Programmatische Verkenning Rijnenburg
Tekst van het document
Voor alle bovenstaande opgaven geldt dat met betrokken partijen afstemming plaatsvindt over deze ontwikkelingen en de effecten daarvan op Rijnenburg.
Het Groene Hart kent twee definities: in het NOVEX gebied Groene Hart maakt alleen de polder Reijerscop hier onderdeel vanuit en heeft deze polder daarmee een beschermde status. In de provinciale omgevingsvisie zijn de polders Rijnenburg en Reijerscop beiden onderdeel van het landelijk gebied, specifiek het landschapsgebied Groene Hart. Hierop is provinciaal beleid ten aanzien van landelijk gebied van toepassing. 5
27
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Energie
detailhandel
bedrijventerrein
wetenschap
Werkgelegenheid
Infrastructur
Water
Groen om de stad
Stedelijk groen
Buurtgroen
Onderwijs Zorg&Welzijn Cultuur Sport&Spelen
kantoren
Rijnenburg ligt op een relatief grote afstand van de bestaande kernen. In de huidige situatie zijn in het gebied nauwelijks voorzieningen aanwezig. Dat maakt dat voor een nieuwe wijk bijna de gehele barcode (zie onder) aan functies moet worden ontwikkeld om te voldoen aan de 10-minuten stad die Utrecht wil zijn (RSU 2040). Daarbij zijn verbindingen belangrijk en een goede balans met de al aanwezige voorzieningen in het omliggend stedelijk gebied zodat Rijnenburg gaat meedoen met het ‘Daily Urban System’ van de Regio Utrecht6.
informele bedrijfsruimte
3. Thematische uitgangspunten
Figuur 21: De Utrechtse Barcode
In dit hoofdstuk staan de richtinggevende thematische uitgangspunten voor de hele barcode van de ontwikkeling van Rijnenburg en Reijerscop. Deze barcode onderdelen zijn in drie paragrafen gebundeld in de hoofdthema’s Mobiliteit, Programma en Gezonde Leefomgeving. De uitgangspunten per hoofdthema zijn gebaseerd op huidig beleid en inzichten uit de ruimtelijke inventarisatie. Voor programma en mobiliteit zijn daarnaast externe onderzoeken uitgevoerd, waarvan de belangrijkste bevindingen in dit document staan. Een Daily Urban System is het gebied waarbinnen de belangrijkste dagelijkse verplaatsingen (woon- werk, studie, sport, etc.) zich afspelen. 6
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
28
3.1 Mobiliteit
In Motie 105 (maart 2022) worden verschillende mobiliteitsonderzoeken voor Rijnenburg gevraagd. Voor het eerste deel van de motie zijn de Synthesestudie Mobiliteitseffecten Rijnenburg en Quickscan aanlegkosten OV-structuur van en naar Rijnenburg uitgevoerd. Deze rapporten zijn bijgevoegd bij de raadsbrief ‘Invulling coalitieakkoord gebiedsontwikkeling Rijnenburg en mobiliteitsonderzoek ontsluiting Rijnenburg’ (oktober 2022). In het tweede deel van de motie wordt een Verdiepend Mobiliteitsonderzoek naar Rijnenburg gevraagd. Deze studie is uitgevoerd door Studio Bereikbaar in opdracht van de gemeente Utrecht. Rijnenburg ligt tegen de snelwegen A2 en A12 aan. Op deze snelwegen is het momenteel al erg druk en het is de verwachting dat zonder de ontwikkeling van Rijnenburg, autonoom ten gevolge van economische groei, deze snelwegen de komende jaren hun maximale capaciteit al zullen bereiken. Als in Rijnenburg een traditionele woonwijk wordt ontwikkeld met veel autogebruik slibt het wegennet verder dicht en worden de op- en afritten overbelast. Het vergroten van de capaciteit van de A2, de A12 en de ring Utrecht vraagt om grote investeringen en heeft veel impact op de omgeving. Deze investeringen willen we zo veel mogelijk voorkomen, door onder meer in te zetten op nabijheid. Dit is conform onze Mobiliteitsstrategie U Ned die we als Rijk en regio hebben opgesteld7.
Mede daarom is voor de ontwikkeling van Rijnenburg gekozen voor het sturen op duurzame mobiliteit. Door Studio Bereikbaar is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het realiseren van Rijnenburg op de mobiliteitsnetwerken en de mogelijkheden om te sturen op (duurzame) mobiliteit over de volle breedte: ruimtelijke inrichting, mobiliteitsconcept (inclusief aspecten als parkeren, gedrag, beprijzing) en netwerkmaatregelen. De resultaten van het onderzoek met de belangrijkste bevindingen staan hieronder beschreven, voor het volledige rapport zie bijlage 3.
Rijnenburg is gezien vanuit mobiliteit een complexe ontwikkellocatie Rijnenburg is met 25.000 woningen een forse locatie, vergelijkbaar met de omvang in aantallen woningen van Houten of Woerden. Die in omvang vergelijkbare plaatsen zorgen voor de volledige vulling van (per plaats) één-twee drukke snelwegaansluitingen, stations en volledige fietsinfrastructuur. Realisatie van Rijnenburg vanuit de traditionele benadering zoals Leidsche Rijn heeft een forse impact op het mobiliteitssysteem op een hoger schaalniveau dan de wijk. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van Rijnenburg is een duurzame mobiliteit met een laag aandeel autogebruik. De ontwikkellocatie vormt, zonder dit uitgangspunt, een risico voor het hoofdwegennet. Dit is een direct gevolg van de ligging: direct aan de twee snelwegen, grenzend aan gebieden met suburbane dichtheid en op enige afstand van Utrecht Centraal, binnenstad en de andere centra. De nabijheid van snelwegen maakt dat de bereikbaarheid per auto in de basis goed is. Rijnenburg zorgt met 25.000 woningen zonder een sturend mobiliteitsconcept voor een substantiële belasting van A2 en A12, op punten waar de wegcapaciteit al volledig benut wordt. De directe nabijheid van de snelweg zorgt er ook voor dat veel korte ritten op de snelweg terecht komen, waardoor de belasting van de snelweg per woning groter is dan elders.
De huidige OV-bereikbaarheid is slecht en hiervoor zullen dus verbindingen aangelegd moeten worden. De bereikbaarheid met de fiets is door middel van diverse onderdoorgangen A12 en A2 redelijk te noemen. De doorwaardbaarheid van de polder Rijnenburg is echter slecht. Er zijn geen verbindende fietspaden door Rijnenburg en slechts langs de randen zijn fietspaden gesitueerd. De ligging van Rijnenburg leidt ertoe dat de reistijd vanaf de woning naar een station of het stedelijk centrum van Utrecht nooit onder de 20 minuten zal komen, zowel per fiets als OV. Alleen goede OV- en fietsverbindingen zijn dus onvoldoende om voor verplaatsingen buiten Utrecht de concurrentie met de auto te winnen. Daarvoor is ook een sturend mobiliteitsconcept nodig.
In het ‘MIRT Onderzoek A12-zone in samenhang met Rijnenburg’ wordt ondermeer onderzocht hoe de ring Utrecht kan blijven functioneren. Daarbij wordt ook onderzoek gedaan naar verschillende mobiliteitsconcepten en ook capaciteitsuitbreiding van de snelwegen. 7
29
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Effect van het realiseren van Rijnenburg zonder sturend mobiliteitsconcept: 60% aandeel auto en knelpunt auto ontsluiting. Wanneer Rijnenburg gerealiseerd wordt zonder sturend mobiliteitsconcept maar met hoogwaardige fietsverbindingen en een lightrail (vergelijkbaar met stedelijke uitleglocaties zoals Leidsche Rijn, Nesselande en de eerste fasen van IJburg) dan is het aandeel auto bijna 60%, lopen en fietsen bijna 40% en het OV ongeveer 5%. Het aandeel auto zal duidelijk hoger liggen dan in andere delen van de gemeente Utrecht en met name het aandeel OV (ondanks de lightrail) duidelijk lager. Dit komt door een ligging relatief ver van het stedelijk gebied, aanwezigheid van barrières (snelwegen, Amsterdam-Rijnkanaal en ’overgangsgebieden’) en onmiddellijke nabijheid van de A2 en A12 terwijl treinstations juist op grotere afstand liggen. Het externe autonetwerk kan de belasting zonder forse maatregelen niet verwerken. Rijnenburg leidt tot 68.000 externe autoritten (herkomst en vertrekken) waarvan 60% op de snelweg. Behalve door het aantal woningen komt die belasting ook door de ligging direct aan, en buiten, de Ring waardoor extra verkeer snel leidt tot hinder voor andere verkeersstromen én veel korte ritten op de snelweg terecht komen.
