Rapport Impactanalyse aansluitstop netcongestie 2026 (openbare versie)
Tekst van het document
Impactanalyse Aansluitstop Netcongestie
Rapportage - versie 1.2 Ter bespreking met het college op 14 april en verzending aan de raad.
Programma Netcongestie
1
Versiebeheer Versie
Status
Datum
Bundeling na inventarisatie, interviews en gesprekken bij (deel)opgaven, afdelingen en OO’s
februari 2026
0.1
Concept t.b.v. kernteam netcongestie
26 februari 2026
0.2
Concept t.b.v. DO Ruimte d.d. 3 maart 2026
2 maart 2026
0.3
Versie t.b.v. Stuurgroep Netcongestie d.d. 9 maart
6 maart 2026
0.4
Versie t.b.v. DO Ruimte d.d. 10 maart
9 maart 2026
0.5
Versie t.b.v overleg AOG’s directeur Stedelijk Beleid en directeur Domein Fysiek
10 maart 2026
1.0
Versie t.b.v. CDO d.d. 18 maart
12 maart 2026
1.1
2e versie t.b.v. CDO d.d. 18 maart
16 maart 2026
1.2
Versie t.b.v. Raad & College
8 april 2026
Deze rapportage is een momentopname en geeft daarmee een beeld van de actuele stand van zaken. Doordat het onderwerp continu in beweging is en er op meerdere vlakken dynamische ontwikkelingen zijn, betekent dit dat de opgenomen inschattingen, getallen en bedragen over enkele weken weer anders kunnen zijn.
2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................................................... 3 1.
Inleiding ...................................................................................................................................... 5
1.1
Doel impactanalyse .................................................................................................................... 6
1.2
Voorbehoud ................................................................................................................................ 6
2.
Context ....................................................................................................................................... 7
2.1
Speelveld .................................................................................................................................... 8
2.2
Technische uitleg netten en capaciteit ....................................................................................... 8
2.3
Huidige economische en maatschappelijke gevolgen ............................................................. 11
2.4
Hoe ziet netcongestie de komende 10 jaar eruit? .................................................................... 11
2.5
Toekomstbestendig energiesysteem ........................................................................................ 13
2.6
Handelingsperspectief netcongestie ........................................................................................ 14
3.
Impact op de energietransitie ................................................................................................... 15
4.
Impact op gebiedsontwikkeling ................................................................................................ 18
4.1
Gevolgen voor woningbouw ..................................................................................................... 19
4.2
Organisatorische gevolgen voor gebiedsontwikkeling ............................................................. 21
4.3
Handelingsperspectief: variëren in woningbouwvolume .......................................................... 22
5.
Impact op maatschappelijk vastgoed ....................................................................................... 24
5.1
Gevolgen voor projecten die doorgaan .................................................................................... 25
5.2
Gevolgen voor projecten die stoppen ....................................................................................... 25
5.3
Gevolgen voor de organisatie .................................................................................................. 26
5.4
Handelingsperspectief .............................................................................................................. 26
6.
Impact op (deel)opgaven .......................................................................................................... 28
6.1
Stadsbedrijven .......................................................................................................................... 28
6.2
Mobiliteit.................................................................................................................................... 29
6.3
Vergunningen, Toezicht en Handhaving .................................................................................. 29
6.4
Economie .................................................................................................................................. 30
6.5
Sociaal Domein (Maatschappelijke Ontwikkeling) ................................................................... 32
3
6.6
Culturele Zaken ........................................................................................................................ 33
6.7
Wijken en PBZ .......................................................................................................................... 34
6.8
Ambities gemeente Utrecht ...................................................................................................... 34
7.
Impact op de stad ..................................................................................................................... 35
7.1
Impact op inwoners .................................................................................................................. 35
7.2
Relatie met projectontwikkelaars .............................................................................................. 35
7.3
Impact op beroepsgroepen....................................................................................................... 36
8.
Impact eigen organisatie .......................................................................................................... 38
8.1
Personele gevolgen .................................................................................................................. 38
8.2
Financiële impact ...................................................................................................................... 39
9.
Risico's ..................................................................................................................................... 42
10.
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 45
10.1
Conclusies ............................................................................................................................ 45
10.2
Aanbevelingen voor vervolg ................................................................................................. 46
Bijlagen .............................................................................................................................................. 49 Bijlage 1: Werkwijze impactanalyse 2026 .......................................................................................... 49 Bijlage 2: Impact op beleid ................................................................................................................. 50 Bijlage 3: Crisisontwikkeling komende 10 jaar................................................................................... 51 Bijlage 4: Vier soorten generatoren ................................................................................................... 52 Bijlage 5: Lobby ................................................................................................................................. 53
4
1. Inleiding De gemeente Utrecht staat aan de vooravond van een volledige aansluitstop voor zowel groot- als kleinverbruik vanaf de zomer 2026 (bericht TenneT). Dit houdt in dat nieuwe elektriciteitsaansluitingen en verzwaring van bestaande aansluitingen tijdelijk niet meer kunnen worden gerealiseerd en dat alle aanvragen van inwoners, kleine en grote bedrijven op een wachtlijst komen. Aansluitingen zijn alleen nog mogelijk wanneer capaciteit beschikbaar komt. Capaciteit wordt uitgegeven conform het prioriteringskader ACM. Deze situatie geldt sinds november 2022 voor grootverbruiksaansluitingen, en vanaf 1 juli 2026 voor alle aansluitingen. Geen stroomaansluiting betekent ook geen omgevingsvergunning. Een crisis van dit formaat op het elektriciteitsnet heeft nog niet eerder plaatsgevonden, we bevinden ons op onontgonnen terrein. De gevolgen hiervan zijn groot voor de ontwikkeling en werking van de stad. Realisatie van bouwprojecten, verduurzamingsopgaven, maatschappelijke voorzieningen, maatschappelijk (gemeentelijk) vastgoed, mobiliteit, warmtetransitie en civiele infrastructuur kunnen hierdoor worden vertraagd of geheel tot stilstand komen. Dit raakt zowel de gemeentelijke ambities als bewoners, ondernemers en de gemeentelijke dienstverlening.
Momenteel is de verwachting (zowel binnen de gemeente, maar ook bij de netleveranciers) dat een deel van de problematiek opgevangen kan worden met het toepassen congestieverzachters. De uitleg over de verschillende soorten generatoren waaronder congestieverzachters staat in bijlage 4. Echter is de toepassing van congestieverzachters op grote schaal nog niet bewezen. De gemeente Utrecht is tegen wil en dank landelijk koploper op deze landelijke problematiek van netcongestie. Dit heeft er echter ook toe geleid dat we koploper zijn als het gaat om kennis en ervaring t.a.v. de maatschappelijke impact die netcongestie teweegbrengt én tegelijkertijd koploper zijn in het bedenken van creatieve en innovatieve oplossingen die nodig zijn bij het inzetten van netverzachters. Het is daarnaast nog onzeker hoe de netcongestie crisis zal ontwikkelen in de komende jaren. Het veld beweegt nog, benodigde informatie van ketenpartners is nog niet voorhanden, landelijke werkwijzen zijn nog niet uitgewerkt én er zijn nog veel witte vlekken die we zelfs nog niet eens in beeld hebben. Kortom: De mate van impact van de aansluitstop wordt hierdoor niet bepaald door één vaste uitkomst, maar door een reeks mogelijke toekomstbeelden. In deze analyse beschrijven we drie mogelijke toekomst situaties: het valt mee, het valt tegen of crisis verloopt conform verwachtingen (verder beschreven onder hoofdstuk 2).
