Rapport U16 Een stevige basis voor preventie en herstel
Tekst van het document
Stevige basis voor preventie en herstel
Onderzoeksrapport basisset BW en MO in opdracht van regio U16
Amsterdam, 19 juni 2025. DSP-groep Van Diemenstraat 410 1013CR Amsterdam 020-6257537 Onderzoeksteam: Lotte Hogeboom lhogeboom@dsp-groep.nl Renée Beune rbeune@dsp-groep.nl Tara Hof Jelle Snoek Rachel Meijers Redactie en opmaak rapport: Bianca Kreuning
Onderzoeksbureau DSP-groep heeft in opdracht van de regio U16 en de werkgroep Basisset in maart t/m mei 2025 onderzoek uitgevoerd naar wat volgens cliënten en professionals nodig is aan basisvoorzieningen in de wijk: een zogenaamde basisset BW en MO (beschermd wonen en maatschappelijke opvang). Deze basisset vormt een stut- en steunstructuur die kan voorkomen dat iemand een beroep doet op BW of MO, en zorgt voor een duurzame uitstroom uit dergelijke voorzieningen, zodat van terugkeer geen sprake is. Om de bouwstenen van de huidige basisset in de regio U16 te onderzoeken heeft onderzoeksbureau DSP-groep 28 diepgaande interviews gehouden met cliënten die recent in- of uitgestroomd zijn uit BW of MO-voorzieningen. Deze interviews betroffen hun persoonlijke ervaringen met hulpverlening en hun behoeften aan ondersteuning om zelfstandig te kunnen wonen. Daarnaast hebben we drie focusgroepen met professionals gehouden over wat goed werkt en wat juist niet voor deze groep cliënten. Dit rapport presenteert de resultaten van de onderzoeksactiviteiten en adviezen voor de regio U16 om de basisset zo goed mogelijk in te richten.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
Inhoudsopgave Dankwoord ............................................................................................................................. 1 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding ..........................................................................................................................2 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................. 2
1.2
Onderzoeksaanpak ............................................................................................................... 2
1.3
Introductie van de persona’s ................................................................................................ 4
1.4
Leeswijzer.............................................................................................................................. 5
Gezondheid en welzijn ......................................................................................................6 2.1
Situatieschets cliënten BW en MO ........................................................................................ 6
2.2
Wat is nodig volgens cliënten? .............................................................................................. 6
2.3
Deelconclusie ...................................................................................................................... 11
Wonen ........................................................................................................................... 14 3.1
Situatieschets cliënten BW en MO ...................................................................................... 14
3.2
Wat is nodig volgens cliënten? ............................................................................................ 15
3.3
Wat is nodig volgens professionals? ................................................................................... 18
3.4
Deelconclusie ...................................................................................................................... 20
Financiële stabiliteit ....................................................................................................... 21 4.1
Situatieschets cliënten BW en MO ...................................................................................... 21
4.2
Wat is nodig volgens cliënten? ............................................................................................ 21
4.3
Wat is nodig volgens professionals? ................................................................................... 24
4.4
Deelconclusie ...................................................................................................................... 24
Participatie .................................................................................................................... 25 5.1
Situatieschets cliënten BW en MO ...................................................................................... 25
5.2
Wat is nodig volgens cliënten? ............................................................................................ 25
5.3
Wat is nodig volgens professionals? ................................................................................... 30
5.4
Deelconclusie ...................................................................................................................... 30
Conclusies en aanbevelingen .......................................................................................... 31 6.1
Deze interventies horen in de basisset ............................................................................... 31
6.2
Hoe organiseren we dit? ..................................................................................................... 32
6.3
Aanbevelingen ..................................................................................................................... 33
Bijlage 1 Toelichting onderzoeksaanpak ................................................................................. 35
Dankwoord Wij bedanken alle cliënten hartelijk voor het delen van hun persoonlijke ervaringen. Hun verhalen vormen het hart van dit onderzoek en geven een waardevol inkijkje in hoe het is om afhankelijk te zijn van hulp en ondersteuning, en hoe de weg naar herstel en zelfstandigheid verloopt. Ook zijn we dankbaar voor de inzet van alle betrokken organisaties bij het vinden van geschikte respondenten, en voor de waardevolle bijdragen van de professionals in de focusgroepen. Tot slot gaat onze dank uit naar de werkgroep Basisset voor hun betrokkenheid en ondersteuning.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
1
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
De gemeenten in regio Utrecht1 werken al langere tijd samen op het gebied van beschermd wonen (BW) en maatschappelijke opvang (MO). De diverse groep inwoners die hierop is aangewezen wordt zo goed mogelijk ondersteund. Tegelijkertijd groeit – door de toenemende schaarste aan personeel en middelen – de noodzaak om inwoners zo vroeg en zo thuis mogelijk te helpen. Het doel is helder: voorkomen dat mensen een beroep moeten doen op BW of MO, en zorgen voor een duurzame uitstroom, zodat terugkeer niet nodig is. Dat vraagt om een preventieve en effectieve stut- en steunstructuur in de wijk of buurt. Een structuur die mensen – samen met hun netwerk – helpt grip te houden op het leven. Die grip kan gaan over de mentale en fysieke gezondheid, financiën, woonsituatie, persoonlijke ontwikkeling (opleiding en/of werk), tijdsbesteding, relaties, of een combinatie daarvan. In de regio U16 heet deze noodzakelijke stut- en steunstructuur de basisset BW en MO.2 Om een goed beeld te krijgen van effectieve interventies in de basisset BW en MO in de U16 heeft onderzoeksbureau DSP-groep in opdracht van de regio U16 en de werkgroep Basisset een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar wat volgens cliënten en professionals onderdeel moet zijn van de basisset BW en MO. In dit rapport beschrijven we de uitkomsten van dat onderzoek.
De inhoud van dit rapport nemen de regiogemeenten uit de U16 mee in beleidsvorming binnen BW en MO. Aan de uitkomsten van dit rapport kunnen geen garanties worden ontleend.
1.2
Onderzoeksaanpak
De volgende hoofdvraag was leidend tijdens alle interviews en focusgroepen. Welke interventies zouden volgens cliënten en professionals onderdeel moeten zijn van de basisset BW en MO in de regio U16, en wat is nodig om dit (nog meer) doeltreffend en doelmatig te organiseren? We hebben 28 cliënten en ex-cliënten van beschermd wonen- en maatschappelijke opvangvoorzieningen in de regio (hierna: cliënten) geïnterviewd over wat wel én niet werkt om zelfstandig te kunnen wonen. In de gesprekken besteedden we veel aandacht aan de aanleiding voor hun instroom in de BW/MO-voorzieningen. We bespraken hun situatie op dat moment en wat maakte dat zelfstandig wonen niet meer mogelijk was. Ook gingen we in op wat zij nodig hebben – of zelf doen – om hun leven op de rit te houden. Daarbij vroegen we bijvoorbeeld of er mensen zijn op wie ze kunnen terugvallen bij tegenslag. We besteedden speciale aandacht aan zogenoemde sleutelmomenten: gebeurtenissen die hun leven een andere wending hadden kunnen geven, of dat
De regio U16 bestaat uit de zestien gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden (samen subregio Lekstroom), centrumgemeente Utrecht (subregio Utrecht Stad), de gemeenten Montfoort, Oudewater, De Ronde Venen, Woerden en de Stichtse Vecht (samen subregio Utrecht West) en de gemeenten Bunnik, de Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist (subregio Zuidoost Utrecht). 2 In de Regionale koers MO en BW U16 (2017) zijn de volgende bouwstenen van de basisset vastgesteld: 1. Professionele ambulante begeleiding; 2. Ambulante behandeling via de zorgverzekeraar; 3. Toegang tot een woonplek; 4. Schuldhulpverlening; 5. Inkomen; 6. Toeleiding naar (betaald) werk; 7. Time-outvoorziening; 8. Persoonlijke ontwikkeling; 9. Informele zorg; 10. Integratie in de wijk; 11. Preventie en vroegsignalering. 1
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
2
daadwerkelijk hebben gedaan. Veel respondenten die op dat moment gebruik maakten van een BWof MO-voorziening, deelden bovendien uitgebreid hun ervaringen daarmee. Aanvullend daarop spraken we met professionals over hun ervaringen met de werkzaamheid van verschillende vormen van (preventieve) ondersteuning voor de groep cliënten die mogelijk gebruik maken van BW- en MO-voorzieningen. We organiseerden drie online focusgroepen met in totaal 20 professionals uit de regio U16, die in hun werk direct te maken hebben met de (potentiële) doelgroep van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Daarnaast was een zorgvuldige analyse van de uitkomsten essentieel, met expliciete aandacht voor wat níet is gezegd – bijvoorbeeld wat instroom in BW of MO had kunnen voorkomen – en voor een juiste interpretatie van wat tijdens de interviews is ingebracht. Deze analyse hebben we samen met het onderzoeksteam uitgevoerd, zodat we vanuit meerdere perspectieven tot één gedeeld en gedragen beeld konden komen. We vinden het daarnaast belangrijk te benoemen dat er binnen dit beleidsterrein veel gebeurt en ook veel dingen goed gaan. We wilden zowel cliënten betrekken die momenteel gebruikmaken van BW of MO, als mensen die inmiddels zijn uitgestroomd en zelfstandig wonen.