Dit aantal past in ieder geval niet op de aansluitingen De Meern (A12) en Nieuwegein (A2) en ook niet op de Letschertweg richting Hooggelegen (A2). Op de hoofdstructuur van Nieuwegein neemt het verkeer met zo’n 20% toe. Op A2/A12 zorgt Rijnenburg voor 5% tot 10% meer verkeer op het totaal van alle verkeersstromen op die wegen. Die ruimte ontbreekt in alle prognoses voor 2030 en 2040. Om die belasting op te vangen met infrastructuur zijn bij aansluitingen, stedelijke wegen én rijbanen/parallelwegen van A12 en A2 substantiële en daarmee dure ingrepen nodig.
Mogelijkheden om te sturen op duurzame mobiliteit Er zijn twee sturende concepten onderzocht: 1. Duurzame en actieve mobiliteit en volgen van het STOMP- principe (Stappen, Trappen, OV, MaaS en Prive-auto). Er kan niet op straat worden geparkeerd, maar in buurthubs, geclusterde parkeervoorzieningen aan de rand van buurten. Straten zijn in eerste instantie voor lopen, fietsen en verblijven maar de wijk kent wel inprikkers en woonstraten zijn autotoegankelijk. 2. Ambitieus en experimenteel. In de intern autovrije wijk verplaatst men zich door te lopen, fietsen, het OV, zelfrijdende shuttles. De (deel)auto is alleen beschikbaar in enkele wijkhubs op verdere afstand van de woning. De sterkste mate van sturing wordt bereikt met het ‘ambitieus en experimenteel’ concept. De modal split wordt bijna 60% lopen en fietsen, 25% OV (inclusief shuttle) en minder dan 20% auto. Het aantal autoritten is hiermee ongeveer twee derde minder dan zonder sturing en wordt vrijwel volledig met elektrische deelauto’s gemaakt. Deze verdeling leidt ook tot een lagere belasting van het autonetwerk. Daardoor kan met alleen aanpassingen aan de aansluitingen volstaan worden. Voorwaarde is dan wel dat er rond 2040 enige ruimte is op A2/A12 ten opzichte van de 2040 basisprognose met hoge economische groei, bijvoorbeeld in de vorm van Betalen naar Gebruik en regionale vraagbeïnvloeding.
Het OV-gebruik ligt juist hoger, waardoor er draagvlak komt voor een tweede lightrail (Papendorplijn én Merwedelijn aftakking8) en meerdere HOV-buslijnen naar Utrecht Science Park, Nieuwegein, IJsselstein, Leidsche Rijn Centrum en Vleuten die ook voordelen bieden voor de bestaande stad en buurgemeenten.
We zetten ons op dit moment in op een sterke Merwedelijn en aansluitend daarop de Rijnenburglijn. De Merwedelijn is namelijk ook randvoorwaardelijk voor ontwikkelingen in Utrecht zuidwest en de A12-zone. In het ‘MIRT Onderzoek A12zone in samenhang met Rijnenburg’ wordt de mogelijkheid voor een tweede lightrailverbinding naar Rijnenburg onderzocht. 8
Figuur 21: Voorbeelden van shuttlevervoer in Rotterdam (links) en Abu Dhabi (rechts). Bron: Verdiepend mobiliteitsonderzoek Rijnenburg - Studio Bereikbaar (2024)
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
30
Dat betekent: Belangrijkste ‘knoppen’ in een sterk sturend concept zijn: • Hoge stedelijke nabijheid; ○
•
Aantrekkelijke, snelle en geprogrammeerde fietsroutes in alle windrichtingen; ○
•
Met bij voorkeur een zo rechtstreeks mogelijke route naar Utrecht centrum (bijvoorbeeld over, onder of vlak langs knooppunt Oudenrijn);
Hoogwaardig en robuust OV; ○
•
Rijnenburg ontwikkelen als onderdeel van het stedelijke weefsel van ‘zuidwest’ (bijvoorbeeld door een A2 overkluizing en verbinding met de A12-zone) en een hoog voorzieningenniveau in Rijnenburg zelf;
Een snelle Papendorplijn en/of afgetakte Merwedelijn met maximale reistijd van 15 minuten naar Utrecht CS;
Auto op afstand en alleen voor extern gebruik; ○
○
Geclusterd parkeren in enkele hubs aan de rand van de wijk. Standaard deelauto’s en geen of weinig eigen autobezit, bijvoorbeeld alleen voor specifieke doelgroepen; Een (zelfrijdend) shuttle concept om interne verplaatsingen te kunnen maken.
Dit is een integraal pakket waarin alle maatregelen nodig zijn om het concept te laten slagen. De strikte sturing op parkeren en autobezit is hierin het belangrijkste sturingsmiddel. De andere ingrediënten zijn noodzakelijk om in samenhang tot een goed functionerend mobiliteitsconcept te komen. Dit vraagt om investeringen in bijvoorbeeld OV-verbindingen (inclusief interne shuttle), verbindingen onder en over snelwegen, en realisatie van de mobiliteitshubs.
Zonder sturend mobiliteitsconcept leidt de ontwikkeling van Rijnenburg tot extra knelpunten op de snelweg. Inzetten op nabijheid, goede fiets- en OV-infrastructuur en parkeren op afstand zorgt ervoor dat deze extra knelpunten beheersbaar blijven. Bovendien wordt daarmee gezond stedelijk leven in Rijnenburg mogelijk gemaakt. Investeringen in alle mobiliteitsnetwerken, inclusief de snelwegaansluitingen, zijn in alle gevallen noodzakelijk. Afhankelijk van de uitwerking van een sturend mobiliteitsconcept kan het aantal extra autoritten tot wel tweederde worden beperkt en kunnen grootschalige netwerkingrepen in de Ring Utrecht worden voorkomen of uitgesteld. Mobiliteitsconcept bepaalt mede ruimtelijk programma Uit het ontwerpend onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen het te realiseren programma en het mobiliteitsconcept. Zowel in benodigd voorzieningenniveau als in het aantal te realiseren woningen. Belangrijk onderdeel van een duurzaam mobiliteitsconcept is een hoge nabijheid. Dat betekent een hoog voorzieningenniveau (referentie Houten of Woerden) en sterke stedelijke verbinding naar Nieuwegein/A12zone en/of De Meern/Leidsche Rijn. Het mobiliteitsconcept bepaalt ook de ruimte voor het woonprogramma. Met parkeren grotendeels op maaiveld in een conventionele stedelijke uitleg zijn ongeveer 40 woningen per hectare haalbaar.
Consequentie is dat de beoogde 25.000 woningen niet passen in de beschikbare ruimte. Ruimtelijk is het reële maximum dan ongeveer 16.000 woningen, waarbij grootschalige oplossingen nodig zijn op het hoofdwegennet. Met een autoluwe wijk met parkeren in hubs op grotere afstand van de woning is voldoende ruimte voor 25.000 woningen in stedelijke dichtheden (vergelijkbaar met Leidsche Rijn Centrum en Merwedekanaalzone) met bovendien volop ruimte voor aanvullend of extra programma.
Met een minder sterk sturend concept worden de effecten van de vervoerswijzekeuze gehalveerd. Met name het verschil tussen buurthubs (op vrij korte afstand) en wijkhubs (aan de rand van de wijk) op het autogebruik is groot. Dit vertaalt zich ook in hogere ontwikkelkosten doordat relatief veel parkeren in kostbare gebouwde parkeervoorzieningen moet komen.