De impactanalyse is gebaseerd op het midden scenario waarbij de crisis conform verwachting verloopt. Voor een groot deel hebben wij geen invloed op de toekomstbeelden; immers voor veel van de problematiek die netcongestie teweegbrengt, zijn wij noch veroorzaker noch eigenaar noch verantwoordelijk. De netbeheerders en het Rijk wél. Het probleem uit zich echter wel direct bij ons in de gemeente en gemeentelijke ambities komen in gevaar. De gemeente is vaak eerste aanspreekpunt bij problematieken in de stad waardoor bewoners en bedrijven bij ons aankloppen als ze ergens last van ondervinden, bijvoorbeeld als bedrijven zich niet kunnen uitbreiden of vestigen of als er voor een zorgbehoevende het huis niet verbouwd kan worden omdat er geen zwaardere netaansluiting te krijgen is. In de eerste plaats moet hiervoor naar het Rijk en de netbeheerders gekeken worden en als gemeente roepen we hen op om met oplossingen te komen. Zowel voor bijvoorbeeld versnelling ten aanzien van verzwaring van het net, voor financiële compensatie net neutrale bouwoplossingen als ook voor inzet van congestieverzachters. Om hier op te kunnen anticiperen heeft de Concern Directie GU in januari 2026 gevraagd om de impact van een aansluitstop integraal in kaart te brengen. Pas wanneer duidelijk is welke projecten, programma’s en afdelingen geraakt worden en op welke manier, kunnen we een concrete
5
handelingsperspectieven formuleren. Daarmee kunnen we bepalen hoe projecten wel door kunnen, welke maatregelen nodig zijn, welke bestuurlijke keuzes dit vraagt en hoe we onze organisatie en de stad voorbereiden op een periode van langdurige netcongestie. Daarnaast is een lobby strategie actief richting Rijk en netbeheerders voor het nemen van hun verantwoordelijkheid. De document richt zich daarom op het uitvoeren van de impactanalyse voor een aansluitstop en het opstellen van een gemeentelijk handelingsperspectief voor de organisatie en de stad, zodat Utrecht, ondanks de aansluitstop, zoveel mogelijk kan blijven functioneren en blijven ontwikkelen.
1.1 Doel impactanalyse Het doel van deze analyse is inzicht te krijgen in de impact die een aansluitstop op onze organisatie en de stad heeft. Het gaat daarbij om de gevolgen m.b.t. de woningbouw, de openbare ruimte, eigen vastgoed, maatschappelijk vastgoed, de ontwikkelingen van de stad, de economie, gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid, de omvang en het werk van de gemeentelijke organisatie. Vervolgens kan deze impactanalyse gebruikt worden m de stad te helpen met de impact voor een aansluitstop, zodat Utrecht zoveel mogelijk kan blijven functioneren en ontwikkelen. De impact van stroomuitval (72 uur) op de stad valt buiten scope van deze analyse. Dit is onderdeel van het programma Weerbaarheid.
1.2 Voorbehoud De doorlooptijd voor het maken van deze impactanalyse is 6 weken geweest, waar een voorjaarsvakantie onderdeel van was. Het kan zijn dat bepaalde analyses diepgaander onderzocht moeten worden. Waar dit geadviseerd wordt geven we dit aan in het hoofdstuk 10. Aanbevelingen voor vervolg. Het bepalen van de impact is een uitdaging, omdat er veel verschillende variabelen van invloed zijn op wat er de komende tijd gaat gebeuren rondom het stroomnet. De impactanalyse is daarom echt een moment opname. Het speelveld is enorm in beweging en geeft daardoor wekelijks en zelfs dagelijks een ander beeld. Een afspraak over de inzet van een congestieverzachter met netwerkleveranciers kan opeens omslaan van positief naar negatief bericht. Hier wordt in hoofdstuk 2 een nadere toelichting over gegeven. We gaan daarom uit van de inschattingen door de experts binnen en buiten onze organisatie. Voor deze analyse is input aangeleverd vanuit 20 verschillende afdelingen over alle organisatieonderdelen heen (zie bijlage 1). Daarbij zijn de directe gevolgen van een aansluitstop op de afzonderlijke organisatieonderdelen of (deel) opgaven geïnventariseerd. De impactanalyse Aansluitstop is op de planvoorraad bij Gebiedsontwikkeling en Vastgoed redelijk concreet gemaakt omdat er veel concrete data beschikbaar is.
Voor veel andere opgaven is de impact van een aansluitstop door de afdelingen lastig concreet te maken, net als de impact op het eigen organisatieonderdeel. Deels omdat er weinig over nagedacht is, maar ook omdat de effecten van een aansluitstop vaak niet los te zien zijn van andere ontwikkelingen. In deze versie zijn ook de effecten van het ene op het andere organisatieonderdeel nog niet beschreven. Bijvoorbeeld de impact van bouw en renovatie van een onderwijsinstelling bij VGU op beleid en taakstelling op onderwijs bij MO.
6
2. Context Netcongestie ontstaat wanneer de vraag naar het transport van elektriciteit groter is dan de beschikbare capaciteit van het stroomnet. Hierdoor kan het netwerk op piekmomenten onvoldoende stroom aan- of afvoeren, vergelijkbaar met een file op de snelweg. Deze filevorming wordt versterkt door de snelle elektrificatie van onder andere woningen en mobiliteit, industrie en datacenters. Steeds meer huishoudens stappen over op warmtepompen en elektrisch koken en het aantal elektrische voertuigen dat gelijktijdig wordt geladen groeit sterk. Dit leidt tot piekbelastingen die het huidige net niet altijd kan verwerken. Dit leidt tot een aansluitstop; nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, zoals bedrijven, woningbouw of duurzame-energieprojecten, kunnen niet direct worden gerealiseerd. Voor het oplossen van congestie werken we samen met de netbeheerders zowel aan uitbreiding van het net als aan slimme oplossingen om de schaarse transportcapaciteit efficiënter te benutten. In Utrecht is netcongestie al langer een probleem. Het verloop van de congestie problematiek is als volgt: November 2022:
De provincie Utrecht heeft sinds november 2022 te maken met ‘netschaarste’. Aanvragen voor grootverbruik (bedrijven, scholen, maatschappelijke functies) worden vanaf november 2022 niet meer direct aangesloten. Inmiddels staan meer dan 1.100 partijen op een wachtlijst. Kleinverbruik wordt nog wel aangesloten.
2024 – 2025:
Uit nieuwe analyses blijkt dat een wachtlijst voor grootverbruik niet voldoende is om de netschaarste te verminderen. Een tiental noodmaatregelen voor extra flexvermogen in de FGU (provincies Flevoland, Gelderland, Utrecht) wordt ontwikkeld. In 2025 is aan de netbeheerders gevraagd om de prognoses te herijken en tegelijkertijd de voortgang op het maatregelenpakket FGU inzichtelijk te maken. Oktober 2025 tweede rekenronde TenneT.
Voorjaar 2026:
ACM heeft een herzien prioriteringskader gepubliceerd. Vanaf 1 juli 2026 geldt dit kader voor klein- en grootverbruik; het type gebruik is bepalend voor de plek op de wachtlijst. Uit nieuwe prognoses (derde rekenronde) TenneT blijkt dat er in Utrecht minder capaciteit beschikbaar is dan gedacht. Een harde (aansluit)stop dreigt voor alle nieuwe en uitbreiding van bestaande aansluitingen op het elektriciteitsnet. Beslismoment om een aansluitstop aan te kondigen wordt wederom naar achteren geschoven. (Rijk/TenneT) Verwachting is dat er vanaf 1 juli een aansluitstop geldt. Vanaf 1 juli kunnen gemeenten netaansluitingen voor woningbouwprojecten en maatschappelijk vastgoed ‘vervroegd aanvragen’. Deze vervroegde aanvragen komen vooraan op de wachtrij ten opzichte van reguliere aanvragen. De vervroegd aangevraagde aansluitingen kunnen pas worden aansloten zodra er weer ruimte is gevonden op het net als gevolg van genomen maatregelen. Dat verloopt via zogenaamd ‘gecontroleerde vrijgave’ van capaciteit. Dat kan pas zodra het bestaande capaciteitstekort (180 MW) in Breukelen Kortrijk is opgelost. De verwachting is dat er de eerste jaren dus weinig ruimte vrij zal komen.