Daarbij hielden we rekening met een spreiding over de vier subregio’s binnen de U16 en met vertegenwoordiging van verschillende subdoelgroepen.3 Om respondenten te vinden, hebben we een groot aantal organisaties in de regio benaderd met het verzoek om geschikte deelnemers aan te dragen. Veel organisaties werkten hier graag aan mee. Een groot deel van de respondenten is aangedragen door hun (voormalig) persoonlijk begeleiders, die daarbij letten op recente in- of uitstroom (ongeveer binnen een jaar), de geschiktheid voor deelname en het vermogen van cliënten om hun verhaal te doen. Het totaalbeeld geeft een brede variatie in respondenten. Wij spraken met dertien cliënten die momenteel gebruik maken van BW of MO: twee in beschermd wonen en elf in maatschappelijke opvang. Daarnaast spraken we vijftien cliënten die zijn uitgestroomd naar een (zelfstandige) woning in één van de regiogemeenten. De helft van de respondenten (veertien van de 28) geeft aan met psychische kwetsbaarheid te maken te hebben, zoals bipolariteit, psychose, autisme, anorexia, burnout, depressie of trauma. Regelmatig hadden de respondenten te maken met een combinatie van verschillende van de genoemde problemen. Bij ongeveer de helft van de respondenten speelt, of speelde, een verslaving: drugs, alcohol, een seksverslaving, en/of gokverslaving.
In de bijlage is een uitgebreide beschrijving opgenomen van onze onderzoeksaanpak inclusief een tabel met de belangrijkste respondentkenmerken. Representativiteit en betrouwbaarheid Wij zijn van mening dat de groep respondenten samen een representatief beeld geeft van wat voor veel mensen in beschermd wonen en/of maatschappelijke opvang geldt. Die conclusie trekken we omdat er gaandeweg duidelijke patronen zichtbaar werden: bevindingen uit de eerste interviews
3
Streven was om de volgende doelgroepen te includeren: 1) Oggz; personen die problemen hebben op meerdere levensgebieden, waaronder dakloosheid, bij wie minimaal psychiatrie en/of verslaving, cognitieve problematiek of inadequaat coping gedrag aanwezig is en zorg mijden of de weg naar de hulpverlening niet kunnen vinden; 2) Ggz; personen met psychische problemen zoals schizofrenie, psychose, angststoornis, depressie, bipolaire stoornis of persoonlijkheids-stoornis. Ook autisme, ADHD en verslaving vallen onder de Ggz; 3) Personen met een licht verstandelijk beperking; 4) ‘Nieuwe daklozen’: personen die door (een combinatie van) schulden, werkeloosheid en/of hypotheeklasten dakloos geworden zijn maar geen (o)ggz problematiek hebben; 5) Dak- en thuisloze jongeren (tot 23 jaar).
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
3
werden herhaaldelijk bevestigd in latere gesprekken. Ook trad na verloop van tijd verzadiging op in de antwoorden – nieuwe inzichten kwamen nauwelijks nog naar voren. Hoewel de persoonlijke verhalen van cliënten sterk uiteenliepen, vertoonden hun ervaringen met hulp en interventies juist veel overeenkomsten, zeker in de verdiepende interviews. Daarnaast kwamen de perspectieven van professionals op meerdere punten sterk overeen met die van cliënten. We merken daarbij op dat we geen cliënten spraken die níet in een BW- of MO-voorziening verbleven, maar wel met (gespecialiseerde) ambulante begeleiding zelfstandig wonen. Onze indruk is echter dat ook deze groep gebaat is bij dezelfde basisvoorzieningen, omdat zij waarschijnlijk – in elk geval deels – tegen vergelijkbare uitdagingen aanlopen. Het is niet gelukt om een goede vertegenwoordiging te krijgen van cliënten vanuit de diverse gemeenten in de regio. De meeste cliënten die wij interviewden, kwamen uit Utrecht stad (25 van de 28 cliënten). Dit is een logisch gevolg van het feit dat veel BW en MO-voorzieningen in Utrecht stad zijn geconcentreerd en wij de respondenten voor het onderzoek hebben geworven via deze voorzieningen.
Het is goed denkbaar dat de uitstroomervaring in de andere drie subregio’s anders is, aangezien het hier kleinere gemeenten betreft met mogelijk een ander voorzieningenniveau en/of een andere mate van sociale cohesie. Betrouwbaarheid Wij zijn van mening dat de interviews als geheel een betrouwbaar beeld geven van wat er nodig is. In de eerste plaats werden onze bevindingen door meerdere bronnen bevestigd (interviews, focusgroepen, literatuur), wat de betrouwbaarheid ten goede komt . Het gebruik van een open interviewleidraad zorgde ervoor dat er in diepte-interviews met cliënten veel ruimte was om zo dicht mogelijk bij hun persoonlijk ervaringen te komen. Ook zijn we van mening dat het beeld dat uit het onderzoek naar voren komt betrouwbaar is, omdat we merkten dat respondenten zich tijdens de interviews comfortabel voelden en graag hun persoonlijke verhaal wilden delen. Soms was daar weinig aansporing voor nodig, andere keren waren respondenten eerst terughoudend, maar voelden ze zich naarmate het interview vorderde meer op hun gemak om hun verhaal te delen.
