CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoeksrapport Ongelijke kansen op de stagemarkt.pdf

Commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie (2022-2026) 4 november 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsbrief Plan van aanpak tegen stagediscriminatie mbo-studenten25.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

die hun vrijwilligerswerk verrichten in een islamitische organisatie. Er wordt daarmee geen verschil gemaakt tussen studenten zonder migratieachtergrond en studenten die als moslim gezien kunnen worden. In sommige onderzoeken blijkt dat vooral moslimvrouwen last hebben van discriminatie. In ons onderzoek vonden we wel een verschil naar gender (vrouwelijke studenten hebben meer kans op een positieve reactie dan mannelijke studenten), maar dit verschilt niet naar hun religieuze achtergrond. Met andere woorden: het maakt niet uit of een vrouwelijke student aangeeft moslim te zijn, hun kansen op een positieve reactie zijn hetzelfde en deze kansen zijn hoger dan de kansen voor mannelijke mbo-studenten, of zij nu moslim zijn of niet. Figuur 6. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage naar religieuze achtergrond14, voor mannelijke studenten en vrouwelijke studenten

45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

39 27

39

23

Mannen Zonder migratie-achtergrond

Met migratie-achtergrond en moslim

In totaal ontvingen de studenten zonder migratieachtergrond (met extra vrijwilligerswerk op hun cv) in 33% van de sollicitaties een positieve reactie. Dit percentage ligt ook op 33% voor de studenten met een migratieachtergrond

13 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en de omvang van het bedrijf.

14 Logistische multi-level analyses gecontroleerd voor cv-format, sector, mbo-opleiding, afstand tot stageplek en beschikbaarheid stages en omvang van het bedrijf.

24

In de sector ICT hebben studenten die moslim zijn minder kans op een positieve reactie dan studenten zonder migratieachtergrond. In de sector zorg en welzijn ligt de kans voor studenten die aangeven moslim te zijn juist hoger dan voor studenten zonder migratieachtergrond. De kansen voor moslims en niet-moslims verschillen niet significant van elkaar in bouw en techniek en in de zakelijke dienstverlening.

4.5.

Met behulp van praktijktesten zijn we nagegaan of er sprake is van objectief vastgestelde discriminatie op de Utrechtse stagemarkt voor mbo-studenten. Dat blijkt zo te zijn. Samenvattend kunnen we stellen dat: 1.

Dat we eerder constateerden dat er over het algemeen geen verschil is tussen moslim- en niet-moslimstudenten maskeert dus de verschillen die er bestaan tussen sectoren. Binnen de sector ICT vinden we moslimdiscriminatie, binnen zorg en welzijn positieve discriminatie van moslims. Figuur 7. Voorspelde kansen op een positieve reactie op de sollicitatie naar een stage voor studenten met en zonder islamitische achtergrond15, naar sector 60 43

40 30 20

36

23

28

36 29

33

14

10 0

2.

53

50

Conclusie: discriminatie op de stagemarkt

3.

Er sprake is van discriminatie op grond van gender: vrouwelijke studenten hebben een grotere kans op een positieve reactie van een stagebedrijf dan mannelijke studenten die dezelfde productieve kenmerken hebben. Met name in de bouw en techniek is de positieve discriminatie van vrouwelijke studenten groot. Bij wet is deze vorm van positieve discriminatie toegestaan wanneer in een bepaalde functie binnen een bedrijf aanzienlijk minder vrouwen dan mannen werken. Er sprake is van discriminatie op grond van migratieachtergrond: studenten met een naam die verwijst naar een migratieachtergrond hebben minder kans op een positieve reactie dan studenten met dezelfde productieve kenmerken die geen migratieachtergrond hebben. In de sector zorg en welzijn is echter geen sprake van deze discriminatie. Er sprake is van discriminatie van moslimstudenten in de sector ICT, en er positieve discriminatie is van moslimstudenten in de sector zorg en welzijn.

Zorg en Bouw en Zakelijke techniek welzijn dienstverlening Zonder migratie-achtergrond Met migratie-achtergrond en moslim

ICT

15 Logistische multi-level analyse met controle voor cv-format, gender, mbo-opleiding, afstand tot stageplek, beschikbaarheid stage en omvang van het bedrijf.