Dit hoofdstuk gaat in op de oorzaken van netcongestie, waar de knelpunten ontstaan en hoe gewerkt wordt aan het oplossen van deze knelpunten.
7
2.1 Speelveld Belangrijk om te benoemen is dat congestie een probleem is van de netbeheerder en waarbij de oplossingen ook grotendeels daar liggen. De gemeente kan bijdragen door te helpen met het versnellen op de uitvoering van netverzwaring, netbewust bouwen te verplichten en netbewust laden op publieke laders te implementeren. Maar onze mogelijkheden zijn beperkt en we zijn daarin ook afhankelijk van het Rijk voor de benodigde ruimte in wet- en regelgeving.
2.2 Technische uitleg netten en capaciteit Eind januari 2026 heeft TenneT de prognoses voor de situatie van het elektriciteitsnet FGU (provincies Flevoland, Gelderland, Utrecht) gepresenteerd (vanuit de zogenoemde derde rekenronde). Hieruit blijkt dat als gevolg van verwachte groei van elektriciteitsgebruik zonder maatregelen in 2033 het capaciteitstekort oploopt tot 320MW tijdens piekmomenten. Dat tekort bestaat bij hoogspanningsstation Breukelen Kortrijk, waar vandaan een groot deel van het elektriciteitsnet gevoed wordt. Deze film van Stedin geeft uitleg over deze situatie. Dit heeft tot gevolg dat - zonder maatregelen - gedurende de wintermaanden de stroom in onze stad enkele uren tot dagen uit kan vallen met alle maatschappelijke gevolgen van dien. Met geplande maatregelen zoals netbewust laden, flextenders en netbewust bouwen is het probleem van 320 MW te reduceren met 140 MW tot 180 MW. Van de geplande maatregelen weten we zeker dat 37 MW gerealiseerd gaat worden en is 103 MW gepland. Voor er dus weer capaciteit vrij zou kunnen komen, om aansluitingen mee te kunnen doen, is nu al duidelijk dat de komende jaren eerst nog dit zware tekort van 180 MW door alle partijen gezamenlijk opgelost moet worden.
Capaciteitstekort Gerealiseerde maatregelen
Voorgenomen maatregelen Reserend tekort in 2033
37 103 320
Capaciteitstekort zonder m a a t r e ge l e n
180
180
Maatregelen
Tekort aan netcapacteit in 2033
Het betreft dus een toekomstig probleem waarop nu geanticipeerd moet worden. Anderzijds laat TenneT zien dat de capaciteit van de transformatoren op dit hoogspanningsstation nu al op bepaalde momenten overbelast wordt, wat de noodzaak tot directe actie versterkt.
8
Bovenstaande situatie is al langere tijd kritiek. Vanaf 2022 zijn diverse aankondigingen gedaan dat het net op slot gaat. Anderzijds waren er in het najaar van 2025 ook signalen dat de maatregelen leken te werken en/of gerealiseerd zouden worden en leek de groei van het elektriciteitsgebruik mee te vallen (zie bovenstaande figuur). Die situatie is dus snel veranderd. Redenen die TenneT aangeeft waarom de situatie nu kritiek is zijn: De netbeheerders zijn op zoek naar aangesloten partijen die hun piek gebruik kunnen reduceren. Dat zijn bijvoorbeeld grote gebruikers, exploitanten van laadpalen en partijen die stoom kunnen opwekken. Het lukt de netbeheerders onvoldoende hierover met die andere partijen tot afspraken te komen. Daarnaast blijkt dat verandering in klantgedrag de prognoses onzeker maakt. Steeds meer klanten optimaliseren hun energieprofiel waardoor gelijktijdigheid toeneemt. Daarnaast zoeken nieuwe grootverbruikers een uitweg om via een kleinverbruik aansluiting toch toegang te krijgen op het net. Naast de hoogspanningsstations blijken ook de verbindingen tussen de stations overbelast (zie onderstaande regio kaart). De werking van maatregelen op het knelpunt blijken minder effectief te zijn. Hoe verder weg een maatregel van het knelpunt genomen wordt, hoe minder effect de maatregel heeft.
9
Uitbreiding van het FGU stroomnet De belangrijkste maatregel om het congestieprobleem op te lossen is het uitbreiden en verzwaren van het elektriciteitsnet. De elektriciteitsvoorziening in de regio Utrecht is afhankelijk van een samenhangend stelsel van hoofdtransport- en distributienetten. Op het hoogste niveau werkt TenneT aan de verzwaring van vier grote 380/150 kV onderstations: Breukelen–Kortrijk, Dodewaard, Doetinchem en Lelystad. Deze stations vormen de belangrijkste knooppunten voor de energietoevoer naar Midden Nederland. In bovenstaande regiokaart staan deze opties rood omcirkeld. De geplande uitbreidingen omvatten onder meer het ‘knippen’ van de 380 kV-lijn, waardoor elk verzorgingsgebied een eigen aftakking op het landelijke koppelnet krijgt. Dit verhoogt de robuustheid van het systeem, maakt het mogelijk om afzonderlijke netdelen gericht te versterken, en vergroot de transportcapaciteit voor groeiende energievraag en opwek. Transformatorstation Utrecht Noord Netcongestie in Utrecht wordt dus voor een groot deel veroorzaakt door congestie op het hoofdnet van TenneT. De realisatie van station Utrecht-Noord is recent vertraagd en wordt nu naar verwachting in 2033 opgeleverd. Als dit vervroegd kan worden helpt dit het oplossen van netcongestie in Utrecht enorm. Dit is een van de belangrijkste punten om op te pakken.
Het versnellen van de realisatie vraagt veel inzet van veel verschillende partijen. De keuze voor de locaties van de nieuwe hoogspanningsstations is het resultaat van een zorgvuldig, meerjarig proces. In totaal drie jaar, waarin zowel technische, ruimtelijke als maatschappelijke afwegingen zijn gemaakt. Na een stevige zoektocht is er nog één locatie over waar een participatieproces voor is gestart. Met de locatiekeuze van het hoogspanningsstation is een belangrijke mijlpaal bereikt, de realisatie van het station en het bepalen en realiseren van de kabeltracés vragen nog stevige inzet van Stedin, de provincie Utrecht en de gemeente. De aansluiting van de verschillende (nieuwe) middenstations op het nieuwe hoogspanningsstation vergt tientallen kilometers ondergrondse kabels dwars door een dichtbebouwde stad (de verschillende organisaties werken hier nu integraal aan). Lagere netvlakken Het oplossen van transportbeperkingen op het hoogspanningsnet is echter niet voldoende om congestie in de regio Utrecht weg te nemen. De congestieproblemen zijn gelaagd: ook op het onderliggende regionaal distributienet, beheerd door Stedin, ontstaan knelpunten bij: transformatorstations, middenspanningsringen en lokale aansluitpunten. Meerdere transformatiestations rondom Utrecht zitten op maximale belasting (blijkt uit onderzoek van Stedin).
De elektriciteitsvoorziening van Utrecht wordt gevoed via drie belangrijke 150/10 kV onderstations: Lage Weide/UMK (verantwoordelijk voor ongeveer 80% van de stedelijke elektriciteitsvoorziening), Maarssenbroek, en Oudenrijn. Deze stations moeten worden verzwaard om nieuwe aansluitcapaciteit te kunnen uitgeven. Voor Maarssenbroek en Oudenrijn lijken de uitbreidingsprojecten vooralsnog tijdig gereed te komen maar voor het transformatiestation op Lage Weide/UMK geldt dat niet. Effect is blijvende netcongestie. In de figuur hieronder staan de locatie van de stations weergegeven.