1.3
Introductie van de persona’s
Om de onderzoeksresultaten concreet en invoelbaar te maken, gebruiken we in het rapport citaten van cliënten en professionals. Dit zijn letterlijke uitspraken uit de interviews en focusgroepen. Daarnaast hebben we op basis van de interviews vijf persona’s ontwikkeld. Deze illustreren de variatie in ervaringen en behoeften zoals beschreven in de hoofdstukken. Ze brengen de rode draden terug tot herkenbare verhalen en geven zo een gezicht aan verschillende typen cliënten binnen BW en MO. De vijf persona’s vormen samen geen volledige afspiegeling van alle respondenten, maar zijn representatief voor veelvoorkomende profielen binnen de groep van geïnterviewde cliënten. De persona’s zijn opgebouwd uit elementen die in meerdere interviews herhaaldelijk naar voren kwamen. De beschreven personen bestaan dus niet letterlijk, maar zijn samengesteld uit verschillende cliëntverhalen. Namen en details zijn fictief.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
4
Persona
Instroomfase
Systeemhouding
Herstelperspectief
Nabil: de onbekende met het systeem
Pre-instroom
Buiten beeld
Bereikbaar via outreach en begeleiding
Jayden: de relationele zoeker
Jong in BW/MO
Relationeel vermijdend
Opbloei bij juiste zorg en begeleiding
Sahar: de zelfstandige uitstromer
Kortdurend
Zelfredzaam doener
Snel op eigen benen met lichte steun
Eddy: de terugkerende worstelaar
Cyclisch gebruik
Wantrouwend expert
Moeizaam, vraagt structurele steun
Amina: de thuiskomer in wording
Uitgestroomd
Open voor hulp
Versterking door netwerk, werk en structuur
1.4
Leeswijzer
Dit rapport is thematisch opgebouwd, waarbij het perspectief van cliënten leidend is in de structuur en inhoud van de hoofdstukken. Dat wil zeggen dat we telkens beginnen met de thema’s waar we het meest over hebben gehoord vanuit de cliënten. Hoofdstuk 2 gaat in op het thema gezondheid en welzijn, hoofdstuk 3 op wonen, hoofdstuk 4 op financiële stabiliteit en hoofdstuk 5 op participatie. Elk hoofdstuk begint met het cliëntperspectief, waarna we dit aanvullen met inzichten uit de gesprekken met professionals. Om recht te doen aan de ervaringen van cliënten met verblijf in BW en MO en de route naar uitstroom, hebben we deze bevindingen als vast onderdeel in elk hoofdstuk geïntegreerd. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen aan de regio.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
5
2. Gezondheid en welzijn In dit hoofdstuk schetsen we het beeld van de gezondheid en het welzijn van cliënten in BW en MO vóór instroom, tijdens hun verblijf en na uitstroom. Daarna belichten we wat cliënten zelf als noodzakelijk ervaren in de basisset, op basis van wat voor hen meerwaarde heeft. Vervolgens geven we weer wat professionals op dit thema als essentieel beschouwen. Het hoofdstuk sluit af met een deelconclusie over gezondheid en welzijn.
2.1
Situatieschets cliënten BW en MO
Vóór instroom: In vrijwel alle situaties speelden gezondheid en welzijn een grote rol bij de redenen voor instroom. De helft van de geïnterviewden geeft aan met psychische kwetsbaarheid te maken te hebben. Dit loopt van bipolariteit, psychose, autisme, anorexia, burn-out, depressie en trauma, tot agressie en boosheid. Meerdere cliënten kwamen uit een onveilige (thuis)situatie, die hun welzijn dermate verstoorde dat zij hun huis en/of omgeving moesten verlaten. Zij hadden bijvoorbeeld te maken met huiselijk geweld – zowel mentaal als fysiek – of uitbuiting door mensen uit hun omgeving. Langdurige en/of permanente fysieke gezondheidsproblemen zijn ook factoren die regelmatig tot instroom hebben geleid. Voorbeelden van genoemde problemen zijn de permanente blessures door ongelukken, clusterhoofdpijn, zenuwpijn, verlamming, kanker en een chronische ontstekingsziekte. Verslaving wordt door ongeveer de helft van de cliënten als factor op zich genoemd die leidde tot instroom en een grote verstorende factor vormde in het dagelijks leven. Vaak was er sprake van bestaansonzekerheid en stress en waardoor cliënten niet de mentale capaciteit hadden om tijdig om hulp te vragen, of een lange termijn perspectief te ontwikkelen. Tijdens verblijf: Het verbeteren van iemands gezondheid en welzijn heeft tijdens verblijf in BW en MO prioriteit.
Allereerst is het belangrijk dat cliënten zowel fysiek als mentaal zo veel mogelijk stabiliteit vinden. Pas daarna wordt gewerkt aan vervolgstappen richting de toekomst. Elke cliënt krijgt op locatie een persoonlijk begeleider die samen met hen een plan op maat opstelt. Waar nodig wordt medische zorg ingezet voor lichamelijke klachten en psychologische of psychiatrische behandeling voor psychische kwetsbaarheid. Op sommige locaties kunnen cliënten ondersteuning krijgen bij het afkicken, als zij dat zelf willen. Andere locaties zijn 'clean': daar is gebruik niet toegestaan en is afkicken verplicht. Na uitstroom: Na uitstroom houdt een ambulant begeleider via regelmatig contact en huisbezoeken de vinger aan de pols wat betreft iemands gezondheid en welzijn. Het persoonlijke plan dat tijdens de verblijfsperiode in BW of MO is opgesteld, vormt hierbij de leidraad en wordt aangepast waar nodig.
2.2
Wat is nodig volgens cliënten?
Er zijn verschillende zaken die volgens cliënten helpen hun gezondheid en welzijn te verbeteren, stabiel te houden, of verergering te voorkomen. Preventief: instroom voorkomen Uit de interviews blijkt dat veel cliënten gebaat zouden zijn geweest bij een vroegtijdige toeleiding naar geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg – nog vóórdat hun problemen hen volledig boven het hoofd groeiden. In deze vroege fase speelt schaamte vaak een grote rol, waardoor hulp uitblijft. Voor sommige cliënten bleek eerdere ondersteuning door ambulante begeleiding juist wél helpend. Zij benadrukken daarom het belang van vroegsignalering. DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
6
Het is ook helpend als cliënten bekend zijn met het (hulp)aanbod. Dit was lang niet altijd het geval. Zeker voor cliënten zoals Nabil (de persona op pagina 8) die de Nederlandse taal niet goed beheersen en (vaak) het Nederlandse zorglandschap niet goed kennen is dit lastig. “In het park heb ik geslapen. Ik wist niet dat er opvangplekken bestonden, ik ben voor het eerst dakloos. Een vriend van mij had een busje dat hij niet gebruikte, daar kon ik in slapen dus dat heb ik geaccepteerd. Maar dat mag officieel niet, dus mensen in de omgeving hebben de politie gebeld. De politie gaf mij een boete van 300 euro en dat ik er niet meer mocht slapen. Zij hebben mij toen het telefoonnummer van de gemeente/daklozenopvang gegeven omdat ze ook in het systeem zagen dat ik nergens ingeschreven stond. Dat nummer heb ik gebeld, maar de opvang in Utrecht was vol. Wat logisch was, het was december en koud.”
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
7
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
8
Toeleiding naar, en tijdens verblijf op een BW of MO-locatie Respondenten noemen verschillende vormen van ondersteuning die zij als helpend hebben ervaren in de periode voorafgaand aan hun instroom in BW of MO. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals de Soepfiets, de nachtopvang, of de aanwezigheid van een netwerk waar zij terechtkonden op het moment dat zij thuisloos raakten. Ook worden het Stadsteam Back Up en het Stadsteam Herstel genoemd als waardevolle verwijzers in de toeleiding naar passende hulp. Zij helpen cliënten ook bij het regelen van een postadres, het aanvragen van een uitkering en het opbouwen van vertrouwen in de hulpverlening. Cliënten zijn daar heel positief over. “Bij de Soepfiets aan de Nieuwegracht mag je gratis thee en soep drinken in de winter. Die plek helpt mij er doorheen. Je hoeft dan niet de hele dag op straat te zijn. Helaas gaat ‘ie om 16:00 dicht.” Er is veel behoefte aan opvangplekken die 24 uur open zijn en niet alleen nachtopvang bieden. De openingstijden van de nachtopvang zijn voor sommigen niet te combineren met werktijden. En het aantal plekken in de nachtopvang is niet voldoende, zo geven cliënten aan.
