Rapportage Berenschot de toekomst van de organisatie van het Utrechts archief.pdf
Tekst van het document
RAPPORT
Uitwerking scenario II Doel: Het doel van deze analyse was om een inschatting te geven van de haalbaarheid (in het licht van het merendeelcriterium en draagvlak onder potentiële toetreders) van een uitbreiding van de samenwerkende partijen (zowel toetreding tot GR als fusievariant). Analyse: Allereerst is de hoogte van het te overbruggen bedrag vastgesteld om zodoende te kunnen blijven voldoen aan het ‘merendeel-criterium’. Vervolgens is onderzocht of dit bedrag te overbruggen is d.m.v. uitbreiding samenwerking of fusie. Stap 1: • Uit de jaarstukken 2021 HUA blijkt dat de Rijksbijdrage € 2.631.109 bedroeg. • De brief van Minister Slob d.d. 15 december 2021 stelde dat: “De rijksmiddelen die nu jaarlijks door het Rijk aan de gemeenschappelijke regelingen worden toegekend blijven middels deze [specifieke] uitkering voor dit beheer beschikbaar.” • Conclusie 1: het Rijk is voornemens om na uittreding –in ieder geval- het bedrag van € 2.631.109 over te maken als een SPUK. Stap 2: • Gelet op het merendeel-criterium mag deze SPUK niet meer dan 20% van de totale begroting van de GR zijn. • Als 20% = € 2.631.109 (hoogte SPUK) , dan is 80% 4 x € 2.631.109 = € 10.524.436. • Conclusie 2: bij een bijdrage van het Rijk van € 2.631.109 via een SPUK, moet de rest van de begroting minimaal € 10.524.436 zijn (NB. de totale begroting HUA incl. SPUK moet in nieuwe situatie € 13.155.545 worden).
Openbaar
Stap 3: • Bijdrage van de provincie en gemeente tezamen (uit de jaarstukken 2021) is nu € 671.619 + € 3.440.910 = € 4.112.529 • Het te overbruggen bedrag om d.m.v. uitbreiding te voldoen aan het merendeel criterium wordt dus: € 10.524.436 - € 4.112.529 = € 6.411.907 • Conclusie 3: in de totaliteit moet de GR worden uitgebreid/gefuseerd met een x-tal partners, voor een minimale waarde van € 6.411.907 Stap 4: • Een analyse van de jaarstukken van alle gemeentes binnen de provincie Utrecht geeft het volgende beeld: - Alleen de gemeente Amersfoort geeft ca. € 1.100.000 uit aan archieftaken. De andere grote 6-7 gemeentes in de provincie Utrecht zitten tussen de € 140.000 – € 275.000. Daarna zitten de meeste 16-17 gemeentes zo rond de € 60.000. - Bij elkaar opgeteld is dit tussen de € 2.500.000 tot € 3.000.000. • Conclusie 4: € 6.411.907 (het te overbruggen bedrag) - € 3.000.000 (max. bijdrage van andere gemeentes bij toetreding) levert alsnog een tekort op van ten minst € 3.411.907 in geval er wordt gefuseerd met alle archiefdiensten in de provincie Utrecht. Stap 5: • Een fusie met andere RHC’s is eveneens niet zinvol gebleken, omdat deze ieder ook een eigen SPUK meenemen. Dit zal het te overbruggen bedrag des te meer verhogen. Bevindingen: Naar ons oordeel is het bedrag (ca. € 3.411.907) dat d.m.v.
uitbreiding van de samenwerking (zowel toetreding tot GR als fusie-variant) om zo te voldoen aan het merendeel-criterium niet te overbruggen. Scenario II is daardoor geen realistisch scenario gebleken.
76
RAPPORT
Uitwerking scenario IV (1/2)Bevindingen : Doel: Het doel deze analyse was om een verdere verdieping van de operationele en financiële consequenties van scenario IV voor de gemeente Utrecht, HUA en de provincie Utrecht te geven. Een verdere verdieping vindt plaats langs 3 hoofdlijnen: 1) impact op de bedrijfsvoering van de gemeente Utrecht a.d.h.v. de elementen genoemd in PIJOFACH; 2) continuïteit van de taken HUA, de effecten op de arbeidsrelaties, overname van contracten; en 3) mogelijkheden voor de provincie om – door het voeren van flankerend beleid – de risico’s van de gemeente te delen. Aanpak: Met een PIJOFACH-analyse kan onafhankelijk inzicht verkregen worden in de impact van deze verandering voor de betrokken organisaties. Door de verandering voor de betrokken organisaties langs de vragenlijst van PIJOFACH te leggen, wordt inzage verkregen in welke impact de verandering heeft op bedrijfselementen als Personeel, Informatie, Juridisch, Organisatie, Financiën, Communicatie en Huisvesting. Voor de gevraagde verdere verdieping van de operationele en financiële consequenties heeft Berenschot samen met medewerkers en experts van de gemeente, provincie en HUA. Aan de hand van de twee PIJOFACH-sessies is een memo opgesteld. De bevindingen hiervan staan op hoofdlijnen hiernaast opgenomen.
Openbaar
+ Uit de PIJOFACH-analyse is gebleken dat de integratie van HUA in de organisatie van de gemeente Utrecht op hoofdlijnen te realiseren zal zijn. De complexiteit van deze integratie zal afhangen van de mate van integratie. De continuïteit van de taken van HUA, het effect op de lopende arbeidsrelaties en de overname van contracten zal te realiseren zijn. Zo werkt HUA – in de basis – met het personeelshandboek en het functieboek van de gemeente Utrecht, en is de cao inhoudelijk gezien exact gelijk aan de cao van de gemeente. + Verder zijn er geen risico’s gebleken voor de continuïteit van de taken van HUA; + Door middel van DVO’s is het mogelijk om risico’s tussen gemeente en provincie naar rato te verdelen (bijv. in geval van brand, lekkend dak o.i.d.). Wel zijn er een aantal risico’s gesignaleerd, namelijk: - Operationeel: hoe verstrekkender de integratie van HUA, naar alle waarschijnlijkheid des te groter angst onder de medewerkers HUA wat betreft de gevolgen en om mee te gaan in deze integratie. Vanuit HUA wordt er veel waarde gehecht aan de autonomie van de organisatie, waaronder ook de voortzetting van een goedwerkend RHC in het landelijk netwerk van archieven en het samenwerkingsverband van Utrechtse musea. - Financieel: Het is mogelijk dat er sprake is van schaalinflatie.