31
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
3.2 Programma
Binnen de context van het mobiliteitsconcept en dichtheden uit de vorige paragraaf wordt Rijnenburg een gemengd stadsdeel, wat betreft functies en voorzieningen én bewoners- en huishoudenssamenstelling. Een diversiteit aan woningtypen, beschikbaar in verschillende segmenten – sociale huur, middenhuur, betaalbare koop en vrije sector woningen – zorgt dat iedereen die zich bij dit ruimtelijk concept thuis voelt hier een plek kan vinden. Maatschappelijke cohesie, gemeenschapszin en zorgzaamheid, diversiteit in woonvormen, burgerinitiatief en menselijke ontwikkeling zijn hierbij belangrijke randvoorwaarden.
een goede mix van wonen, stedelijke werkfuncties (zoals kleinschalige en creatieve bedrijvigheid) en maatschappelijke en commerciële voorzieningen (zoals retail en horeca). Het centrumgebied is gericht op de wijk Rijnenburg en daarmee qua omvang kleiner dan een centrum met stedelijke en/of regionale uitstraling zoals Leidsche Rijn Centrum of Hoog Catharijne. Daarnaast zouden er één of meerdere satellieten moeten komen waar wijkverzorgende functies zoals een buurthuis, gezondheidscentrum, onderwijs en kinderopvang een plek kunnen krijgen. Zowel het centrumgebied als de satellieten worden gerealiseerd rondom de HOV-haltes en worden ingericht als ontmoetings- en gemeenschapsplekken waar mensen samenkomen en sociale contacten onderhouden. De gebouwde omgeving van Rijnenburg wordt circulair (Visie Utrecht Circulair 2050, 2023) en minimaal energieneutraal gerealiseerd.
Vanuit het Marktonderzoek wijkgebonden en stedelijke werkfuncties Rijnenburg (Sweco) is het ruimtelijk economisch advies om te komen tot een levendig centrumgebied met
Figuur 23: Sfeercollage van een mogelijke invulling van het nieuwe stadsdeel Rijnenburg ten noorden van de Nedereindseweg. Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
32
Een duurzame, betaalbare en kwalitatief goede woning voor iedereen In de Woonvisie (2019) van de gemeente Utrecht is opgenomen dat we streven naar goede, betaalbare en duurzame woningen in gemengde wijken. Wijken waarin gemeenschappen kunnen ontstaan voor mensen om prettig en gezond (samen) te leven en waar plek is voor alle (inkomens)groepen, ook voor kwetsbare Utrechters. Daarom werken we aan kwalitatief goede en betaalbare woningen voor alle Utrechters in onze stad en daarmee dus ook in Rijnenburg. Dat betekent: • Goede mix aan woonvormen: appartementen, grondgebonden woningen en verschillende woninggroottes en concepten, passend binnen de beoogde stedelijke dichtheid; •
Levensloopbestendige woningen met woon-zorgcombinaties;
•
Plek voor bijzondere doelgroepen;
•
Een prijsklasseverdeling op basis van het Utrechtse Coalitieakkoord 2022-2026: sociaal 40%, midden 35%, duur 25%.
Gemeente Utrecht en het consortium van grondeigenaren voeren in 2024 een woningmarktonderzoek uit om de behoefte voor het woonmilieu / woonconcept voor Rijnenburg te inventariseren waarbij we grip willen krijgen op de vraag wat er nodig is om goed in Rijnenburg te kunnen wonen. Hierbij worden de uitgangspunten gebruikt zoals het aantal woningen van 22.000 – 25.000 in een compact stedelijk gebied. Dit doen we op basis van behoefte, lokaal en regionaal programma. De uitkomsten komen beschikbaar tijdens de fase van de Uitgangspuntennotitie en geven mede sturing aan woonconcept(en) voor Rijnenburg. De resultaten van het woningmarktonderzoek Rijnenburg worden ook getoetst aan de uitkomsten van het regionale woonbehoefteonderzoek (uitvoering door U10, eind 2024/begin 2025 gereed).
33
Aantrekkelijke wijk met publieksgerichte voorzieningen voor de wijk en regio Met woningen alleen bouw je geen stad. Een leefbare en complete stad vraagt een divers en hoogwaardig voorzieningenniveau en prettige (buiten)ruimten die aansluiten op de behoefte van de (toekomstige) bewoners en gebruikers. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om samen met publieke en private partijen te voorzien in hoogwaardige maatschappelijke voorzieningen. De uitdaging is dit zó te doen, dat deze toegankelijk zijn voor iedereen en uitnodigen tot ontmoeting, beweging en verbinding tussen bewoners (Koersdocument Leefbare stad & maatschappelijke voorzieningen, 2020). Een grootschalige ontwikkeling zoals Rijnenburg vraagt dus om een goed en volledig voorzieningenniveau voor de wijk, waar alle maatschappelijke en commerciële voorzieningen een plek hebben en binnen 10 minuten van de woning bereikbaar zijn. Vooral de wijkgerichte functies, zoals horeca, onderwijs, zorg& welzijn, cultuur, dagelijkse retail, spelen, sport, leisure en maatschappelijke voorzieningen zijn onmisbaar om te komen tot een goede gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde van Rijnenburg. Op korte afstand van huis is het belangrijk dat inwoners worden voorzien in hun zorgbehoefte en onderwijs. Buurtcentra zorgen voor ontmoeting en het welbevinden van de inwoners.
Naast de gebruikelijke maatschappelijke functies leert de ervaring dat in wijken behoefte is aan maatschappelijke functies die vooraf niet bepaald kunnen worden, zoals opvang van dak- en thuislozen of vluchtelingen. Het is belangrijk om zuinig te zijn op maatschappelijke ruimte en deze in te plannen op de groei. En bij de realisatie van voorzieningen rekening te houden met veiligheid, bereikbaarheid en klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Op basis van het Marktonderzoek wijkgebonden en stedelijke werkfuncties Rijnenburg (Sweco) en aanvullende inventarisatie naar ruimteclaims is er behoefte aan 467.000 tot 626.000 m² bvo aan maatschappelijke en commerciële voorzieningen (zie tabel 1). Daarbij bieden deze voorzieningen werkgelegenheid aan 2.600 tot 3.650 fte. Dit is exclusief eventuele ruimte voor beroeps/vervolgonderwijs. In afstemming met buurgemeenten moet worden bekeken of Rijnenburg als locatie kan dienen voor een ROC of andersoortig beroeps/ vervolgonderwijs. Uit het onderzoek blijkt dat in de omgeving voldoende aanbod is in bovenwijkse voorzieningen op het gebied van grootschalige en perifere detailhandel (zoals een Woonboulevard, City Nieuwegein, binnenstad IJsselstein). Sterker, deze voorzieningen kunnen profiteren van de ontwikkeling van Rijnenburg. De behoefte aan een publiekstrekker op het gebied van cultuur (zoals een theater of bioscoop) moet worden afgewogen in relatie tot bestaande voorzieningen in de omgeving. Voor nu is deze wel als strategische reservering meegenomen. Gelet op het beoogde mobiliteitsconcept vraagt de bereikbaarheid van deze voorzieningen, met name voor de bovenwijkse voorzieningen, om nader onderzoek naar condities en inpasbaarheid. Wijkgebonden
Wijkoverstijgend
Functie
omvang bvo in m²
werkgelegenheid in FTE
omvang bvo werkgelegenin m² heid in FTE
Maatschappelijk
91.000 - 191.000
1.450 - 2.100
9.000 - 19.000
150-200
Sport en leisure
242.500 - 276.500
165 - 260
87.500
35 - 50
Retail
21.500 - 27.500
530 - 670
n.v.t.
Horeca
12.000 - 16.000
250 - 330
n.v.t.
Hotels
3.500 - 8.000
20 - 40
n.v.t.
Totaal
370.000 519.000
2.415 - 3.400
96.500 106.500
185 - 250
Stedelijk werken vooral in bedrijfsruimtes en aan huis
wonen naast werken
mengen op blokniveau
wonen en werken aan huis
Figuur 24: Mogelijkheden voor werken in de woonwijk
Voor Utrecht is het uitgangspunt dat de groei van de beroepsbevolking en de werkgelegenheid in de stad gelijk oploopt. Voor elke nieuwe inwoner die tot de beroepsbevolking hoort, moet ook plaats zijn voor werk. Daarbij streven we naar werk in of dicht bij de woonomgeving zodat het woon-werkverkeer beperkt blijft (RSU2040). Sweco voorziet dat het werken vanuit de woning in Rijnenburg naar verwachting een groot aandeel heeft, met 5.400 - 6.200 banen is dat circa 40% van de totale werkgelegenheid in Rijnenburg. Met een hoog aandeel compacte woningen kan dat een uitdaging zijn. Daarom zijn er ook voorzieningen nodig in de wijk zoals flexwerkplekken en opslagruimte voor kleine ondernemers. Op beperkte schaal is er behoefte aan informele bedrijfsruimte in bedrijfsverzamelgebouwen en aan broedplaatsen voor creatieven en startups. Het marktonderzoek laat een stedelijke behoefte zien van netto circa 39 tot 52 hectare aan bedrijventerrein voor kleinschalige en middelgrote bedrijfsruimtegebruikers. De meest kansrijke sectoren zijn stadsverzorgende bedrijvigheid, kleinschalige productie, circulaire bedrijvigheid en stadslogistiek. Ruimtelijk kan Rijnenburg een deel van deze behoefte inpassen. Het aantal hectares is nader te onderzoeken en vraagt om afstemming met ander gebouwd programma en de bereikbaarheid van een dergelijk terrein.