10
2.3 Huidige economische en maatschappelijke gevolgen De huidige maatschappelijke en economische impact van netcongestie in de provincie Utrecht is al aanzienlijk. Sinds 2022 staan 429 grootverbruikers (Utrechtse aanvragers) op de wachtlijst voor een elektriciteitsaansluiting, samen goed voor 77 MW aan vermogen dat niet kan worden aangesloten. Het gaat hierbij onder meer om scholen, MKB‑ondernemingen, grotere bedrijven en vervoersmaatschappijen. Landelijk wordt de economische schade door netcongestie geschat op 10 tot 40 miljard euro per jaar, doordat bedrijven niet kunnen groeien, woningen niet worden gebouwd en noodzakelijke infrastructuurprojecten vertraging oplopen (BCG, op basis van onderzoek door Ecorys). Terwijl de gezamenlijke netbeheerders jaarlijks circa 8 miljard euro investeren in de uitbreiding van het elektriciteitsnet, blijft de druk op het systeem toenemen. De economische schade van de huidige congestieproblematiek wordt voor de gemeente Utrecht geraamd op 75 tot 225 miljoen euro per jaar. Een nadere specificering van het economische effect op de stad Utrecht is uitgewerkt bij het hoofdstuk Economie.
2.4 Hoe ziet netcongestie de komende 10 jaar eruit? Netcongestie is ontstaan vanuit een systeemvraagstuk; het huidige energiesysteem is niet ontworpen als hernieuwbaar, decentraal systeem met hoge mate van elektrificatie van mobiliteit en warmtelevering. Voor de energietransitie is een ombouw van het energiesysteem nodig. Netcongestie is een uiting van het falen van dit systeem. Het is een enorme opgave die miljarden kost en mogelijk nog decennia voortduurt. De transitie is vermoedelijk niet klaar na het oplossen van dit netcongestie probleem rond 2033. Congestie zit nu op het landelijke net van TenneT, maar kan zich op ook op wijk- en buurtniveaus voordoen en ontwikkeling van de stad dwars zitten. Door elektrificatie van mobiliteit en warmtelevering en hernieuwbare opwek blijft de piekvraag naar elektriciteit voorlopig toenemen. De verwachting is dat de energie tot zeker 2050 een vraagstuk is wat blijvend ontwikkeling en aandacht nodig heeft. De volgende paragraaf 2.5 gaat daar verder op in. Het speelveld, o.a. rond de ontwikkeling van Utrecht Noord en de invoering van de aansluitstop, is dus sterk in beweging en blijft dat de komende jaren. De mate van impact van de aansluitstop wordt hierdoor niet bepaald door één vaste uitkomst, maar door een reeks mogelijke toekomstbeelden.
In de figuur wordt deze bandbreedte weergegeven door drie situaties die uiteenlopen van tegenvallers (rood) tot meevallers (groen).
11
Die beweging in het speelveld ontstaat door factoren zoals de voortgang van de gebiedsontwikkeling, de ruimte voor congestieverzachters, de effectiviteit van maatregelen en de beschikbaarheid van gecontroleerde vrijgavecapaciteit. Omdat elk van deze factoren kan versnellen, vertragen of anders uitpakken dan verwacht, loopt de potentiële impact uiteen afhankelijk van het thema of organisatieonderdeel waar het betrekking op heeft. Het grijze gebied in de figuur visualiseert deze onzekerheidsruimte. Naarmate we verder in de tijd kijken, neemt die onzekerheid toe. Hoe groot de impact na een aantal jaren is hangt sterk af van de ontwikkeling en effectiviteit van de maatregelen. Gemeente Utrecht is daarin sterk afhankelijk van de netbeheerders (TenneT en Stedin), Rijksoverheid en provincie Utrecht. Het onderstaande beeld is verder gespecificeerd in bijlage 3.
De vervolgaanpak op basis van deze impactanalyse zal verder toegespitst worden op de verschillende scenario’s. Door de impactanalyse direct te koppelen aan de situaties geven we beter invulling aan het beeld van een bewegend speelveld en de richtingen die de situatie op kan bewegen. Belangrijkste factoren die het crisisverloop bepalen:
Risicobereidheid: de capaciteit op het hoogspanning station Breukelen-Kortrijk is momenteel de grootste flessenhals in de elektriciteitsvoorziening in Utrecht. Door de aanwezige vluchtstrook of noodruimte te gebruiken voor het creëren van meer capaciteit ontstaat direct ruimte op het net. Dit is afhankelijk van de technische mogelijkheden en voornamelijk politieke bereidheid meer netuitval te accepteren.
Utrecht Noord: de oplossing voor congestie in Utrecht ligt grotendeels in de bouw van het nieuwe transformatorstation Utrecht Noord. Realisatie staat nu op 2033. Mocht het lukken dat bijvoorbeeld via crisiswetgeving te versnellen, dan is een belangrijk deel van de congestie eerder opgelost. Maar ook het probleem in de daaraan voorafgaande jaren is minder groot, doordat er minder rekening hoeft te worden gehouden met de groei van de vraag in de jaren 2032 en 2033.
Ruimte voor congestieverzachters: congestieverzachters maken in potentie veel ontwikkeling mogelijk, hierdoor wordt zowel capaciteit vrijgemaakt voor een ontwikkeling (verduurzaming of woningbouw) en wordt piekvraag afgevangen. Of congestieverzachters geplaatst kunnen worden is afhankelijk van meerdere factoren: technisch haalbaar, fysieke ruimte, milieubelasting, vergunningen, etc.
Effectiviteit maatregelen, gecontroleerde vrijgave capaciteit: bijvoorbeeld congestiemaatregelen voor kleinverbruikaansluitingen (netbewust laden, slimme warmtepompen) of ruimte die ontstaat vanuit flextenders van Stedin. Dat kan in de periode tot dat de congestie is opgelost leiden tot
12
gecontroleerde vrijgave van capaciteit. Deze capaciteit wordt vrijgegeven op basis van de plaats op de wachtlijst en de prioritering volgens het ACM prioriteringskader.
Rijksoverheid inzet: aanpassen van juridische mogelijkheden, zoals crisiswet maar ook aanpassingen in bestaande wetgeving. Daarnaast ook financiële investering voor bijvoorbeeld congestieverzachters.
Bovenstaande staat of valt bij de samenwerkingsbereidheid het Rijk, netbeheerders, regio, steden etc.
2.5 Toekomstbestendig energiesysteem We zitten nu in de crisis, we kijken hier 10 jaar vooruit. Maar ook belangrijk om voorbij de crisis te kijken. Onze ambitie is om te komen tot een energiesysteem dat niet fossiel is maar hernieuwbaar, waarmee we toe bewegen naar onafhankelijkheid van onbetrouwbare leveranciers van fossiele energie. Het nu hiërarchische energiesysteem met centrale fossiele opwekking ontwikkelt zich daarbij naar een knooppuntennetwerk, met veel verschillende hernieuwbare opwekbronnen, opslag en uitwisseling van energie tussen systemen op verschillende niveaus. Dit toekomstig energiesysteem is minder afhankelijk van één centrale oplossing of bron zoals gas of olie en daarmee ook minder kwetsbaar voor de grillen van de markt of geopolitieke ontwikkelingen. Hoe we aan het toekomstbestendig energiesysteem werken staat beschreven in de Beleidsnota warmte. Daarin is o.a. vastgelegd dat Utrecht de inspanningen intensiveert op de realisatie van collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen. Om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen. Ook wordt integraal gestuurd op duurzame netbewuste energiesystemen voor nieuwbouw. De netcongestiecrisis kan, indien goed ingezet, deze beweging naar het toekomstig energiesysteem versnellen. We zien dat door netcongestieproblematiek systemen gaan schuiven en ontwikkelingen versnellen.