Hoewel men blij is dat de koudweerregeling4 bestaat, waarbij slaapplekken worden geboden aan dakloze mensen als er koud of extreem weer wordt verwacht in de winterperiode, zorgt het ook voor frustratie: waarom is zo’n regeling er enkel bij koud weer en niet altijd? “Ik kreeg de vraag onder welke omstandigheid mensen buiten kunnen slapen. Mijn antwoord: nooit, want het is mensonterend!” Na instroom op een BW of MO-locatie zijn cliënten vaak blij dat er weer (grotendeels) wordt voldaan aan een aantal basisbehoeften: een dak boven je hoofd, maaltijden, benodigde medicatie en sanitair. Daarnaast wordt eigen woonruimte en privacy gewaardeerd, dat zorgt voor rust. Die rust is op sommige locaties echter lastig te vinden door een gebrek aan eigen woonruimte en privacy. Hierover is meer beschreven in paragraaf 3.2. Cliënten geven aan dat de structuur en heldere dagindeling die gehanteerd wordt bij verschillende woonvoorzieningen sterk hun gezondheid en welzijn verbeterde. Een vaste tijd om op te staan, maaltijden op vaste tijdstippen en bijvoorbeeld enigszins strenge regels over tijden waarop men thuis moet zijn, helpen om een ritme terug te vinden. Het is ook fijn als de voorzieningen op orde zijn en je de vrijheid hebt om die zelf te gebruiken – ook dat is niet overal het geval, aldus een cliënt. “Hier bij Noiz heb je een koelkast.
Ik kon een biefstukje bakken op mijn eerste dag, hier heb ik het gevoel dat ik mens ben.” Passende zorg en begeleiding Cliënten met een sterke verstoring in het mentale welzijn ontvingen vaak hulp in de vorm van behandeling en medicatie om op dat vlak weer balans te vinden. De juiste specialisatie van een woonvoorziening met passende begeleiding en behandeling is daarbij cruciaal. Dit gaat niet altijd goed. Meerdere cliënten konden op de locatie waar zij verbleven geen of onvoldoende hulp krijgen voor hun specifieke aandoening. Ook hadden verschillende cliënten de ervaring van onvoldoende gerichte hulp op verschillende BW- en MO-locaties. Ze hadden het gevoel dat zij tamelijk zelfstandig en mondig moesten zijn om hun eigen hulp vorm te geven en om goed om te kunnen gaan met de informatie die werd gegeven. Mensen die daartoe niet in staat zijn, ontvingen daardoor onvoldoende De koudweerregeling kan van kracht worden bij een gevoelstemperatuur onder de 0 graden, of als het KNMI waarschuwt voor extreem weer. De regeling is een initiatief van de vier grote gemeenten: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. In de periode tussen 1 november en 1 april bepalen de GGD’s in de steden samen wanneer de regeling van kracht wordt. 4
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
9
hulp. Bij verschillende GGZ-locaties hadden mensen ook niet altijd een positieve ervaring. Gedwongen opname werd door een cliënt als traumatisch ervaren. Een andere cliënt gaf aan verkeerde medicatie te hebben gekregen, en een derde cliënt vond het verblijf op de gesloten afdeling erg onprettig. Verschillende geïnterviewden geven aan dat ze hulp bij afkicken kregen op de locatie waar ze wonen, of hebben gewoond. Dit was voor hen een belangrijke stap richting meer fysieke en mentale gezondheid. Een begripvolle houding van begeleiders hierbij werd erg gewaardeerd. Op verschillende locaties wordt drugsgebruik niet getolereerd. Wanneer cliënten bij drie urinecontroles positief testen op drugs, kan dit leiden tot beëindiging van hun verblijf. Op andere locaties wordt drugsgebruik en drugshandel juist te veel getolereerd, wat voor een onveilige sfeer zorgt. Cliënten zoals Sahar (persona op pagina 17) hebben juist behoefte aan veiligheid. Tolerantie van drugs werkt ook gebruik in de hand, aldus meerdere cliënten: het kan leiden tot drugsgebruik bij mensen die nog niet gebruikten, het kan leiden tot een terugval en het bemoeilijkt het afkicken. Ten slotte is de inzet van begeleiders erg belangrijk op de woonlocaties. Uit de interviews blijkt een sterke afhankelijkheid van de begeleider, bijvoorbeeld in informatievoorziening en hoeveel moeite en tijd de begeleider in jouw casus steekt.
Cliënten geven aan dat ze erg blij waren met begeleiders die veel persoonlijke aandacht gaven, een luisterend oor boden, maatwerk leverden en meedachten over wat er nodig is om stappen richting de toekomst te zetten. Ervaringsdeskundigheid bij begeleiders wordt door sommigen gewaardeerd, anderen geven aan dat zij soms professionele kennis missen bij ervaringsdeskundigen5. Op verschillende locaties waren er wel veel wisselingen in personeel en ook het personeelstekort werd opgemerkt: begeleiders hebben het regelmatig heel druk. Na uitstroom Alle geïnterviewde cliënten ontvingen nog ambulante begeleiding na uitstroom, in verschillende vormen. Er was veel waardering voor ambulant begeleiders die meedachten over toekomstperspectief, werk zoeken en zingeving. Juist deze doelgroep worstelt soms met existentiële vragen en heeft behoefte aan richting in hun leven. Begeleiders die flexibel en bereikbaar zijn wanneer dat het meest nodig is en die maatwerk bieden worden expliciet gewaardeerd door uitgestroomde cliënten. Vaak is er regelmatig telefonisch contact; de cliënt kan de begeleider bellen of appen en de begeleider checkt ook regelmatig hoe het gaat. Daarnaast zijn er vaste momenten waarop de begeleider en de cliënt met elkaar afspreken. Ze zijn een aanspreekpunt voor praktische vragen.
Zij helpen bijvoorbeeld om een brief te begrijpen, gaan mee naar medische afspraken met de dokter of tandarts, of naar andere afspraken en activiteiten. Ook na uitstroom werd ervaringsdeskundigheid bij begeleiders gewaardeerd: mensen die een gelijkwaardig gesprekspartner zijn en een flexibele en begripvolle houding hebben in de hulpverlening. De meeste waardering ging uit naar het blijven ontvangen van emotionele steun: een luisterend oor, iemand om een kop koffie mee te drinken en te praten over hoe het gaat. Hierbij is het wel belangrijk dat dit zo veel mogelijk een vaste begeleider betreft. Verschillende cliënten hadden met veel wisselingen te maken en waren daar ontevreden over: dan moet je steeds opnieuw je verhaal vertellen en vertrouwen opbouwen. Eén cliënt gaf aan dat hij graag meer hulp zou krijgen van zijn ambulant begeleiders bij het aangaan van zijn blijvende verslavingsprobleem. Hij gaf aan dat zijn begeleiders hier niet over in gesprek durven te gaan, terwijl hij dat wel nodig heeft. Enkele cliënten vonden het traject van twee jaar ambulante
Cliënten bedoelden hiermee professionals die eigen ervaringen hebben in BW of MO, en mensen die zelf vergelijkbare situaties mee hebben gemaakt en daardoor veel begrip hebben voor de cliënt 5
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
10
begeleiding na uitstroom te lang. Zij vonden dat ze het niet meer nodig hadden en wilden graag zelfstandig verder. Eén cliënt: “Ik vind het niet meer nodig om die hulp één keer per week te hebben. Ik wil het twee keer per maand, het liefst telefonisch. [..] Dan het laatste jaar wil ik ze één keer per maand zien. Het is nog wel een verplicht traject omdat ik een huis heb gekregen via hen. Ik heb ook gewoon geen zin meer in nieuwe mensen. Ik wil het afmaken omdat ik deze mensen al ken.” Wat is nodig volgens professionals? Professionals geven aan dat vroegsignalering van problemen essentieel is. Tegelijkertijd merken zij op dat dit op veel plekken lastiger is geworden sinds oude buurtkamers en laagdrempelige voorzieningen, waar jongeren op een positieve manier werden ondersteund, zijn wegbezuinigd. Deze locaties speelden een belangrijke rol bij het in beeld krijgen van mensen met problemen zoals schulden of dreigende dakloosheid. Met tijdige signalering kun je mensen helpen, mits zij daar open voor staan. Nu vallen echter steeds meer mensen tussen wal en schip. Ook time-outvoorzieningen hebben een meerwaarde, zo vinden professionals. Dit zijn locaties waar kort verblijf mogelijk is om escalatie thuis te voorkomen. Er zijn echter veel contra-indicaties om mensen te kunnen plaatsen, evenals weinig plekken. Hiervoor is meer passend aanbod nodig, qua type plek en tijdsoort.
