente Utrecht moeten spelen.
1.3
Leeswijzer Onderzoeksvraag 1 (hoofdstuk 2) geeft, door een vergelijking met andere grote gemeenten, een algemeen beeld van de Utrechtse situatie en laat zien of het Utrechtse planologische kengetal substantieel verschilt van hoe andere gemeenten met dit capaciteitsvraagstuk omgaan. Onderzoeksvragen 2 en 3 worden behandeld in hoofdstuk 3 en brengen op basis van objectieve gegevens de huidige capaciteit voor trainingen en wedstrijden en de bezetting van binnensportaccommodaties in kaart. Onderzoeksvragen 4, 4 en 6 staan centraal in hoofdstuk 4, gaan over de georganiseerde sport in Utrecht en geven inzicht in deelname en de (verwachte) ontwikkeling in aantal lidmaatschappen en herkomst van leden. De sportdeelname (lidmaatschappen binnensportverenigingen) wordt daarbij vergeleken met landelijke cijfers en cijfers van vergelijkbare gemeenten. Onderzoeksvragen 7 en 8, opgenomen in hoofdstuk 5, zijn gebaseerd op interviews en vragenlijsten en geven ervaringen en wensen van gebruikers en exploitanten/beheerders van binnensportaccommodaties weer. In hoofdstuk 6 geven we schattingen voor het toekomstige aantal lidmaatschappen van Utrechtse binnensportverenigingen en het benodigde aantal sporthallen. We kijken hierbij naar verschillende scenario’s en laten zien wat de scenario’s betekenen voor het planologische kengetal.
In hoofdstuk 7 worden de onderzoeksvragen beantwoord en zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen.
5
Hockey/korfbal, basketbal, badminton/handbal, zaalvoetbal, volleybal. Aan turnvereniging Turn4You is, samen met SportUtrecht, een aparte terugkoppeling gegeven.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
13
2.
Planologische kengetallen In dit hoofdstuk beschrijven we het Utrechtse planologische kengetal dat wordt gebruikt om het aantal benodigde sporthallen voor de (georganiseerde) zaalsport in de gemeente Utrecht te bepalen. Kengetallen of uitgangspunten die andere grootstedelijke gemeenten gebruiken om het benodigde aantal sporthallen en sportzalen te bepalen worden behandeld om te bezien in hoeverre het Utrechtse kengetal hiervan afwijkt.
2.1
Het Utrechtse kengetal De gemeente Utrecht hanteert het planologische kengetal van één sporthal per 17.500 inwoners om de behoefte aan zaalruimte voor de (georganiseerde) zaalsport te bepalen. De gemeente heeft geen kengetal voor sportzalen. De richtlijn voor sporthallen is afgeleid van de draagvlakcijfers uit de Planologische Kengetallen (Knol et al., 2002). Als draagvlak voor een sporthal moet volgens de Planologische Kengetallen 15.000 tot 20.000 inwoners worden aangehouden; voor een sportzaal 10.000 tot 12.500 inwoners. De landelijke richtlijn gaat, naast de aanwezigheid van sporthallen, uit van een bepaalde mate van aanwezigheid van sportzalen. In de situatie dat sportzalen ontbreken, zijn meer sporthallen nodig. De draagvlakcijfers voor het bepalen van de benodigde binnensportruimte zijn door het Mulier Instituut herijkt (tekstkader 2.1).6 In het vervolg van deze rapportage wordt, waar nodig, met deze herijkte draagvlakcijfers gewerkt. Vergelijken we het Utrechtse kengetal met de herijkte draagvlakcijfers dan zien we dat het kengetal dat de gemeente Utrecht hanteert om de behoefte aan sporthallen te bepalen aan de bovenkant van de bandbreedte valt en daarmee overeenkomt met de ondergrens van het aantal benodigde sporthallen.