Er wordt al nagedacht over wetten en regels die moeten veranderen. Zoals we vaker zien in crisis, wordt ‘onder druk alles vloeibaar'. We bouwen aan het toekomstig energiesysteem, maar zijn door de huidige situatie soms gedwongen te kiezen voor tijdelijke fossiele oplossingen. De raad heeft hier in de voorjaarsnota van 2025 middelen voor vrijgemaakt. We doen dat echter zorgvuldig op basis van de volgende uitgangspunten:
We kiezen enkel voor fossiel als dat tijdelijk is en aan het eind van de congestie weer weggehaald kan worden. Dat betekent dat woningbouw blijft voldoen aan onze regels en bovenwettelijke ambities; netbewust en bijna energieneutraal, zoals vastgelegd in de Beleidsnota warmte en nu wordt uitgewerkt in het Warmteprogramma. We onderzoeken hierbij hoe collectieve energie managementsystemen en samenwerking in energiegemeenschappen of energiehubs en andere innovaties noodzakelijk zijn om de bouw of verduurzaming mogelijk te maken. Indien nodig worden technologisch innovaties voor het eerst toegepast, worden wettelijke kaders opgerekt of gewijzigd en vernieuwde publieke civiele samenwerkingen opgetuigd. Dat draagt allemaal bij aan het eindbeeld van het hernieuwbare en netbewuste toekomstig energiesysteem. Netcongestie kent onzekerheden, innovatieve oplossingen kunnen niet werken of tegenvallen. Dan is het aantrekkelijk om terug te vallen op fossiele oplossingen die we kennen. Maar ook fossiel is niet risicovrij. Prijzen kunnen stijgen. Handelsstromen kunnen verstoord raken. We maken ons afhankelijk van landen en regimes waar we liever niet afhankelijk van zijn. Kiezen voor fossiel is daarmee ook niet altijd de veilige keuze. Ook deze risico’s, ook al zijn ze van andere orde (indirecter), moeten ook meegewogen worden in de keuzes die we maken.
De oplossingen voor netcongestie en de aansluitstop dragen bij aan het toekomstig slim en hernieuwbaar energiesysteem. Fossiel kan daar tijdelijk een rol in hebben, maar systeem keuzes moeten inherent op zichzelf hernieuwbaar en netbewust zijn.
13
2.6 Handelingsperspectief netcongestie De knoppen om aan te draaien zijn voor de gemeente beperkt, terwijl de impact en last van netcongestie vooral voor de gemeente is. Onze projecten krijgen geen voortgang, onze klimaatdoelen raken buiten beeld, terwijl de sleutel tot het oplossen goeddeels liggen bij de netbeheerders en het Rijk. Als gemeente zijn we afhankelijk van samenwerking met hen en faciliteren van versnelde uitvoering door hen. Dat is kwetsbaar en er is lastig door ons als gemeente op te sturen. Daadkrachtige regionale en landelijke samenwerking en urgentie is dus cruciaal om het probleem aan te pakken. Regionale crisisaanpak gestart Binnen de regio is de afgelopen periode gewerkt aan een regionaal Actieplan Acute Netschaarste. Hierin zetten gemeenten, provincie en de regionale netbeheerder Stedin gezamenlijk in op:
Begrijpen: inzicht vergroten in de situatie op het elektriciteitsnet, inclusief oorzaken van piekvraag, congestie en de verwachte aansluitstop. Communiceren: eenduidige regionale communicatie organiseren over de inzichten en verwachtingen, inclusief gezamenlijke woordvoering en lobbyagenda. Beheersen: per doelgroep handelingsperspectief bieden en voorbereiden op momenten waarop beperkt capaciteit vrijkomt, onder andere voor urgente woningbouw. Oplossen: maatregelen treffen om de bestaande netruimte maximaal te benutten, aangevuld met tijdelijke capaciteit en versnelling van netuitbreidingen.
De gemeente is actief betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van dit plan. We hopen daarmee, ondanks de aansluitstop, toch beweging te houden. De regio heeft het Rijk hierbij nodig als volwaardig partner. Intensieve samenwerking met het Rijk Wij benadrukken dat intensieve samenwerking tussen en het Rijk, regio en netbeheerders doorslaggevend is om de crisis succesvol aan te pakken. Om de stad te kunnen blijven ontwikkelen moeten er serieuze bedragen geïnvesteerd worden in netbewust bouwen, congestieverzachters en mitigerende maatregelen. Dat kan onze begroting niet dragen. Daarvoor kijken we nadrukkelijk naar het Rijk. Voor het opschalen en versnellen van maatregelen is een actieve bijdrage van het Rijk in de regio noodzakelijk, ook financieel. Het Rijk doet bij voorkeur volwaardig mee in de benodigde crisisaanpak in de regio Utrecht. In het laatste hoofdstuk gaan we verder in op de inhoud en strategie van de uit te voeren lobby.
14
3. Impact op de energietransitie Netcongestie heeft een forse impact op de energietransitie die in Utrecht in gang is gezet. Afgelopen jaren hebben we vol ingezet op het opwekken van duurzame energie, het besparen van gasverbruik en het realiseren van een energiesysteem dat duurzame warmte en duurzame elektriciteit levert aan de Utrechtse bedrijven, bewoners en maatschappelijke organisaties. Hoe we aan het toekomstbestendig energiesysteem werken, staat beschreven in de Beleidsnota warmte. Daarin is o.a. vastgelegd dat we onze inspanningen intensiveren op de realisatie van collectieve warmteoplossingen, seizoensopslag en slimme oplossingen, om vraag en aanbod in het energiesysteem op elkaar af te stemmen. Ook gaan we integraal sturen op duurzame netbewuste energiesystemen voor nieuwbouw. Door het huidige overbelaste elektriciteitssysteem zal de overstap naar schone energie en daarbij behorende elektrificatie van woningen en bedrijfsprocessen mogelijk enkele jaren stagneren. Om toch te kunnen voldoen aan de groeiende elektriciteitsvraag van onze groeiende stad zullen tijdelijk fossiele systemen worden ingezet. We zullen dat goed moeten begeleiden, om ervoor te zorgen dat het toekomstig energiesysteem haalbaar blijft. De tijdelijke fossiele oplossingen leiden namelijk tot een hogere CO2 uitstoot van de stad en langere afhankelijkheid van aardgas.
Hierdoor verandert komende tijd het pad naar het gewenste duurzame en betrouwbare energiesysteem van en voor iedereen. De inzet van de afdeling Energie verschuift van energieneutraal en CO2-besparen naar netbewust en energiezekerheid voor onze inwoners en bedrijven. Daarbij is er veel aandacht voor balans tussen opwek, opslag en afname in het systeem. We moeten meer en meer werken aan netbewuste bedrijven, maatschappelijk vastgoed en woningen. Integraal systeem met koppeling duurzame opwek, vraag en opslag De afgelopen jaren is er veel duurzame opwek gerealiseerd in Utrecht, met name zonnepanelen hebben, mede door de salderingsregeling, een grote vlucht genomen. Op 40% van de Utrechtse daken liggen zonnepanelen. Op zonnige dagen waarop het ook veel waait kan de opwek van duurzame energie voor een flinke belasting op het elektriciteitsnet zorgen. Vooral als er op dat moment geen grote elektriciteitsvraag is. Dat maakt dat er voor grootschalige levering van elektriciteit door wind- en zonneparken al een aantal jaar schaarste is op het stroomnet en een wachtlijst voor aansluitingen. Aansluitingen van nieuwe wind- en zonneparken zijn daardoor al een tijd niet meer vanzelfsprekend. Tegelijkertijd geldt voor windparken dat het leveren van windenergie op momenten juist gunstig kan zijn en bij kan dragen om regionale congestie op het stroomnet te verzachten.