De huidige inschatting is dat dit zal gelden voor circa 10 functies, waarvan het risico wordt ingeschat op circa EUR 100.000,-. - Bestuurlijk: de gemeente neemt de verantwoordelijkheid met bijkomende risico’s voor de (regionale) archieven van het Rijk en de provincie. De gemeentelijke organisatie is gestart met een taxatie ter voorbereiding op een verdere uitwerking hiervan. Bovenstaande bevindingen zijn op hoofdlijnen. Er zal nog een aanvullende planfase nodig zijn om de integratie van HUA in de gemeentelijke organisatie –en de gradatie daarvan- te realiseren. Daarin moet tevens aandacht zijn voor de toezicht functie van o.a. de provinciearchivaris binnen de organisatie.
77
RAPPORT
Uitwerking scenario IV (2/2)Juristen van de gemeente Utrecht en provincie Utrecht zijn gezamenlijk tot het oordeel Doel: Aanvullend is Berenschot gevraagd om zich te buigen over de juridische grondslag voor de samenwerking in scenario IV, in geval het algemeen bestuur HUA hiervoor zou kiezen. Dit kwam aan de orde mede gelet op het mededingingsrecht en de gestelde grens van 750.000 EUR voor archieftaken in het aanbestedingsrecht. Tevens was er sprake van een spraakverwarring door het gebruik van de term ‘centrumregeling’ als aanduiding voor dit scenario. Het verzoek kwam vanuit de provincie Utrecht om hier kort een aanvullende analyse op te ondernemen. Aanpak: Juristen van Berenschot hebben zich gebogen over de samenwerkingsvorm die passend zou zijn in geval scenario IV de voorkeur van het algemeen bestuur HUA geniet, meer specifiek: de ‘horizontale samenwerking’. De bevindingen zijn daarna in gezamenlijkheid doorgesproken met juristen van de gemeente en provincie. Bevindingen Horizontale samenwerking wordt in Richtlijn 2014/24 gereguleerd in artikel 12 lid 4. Deze is geïmplementeerd in artikel 2.24c Aanbestedingswet 2012.
Er is geen sprake van een Europese aanbestedingsplicht indien: a) een opdracht wordt verleend tussen twee of meer aanbestedende diensten; b) welke opdracht uitvoering geeft aan samenwerking tussen deze aanbestedende diensten om te bewerkstelligen dat de openbare diensten die zij uitvoeren worden verleend met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen; c) de invulling van de samenwerking berust uitsluitend op overwegingen in verband met het openbaar belang; en d) de aanbestedende diensten nemen op de open markt niet meer dan 20% van de onder de samenwerking vallende activiteiten voor hun rekening. Openbaar
gekomen dat aan punten a) t/m c) wordt voldaan. Daarbij is wel de opgemerkt dat er sprake moet zijn van een ‘echte samenwerking’: een synergie tussen de Gemeente en Provincie. Hierbij wel gelet op het feit dat er nog een aanvullende planfase nodig zal zijn om de integratie van HUA in de gemeentelijke organisatie –en de gradatie daarvan- te realiseren, waaronder ook aandacht voor het punt van synergie. Wat betreft punt d) hebben de juristen van de Gemeente en Provincie in gezamenlijkheid aangemerkt dat er twee verschillende stromingen bestaan wat betreft de interpretatie van de term ‘open markt’ in relatie tot de gestelde ‘20% van de onder de samenwerking vallende activiteiten’: 1. De ene stroming stelt dat de 20% dient te worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 2.24a en 2.24b van Aanbestedingswet 2012, waardoor het aandeel van het Rijk (d.m.v. SPUK à 38%) deze samenwerkingsvorm zou kunnen belemmeren. 2. De andere stroming stelt dat de 20% dient te worden geïnterpreteerd op zo’n manier dat de samenwerking tussen de aanbestedende diensten de rest van de open markt niet mag gaan domineren. Jurisprudentie hierover ontbreekt. Echter is de gezamenlijke taxatie van de juristen dat de 2e stroming overwegend aannemelijker is, en dat hieraan wordt voldaan.
Gelet op de mogelijkheid dat de 1e stroming ook juist kan zijn, is de gezamenlijke taxatie van de juristen dat ook hieraan wordt voldaan. Namelijk: in dit scenario delegeert het Rijk aan de gemeente Utrecht en de Gemeente ontvangt daarvoor ook een SPUK. Gelet op de memorie van toelichting uit de Archiefwet: hier wordt expliciet vermeld dat de SPUK alleen aan bestuurslagen dan wel openbare lichamen kan worden toegekend. Hierdoor is het wettelijk vastgelegd dat de archieftaak van het Rijk nooit een marktactiviteit kan worden, en zodoende ook nooit de ‘open markt’ zal betreden. Daarmee is de gezamenlijke taxatie van de juristen dat aan de interpretatie van zowel de 1e als 2e stromingen wordt voldaan, waardoor horizontale samenwerking als grondslag kan worden toegepast in dit scenario. 78
RAPPORT
Weging op hoofdlijnen De twee overgebleven scenario’s, welteverstaan scenario I en scenario IV, staan hieronder op basis van de ondernomen verdiepende analyse vergeleken vanuit operationele, financiële, juridische en bestuurlijke invalshoek. Deze analyse is in één overzicht in de tabel hieronder samengevat. Groen betekent dat eventuele risico’s en consequenties eenvoudig te mitigeren zijn; Oranje dat de risico’s en consequenties een (aanzienlijke) inspanning vereisen om te worden gemitigeerd; (Licht)rood dat er sprake is van grote risico’s en consequenties, die niet of alleen zeer moeilijk te mitigeren zijn. Hiermee ontstaat onderstaand beeld, met daarbij de kanttekening dat dit een gesimplificeerde weergave betreft. Invalshoek
Scenario I: voortzetten GR
Scenario IV: centrumregeling (‘horizontale samenwerking’)
Operationeel
Het Utrechts Archief wordt in huidige vorm (zijnde: een gemeenschappelijke regeling) voortgezet.
Hoe verstrekkender de integratie van HUA, naar alle waarschijnlijkheid des te groter de angst onder de medewerkers HUA wat betreft de gevolgen en om mee te gaan in deze integratie. Vanuit HUA wordt er veel waarde gehecht aan de autonomie van de organisatie, waaronder ook de voortzetting van een goedwerkend RHC in het landelijk netwerk van archieven en het samenwerkingsverband van Utrechtse musea.