De ontbrekende richtlijn voor sportzalen in de gemeente Utrecht wordt bij de herijkte draagvlakcijfers ook losgelaten, maar dit betekent niet dat de huidige sportzalen niet van belang zijn voor het accommoderen van de zaalsport. Sportzalen hebben een beperktere functionaliteit voor de meeste zaalsporten, maar kunnen wel in een specifieke behoefte voorzien (zoals bewegingsonderwijs of vanuit specifieke gebruikers, zoals gymnastiek-/turnverenigingen). De acht sportzalen in Utrecht zijn daarmee een aanvulling op het aanbod aan sporthallen. Naar de toekomst toe is het, vanuit de sport bezien, wel de vraag in hoeverre sportzalen, vanwege hun mindere functionaliteit voor een aantal sporten, in stand gehouden of gerealiseerd moeten worden.
6
14
De herijking is uitgevoerd met ondersteuning van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en in samenspraak met het werkveld (NOC*NSF, VSG, KVLO en diverse sportbonden).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Tekstkader 2.1 Draagvlakcijfers voor het bepalen van de benodigde binnensportruimte De draagvlakcijfers uit de Planologische Kengetallen, waarvan de Utrechtse richtlijn is afgeleid, dateren uit de jaren negentig. Veranderingen in de afgelopen twintig jaar in onder andere de sportdeelname en sportvoorkeuren maken deze planningsnormen verouderd. Het Mulier Instituut heeft daarom onderzocht, of, gezien deze veranderingen en de beschikbaarheid van nieuwe gegevens, de bestaande planningsinstrumenten voor binnensportaccommodaties geactualiseerd of herijkt moeten worden. Uit de analyses blijkt dat in de praktijk meer sporthallen en juist minder sportzalen aanwezig zijn dan de Planologische Kengetallen voorschrijven. Daarnaast is de context in stedelijke en minder stedelijke gebieden dusdanig anders (denk aan de bevolkingsdichtheid en de verschillen in diversiteit in het sportaccommodatielandschap) dat dit vraagt om aparte richtlijnen. Op basis van de analyses stellen de onderzoekers een herijking van de verouderde draagvlakcijfers uit de Planologische Kengetallen voor (tabel 2.1). Binnen de twee categorieën stedelijkheid zijn meerdere gradaties te onderscheiden, waarmee bij het afstemmen van vraag en benodigd aanbod rekening moet worden gehouden.
Zo is de context in een G4-gemeente dusdanig anders dan in een gemiddelde stedelijke gemeente, waardoor van de draagvlakcijfers kan worden afgeweken. Onderzoekers benadrukken dat de herijkte draagvlakcijfers voor het bepalen van de benodigde binnensportruimte voor sporthallen als richtlijn kunnen dienen. De richtlijn moet niet als een losstaand meetkundig instrument worden toegepast, maar zal bij een besluitvormingsproces onderdeel moeten zijn van een uitgebreide analyse. Tabel 2.1 Herijkte draagvlakcijfers voor het bepalen van de benodigde binnensportruimte Accommodatietype
Richtlijn
Sporthallen
Stedelijk gebied: draagvlak van 10.000 tot 17.500 inwoners. Landelijk gebied: draagvlak van 6.250 tot 12.500 inwoners
Sportzalen
Bij de planning van sportzalen moeten de draagvlakcijfers losgelaten worden; lokaal moet de afweging gemaakt worden of de totstandkoming/instandhouding van sportzalen een logische uitkomst is.
Bron: Schadenberg et al., 2020.
2.2
Kengetallen in andere grootstedelijke gemeenten Zeven andere grootstedelijke gemeenten zijn gevraagd welke planologische kengetallen of uitgangspunten zij gebruiken om het benodigde aantal sporthallen en sportzalen in de gemeente te bepalen (tabel 2.2). Vijf gemeenten hebben een kengetal voor het bepalen van de behoefte aan binnensportaccommodaties of een richtlijn die aangeeft bij welk aantal extra inwoners er een sporthal (of sportzaal) bij moet komen. De gemeenten die een richtlijn hanteren, maken gebruik van de landelijke richtlijn uit de Planologische Kengetallen (één sporthal per 15.000 tot 20.000 inwoners; één sportzaal per 10.000 tot 12.500 inwoners) of hanteren een krappere richtlijn voor sporthallen (meer inwoners per sporthal). De richtlijnen van de gemeenten die een krappere richtlijn hanteren, lopen uiteen van één sporthal per 22.000 inwoners tot één sporthal per 25.000 inwoners. Zij hanteren, net als Utrecht, ook geen richtlijn voor sportzalen. Twee gemeenten maken geen gebruik van richtlijnen om de behoefte aan sporthallen en/of sportzalen in de gemeente te bepalen (tabel 2.2). Dat is een bewuste keuze van deze gemeenten.
