Quick scan ecologie
Tekst van het document
GEMEENTE UTRECHT
ECOLOGISCHE LOCATIEBEOORDELING (POTENTIELE) EVENEMENTENTERREINEN GEMEENTE UTRECHT
19 NOVEMBER 2025
WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN +31 (0)88 910 20 00 wsp.com
PROJECTNUMMER SOB031093 DOCUMENTNUMMER SOB031093.RAP001QS
COLOFON RAPPORTHISTORIE 1
23 oktober 2025
Oplevering conceptversie
2
6 november 2025
Oplevering definitief conceptversie (na aanpassingen rapportage n.a.v. opmerkingen opdrachtgever)
3
19 november 2025 Oplevering definitieve versie
VERANTWOORDING Gemeente Utrecht Postbus 16200 3500 CE Utrecht CONTACTGEGEVENS WSP Nederland B.V. Dhr. B. van Eijk Tel: +31 6 8206 4760 Email: bart.vaneijk@wsp.com
AUTORISATIE PROJECTNUMMER
DOCUMENTNUMMER
VERSIE
STATUS
SOB031093
SOB031093.RAP001QS.
01
Definitief
OPGESTELD DOOR
FUNCTIE
DATUM
B. van Eijk
Medior adviseur ecologie
6-11-2025
M. Koster
Senior adviseur ecologie
19-11-2025 (aanpassingen rapportage)
GEVERIFIEERD DOOR
FUNCTIE
DATUM
D. Van den Heuvel
Medior adviseur ecologie
23-10-2025
M. Koster
Senior adviseur ecologie
5-11-2025
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
PARAAF
PARAAF
WSP 19 november 2025 pagina 2/58
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Algemene uitgangspunten
6
1.4
Reikwijdte rapport
6
1.5
Onderzoeksopzet
6
2
WETTELIJK KADER
8
2.1
Flora- en fauna activiteit
8
2.2
Gebiedsbescherming
9
2.2.1
Natura 2000-activiteit – Europees en landelijk beleid
10
2.2.2
Provinciaal beleid
10
2.3
Bescherming houtopstanden
10
3
EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN GELUID
12
3.1
Vogels en geluidsverstoring
12
3.2
Vleermuizen en geluidsverstoring
14
3.3
Amfibieën en geluidsverstoring
15
3.4
Vissen en geluidsverstoring
16
3.5
Insecten en geluidsverstoring
16
3.6
Conclusie geluid
16
4
EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN OPTISCHE VERSTORING
17
EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN VERLICHTING
18
5.1
Vleermuizen
18
5.2
Broedvogels
18
5.3
Conclusie en voorwaarden
19
6
PARK DE GAGEL
20
6.1
Biotoopbeschrijving
20
6.2
Toetsing Flora- en fauna activiteit
20
6.2.1
Vaatplanten
20
6.2.2
Grondgebonden zoogdieren
21
6.2.3
Amfibieën en reptielen
24
6.2.4
Vleermuizen
26
6.2.5
Ongewervelden
27
6.2.6
Vogels
29
6.3
Geschiktheid voor evenementen
30
5
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 3/58
6.4
Voorwaarden en maatregelen
30
7
HAMPOORT
31
7.1
Biotoopbeschrijving
31
7.2
Toetsing Flora- en fauna activiteit
32
7.2.1
Vaatplanten
32
7.2.2
Grondgebonden zoogdieren
32
7.2.3
Amfibieën en reptielen
35
7.2.4
Vleermuizen
37
7.2.5
Ongewervelden
37
7.2.6
Vogels
39
7.3
Geschiktheid voor evenementen
40
7.4
Voorwaarden en maatregelen
41
8
RIJNENBURG
42
8.1
Biotoopbeschrijving
42
8.2
Toetsing Flora- en fauna activiteit
42
8.2.1
Vaatplanten
43
8.2.2
Grondgebonden zoogdieren
43
8.2.3
Amfibieën en reptielen
46
8.2.4
Vleermuizen
48
8.2.5
Ongewervelden
49
8.2.6
Vogels
50
8.3
Geschiktheid voor evenementen
51
8.4
Voorwaarden en maatregelen
52
9
TOETSING GEBIEDSBESCHERMING
53
9.1
Natura2000-activiteit
53
9.2
Natuurnetwerk Nederland
54
9.3
Weidevogel gebieden
54
9.4
Groene Contour
55
10
CONCLUSIE LOCATIEKEUZE
57
LITERATUUR
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
58
WSP 19 november 2025 pagina 4/58
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING
In opdracht van de gemeente Utrecht heeft WSP Nederland B.V. een QuickScan Ecologie uitgevoerd voor drie plangebieden genaamd ‘Park de Gagel’, ‘Hampoort’ en ‘Rijnenburg’. De gebieden zijn gelegen in het noorden (Park de Gagel), westen (Hampoort) en zuiden (Rijnenburg) van de stad Utrecht. De gemeente onderzoekt de geschiktheid van deze gebieden voor grote evenementen. Daarom willen ze inzichtelijk hebben wat de natuurwaarden bij deze drie gebieden zijn zodat een weloverwegen keuze gemaakt kan worden. De resultaten zullen aan de hand van drie scenario’s worden getoetst. Hierbij worden naast soorten uit de Omgevingswet (Hrl, Vrl en ‘andere soorten’), ook de soorten van de Utrechtse soortenlijst en Rode lijst onderzocht.
Figuur 1.1 Locaties van de onderzochte terreinen in Utrecht
1.2
DOEL
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een haalbaarheidsstudie van evenementenlocaties door de gemeente Utrecht. De gemeente wil vanuit een ecologisch oogpunt voor 3 evenementenlocaties onderbouwd hebben welke locatie het meest gunstig is voor evenementen. In dit rapport wordt per locatie een analyse uitgevoerd van de mogelijke effecten op beschermde soorten/biotopen en de maatregelen om effecten te voorkomen. Dit leidt tot een prioritering van de locaties in meest gunstige tot minst gunstige locatie: • meest gunstig: de locatie waar een evenement het kleinste risico heeft op negatieve effecten op de natuur, • minst gunstig: de locatie waar een evenement het grootste risico heeft op negatieve effecten op de natuur. De beoordeling is uitgevoerd binnen het wettelijk kader van de Omgevingswet (zie hoofdstuk 2).
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 5/58
1.3
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
Het is nog niet bekend welke evenementen waar en wanneer plaats gaan vinden. De effecten worden daarom beoordeeld uitgaande van een worst-case-scenario. Dat betreft in dit geval een evenement wat duidelijk afwijkt van het reguliere gebruik van de locatie. Dit is een evenement zoals een festival waar grote groepen mensen op afkomen, met versterkt geluid/muziek, met extra verlichting en/of lichtshows. In dit rapport is tevens rekening gehouden met de op- en afbouwfase van dergelijke evenementen. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • Het evenemententerrein wordt maximaal 12 dagen per jaar, exclusief op- en afbouwfase, gebruikt voor verschillende evenementen. • Hierbij zullen delen van de plangebieden afgezet worden waarbij rijplaten, podia, toiletten, aggregaten en eetstands worden geplaatst. • De evenementen door minimaal 10.000 en maximaal 25.000 mensen worden bezocht • De toetsing richt zich op de situatie zoals deze zich in de huidige situatie voordoet • Activiteiten met betrekking tot evenementen bevinden zich niet op of in wateroppervlakken • In dit rapport wordt uitgegaan dat de evenementen geen gebruik maken van vuurwerk
1.4
REIKWIJDTE RAPPORT
WSP Nederland B.V. is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland B.V. zijn VCA gecertificeerd. Daarnaast is WSP lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). WSP is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland B.V. zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB WSP Nederland B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van deze QuickScan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van de gemeente Utrecht en is hierdoor het eigendom van de gemeente Utrecht.