25

Deel B Ervaren discriminatie van mbo-studenten

5

Opzet van de vragenlijst en interviews

In dit hoofdstuk staat de manier waarop we ervaren discriminatie in kaart brengen centraal. We starten met een opzet van de vragenlijst (5.1), gevolgd door de verdiepende interviews met mbo-studenten (5.2).

5.1.

De vragenlijst

Het doel van de vragenlijst is om de ervaren discriminatie van mbo-studenten in Utrecht in kaart te brengen. In de vragenlijst is onderscheid gemaakt in het zoeken naar een stage en de stageperiode zelf. Studenten werd gevraagd naar hun ervaringen met hun laatste stage, zowel de zoektocht als de stage zelf. Op die manier wilden we een algemeen beeld schetsen van de ervaringen van mbo-studenten. Op basis van de SCP-vragenlijst over ervaren discriminatie (Andriessen et al., 2020) en eerdere onderzoeken naar stagediscriminatie, hebben we een korte vragenlijst opgesteld. Middels een pilot onder mbo-studenten hebben we de lijst aangepast en definitief gemaakt. De vragenlijst is digitaal afgenomen met behulp van Survalyzer. Studenten waren ongeveer 10 minuten bezig met invullen.

Werving De leden van de begeleidingscommissie die werkzaam zijn bij een mbo-instelling hebben de vragenlijst intern binnen hun mbo-instelling verspreid, bijvoorbeeld via opleidingsdirecteuren. Studenten hebben de vragenlijst bijvoorbeeld in een digitale les ingevuld. Om studenten te motiveren om deel te nemen aan de vragenlijst, hebben we vijf cadeaubonnen verloot van 50 euro. Respondenten: wie hebben de vragenlijst ingevuld? In totaal hebben 637 mbo-studenten de vragenlijst ingevuld. 605 studenten hebben hem volledig ingevuld, 32 studenten hebben hem gedeeltelijk ingevuld. We hebben de gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten gebruikt als studenten in ieder geval een vraag over ervaren discriminatie hadden beantwoord. In de vragenlijst is gebruikgemaakt van routing (als vragen niet van toepassing waren, kregen studenten deze ook niet). Daardoor verschilt de totale respons per vraag. Opleiding van de respondenten Van de 637 studenten geven 338 (53%) aan dat ze aan ROC Midden Nederland studeren, 105 (17%) op Nimeto, 104 (16%) op MBO Utrecht en 90 (14%) op het Grafisch Lyceum. De meeste studenten zitten in het derde jaar van hun opleiding (231; 36%), gevolgd door tweedejaarsstudenten (192; 30%), vierdejaarsstudenten (134; 21%) en eerstejaarsstudenten (80; 13%).

27

De grote meerderheid volgt een mbo-opleiding op niveau 4 (537; 84%). Een veel kleinere groep studenten volgt een opleiding op niveau 3 (49; 8%) en niveau 2 (48; 8%). Slechts drie (1%) studenten volgen een opleiding op niveau 1. Meer dan 90% van de studenten volgt een bol-opleiding (577; 91%). Minder dan 10% (55 studenten; 9%) geeft aan een bbl-opleiding te volgen. Enkele studenten hebben deze vraag niet ingevuld of een ander antwoord gegeven.

De meerderheid van de respondenten geeft aan niet religieus te zijn (58%). De studenten die aangeven wel religieus te zijn, geven voornamelijk aan dat ze christelijk zijn (24%) of islamitisch (16%). Enkelen geven aan joods of hindoeïstisch te zijn of een ander geloof te hebben (zie tabel 5.1). 16 studenten (3%) willen geen antwoord geven op de vraag. Tabel 5.1. Tot wel geloof reken je jezelf? (N = 608)

Ongeveer de helft van de studenten (327; 51%) volgt een opleiding in de richting van Welzijn, zorg en sport.16 Daarnaast volgt ongeveer een kwart van de studenten (152; 24%) een opleiding in de richting Media, vormgeving en communicatie. Ook studenten van de richting Bouw & interieur (54; 9%) en Economie & ondernemen (45; 7%) zijn redelijk vertegenwoordigd. Andere studenten volgen opleidingen in de richting van ICT, Techniek en Beauty.

Geloof

Aantallen (percentages)a

Ik ben niet religieus.

350 (57,6%)

Christelijk. Islamitisch. Joods. Hindoeïstisch. Ander geloof.

143 (23,5%) 97 (16,0%) 1 (0,2%) 4 (0,7%) 14 (2,3%)

a Door afronding van de percentages komt het totaal percentage hoger uit dan 100%.