Financieel
De bevoegdheden van het Algemeen Bestuur HUA (AB) zullen moeten worden uitgekleed. Het AB behoudt hierdoor als enige bevoegdheid: het vaststellen van de begroting vooraf en jaarrekening achteraf. Dit betekent in de praktijk: tussentijds geen grip vanuit gemeente en provincie op de financiën en uitgaven van HUA.
Risicoverdeling tussen gemeente en provincie is mogelijk. Het is mogelijk dat er sprake is van schaalinflatie voor circa 10 functies, waarvan het risico wordt ingeschat op circa EUR 100.000.
Juridisch
De gezamenlijke taxatie van de juristen is dat ‘delegatie’ juridisch bezien het minst risicovol is, maar niet risicovrij. Het volledig weghalen van bevoegdheden bij het AB is niet mogelijk gelet op de Wgr. Een rechter kan hierdoor oordelen dat de GR onvoldoende autonoom is om delegatie rechtmatig toe te passen, waardoor de constructie als onrechtmatig wordt beschouwd.
De gezamenlijke taxatie van de juristen van de gemeente en provincie is dat aan de voorwaarden van ‘horizontale samenwerking’ – en de 2 mogelijke stromingen die er bestaan wat betreft dit onderwerp – wordt voldaan. Echter moet er wel sprake zijn van een ‘echte samenwerking’: een synergie tussen de gemeente Utrecht en provincie Utrecht die verder gaat dan alleen het betalen van de gemaakte kosten.
Bestuurlijk
Het AB zal expliciet afstand moeten nemen van de mogelijkheid om gebruik te maken van zienswijzen. Daarbij zal er in de praktijk door bestuurders een rolscheiding tussen AB/DB moeten worden gehandhaafd. Hierdoor ontstaat er een lastige bestuurlijke positie van de wethouders en gedeputeerden t.o.v. de gemeenteraad, provinciale staten en eigen ambtelijke organisatie.
De gemeente neemt de verantwoordelijkheid met bijkomende risico’s voor de (regionale) archieven van het Rijk en de provincie. De gemeentelijke organisatie is gestart met een taxatie ter voorbereiding op een verdere uitwerking hiervan.
Openbaar
79
Bijlage I: overzicht documenten en interviews
Openbaar
RAPPORT
Overzicht documenten 1.
Bestuursconvenant tussen het bestuur van de gemeente Utrecht en de Staatssecretaris van OCW inzake samenwerking tussen de gemeentelijke archief-en fotodienst en het rijksarchief in Utrecht (1995) 2. Raadsvoorstel aan B&W inzake contourenschets voor Het Utrechts Archief (1996) 3. Eerste Gemeenschappelijke Regeling (1997) 4. Tweede Gemeenschappelijke Regeling (2017/2018) 5. Brief van OCW van der Ploeg inzake archiefbestel (2002) 6. Afschrift Brief van OCW Minister Arie Slob d.d. 22 juni 2018 aan besturen RHC's inzake uitbreiding e-dienstverlening Regionale Historische Centra in antwoord op brief Gelders Archief van 18 dec. 2017 met verzoek om standpuntbepaling t.a.v. opschaling digitale infrastructuur d.m.v. doorlevering en uitplaatsing door RHC's (2018) 7. Brief van OCW Minister Arie Slob inzake wijziging gemeenschappelijke regeling Het Utrechts Archief i.v.m. toetreding Provincie Utrecht tot Gr (2018) 8. Diverse stukken over de toetreding van de provincie Utrecht 9. Visiestuk RHC’s (2019) 10. Voorstel van Wet tot intrekking van de Archiefwet 1995 en vervanging door de Archiefwet 2021
Openbaar
11. Brief van OCW Minister Arie Slob inzake toekomst RHC stelsel met oproep om een visiestuk RHC’s (2018) 12. Verkenning effecten uittreding OCW uit GR HUA en nieuwe definitie samenwerking OCW-HUA (2021) 13. Straatman Koster advocaten aanbestedingsadvies HUA (2021) 14. Brief van Minister Slob OCW inzake transitie RHC's en bevestiging bestuurlijke afspraken (2021) 15. Jaarbericht HUA 2021 16. Meerjarenbeleidsplan HUA 2021-2024 (2021) 17. Jaarstukken HUA 2021 (2022) 18. Kadernota HUA 2022 (2022) 19. Programmabegroting HUA 2023-2026 (2022) 20. Brief van PU en GU aan staatssecretaris Uslu met antwoord (2022) 21. Besluitvorming e-depot voorstel (2022) 22. 2022 Visiedocument Utrechtse Musea 2022-2026. Samen waarde creëren voor Utrecht (2022) 23. Provincie Utrecht beleggen provinciale bewaarplaatsfunctie archieven bij HUA 2012 (2012) 24. Aanwijzing HUA als archiefbewaarplaats voor Provincie (2013) 25. Toetreding Provincie Utrecht tot de GR HUA (2018) 26. Diverse bestuurs- en samenwerkingsovereenkomsten
81
RAPPORT
Overzicht interviews Organisatie
Naam
Functie
Rijksbestuurders (OCW)
Anja Smit en Ineke Jansen
Bestuurders
Het Utrechts Archief
Luuk Boessenkool
Adjunct Directeur / Controller
Chantal Keijsper
Directeur
Kaj van Vliet en Joost van Koutrik
Archivarissen
Rob van Muilekom en Robert Strijk
Bestuurders
Jelmer Prins en Samantha Hassink
Cultuurbeleid
Maarten Rauws, Julliette de Vet, Johan Keus
Juristen
Gerard Zeldenrijk en Charlotte Dijkstra
Bestuursondersteuning
Anton Grootendorst en Ascon Spieksma
Bedrijfsvoering
Linda Voortman
Bestuurder
Hanna Schuringa
Cultuurbeleid
Renate Gerritse
Jurist
Ria Rijpkema en Joris Uilenreef
Strategisch advies
Martin van der Grift
Business controller
Provincie Utrecht
Gemeente Utrecht
Openbaar
82
Bijlage II: juridische notitie
Openbaar
1/9
Memo Van:
Berenschot
Datum:
8 september 2022
Aan:
Provincie Utrecht & gemeente Utrecht
Status:
Vertrouwelijk
Cc: Onderwerp:
Aanvullend memo n.a.v. juridische expertsessie
1. Samenvatting 1.1. Dit memo betreft een door de gemeente en provincie gedragen juridische uitwerking van de vraag welke mogelijkheden er zijn om de huidige gemeenschappelijke regeling het Utrechts archief (HUA) in stand te houden. Het algemeen bestuur van HUA heeft hierom gevraagd, meer specifiek met de opdracht om de risico’s en consequenties van het toepassen van 1) het alleenrecht, 2) ‘delegatie’, en 3) het behoud van de quasi-inbesteding (‘doorgaan op dezelfde voet’) uit te werken. 1.2. De juristen van de provincie Utrecht, gemeente Utrecht en Berenschot concluderen dat – juridisch bezien – het overdragen van taken en bevoegdheden bij wijze van delegatie de minst risicovolle manier is in geval het bestuurlijk wenselijk wordt geacht de gemeenschappelijke regeling HUA in stand te houden. Dat laat verder onverlet dat er wel een juridisch risico blijft bestaan. Dit staat verderop in de memo, beschreven bij punten 4.7 en 4.8. 1.3. Dit memo is tevens op 15 augustus 2022 voorgelegd aan Straatman Koster voor een tweede lezing op de inhoud. 29 augustus 2022 is Straatman Koster met een reactie op de inhoud van dit memo gekomen. Straatman Koster onderschreef de bevindingen, en plaatste een aantal kanttekeningen en suggesties die onder vermelding zijn verwerkt in deze eindversie van dit memo.