1.5
ONDERZOEKSOPZET
Ten behoeve van de flora & fauna activiteit is een QuickScan uitgevoerd. Deze QuickScan omvat twee onderdelen, een bronnenstudie en een verkennend veldbezoek. Voor de drie plangebieden is een bureaustudie gedaan en voor de plangebieden “Park de Gagel” en “Hampoort” is een verkennend veldbezoek gedaan. Voor het plangebied Rijnenburg is alleen een bureaustudie gedaan. Voor dit gebied waren al verschillende onderzoeken beschikbaar. Tijdens de QuickScan zijn de potenties van het voorkomen van (beschermde) soorten in kaart gebracht op basis van de bekende verspreidingsgegevens en de aanwezige biotopen. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2025, opgevraagd op 15-05-2025) en de Verspreidingsatlassen. Van de afgelopen tien jaar (NDFF 2015-2025) zijn de beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal 5 kilometer van het plangebied, afhankelijk van de soortgroep) geanalyseerd. Voor de Rode Lijstsoorten en is een straal van maximaal 1 kilometer aangehouden. Daarnaast zijn voor het plangebied “Rijnenburg” gebruikt gemaakt van twee aanvullende rapportages van Sovon en bureau Waardenburg (De Boer & van Winden 2018, Jeninga & Verbeek 2022).
De bevindingen van de bronnenstudie zijn in het veld gecontroleerd tijdens een verkennend veldbezoek. Op basis van de bronnenstudie en een verkennend veldbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen in en
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 6/58
rondom het plangebied. Het veldbezoek is op 21 augustus 2025 uitgevoerd. Ten tijde van het veldbezoek waren de weersomstandigheden onbewolkt en zonnig. Het was gemiddeld 20 graden, met een gemiddelde windkracht van 3. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker. Hierna zijn de resultaten vergeleken met drie verschillende scenario’s die vanuit de gemeente Utrecht zijn uitgevraagd: 1.
2.
3.
Het plaatsvinden van 12 evenementendagen in het jaar met maximaal 25.000 bezoekers plus op- en afbouw. De evenementendagen kunnen aaneengesloten zijn, maar ook 12 losse dagen. Op- en afbouw is maximaal 12 dagen per evenement. Het plaatsvinden van 12 evenementendagen in het jaar met minimaal 10.000 bezoekers plus op- en afbouw. De evenementendagen kunnen aaneengesloten zijn, maar ook 12 losse dagen. Opbouw per evenement is gemiddeld 1 week en afbouw korter. Het plaatsvinden van drie evenementendagen in het jaar met minimaal 10.000 bezoekers en enkele middel en kleine evenementen. Inclusief op- en afbouw van enkele dagen tot een dag.
Indien geen van alle scenario’s uitvoerbaar is zal een advies scenario worden opgesteld welke grootte en aantal evenementen past op de locaties waarbij de natuurwaarde niet of minimaal (op korte termijn te herstellen) wordt aangetast. Verbodsbepalingen In de rapportage wordt getoetst of de evenementen een negatief effect hebben op beschermde flora en fauna. Dit wordt getoetst aan de hand van verbodsbepalingen uit de omgevingswet. Dit zijn handelingen die verboden zijn volgens de omgevingswet onderverdeeld in Vogelrichtlijn soorten, habitatrichtlijn soorten en andere beschermde soorten. Deze staan vermeld in tabel 1 hoofdstuk 2.1.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 7/58
2 WETTELIJK KADER De Omgevingswet (Ow) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (NatuurNetwerk Nederland; het NNN) en (beschermde) flora en fauna. De basis wordt gevormd door de zorgplicht, waarin wordt gesteld dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren) is een overtreding van de Omgevingswet en kan gevolgen hebben (artikel 1.6 en 1.7 Ow). De algemene zorgplicht is te allen tijde van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow (artikel 1.8 Ow). Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: — Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; — De noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; — Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.1 FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip (art. 1.1 Ow) een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Bij sprake van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen). In de Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn, op basis van internationale afspraken, de volgende beschermingsregimes opgesteld aangaande strikt beschermde soorten: o o o
§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten conform de Vogelrichtlijn (Vrl) § 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten conform de Habitatrichtlijn (Hrl) § 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten (nationaal beschermde soorten)
Per paragraaf zijn vergunningplichtige gevallen en vergunningsvrije gevallen aangegeven welke rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of vergunningsverlening.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 8/58
Tabel 2.1. Op hoofdlijnen de verboden per beschermingsregime SOORTEN
ARTIKEL
VERBODEN
VOGELRICHTLIJN-SOORTEN
11.37 (Bal)
Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen Lid 1b. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 1c. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 1d. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding)
HABITATRICHTLIJN11.46 (Bal) SOORTEN, SOORTEN UIT BIJLAGE I EN II VAN DE BERN CONVENTIE EN BIJLAGE I VAN DE BONN CONVENTIE
Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen Lid 1b. Opzettelijk verstoren Lid 1c. Eieren te rapen of vernielen Lid 1d. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 1e. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten
ANDERE BESCHERMDE SOORTEN (BIJLAGE IX BAL)
11.54 (Bal)
Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B)
Specifieke zorgplicht In Nederland zijn een tal aan soorten die dreigen te verdwijnen of al zijn verdwenen, deze soorten zijn opgenomen in Rode lijsten. Met de specifieke zorgplicht worden soorten die zijn aangemerkt als bedreigd (Rode Lijst-soorten), maar geen bescherming kennen onder de bovengenoemde beschermingsregimes, aanvullend beschermd onder de Omgevingswet. In het Bal is de specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht vervangt in dat geval de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Ow) en geldt daarnaast voor additionele activiteiten uit art. 11.22, 1e lid, onder b t/m g (Bal). De specifieke zorgplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.
Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: o Vogelrichtlijn-soorten (bijlage I Vrl); o Geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten (artikel 4, 2e lid Vrl); o Habitatrichtlijn-soorten (bijlage II, IV en V Hrl); o Nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal); o Dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; Voorafgaand aan een activiteit dient te worden nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige rode lijstsoorten (zoals het verwijderen van essentieel leefgebied). Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de rode lijstsoort.
2.2 GEBIEDSBESCHERMING Binnen Europa zijn natuurgebieden aangewezen met een landelijk overstijgend ecologisch belang, zogenoemde Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden zijn samengesteld uit Speciale Beschermingszones (SBZ) conform de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, waarvoor per gebied doelstellingen zijn vastgesteld voor habitattypen of soorten voortvloeiend uit het aanwijzingsbesluit. De gebiedsbescherming zoals vastgesteld in de Omgevingswet bestaat uit een
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 9/58
beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het NNN en bijzondere natuurgebieden en landschappen.