Daarnaast benoemen professionals, net als cliënten, een groot gebrek aan nachtopvangplekken. Het aanbod slinkt terwijl de vraag groeit en veel mensen buiten slapen. Hiermee wordt niet voldaan aan de basisbehoeften van mensen, wat zeer nadelige effecten heeft op hun gezondheid en welzijn. Tot slot geven professionals aan dat de lage continuïteit van begeleiding door de vele personeelswisselingen in de zorg en op woonlocaties, problematisch is voor de kwaliteit van de ondersteuning van cliënten. Dit komt de gezondheid en het welzijn van cliënten niet ten goede.
2.3
Deelconclusie
We constateren dat gezondheid en welzijn in vrijwel alle situaties een belangrijke rol speelden bij de redenen voor instroom. Vaak gingen bestaansonzekerheid en stress hiermee gepaard, waardoor cliënten niet de mentale ruimte hadden om op tijd hulp te vragen. Cliënten zijn meestal niet bekend met het (hulp)aanbod. Dit geldt zeker voor cliënten die de taal niet spreken zoals de onbekende met het systeem (Nabil, persona op pagina 8), zo concluderen wij. Informatievoorziening over het hulpaanbod, visueel weergegeven of eenvoudig uitgelegd en in meerdere talen, is dan essentieel. Als cliënten op straat belanden, wordt veelvuldig gebruik gemaakt van laagdrempelige voorzieningen voor absolute minimale voor een menselijkheid bestaan. De waardering hiervoor is hoog. Verbeterpunten zijn ruimere openingstijden van de voorzieningen (24/7 is gewenst), en het verhogen van het aantal beschikbare plekken. Het vervullen van een aantal basisbehoeften – lichamelijke behoeften zoals eten, drinken, en veiligheid – tijdens verblijf in een BW en MO-locatie is stap één richting verbeterde gezondheid en welzijn en randvoorwaardelijk voor (duurzame) uitstroom, zo geven respondenten aan. Daarnaast is passende zorg en begeleiding op de woonlocaties BW en MO essentieel.
Er is veel waardering voor een vaste, ambulante begeleider die emotionele ondersteuning biedt, ervaringskennis kan inbrengen en richting geeft.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
11
Ook na uitstroom is begeleiding belangrijk, geven cliënten en professionals aan. De gewenste duur en intensiteit kan verschillen. Belangrijk is dat er in ieder geval waakvlamcontact is met begeleiding, zodat er weer opgeschaald kan worden als het niet goed gaat. Liefst is dit iemand die al bekend is met de cliënt en die laagdrempelig bereikbaar is. Voor bepaalde cliënten is ambulante specialistische (verslavings)zorg nodig, aanvullend op – en in afstemming met – andere aanwezige begeleiding, zoals voor Eddy (persona op pagina 23). Daarnaast heeft ondersteuning en begeleiding bij afspraken buiten de deur meerwaarde voor cliënten. Dit betreft zowel medische afspraken (naar de dokter, tandarts) als andere afspraken en activiteiten. Ook time-outvoorzieningen hebben meerwaarde, zo vinden professionals. Tot slot draagt zingeving bij aan het welzijn van mensen. Aanbod of hulpverlening die daar aandacht aan schenkt, wordt positief gewaardeerd.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
12
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
13
3. Wonen In dit hoofdstuk schetsen we het beeld van de woonsituatie van cliënten in BW en MO vóór instroom, tijdens hun verblijf en na uitstroom. Daarna belichten we wat cliënten zelf als noodzakelijk ervaren in de basisset, op basis van wat voor hen meerwaarde heeft. Vervolgens geven we weer wat professionals op dit thema als essentieel beschouwen. Het hoofdstuk sluit af met een deelconclusie over het thema wonen.
3.1
Situatieschets cliënten BW en MO
Voor instroom: Voorafgaand aan de instroom was de meerderheid van de geïnterviewde cliënten dak- of thuisloos.6 Meestal betrof het een samenloop van omstandigheden, vaak ook sterk gerelateerd aan iemands situatie van gezondheid en welzijn, benoemd in hoofdstuk 2. Sommigen leefden een korte of langere periode op straat en sliepen buiten. Voor veel van hen was dit een traumatische ervaring die hun welzijn op de lange termijn heeft aangetast. Ze waren blootgesteld aan de elementen, hadden te maken met onprettig of gevaarlijk contact met andere mensen die op straat leefden, en kampten vaak ook met verslavingsproblematiek. De nachtopvang kon soelaas bieden, maar werd ook door veel cliënten als chaotisch, onprettig en onveilig ervaren. Verschillende geïnterviewden gaven aan nog schaamte te ervaren over deze periode. De dakloosheid had verschillende oorzaken. Meerdere respondenten werden dakloos na terugkeer in Nederland na een (langdurig) verblijf in het buitenland,7 en meerdere cliënten hadden na detentie geen woning en gaven daarbij ook aan dat het voor hen onduidelijk was waar ze moesten verblijven. Soms was een relatiebreuk of scheiding de oorzaak, soms problematische schulden, en soms was overlast reden voor huisuitzetting. Ook strenge regelgeving rondom wonen, overlast en delicten leidde voor meerdere cliënten tot instroom op een BW of MO-locatie.
Een voorbeeld is een cliënt die in detentie had gezeten vanwege een wietplantage in een huurwoning. Om die reden mocht deze cliënt voor langere periode geen huis meer huren. Een andere cliënt mocht drie jaar geen woning huren wegens veroorzaakte overlast op meerdere plekken. Ook gaf een cliënt aan dat het niet mogelijk was om met een huisdier (hond) op een opvanglocatie terecht te kunnen, maar niet zonder hond te kunnen leven. Dit heeft geleid tot een periode van dakloosheid, tot een medewerker van een opvanglocatie voor diegene heeft gepleit. Toen mocht de hond met muilkorf aanwezig zijn in de gedeelde woning. Sommige cliënten hebben niet op straat geleefd of buiten geslapen, maar overnachtten in de periode dat ze thuisloos waren bij vrienden, familie of kennissen. Dit was niet altijd een prettige of veilige situatie, en nooit een duurzame situatie. Tijdens instroom: verbleven of verblijven de geïnterviewde cliënten op uiteenlopende locaties. Bijvoorbeeld 24-uursopvanglocaties, GGZ-locaties (klein- en grootschalig, gesloten en open), tijdelijke nood- of crisisopvang en beschermd wonen-locaties. Op deze plekken wordt voorzien in de eerste levensbehoeften en is er begeleiding aanwezig of beschikbaar. Regelmatig stromen respondenten door naar een andere locatie, bijvoorbeeld naar een locatie met meer zelfstandigheid of privacy, als stap richting zelfstandig wonen.
Soms is dit gedwongen, in verband met een maximale Iemand die dakloos is heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en ook geen adres om te wonen of te logeren. Iemand die thuisloos is wisselt steeds van onderdak of woonplaats (Trimbos Instituut) 7 Hiermee bedoelen we ook het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden (Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de 3 openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) 6
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
14
verblijfsduur op een locatie. De meeste geïnterviewde cliënten hadden zo’n doorstroomstap gemaakt voordat zij uitstroomden naar een zelfstandige woning. Na uitstroom: Niet alle cliënten kunnen (op termijn) uitstromen uit BW. De cliënten die uitstromen komen terecht in een eigen appartement of studio. Dit betreft meestal een sociale huurwoning (via urgentie). Deze woningen liggen in een woonwijk of bijvoorbeeld in gemengd wonen complexen, waar andere bewoners op de hoogte zijn van het feit dat er mensen wonen die soms een steuntje in de rug nodig hebben of afwijkend gedrag kunnen vertonen. Om uit te kunnen stromen van een BW of MOlocatie naar een eigen sociale huurwoning, worden er maatwerkafspraken met de cliënt gemaakt. Zo krijgen cliënten na uitstroom nog een tijd ambulante begeleiding. Ook moeten ze vaak verplicht gebruik maken van extern geldbeheer of bewindsvoering.