Voor een betrouwbare energievoorziening, zullen we hiervoor in het nieuwe energiesysteem oplossingen voor moeten vinden. In tijden van schaarste op het net is het van belang dat de duurzaam opgewekte energie niet voor meer belasting van het net zorgt, maar wordt opgeslagen of onmiddellijk wordt benut. Hiermee verlagen we de pieken in het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd kunnen accu's of batterijen op momenten van hoge vraag bijdragen aan het verminderen van congestie door te ontladen. Daarom zoeken we de komende jaren nieuwe plekken voor duurzame opwek, altijd in combinatie met opslag en slim gebruik. Duurzame opwek en opslag vraagt veel ruimte in de stad. Ruimte in Utrecht is schaars, dus daar kunnen komende jaren knelpunten ontstaan. Besparen op warmte en slim omgaan met elektriciteit De afgelopen jaren is er in Utrecht door bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en de gemeentelijke organisatie flink ingezet op het besparen van warmte. Dit kunnen we de komende tijd doorzetten. In de aanpak tegen energiearmoede, is er veel aandacht voor besparen. Energiearmoede treft nu 5,1% van de Utrechters. Door onder andere te isoleren, gaat de vraag naar aardgas naar beneden en de energierekening omlaag.
Door flink fluctuerende aardgasprijzen en een mogelijke oplopende elektriciteitsrekening (door netcongestie worden nu grote investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur gedaan) kan energiearmoede toenemen. Hier moeten we aandacht voor
15
blijven houden. Via ons besparingsprogramma hebben we goede contacten en communicatiekanalen met bewoners en bedrijven. Naast besparen, kunnen we dit netwerk ook inzetten om netbewust gedrag (zie hieronder) te stimuleren. En op zoek te gaan naar netbewuste collectieve oplossingen in buurten. Rol van warmtenetten Naast besparen werken we toe naar aardgasvrij in 2050. Dit vraagt om een overstap naar duurzame warmte voor bedrijven en woningen. In totaal hebben 125.000 gebouwen een aardgasaansluiting: 70% van de woningen en 50% van de utiliteitsgebouwen. Het alternatief voor verwarmen met aardgas, zijn collectieve warmtenetten, buurtwarmtenetten of warmtepompen. De laatste twee hebben - in verschillende mate - extra elektriciteit nodig. Warmtenetten zijn netbewuste oplossingen, die zowel de vraag zelf als de pieken in de vraag van elektriciteit helpen verlagen. In de warmtetransitie in Utrecht spelen collectieve warmtenetten daarom een belangrijke rol. We zien naast uitbreiding van bestaande warmtenetten, ook een rol voor (kleinere) buurtwarmtenetten. Eén van de randvoorwaarden voor de realisatie van warmtenetten is de betaalbaarheid daarvan. Die is op dit moment nog niet op orde en zorgt voor onzekerheid bij die realisatie. Het Rijk speelt hierin een belangrijke rol.
Voor die betaalbaarheid is het ook van belang dat het overgrote deel van gebouwen in een buurt, wordt aangesloten op het warmtenet. Door onzekerheid van de realisatie en door stijgende aardgasprijzen is het de verwachting dat woningeneigenaren niet meer wachten en vaker kiezen voor een all-electric oplossing. Dit heeft een nadelig effect op de betaalbaarheid/businesscases, waardoor warmtenetten mogelijk niet meer gerealiseerd kunnen worden. Bovendien passen nieuwe all-electric oplossingen niet in een overbelast elektriciteitssysteem. Tegelijkertijd kan de gemeente de installatie van warmtepompen niet tegenhouden, ze zijn vergunningsvrij. Warmtepompen kunnen namelijk in nieuwere woningen vaak worden geïnstalleerd zonder het verzwaren van de elektriciteitsaansluiting. Warmtenetten zijn dus belangrijk onderdeel van een netbewust energiesysteem, met een kleinere elektriciteitsvraag dan warmtepompen. Hier zullen we ons op moeten blijven richten. Twee ontwikkelingen die gunstig zijn voor de realisatie van nieuwe warmtenetten en de uitbreiding van bestaande netten, zijn de op handen zijnde overname van het bestaande net door een publieke partij en ons aandeelhouderschap in HVC. Hiermee krijgen wij meer regie op deze ontwikkelingen en kunnen we de impact van de warmtetransitie op netcongestie beperken.
Netbewuste stad De verduurzaming van de gebouwde omgeving betekent voor een deel ook elektrificatie. Het vervangen van gasfornuizen voor inductiekookplaten, het elektrificeren van bedrijfsprocessen, de elektrificatie van vervoer, etc. Door de beperkte ruimte op het net zal deze elektrificatie stagneren; de benodigde zwaardere aansluiting wordt niet meer gegeven. 70% van de woningen in Utrecht heeft namelijk een 1-fase aansluiting. Binnen dit type aansluiting is namelijk geen ruimte voor een groot aantal zonnepanelen, een laadpaal en een inductiekookplaat. Voor elektriciteit is het slim gebruiken van elektriciteit belangrijk. We moeten inzetten op een netbewuste gebouwde omgeving; met elektriciteitsgebruik verspreid over de dag en slim gekoppeld aan duurzame opwek. Bedrijven, bewoners en beheerders van maatschappelijk vastgoed hebben een belangrijke rol in het verminderen van piekbelasting van het elektriciteitssysteem. Als we in de stad de vraag naar elektriciteit beter weten te verspreiden over de dag en beter weten te koppelen aan duurzame opwek dan ontstaat er meer ruimte op het elektriciteitsnet en kunnen we mogelijk sneller nieuwe aansluitingen realiseren. Een netbewuste gebouwde omgeving vraagt veel van onze organisatie.
Het is nodig om alle partijen in de stad bewust te maken van het handelingsperspectief door middel van voorlichting en ontzorgen bij het aanschaffen van slimme systemen. Het stimuleren van collectieve oplossingen als groepscontracten in samenwerking met Stedin. Dit kan zowel een oplossing zijn voor bedrijven als voor collectieven van bewoners die hier in hun buurt mee aan de slag kunnen. Veel van
16
dit type oplossingen bestaan op dit moment nog niet. We moeten zowel fysiek, juridisch als organisatorisch ruimte creëren voor deze innovaties in onze stad en organisatie. Organisatorische gevolgen voor energietransitie De precieze impact van netcongestie op de organisatie is nu moeilijk in te schatten. Duidelijk is dat de problematiek in omvang nog steeds niet helder is en de omgeving erg veranderlijk; nieuwe problemen en oplossingen dienen zich steeds aan. Oplossingen zullen voorlopig nog maatwerk zijn en we moeten met elkaar de impact op het toekomstige energiesysteem helder houden. Het verschuiven van de focus naar netbewust en energiezekerheid, zal zorgen voor nieuwe werkpakketten. Een deel van de nieuwe werkzaamheden is mogelijk in te passen door verschuivende werkpakketten. Echter niet alles kan zo worden opgelost. Het is de verwachting dat het inpassen van toekomstbestendige oplossingen gaat vragen om een grotere personele inzet.