2.2.1
NATURA 2000-ACTIVITEIT – EUROPEES EN LANDELIJK BELEID
Binnen de Omgevingswet is de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden geregeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het doel van de wetgeving is het behouden van de gunstige staat van instandhouding van aangewezen vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten tegenover zogenoemde ‘Natura 2000activiteiten’. Een Natura 2000-activiteit is volgens de definitie van het begrip (art. 1.1 Ow) een activiteit aangaande het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een Natura 2000-activiteit is dan ook vergunningsplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen daarmee niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Toetsing van de effecten van de beoogde activiteiten op Natura 2000- gebieden is daarom noodzakelijk om inzicht te krijgen in de behoefte van een vergunningsplicht. In het Bal is daarnaast een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal).
Activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied hebben, moeten zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden (art. 11.6, 1e lid Bal). Indien niet mogelijk, is het noodzakelijk passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d) of passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f).
2.2.2 PROVINCIAAL BELEID De bescherming van nationale en provinciale natuurgebieden (zoals het NNN-netwerk) is geregeld in de Omgevingsverordening (art. 2.44 lid 4 Ow en art. 7.6 lid 1 Bkl). Het beschermingsregime (art. 7.8 lid 1 en 2 Bkl) zorgt dat de kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaat en de samenhang tussen gebieden van het NNN wordt behouden. Activiteiten die nadelige gevolgen hebben op kwaliteit, oppervlakte en wezenlijke kenmerken of waarden worden toegelaten zolang deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd en niet nadelig zijn. De regels in de verordening treden pas in werking zodra een wijziging van bestemming optreedt. De huidige onderzoekslocaties zijn gelegen in de provincie Utrecht. Provincie Utrecht kent het volgende beleid gericht op de bescherming van natuurwaarden binnen de provincie (vanuit de Omgevingsverordening Noord-Holland): — NatuurNetwerk Nederland (NNN) — Weidevogelkerngebieden — De Groene contour De geplande ontwikkeling zal worden getoetst aan het vigerende provinciale beleid van de provincie Utrecht.
2.3 BESCHERMING HOUTOPSTANDEN Het doel van de opgenomen de regels ten aanzien van houtopstanden is de instandhouding van het bosareaal in Nederland (afdeling 11.3 Bal). De kern wordt gevormd door een meldplicht (art. 11.126 Bal), herplanting-plicht (art. 11.129) en mogelijke oplegging van een kapverbod voor houtopstanden vanaf 10 are of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen buiten het bebouwingscontour houtkap. De bebouwingscontour houtkap wordt door gemeenten aangewezen in een omgevingsplan (art. 5.165b Bkl), en valt niet direct samen met de bebouwde kom in het kader van de wegenverkeerswet.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 10/58
De wet verplicht om de grond waarop het bos heeft gestaan binnen 3 jaar opnieuw in te planten met bomen. Indien mogelijk is herplanting door natuurlijke verjonging ook toegestaan. Waar natuurlijke verjonging niet mogelijk of te verwachten is, bijvoorbeeld bij lintbeplantingen minder dan 30 meter breed, moet geplant worden met boomsoorten die aansluiten bij de groeiplaats. In geval een boom/bomen of andere houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap worden gekapt, dan kan een gemeentelijke (omgevings-) vergunning nodig zijn. Dit zal specifiek bij de gemeente Utrecht moeten worden nagegaan.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 11/58
3 EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN GELUID Evenementen kunnen negatieve effecten veroorzaken op de natuur door geluid. Dit kan in theorie voor alle locaties van toepassing zijn. Dit is met name relevant voor vogels en soorten die zijn beschermd door Wnb art. 3.5 waarvoor een verbod op verstoring geldt. In de onderzochte locaties betreft dit voornamelijk broedende vogels en vleermuizen, maar ook enkele soorten zoogdieren, amfibieën en insecten die via Wnb artikel 3.5 zijn beschermd.
3.1 VOGELS EN GELUIDSVERSTORING In de meeste geluidsonderzoeken naar vogels wordt, benadrukt dat vogels anders horen dan mensen en niet voor alle geluidsfrequenties gevoelig zijn. Het is daarom niet alleen de geluidssterkte maar ook de geluidsfrequenties die samen bepalend zijn voor het effect. Volgens Beason (2004) zijn vogelsoorten het meest gevoelig voor geluiden tussen de 1 en 4 kHz, hoewel ze ook lagere en hogere frequenties kunnen horen. Vogels kunnen in het algemeen ook binnen de 1 en 4 kHz maar half zo goed horen als mensen, met uitzonderingen zoals uilen. De soorten broedvogels zijn onder te verdelen in groepen met een verschillende gevoeligheid voor frequenties. De kleinere soorten zangvogels en andere bosvogels zoals spechten zijn het meest gevoelig voor frequenties tussen 2 en 5 kHz en hoger. Deze soorten zijn daarom relatief ongevoeliger voor lagere verdragende frequenties. Kraaiachtigen en duiven zijn met name gevoelig voor frequenties van respectievelijk 0,7 kHz en 1 kHz (Beason, 2004). Duiven kunnen ook lagere frequenties horen. Voor deze soorten is het geluid in een groter invloedsgebied hoorbaar. Dit geldt ook voor roofvogels en uilen die over het algemeen een relatief goed ontwikkeld gehoor hebben. Veel soorten uilen en roofvogels jagen op kleine dieren als muizen en zijn gespecialiseerd in het opvangen van het geluid van deze prooidieren.
Dit zijn echter geluiden (hoge piepen en ritselen van vegetatie) in de hogere frequenties. Uilen kunnen daarom lager frequenties horen maar zijn het meest gevoelig voor de hogere frequenties rond 6 kHz. Onderzoek naar vogels die goed kunnen horen zoals uilen en roofvogels hebben geen blijvend effect aangetoond door incidentele geluidsverstoring. Delaney et al. (1999) onderzochten bij welke geluidssterkte gevlekte bosuilen (Amerikaanse variant van onze bosuil) van hun verblijfplaats vluchtten. Voor helikoptergeluid was dit boven 102 dBO (dBO is de geluidssterkte afgestemd op het gehoor van uilen), voor kettingzaaggeluid was dit boven 59 dBO. Dit onderzoek is uitgevoerd bij zowel nesten waar dergelijke geluiden nieuw waren als bij nesten waar dergelijke geluiden vaker te horen zijn. Tempel & Gutierrez (2003) hebben bij de gevlekte bosuil aangetoond dat kettingzaaggeluid bij 65 dB geen verstoringsreactie veroorzaakte en ook niet leidde tot hogere stresshormonen. De onderzochte uilen bevonden zich op 300 meter afstand van wegen en zijn mogelijk gewend aan menselijke geluiden. In de afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van geluid op vogels. Grofweg is de volgende tweedeling te maken in het type effect: • •
Effecten door maskeren van de zang of roep van vogels, of door maskeren van geluid van hun prooidieren of predatoren Effecten door schrikreacties of stress
In 2022 verscheen het rapport Verstoring van vogels door recreatie (Krijgsveld, et al., 2022). Het rapport is opgesteld namens de Vogelbescherming en een opvolger van het rapport van 2008 waarin de Vogelbescherming de invloed van recreatie op vogels ook al liet onderzoeken. Sindsdien is er wereldwijd nog veel meer onderzoek gedaan naar verstoring en het effect op vogels. In het nieuwe rapport Verstoring van vogels door recreatie hebben de auteurs deze nieuwe kennis uit maar liefst 270 bronnen op een rij gezet. Dit rapport heeft een kader met betrekking tot festivals. Per locatie worden de aanbevelingen in dit kader toegepast. Specifiek met betrekking tot geluid is uit dit rapport is af te leiden dat: Maskering is het sterkst bij geluid dat voortdurend of langdurig klinkt en dat overlapt met het spectrale bereik dat door vogels wordt gebruikt. De menselijke activiteiten die hier het meest dominant mee verbonden zijn, zijn gerelateerd aan transport met allerlei gemotoriseerd verkeer (Reijnen & Foppen 2006, Slabbekoorn & Ripmeester 2008).