De inhoud van dit memo dient zo te worden gelezen dat deze de eerdere notitie van Straatman Koster (kenmerk: DMS10-686906330-724/v 3.2) op een aantal punten aanvult. In dit memo staat vanaf punt 4.3 t/m 4.9 aanvullend uitgewerkt welke scheiding tussen de taken en bevoegdheden belegd bij het algemeen bestuur (AB) en het dagelijks bestuur (DB) van de gemeenschappelijke regeling nodig zijn, om zo de gemeenschappelijke regeling HUA binnen de lijnen van “politieke controle” te krijgen.1 Tevens staat in dit memo vanaf punt 5.1 t/m 5.7 het toepassen van het alleenrecht aanvullend uitgewerkt.2 1.4. Dit memo is beperkt tot een juridische uitwerking in het geval dat de samenwerking van de gemeente en provincie in de gemeenschappelijke regeling HUA in stand blijft. In dit memo zijn dus geen varianten verkend waarbij HUA wordt opgeheven. Ook is een uitwerking van andere perspectieven dan het juridische (bestuurlijk, financieel) buiten beschouwing gelaten. Dit memo
1 Punt 4.5 t/m 4.13 uit de notitie van Straatman Koster met kenmerk: DMS10-686906330-724/v 3.2 2 Ibid., punt 6.13
2/9
vormt de onderbouwing voor verdere communicatie naar het algemeen bestuur van HUA en zal zodoende dienen als bijlage. 2.
Aanleiding memo 2.1. Het college van de gemeente Utrecht (hierna ook: de gemeente Utrecht), gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (hierna ook: de provincie Utrecht) en de minister van OCW (hierna ook: OCW) werken samen in de gemeenschappelijke regeling het Utrechts archief (HUA). OCW is voornemens per 1 januari 2024 uit de gemeenschappelijke regeling te stappen. Met uittreding van OCW uit de gemeenschappelijke regeling HUA ontstaat er een juridisch probleem rondom het aanbestedingsrecht. Nu OCW nog deelnemer is in de gemeenschappelijke regeling, wordt er binnen het aanbestedingsrecht gebruik gemaakt van de quasi-inbesteding uitzondering. Van deze uitzondering kan gebruik worden gemaakt omdat in de huidige situatie ten minste 80% van de activiteiten van HUA (bezien naar omzet) vanuit de gezamenlijke bijdrage van de deelnemers aan de GR komt. Doordat OCW uittreedt, en de financiële bijdrage omzet in een specifieke uitkering (SPUK) ter grote van ca. 38% van de begroting, komt de gezamenlijke bijdrage van de achterblijvende deelnemers (provincie en gemeente tezamen) onder de 80% te liggen. 2.2.
Begin mei 2022 zijn onderzoekers van Berenschot in opdracht van de provincie Utrecht begonnen met het verkennen wat deze uittreding betekent voor de achterblijvende deelnemers van HUA, en tevens de achterblijvende partijen te ondersteunen om samen tot besluitvorming te komen over de toekomst van de samenwerking. 2.3. Op 28 juni 2022 heeft het algemeen bestuur van HUA op basis van een eerste conceptrapportage van Berenschot een beeld gevormd over mogelijke toekomstscenario’s voor de organisatie van de taken die thans bij HUA zijn belegd. Naar aanleiding van deze bestuursvergadering heeft het algemeen bestuur van HUA om verdere uitwerking van een drietal toekomstscenario’s gevraagd, zijnde: voortzetten gemeenschappelijke regeling (op basis van alleenrecht, ‘delegatie’ of quasiinbesteding), uitbreiding van de samenwerking en horizontale samenwerking. Aanvullend kwam het bestuur met een aantal specifieke aandachtspunten voor de onderzoekers van Berenschot. 2.4. Deze specifieke aandachtpunten zijn onderverdeeld in vier sporen. Spoor 1 is het juridische spoor. In dit spoor is Berenschot gevraagd om een door de gemeente en provincie gedragen uitwerking van de risico’s en consequenties van 1) het alleenrecht, 2) ‘delegatie’, en 3) het behoud van de quasi-inbesteding (‘doorgaan op dezelfde voet’) op te stellen, zodat deze uitwerking geschikt is voor bestuurlijke oordeelsvorming. 2.5.
In dit kader is er op dinsdagochtend 26 juli 2022 een juridische expertsessie belegd met juristen van de provincie Utrecht, gemeente Utrecht en Berenschot. In dit memo staan de inzichten en analyses uitgewerkt die tijdens deze juridische expertsessie zijn gedeeld. 2.6. Deze memo betreft een uitwerking van het vraagstuk vanuit juridische optiek. Wij zijn ons er terdege van bewust dat deze juridische uitwerking te zijner tijd zal moeten worden geplaatst in een context passend bij een politiek-bestuurlijk weging.