Achtergrond van de respondenten De gemiddelde leeftijd van de mbo-studenten is 19,7 jaar (met een standaardafwijking van 4 jaar). De jongste student die de vragenlijst heeft ingevuld is 16, de oudste is 62 en geeft aan een zij-instromer te zijn. Driekwart van de studenten die de enquête hebben ingevuld is vrouw (471;78%) en 22% man (N = 134). Drie studenten (1%) geven aan dat ze zich geen vrouw of man voelen. 546 (90%) van de studenten is in Nederland geboren. In onze steekproef hebben 182 studenten (29%) een migratieachtergrond en 423 (66%) geen migratieachtergrond. Van 32 studenten (5%) hebben we hier geen informatie over. Binnen de groep studenten met een migratieachtergrond, kunnen er 121 (67%) gerekend worden tot de groep tweede generatie met een migratieachtergrond en 61 (34%) tot de eerste generatie migranten.17

16 Deze indeling in studierichtingen is gemaakt op basis van de college-/academienamen van de Utrechtse mbo’s.

Meer dan driekwart van de studenten geeft aan geen chronische aandoening te hebben (80%) (zie tabel 5.2). 14% geeft aan wel een chronische aandoening te hebben, met ongeveer een gelijke verdeling tussen lichamelijke aandoeningen (6%) en psychische aandoeningen (6%). Tabel 5.2. Heb je een langdurige aandoening? (N = 608) Langdurige aandoening Ja, vooral lichamelijk. Ja, vooral psychisch. Ja, zowel lichamelijk als psychisch. Wil ik geen antwoord op geven. Nee.

Aantallen (percentages) 34 (5,6%) 36 (5,9%) 16 (2,6%) 35 (5,8%) 487 (80,1%)

Op basis van een vraag naar de sekse waartoe studenten zich aangetrokken voelen en hun eigen geslacht, blijkt dat 57 (9,4%) studenten lesbisch, homoseksueel of biseksueel zijn en 78,6% heteroseksueel is. 1% van de studenten voelt zich tot niemand aangetrokken en 11% wil geen antwoord geven op de vraag.

17 We volgen hierbij de definitie van het CBS. Voor meer informatie zie: Migratieachtergrond (cbs.nl).

28

Vergelijking met totale populatie mbo-studenten Om te bepalen in hoeverre we een representatieve steekproef hebben, zullen we een beknopte vergelijking maken met de totale populatie mbo-studenten. In totaal volgen circa 27.500 studenten een opleiding op een Utrechtse mbo-instelling. De grootte van de instellingen is in aflopende volgorde ROC Midden Nederland (ca. 18.000 studenten), MBO Utrecht (ca. 5000 studenten), Grafisch Lyceum (ca. 2200 studenten) en Nimeto (ca. 1500 studenten). Hieruit volgt dat MBO Utrecht is ondervertegenwoordigd in de vragenlijststeekproef vergeleken met de Utrechtse mbo-populatie. Het aandeel mannen in het mbo ligt circa 5 procent hoger dan het aandeel vrouwen die een mbo-opleiding volgen. Dit is niet in lijn met onze steekproef, waarin een relatief hoog percentage vrouwen zit. Dit zou kunnen komen door het grote aandeel studenten die een mbo-niveau 4-opleiding volgen, omdat dit een opleiding is die vaker door vrouwen wordt gevolgd. Het percentage studenten dat een bbl-opleiding volgt in onze steekproef, ligt lager dan het landelijk gemiddelde (26%).18 Circa 55 procent van de studenten in het Utrechtse mbo heeft geen migratieachtergrond. Dit betekent dat er gemiddeld minder studenten met een migratieachtergrond in onze steekproef zijn dan in de totale populatie studenten.

5.2.