Grote bedrijfsruimtegebruikers die zich richten op logistiek, groothandel of (zwaardere) industrie passen minder goed bij het (mobiliteits)profiel van Rijnenburg.
Tabel 1: Overzicht behoefte maatschappelijke en commerciële voorzieningen in Rijnenburg
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
34
Het verwachte aantal arbeidsplaatsen is ongeveer een kwart van het verwachte aantal bewoners. Voorkomen moet worden dat Rijnenburg zich tot een monofunctionele wijk ontwikkelt, zowel vanuit het oogpunt van leefbaarheid als vanuit OV-exploitatie (waarbij het OV in de ochtend- en avondspits slechts in één richting gevuld is). Welk type bedrijvigheid bij de beoogde mobiliteit(sconcept) past, is onderwerp van onderzoek voor de volgende fase. The Farm, Den Haag
Bedrijfslofts, AmsterdamDiemen
Bedrijfscentrum De Nieuwe Vaart, Amsterdam
Figuur 25: Voorbeelden van meerlaagse bedrijfsruimten
Vanuit efficiënt ruimtegebruik is de insteek om de te realiseren bedrijfsruimte meerlaags te ontwikkelen (zie figuur 25). Sweco adviseert een bedrijventerrein langs de rand van het gebied te realiseren. Gelet op de verkeersbewegingen en milieucontouren zal een aanzienlijk deel van de bedrijfsruimte gelegen moeten zijn in de nabijheid van de snelwegen of uitvalswegen: aan de oostelijke rand langs de A2 of langs de Meerndijk. Een bedrijventerrein in het noordelijk deel langs de A12 is niet in beeld omdat hier een landschapspark wordt gerealiseerd wat zich slecht verhoudt tot intensief gebruik voor werken met bijbehorende verkeersstromen. Omdat Rijnenburg niet in de nabijheid van een OV-(trein)knooppunt is gelegen, voorziet Sweco slechts een beperkte behoefte aan vooral wijkgebonden kantoorruimte.
In onderstaande tabel staat het overzicht van de behoefte aan stedelijke werkfuncties voor Rijnenburg. Functie
Omvang bvo in m2
Werkgelegenheid in FTE
Kantoren
29.000 - 59.000
1.250 - 2.500
Creatieve bedrijvigheid
7.000 - 14.000
100 - 200
Informele werklocaties
7.000
90
Totaal
43.000 - 80.000
1.450 - 2.800
Bedrijventerrein
39 - 52 hectare
3.900 - 4.700
Banen vanuit woningen
5.400 - 6.200
Totaal
10.750 - 13.700
Tabel 2: Overzicht behoefte stedelijk werkfuncties in Rijnenburg.
35
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Adaptieve ontwikkeling De ontwikkeling van Rijnenburg zal lange tijd duren. Daarom is het nodig om flexibiliteit in de plannen te hebben zodat kan worden bijgestuurd op de inhoud en omvang van het gewenste programma.
•
Optimaal mengen van functies vanuit rust, reuring en ruis: enerzijds door in te zetten op perspectiefrijke locaties met een attractieve mix van (publieks) voorzieningen (en eventueel andere lokale functies) en een aantrekkelijke uitstraling (sfeer en beleving); anderzijds conflicten tussen gebruikers (bewoners, bedrijven) voorkomen door slim zoneren, goed ontwerp en juiste compositie.
•
De juiste fasering: eerdere ervaringen leren dat de volgorde van opleveren van grote invloed kan zijn op de ontwikkeling van de wijk. Voorzieningen als bijvoorbeeld een bibliotheek, kinderdagverblijf of supermarkt moeten beschikbaar zijn bij oplevering van de eerste woningen, zodat mensen hier niet voor hoeven te reizen en zich meteen al thuis kunnen voelen. Dit vraagt om een adequate ontwikkel- en faseringsstrategie. Aandachtspunt hierbij is de financiering van deze voorzieningen, zodat deze kunnen functioneren voordat het minimale draagvlak is bereikt;
•
Adaptief programmeren: dit draait om het creëren van verschillende ontwikkelpaden die rekening houden met verschillende onzekerheden, met daarbij handvatten om op het juiste moment gericht bij te sturen. Door het frequent monitoren kan tijdig worden ingespeeld op veranderingen in de markt. Indicatoren zijn bijvoorbeeld leegstand, economische groei en plancapaciteit in de regio, in combinatie met het hanteren van bandbreedtes voor het programma (als basis voor de ‘ontwikkelpaden’).
Dat betekent: •
•
De juiste functie op de juiste plaats: ○
Functies die leefbaarheid en aantrekkelijkheid versterken: bij OV-knooppunten, centrumgebied Rijnenburg, satellieten (buurtcentra) of bijzondere locaties (zoals een park), met aantrekkelijke routes;
○
Meer extensieve en/of functies met hindercategorie aan rand van het gebied.
Een juiste marktspanning is nodig voor optimale werking van de markt: de gemeente dient als marktmeester ervoor te zorgen dat er kwantitatief en kwalitatief de juiste hoeveelheid vastgoed (objecten) en (planologisch harde) ontwikkellocaties beschikbaar komen. Voor zowel de wijkgebonden als stedelijke werkfuncties.
•
Creëer functionele samenhang en uitwisselbaarheid met bestaand en toekomstig omliggend stedelijk gebied: het is van belang dat samen met omliggende gemeenten voor de bovenwijkse voorzieningen en stedelijke werkfuncties de afweging wordt gemaakt welke functie waar het beste past. En hoe over het gehele gebied voorzieningen worden verdeeld zodat alle inwoners (en bedrijven/ werknemers) hier optimaal van profiteren. De gebieden moeten complementair zijn aan elkaar en elkaar niet beconcurreren.
•
Sterke focus op zorgvuldig en intensief ruimtegebruik door: ○
De combinatie wonen met werkfuncties die vanuit het oogpunt van gezondheid en milieu (geluid, geur, stof, gevaar) mengbaar zijn;
○
Het ontwikkelen van meerlaagse bedrijfsruimte op bedrijventerreinen voor functies die stapelbaar zijn. Hierdoor wordt het mogelijk om een groter programma aan niet-woonfuncties te realiseren in Rijnenburg dan op het eerste oog ruimtelijk mogelijk lijkt.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
36
3.3 Gezonde leefomgeving
Voor het onderdeel gezonde leefomgeving is een inventarisatie gemaakt op de thema’s energie, archeologie & cultuurhistorie, bodem, water & klimaatadaptatie, ecologie, sport, recreatie en milieu. Hierbij zijn per thema de kwaliteiten, knelpunten, kansen en onderzoeksvragen voor Rijnenburg geïnventariseerd (zie bijlage 1a). Deze zijn samengebracht in deze paragraaf en uiteindelijk vormgegeven in een groenblauw raamwerk (hoofdstuk 4). Om een goed nieuw stadsdeel te realiseren is een gezonde leefomgeving randvoorwaardelijk. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (RIVM 2023). Ontwikkelingen zoals klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, intensieve landbouw zorgen ervoor dat belangrijke onderdelen van een gezonde leefomgeving onder een toenemende druk komen te staan: gezonde natuur/biodiversiteit, een gezond klimaat, schone lucht, een gezonde bodem, gezonde beweging/mobiliteit, plekken voor rust en ontmoeting, etc. Dit zijn vaak thema’s waarvan de baten lastig zijn om direct in geld uit te drukken, maar die er wel voor zorgen dat de woonwijk van de toekomst een gezonde en fijne leefomgeving wordt voor iedereen.