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 12/58
De tijdelijkheid van de geluidsinvloed is daarom een belangrijke factor voor het optreden van blijvende effecten. In het rapport van Krijgsveld, et al. (2022) wordt dat ook benadrukt: Of recreatie wezenlijke gevolgen heeft, hangt af van vorm, duur en frequentie van de recreatie. Een tijdelijke verstoring heeft doorgaans weinig consequenties; alert zijn en opvliegen voor predatoren is immers aan de orde van de dag voor vogels. Ook SOVON, het kennisinstituut voor vogelonderzoek van Nederland benadrukt dat bij tijdelijke geluidsinvloeden de effecten beperkt zijn: Er zijn geen aanwijzingen dat laagfrequent optredende gepiekt geluid van invloed is op de dichtheden van vogels. Aanname betreffende optredend gepiekt geluid op vliegveld Twente is dat incidenteel optredend geluid van evenementen op vliegveld Twente niet wezenlijk van invloed is op dichtheden van broedvogels. (Bron: Sierdsema H., Foppen R. & van Kleunen A. 2014). De onderzoeken naar effecten door het maskeren van het vogelgeluid zijn zonder uitzondering uitgevoerd in situaties waarbij sprake was van een permanente of regelmatige geluidsinvloed. Het betrof onderzoeken naar geluid door wegen, industrie of geluid van een stedelijke omgeving. Uit de onderzoeken bleek dat bij sommige soorten effecten optraden doordat de vogels hun roep aanpasten bijvoorbeeld door hogere frequenties te gebruiken of door luider te roepen.
Tevens zijn effecten op broedsucces en verslechtering in kwaliteit van het broedgebied aangetoond in gebieden met een permanent hoge geluidsbelasting. Niet voor alle soorten zijn deze effecten aangetoond. Dooling en Popper (2016) concluderen dan ook dat uit onderzoeken blijkt dat permanente geluidsverstoring door verkeer verschillende effecten bij verschillende soorten veroorzaakt. Bij sommige soorten treden negatieve effecten op terwijl bij andere soorten geen effecten zijn aangetoond. Er zijn geen onderzoeken bekend naar effecten door maskering bij een incidentele geluidsinvloed zoals bij evenementen. De evenementen hebben per definitie een tijdelijk en incidenteel karakter. Bovendien zingen de meeste vogels in frequenties die relatief hoog zijn en daardoor minder ver dragen. Gelet op het voorgaande is een permanent effect door maskering van zang/roep onwaarschijnlijk. Incidentele geluidsverstoring zoals bij evenementen kan mogelijk leiden tot schrikreacties of stress bij vogels. Het geluid moet dan wel goed hoorbaar zijn voor vogels. Vogels horen over het algemeen slechter dan mensen (uilen uitgezonderd) en zijn niet voor alle frequenties even gevoelig. Uit onderzoeken naar incidentele geluidsverstoring bij vogels komt naar voren dat vogels zelden hun nest verlaten en als dat het geval is, relatief snel weer terugkeren.
Bijvoorbeeld Brown (1990) onderzocht het geluid van vliegtuigen bij broedkolonies van sterns die niet gewend waren aan vliegtuigen. Hieruit bleek dat de vogels bij geluidssterkte tussen 65 en 90 dB wel reageerden op het geluid maar de reactie bestond uit het kijken in de richting van de geluidsbron. Schrik- of vluchtreacties werden pas bij de hogere geluidssterkte waargenomen (significant meer schriken vluchtreacties boven de 90 dB). Echter, ook bij deze hogere geluidssterkte bleef meer dan 80 % van de broedkolonie op het nest zitten. De vogels die vluchtten kwamen ook weer terug op het nest. Delaney et al. (2011) en Pater et al. (1999, 2001) onderzochten de reacties van broedende spechten op geluiden van militaire acties (schieten, helikopters, granaten). Pas bij geluidssterktes van 79 dB tot 103 dB werd waargenomen dat enkele spechten het nest verlieten. Deze spechten keerden relatief snel weer terug naar het nest en er was geen effect op nestsucces. Onderzoek naar evenementen op het TT-circuit Assen (Henkens et al., 2012) heeft de effecten in kaart gebracht van tweemaal een driedaags evenement op het circuit. Binnen het broedgebied van vogels lag het geluidsniveau door de evenementen tussen de 75 dB(A) en 85 dB(A).
Uit de resultaten van het TT-onderzoek bleek dat twee evenementen van elk drie achtereenvolgende dagen in deze maanden niet leidt tot een negatief effect op broedende vogels. Uit het rapport van Krijgsveld, et al. (2022) is af te leiden dat verstoring door geluid vooral tot negatieve effecten leidt in situaties met een langdurige of permanente geluidsinvloed. In het rapport staat een kader voor muziekfestivals, hierin wordt geluid niet als belangrijkste storende factor genoemd. Tevens worden monitoringen genoemd van festivals waar broedende vogels aanwezig waren. Steeds had het festival geen negatief effect op het broedsucces. Let wel: daarbij waren zonder uitzondering (gerichte) maatregelen getroffen juist om dergelijke effecten te voorkomen. Deze maatregelen richten zich echter niet op geluid maar op andere meer verstorende factoren die in de volgende paragrafen worden behandeld. Aangezien de resultaten van deze monitoringen overeenkomen met de resultaten van de voorgenoemde onderzoeken is er geen aanleiding om aan te nemen dat de langer durende geluidsinvloed van festivals tot andere effecten leidt. Deze monitoringen zijn onder andere uitgevoerd door TAUW (Oudega et. al., 2012), Anteagroup (2016-2019), Bureau
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 13/58
Waardenburg (Krijgsveld, et. al., 2012), Altenburg & Wymenga (De Vries 2014, 2015) en Alterra (Henkens et. al., 2012). De specifieke rapportages zijn terug te vinden onder hoofdstuk 13. Op basis van literatuur (ook verzameld in het rapport van Krijgsveld, et al., 2022) en minstens 10 jaar monitoringen tijdens festivals, blijkt dat door maatregelen geen blijvende effecten optreden. Het verbieden van het festival zal daarom niet bijdragen aan het halen van de doelen. Gelet op het voorgaande zijn effecten door geluid met name te verwachten in situaties met een langdurige geluidsinvloed. Door de regels voor geluid opgenomen in het Evenementenvergunningenbeleid Utrecht (Gemeente Utrecht, 2024) wordt geborgd dat de evenementen niet leiden tot een langdurige geluidsinvloed. Een effect op vogels door geluid wordt daarom niet verwacht, niet op het individu, niet op het broedsucces en daarom zeker niet op de staat van instandhouding van de soort. De Wnb wordt daarom niet overtreden.