17
4. Impact op gebiedsontwikkeling In dit hoofdstuk is een analyse gemaakt van de potentiële gevolgen van een aansluitstop op de projecten van gebiedsontwikkeling. Vanaf het najaar van 2025 wordt de status van netaansluitingen van alle projecten (in de MPR) strenger bijgehouden en periodiek geactualiseerd. Het overzicht hiervan is echter nog deels op hoofdlijnen doordat project specifieke informatie nader uitgezocht zou moeten worden om tot een nauwkeuriger beeld te komen. De planvoorraad is ingedeeld op basis van de volgende categorieën:
Categorie A: Categorie B: Categorie C: Categorie D:
Aansluiting geregeld Waarschijnlijk oplosbaar Mogelijk oplosbaar, maar tegen een prijs Moeilijk oplosbaar vanwege technische complexiteit
Het merendeel van de harde planvoorraad (plannen met vastgesteld omgevingsplan) is de start bouw gepland in de periode 2026-2030, de periode waarin de verwachte impact netcongestie het grootst is. Projecten vanaf 2031 worden veelal pas in 2033 of later opgeleverd. De effecten van netcongestie kunnen langer doorlopen en daarom bevat deze analyse ook projecten met start bouw t/m 2033. Uitgaande van gemiddelde vertraging en planuitval ligt de focus op de huidige planvoorraad 20262030. Hieronder een toelichting op de cijfers uit het MPR en waar rekening mee wordt houden in deze impactanalyse netcongestie:
In het MPR gaan we uit van de prognose incl. risico. Dit betekent ca. één jaar veiligheidsmarge voor projecten met nog redelijke onzekerheid (marge wordt niet ingerekend bij projecten met vergunning etc. en strakke planning) In het MPR zitten in totaal circa 24.000 woningen waarvan de start bouw valt binnen de periode 2026-2030 (looptijd MPR). Dat ligt totaal 60% boven de ambitie van Utrecht om 15.000 woningen in vijf jaar te realiseren (3.000 per jaar). Dit extra percentage is een combinatie van het opvangen van planuitval en bevat ook uitlopende projecten uit de afgelopen jaren waarin we minder woningen in aanbouw hebben kunnen nemen dan onze ambitie door andere vertragingen (met name de Raad van State).
Op basis van een planuitval van circa 40% per jaar (20% in lopend jaar) zijn twee varianten gemaakt. De 40% is de reguliere systematiek om vertragingen te voorspellen in het MPR. Deze twee varianten zijn gekozen omdat op dit moment een groot deel van de plannen reeds een onherroepelijk bestemmingsplan heeft en geprogrammeerd staat in 2026-2028 (ruim 15.000 woningen). Normaal gesproken lopen deze projecten niet meer dan 2-3 jaar vertraging op ten opzichte van de planning, waardoor vrijwel 100% van deze projecten in aanbouw zou gaan. Daar bovenop zou nog een deel van de andere projecten gerealiseerd kunnen worden. Variant 2 gaat uit van significant meer vertragingen in projecten, waardoor +/- 15.500 woningen in aanbouw worden genomen.
18
Variant 1
40% van de projecten schuift door van jaar 2026 naar 2027. Van 2027 schuift weer 40% door naar 2028, etc. Na dit jaar vertraging wordt het project gerealiseerd (per saldo +/-1 jaar vertraging bovenop het +1 jaar risico uit de MPR planning).
Resultaat:
20.000 woningen (+/- 84% van planvoorraad) in aanbouw nemen in 2026-2030
Variant 2
40% van de projecten schuift door van 2026 naar 2027 etc. zoals in scenario 1. Maar projecten hebben in het tweede jaar opnieuw 40% kans op een jaar vertraging (dus 2026 naar 2028)
Resultaat:
15.500 woningen (+/- 65% van planvoorraad) in aanbouw nemen in de periode 20262030
Zonder netcongestie is een variant tussen bovenstaande twee mogelijkheden realistisch. Mede omdat voor meer dan 12.000 woningen een vastgesteld of onherroepelijk bestemmingsplan aanwezig is (mogelijk wel kleine wijzigingen op nodig voor specifiek bouwplan). Dit betekent een zeer grote, zeer harde planvoorraad voor de komende vijf jaar.
4.1 Gevolgen voor woningbouw Een aansluitstop heeft een snel effect op nieuwe projecten doordat het merendeel van de projecten nog geen vergunning heeft ingediend/gekregen en dus geen aansluiting heeft aangevraagd. Uit de uitvraag is het volgende naar voren gekomen:
Voor ca. 3.250 woningen (Categorie A in onderstaande tabel) is geen actie vereist omdat ze een vergunning hebben en een aansluiting hebben of aan kunnen vragen. Voor ca. 2.200 woningen (Categorie B) is de kans groot dat voor het ingaan van de aansluitstop alsnog een aansluiting kan worden geregeld.
Voor ruim 18.000 woningen (categorie B,C en D) met start bouw t/m 2030 is de inschatting dat ze geen aansluiting krijgen en een congestieverzachter nodig hebben of een project specifieke oplossing gevonden moet worden, waarvan ongeveer 50% in aanmerking zal komen voor een congestieverzachter.
Categorie B: De projecten met congestieverzachter (9.104 woningen) zijn met name afhankelijk van financiën en milieuruimte. De aanname is dat inzet van congestieverzachters haalbaar is voor de grootschalige gebiedsontwikkelingen. Categorie C en D: Overige projecten (9.277 woningen) o Categorie C: van de overige projecten is de verwachting dat +/- 50% van de projecten (+/4.500 woningen) het technisch op kunnen lossen, maar dit zal financiële en/of inhoudelijke ingrepen vereisen om tot een haalbaar project te komen. Bij inhoudelijke ingrepen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan afwijken van vastgesteld beleid zoals betaalbaarheid, circulariteit of klimaatadaptatie. o Categorie D: De overige 50% (+/- 4.500 woningen) zal voor dermate lastige technische, financiële of milieukundige uitdagingen komen te staan dat het mogelijk financieel/inhoudelijk niet direct op te lossen is. Bijvoorbeeld door een gebrek aan fysieke ruimte om oplossingen mogelijk te maken, een gebrek aan schaal om investeringen uit te kunnen leggen, etc..
19
Categorie: A
start bouw aantal 2026 3.722 2027 5.275 2028 6.381 2029 4.403 2030 4.011 2031 1.904 2032 3.071 2033 760 totaal 29.527 2026-2030 23.792
A
B
B
snel aansluiting Congestie geen actie versnellen aanvragen verzachter 1.326 236 646 50 2.258 2.258
181 575 87 136 979 979
1.261 913 2.174 2.174
551 1.502 2.474 1.852 2.725 1.093 2.345 760 13.302 9.104
50% C 50% D prio 3 aanvragen na 17-2026 403 2.624 2.686 2.414 1.150 811 726 10.814 9.277
Uitgangspunten bij de impactanalyse
Bovenstaande wekt de indruk dat het merendeel van de projecten door kan gaan, maar congestieverzachters kunnen (mogelijk) niet alles oplossen. Bovendien hebben congestieverzachters een grote impact op ruimte, milieu en de leefbaarheid op korte termijn wanneer deze niet enkele uren, maar continu elektriciteit moeten leveren. Om t/m 2030 15.000 woningen in aanbouw te nemen moet bovenop categorie A circa 75% van de woningen in categorie B en C een aansluiting krijgen. Dit wijkt niet veel af van de ‘normale’ vertragingen in andere projecten uit het MPR en staat gelijk aan een vertraging van +/- 2 jaar in de planvoorraad. Wel is het van belang dat reeds 12.000 woningen een bestemmingsplan hebben, dat ligt hoog doordat veel procedures bij de RvS recent zijn afgerond. Dit leidde weer tot langere vertragingen in het MPR in de afgelopen jaren. Vertraging vindt normaal over de hele linie plaats. In het geval van (extra) inzet op categorie B en/of C en niet D, blijven er risico’s op vertraging door andere factoren, waardoor voorspelbaarheid afneemt. Een deel van inzet de komende jaren richt zich ook op de periode 2031-2035 om de planvoorraad aan te vullen met nieuwe projecten.