De benodigde ruimte voor binnensport beoordelen zij aan de hand van verschillende aspecten, zoals de vraag naar zaalruimte (vanuit de inwoners en de sport), het type gebruik (onderwijs, verenigingen, overig), de kwaliteit van de accommodaties en afhankelijkheid van de ruimte die bepaalde sporten nodig hebben (niet elke sport hoeft in een sporthal).
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
15
Tabel 2.2 Landelijke en gemeentelijke kengetallen benodigd aantal sporthallen en -zalen Planologisch kengetal Gemeente
Sporthallen
Sportzalen
Amsterdam
1 sporthal op 24.000 inw.
Geen specifieke richtlijn
Den Haag
1 sporthal op 22.000 inw.
Geen specifieke richtlijn
Eindhoven
Geen specifieke richtlijn
Geen specifieke richtlijn
Groningen
Geen specifieke richtlijn
Geen specifieke richtlijn
Nijmegen
1 sporthal op 15.000-20.000 inw.
1 sportzaal op 10.000-12.500 inw.
Rotterdam
1 sporthal op 25.000 inw.
Geen specifieke richtlijn
Tilburg
1 sporthal op 15.000-20.000 inw.
1 sportzaal op 10.000-12.500 inw.
Utrecht
1 sporthal op 17.500 inw.
Geen specifieke richtlijn
Planologische Kengetallen
1 sporthal op 15.000-20.000 inw.
1 sportzaal op 10.000-12.500 inw.
Herijkte draagvlakcijfers
1 sporthal op 10.000-17.500 inw.
Geen specifieke richtlijn
(stedelijke context)
Grote (ruimtelijke) opgaven, zoals de woningbouwopgave (voortvloeiend uit de verwachte bevolkingsgroei) en de verdichting van steden hebben ertoe geleid dat gemeenten ruimtelijke richtlijnen voor sportruimte hebben opgesteld. Maar ook voor andere maatschappelijke voorzieningen, groene ruimte en beweeg- en speelruimte hanteren gemeenten dergelijke referentienormen. De zeven gemeenten geven aan dat de richtlijn nooit leidend is bij de totstandkoming of instandhouding van binnensportaccommodaties. De richtlijnen worden gebruikt bij grote stads- en gebiedsontwikkelingen, waar vaak wordt getoetst of in de plannen de norm voldoende wordt meegenomen. De uiteindelijke totstandkoming of instandhouding van binnensportruimte vraagt om lokaal maatwerk, bijvoorbeeld doordat de bevolkingssamenstelling of het aanbod aan andere typen sportaccommodaties verschilt per wijk. Maar bijvoorbeeld ook de spreiding van en de reisafstand tot de accommodaties spelen hierbij een rol. Dit betekent dat de gemeenten aanvullend op de bestaande richtlijnen tal van andere indicatoren analyseren om de lokale (sport)context in kaart te brengen en op basis daarvan beslissingen nemen over het huidige en toekomstige aanbod aan binnensportaccommodaties. Vanuit de sport wordt hierbij vaak de samenwerking met onderwijs en vastgoed gezocht.
De gemeenten (met en zonder richtlijn) geven voornamelijk aan dat ze, net als de gemeente Utrecht, momenteel bezig zijn om, of al hebben gekeken naar, de mogelijkheden om de bezetting in bestaande binnensportaccommodaties te verbeteren. De gemeenten brengen periodiek de bezetting van de binnensportruimtes in kaart, waarbij een aantal van de gemeenten een doorberekening maakt naar de toekomst op basis van bevolkingsprognoses. Aangezien de meeste gemeenten constateren dat zowel in gymzalen als in sportzalen overwegend nog ruimte is, wordt onderzocht of momenteel de ‘juiste’ sport in de ‘juiste’ locatie zit. Dit biedt bijvoorbeeld mogelijkheden om sporten die momenteel in een sporthal zitten, maar goed in een sportzaal of gymzaal beoefend kunnen worden (omdat ze geen halhoogte dan wel -grootte nodig hebben), aan te moedigen om van deze accommodaties gebruik te gaan maken. Dit kan extra ruimte in al bestaande sporthallen bieden voor sporten die zowel voor de trainingen als voor de wedstrijden afhankelijk zijn van de (afmetings)eisen waaraan een sporthal voldoet. Het openstellen van gymzalen voor het gebruik door sportverenigingen blijkt in andere gemeenten waardevol te zijn voor het aanbieden van sport in de wijk. Een deel van deze gemeenten heeft concrete uitgangspunten voor de inroostering van de accommodaties opgesteld.