37
Het ruimtelijk borgen van deze thema’s is minstens zo belangrijk als het gebouwde programma en mobiliteit. Daarom moet hier vanaf het begin voor gezorgd worden. In deze beginfase van de Programmatische Verkenning doen wij dit door het vastleggen van een groenblauw raamwerk als hoofdstructuur van Rijnenburg. Daarnaast zijn er in het nieuwe stedelijk gebied zelf ook nog uitwerkingen nodig van de gezonde leefomgeving, maar die volgen in een later stadium. Dit groenblauwe raamwerk is laagdynamisch, verbindend (geografisch, ruimtelijk, sociaal en tijdslagen) en bouwt voort op wat er al is of ooit is geweest. Daarmee biedt het een solide basis voor de toekomst. Met het groenblauwe raamwerk worden de grotere structuren en grotere plekken met een betekenis voor het hele plangebied of zelfs daarbuiten bedoeld. Uiteraard zijn op een lager schaalniveau (buurten) ook nog allerlei netwerken die bijdragen aan een gezonde leefomgeving, maar deze zijn voor latere uitwerking. Het groenblauw raamwerk is opgebouwd aan de hand van zeven uitgangspunten. Deze uitgangspunten zijn een doorvertaling van de stadsprofielen van de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 (zie ook paragraaf 1.3).
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Bodem en water zijn sturend in de ontwikkeling van Rijnenburg Gebaseerd op stadsprofiel De toekomstbestendige stad uit de RSU 2040
Onder het maaiveld van de polders Rijnenburg en Reijerscop ligt het voormalige stroomgebied van de Hollandse IJssel verstopt. Hier werd al voor onze jaartelling gewoond op de hoge stroomruggen. Dit heeft gezorgd voor een rijke schat aan archeologische voorwerpen die nu nog onder de grond ligt. Bodem en water waren toen al sturend omdat mensen wilden overleven. De afwateringstechnieken hebben het echter overbodig gemaakt om deze natuurlijke systemen te volgen. De polder is hierdoor op een functionele manier ontgonnen voor de landbouw. Dit heeft eeuwenlang prima gewerkt maar is met het oog op de klimaatverandering in de toekomst niet langer vol te houden. Bodem en water moeten weer sturende elementen zijn, zeker als gaat over de ontwikkeling van nieuwe gebieden. Door water en bodem sturend te laten zijn, kunnen we ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem, en voldoende en schoon water9.
Figuur 26: Impressie van het Romeinse cultuurlandschap in het Nederlandse rivierengebied. Bron: Mikko Kriek, BCL Archaeological Support
Dat betekent: • Natuurlijke processen van het water- en bodemsysteem zijn in sterke mate bepalend voor de ontwikkeling. Natuurlijke oplossingen gaan voor technische oplossingen; •
Archeologie en cultuurhistorie van het begin af aan mee laten sturen in de ontwikkeling;
•
De historische gelaagdheid gebruiken en versterken als een identiteitsdrager voor het Rijnenburg van de toekomst;
•
Bouwen in hoge dichtheid op de stroomrug. In de komgronden beperkt en bodemdalings- en klimaatbestendig bouwen op of aan het water;
•
De bestaande hoofdwatergangen waar mogelijk intact houden;
•
Inpassen van de oude Jutphase stroomgeul van de (voormalige) rivier en dit als groenblauwe verbinding te ontwikkelen in de nieuwe wijk;
•
Water is in- en om de wijk zichtbaar en beleefbaar. Koppelkansen benutten met groen, recreatie, wonen, natuurontwikkeling, sport, etc;
•
Een klimaatadaptieve inrichting zodat Rijnenburg ook bij extreem weer leefbaar blijft: veel ruimte voor waterberging en infiltratie in de bodem voor de wijk én de omgeving;
•
Rijnenburg straalt uit dat het aan de Hollandse IJssel ligt;
•
Ontwikkelen unieke natuurwaarden die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis;
•
Daarnaast is de wens om in het noordelijk deel ruimte te reserveren voor extra waterberging ter ontlasting van het Amsterdam-Rijnkanaal in het geval van een ‘maalstop’;
•
Gedetailleerde uitgangspunten op het gebied van water zijn te vinden in bijlage 1b.
9
Zie ook de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’, 25 november 2022, ministerie I&W
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
38
Een groenblauw raamwerk op ieder schaalniveau brengen landschap en natuur tot aan de voordeur Gebaseerd op het stadsprofiel De groene stad uit de RSU 2040
Figuur 27: Doorsnede van een divers landschap op alle schaalniveaus, bron RSU 2040.
Groen Groeit Mee met de ontwikkeling van het aantal woningen in Rijnenburg. Een gezonde leefomgeving heeft voldoende groen nodig op alle niveaus: dichtbij huis voor een aantrekkelijke woonomgeving en verkoeling, in de buurt om een ommetje te maken en te sporten en spelen, in de wijk om elkaar te ontmoeten of tot rust te komen en om de wijk om van de natuur te genieten of een grote wandeling of fietstocht te maken. In Rijnenburg en haar omgeving (o.a. Reijerscop en IJsseloevers/IJsselbos) is daarom een samenhangend groen netwerk nodig volgens de groene strategie zoals beschreven in de RSU 2040 waarbij het groen en landschap letterlijk voor of zelfs boven de voordeur begint (zie figuur 27).
39
Dat betekent: • Regionaal niveau: versterking groen om de stad in het noordelijke deel van Rijnenburg en het Nedereindse Park en buiten de plangrenzen het IJsselbos; •
Stedelijk niveau: een nieuw aaneengesloten natuurgebied (scheg) als ‘Groot groen gebaar’ in het noorden van Rijnenburg over de A2 naar de Galecopperzoom en Papendorp, met verbindingen die doorlopen in Leidsche Rijn, Nieuwegein, IJsselstein en het buitengebied;
•
Wijkniveau: oude stroomgeul als groene slingerend park door de wijk met daaraan gekoppeld nieuwe stadparken;
•
Buurtniveau: de verschillende buurten krijgen plantsoenen (koele plekken) gekoppeld door groene ommetjes met plekken die uitnodigen tot ontmoeting en verblijf;
•
Straatniveau: groene straten met voldoende ruimte voor bomen;
•
Perceel-/gebouwniveau: natuurinclusief bouwen en groene (gezamenlijke) tuinen, -gevels en -daken.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Het groenblauwe raamwerk staat niet op zich maar is altijd verbonden met de omgeving
Compacte verstedelijking om ruimte vrij te spelen voor groen en landschap
Een raamwerk zorgt voor verbinding. Door ruimte te reserveren en deze verbindingen ononderbroken vast te leggen kunnen de diverse systemen en netwerken optimaal functioneren. Dit gaat om nutsvoorzieningen, maar ook om het watersysteem, het ecologische netwerk en natuurlijk ook de recreatieve en dagelijkse routes voor fietsers en wandelaars.
Door compact te bouwen zorgen we voor nabijheid volgens het principe van de 10-minuten stad en sparen wij het groene en onbebouwde landschap. Zo heeft iedere toekomstige bewoner het beste van twee werelden: de reuring van een stedelijke woonomgeving met alle voorzieningen en de rust en de natuur van het omliggende landschap dichtbij.
Gebaseerd op stadsprofiel De verbonden stad uit de RSU 2040
Gebaseerd op stadsprofiel De compacte stad uit de RSU 2040
Dat betekent: • De fiets- en wandelroutes sluiten via bestaande- en nieuwe bruggen/tunnels aan op het bestaande netwerk van de omgeving. De sociale veiligheid is hierbij een extra aandachtspunt voor de vervolguitwerking;
Dat betekent: • Bouwen in hoge dichtheden;
•
Het ecologische netwerk wordt uitgebreid en verbonden met de bestaande (en nieuwe) natuurgebieden;
•
Wegen zijn oversteekbaar voor fauna, de meeste oevers zijn natuurlijk en lopen door onder bruggen en viaducten zodat dieren vrij langs het water kunnen leven;
•
Robuuste landschapsbruggen/ tunnels over/ onder de snelwegen naar Leidsche Rijn en Nieuwegein. Deze verkleinen de gevoelsmatige barrièrewerking en afstanden voor mensen en dieren (aantallen, locaties, afmetingen en vormgeving nader te bepalen);
•
Investeringen in het recreatieve netwerk buiten Rijnenburg (bijv. in Leidsche Rijn, Galecop en Papendorp) om de afstand tussen Rijnenburg en Utrecht te verkleinen en de routes te verbeteren.