3. Inzake quasi-inbesteding Juridisch kader 3.1. Quasi-inbesteding is een situatie waarin een overheidsopdracht wordt verleend aan een juridische entiteit door een aanbestedende dienst. De aanbestedende dienst (of in dit geval de aanbestedende diensten) houdt toezicht op deze entiteit als ware het een eigen dienst onderdeel: het zogeheten ‘toezicht-criterium’. Daarnaast dient de uitvoerende entiteit het merendeel van haar werkzaamheden uit te voeren voor de (toezichthoudende) aanbestedende diensten: het zogeheten ‘merendeel-criterium’. Minimaal 80% van de activiteiten van in dit geval HUA dient te bestaan uit taken die haar door de deelnemers in de GR zijn toegewezen. De derde voorwaarde
3/9
betreft het vereiste dat in beginsel geen sprake mag zijn van private deelname in de gecontroleerde rechtspersoon. Analyse 3.2. De huidige gemeenschappelijke regeling HUA is zo opgesteld dat wordt voldaan aan het toezichtcriterium. Het doorslaggevende element in het toepassen van deze uitzondering is gelegen in het merendeel-criterium. 3 3.3. Op basis van de huidige verdeling zou HUA na uittreding van OCW 58% van haar activiteiten uitvoeren voor de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht, 38% voor OCW en 4% voor (overige) derden. Naar de letter van de wet (art. 2.24b Aanbestedingswet) voldoet HUA dan niet meer aan het merendeelcriterium: minimaal 80% van de activiteiten moet voor de overgebleven deelnemers (provincie Utrecht en gemeente Utrecht) zijn, maar dit is slechts 58%. 3.4. De aanbestedingsregels spreken over “activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon”, zonder onderscheid naar de grondslag van die activiteiten (bijv. in opdracht van derden of op basis van overdracht van bevoegdheden). Straatman Koster overweegt hierover: “De wettekst biedt ons inziens dan ook geen aanknopingspunt om ‘eigen’ activiteiten van HUA op grond van door de Minister [OCW] overgedragen bevoegdheden niet mee te rekenen in het totaal van activiteiten.
Daarnaast is duidelijk dat die ‘eigen’ activiteiten na uittreding van de Minister niet kunnen worden aangemerkt als taken die HUA zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten, aangezien de Minister dan geen controlerende aanbestedende dienst meer is.” 3.5. Hoewel aan de letter van de wet niet is voldaan, kan betoogd worden dat wel naar de geest van de aanbestedingsregels is voldaan: de (aan HUA overgedragen) taak van OCW niet ‘op de markt’ komt, dat er om die reden geen sprake is van een verstoring van de concurrentie en dat deze activiteit door HUA daarom niet ‘meetelt’ bij het bepalen van het merendeelcriterium. Indien deze redenering gevolgd wordt, is aan het merendeelcriterium voldaan. Risico’s 3.6. De argumentatielijn in 3.5 is (nog) niet getoetst bij de rechter. Dit maakt het doorzetten van dergelijke argumentatie juridisch kwetsbaar en risicovol, te meer het in strijd is met de letter van de wet. Dit risico doordenkend zou een ondernemer of ander archief naar de rechter kunnen stappen met het argument dat zij de archieftaak voor de provincie Utrecht en/of de gemeente Utrecht wil en kan uitvoeren voeren, met als gevolg dat de constructie mogelijk onrechtmatig wordt verklaard en een andere oplossing moet worden gevonden. Ook zou de Europese Commissie een inbreukprocedure kunnen starten.
Ten slotte zou de accountant de uitgaven van de provincie Utrecht en/of de gemeente Utrecht aan HUA als onrechtmatig kunnen aanmerken. Dit risico kan mogelijk door voorafgaande consultatie van de accountant en door gebruik te maken van een zogenoemde ex ante-bekendmaking (art. 4.16 Aanbestedingswet) beperkt kunnen worden. 4. Inzake overdracht van bevoegdheden Juridisch kader 4.1. De gemeenschappelijke regeling in de vorm van een gemeenschappelijk openbaar lichaam is een nieuwe zelfstandige rechtspersoon die op grond van artikel 8 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt bestuurd door een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Na oprichting heeft het bestuur alleen nog maar organisatorische bevoegdheden, zoals
3 Punt 7.4 t/m 7.9 uit de notitie van Straatman Koster met kenmerk: DMS10-686906330-724/v 3.2
4/9
de bevoegdheid de jaarrekening en begroting vast te stellen of de bevoegdheid als openbaar lichaam privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten. Over publiekrechtelijke bevoegdheden beschikken de bestuursorganen pas, nadat deze expliciet zijn overgedragen door de deelnemende bestuursorganen. In beginsel kunnen alle bevoegdheden aan organen van een gemeenschappelijk openbaar lichaam worden overgedragen, ook regelgevende bevoegdheden. 4.2. De overdracht van bestuursbevoegdheden en regelgevende bevoegdheden vindt plaats door delegatie als bedoeld in artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor delegatie is een wettelijke grondslag vereist (artikel 10:15 Awb). Voor delegatie aan de bestuursorganen van een intergemeentelijk gemeenschappelijk openbaar lichaam vormt artikel 54 Wgr die wettelijke grondslag. Bij delegatie wordt niet alleen de bevoegdheid overgedragen maar komt de verantwoordelijkheid ook volledig bij de organen van het gemeenschappelijk openbaar lichaam te liggen. De overgedragen bevoegdheid wordt door het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam zelfstandig en uit eigen naam uitgeoefend. Het overdragende provincie- en gemeentebestuur kunnen de bevoegdheid niet langer zelf uitoefenen (art. 10:17 Awb) en hebben daarop evenmin directe invloed.4 4.3.
Zoals aangegeven in de notitie van Straatman Koster moet voor een overdracht van bevoegdheden worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat de instantie aan wie de bevoegdheden worden overgedragen voldoende (financieel) autonoom is en onder eigen bevoegdheid kan handelen. Er mag maar een beperkte vorm van toezicht zijn die geen inmenging in de concrete uitvoering van overgedragen taken en bevoegdheden mag betekenen 5 (door de advocaat-generaal van het Europees Hof benoemd als “politieke controle”). 6 Rolverdeling AB / DB 4.4. De huidige gemeenschappelijke regeling is ingericht om opdrachtverlening door de deelnemers aan HUA mogelijk te maken op basis van quasi-inbesteding. In deze constructie is vereist dat de achterliggende partijen juist wél beslissende invloed kunnen uitoefenen op de strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon. Dit gaat niet samen met het beperkte toezicht en de vereiste autonomie in het kader van de overdracht van bevoegdheden. De gemeenschappelijke regeling HUA dient daarop dan ook te worden aangepast in geval er voor wordt gekozen gebruik te maken van de ‘delegatie-uitzondering’.