Gemeenten stellen hierbij uitgangspunten op voor de toewijzing van binnensportaccommodaties aan gebruikers (bijvoorbeeld seizoenshuur voorrang op incidentele huur, clustering van sporten, sport en onderwijs voorrang op andere activiteiten). Tot slot constateren de
16
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
andere gemeenten dat de vraag naar sporthallen voornamelijk toeneemt op de piekuren (doordeweekse trainingsavonden) in de winterperiode, maar dat het niet rendabel is om het aanbod aan sporthallen aan te passen op de behoefte in deze relatief korte periode. De gemeenten gaan het gesprek met de verenigingen aan om te kijken naar de mogelijkheden voor tijdelijke binnensportruimtes, zoals een blaashal. Gemeenten willen (onder andere in beleidsnotities) richting geven aan de hoeveelheid blaashallen en de spreiding hiervan, maar ook aan de voorwaarden voor het beheer en onderhoud van de blaashallen. De gemeenten die geen richtlijn hanteren, geven aan dat ze wel nadenken over wat de beste manier is om de (toekomstige) behoefte aan ruimte voor de zaalsporten te bepalen. Voor de totstandkoming van nieuwe zaalruimte wordt specifiek gekeken naar de vraag: wat is er nodig of wenselijk wanneer er een nieuwe wijk komt, of welke wensen liggen er in bestaande wijken?
2.3
Conclusie De Utrechtse richtlijn (één sporthal per 17.500 inwoners): • zit aan de minimale kant van de herijkte draagvlakcijfers (één sporthal per 10.000-17.500 inwoners) in stedelijke context; • schrijft minder inwoners per sporthal voor dan de drie andere gemeenten uit de G4, waarmee de gemeente Utrecht streeft naar relatief meer sporthallen ten opzichte van het aantal inwoners dan deze drie gemeenten. Al deze gemeenten hebben, net als Utrecht, geen richtlijn voor sportzalen; • zit in het midden van de bandbreedte die twee andere grootstedelijke gemeenten (op basis van de Planologische Kengetallen) hanteren (Nijmegen en Tilburg). In tegenstelling tot de gemeente Utrecht hebben deze twee gemeenten, net als de Planologische Kengetallen, wel een richtlijn voor het aantal sportzalen. Bij de vergelijking met de andere gemeenten moet opgemerkt worden dat de inventarisatie zich heeft beperkt tot de kengetallen of uitgangspunten en niet is ingegaan op aspecten als bevolkingssamenstelling, sportdeelname of lokale populariteit van sporten. Bovendien geven deze gemeenten aan dat de richtlijn nooit leidend is bij de totstandkoming of instandhouding van binnensportaccommodaties. De uiteindelijke totstandkoming of instandhouding van zaalruimte vraagt om lokaal maatwerk.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
17
3.
Capaciteit en gebruik binnensportaccommodaties Utrecht In dit hoofdstuk beschrijven we het aanbod en het gebruik van binnensportaccommodaties in Utrecht. In de eerste paragraaf gaan we in op het aantal sporthallen en -zalen en beschrijven we hoeveel velden voor badminton, basketbal, handbal, korfbal, volleybal, zaalhockey en zaalvoetbal beschikbaar zijn. We maken hierbij onderscheid in beschikbaarheid voor trainingen en beschikbaarheid voor wedstrijden. In de tweede paragraaf beschrijven we het gebruik van de sportaccommodaties. We laten de variatie in bezetting van de sportaccommodaties tijdens verschillende tijdvakken zien en maken inzichtelijk wie de gebruikers van deze accommodaties zijn.