3.2 VLEERMUIZEN EN GELUIDSVERSTORING Negatieve effecten van geluid van evenementen zijn alleen te verwachten als de frequentie van het festivalgeluid samenvalt met de frequenties die vleermuizen goed kunnen horen. Er is maar weinig overlap met festivalgeluid en de frequenties die vleermuizen kunnen horen. Festivalgeluid is namelijk afgestemd op het menselijk gehoor, frequenties die mensen niet kunnen horen (boven de 20 kHz) zijn voor festivals niet van belang. Bovendien doven frequenties van 20 kHz en hoger na enkele tientallen meters uit. Zelfs al heeft festivalgeluid dergelijke voor de mens onhoorbare frequenties dan zijn deze alleen plaatselijk hoorbaar voor vleermuizen. Een dergelijke lokale invloed van geluid leidt niet tot een verstoring van essentieel leefgebied of vliegroutes van vleermuizen. Dat alleen in een klein lokaal gebied een effect kan optreden is in juni 2023 bevestigd in een Engels onderzoek naar effecten van festivalgeluid op vleermuizen (Hooker, et al., 2023). In het onderzoek (Hooker, et al., 2023) is op twee meter afstand van een bosrand, een belangrijke vliegroute van vleermuizen, een speaker geplaatst. Via de speaker werd festivalgeluid afgespeeld met frequenties tot 15 kHz. De geluidssterkte bedroeg 100 dB op 1 meter afstand van de speaker op 1,8 meter hoogte. Het onderzoeksgebied beperkte zich tot 40 meter afstand van de speaker.
Volgens Hooker, et al. (2023) is 40 meter voldoende omdat eerder onderzoek naar geluidsverstoring van wegen aantoonde dat reacties van vleermuizen zich beperkten tot 20 meter afstand van de speaker. Het invloedsgebied van het geluid is daarom beperkt, mogelijk slechts een tiental meter van de geluidsbron. Dit is in overeenstemming met het de resultaten van het in het rapport van Van Hooff (2019) waar ook is uitgegaan van een beperkt invloedsgebied van tientallen meters rondom de geluidsbron. Het onderzoek van Hooker, et al. (2023) concludeert dat er geen effecten zijn aangetoond op vleermuissoorten van de families: • Pipistrellus • Nyctalus/Eptesicus • Myotis Voor de vleermuizen uit de families Pipistrellus en Myotis is geen effect aangetoond. De volgende soorten vleermuizen komen (mogelijk) in Nieuwegein voor en behoren tot deze families: gewone, kleine en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus), baardvleermuis, franjestaart, meervleermuis, vale vleermuis en watervleermuis (Myotis). Voor de soorten uit de families Nyctalus/Eptesicus heeft het onderzoek aangetoond dat meer vleermuizen actief waren in de nachten zonder festivalgeluid dan in de nachten met festivalgeluid. De nachten met festivalgeluid waren ze trouwens niet volledig afwezig. Ook met festivalgeluid maakten ze gebruik van het onderzoeksgebied (dat beperkt was tot 40 meter rondom de geluidbron).
De onderzoekers verklaren dat het effect op deze familie wel is aangetoond doordat de vleermuissoorten van deze familie lagere frequenties gebruiken dan de soorten van de families Pipistrellus en Myotis. De soorten in Utrecht die tot deze families behoren zijn laatvlieger en rosse vleermuis. Het onderzoek concludeert ook dat het invloedsgebied van geluidsverstoring maar relatief klein is, namelijk 40 meter rondom de geluidsbron bij 100 dB op 1 meter afstand van de bron. Dergelijke geluidsniveaus kunnen bij festivals alleen vlak bij de podia met speakers plaatsvinden, oftewel de dansvloer. Deze liggen per definitie, door voorwaarden voor lichtverstoring van vleermuizen, niet in kwetsbaar gebied
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 14/58
zoals essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Bovendien wordt in het rapport van Van Hooff (2019) geconcludeerd dat het festivalgeluid wel mogelijk plaatselijk hoorbaar is voor vleermuizen, maar dat dit gelet op het grote leefgebied van vleermuizen niet tot een blijvend effect leidt. Ze kunnen uitwijken naar ander geschikter leefgebied. Het onderzoek van Hooker, et al. (2023) heeft nu aangetoond dat voor de meeste soorten vleermuizen in Utrecht zelfs geen sprake zal zijn van plaatselijk uitwijken waar Van Hooff (2019) uit voorzorg is uitgegaan. Voor soorten als laatvlieger en rosse vleermuis toont Hooker, et al. (2023) aan dat het invloedsgebied zich inderdaad beperkt tot een tiental meters rondom de geluidsbron zoals Van Hooff (2019) al noemde. Het onderzoek van (Hooker, et al., 2023) concludeert dat festivals onderzocht moeten worden op effecten door geluidsverstoring op vleermuizen door rekening te houden met soortspecifieke gevoeligheden zodat gepaste maatregelen genomen worden om effecten te voorkomen. Het effect van evenementengeluid op gewone grootoorvleermuis (Plecotus) is onderzocht door Janssen, et al. (2017). Hierin zijn gezenderde gewone grootoorvleermuizen gevolgd tijdens het Airforcefestival in Enschede in augustus 2017. De grootoorvleermuis is gevoeliger voor festivalgeluid dan de meeste vleermuizen.
De gewone grootoorvleermuis jaagt namelijk niet (alleen) door echolocatie met hoge frequenties maar luistert ook naar het geluid dat prooien maken. De soort kan voor vleermuizen relatief lage frequenties horen. De ondergrens van het gehoorbereik ligt ongeveer bij 3 tot 4 kHz maar de soort hoort frequenties van 8 kHz het beste. Uit het onderzoek bleek dat de gewone grootoorvleermuizen tijdens het festival geen gedragsverandering vertoonden ten opzichte van de nachten zonder het festival. Tijdens en na het festival gebruikten de gezenderde gewone grootoorvleermuizen hetzelfde gebied als voor het festival. Ook in verblijfplaatsen kan geluid van evenementen vleermuizen niet verstoren. Alleen luid ultrasoon geluid (geluid >20 kHz) kan vleermuizen uit verblijfplaats verjagen (Zeale, et al., 2016). In het onderzoek van Zeale, et al. (2016) werden vleermuizen tijdelijk uit een kerk verjaagd door binnen de verblijfplaats op korte afstand van 1 tot 10 meter van de vleermuizen frequenties van 20 tot 100 kHz af te spelen op 90 tot 120 dB. Nadat het geluid was gestopt keerden de meeste vleermuizen terug naar de verblijfplaats. Het bleek erg moeilijk en kostbaar om vleermuizen door geluid uit verblijfplaatsen te verjagen. De geluidsinstallatie moet binnen de verblijfplaats worden geplaatst aangezien de hoge frequenties moeilijk door steen of hout kunnen door dringen.
Als dergelijke hoge frequenties buiten worden afgespeeld, dringen ze vanwege de zeer hoge isolaties en zeer sterke reflecties, niet door binnen vleermuisverblijfplaatsen. Denk aan bassen die wel in de naastgelegen woning binnendringen, terwijl de hoge tonen de woning niet binnendringen. Dit geldt zowel voor verblijfplaatsen in bomen als in gebouwen. Effecten door geluid op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. Negatieve effecten op vleermuizen door geluid zijn daarom op voorhand uitgesloten. De frequenties zijn namelijk niet goed hoorbaar. Effecten op vleermuizen door geluid blijven daarom verder buiten beschouwing.