Er zullen ook andere aanpassingen nodig zijn, zoals onder meer in artikel 26 van de gemeenschappelijke regeling HUA, dat nu nog de mogelijkheid geeft aan de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht over het financieel en materieel beheer, over de inrichting van de begroting, het financieel verslag, jaarverslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole (zie art. 26 gemeenschappelijke regeling HUA). 4.5. Een dergelijke aanpassing zal moeten voorzien in een striktere scheiding tussen de taken en bevoegdheden belegd bij het algemeen bestuur (AB) en het dagelijks bestuur (DB) van de gemeenschappelijke regeling, om zo de gemeenschappelijke regeling HUA binnen de lijnen van “politieke controle” te krijgen. Straatman Koster onderschrijft deze benadering. In dit kader is een explicitering van het onderscheid tussen de rollen binnen het AB en DB noodzakelijk, namelijk: in het AB nemen de afgevaardigde bestuurders wel zitting namens de provincie respectievelijk de gemeente; in het DB nemen de afgevaardigde bestuurders niet zitting namens de provincie respectievelijk de gemeente. De leden van het AB leggen immers verantwoording af aan het college dat hen heeft aangewezen en kunnen door dat college ook ontslagen worden bij gebrek aan
4 Vgl. Handelingen II 1983/84, p. 4923.
5 Notitie van Straatman Koster met kenmerk: DMS10-686906330-724/v 3.2, punt 4.1 en 4.2 6 Conclusie AG Mengozzi, zaak C-51/15 (Remondis), pt. 56.
5/9
vertrouwen (art. 18 jo. art. 16 Wgr). In die zin vertegenwoordigen zij bij een collegeregeling dus expliciet het college van B&W resp. GS.7 Het college van B&W en GS zijn op hun beurt voor dit handelen verantwoording schuldig aan de gemeenteraad resp. PS (art. 169 Gemw en art. 167 Provw). Tot slot moet het lid van het AB ook verantwoording afleggen aan de raad of PS van zijn eigen gemeente/provincie (art. 19 lid 1 jo. art. 16 Wgr). Het AB is dus het vertegenwoordigend orgaan binnen het openbaar lichaam. De leden daarvan vertegenwoordigen de deelnemers aan de GR en stemmen niet zonder last. Dat is het zgn. verlengd lokaal bestuur. Het AB als bestuursorgaan legt aan niemand verantwoording af 8 - het is immers het hoofd van het openbaar lichaam (art. 12 lid 2 Wgr) en daarmee eindverantwoordelijk. In het DB zitten de bestuurders er namens het HUA om te voorzien in de dagelijkse gang van zaken van HUA. Bestuurders kunnen door staten respectievelijk raad niet ter verantwoording worden geroepen over hetgeen dat in het DB wordt verricht.9 Het AB houdt toezicht op het DB (art. 19a Wgr). Hoewel er in het DB dus in beginsel alleen wethouders, de burgemeester, gedeputeerden of de Commissaris van de Koning plaats kunnen nemen, zitten zij daar niet in die hoedanigheid. Het DB is een collegiaal bestuursorgaan, met één collegiale verantwoording voor de uitvoering van de taken van het DB (art.
19a Wgr). 4.6. In de nieuw op te stellen gemeenschappelijke regeling zal het zaak zijn de rol van het AB af te slanken om zo de gemeenschappelijke regeling HUA binnen de lijnen van “politieke controle” te krijgen. Met het oog op de Wgr zal dit betekenen dat er onder andere rekenschap moet worden gegeven aan bijvoorbeeld het gebruik van zienswijzen, en dat hier geen gebruik van wordt gemaakt. De taken en bevoegdheden van het DB zullen verder moeten worden aangevuld om zo voldoende bestuurlijke autonomie te creëren. Dit kan door overgedragen taken in beginsel bij het DB te leggen (art. 57 Wgr), net als alle andere bevoegdheden binnen de GR. Natuurlijk behoudens bevoegdheden die bij het AB moeten liggen (vgl. art. 57a lid 2 Wgr). Aanvullende overweging 4.7. Ons inziens is het mogelijk voor de provincie Utrecht en gemeente Utrecht om taken anders dan de wettelijke archieftaken (de zogenaamde ‘bovenwettelijke taken’) over te dragen aan HUA, waaronder: het proactief acquireren van nieuwe archiefbescheiden vanuit particulieren en het proactief beschikbaar maken van archiefbescheiden aan het publiek. Artikel 54 Wgr spreekt immers van overdragen en niet van delegeren, dus het kan ook om meer dan alleen publiekrechtelijke bevoegdheden gaan bij de overdracht.
10 Provincie- en gemeentebesturen beschikken over autonome bevoegdheden, en kunnen zodoende taken en verantwoordelijkheden aan zich trekken voor zover een hogere overheid dat nog niet gedaan heeft. Die belangen kunnen dan natuurlijk ook in een GR worden gebracht. Daarmee vervalt het onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke taken grotendeels. Straatman Koster plaatst in hun reactie hierbij de kanttekening dat deze overdracht van bevoegdheden alleen een aanbestedingsrechtelijke rechtvaardiging oplevert voor de activiteiten van HUA die voortvloeien uit deze bevoegdheden, en dat voor al de activiteiten niet ‘gedekt’ door een aan HUA overgedragen bevoegdheid of verantwoordelijk afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld of daarvoor een aanbestedingsplicht rust op de Provincie c.q. Gemeente.