3.1
Capaciteit binnensportaccommodaties In Utrecht zijn twintig sporthallen, acht sportzalen en twee locaties met blaashallen. Kaart 3.1 laat de locaties van deze voorzieningen in de gemeente Utrecht zien. Kaart 3.1 Sporthallen, blaashallen en sportzalen in de gemeente Utrecht
SPORTHALLEN 1) Loevenhout 2) Zuilen 3) De Dreef 4) Galgenwaard (3 hallen) 5) Hoograven 6) Nieuw Welgelegen (2 hallen) 7) Sportcampus 8) Cultuurcampus 9) De Paperclip 10) De Weide Wereld 11) Europahal 12) Oudenrijn 13) Lunetten 14) Olympos (3 hallen) 15) Hercules 26) David Lloyd SPORTZALEN 16) De Speler 17) Hart van Noord 18) Het Zand 19) Voorn 20) Waterwin 21) Broos Gerssenzaal 22) Fletiozaal 23) Marezaal BLAASHALLEN 24) Kampong (4 velden) 25) Fletiomare (2 velden) Kaartvervaardiging: Mulier Instituut.
18
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Sporthallen Veertien van de twintig sporthallen zijn in gemeentelijk beheer (kaart 3.1). Sporthallen hebben een sportvloer van minimaal 40 bij 20 meter (exclusief uitloop) waarop ruimte wordt geboden om zowel trainings- als competitievormen af te werken voor badminton, basketbal, volleybal, zaalhandbal, zaalhockey, zaalkorfbal, zaalvoetbal en sporten zonder belijning (zoals diverse gevechts- en verdedigingssporten, gymnastiek, tafeltennis en turnen). Daarnaast zijn er zes hockeyvelden (vier bij Kampong en twee bij Fletiomare) die in de wintermaanden door een blaashal worden overkapt. De blaashallen worden niet meegeteld als aanbod van sporthallen bij toepassing van de Utrechtse richtlijn. Ze dienen als extra capaciteit om de piekdrukte in de wintermaanden op te vangen. In het Sportcentrum David Lloyd in Utrecht is eveneens een sporthal aanwezig. Deze wordt echter niet meegerekend in de capaciteit voor de zaalsporten, omdat in het sportcentrum steeds minder ruimte voor verenigingssport aanwezig is. Het aantal velden per sport varieert tussen de verschillende sporthallen; in de ene hal zijn bijvoorbeeld negen badmintonvelden, terwijl in andere sporthallen belijningen voor zes badmintonvelden aanwezig zijn. In tabel 3.1 is het totale aantal velden in sporthallen per type sport te zien.
In bijlage 1 is een overzicht van het aantal velden per sporthal opgenomen (voor trainingen en voor wedstrijden). Voor een aantal sporten zijn niet alle aanwezige velden geschikt voor het spelen van wedstrijden. Het aantal velden dat beschikbaar is voor wedstrijden is daarmee lager dan het aantal velden dat beschikbaar is voor trainingen. De afmetingseisen die voor de verschillende sporten aan de accommodaties worden gesteld, zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 3.1 Aantal velden dat beschikbaar is voor trainingen en wedstrijden (breedtesport) in sporthallen, per type sport, gemeente Utrecht, seizoen 2020/’21 Badminton
BasketbalA
Handbal
Korfbal
Volleybal
ZaalhockeyB
Zaalvoetbal
Trainingen
153
36
18
18
69
20
20
Wedstrijden
151
29
17
18
69
14
20
A.
Exclusief twee velden in Sportcentrum David Lloyd.
B.
Inclusief zes velden in blaashallen.