•
Veel gestapelde woningen;
•
Contrast tussen rust, ruis en reuring dichtbij elkaar;
•
Meer ruimte voor openbaar en gemeenschappelijk groen, minder voor privaat groen;
•
Grote groengebieden dicht bij de woningen;
•
Een hoge ruimtelijke kwaliteit door inpassing van het ruimtelijk ontwerp: de belevingswaarde (inclusief cultuurhistorische waarden), gebruikswaarde en de toekomstwaarde.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
40
Het groenblauwe raamwerk is van en voor iedereen: mens, plant en dier
Rust en ruimte krijgen hun plek in- en om de wijk in het landschap
Utrecht en daarmee ook Rijnenburg is voor iedereen. Het groenblauwe raamwerk biedt bij uitstek plekken voor ontmoeting en samenkomst. We trekken dit nog wat breder door niet alleen plek te bieden voor de mens, maar ook planten en dieren krijgen op een gelijkwaardige manier hun plek. Voor de natuur zelf maar ook voor de voordelen die ze ons dagelijks leveren zoals schone lucht, voedsel, verkoeling, gezondheid en rust.
Een compacte, drukke stad als Utrecht vraagt ook om plekken voor vertraging. Plekken waar je tot rust kan komen, ruimte ervaart en kan ontspannen. Het groenblauwe raamwerk van Rijnenburg en Reijerscop draagt hieraan bij: voor de wijk zelf en voor de bestaande stad.
Gebaseerd op stadsprofiel De inclusieve stad uit de RSU 2040
Gebaseerd op stadsprofiel De vertraagde stad uit de RSU 2040
Dat betekent: • Publieksfuncties in het raamwerk zijn in principe openbaar toegankelijk;
Dat betekent: • Contrasten tussen plekken met veel reuring en activiteit en plekken waar rust en ruimte worden geboden;
•
Rekening houdend met toegankelijkheid voor mindervaliden;
•
Veel ruimte voor voetgangers en fietsers in en om de wijk;
•
Verwilderingszones waar de natuur haar gang kan gaan;
•
•
Het raamwerk biedt openbare plekken voor ontmoeting, dynamiek en gezelligheid, maar ook ruimte voor rust, verkoeling en vertraging.
Naast snelle ook langzame netwerken (rondjes) voor recreatie, spelen, sport en ontmoeting;
•
Groene openbare plekken voor stilte, verkoeling, ontmoeting en ontspanning;
•
Vanwege de naar verwachting grote druk op de (openbare) ruimte is intensief dubbelgebruik door slim zoneren en organiseren noodzakelijk om alle ‘gebruikers’ voldoende ruimte te bieden.
•
Ongeplande ruimtes voor flexibele invullingen, maatschappelijke initiatieven of verwildering.
41
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Rijnenburg levert ook haar bijdrage aan de stad en regio In Utrecht zijn de afgelopen jaren veel woningen bijgebouwd, met name in de bestaande stad. Ook de komende jaren worden hier nog duizenden woningen aan toegevoegd in bijvoorbeeld Leidsche Rijn, Cartesiusdriehoek, Beurskwartier en Merwedekanaalzone. Utrecht heeft in de RSU 2040 aangegeven om in balans te willen groeien volgens de Barcode (zie paragraaf 1.3). Dus sport, energie, groen, water, voorzieningen, infrastructuur: alles groeit mee met de groei van het aantal woningen. Alleen past een deel van deze opgaven niet meer in de stad zelf: energie, sport, zwem- en roeiwater, recreatie, stedelijk en regionaal groen kunnen niet altijd meer een plek vinden in de stad. Rijnenburg heeft de potentie om naast het toevoegen van extra woningen met de bijbehorende barcode ook een aantal stedelijke functies te huisvesten die elders in de stad niet (meer) passen. Dit betekent niet dat Rijnenburg daarmee het ‘afvoerputje’ wordt van de stad waar alles kan. Het is van belang dat deze stedelijke functies passen bij de ambities van een gezonde, groene, duurzame leefomgeving die we in Rijnenburg willen ontwikkelen. Het noordelijke deel van de polder, mits goed ontsloten, leent zich hier goed voor.
Daarnaast wordt door de provincie voor alle uitleglocaties, waar Rijnenburg er één van is, getoetst op het toepassen van de Handreiking Nieuwe Woongebieden met normering voor groen in de woonomgeving en landschappelijk groen in het kader van het provinciale programma Groen Groeit Mee. Een gewenste stedelijke functie met een groot ruimtebeslag is het roeiwater. Hiervoor is het noordelijk deel van Rijnenburg in beeld, als koppelkans met waterberging. Roeiwater heeft een grote oppervlakte en specifieke vormgeving en eisen nodig. In de volgende fase wordt onderzocht of verstedelijking van Rijnenburg en de daarmee samenhangende wateropgave een kans biedt om het gewenste roeiwater daadwerkelijk ruimtelijk en financieel in te passen.
Dat betekent: • Het noordelijk deel van de polder wordt een nieuwe groenblauwe scheg van Utrecht met plaats voor stedelijke en regionale functies als natuurontwikkeling, energieopwekking, (veld)sport, groene recreatieve ruimte en waterberging gecombineerd met zwemwater en eventueel recreatief roeiwater; •
Het geplande windpark in het noordelijk deel levert energie aan de stad en daarmee ook voor Rijnenburg. Voor verstedelijking in Rijnenburg is extra productie van energie nodig;
•
We onderzoeken de mogelijkheid voor de toevoeging van een bedrijventerrein met kleinschalige en middelgrote bedrijfsruimtegebruikers binnen het plangebied van Rijnenburg;
•
Verdere uitvoering van de ontwikkelvisie Nedereindse Park als regionaal groen om de stad;
•
Een nieuwe plas in het noordelijk deel als waterberging voor Rijnenburg, maar dient daarnaast ook als recreatie- en natuurgebied met mogelijk ruimte voor roeiwater;
•
Daarnaast is de wens om in het noordelijk deel ruimte te reserveren voor extra waterberging ter ontlasting van het Amsterdam-Rijnkanaal in het geval van een ‘maalstop’;
•
Het groenblauwe raamwerk zorgt voor een directere recreatieve verbinding van het zuidwestelijke deel van Utrecht naar het buitengebied;
•
Samen met de regio onderzoeken we welke stedelijke en regionale voorzieningen er verder een plek moeten krijgen.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
42
4. Groenblauw raamwerk als basis Het groenblauwe raamwerk is de vertaling van de uitgangspunten uit paragraaf 3.3 en bestaat uit zeven bouwstenen die elk hun eigen specifieke waarde vertegenwoordigen in de gezonde leefomgeving van het Rijnenburg van de toekomst:
Landschapspark Rijnenburg
Stroomrug park
Hollandse IJsselgebied
Lange lijnen
Nedereindse Park
Historische linten
Reijerscop
Deze bouwstenen vormen samen het groenblauwe raamwerk (figuur 26). Dit raamwerk legt de basis voor de ontwikkeling van Rijnenburg. Het borgt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied (gebruikerswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde). Het draagt zorg voor (veelal zachte) waarden als identiteit, biodiversiteit, natuur, rust, gezondheid, klimaatbestendigheid, esthetiek, et cetera. Deze zijn niet goed in euro’s of exploitaties uit te drukken, maar zijn cruciaal voor het goed functioneren van een gebied en het welbevinden van de bewoners of bezoekers (mens, plant en dier). En daarmee het gezond stedelijk leven voor iedereen. Op de volgende pagina’s staan de bouwstenen op hoofdlijnen beschreven. De exacte ligging, functies, invulling en eisen worden in een later stadium bepaald.