Semigestructureerde diepte-interviews

Opzet en werving Het doel van de semigestructureerde diepte-interviews was het verkrijgen van verdiepende informatie over de ervaringen van stagediscriminatie, de impact van de discriminatie en de ondersteuningsbehoeften van de mbo-studenten. We wilden studenten interviewen die discriminatie hadden ervaren op diverse

18 Voor meer informatie zie: Feiten en cijfers | SBB (s-bb.nl)

gronden, zoals huidskleur, culturele achtergrond, religie, chronische aandoening of opleidingsniveau. We hebben studenten geworven voor de interviews op basis van de respons op de vragenlijst. Aan het eind van de vragenlijst konden de studenten invullen of zij met ons in gesprek wilden gaan. Alleen de studenten die hier ‘ja’ hebben ingevuld zijn meegenomen in de selectie. Daarnaast hebben we zowel studenten geïncludeerd die discriminatie hadden ervaren als studenten die daarover twijfelden. We hebben bewust geen studenten geselecteerd die geen discriminatie hadden ervaren, omdat het doel van de interviews was met studenten de ervaren discriminatie en de gevolgen te bespreken. Uiteindelijk zijn studenten geselecteerd die aangegeven hadden discriminatie te hebben ervaren op basis van: gender, chronische beperking, opleidingsniveau en etniciteit. Als tegemoetkoming voor hun deelname aan de interviews ontvingen de geïnterviewden een cadeaubon van 10 euro. Participanten In totaal zijn vijftien interviews19 digitaal via Microsoft-Teams afgenomen. Bij één participant is het interview schriftelijk afgenomen. Dertien geïnterviewde studenten waren vrouw. De gemiddelde leeftijd van de participanten lag hoger dan het gemiddelde van de mbo-populatie, namelijk op 23 jaar. De jongste participant was 16 jaar en de oudste 35 jaar.

Het overgrote deel van de participanten volgde een mbo-niveau 4-opleiding (twaalf studenten). Deze opleiding werd het meest gevolgd op het ROC Midden Nederland of (het) Nimeto. De meest voorkomende sector is de sector Media, vormgeving en communicatie (zeven studenten) gevolgd door de sector Welzijn, zorg & sport (vier studenten).

19 In totaal zijn 16 digitale interviews afgenomen. Tijdens één van de interviews werd de respondent geëmotioneerd en vertelde een ongestructureerd verhaal. We hebben daarom besloten om dit interview niet mee te nemen in de analyses.

29

6

Ervaren discriminatie van mbo-studenten

In dit hoofdstuk beschrijven we de ervaringen met discriminatie vanuit het perspectief van mbo-studenten. We doen dit op basis van de vragenlijst die is uitgezet in vier verschillende Utrechtse mbo-instellingen. In totaal hebben 637 studenten deze vragenlijst ingevuld (zie hoofdstuk 5). Per thema geven we met behulp van de data uit de 16 afgenomen interviews verdieping aan de resultaten (zie paragraaf 5.2). Achtergrond We richten ons in dit hoofdstuk op discriminatie die studenten ervaren hebben bij het zoeken naar een stage (paragraaf 6.1) en tijdens de stage (paragraaf 6.2). Hierbij gaan we, anders dan bij de praktijktesten, uit van wat studenten zelf onder discriminatie verstaan. In de vragenlijst is een korte omschrijving gegeven van wat er doorgaans onder het concept wordt verstaan, maar het perspectief van de mbo-student staat in dit hoofdstuk nadrukkelijk centraal. De discriminatie die studenten ervaren hoeft dus niet (juridisch) bewijsbaar of zelfs strafbaar te zijn. Het gaat om de mate waarin studenten deze ervaringen hebben, hoe deze ervaringen eruit zien en wat de ervaringen voor gevolgen hebben. We verwijzen hierbij nogmaals naar het Thomas-theorema dat we ook in de inleiding van dit rapport aanhaalden: if men define situations as real, they are real in their consequences.

In de vragenlijst zijn concrete situaties aan studenten voorgelegd met de vraag of zij deze situatie hebben meegemaakt en zo ja, of zij dachten dat discriminatie daarbij een rol speelde (zie bijlage 3 voor de vragenlijst). Er is bijvoorbeeld aan studenten gevraagd ‘Heb je meegemaakt dat een bedrijf zei dat een stage niet meer beschikbaar was?’ Studenten die hierop bevestigend antwoordden kregen als vervolgvraag of zij dachten dat dit met discriminatie te maken had. Op deze wijze worden de situatie zelf en de beoordeling van de situatie uit elkaar getrokken. Door uit te gaan van concrete vraagstellingen zijn betere schattingen mogelijk van ervaren discriminatie dan door middel van abstracte vragen (Andriessen et al., 2015; Wittebrood, 2006). Studenten konden op de vraag naar discriminatie kiezen tussen drie antwoorden: ja, nee, ik twijfel. De laatste antwoordcategorie is toegevoegd om recht te kunnen doen aan de gevoelens van twijfel en onzekerheid die ervaringen met discriminatie omgeven. Het is vaak erg lastig zeker te weten of het gaat om discriminatie, waardoor studenten terughoudend kunnen zijn de eigen ervaringen als discriminatie te benoemen. Voor deze studenten biedt de ‘twijfelcategorie’ uitkomst. Opzet van het hoofdstuk We hebben het hoofdstuk onderverdeeld in vier paragrafen. Het zoeken naar een stage staat centraal in paragraaf 6.1.