Voor basketbal en volleybal hebben enkele sporthallen ook mogelijkheden voor centre court-velden (bijlage 1). Zo heeft sporthal De Paperclip belijning voor twee basketbalvelden of één basketbalveld in centre court-opstelling en heeft De Cultuurcampus vier volleybalvelden of drie velden als er van de centre court-indeling gebruik wordt gemaakt. Topsporthallen In de gemeente Utrecht is sportcentrum Galgenwaard de primaire topsporthal. Topsporthal Galgenwaard heeft een afmeting van 44 bij 32 meter en een hoogte van 9 meter. Er is een tribune met 450 zitplaatsen. Sporthal Nieuw Welgelegen is de secundaire topsporthal7 binnen de gemeente. Topsporthal Nieuw Welgelegen heeft een afmeting van 44 bij 24 meter en is ook 9 meter hoog. Op de tribune is plek voor 341 personen. Naast deze topsporthallen die breed inzetbaar zijn, is turnhal Nieuw Welgelegen een sportspecifieke topsportaccommodatie.
7
Het is niet bekend en ook niet onderzocht voor welke sporten Nieuw Welgelegen als topsportlocatie geschikt is.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
19
Sportzalen De acht sportzalen zijn allen in gemeentelijk beheer 8 (kaart 3.1). Sportzalen hebben een sportvloer van circa 28 bij 22 meter waarop ruimte wordt geboden voor badminton, basketbal, volleybal en sporten zonder belijning. Sportzalen kunnen voor andere zaalsporten als trainingsmogelijkheden fungeren. Vanwege de afmetingen zijn sportzalen niet geschikt voor handbal, hockey, korfbal en zaalvoetbalwedstrijden (tabel 3.2). Sportzalen zijn wel geschikt voor trainingen en wedstrijden voor badminton en volleybal (tot bepaald niveau) en voor basketbaltrainingen.9 Vanwege de afmetingen kunnen in de meeste zalen geen basketbalwedstrijden worden gespeeld. In bijlage 2 is een overzicht van het aantal velden per sportzaal opgenomen (voor trainingen en voor wedstrijden). Tabel 3.2 Aantal velden dat beschikbaar is voor trainingen en wedstrijden (breedtesport) in sportzalen, per type sport, gemeente Utrecht, seizoen 2020/’21 Badminton
Basketbal
Handbal
Korfbal
Volleybal
Zaalhockey
Zaalvoetbal
Trainingen
27
15
0
0
15
0
3
Wedstrijden
27
2
0
0
15
0
0
Overige accommodaties In Utrecht liggen 81 gymzalen, waarvan 44 in gemeentelijke eigendom zijn (Wezenberg-Hoenderkamp & Schadenberg, 2019). De afmetingen van gymzalen zijn vaak afgeleid uit de afmetingen die zijn opgenomen in de Modelverordening Huisvesting Onderwijs (21 bij 12 meter). Deze afmetingen bieden in principe (mede afhankelijk van de hoogte van de zaal) mogelijkheden voor training en competitie voor badminton, diverse gevechts- en verdedigingssporten en tafeltennis. Gymzalen kunnen in sommige gevallen ook als trainingsmogelijkheden voor andere sporten fungeren, zoals volleybal en basketbal. Naast de gymzalen zijn in Utrecht nog andere typen binnensportaccommodaties, zoals dojo’s en danszalen. Deze accommodaties zijn geschikt voor specifieke sporttakken en voorzien daarmee in een deel van de vraag naar sportruimte. De sporten die hierin plaatsvinden zijn over het algemeen geen sporten die in Utrecht (ook) in sporthallen plaatsvinden. Geplande mutaties De gemeente Utrecht heeft in het meerjarenperspectief Utrechts Vastgoed en de meerjarennota kapitaalgoederen ruimte gereserveerd voor de uitbreiding van het aantal sporthallen. Op het Berlijnplein (Leidsche Rijn), in de Cartesiusdriehoek (West), in de Merwedekanaalzone (Zuidwest) en in Noordoost zijn in totaal vier sporthallen gepland.
Daarnaast is een sporthal gepland in Kanaleneiland-Zuid, waar het Globecollege naartoe verhuist.10
8
Sportaccommodatie Winklerlaan, in eerder onderzoek als sportzaal bestempeld, bestaat uit twee gymzalen en wordt niet als sportzaal meegenomen.
9
Uit onderzoek blijkt dat in sportzalen sporadisch door jeugdteams wordt gehockeyd (Schadenberg et al., 2020). In Utrecht gebeurt dit niet.