43
Figuur 28: Kaart met de bouwstenen groenblauwe raamwerk
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Landschapspark Rijnenburg Het landschapspark Rijnenburg wordt een bestemming voor mensen uit Rijnenburg, maar ook voor bezoekers uit de omliggende regio. Dit landschapspark krijgt een grote diversiteit aan functies: natuur, recreatie, lokale voedselproductie, energieproductie en energiedistributie, sport en water. De structuur van het huidige slagenlandschap vormt de basis. Daartussen komt een afwisselende mix van functies waarin we de volgende lokale en bovenwijkse opgaven een plek willen geven: •
Nieuwe natuur in de vorm van natuurvriendelijke oevers, zegge- en moerasbosjes (waaronder de bestaande eendenkooi) en natte, bloemrijke graslanden (indicatief 100 hectare);
•
Wens voor een grote plas voor regionale waterberging (opgave 1 miljoen m3, zie ook paragraaf 2.2) gecombineerd met natuur, recreatie, zwemwater met overstroombare kavels aan de randen;
•
Ruimte voor roeiwater, mits ruimtelijk en financieel inpasbaar;
•
Grootschalige energieopwekking door drie of vier windturbines en circa 50 hectare zonnevelden;
•
Uitbreiding van het bestaande hoogspanningsstation (Stedin) en toevoeging van nieuw hoogspanningsstation (TenneT);
•
Sportparken voor de opgave vanuit Rijnenburg (circa 17,5 hectare) en voor de stedelijke opgave (circa 11 hectare hockey, tennis, honkbal, softbal en paardensport);
•
Recreatieve groene routes/ ommetjes met attractiepunten/horeca, evenemententerrein en leisure voorzieningen;
•
Prettige en (sociaal) veilige fietsroutes voor (fiets)bereikbaarheid van Rijnenburg vanuit Leidsche Rijn, De Meern, Woerden, Montfoort, Nieuwegein en Papendorp;
•
Ruimte voor evenemententerrein (circa 3 hectare);
•
Ruimte voor volkstuinen en stadslandbouw voor lokale voedselproductie.
Het is de vraag of alle bovenstaande ruimteclaims in het gebied kunnen landen. In de volgende fase onderzoeken we hoe deze functies als een soort van lappendeken met elkaar gecombineerd en ingepast in het bestaande landschap kunnen worden. Zo wordt dit een multifunctioneel gebied dat als groenblauwe vinger vanuit het Groene Hart tussen Leidsche Rijn, De Meern, Nieuwegein en Rijnenburg in komt te liggen. Geen barrière maar een bestemming waar iedereen kan ontspannen, sporten, spelen, zwemmen, varen, eten en van de natuur genieten. Het landschapspark is zo aantrekkelijk dat het een regionale functie heeft als groen om de stad gebied, dat tevens via Reijerscop de verbinding legt met het Groene Hart.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
44
Figuur 29: Sfeercollage van een mogelijke invulling voor het landschapspark Rijnenburg
45
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Stroomrugpark
Figuur 30: Sfeercollage van een mogelijke invulling voor het Stroomrugpark
In stadsdeel Rijnenburg zelf, gelegen op de stroomrug, wordt de herstelde stroomgeul de belangrijkste groenstructuur. Deze voormalige watergeul wordt teruggebracht als groenblauwe slinger/park door de wijk. Hierbij wordt in eerste instantie gedacht aan een gemiddelde breedte van ongeveer 70 meter (breder of smaller naar gelang de context) met als doel continuïteit en robuustheid te waarborgen. De slinger zelf is een lijnvormig park dat afwisselende breedtes kent, mede afhankelijk van de plekken met de hoogste
archeologische verwachting en kruisingen met de ‘lange lijnen’. Deze slinger biedt de mogelijkheid om waterberging te realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een brede watergang of wadi met natuurvriendelijke oevers. Hierbij moet rekening gehouden worden met de archeologische vindplaatsen en welke keuzes (behouden, opgraven) hiervoor worden gemaakt. Daarnaast liggen groenstroken en een recreatief lint met plekken en routes voor ommetjes, sporten, spelen, hardlooprondjes, fietstochtjes en verblijf.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
46
Lange lijnen
De lange lijnen verbinden Rijnenburg op een directe manier met de omgeving. Het zijn logische verbindingen die het rechtlijnige verkavelingspatroon volgen langs bestaande weteringen of sloten. Hierbij wordt in eerste instantie gedacht aan een gemiddelde breedte van ongeveer 40 meter (breder of smaller naar gelang de context) met als doel continuïteit en robuustheid te waarborgen. De watergangen worden voorzien van natuurvriendelijke oevers en inheemse beplanting (soorten, typen en plantvormen afhankelijk van de context). In deze groenblauwe setting liggen langzame verkeersroutes die Rijnenburg direct verbinden met in het noorden Leidsche Rijn, Vleuten en De Meern, in het oosten Nieuwegein, in het zuiden IJsselstein en in het westen het Hollandse IJsselgebied en het Groene Hart richting Montfoort en Woerden. De routes haken op een logische manier aan op het bestaande langzaam verkeersnetwerk van de omgeving. Ook voor dieren vormen de lange lijnen een belangrijke verbinding om zich langs te verplaatsen. Een belangrijk onderdeel van deze lange lijnen zijn de (landschaps-) bruggen of tunnels. Dit zijn brede verbindingen over of onder de snelwegen door zodat deze op een prettige en logische manier worden gepasseerd.
Vaak vragen deze lange lijnen ook om ingrepen in het netwerk buiten het plangebied om de verbindingen optimaal te laten functioneren, bijvoorbeeld het verbreden van een fietspad of het maken van een brug of ondergang.
Hollandse IJssel gebied Het Hollandse IJsselgebied ligt in de gemeente IJsselstein en grenst aan het zuidwestelijk deel van Rijnenburg, het ligt formeel buiten het plangebied. Tegelijk vormt het wel een belangrijke landschappelijke structuur. De komende tijd gaan met name de Provincie Utrecht, IJsselstein, Staatsbosbeheer en HDSR werken aan de verbetering van de waterveiligheid in combinatie met natuurontwikkeling, dit staat los van de ontwikkeling van Rijnenburg als woonlocatie. De ambitie voor het gebied is om ook extra waterrijk natuurbos en stroomdalnatuur te ontwikkelen met extra wandel- en fietspaden en zwemgelegenheid. Het bestaande IJsselbos is een deels uitgevoerd Recreatie om de Stadgebied (RodS) dat tot doel had extra groengebied aan te leggen voor de woningbouw in IJsselstein en Nieuwegein. Het nieuwe plan betreft zowel de noord- als de zuidzijde van de Hollandse IJssel. Dit plan is ook een pilot voor Groen Groeit Mee en beoogt het oude plan af te maken en om ook op de zuidoever natuur en recreatievoorzieningen uit te breiden in samenhang met de waterberging. Een onderzoeksvraag voor de volgende fase is wat de ontwikkeling van Rijnenburg vraagt aan extra verbindingen naar het Hollandse IJsselgebied en de vormgeving daarvan.
De uitstraling en identiteit van het Hollandse IJsselgebied kan een goede basis vormen voor de ontwikkeling van het deel van Rijnenburg dat ten zuiden van de Nedereindseweg ligt.
Historische linten De Ringkade, Reijerscop en met name de Nedereindseweg zijn als historische bebouwingslinten belangrijke dragers van het gebied. Deze zijn voorzien van prachtige monumenten, lommerrijke erven, structurerende watergangen en begeleidende bomenlanen/bomenrijen. Deze lintstructuur met bijbehorende bebouwing, watergangen en beplanting worden in het toekomstige Rijnenburg behouden en versterkt. We behouden en ontwikkelen de kleinschaligheid en diversiteit van de linten. Het zwaartepunt van de verkeersfunctie verandert van auto naar fiets en voetganger, naar voorbeeld van inpassing van de oude linten in Leidsche Rijn.
47
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Figuur 31: plangebied Hollandse IJssel met opgaven uit de omgeving (bron samenwerkingsovereenkomst Gebiedsgerichte samenwerking Voorbeeldgebied Hollandse IJssel - Groen Groeit mee (2024-2025)
Nedereindse Park De Nedereindse Plas wordt de komende jaren doorontwikkeld tot het Nedereindse Park dat functioneert als bovenlokaal recreatiegebied. Hiervoor worden de bestaande recreatieve functies versterkt en nieuwe elementen toegevoegd, zoals een natuurspeeltuin. Regionale sportfuncties als de skipiste en het bikepark met de wieler- en skeelerbaan worden behouden en aangevuld tot een parkgebied waarin ook sporten, spelen en bewegen voor een breed publiek beter wordt gefaciliteerd. Daarnaast wordt het gebied beter bereikbaar en toegankelijk en komt er meer natuur/biodiversiteit (inclusief waterecologie). Omdat bij ontwikkeling van Rijnenburg de gebruiksdruk toe zal nemen in het gebied, vraagt dit ten opzichte van de huidige plannen om extra investeringen in het Nedereindse Park. Bijvoorbeeld in de vorm van extra recreatieve voorzieningen. De oostelijke plas krijgt zonne-eilanden voor de opwekking van duurzame energie. De plassen zelf zijn in de huidige vorm niet geschikt voor zwemmen en andere vormen van waterrecreatie (vanwege onzekere waterkwaliteit, uitstekende obstakels en steile oevers). Andere beperkingen komen voort uit de functie die het gebied had als voormalige stortlocatie en de sanering die daaruit volgde. Ten westen van de plas komt een robuuste groene verbinding met het Hollandse IJsselgebied (zie blauwe pijl in figuur 28).