3.3 AMFIBIEËN EN GELUIDSVERSTORING Salamanders zoals de kamsalamander hebben geen of primitief ontwikkelde gehoororganen. Ze zijn zo goed als doof en leven bovendien onder water of in strooisellagen, vermolmd hout e.d. waar geluid niet goed doordringt. Effecten door geluid op salamanders is daarom uitgesloten. Kikkers en padden hebben wel gehoororganen en zijn in staat geluiden te horen in het frequentiebereik van 100 tot 2500 Hz. Hun bereik is dus minder groot dan dat van mensen. De meeste kikkers en padden produceren bovendien geluid tijdens de voortplantingsperiode. Negatieve effecten van door mensen geproduceerd geluid zou dan bestaan uit het maskeren van de roep van mannetjes in de voortplantingstijd. In verschillende onderzoeken zijn tijdens de voortplantingsperiode negatieve effecten door geluid aangetoond. De effecten waren een afname in roepactiviteit (Sun & Narins 2005), afname in dichtheid (Eigenbrod et.al., 2009), minder goed vinden van voortplantingswater na overwintering (Tennessen et.al., 2014) Cunnington & Fahrig (2010) toonden experimenteel aan dat enkele Amerikaanse kikker- en paddensoorten in staat waren hun roep à la minuut aan te passen als ze met verhoogd verkeersgeluid werden geconfronteerd, zodanig dat ze voor soortgenoten nog hoorbaar waren.
Echter, niet alle soorten kunnen dit en voor hen duurt het enkele generaties voordat ze hun roep aan de aanwezigheid van omgevingsgeluid hebben aangepast. Voorgenoemde effecten zijn alleen aangetoond in situaties met permanente geluidsinvloeden zoals bij wegen en vliegvelden. Het geluid van de evenementen is te tijdelijk om dergelijke blijvende effecten te veroorzaken. Voor amfibieën zijn daarom geen aanvullende voorwaarden nodig met betrekking tot geluid.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 15/58
3.4 VISSEN EN GELUIDSVERSTORING Geluid van evenementen op land dringt slecht door onder het wateroppervlak omdat het geluid grotendeels wordt gereflecteerd door het wateroppervlak. Om deze reden is de verstorende werking van geluid vanaf land op vissen zeer beperkt tot verwaarloosbaar. Gelet hierop en het doorgaans grote leefgebied en mobiliteit van vissen is een effect door evenementengeluid op voorhand uitgesloten. Maatregelen zijn niet nodig.
3.5 INSECTEN EN GELUIDSVERSTORING Libellen hebben geen gehoororganen en zijn zo goed als doof. Dit geldt ook voor de meeste vlinders hoewel enkele soorten primitieve organen hebben waarmee ze onder andere geluid van predatoren kunnen opvangen. Ook kevers zijn niet gevoelig voor geluidsverstoring. Voor al de relevante insectensoorten geldt dat geluid geen factor van belang is. Een tijdelijke geluidsinvloed tijdens een evenementen heeft gelet hierop en op het tijdelijke karakter met zekerheid geen negatief effect op deze soorten. Aanvullende maatregelen voor geluid zijn niet nodig
3.6 CONCLUSIE GELUID Voorwaarden uit de geluidswetgeving of –beleid behoeven geen aanscherping ten behoeve van natuur. Geluid vanuit evenementen is afgestemd op het menselijk gehoor. Veel diersoorten zoals vleermuizen, vogels en amfibieën horen anders dan mensen. Om geluidseffecten op dieren te beoordelen is per soortgroep een aparte geluidsberekening nodig (zonder de db(A) weging van voor mensen relevante frequenties). Uit deze berekeningen komt voor de soorten waarvoor een verbod op verstoring geldt, een hogere bovengrens in decibel uit dan voor mensen. Voor geluid gelden daarom geen aanvullende voorwaarden vanuit natuur. Voorwaarden uit de geluidswetgeving of –beleid behoeven geen aanscherping ten behoeve van natuur.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 16/58
4 EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN OPTISCHE VERSTORING Menselijke aanwezigheid en inzet van materieel kunnen vogels verstoren (Krijgsveld, et al., 2022). Het betreft vooral schrikreacties en het (tijdelijk) verlaten van nest of verblijfplaats als mensen deze locaties te dicht benaderen. Met betrekking tot de effecten van recreatie is het volgende uit het rapport van Krijgsveld, et al. (2022) af te leiden: Effecten door wandelen treden vooral op door de hoge aantallen en voortdurende aanwezigheid die wandelaars in een gebied kunnen hebben. In die gevallen treden effecten op als verlaagde dichtheden van vogels langs paden, en ook verlaagd broedsucces. Dit is in Nederland zeer veel aan de orde, gezien de hoge bevolkingsdichtheid en het feit dat wandelen (samen met fietsen) de meest beoefende activiteit is. Wanneer dan ook de dichtheid van paden in een gebied hoog is, kan verstoring toch een groot significant effect hebben. Wandelaars met honden, en dan vooral met loslopende honden, hebben een sterk verstorend effect op vogels. In alle studies waarin het verstorende effect van honden is onderzocht, hadden wandelaars met honden een groter verstorend effect dan wandelaars zonder hond en ook groter dan andere recreatievormen.
Geconcludeerd wordt dat het verstorende effect van recreatie op vogels afhankelijk is van de tijdsduur: Of recreatie wezenlijke gevolgen heeft, hangt af van vorm, duur en frequentie van de recreatie. Een tijdelijke verstoring heeft doorgaans weinig consequenties; alert zijn en opvliegen voor predatoren is immers aan de orde van de dag voor vogels; Ook voor andere soorten zijn effecten door optische verstoring niet uitgesloten. Door maatregelen zijn deze effecten wel te voorkomen namelijk door de verblijfplaatsen en essentiële leefgebieden van soorten te ontzien. De maatregelen bestaan door voorafgaand aan het evenement de mogelijke verblijfplaatsen en leefgebieden in kaart te brengen en vervolgens ervoor te zorgen dat deze niet betreden worden en voldoende afstand wordt aangehouden. Voor dit overzicht zijn veldbezoeken voorafgaand aan de opbouw van evenementen nodig. In voorliggende rapportage wordt globaal gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke locaties van verblijf- en nestplaatsen. Voor alle locaties geldt dat voorafgaand aan de opbouw van een evenement een veldcheck uitgevoerd moet worden. Bij deze veldcheck worden (onverwachte) broedgevallen of verblijfplaatsen van gevoelige soorten in kaart gebracht. Een deskundige op het gebied van ecologie geeft vervolgens aan hoeveel afstand aangehouden moet worden en waar bijvoorbeeld afschermende hekken noodzakelijk zijn.