20
Impact Groot Merwede/Rijnenburg Groot Merwede bestaat uit meerdere deelgebieden met verschillende tijdspaden. Voor de korte (tot 2030) en middellange termijn (tot 2035) staat de realisatie van veel woningen in Groot Merwede gepland. Voor Merwede fase 1 (4.250 woningen) is een groepscontract voor de aansluiting. Momenteel is het onwaarschijnlijk dat deze ingezet kan worden voor de 2de fase. Realisatie van MWKZ deelgebied 5 fase 2 (1750 woningen) en deelgebied 6 fase 1 (2.050 woningen) zullen in deze komende periode gerealiseerd moeten/gaan worden. Voor deze twee gebiedsontwikkelingen zijn congestieverzachters waarschijnlijk noodzakelijk. Daarnaast spellen diverse ontwikkelingen in de wijken Kanaleneiland, Transwijk, Rivierenwijk en Dichterswijk. Deze ontwikkelingen zijn niet groot genoeg om in aanmerking te komen voor een congestieverzachter. Een aantal heeft al een vastgesteld bestemmingsplan. In totaal gaat dit ook om ca 2.500-3.000 woningen. Al deze projecten moeten netbewust bouwen, dit leidt tot hogere kosten. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of deze trajecten door kunnen gaan. De bouw van deze woningen is randvoorwaardelijk voor de verkregen rijkssubsidies, dit brengt een financieel risico mee.
4.2 Organisatorische gevolgen voor gebiedsontwikkeling Uit de gesprekken en analyses blijkt dat netcongestie geen abrupt fenomeen is; het verloopt geleidelijk en grillig. Om in de komende vier jaar 3.000 woningen per jaar te realiseren (ambitie gemeente Utrecht) worden 5.000 – 6.000 woningen geprogrammeerd (huidig beleid, MPR) om rekening te houden met planuitval en vertragingen. Dit betreft reguliere vertragingen, los van netcongestie. Netcongestie vormt een extra complicerende factor boven op deze bestaande vertragingen en kan ertoe leiden dat projecten aanvullende vertraging oplopen of stilvallen. Uit een eerste analyse blijkt dat dit circa 20% van de geprogrammeerde woningen kan raken. Dit kan vertraging betekenen, maar ook het stilvallen van een project. Daarom is het noodzakelijk om scherp te kijken naar welke projecten doorgang kunnen vinden. In de afbeelding hieronder wordt de woningbouw tussen 2026 en 2033 weergegeven. Dit betreft 29.430 nieuwbouwwoningen over het geheel van deze periode en circa 3.700 woningen per jaar. Landelijk wordt 130 procent plancapaciteit gehanteerd. Uitval van 50 procent van de “blauwe” projecten leidt tot circa 5.400 woningen waarvan planvorming over de periode tussen 2026 en 2033 vertraging op kan lopen.
Dit betekent dat de planvoorraad de komende jaren met circa 20-25% kan dalen als ontwikkelende partijen niet willen investeren in verdere planvorming op een locatie. Netcongestie heeft de grootste impact op de start van nieuwbouwprojecten tussen 2027-2030. Netbewust bouwen kost projectontwikkelaars gemiddeld 5.000 euro per woning extra, generatoren (als congestieverzachter) nog eens 2.000 euro extra per woning.
21
Vooral kleinere projecten blijken kwetsbaar. Grotere projecten hebben meer mogelijkheden om congestieverzachtende maatregelen te treffen, beschikken over meer innovatiekracht en kunnen vertragingen beter opvangen. Kleinere projecten kiezen sneller voor behoud of renovatie van bestaand vastgoed, uitbreiding op bestaande plots, of uitstel van herontwikkeling om risico’s te beperken. Uitval van projecten vergroot de druk op de resterende projecten om de woningbouwambities te halen. Tegelijkertijd moeten reguliere vertragingen bij projecten die wél doorgaan zoveel mogelijk worden beperkt, wat kan leiden tot inhoudelijke of financiële concessies. Aankondiging van een aansluitstop leidt zeer waarschijnlijk tot een piek in vragen van ontwikkelaars over haalbaarheid en technische oplossingen. Langlopende gebiedsontwikkelingen, zoals (Groot) Merwede en het Beurskwartier, blijven veel capaciteit vragen; dit verandert niet door netcongestie. Anticyclisch investeren Verminderde inzet op planvorming heeft langdurige gevolgen voor de bouwproductie. Het is daarom belangrijk om te voorkomen dat de organisatie stilvalt, omdat het opnieuw opbouwen van capaciteit jaren kost, zoals bleek tijdens de vastgoedcrisis. Om de productie op termijn op peil te houden is anticyclisch investeren noodzakelijk.
Dit betekent nu investeren in projectvoorbereiding en openbare ruimte, zodat voorzieningen tijdig gereed zijn en woningbouw later weer kan worden gerealiseerd. Ook kan het nodig zijn om investeringen juist naar voren te halen om dit mogelijk te maken.
4.3 Handelingsperspectief: variëren in woningbouwvolume Een bouwproductie van 3.000+ woningen per jaar
Dit is de insteek van huidige planvoorraad en zou met reguliere planuitval gehaald worden. De start bouw van 3.000 woningen in 2026 is net haalbaar doordat het merendeel van de projecten reeds aansluiting heeft. Er is echter bijna geen surplus (boven de 3.000) waardoor er weinig ruimte is om uitval is in het lopende jaar te compenseren. Een bouwproductie van 3.000+ woningen per jaar voor 2027-2030 is alleen haalbaar indien congestieverzachters mogelijk zijn en deel van blauwe projecten technische oplossingen vinden en/of alsnog op een congestieverzachter kunnen rekenen. Op dit moment zet de gemeente actief in wanneer congestieverzachters het stilvallen van projecten kan voorkomen. Ook zorgen we waar mogelijk dat verzachters bijdragen aan meerdere projecten in plaats van één congestieverzachter per project.
22
Mogelijk moeten er inhoudelijke en financiële maatregelen genomen worden om deze snelheid vast te houden. Rijk/PU/GU kunnen financieel bijdragen (naast bijdrage ontwikkelaar) om oplossingen te financieren: o Het Rijk heeft via Gebiedsbudget de eerste middelen toegekend, en staat open voor verdere bijdragen indien goed onderbouwd.
Een bouwproductie van circa 2.500 woningen per jaar
Voor 2026 is deze productie haalbaar. Voor 2027-2030 is dit haalbaar indien congestieverzachters in de grote gebieden haalbaar zijn. Door enkele grote ontwikkelingen met veel woningen kan een relatief hoge productie volgehouden worden. Doordat dan categorie C grotendeels afvalt neemt druk op sommige gebieden toe. Dat kan betekenen dat er concessies gedaan moeten worden om daar snelheid te behouden/verhogen (financieel/inhoudelijk).
Een bouwproductie van circa 2.000 woningen per jaar
Voor de jaren 2026 en 2027 is dit haalbaar (gemiddeld). Ook voor de periode 2028-2030 is deze productie haalbaar: Er zijn weinig concessies nodig en er is minder druk op grote ontwikkelingen. De planning van projecten in categorie B of C is zeer gevarieerd en volatiel. Gerichte inzet op een deel van de projecten heeft een grote impact op risicospreiding. Op dit moment zijn projecten inwisselbaar, maar wanneer een ander project geen stroom kan krijgen en vertraagd is, nemen de alternatieven snel af. Andere oorzaken voor vertraging dan netcongestie, kunnen niet opgevangen worden met andere projecten in de planvoorraad. Dit vergt veel inspanningen om deze risico’s te beperken.
23
5. Impact op maatschappelijk vastgoed In dit hoofdstuk wordt inzichtelijk gemaakt wat de potentiële gevolgen zijn van een aansluitstop op projecten van VGU. Net als voor gebiedsontwikkeling zijn de projecten ingedeeld op basis van de volgende categorieën: