PvE en FO Lombokplein.pdf
Tekst van het document
Archeologische waardenkaart.
- 91
Het advies is om in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg met het bevoegd gezag archeologie te bepalen waar en welk archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor gebieden die zijn vrijgegeven van nader archeologisch onderzoek, geldt de wettelijke meldingsplicht voor toevalsvondsten bij het doen van archeologische vondsten (conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet). Het zichtbaar maken van de loop van de Oude Rijn of andere archeologische waarden is een mooie ruimtelijke en cultuurhistorische kans.
7.2 Niet gesprongen explosieven (NGE) Het zuidelijk deel van Utrecht wordt als NGE-onderzoeksgebied aangemerkt. In (de omgeving van) het plangebied zijn de Utrechtse onderzoeksresultaten geüpgraded naar de huidige beoordelingsrichtlijn. Dit is vastgelegd in de rapporten ‘Historisch vooronderzoek NGCE - Addendum historische vooronderzoeken’ (T&A, 3-6-2016) en ‘Historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van niet-gesprongen conventionele explosieven ter plaatse van spoortracé Utrecht CS – IJsselstein’ (T&A, 18-5-2012, v. 2.0).
Conclusie en aanbevelingen Het plangebied is niet verdacht van NGE. Wel dienen sommige onderzoeken nog geactualiseerd te worden naar de nieuwe richtlijn WSCS-OCE.
Het diepere grondwater is met vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) verontreinigd. De kwaliteit van het bovenste grondwater wijkt niet af van die in de omgeving. De VOCl zijn in het bovenste grondwater niet aangetroffen.
Conclusie en aanbevelingen Uit het verkennende bodemonderzoek is goed inzicht ontstaan in de bodemkwaliteit en op welke locaties nog nader onderzoek vereist is. Voordat de bodem gesaneerd kan worden, moeten diverse wettelijke procedures worden doorlopen. Mogelijk dienen BUS-meldingen of (deel-)saneringsplannen worden opgesteld, afhankelijk van de aard en omvang van de aangetroffen verontreinigingen. Bij het open graven van de Leidse Rijn moet er rekening mee worden gehouden dat de aanwezige duiker sterk verontreinigd slib bevat. Bij bemalingen dient rekening te worden gehouden met een waterzuivering en er dient – naast een melding of vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet- een melding op basis van het Gebiedsplan Utrecht te worden gedaan. Het plangebied valt binnen het gebied waar de gebiedsgerichte aanpak voor grondwater en ondergrond van toepassing is. Door hier aan bij te dragen is het niet langer nodig om voor alle werkzaamheden een apart saneringsplan te maken.
7.3 Bodemkwaliteit In 2019 zijn de bodem, asfalt, fundering en bovenste grondwater binnen het plangebied onderzocht. Dit verkennende onderzoek bevestigt het vermoeden dat de bodem door eeuwenlange bewoning en nijverheid verontreinigd is geraakt. De meeste bodemverontreiniging is rond de gedempte Leidse Rijn aanwezig. In het overige gebied is de bodem lokaal (< 5 % van het oppervlak) verontreinigd. De bodemkwaliteit op de ontwikkellocaties is geschikt voor de nieuwe bestemming. Wel zijn hier oude funderingen aanwezig. Het grootste deel van het asfalt en de onder de weg aanwezige fundering kan worden hergebruikt. Een klein deel is dermate verontreinigd dat dit materiaal moeten worden gereinigd dan wel worden afgevoerd.
92 - Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp - Lombokplein - Herstructurering Westplein, Leidse Rijn en Graadt van Roggenweg, definitieve versie, september 2020
7.4 Kabels en leidingen Voor de realisatie van het project dienen een aantal grootschalige verleggingen plaats te vinden voor het kruisen van de Leidse Rijn, waaronder: drinkwater, telecomkabels, stadsverwarming transportleiding, 10 kV kabels, gas hoge en lagedruk. Voor het doorgraven van de Leidse Rijn is het nodig om twee zinkers aan te leggen. Eén zinker bij de Kanonstraat en één zinker bij de Damstraat. De afmetingen zijn respectievelijk circa 50x15 meter op een diepte van ongeveer 5,50 meter onder maaiveld en circa 50x6 meter op een diepte van ongeveer 5,00 meter onder maaiveld. In het gehele plangebied dienen kabels en leidingen verlegd te worden. Daarnaast is er ruimte gecreëerd voor nieuwe duurzame energieontwikkelingen (zie ook paragraaf 7.10) zoals Warmte en Koude Opslag (WKO). Er is ruimte gereserveerd voor WKO in de vorm van zoekgebieden voor bronnen en leidingtracés. De benodigde technische ruimten in het openbaar gebied en de bouwblokken worden in de volgende fase verder uitgewerkt. In de volgende fase zal bovendien gekeken worden of er ook ruimte gereserveerd moet worden voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO). Hiervoor zijn in- en uitlaatpunten in de Leidse Rijn noodzakelijk, en een aansluiting op een collectief warmtenetwerk. Tijdens de inventarisatie is afstemming geweest over de locaties voor bomen (zie ook paragraaf 8.5).
En er is afstemming geweest met de Veiligheidsregio Utrecht. In de plannen is er ook rekening mee gehouden dat diverse netwerken een verbinding hebben met het plangebied Beurskwartier. Zo is bijvoorbeeld voor WKO een koppeling mogelijk aan de Graadt van Roggenweg. Het kabels- en leidingenontwerp is geschikt voor beide varianten van de kruising van de Kanonstraat met de fietsroute langs de Leidse Rijn. Het onderzoek is vastgelegd op tekening ‘Inventarisatie kabels en leidingen’ (18 februari 2019). Naast het bovenaanzicht zijn van de belangrijkste locaties dwarsprofielen gemaakt en is van de zinker bij de Kanonstraat onder de Leidse Rijn een principe lengte en dwarsprofiel opgesteld.
7.5 Water en riolering Klimaatbestendig Voor het verwerken van regenwater wordt de volgende volgorde gehanteerd: 1. Vasthouden en nuttig gebruiken 2. Bergen 3. Afvoeren Voor de openbare ruimte geldt dat zoveel mogelijk regenwater vastgehouden moet worden en nuttig gebruikt voor het aanwezige groen door infiltratie in de bodem via boven- of ondergrondse infiltratievoorzieningen. Het streven is om op jaarbasis 99% van de neerslag te infiltreren en vast te houden in de bodem. Afhankelijk van de infiltratiecapaciteit van de bodem (het doel is om 45 mm in 1 uur te verwerken) wordt berekend welk aanvullende bergingscapaciteit eventueel nodig is. Het gebied moet zo worden ingericht dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Vooruitlopend op nog vast te stellen klimaatbeleid wordt er hiervan uitgegaan dat daaraan is voldaan als een extreme bui (van 80 mm in 1 uur) verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater. Uitwerking van de plannen kan nog worden aangescherpt op basis van nieuw klimaatbeleid. Ook mogen er geen gezond- en veiligheidsrisico’s optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels. Deze opgave geldt zowel voor de openbare ruimte als voor de binnentuinen.
Om een beeld te krijgen van de te verwachten mate van wateroverlast is voor het plangebied een stresstest uitgevoerd. Deze stresstest geeft de mate van wateroverlast weer bij een neerslag van 80 mm/uur.
- 93
Hemelwaterriool
Watercompensatie
Het voorstel is om aan beide zijden van de trambaan een hemelwaterriool aan te leggen in de Graadt van Roggenweg van het Merwedekanaal tot aan de Croeselaan. Doel is dat zoveel mogelijk water wordt vastgehouden en infiltreert in de bodem, bij voorkeur via de berm. Alleen wanneer het infiltratiesysteem het water niet kan verwerken loopt het over naar het hemelwaterriool. Mogelijke manieren van bermafwatering zijn: plantvakken, wadi’s, bioswales, verlaagde groenstroken, water passerende verharding in de parkeervakken, onderbreking van de banden tussen rijbaan en berm. De precieze uitwerking vindt plaats in de VO fase van het project. Het te vervangen hemelwaterriool in de Kanonstraat krijgt een aansluiting om de Kanaalstraat in de toekomst gescheiden te kunnen afwateren.
Onderstaande tabel laat zien dat het totaal aan verharding in het plangebied afneemt. Dit wordt veroorzaakt door een toename van groen en water.
Gemengd-en vuilwaterriool Het bestaande gemengde riool in de Graadt van Roggenweg (tussen de tramhalte en de Croeselaan) moet worden vervangen vanuit kwalitatief oogpunt. Rioolbeheer lift op dit traject mee met de herinrichting.
Ruimtegebruik
huidig %
nieuw %
verschil
bestaande bebouwing
7%
7%
0%
bouwveld
0%
6%
6%
verhard (bus/tram/auto)
48%
29%
-19%
verhard (fiets/voet)
29%
32%
4%
onverhard (groen)
15%
22%
7%
onverhard (water)
1%
4%
3%
Totaal
100%
100%
0%
Conclusie Peilen Het maaiveldniveau ligt gemiddeld op een niveau van NAP +2,40 m. Alle oppervlaktewaterpeilen hebben stadspeil NAP +0,58 m als streefpeil. Het grondwaterpeil verloopt van NAP +0,1 m aan de oostzijde naar NAP 0,00 m NAP aan de westzijde van het plangebied in een droge periode en van NAP +0,5 m naar NAP +0,2 m.
Leidse Rijn De Leidse Rijn wordt met een waterdichte bodem aangelegd. Het herstellen en doortrekken van de Leidse Rijn wordt in een volgende fase verder uitgewerkt in overleg met het waterschap HDSR, beheerder van de watergang.
Compensatie is niet nodig, gezien de ruime afname van verharding en de toename van groen. In de vervolgfase blijft klimaat adaptief ontwerpen noodzakelijk.
7.6 Asfalt- en wegfundering Er heeft nog geen asfalt- en funderingsonderzoek plaatsgevonden. Er wordt vooralsnog rekening gehouden met het behoud van de onderbouw wegconstructie en aanbrengen nieuwe toplaag asfalt voor de Graadt van Roggenweg. Voor het overige deel (Westplein) wordt vooralsnog rekening gehouden met het vervangen van de gehele wegconstructie. In een volgende fase wordt het asfalt- en funderingsonderzoek uitgevoerd.
94 - Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp - Lombokplein - Herstructurering Westplein, Leidse Rijn en Graadt van Roggenweg, definitieve versie, september 2020
7.7 Bruggen In hoofdstuk 6 zijn de ontwerpeisen voor bruggen toegelicht. In deze paragraaf worden de technische eisen toegelicht. Alle bruggen worden voorzien van een valbescherming op de randen die verkeer beschermd tegen vallen. De levensduurverwachting van het object is minimaal 100 jaar. Bij materiaalkeuzen voor de bruggen is veel aandacht voor duurzaamheid en circulariteit (zie eisen in hoofdstuk 7.10). Er komt een comfortabele soepele overgang van de omgeving naar de brugconstructie door bijvoorbeeld toepassing van stootplaten. Staalwerk lakken met drie-laags natlaksysteem. Een aanvaarbeveiliging beschermt de brug en geleidt het scheepvaarverkeer naar de doorvaart. In de doorvaart zijn geen uitstekende brugdelen die de veiligheid kunnen belemmeren. Aan weerszijden van de brug staat een dukdalf (hout, duurzaamheidsklasse 1) die wordt beschermd met een paalmuts (kleur wit). De dukdalven kunnen de aanvaring weerstaan van een boot met 70 ton gewicht geladen en met snelheid van 4,5km/u. Bij landhoofden of steunpunten langs het water zijn wrijfgordingen van bijvoorbeeld hout nodig om schade te voorkomen. Deze worden gedimensioneerd op aanvaren onder een hoek van 5 tot 10 graden. Om de kansen voor dieren te vergroten, worden bruggen alleen verlicht aan de onderzijde als er een (fiets)pad is.
Ook worden, zo mogelijk, vleermuiskasten ingebouwd aan de onderzijde of zijkant van de brug en worden, zo mogelijk, voorzieningen opgenomen voor vogels.
• • • • • •
•
7.8 Bomen Bomeninventarisatie In het plangebied zijn in juli 2018 alle 202 bomen geïnventariseerd. Het bomenbestand bestaat vooral uit iep, es, plataan, linde, eik en populier. Iep komt veel voor langs de Graadt van Roggenweg. Voor het overige is er een spreiding in boomsoorten. De bomen hebben voor het grootste deel een stamdiameter tot 80 cm. Een aantal populieren is dikker tot circa 100 cm. De conditie van de bomen is divers. Relatief veel bomen (52 stuks) hebben een slechte tot onvoldoende conditie. De overige bomen hebben een voldoende tot goede conditie. Slechts een enkele boom is verplantbaar. De meeste bomen zijn niet verplantbaar vanwege soort en standplaats. De bomeninventarisatie is te vinden in bijlage 5.
Randvoorwaarden groeiplaatsinrichting nieuwe bomen Nieuwe bomen kunnen alleen gezond volwassen worden als ze een goede groeiplaatsinrichting meekrijgen. Dat betekent voldoende ruimte boven en ondergronds voor de boom om te groeien. De uitgangspunten voor een goede groeiplaatsinrichting staan in het Handboek Bomen, wat onderdeel uitmaakt van het Handboek Openbare Ruimte (HOR). Er moet voldoende afstand tot de verharding en kabels en leidingen zijn. Zo is er voor een 1e grootte boom minimaal 25 m3 groeiplaatsruimte nodig. In de vervolgfase wordt per boom bekeken of aan deze eisen wordt voldaan en of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de boom toch goed te laten groeien. In dit project geldt als uitgangspunt dat ondergrondse infra en eventuele parkeergarages geen beperking mogen hebben op de mogelijkheden voor het toepassen van 1e grootte bomen. Bij voorkeur worden bomen in de volle grond geplant.
- 95
Herplantplicht
Gebiedsbescherming
Als er bomen worden geveld, dan dient compensatie plaats te vinden. Dat betekent dat er voor iedere gevelde boom weer een boom wordt terug geplant. In de eerste plaats moet dit gebeuren binnen het plangebied. Indien dit niet mogelijk is dan zal er buiten het plangebied moeten worden gekeken hoe de eventueel gevelde bomen gecompenseerd kunnen worden.
Er is getoetst in hoeverre de geplande ontwikkeling mogelijk beschermde gebieden beïnvloedt of daar negatieve effecten op heeft. De conclusies voor de gebiedsbescherming voor het plangebied zijn: Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Er is mogelijk wel sprake van stikstofdepositie. Om dit te kunnen bepalen, is een AERIUSberekening benodigd. Wanneer uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van toename van stikstofdepositie, zijn verdere vervolgstappen niet noodzakelijk. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd.
Duurzaamheid Voor een duurzame inrichting wordt gevarieerd in boomsoorten. Hoe meer variatie hoe kleiner de kans op uitval bij ziekte van een bepaalde boomsoort. De locatie van de bomen, dus de juiste boom op de juiste plek is belangrijk om de bomen het gewenste eindbeeld te laten bereiken. Door de klimaatverandering met langere droogteperioden in de zomer worden boomsoorten toegepast die goed tegen droogte kunnen.
Raakvlakken met riool, afwatering, kabels en leidingen In de boomvakken kan regenwater infiltreren. De boomsoort zal hierop moeten worden afgestemd, waarbij voorwaarde is dat deze bestand is tegen enkele dagen met de ‘voeten’ in het water. De kabels en leidingen moeten op voldoende afstand van de bomen komen te liggen en indien nodig worden wortelgeleidingsschermen toegepast.
7.9 Ecologie Flora en Fauna Quickscan Er is in 2018 een quickscan Flora en Fauna opgesteld (Movares, 2018). Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit Natuurwetgeving van belang om na te gaan of er door de werkzaamheden negatieve effecten op beschermde natuurwaarden kunnen optreden. Ook zijn de soorten van de Utrechtse soortenlijst meegenomen in het onderzoek.
•
•
Groenstructuurplan Bij de inrichting van het (bestaande en nieuwe) groen in het gebied wordt rekening gehouden met de vijf hoofdopgaven uit de Actualisatie Groenstructuurplan. Vergroten van de ecologische, recreatieve en landschappelijke kwaliteit van het bestaande stedelijk groen van Utrecht voor mensen, planten en dieren. Verbeteren van de bereikbaarheid van de groengebieden rond Utrecht door recreatieve en ecologische verbindingen aan te leggen. Uitbreiden van de groene buitenruimte door grootschalige groengebieden om de stad aan te leggen. Gezonde verstedelijking. Klimaatadaptatie.
• • • • •
Er wordt binnen het Programma van Eisen aan al deze doelen invulling gegeven.
Soortenbescherming De belangrijkste conclusie van het onderzoek m.b.t. de soortenbescherming zijn:
96 - Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp - Lombokplein - Herstructurering Westplein, Leidse Rijn en Graadt van Roggenweg, definitieve versie, september 2020
Vaatplanten Er zijn tijdens het veldbezoek geen vaatplanten waargenomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Wel zijn tongvaren, grote kaardenbol en wilde reseda waargenomen. Deze soorten staan op de Utrechtse soortenlijst. Deze dienen te worden behouden of als dat niet mogelijk is dienen voorafgaand aan de werkzaamheden plantensoorten van de Utrechtse soortenlijst in overleg met een ecoloog van de gemeente te worden verplaatst naar een andere geschikte locatie in of nabij het gebied.
Voor de locaties waar werkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen er (tijdelijk) effecten op potentiële foerageergebieden van vleermuizen optreden. Om te voorkomen dat door gebruik van kunstlicht (tijdens de werkzaamheden of door de nieuwe inrichting) verstoring optreedt op verblijfplaatsen en op foeragerende of passerende dieren, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient (extra) lichtval op watergangen, bomen en gebouwen te worden vermeden.
Vleermuizen – vliegroutes Vleermuizen - verblijfplaatsen Er zijn geen boomholten aangetroffen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn wel vleermuiskasten aangetroffen aan de bomen ter hoogte van de kruising van de Croeselaan en Graadt van Roggenweg. Indien de bomen worden verwijderd, dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van de vleermuiskasten. Indien er werkzaamheden plaats vinden aan de Sijpesteijntunnel en Daalsetunnel, dient er nader onderzoek plaats te vinden naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de tunnels. Ook is geconstateerd dat diverse gebouwen in het plangebied geschikt zijn voor mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Uitgangspunt is dat alle bebouwing in en rondom het plangebied behouden blijft. Effecten op vleermuisverblijfplaatsen in gebouwen worden daarmee niet verwacht. Mochten gebouwen toch verbouwt of gesloopt worden dan is nader ecologisch onderzoek nodig.
Vleermuizen - vliegroutes en foerageergebied De bomen, bomenrijen en waterelementen in het plangebied vormen (potentieel) foerageergebied. Geschikte foerageergebieden zijn het water aan de Leidseweg, het water onder de Sowetobrug, Van Sijpesteijnkade en Lange Hagelstraat. Een gedeelte van het potentiële foerageergebied zal verdwijnen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied bewaard.
De Leidse Rijn langs de Leidseweg, het Merwedekanaal onder de Sowetobrug en een bomenrij aan de Graadt van Roggenweg vormen mogelijk (cruciale) vliegroutes. Dit vanwege het rechtlijnige karakter dat kan worden gebruikt ter geleiding en oriëntatie bij het vliegen. Indien er werkzaamheden plaats vinden nabij deze locaties dient er nader onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van (cruciale) vliegroutes.
Algemene broedvogels Om effecten op algemene broedvogels te voorkomen dienen (sloop-) werkzaamheden aan de tunnels of werkzaamheden waarbij opgaande beplanting binnen het plangebied wordt verwijderd, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Deze loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet door een deskundige worden gecontroleerd of er broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen. Het gaat om een broedgeval, ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten, mag er niet gewerkt worden.
Vogels van de Utrechtse soortenlijst Binnen het plangebied worden vogelsoorten verwacht die zijn opgenomen in de Utrechtse soortenlijst, zoals de merel en de tjiftjaf. Na herinrichting van het plangebied is er een toename van groene elementen (park en tuinen). Voor de merel en de tjiftjaf zal er naar verwachting een geschikter leefgebied ontstaan na herinrichting. Extra maatregelen voor de merel en tjiftjaf zijn naar verwachting niet noodzakelijk.
- 97
Vogels met een jaarrond beschermd nest Er zijn binnen het plangebied geen nesten aangetroffen van vogels met een jaarrond beschermd nest. Uitgangspunt voor dit PvE is dat alle bebouwing in en rondom het plangebied behouden blijft. Effecten op nesten van gebouw bewonende en jaarrond beschermde vogels worden daarmee niet verwacht. De groene elementen tussen het spoor en de Hagelbuurt en tussen het spoor en het Park Plaza Hotel zijn mogelijk onderdeel van het functionele leefgebied van de huismus. Uitgangspunt is dat hier niet gewerkt wordt. Indien er wel gewerkt gaat worden is er nader onderzoek nodig om te kunnen vast stellen of er sprake is van een vaste, rust- of verblijfplaats van de huismus.
Grondgebonden zoogdieren Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren worden niet verwacht.
Zorgplicht Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Gedragscode Flora- en faunawet van de gemeente Utrecht van toepassing.
7.10 Duurzaamheid Uitgangspunten met betrekking tot duurzaamheid zijn: het spaarzaam omgaan met energie en grondstoffen, klimaatbestendig en gezond bouwen met hernieuwbare materialen en duurzaam opwekken van energie. Voor alle duurzaamheidaspecten geldt dat bij tendering van gebouwen en bouwblokken, - gezien de snelle voortgang van ontwikkelingen en beleidsvorming op het vlak van duurzaamheid, - de op dat moment geldende normeringen worden gehanteerd.
De openbare ruimte (wegen, parken) wordt over de volledige levensduur (aanleg, gebruik, onderhoud en sloop) zo duurzaam mogelijk. Onder de integrale duurzaamheid vallen ook de thema’s bereikbaarheid, leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en waterbeheersing. Naast deze thema’s betekent ‘zo duurzaam mogelijk’, per thema en integraal: De som van de duurzaamheidsprestaties voor alle duurzaamheidsthema’s gewogen naar ambitie, wordt zo hoog mogelijk. http://www.duurzaamgww.nl. De constructies, materialen en methoden om de openbare ruimte te realiseren kosten zo min mogelijk CO2. De bouwer van de wegen en parken heeft een zo hoog mogelijk niveau op de CO2 prestatieladder. De inrichting van de openbare ruimte is energieneutraal over de gebruiksfase. Aanleg en onderhoud leveren een zo groot mogelijke Social Return, zoals berekend volgens de zogenaamde ‘bouwblokkenmethode’. Levering van materialen en diensten voor aanleg en onderhoud van de openbare ruimte gebeurt conform de internationale sociale voorwaarden. De uitvoerder communiceert tijdig en naar tevredenheid met belanghebbenden. De Milieukostenindex (MKI) over aanleg plus beheer en onderhoud (25 jaar) wordt zo laag mogelijk (dubocalcberekening).
• • • • • • •
Uitgangspunt is het realiseren van gebouwen met een minimale GPR-gebouw score van 8,25 (of vergelijkbare duurzaamheid). Met de GPR-gebouw score wordt middels vijf thema’s (energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde) een waarde gegeven aan de algemene duurzaamheid van een bouwontwikkeling.
98 - Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp - Lombokplein - Herstructurering Westplein, Leidse Rijn en Graadt van Roggenweg, definitieve versie, september 2020
Energie
In het FO moet ruimte worden gereserveerd voor bronnen in de vorm van zoekgebieden en leidingtracés. Bij de verdere uitwerking van het functioneel ontwerp moet rekening gehouden worden met de ruimte die nodig is voor dit WKO-TEO-systeem. De bronposities zijn bepaald door IF Technology op basis van de spelregels zoals in het Bodemenergieplan van het Beurskwartier zijn opgesteld en de informatie die bekend is over de bestaande en beoogde bronnen in de omgeving. We onderzoeken voorafgaand aan het Voorlopig Ontwerp of en hoe het interferentiegebied Beurskwartier kan worden uitgebreid om de samenhang met de ontwikkelingen rondom het plangebied te borgen. De beoogde de bronposities stemmen we af met stakeholders in en om het gebied.
De stip op de horizon is een klimaatneutraal centrumgebied. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en koploper zijn op het gebied van duurzame energie. Onder energieneutraal verstaan we dat er in het gebied evenveel duurzame energie wordt opgewekt als verbruikt in de eindsituatie. Energieverbruik dat samenhangt met de mobiliteit, bouw en materiaalstromen telt hierbij niet mee. Bij klimaatneutraal tellen we wel het energieverbruik van de gebruikers mee, dat is gelijk aan de ambitie vanuit het coalitieakkoord dat nieuwbouw nul-op-de-meter (NOM) is. Voor met name hoogbouw is dit een zeer hoge ambitie, waarvan nader beoordeeld moet worden of deze te combineren is met de te verwachten hoogte van de gebouwen. Energieneutraal bouwen is de norm. Voor nieuwbouwprojecten betekent dit energieneutraal (EPC 0,0) of beter te bouwen. Voor hoogbouw wordt ingezet op BENG .
Bij de invulling van de wijze waarop de energievoorziening van het gebied gerealiseerd kan worden, kan vooruitgelopen worden op de Utrechtse principes die ontwikkeld worden: “op welke wijze kan energie van buiten bijdragen aan een klimaatneutraal gebied”.
Gasloos bouwen is het uitgangspunt voor alle bouwontwikkelingen. Dit betekent dat warmte en koudelevering (WKO), stadsverwarming (verduurzaamd en lage temperatuur) en elektriciteit de benodigde energie zullen moeten gaan leveren in het gebied. Specifieke kansen zijn er in dit gebied vanwege het doortrekken van de Leidse Rijn voor energiewinning uit oppervlaktewater (TEO) in combinatie met WKO (zie ook paragraaf 7.4 kabels en leidingen). Vanwege de optimale benutting van de potentie van de ondergrond en de hoge dichtheid van alle ontwikkelingen in het gebied sturen we op een collectief bodemenergiesysteem. Hierbij zijn alle bronnen op een ringleiding aangesloten die de verschillende gebouwen voedt met warmte en koude.
Op basis van het Utrechtse energieprotocol worden de volgende richtlijnen gesteld:
Warmte koudevraag Op gebouwniveau zo laag mogelijke energievraag realiseren, voor woningen met energiebehoefte BENG1 ≤ 25 kWh/m2. Uitgangspunt is dat het gebied zelfvoorzienend is in de warmte- en koudebehoefte van de bebouwing. Optimalisatie van energievraag, waarbij mogelijk meer energie opgewekt, dan zelf benodigd.
Gebruiksfunctie
BENG 1 (kWh/m².jaar energiebehoefte)
BENG 2 (KWh/m².jaar BENG 3 (% hernieuwbare fossiele energie) opwekking)
Woonfunctie en woongebouwen
25
0
100
Utiliteitsgebouwen
50
0
100
Onderwijsgebouwen
50
0
100
Gezondheidszorggebouwen
65
0
100
- 99
Eventuele energie-overschotten worden (tegen vergoeding) beschikbaar gemaakt voor de omgeving. Afwijken van deze ambitie kan alleen als onderbouwd kan worden dat het plan dan onhaalbaar wordt en andere gemeentelijke ambities onmogelijk worden. Als op basis van een onderbouwing blijkt dat het gebied niet zelfvoorzienend kan zijn dan is regeneratie met warmte- of koudebronnen van buiten het gebied mogelijk, zoals stadsverwarming of TEO.
Elektriciteitsvraag Op gebouwniveau zo laag mogelijke elektriciteitsvraag realiseren. Energieneutraal op gebiedsniveau. Optimalisatie van energievraag, waarbij mogelijk meer energie opgewekt, dan zelf benodigd. Eventuele elektriciteits- overschotten worden beschikbaar gesteld aan de omgeving. Als energieneutraliteit op perceels- of gebiedsniveau niet mogelijk is dan is duurzame opwek buiten het plangebied mogelijk, onder strikte voorwaarden. Voor de concrete vereisten aan onderbouwingen en voorwaarden wordt verwezen naar het Utrechtse Energieprotocol. Ook wordt vooruitgelopen op de transitievisie die elke gemeente voor 2021 opstelt. Bij toepassing van bodemwarmtepompen dient rekening te worden gehouden met het beperken van uitputting van de bodem: volledige regeneratie van de bodemtemperatuur is het uitgangspunt. Dit betekent dat we uitgaan van een open systeem met doubletten van warme- en koude bronnen, in een collectief systeem. De bronnen hebben een debiet van 80m3/u en worden volgens een dambordprincipe geplaatst. Tevens dient rekening te worden gehouden met het feit dat in grote delen van de stad, inclusief de locatie van het plangebied, alleen het 1e watervoerend pakket tot ongeveer 50 meter diepte gebruikt kan worden. Per bouwblok is één aansluiting op een WKO-net of stadsverwarming, aan de zijde van het tracé in de openbare ruimte.
De technische ruimten zijn opgenomen in het bouwblok. Het plangebied valt binnen het gebied waar de gebiedsgerichte aanpak voor grondwater en ondergrond van toepassing is.
Door hier aan bij te dragen is het niet langer nodig om voor alle werkzaamheden een apart saneringsplan te maken.
Circulair De gemeente en Regio Utrecht hebben zich aangesloten bij de Green Deal Cirkelstad, waarin met veertig partners gebouwd wordt aan circulaire en inclusieve steden. Gemeente Utrecht is ook deelnemer van Grondstoffenakkoord en het convenant “Beton in een circulaire economie”. Uitgangspunten voor de bouwblokken: Pas een materialen- en grondstoffenpaspoort toe. Vanuit het betonconvenant wordt een verhoogde percentage eis (15%) van bestaand beton in nieuw beton gehanteerd en dient vrijkomend beton, voor zover niet hergebruikt in het gebied, aangeleverd te worden aan een erkend betonverwerker. Aan de markt wordt dan in een gunningcriterium gevraagd om beton met een lagere MKI aan te bieden dan de referentiewaarde. Bij het ontwerp van de openbare ruimte inclusief bruggen wordt rekening gehouden met de circulaire principes. De benodigde materialen voor aanleg, beheer en onderhoud worden waar mogelijk in gesloten kringlopen geproduceerd, gebruikt en hergebruikt. Nagaan of materiaal afkomstig uit de openbare ruimte ter plaatse kan worden hergebruikt en/of bestaande onderlagen van wegen hergebruikt kunnen worden.
• •
• • •
7.11 Gezondheid & woonkwaliteit Bovenop de eisen van het Bouwbesluit hanteert de gemeente enkele adviezen over de woonkwaliteit: Alle woningen krijgen een geluidsluwe gevel.
• • Slaapkamers bevinden zich aan de stille zijde (luwe gevel). • Er wordt bewust gekozen in constructie(dikte), constructiematerialen en detaillering om het contactgeluid tussen woningen te reduceren. • Zo mogelijk maken woningen optimaal gebruik van direct zonlicht voor het benutten van zonnewarmte in de winter. • Woningen worden voorzien van goede keukens.
100 - Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp - Lombokplein - Herstructurering Westplein, Leidse Rijn en Graadt van Roggenweg, definitieve versie, september 2020