10
20
Gegevens aangeleverd door de gemeente Utrecht.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Vanuit onderwijs zijn daarnaast plannen voor het realiseren van: • periode 2021 t/m 2025: o acht gymzalen; o één gymzaal en één sportzaal (i.p.v. drie gymzalen op huidige locatie); o zeker één sporthal, mogelijk twee (i.p.v. totaal drie (of zes) gymzalen op huidige locatie(s)); • periode 2026 t/m 2030: o vier gymzalen; • periode 2030 t/m 2040: o nog geen plannen.
3.2
Gebruik gemeentelijke binnensportaccommodaties (m.u.v. Sporthal Lunetten) Vijftien Utrechtse sporthallen zijn in gemeentelijke eigendom. Eén van deze sporthallen is Sporthal Lunetten. Het beheer van deze sporthal is echter in handen van een beheersstichting; de andere veertien gemeentelijke sporthallen door de gemeente worden beheerd. Verhuur van Sporthal Lunetten verloopt daarom niet via de gemeente. Daarom wordt het gebruik van Sporthal Lunetten in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten. Sporthallen In de Utrechtse sporthallen die door de gemeente worden geëxploiteerd, werd in 201911 ruim 19.000 uur gesport. Dit betrof circa 61 procent van het totale gebruik (tabel 3.3). Gemiddeld werden de sporthallen op jaarbasis ruim 2.200 uur gebruikt, waarvan circa 1.400 uur voor sportbeoefening. In de sporthallen in de Galgenwaard werd het meest gesport; in sporthal Loevenhout beduidend minder (niet in tabel). Het (gemiddelde) totale gebruik van de Utrechtse sporthallen is redelijk in lijn met landelijke referentiecijfers voor sporthallen in grootstedelijke gemeenten (tabel 3.3). Het sportgebruik van de sporthallen in Utrecht is echter over het algemeen hoger; sporthallen in andere gemeenten worden meer voor bewegingsonderwijs gebruikt. Tabel 3.3 Jaargebruik gemeentelijke sporthallen gemeente Utrecht (m.u.v. Sporthal Lunetten) in 2019 (in aantal uur en procenten) Sport
Onderwijs
Overig
Totaal
Totaal sporthallen Utrecht
19.449 uur
11.894 uur
405 uur
31.748 uur
Gemiddelde per sporthal Utrecht
1.389 uur
850 uur
29 uur
2.268 uur
(61%)
(38%)
(1%)
(100%)
1.287 uur
1.035 uur
26 uur
2.317 uur
(55%)
(44%)
(1%)
(100%)
Gemiddelde sporthallen grootstedelijke gemeenten
11
Vanwege coronamaatregelen zijn sporthallen in 2020 en 2021 niet volledig gebruikt.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
21
Sport Zaalvoetbal is de meest beoefende sport in de gemeentelijke sporthallen. Bijna een kwart van het sportgebruik betreft zaalvoetbal (23%). Een groot deel van het zaalvoetbal dat plaatsvindt in de Utrechtse gemeentelijke sporthallen staat op naam van de KNVB als competitieaanbieder (43%). Volleybal is na voetbal de meest beoefende sport (22% van het sportgebruik). 12 De meeste sporthallen hebben een of meerdere hoofdsporten (tabel 3.4). Dat neemt niet weg dat de sporthallen door een veelvoud van sportverenigingen worden gebruikt. Gemiddeld worden de sporthallen door vier verenigingen gebruikt die op jaarbasis minimaal 40 uur in de desbetreffende sporthallen afnemen. Hierbij zijn de competitieaanbieders, zoals de KNVB, buiten beschouwing gelaten. Naast de competitieaanbieders en de verenigingen (die structureel actief zijn in de sporthallen), worden de sporthallen veelvuldig gebruikt door overige sportaanbieders, particulieren en commerciële partijen. Tabel 3.4 Meest beoefende sporten in gemeentelijke sporthallen gemeente Utrecht (m.u.v. Sporthal Lunetten) in 2019 (met percentage van betreffende sport in totale sportgebruik) Aantal sportgebruikers Sporthal