Zowel verstoring als aantasting van verblijfplaatsen wordt daardoor voorkomen. In principe is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de veldcheck, de initiatiefnemer dient aan te tonen dat er geen beschermde soorten worden verstoord.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 17/58
5 EFFECTBEOORDELING EN VOORWAARDEN VERLICHTING Verstoring door verlichting door evenementen is matig onderzocht. Studies richten zich veelal op effecten van langdurige en permanente verlichting, zoals lantaarnpalen bij een snelweg. Toch is de consensus dat er een groot verschil is tussen permanente verlichting en tijdelijke verlichting. Verlichting kan voornamelijk verstorend werken bij dieren die in de nacht actief foerageren, maar ook voor nestplaatsen van vogels geldt dat verlichting een verstorend effect kan hebben op het broedsucces. Door het plaatselijke en tijdelijke effect van kortdurende verlichting zijn de gevolgen veelal minder schadelijk dan permanente verlichting. Op locaties waar doorgaans in de avond- en nachturen verlichting aanwezig is, zijn soorten minder gevoelig voor lichtverstoring. Verstoring door verlichting bij evenementen is te voorkomen door gerichte maatregelen te nemen. Hieronder zijn de effecten en de maatregelen uitgeschreven voor de meest gevoelige soorten, namelijk vleermuizen en broedvogels.
5.1
VLEERMUIZEN
Vleermuizen zijn actief in de periode van half april tot en met oktober, al kan dit afwijken aan de hand van de weersomstandigheden. In de overige maanden overwinteren vleermuizen en zullen ze de verblijfplaats niet of nauwelijks verlaten. Tijdens de actieve periode komen vleermuizen tussen zonsondergang en zonsopgang tevoorschijn om te foerageren. In deze tijdsspanne kan verlichting voor negatieve effecten zorgen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen negatief beïnvloed worden door verlichting. Als de openingen van de verblijfplaatsen worden verlicht kunnen vleermuizen later of zelfs niet uitvliegen. Ook het verlichten van vliegroutes of foerageergebieden kunnen leiden tot negatieve effecten. Verlichting op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen tot effect leiden dat vleermuizen niet of minder kunnen foerageren en hierdoor verzwakken. Om lichtverstoring buiten het evenemententerrein te voorkomen, dient de verlichting gericht te worden het evenemententerrein waarbij de omgeving zoveel mogelijk onbelicht blijft. De invloed van verlichting is relatief beperkt gezien lichtsterkte kwadratisch afneemt. Daarnaast is het van belang dat er geen directe verlichting geplaatst wordt op verblijfplaatsen van vleermuizen. Verblijfplaatsen kunnen in zowel bebouwing als (uitgerotte) boomholtes en bomen met loshangende schors voorkomen.
Voorafgaand aan de opbouw van het evenement dient er gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van deze elementen in (de directe omgeving van) het evenemententerrein. Indien noodzakelijk zal de plaatsing van lichtbronnen en lichtrichting van aangepast moeten worden zodat deze niet de mogelijke verblijfplaats belichten. Bij watergangen en opgaande begroeiing kan de algemene maatregel genomen worden dat deze niet direct belicht moeten worden. Dit houdt in dat de armaturen zo gericht zijn dat deze van deze elementen afschijnt.
5.2 BROEDVOGELS In hoeverre licht ook blijvende effecten op vogels kan hebben is slecht bekend. Uit onderzoek naar de effecten van wegverlichting boven autosnelwegen blijkt dat in een zone langs een verlicht gedeelte van een snelweg de dichtheid van het aantal broedparen van weidevogels afnam. Op grotere afstand van de lichtbron was juist sprake van een vergrote dichtheid van broedparen (Molenaar, 2003). Het onderzoek toont aan dat licht effecten op vogels kan hebben, waarbij uiteraard de kanttekening past dat boven een autosnelweg sprake is van aanmerkelijk sterkere verlichting dan boven een camping of festivalterrein. Bovendien is de verlichting van snelwegen een permanente verlichting, verlichting van festivals is zeer tijdelijk. Omdat de lichtintensiteit met een toenemende afstand tot de lichtbron snel (kwadratisch)
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 18/58
afneemt zijn de lichteffecten beperkt tot een relatief klein gebied in de directe omgeving van de lichtbronnen. Om lichtverstoring buiten het evenemententerrein te voorkomen, dient de verlichting gericht te worden op het evenemententerrein waarbij de omgeving zoveel mogelijk onbelicht blijft. Ook dienen eventuele nestlocaties niet direct belicht te worden. Door voorafgaand aan de opbouw van het evenement een controle uit te voeren op nesten van broedvogels, kunnen gerichte maatregelen genomen worden om verstoring door verlichting te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is het aanpassen van de lichtrichting, of het verzetten van een lichtbron om een nestlocatie te ontzien. Als desbetreffende maatregelen getroffen worden kan geconcludeerd worden dat er geen effect op broedende vogels optreedt tijdens evenementen.
5.3 CONCLUSIE EN VOORWAARDEN Aanvullende verlichting bij evenementen is bij voorbaat tijdelijk en plaatselijk, waarbij de lichtsterkte kwadratisch afneemt richting de omgeving. Door het nemen van de volgende maatregelen is lichtverstoring op vleermuizen en broedvogels te voorkomen: • Voorafgaand aan de opbouw van het evenement dient een controle uitgevoerd te worden waarbij gekeken wordt naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van broedende vogels. Als deze aanwezig zijn dient de verlichting dusdanig geplaatst te worden dat deze niet direct de verblijfplaats of nestplaats belicht. Mogelijk houdt dit in dat de armaturen van de lichtbron elders gericht moeten worden of dat deze verplaatst moet worden. • Om lichtverstoring buiten het evenemententerrein te voorkomen, dient de verlichting gericht te worden het evenemententerrein waarbij de omgeving zoveel mogelijk onbelicht blijft. • Opgaande begroeiing en watergangen dienen niet direct belicht te worden tussen zonsondergang en zonsopgang om effecten op vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen te voorkomen. • Het uitgangspunt van evenementen is dat deze niet tot ver in de nacht plaatsvinden. Hierdoor is er geen langdurige verlichting na zonsondergang aanwezig tijdens of na het evenement.
Als het houden van een nachtevenement gewenst is, dient dit uitsluitend te gebeuren na een ecologische beoordeling en vrijgave voorafgaand aan het evenement. Let wel: een mogelijkheid is, afhankelijk van de aanwezige biotoop en soorten, dat dit evenement niet door kan gaan op basis van de ecologische beoordeling.
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 19/58
6 PARK DE GAGEL 6.1
BIOTOOPBESCHRIJVING
Het plangebied Park de Gagel betreft een stadspark gelegen in noord Utrecht in de wijk ‘Overvecht’. Ten noorden en noordoosten van het plangebied bevindt zich de N230 en rondom het plangebied in alle windrichtingen is bebouwing van de wijk Overvecht aanwezig. Dit zijn voornamelijk appartementencomplexen, rijtjeshuizen en flats. Het landschap van het plangebied bestaat grotendeels intensief bemaaid grasland afgewisseld met solitaire bomen, struweel en één poel met dichte oeverbegroeiing. Daarnaast is een dierenweide, vlindertuin en gezamenlijk werktuin aanwezig. Langs de randen van het plangebied is dicht struweel aanwezig. Door het plangebied lopen verschillende wandelpaden en bevindt zich een gezamenlijk voedseltuin.
Figuur 6.1. Locatie van het plangebied “Park de Gagel”.