3.2
Wat is nodig volgens cliënten?
Er zijn verschillende zaken die volgens cliënten helpen bij het vinden en behouden van een woonplek. Preventief: instroom voorkomen Vóór instroom lopen verschillende problemen vaak hoog op bij cliënten. Er was regelmatig zoveel stress in zo’n situatie dat cliënten niet de (mentale) ruimte hadden om bijtijds hulp te zoeken en dus op straat belandden. Regelmatig speelt mee dat ze een opgelopen huurachterstand hebben. Cliënten geven dan ook aan dat eerdere inzet van bijvoorbeeld budgetbeheer of vroegsignalering helpend had kunnen zijn. Ook kaartten meerdere cliënten aan dat het slapen bij vrienden, familie of kennissen (ook wel bankslapers genoemd) soms door de gemeente of andere instanties wordt gezien als een dak boven je hoofd. Ze zouden echter graag urgentie krijgen in deze situatie. Het betreft namelijk geen duurzaam onderdak en de situatie kan leiden tot spanning binnen de relaties die juist heel belangrijk zijn voor iemands welzijn. “Ik verbleef eerst bij mijn zus. Daarna heb ik bij mijn dochters gezeten. Maar dat is toch lastig, dat gaat botsen, op privacy en opvoeding. Bij vrienden slapen is leuk voor een paar nachten.” Toeleiding naar, en tijdens verblijf in BW/MO-locatie Als cliënten geen woning meer hebben, is noodopvang voor veel van hen cruciaal voor het hervinden van een stabiele basis en het gevoel van ‘mens zijn’ terug te brengen.
Eenmaal in een BW of MOvoorziening is de locatie van een voorziening belangrijk voor cliënten. Sommigen zijn bijvoorbeeld blij met een rustige omgeving. Zoals een cliënt vertelde over een BW-locatie buiten de stad: “Het is een mooie buurt. Toen ik hier net kwam vond ik het echt dood, want het is hier veel rustiger dan in Utrecht. Maar nu vind ik het juist fijn dat het rustig is.” Ook is het belangrijk dat werk en vrienden of familie goed te bereiken zijn. Enkelen vonden de voorziening te ver van hun netwerk of werk, waardoor het moeilijk was om vrienden of familie te zien, en/of om te blijven werken. Voor sommige cliënten vormt verblijven op locaties in het centrum van Utrecht een risico omdat ze vanuit daar makkelijk weer terug kunnen vallen in hun oude ‘slechte’ en onveilige netwerk.
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
15
Over locaties waar slaapruimte, woonruimte en/of sanitair gedeeld worden, zijn cliënten minder positief. Hoe meer gedeeld moest worden, hoe stressvoller het verblijf. Bijvoorbeeld bij verschillende nachtopvanglocaties voor daklozen, waar men meestal op gedeelde slaapzalen verblijft, hebben mensen veel onrust en onveiligheid ervaren, onder andere in de vorm van ruzie, diefstal en gebruikers die niet-gebruikers beïnvloedden met hun gedrag. “Ik was het niet gewend om met meerdere personen op een zaal te slapen dus er ontstond conflict waardoor ik de locatie moest verlaten. Ik vond het daar erg onprettig, mensen snurken, het was er onhygiënisch en luid.” Het delen van een appartement met een huisgenoot op een BW-locatie werkt niet altijd goed. Zo kwam bijvoorbeeld een cliënt die we interviewden in een conflictsituatie terecht met een huisgenoot met een ingewikkelde machtsverhouding, waardoor haar psychische problemen verergerden. Het delen van een keuken en sanitair wordt ook niet altijd als positief ervaren, Een voorbeeld is een cliënt die de toiletten deelde met anderen op een BW-locatie, die lang niet altijd schoon werden achtergelaten: “Thuiskomen van mijn werk en dat de WC dan lekker ruikt, dat is echt mijn droom.” Na uitstroom Toewijzing van een woning kan lang duren, volgens verschillende cliënten.
Vaak moet iemand die klaar is om uit te stromen nog een periode wachten voordat dit werkelijk kan. Wat ons daarbij opviel, is dat de uitgestroomde cliënten die we spraken relatief snel konden uitstromen op het moment dat het echt goed met hen ging. De cliënten die al langere tijd in een BW of MO-locatie verbleven – en ontevreden waren over hoe lang dit duurde– kwamen kwetsbaarder en minder stabiel over, en leken daardoor nog niet klaar voor uitstroom. Verschillende uitgestroomde geïnterviewden geven aan erg blij te zijn om weer een eigen huis te hebben, een plek die echt voor henzelf is en waar ze tot rust kunnen komen. Het is belangrijk dat het huis ruim genoeg is en dat het zich in een veilige woonomgeving bevindt. De gemengd wonen complexen kregen positieve feedback van cliënten omdat daar een gemengde populatie woont (niet alleen uitstromers), en ook omdat daar altijd iemand aanwezig is die hulp kan bieden indien nodig. Enkele geïnterviewde cliënten hebben een negatieve ervaring op plekken waar veel ‘uitstromers’ bij elkaar werden geplaatst. Daar kregen zij stress door de onrust die dat veroorzaakte en ze waren niet blij met de negatieve reputatie die de woonomgeving daardoor kreeg. Aldus een uitgestroomde cliënt met deze ervaring: “Hier zitten alle daklozen in één straat. Bij een vriend van me is het echt verdeeld, dat spreekt me wel meer aan.
Je hebt dan meer contact met verschillende mensen. Er is hier een buurthuis en als ik dan zeg waar ik woon, weten ze natuurlijk wel meteen dat ik aan de daklozenkant woon.” Ook hier speelt wederom de locatie een belangrijke rol, waarbij de behoefte van uitstromende cliënten varieert: juist dichtbij of ver weg van het oude netwerk en met de mogelijkheid om naar (vrijwilligers)werk te reizen (hierover meer in paragraaf 5.2). Meerdere cliënten kregen via de gemeente een financiële bijdrage als tegemoetkoming voor verhuiskosten en het inrichten van de woning en waren daar blij mee. Ze hebben immers weinig te besteden, moeten soms een maand dubbele huur betalen (zowel bij hun oude als nieuwe woonplek), en moeten en willen graag hun nieuwe plek inrichten en eigen maken. DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
16
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
17
3.3
Wat is nodig volgens professionals?
Professionals zien veel verbetermogelijkheden rondom wonen. We geven een overzicht. Preventief: instroom voorkomen Het voorkomen van huisuitzettingen zou veel instroom helpen voorkomen. Vaak komen problemen pas in beeld als het al te laat is voor iemand om nog thuis te blijven wonen: “Vaak schort het aan begeleiding als iemand dreigt uitgezet te raken, het gebeurt pas als het water tot je lippen staat.” Daaraan zijn volgens professionals verschillende oorzaken onderliggend. Vaak betreft het mensen die niet aan de bel trekken over hun problemen, die zorgmijdende neigingen hebben (door eerder negatieve ervaringen met (zorg)instanties), of niet weten waar ze naartoe kunnen. Deze mensen zullen hoogstwaarschijnlijk ook niet komen op laagdrempelige inloopplekken: “Je vindt daar de mensen die toch wel komen; niet de mensen waar het aan alle kanten misgaat en die nergens om hulp vragen.” Om hen zo goed mogelijk te bereiken is vroegsignalering nodig op een zo outreachend mogelijke wijze: outreach-teams zijn volgens professionals effectief. Die gaan net zo vaak en net zo lang bij iemand langs tot ze contact hebben. Een factor die het bijtijds inzetten van hulp in de weg staat, is dat communicatie tussen professionals over casussen van bewoners in verband met privacyregelgeving vaak niet is toegestaan.