In relatie tot de ontsluiting van Rijnenburg vanaf de A2 ligt hier mogelijk een opgave om deze in dit gebied in te passen.
Figuur 32: Sfeercollage versterking recreatieve netwerk Nedereindse Park Bron: Toekomstverkenning Nedereindse ParkOAK consultants en IMOSS (2024)
Reijerscop
Het Utrechtse deel van de polder Reijerscop maakt ook deel uit van het groenblauwe raamwerk. De belangrijkste toekomstige verandering hier is de komst van één en mogelijk twee windturbines, waarbij ook de gemeente Woerden de mogelijkheden verkent om in het Woerdense deel van Reijerscop windturbines te plaatsen. Als onderdeel van het Groene Hart is het belangrijk dat de openheid en de agrarische functie van het veenweidegebied behouden blijft. Voor dit polderlandschap unieke natuurwaarden worden in dit gebied behouden en ontwikkeld. Ook wordt het gebied beter ontsloten vanuit Rijnenburg door nieuwe fietsen wandelroutes (in het kader van Groen Groeit Mee) en wordt gezocht naar meer natuurinclusieve vormen van landbouw.
Figuur 33: Sfeerbeeld mogelijke toekomst Reijerscop waarin natuurwaarden verder worden ontwikkeld in combinatie met behoud van openheid en agrarische functie. Bron: Provincie Groningen
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
48
5. Rijnenburg: landschapsstad Rijnenburg heeft de potentie om voor stad en regio een mooi nieuw stadsdeel te worden. Rijnenburg kan flink bijdragen aan het terugdringen van het steeds maar toenemende woningtekort in de regio Utrecht. De ruimtelijke inventarisatie, de thematische uitgangspunten en het groenblauw raamwerk schetsen al de eerste contouren van dit toekomstige stadsdeel. Tegelijkertijd geven ze ook een beeld van de verschillende uitdagingen om dit mogelijk te maken. In dit hoofdstuk schetsen we welke identiteit Rijnenburg kan krijgen (paragraaf 5.1) en sluiten we af met een doorkijk naar het vervolg (paragraaf 5.2).
5.1 Schets van Rijnenburg Met de ontwikkeling van circa 22.000 - 25.000 woningen met bijbehorende voorzieningen en werkgelegenheid is Rijnenburg qua omvang vergelijkbaar met kernen als Woerden en Houten. Door de ligging ‘achter de snelwegen’ (vanuit Utrecht en Nieuwegein gezien) en beperkte auto-aansluitingen op deze snelwegen rijst de vraag waarom mensen hier willen (en kunnen) wonen en werken. Wat is hiervoor nodig en wat maakt Rijnenburg onderscheidend? Het antwoord hierop is te vinden in de ligging van Rijnenburg op de overgang tussen de stad (met haar rijke aanbod aan voorzieningen en historische rijkdom) en het landschap met al zijn kwaliteiten, zoals de Hollandse IJssel met de uiterwaarden, dijken en vruchtbare oeverwallen en de (deels verborgen) rijke historie die teruggaat tot de Romeinse tijd. Randvoorwaardelijk is in ieder geval een zeer snelle hoogwaardige OV-verbinding met Utrecht Centraal. Aanvullend hierop zijn nieuwe OV- en langzaam verkeer verbindingen met omliggende kernen en landschap, zoals (centrum) Leidsche Rijn, (centrum) Nieuwegein, IJsselstein en Hollandse IJssel nodig, voor wederzijds gebruik van voorzieningen, werkgelegenheid en recreatiemogelijkheden.
49
Aanvullend heeft Rijnenburg een eigen voorzieningenpakket nodig (sport, maatschappelijke functies, werkfuncties etc.) in de directe nabijheid van de woonwerkomgeving, dat voorziet in de dagelijkse behoeften zonder dat de auto hiervoor nodig is. Parkeervoorzieningen voor (deel)auto’s worden in parkeerhubs op afstand aangeboden. Een autovrije of autoluwe leefomgeving schept ruimte om stad en landschap gelijkwaardig en in onderlinge samenhang te ontwikkelen. De basis voor deze leefomgeving vormt een robuust groenblauw raamwerk. Eeuwenoude stroomruggen en geulen die dwars door de polder lopen en het huidige verkavelingspatroon met sloten, weteringen en landschapselementen (bomen, eendenkooi, etc.) bieden een prachtige kans voor een groenblauwe structuur in en om het nieuwe stadsdeel, zeker in combinatie met het conserveren en beleefbaar maken van archeologische schatten. Door de combinatie van een sterk groen, landschappelijk raamwerk en een bodem- en watersturende ontwikkeling (waaronder bouwen op de hoger gelegen stroomrug) is de ruimte waar gebouwd kan worden relatief beperkt in verhouding tot het gewenste (woning)bouwprogramma. Dit betekent dat compact en in hogere dichtheden gebouwd gaat worden, met naar verhouding veel gestapeld programma (appartementen).
Het bouwen in deze dichtheden vraagt specifieke aandacht voor de menselijke maat en schaal, natuurinclusiviteit en hoogwaardige architectuur. Ook is het de opgave om maximale interactie met het landschap te realiseren, door de buitenruimte autoluw en groen in te richten, met veel ruimte voor sporten, spelen, ontmoeting en recreatie. Het meest stedelijke deel van Rijnenburg (hoge dichtheden aangevuld met werkfuncties en voorzieningen) concentreert zich voornamelijk nabij de nieuwe OV-haltes. Op grotere afstand van de OV haltes zal de bebouwingsdichtheid lager zijn. Zo ontstaat een diversiteit aan woonmilieus met variërende dichtheden.
Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
Figuur 36: Sfeercollage van het groenblauwe raamwerk
Figuur 34: Het groenblauwe raamwerk
Figuur 37: Sfeerbeelden van het Mobiliteitsconcept
Figuur 35: Verkenning woonmilieus
Figuur 38: Sfeerbeelden van de diversiteit woonmilieus Programmatische Verkenning Rijnenburg - Op weg naar een Uitgangspuntennotitie
50
Het lagergelegen veengebied in het noorden van Rijnenburg biedt ruimte voor allerlei barcode functies die gezond stedelijk leven mogelijk maken: natuurontwikkeling, waterberging, energieopwekking, sport, voedselproductie en recreatie. Rijnenburg onderscheidt zich door de nabijheid van stad en landschap, ruimtelijk en sociaal goed verbonden met stad en regio maar waar ook alle voorzieningen te vinden zijn. Samen met een sterke integratie van stedelijkheid met landschappelijke waarden kan Rijnenburg zich ontwikkelen tot landschapsstad van de toekomst. Een landschapsstad waar men bewust leeft, waar men rekening houdt met elkaar, met mens én natuur. Een soortgelijke ontwikkeling van deze omvang kennen we nog niet
in Nederland. Daarom zal veel onderzoek naar deze nieuwe leefomgeving moeten worden gedaan, op basis van innovatieve oplossingen. Hierbij gaat het niet alleen over innovatieve mobiliteit zoals het shuttle concept uit de mobiliteitsstudie maar ook ten aanzien van woonvormen, energieopwekking en -gebruik en klimaatadaptatie. De ontwikkeling van Rijnenburg zal jaren duren. Een tijd waarin maatschappelijke, technologische en klimatologische ontwikkelingen zullen plaatsvinden. De planontwikkeling van Rijnenburg is daarom niet statisch, maar zal gaan anticiperen op deze nieuwe inzichten. Daarmee kan Rijnenburg ook in de toekomst een vernieuwende en onderscheidende leefomgeving bieden die iets toevoegt aan de Metropool Regio Utrecht.