Sport #1
Sport #2
Sport #3
Cultuurcampus
Badminton (36%)
Hockey (28%)
Volleybal (28%)
18 | 6
De Dreef
Voetbal (42%)
Volleybal (34%)
Badminton (7%)
54 | 2
De Paperclip
Volleybal (74%)
Voetbal (15%)
Honk-/softbal (8%)
31 | 3
Europahal
Handbal (44%)
Korfbal (37%)
Zaalhockey (8%)
40 | 4
Galgenwaard A
Volleybal (61%)
Badminton (16%)
Zaalhockey (9%)
69 | 6
Galgenwaard B
Badminton (30%)
Volleybal (30%)
Zaalvoetbal (10%)
65 | 6
Galgenwaard C
Atletiek (49%)
Honk-/softbal (12%) Frisbee (9%)
78 | 11
Hoograven
Badminton (40%)
Korfbal (26%)
Zaalvoetbal (18%)
60 | 3
Loevenhout
Korfbal (98%)
Zaalvoetbal (1%)
Overige sporten (1%)
38 | 1
Nieuw Welgelegen A
Volleybal (63%)
Voetbal (29%)
Floorball (7%)
88 | 3
Nieuw Welgelegen B
Floorball (42%)
Voetbal (31%)
Volleybal (19%)
91 | 4
Sportcampus
Floorball (39%)
Basketbal (35%)
Zaalvoetbal (10%)
32 | 5
Weide Wereld
Voetbal (36%)
Volleybal (31%)
Judo (11%)
32 | 2
Zuilen
Handbal (39%)
Voetbal (37%)
Volleybal (16%)
71 | 2
(totaal | structureel)
Drie kwart van het sportgebruik van de sporthallen tussen 08:00 en 23:00 uur stond op naam van een sportvereniging (figuur 3.1). Tijdens de avonduren (18:00–22:00 uur) loopt dit percentage op tot 82 procent, terwijl het overdag (08:00–16:00 uur) met 59 procent juist lager ligt. In de winterperiode is het aandeel verenigingssport in het sportgebruik hoger dan daarbuiten. Dit wordt in figuur 3.2 geïllustreerd door de weken 6 (winterperiode) en 16 (buiten winterperiode) te vergelijken.
12
22
De niet-gemeentelijke sporthallen Sporthal Lunetten, Oudenrijn en David Lloyd worden hoofdzakelijk door basketbalverenigingen gebruikt. Ook basketbal is daarmee een grote zaalsport binnen de gemeente Utrecht.
Zaalsport in Utrecht | Mulier Instituut
Figuur 3.1 Percentage sportgebruik sporthallen gemeente Utrecht door sportverenigingen en overige huurders, naar tijdvak, 2019
18:00-22:00
82%
18%
16:00-23:00
80%
20%
8:00-23:00
75%
16:00-18:00
25%
65%
08:00-16:00
35%
59% 0%
20%
41% 40%
Verenigingen
60%
80%
100%
Niet-verenigingen
8:00-23:00
wk 16
18:00-22:00
Figuur 3.2 Percentage sportgebruik sporthallen gemeente Utrecht door sportverenigingen en overige huurders in week 6 en 16, naar tijdvak, 2019
wk 16
66%
wk 6
34%
83%
17%
78%
wk 6
22%
87% 0%
10%
20%
30%
40%
Verenigingen
13% 50%
60%
70%
80%
90%
100%
Niet-verenigingen
Bezetting In tabel 3.5 wordt de gemiddelde doordeweekse bezetting van de gemeentelijke sporthallen in Utrecht weergegeven, naar uur en periode. In de maanden oktober, november, april en mei zijn min of meer alleen de verenigingen actief die alleen een zaalseizoen kennen. In november tot en met maart vindt het zaalseizoen van korfbal plaats. Het zaalhockeyseizoen vindt alleen plaats in december en januari. Tussen 16:00 en 18:00 uur wordt in de sporthallen in de meeste maanden relatief weinig gesport. Hoewel in februari en maart de bezettingsgraden tijdens deze uren hoger zijn, heeft de instroom van de hockeyverenigingen in december en januari het meeste effect op de bezetting. De bezetting van de sporthal Nieuw Welgelegen is doordeweeks over het algemeen het hoogst. Het gebruik van Sporthallen Loevenhout en De Dreef blijft achter ten opzichte van de andere gemeentelijke sporthallen (niet in figuur).