Een medewerker van een corporatie geeft aan: “Als sociale verhuurder hebben we nooit het doel om mensen te ontruimen. Wat voor ons soms lastig is, is dat er over te veel schijven wordt gewerkt. Maar wij mogen niet zomaar met elkaar communiceren zonder toestemming. Het is voor ons soms lastig om de juiste personen in te schakelen, om stress te voorkomen bij huurachterstand, een juridische procedure of vanwege verward of onbegrepen gedrag. Voor ons zou het helpen als er concretere afspraken gemaakt worden om sneller gezamenlijk aan de slag te gaan, zonder dat we eerst langs drie poppetjes van bemoeizorg moeten gaan.” Zelfs wanneer er sprake is van vroegsignalering en mensen openstaan voor hulp, wordt effectieve ondersteuning bemoeilijkt door het gebrek aan passende oplossingen op het moment dat zij toch hun woning moeten verlaten. Professionals zijn van mening dat je pas succesvol kan werken aan randzaken wanneer je een dak boven je hoofd hebt. Een tijdelijke oplossing die volgens professionals goed werkt is Cazas. Dit zijn tijdelijke woonruimtes voor maximaal een half jaar. Dit half jaar een dak boven je hoofd heeft een positief effect op het stressgehalte en biedt net wat extra tijd om een nieuwe woonruimte te vinden. Maar onderdak vinden is niet altijd mogelijk vanwege een tekort aan (gedeelde) woningen.
In een focusgroep vertellen professionals bovendien over situaties waar mensen met een tijdelijke woning worden afgewezen voor een aanvraag voor een volgende woning omdat de situatie niet urgent genoeg wordt gevonden. Ze komen uiteindelijk wel op de wachtlijst, maar niet op tijd om een nieuwe woning te hebben voordat zij de tijdelijke woonruimte moeten verlaten, waardoor ze alsnog zonder woning zitten staan. De criteria en de regels sluiten dus niet goed aan op de praktijk. Tijdens verblijf op BW/MO-locatie Er is volgens de geïnterviewde professionals een tekort aan plekken bij BW en MO-locaties. Dit zorgt voor lange wachttijden voor instroom, wat ertoe leidt dat mensen soms lang in de nachtopvang DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
18
moeten verblijven. De situatie in de nachtopvang kan voor (kwetsbare) mensen schadelijk zijn om lang te verblijven. Professionals zien dat psychiatrische klachten en/of verslavingsproblematiek daardoor kunnen verergeren. Er is ook veel sprake van misplaatsing of moeilijke plaatsbaarheid, vooral van cliënten met multiproblematiek, zo geven professionals aan. Veel woonvormen, zeker BW, zijn gespecialiseerd in een bepaalde problematiek en kunnen daardoor cliënten met andere vormen van kwetsbaarheid niet of onvoldoende begeleiden. Er wordt ook een gebrek aan professionals die goed overzicht hebben van het aanbod ervaren. Cliënten zijn afhankelijk van het treffen van nét de juiste persoon met de juiste expertise om doorverwezen te worden naar een plek die past. Na uitstroom Professionals geven aan dat het woningtekort erg merkbaar is bij het laten uitstromen van cliënten, en de eventuele stappen die daarna volgen. Voldoende woningaanbod is een belangrijke randvoorwaarde. Professionals zijn positief over de housing first aanpak van het Leger Des Heils. Deze samenwerking tussen verschillende partijen aan de voorkant zorgt dat iemand een goede start kan maken: dan is een woning, de indicatie voor begeleiding en de uitkering geregeld. Een ander programma dat positief uit de verf komt in het gesprek met professionals is Kamers met Aandacht.
Hierbij stromen jongeren (van 18 tot 23 jaar) die op zichzelf kunnen wonen eerst uit naar particulier via een hospita-constructie: bij iemand in huis gaan wonen die ruimte over heeft. Diegene houdt dan een oogje in het zeil en is beschikbaar als er problemen spelen. Het zorgt ook voor de basis van een nieuw netwerk voor de toekomst. Het idee is dat de jongeren een halfjaar dan ‘echt’ op zichzelf gaan wonen, echter deze doorstroom loopt vast door het tekort aan woningen, waardoor jongeren in het project ‘blijven steken’. Professionals geven aan dat de woonomgeving waar iemand wordt geplaatst na uitstroom erg van belang is. Mensen met te zware problematiek die in een woonomgeving worden geplaatst waar zij de enige uitstromers zijn, worden door overlast vaak weer doorgeplaatst. Ook als meerdere uitstromers in een relatief kleine woonomgeving worden geplaatst, levert dit vaak overlast en problemen op met de buurt. En ook het plaatsen van uitstromers in de vrije sector huurgebouwen levert problemen op: huurders die meer huur betalen en een werkritme hebben, verwachten woongenot en hebben weinig acceptatieruimte voor overlast. Wat helpt om problemen in de woonomgeving te voorkomen, is wanneer omwonenden tijdig worden geïnformeerd over (de plannen voor) de plaatsing van uitstromers.
De gemengd wonen complexen in Utrecht werden ook door de professionals als positief benoemd: hier weten mensen voordat ze er komen wonen waar ze voor kiezen en met wat voor soort buren ze mogelijk te maken krijgen. Het helpt voor het beperken van overlast dat dit om nieuwbouw gaat in verband met betere (geluid)isolatie. Als het gaat om gemengd wonen of het plaatsen van uitstromers in bestaande buurten mag er, wederom vanwege de privacy, niet worden gemeld wie er in de buurt komen wonen. Dit staat begrip van buurtbewoners in de weg en kan resulteren in klachten over overlast. Professionals vinden dat het mogelijk zou moeten zijn om over huisvesting van uitstromers te communiceren met bewoners. Dit
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
19
gebeurt bijvoorbeeld bij de Huizen met Aandacht8, waar het ook haar vruchten afwerpt. Bij dit project worden buren altijd betrokken: “We gaan altijd in gesprek, we organiseren ook een kennismakingsavond met de buurt. En ik ben als coördinator altijd aanspreekbaar als er iets misgaat.” Een ander punt wat betreft communicatie en privacy is dat het wenselijk is dat ook de corporatie, net als de sociale diensten en uitkeringen, ervan op de hoogte is dat iemand binnen een bepaalde doelgroep valt en begeleiding heeft. Dan kunnen zij hier rekening mee houden als er problemen ontstaan.
3.4
Deelconclusie
We concluderen dat het cruciaal is om te voorkomen dat cliënten in financiële problemen raken, omdat zij anders het risico lopen hun woning te verliezen. Dit kan worden tegengegaan door tijdig preventief budgetbeheer in te zetten, zodat vaste lasten betaald worden, en door vroegsignalering toe te passen bij het ontstaan van huurachterstanden. Daarnaast is de inzet van outreachende hulpverlening (huisbezoek) helpend om zorgmijders op tijd in beeld te krijgen en te kunnen ondersteunen. Een eigen kamer, of eigen plek na uitstroom, is helpend en ondersteunend aan doelen op andere leefgebieden. In het bijzonder gemengde woonvormen die uitnodigen tot laagdrempelig contact met andere bewoners, en innovatieve woonvormen worden positief beoordeeld. Randvoorwaarden daarbij zijn dat er voldoende, passende woonplekken zijn waar mensen zoveel mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Om eventuele problemen met de woonomgeving te ondervangen, helpt het als de bewoners in de omgeving al in een vroeg stadium op de hoogte zijn van (de plannen voor) de plaatsing van uitstromers. Ook een aanspreekpunt voor buren is helpend. Verder moeten er voor mensen in een situatie van dak- en thuisloosheid plekken zijn waar ze terecht kunnen voor hun eerste levensbehoeften: slapen, eten en plek voor persoonlijke hygiëne.