7 Kamerstukken I 2004/05, 27008 en 29532, E, p. 9. 8 Handelingen II 1983/84, p. 4925.
9 Kamerstukken II 2012/13, 33597, nr. 3, p. 16. 10 Kamerstukken II 1996/97, 25280, nr. 3, p. 76.
6/9
Risico’s 4.8. Wel is het ons inziens zaak te vermelden dat de onder 4.6 weergegeven scheiding juridisch bezien goed te regelen zal zijn, maar dat dit in de praktijk niet risicovrij is. Een mogelijk risico vormt zich door het feit dat dezelfde mensen betreft die zitting nemen in zowel het DB als het AB. Straatman Koster onderschrijft dit risico in hun reactie op dit memo d.d. 28 augustus 2022: “Als de Provincie of Gemeente in de nieuwe situatie echter nog toezicht zou uitoefenen op het AB dat verder gaat dan is toegestaan bij de overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, dan gaat die uitzondering op de aanbestedingsverplichting ons inziens niet op. […] Een gebrek aan autonomie bij het AB kan daarom worden geacht in de praktijk ook door te werken naar het DB. “ In hun reactie stelt Straatman Koster verder dat de nieuwe regeling derhalve zal moeten waarborgen dat niet alleen het DB maar ook het AB voldoende autonoom is ten opzichte van de Provincie en de Gemeente. Ons inziens zal dit strikt genomen niet mogelijk zijn omdat een lid van het AB juist de Gemeente resp. de Provincie vertegenwoordigd. Dit is het wezenskenmerk van verlengd lokaal bestuur zoals beschreven onder punt 4.5 van dit memo, en het uitgangspunt van democratische legitimatie.
Het AB autonoom maken zoals Straatman Koster in hun reactie voorstelt is daarmee onmogelijk gelet op de geldende verantwoordingslijnen zoals deze staan opgenomen in de recente wijzigingen van de Wgr. Mede daarom vraagt dit een rolvaste invulling van de bestuurders in de verschillende besturen, en zal er in de praktijk vanuit het archief en de deelnemers goed moeten worden gestuurd op deze scheiding. Echter is het heel goed mogelijk dat de rechter deze benadering desondanks niet als voldoende autonoom zal beschouwen. Handelingen van de bestuurders die de indruk wekken dat de rollen in het AB respectievelijk DB anders worden ingevuld kunnen aanleiding zijn voor de rechter om te constateren dat geen sprake is van overdracht van bevoegdheden in de zin van het Europees recht (in Nederland geregeld via delegatie) en dat mogelijk sprake is van een overheidsopdracht die aanbesteed had moeten worden. Voor de volledigheid merken wij hier nog op dat het volledig weghalen van de bevoegdheden bij de bestuurders niet mogelijk is. 4.9. Wat betreft de taken voor OCW kan de vraag gesteld worden of de uitoefening van die taak een belang van de provincie en/of gemeente is. In dit kader gaat het om de interpretatie van artikel 51 Wgr. Er is tot op heden geen jurisprudentie wat betreft de invulling van artikel 51 Wgr en de rechter heeft hierop tot op heden nog niet indringend getoetst.
Straatman Koster merkt in hun reactie op dat het in dit verband bovendien relevant is “dat de Provincie en de Gemeente op grond van art. 51 WGR aan HUA alleen bevoegdheden en verantwoordelijkheden kunnen overdragen die onder de provinciale c.q. gemeentelijke belangen vallen”, en dat het daarom de aanbeveling verdient om “nader te onderzoeken en waar nodig te onderbouwen indien gekozen zou worden voor de aanbestedingsrechtelijke uitzondering bij overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden” daar waar deze onderbouw ook wenselijk is “ten aanzien van de activiteiten van HUA voor derden, waaronder OCW”. Er zijn in de praktijk echter vele gemeenschappelijke regelingen die ook voor derden werken (waaronder ook de meeste regionale archieven). 5. Inzake alleenrecht Juridisch kader 5.1. Decentrale overheden kunnen bij overheidsopdrachten voor leveringen, werken of diensten een alleenrecht verlenen. De partij aan wie dat alleenrecht wordt verleend is dan exclusief bevoegd om het werk, de levering of de dienst uit te voeren. Er kan in dergelijke gevallen een afwijkend of zelfs geen Europees aanbestedingsregime gelden. Zo wordt een opdracht aan de markt onttrokken. Het ‘alleenrecht’ is als volgt in de wet terug te vinden in: artikelen 2 en 11 van Richtlijn 2014/24, artikel 22 van Richtlijn 2014/25, en artikel 2.24 sub a van de Aanbestedingswet 2012. 5.2.
Voor een alleenrecht gelden de volgende voorwaarden:
7/9
a) Een aanbestedende dienst gunt een opdracht aan … b) … een andere aanbestedende dienst (of samenwerking van aanbestedende diensten) … c) … op basis van een uitsluitend recht dat … d) … wettelijk of bestuursrechtelijk bekend is gemaakt … e) … en waarvan de bepalingen in overeenstemming zijn met het VWEU. 5.3. Van punt a) en b) is zeker sprake: de provincie en gemeente zijn aanbestedende diensten, en gunnen de opdracht aan een openbaar lichaam waarvan ze samen eigenaar zijn, d.w.z. een samenwerking van aanbestedende diensten. Punt d kan worden ingevuld door een verordening op te stellen. Punt c) – ‘… op basis van een uitsluitend recht dat …’ 5.4. Voor punt c) geldt dat een nadere duiding van de term ‘uitsluitend recht’ nodig is. Deze is terug te vinden in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, en is uitgelegd als volgt: een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan één onderneming wordt verleend. Voor die enkele onderneming wordt het recht voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of activiteit uit te oefenen. Geografisch gebied wordt als volgt uitgelegd: het gebied waarbinnen betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag en aanbod van goederen of diensten.
De concurrentievoorwaarden hierbinnen moeten voldoende homogeen zijn en zich van aangrenzende gebieden onderscheiden, doordat daar duidelijke afwijkende concurrentievoorwaarden heersen. In de toelichting op de verordening van de provincie respectievelijk gemeente zal een argumentatie moeten worden opgenomen waarom hiervan sprake is. Voor de provinciale archieven is de provinciale grens een logische geografische grens voor de archieven, echter bevinden zich binnen deze provinciale grenzen ook overige archiefdiensten. Voor de gemeente zijn er ook aangrenzende gemeentes die een archiefdienst uitvoeren waarvan in theorie ook gebruik van zou kunnen worden gemaakt, en onzeker is of de concurrentievoorwaarden binnen de gemeentegrenzen afwijken ten opzichte van de concurrentievoorwaarden van de aangrenzende gemeentes. Het is daarom onzeker of dergelijke argumentaties stand zullen houden bij een toets door de rechter. Het verdient overigens vermelding dat Straatman Koster deze geciteerde definitie als niet relevant beschouwt, mede omdat deze in het mededingingsrecht wordt gehanteerd om de relevante markt af te bakenen, en dat de Hoge Raad ook weinig waarde lijkt toe te kennen aan deze toevoeging in de Aanbestedingswet 2012.11 Punt e) – ‘…bepalingen in overeenstemming … met het VWEU’ 5.5. Voor punt e. is een nadere duiding van ‘bepalingen in overeenstemming … met het VWEU’ vereist.