6.2 TOETSING FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT 6.2.1
VAATPLANTEN
De verspreidingsgegevens van vaatplanten (NDFF 2015-2025 en verspreidingsatlassen) geven aan dat rondom het plangebied beschermde vaatplanten (tot 5 kilometer) en Rode lijstsoorten (tot 1 kilometer) zijn aangetroffen (tabel 6.1)
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 20/58
Tabel 6.1 Beschermde- en Rode lijst vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen (NDFF, 2025). Bescherming
Soorten
Beschermde vaatplanten
Stijve wolfsmelk, groot spiegelklokje, wolfskers, kartuizer anjer, kluwenklokje, muurbloem, wilde ridderspoor, kruiptijm, blaasvaren, schubvaren, glad biggenkruid, naaldenkervel, knolspirea, ruw parelzaad, akkerboterbloem, grote bosaardbei, naakte lathyrus, dreps
Rode lijstsoorten
Waterdrieblad, zomerklokje, veldsalie, bostulp, korenbloem, gele kornoelje, oosterse morgenster, rapunzelklokje, kamgras, verfbrem, voorjaarsganzerik, selderij, naaldenkervel, gewone agrimonie, wilde kievitsbloem, blauwe knoop, tripmadam, muurhavikskruid, plat fonteinkruid, polei
Utrechtse soortenlijst
aardakker, akkerklokje bijenorchis, brede lathyrus, brede wespenorchis, distelbremraap dotterbloem, fijn venushaar gele helmbloem, grasklokje, grote kattenstraat, grote wederik, grote kaardenbol, grote keverorchis, hondskruid, klein glaskruid kruisbladgentiaan, maretak, moeraswespenorchis, prachtklokje, rapunzelklokje, rietorchis, ruig klokje, slanke sleutelbloem, steenbreekvaren stengelloze sleutelbloem, stengelomvattend havikskruid, tongvaren, veldsalie, vleeskleurige orchis, veldlathyrus, wilde reseda, wouw, waterdrieblad, winterheliotroop wilde marjolein, zomerklokje, zwanenbloem, zwartsteel, zwartblauwe rapunzel
Uit de NDFF blijkt dat de afgelopen 10 jaar de nationaal beschermde soort naaldenkervel (Habitatrichtlijnsoort) zijn waargenomen in Park de Gagel. Het gaat hierbij om meerdere groeiplaatsen in het plangebied, ter hoogte van de Marrokodreef. Uit de NDFF blijkt dat de afgelopen 10 jaar twaalf Rode Lijstsoorten zijn waargenomen in Park de Gagel. Dit zijn onder andere gewone agrimonie, gulden sleutelbloem en kamgras. Soorten als zomerklokje, naaldenkervel, gewone agrimonie, gulden sleutelbloem, oosterse morgenster, blauwe knoop, rapunzelklokje, kamgras zijn soorten van zonnige biotopen en soortenrijke graslanden. Tijdens het veldbezoek blijken de aanwezige grasvelden in het plangebied intensief beheerd en recreatief gebruikt te worden. Dit leidt vaak tot een eentonige grasvegetatie waar slechts enkele grassoorten domineren. Dit is binnen het plangebied niet aan de orde, aangezien de grasvelden zich kenmerken door verschillende kruiden. Het houden van evenementen tot maximaal 25.000 bezoekers en alles ertussenin zorgt mogelijk voor het vertrappen van de groeiplaatsen en verdichten van de bodem. Hierdoor kunnen overtreding van verbodsartikelen binnen de Omgevingswet ten aanzien van de naaldenkervel niet worden uitgesloten.
Daarnaast kan op voorhand niet worden uitgesloten dat aantasting van het functionele leefgebied (groeiplaatsen) ten aanzien van de rode lijstsoorten worden uitgesloten. Zowel voor de strikt beschermde naaldenkervel als de overige Rode lijstsoorten zijn aanvullende maatregelen aan de orde.
6.2.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (NDFF 2015-2025 en verspreidingsatlassen) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (binnen een 5 kilometer radius) beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen (tabel 6.2). Het gaat hierbij om de bever, wolf, otter, eekhoorn, bunzing, wezel, hermelijn, waterspitsmuis, das, steen- en boommarter. Voor een aantal van deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Utrecht zoals de aardmuis, bosmuis, egel, ree en vos. Tabel 6.2 waargenomen habitatrichtlijn- en nationaal beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2025). Bescherming
Soorten
Habitatrichtlijnsoorten
Wolf, bever
Nationaal soorten
Haas, konijn, eekhoorn, bunzing, wezel, hermelijn, steenmarter, boommarter, waterspitsmuis en das.
beschermde
SOB031093 – Ecologische beoordeling (potentiele) evenemententerreinen Gemeente Utrecht Quickscan ecologie WAB029995, Versie 1
WSP 19 november 2025 pagina 21/58
De bekende locaties van bever bevinden zich op meer dan 5 km van het plangebied en bevinden zich binnen het havengebied van de stad. Bevers leven doorgaans in de directe omgeving van watergangen en moerassen en worden zelden ver buiten de watergang/oeverzones aangetroffen. Daarnaast moet er voldoende voedsel aanwezig zijn in de vorm van wilgenbroekbossen en andere houtopstanden. De watergangen binnen het plangebied kenmerken zich door geïsoleerde kleine watergangen. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen burchten, glij- en vraatsporen van de bever aangetroffen bij deze watergangen het plangebied. De watergang ten westen van het plangebied bevindt zich op ruime afstand van het plangebied (370meter). Dit betreft een brede en diepe watergang die potentieel kan fungeren als leefgebied van de bever. Hier zijn geen sporen en/of burchten van de soort aangetroffen. De enige watergang in het plangebied bevindt zich op nog een grotere afstand. Dergelijke afstanden worden door de bever vermeden. Vanwege het ontbreken van watergangen in het plangebied en het ontbreken van sporen in de watergangen die het gebied omzomen kan het voorkomen van de bever in het plangebied als het gebied binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten worden uitgesloten. De voorgenomen evenementen leiden dan ook niet tot aantasting van het functionele leefgebied.
Overtreding van verbodsartikelen is dan ook niet van toepassing. Aanvullende maatregelen zijn niet aan de orde. Wolven leven in roedels, bestaande uit een volwassen paar en hun nakomelingen. De jongen verlaten het ouderlijk territorium om elders een eigen territorium te vestigen. Hiervoor kunnen zij grote afstanden afleggen. Het plangebied kenmerkt zich door een stadspark met veel menselijke activiteit en weinig robuuste aaneengesloten groenstructuren. Rust en grootschalige natuur is dan ook niet aanwezig. De waarnemingen van de wolf hebben betrekking op een zwervend exemplaar zonder binding aan een specifiek gebied. Door de hoge mate van menselijke activiteit in het plangebied en ontbreken van robuuste natuur kan het voorkomen van de wolf in het plangebied worden uitgesloten. De voorgenomen evenementen leiden dan ook niet tot aantasting van het functionele leefgebied. Overtreding van verbodsartikelen is dan ook niet van toepassing. Aanvullende maatregelen zijn niet aan de orde. De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (NDFF 2015-2025 en verspreidingsatlassen) geven aan dat marterachtigen, (bunzing, wezel, hermelijn, steenmarter en boommarter) zijn aangetroffen binnen 5 kilometer rondom het plangebied. Al deze soorten kunnen als rustplaats gebruik maken van bestaande holen, bijvoorbeeld van konijnen, maar ook van takken- en steenhopen.