Ook moeten zo min mogelijk repressieve maatregelen worden ingezet, zoals het beboeten van buitenslapers, omdat dit de situatie voor dak- en thuislozen verergert. Daarnaast concluderen we dat regelgeving soms bijdraagt aan het ontstaan van dakloosheid. Dit geldt bijvoorbeeld voor mensen die uitstromen uit detentie of voor voormalige huurders die zijn uitgezet wegens overtreding van het huurcontract of de algemene voorwaarden, en die vervolgens door woningcorporaties worden geweigerd op basis van een zerotolerancebeleid. Het is van groot belang om huisuitzettingen zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is het essentieel dat er oplossingen worden gevonden voor mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen. Een belangrijke randvoorwaarde is dat professionals op casusniveau integraal kunnen overleggen zodra een huisuitzetting dreigt. Ook kan het helpend zijn als woningcorporaties informatie hebben over de achtergrond van nieuwe bewoners.
In Utrecht staan twee Huizen met Aandacht: dit betreft een kleinschalig wonen project van door een woningcorporatie (of vastgoedbeheerder) samen met Kamers met Aandacht voor jongeren die uitstromen uit de jeugdzorg. Bron: www.kamersmetaandacht.nl. 8
DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
20
4. Financiële stabiliteit In dit hoofdstuk schetsen we het beeld van de financiële situatie van cliënten in BW en MO vóór instroom, tijdens hun verblijf en na uitstroom. Daarna belichten we wat cliënten zelf als noodzakelijk ervaren in de basisset, op basis van wat voor hen meerwaarde heeft. Vervolgens geven we weer wat professionals op dit thema als essentieel beschouwen. Het hoofdstuk sluit af met een deelconclusie over het thema financiën.
4.1
Situatieschets cliënten BW en MO
Vóór instroom: De meeste cliënten hadden een uitkering op het moment van instroom. Veel cliënten in BW hadden hun financiën niet op orde in de periode voorafgaand aan instroom; regelmatig was er sprake van schulden. We spraken ook jongeren die voorafgaand aan instroom nog niet financieel zelfstandig waren. Ook interviewden we mensen die uit detentie kwamen en die weinig ervaring hadden met het beheren van hun financiën. Schrijnend zijn ook de situaties van mensen die in de gevangenis al dakloos raken: zij bouwen tijdens detentie al schulden op doordat bijvoorbeeld hun zorgverzekering niet wordt stopgezet en raken daardoor dakloos als ze uit detentie komen. Tijdens verblijf BW / MO: Verschillende cliënten hebben in hun periode van dakloosheid bij instroom hulp gehad bij het aanvragen van een uitkering of om werk te vinden, bijvoorbeeld van het Stadsteam Herstel van de gemeente Utrecht. Onderdeel van dat traject is dat cliënten worden aangemeld voor budgetbeheer via Stadsgeldbeheer. Vanuit BW en MO-locaties worden bewoners door hun begeleiders ook aan Stadsgeldbeheer gekoppeld als ze nog niet aan hen verbonden zijn. Budgetbeheer houdt in dat de inkomsten bij Stadsgeldbeheer terecht komen en daar worden beheerd. Zij betalen de vaste lasten, leggen een potje spaargeld aan en keren elke maand een vast bedrag uit. Stadsgeldbeheer kan ook de aanpak van schulden helpen vormgeven.
Verschillende geïnterviewde cliënten zaten (al dan niet vrijwillig) onder bewind of in de schuldsanering via Stadsgeldbeheer of via een andere tussenpartij. Cliënten die hiertoe in staat worden geacht of aangeven dit graag te willen, worden op verschillende BW en MO-locaties gestimuleerd om werk te zoeken. Na uitstroom: Na uitstroom continueert bewind of schuldsanering soms nog, en blijft budgetbeheer vanuit Stadsgeldbeheer doorlopen in de periode dat de cliënten nog ambulante begeleiding ontvangen. Dit wordt langzaam afgebouwd bij groeiende financiële zelfstandigheid van de cliënt. De ambulante begeleiding blijft ook meedenken en ondersteunen bij het zoeken naar werk, als dat kan en de cliënt dat wenst. De cliënt kan op een gegeven moment overgaan op het Huishoudboekje – als diegene geen schulden of betalingsachterstanden (meer) heeft. Het Huishoudboekje is vergelijkbaar met budgetbeheer, maar kan voor onbepaalde tijd doorlopen als de deelnemer dat wenst.
4.2
Wat is nodig volgens cliënten?
Er zijn verschillende zaken die volgens cliënten helpen bij het vinden en behouden van financiële stabiliteit. Preventief: instroom voorkomen Er zijn cliënten die tussen wal en schip vallen en pas een beroep kunnen doen op hulp als het goed mis gaat. Zij geven aan dat het belangrijk is dat ze op tijd hulp en urgentie krijgen, voordat ze daadwerkelijk dakloos zijn. DSP - GROEP
Stevige basis voor preventie en herstel
21
“Toen ik nog niet dakloos was, maar wel aangaf dat ik het financieel lastig had, werd ik niet geholpen omdat ik niet urgent genoeg was.” Tijdens verblijf BW/MO In het algemeen geven geïnterviewde cliënten aan dat het budgetbeheer/huishoudboekje hen een gevoel van zekerheid en veiligheid geeft. Het zorgt ervoor dat ze geen plotselinge grote uitgaven doen die niet verstandig zijn. Ze hoeven zich geen zorgen te maken over de vaste lasten en hebben uiteindelijk wat spaargeld achter de hand. Financiën kunnen een stressfactor op zich zijn en het is fijn als deze stress wordt weggenomen, blijkt uit de interviews. Bewind of schuldsanering kan een spannende stap zijn voor cliënten. Een geïnterviewde cliënt gaf aan dat zijn begeleider vanuit Stadsteam Back Up heeft geholpen om vertrouwen te krijgen in een bewindvoerder en het traject aan te gaan. Het was goed geweest als hij nog eerder hiermee was begonnen omdat hij dan minder problemen zou hebben gehad. Een andere respondent verblijvend in BW gaf aan dat hij het fijn vond dat een begeleider meedacht over de mogelijkheden om (weer) te gaan werken, welk werk te gaan doen en hoeveel uren nodig zouden zijn voor voldoende inkomen om rond te komen.
Na uitstroom Verschillende cliënten hebben bij uitstroom gebruik gemaakt van bijzondere bijstand van de gemeente voor bijvoorbeeld de verhuiskosten en dubbele huur die de verhuizing met zich mee bracht. Het was een nodige en welkome aanvulling in deze periode. Ook na uitstroom waren budgetbeheer en het huishoudboekje een fijne basis, aldus verschillende respondenten. Het gaf zekerheid over het niet kwijtraken van hun huis. Cliënten zoals Eddy (persona op pagina 23) zijn blij als hun vast lasten zijn betaald. Ambulant begeleiders kijken vaak nog mee met administratieve vragen, regelwerk en onduidelijkheden. Ook hier zijn cliënten blij mee. Enkele uitgestroomde cliënten vonden het budgetbeheer te lang duren en wilden graag zelfstandig verder. Meerdere cliënten gaven aan door bewindvoering en/of schuldsanering weer financieel fit te zijn geworden. Voor sommige cliënten, zoals de terugkerende worstelaar Eddy (persona op pagina 23) is bewindvoering essentieel om grip te houden op het geld tijdens periodes van kwetsbaarheid en terugval in verslaving. Een uitgestroomde cliënt vertelde dat de begeleiding vanuit de schuldsanering ervoor zorgt dat hij zijn huis kan behouden. Daarom heeft hij afgesproken dat de begeleiding nog een tijdje doorloopt: “Het klinkt gek, maar zij betaalt mijn dingen, ze spaart een beetje voor me, je krijgt leefgeld in de week.