Dit betekent een rechtvaardiging door de uitoefening van: i. ii. iii.
het openbaar gezag, door de openbare orde, openbare veiligheid,
11 Zie art. 11 Richtlijn 2014/24/EU resp. HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4900, r.o. 3.4.2.
8/9
iv. v.
openbare gezondheid; of door dwingende redenen van algemeen belang.
Ons inziens komt alleen punt v. in aanmerking om het toepassen van een alleenrecht in deze casus te verantwoorden. Voor ‘algemeen belang’ geldt dat hiervoor een verordening kan worden gebruikt om de algemene (publieke) belangen te duiden. Dat archivering een publiek belang kent, valt ook al op te maken uit de overwegingen bij de Aanbestedingsrichtlijn (zie overweging 118). Voor toepassen van het alleenrecht is daarbij aanvullend dus nog de drempel ‘dwingende reden’. In dit kader kan gedacht worden aan de verwevenheid van archieven van OCW (het gaat immers om historische archieven van “de provincie” Utrecht, voor de tijd van de totstandkoming van het Koninkrijk), de provincie en de gemeente, en de unieke toegankelijkheid daarvan gezien deze verwevenheid. De vraag is echter of dit een voldoende zwaarwegend argument is om het toepassen van een alleenrecht te rechtvaardigen en of er geen andere mogelijkheden zijn om dit doel te realiseren. De praktische toepassing van het alleenrecht wordt op deze manier dusdanig laagdrempelig ingevuld, anders dan wat de wetgever op Europees niveau oorspronkelijk had beoogd met het instellen van de aanbestedingsrichtlijnen. Het is ons inziens dan ook onzeker of een dergelijke argumentatie in rechte stand houdt.
Straatman Koster maakt in hun reactie kenbaar dat “een beperking van het vrij verkeer wegens dwingende redenen van algemeen enkel is gerechtvaardigd indien de betrokken maatregel (i) geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en (ii) niet verder gaat dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is.12 Het is aan de betrokken overheid om aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Juist vanwege deze harde eisen en bewijslast is de optie van een alleenrecht ons inziens zo risicovol”. 5.6. Het verdient daarbij nadrukkelijk de vermelding dat het alleenrecht bedoeld is als uitzondering op de regel, en dat de Europese Commissie destijds voornemens was deze uitzondering te schrappen als überhaupt een mogelijkheid.13 Het Europees Parlement heeft het echter terug in het voorstel geamendeerd.14 Risico’s 5.7. Kortom: de variant waarbij een alleenrecht gevestigd wordt, is een (juridisch) risicovolle. Dit wordt ook onderschreven door Straatman Koster in hun reactie op dit memo. Dit is met name omdat de rechter vermoedelijk niet mee zal gaan in de redenering dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. In het geval er toch voor wordt gekozen gebruik te maken van een alleenrecht, dan is het aankondigen van de intentie daarvan zoals bedoeld in artikel 4.16 Aanbestedingswet daarvan aan te bevelen.
Zolang er verder geen interesse wordt getoond in het verkrijgen door andere partijen voor het uitvoeren van de betreffende taken, dan zal het toekennen van het alleenrecht doorgang kunnen vinden, althans zal de te verstrekken overheidsopdracht en de te sluiten overeenkomst in uitgangspunt niet kunnen worden vernietigd. Straatman Koster stelt in hun reactie hierop dat dit “evenwel ten onrechte de indruk [kan] wekken dat een dergelijke bescherming tegen vernietiging op grond van de Aanbestedingswet 2012 aannemelijk is. Een ex ante-bekendmaking biedt alleen bescherming als de Provincie c.q. Gemeente te goeder trouw is, in die zin dat zij van mening mogen zijn dat onderhandse gunning is toegestaan”,
12 Zie bijv. HvJ EG 30 november 1995, zaak C-55/94 (Gebhard), pt. 37. Anders dan in rnr. 5.5 van het
memo van Berenschot, wordt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie de “dwingende reden” overigens niet als een aparte drempel aangemerkt (naast het “algemeen belang”). 13 Zie het voorstel met nummer COM(2011) 896. 14 Amendement 27, zie het Verslag A7-0007/2013.
9/9
en dat “[g]elet op de gesignaleerde risico’s ten aanzien van de optie van gunning op basis van een alleenrecht van HUA, is het ons inziens zeer twijfelachtig of hier aan die voorwaarde voor bescherming zou worden voldaan.” 6. Conclusie 6.1. Concluderend komt uit de juristen van de provincie Utrecht, gemeente Utrecht en Berenschot dat – juridisch bezien – het overdragen van taken en bevoegdheden bij wijze van delegatie de minst risicovolle manier is in geval het bestuurlijk wenselijk wordt geacht de gemeenschappelijke regeling HUA in stand te houden. Straatman Koster onderschrijft deze conclusie. Dat laat onverlet dat er wel een risico blijft bestaan. Daarnaast zal deze optie betekenen dat de gemeenschappelijke regeling moet worden aangepast, onder meer de toebedeling van taken en bevoegdheden aan het AB en DB. Tevens zal het takenpakket nog tegen het licht moet worden gehouden, wanneer er voor een bepaalde oplossing gekozen wordt. 6.2. Daarbij aanvullend is het de vermelding waard dat, hoewel delegatie juridisch bezien de minst risicovolle manier is, wij ons er terdege van bewust zijn dat dit te zijner tijd zal moeten worden geplaatst in een bredere context passend bij een politiek-bestuurlijk weging. In dat kader verdient het vermelding dat het afslanken van de taken en bevoegdheden van het AB een mindering van invloed betekent op de gemeenschappelijke regeling.
Dit zal verder worden uitgewerkt in de bovenliggende rapportage ter voorbereiding op de tweede bestuursvergadering HUA, 21 oktober 2022.