In paragraaf 6.2 beschrijven we de ervaringen van studenten tijdens de stage. In beide paragrafen gaan we in op de gevolgen die deze ervaringen voor de student hebben (gehad). Vervolgens gaan we in op de ondersteuningsbehoeften van studenten en hoe ze de ondersteuning vanuit de onderwijsinstellingen ervaren (paragraaf 6.3). We sluiten het hoofdstuk af met de conclusies (paragraaf 6.4).

30

6.1.

Zoeken naar een stage

Tabel 6.1. Wat heb je allemaal gedaan om een stageplek te zoeken? (N=614) Antwoordmogelijkheden

Hoe zoeken studenten naar een stage? Studenten combineren verschillende methoden om een stage te vinden.20 Tabel 6.1 geeft verschillende methoden weer en de mate waarin studenten aangeven gebruik te maken van deze methoden. Meer dan de helft van de studenten (60%) zoekt op internet naar beschikbare stages, bijvoorbeeld via Stagemarkt. nl. Daarnaast bellen veel studenten (49%), schrijven ze brieven (35%) en vragen ze rond bij familie en bekenden (31%). Ook hebben mentoren/beroepspraktijkvorming (bpv)-docent (24%) of iemand anders van school (14%) studenten geholpen bij het zoeken van een stage. Bijna een op de zes studenten geeft aan langs te gaan bij bedrijven (17%). Bij de categorie ‘anders’ worden bijvoorbeeld netwerklunches en startpunt Amsterdam genoemd.

Aantallen (percentages)

Gezocht op internet naar beschikbare stages (bijv. stagemarkt.nl).

368 (59,9%)

Ik heb gebeld naar bedrijven om te vragen er een stageplek beschikbaar was.

303 (49,3%)

Ik heb brieven geschreven naar bedrijven om te vragen of er een stageplek beschikbaar was.

215 (35,0%)

Rondgevraagd bij mijn familie en bekenden.

190 (30,9%)

Ik heb contact opgenomen met bedrijven van de stageadressenlijst van school (van je bpv’er of mentor).

160 (26,1%)

Hulp gevraagd aan mijn mentor of bpv’er

137 (22,3%)

Ik ben bij bedrijven langsgegaan om te vragen of er een stageplek beschikbaar was.

105 (17,1%)

School heeft de stage gezocht.

84 (13,7%)

Via hetzelfde bedrijf als mijn vorige stage.

7 (1,7%)

Via mijn (huidige) werk(gever).

7 (1,7%)

Anders, namelijk...

15 (2,4%)

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden.

20 23 studenten hebben aan de start van de vragenlijst aangegeven dat ze nog niet naar een stage hebben gezocht en hebben daarom alleen de achtergrondvragen beantwoord. Deze groep studenten is in de rest van de analyses niet meegenomen. Een kleine groep studenten (45; 7%) die de vragenlijst heeft ingevuld, heeft nog geen stage gevonden. (vervolg) Deze groep bestaat vooral uit tweede- en derdejaarsstudenten die een bol-opleiding volgen op niveau 4 in de richting Zorg, welzijn en sport. Ze geven aan wel een tijd op zoek te zijn/activiteiten ondernomen te hebben. Deze groep is dus wel meegenomen bij de ervaringen met stages zoeken, maar vanzelfsprekend niet bij de ervaringen tijdens de stage.

Ook in de interviews zien we deze verschillende methoden terugkomen. Hieruit blijkt dat studenten reflecteren op het succes van de gebruikte zoekmethode en deze waar nodig bijstellen. Als zij eerst een e-mail stuurden naar een potentieel stagebedrijf, besluiten ze bij uitblijven van een positief resultaat om bijvoorbeeld direct langs te gaan. De studenten zijn hiermee geneigd hun zoekhouding te veranderen richting een meer proactieve houding. Sommige studenten die discriminatie hebben ervaren bij het zoeken zijn selectiever gaan zoeken. Zo zien we dat studenten met een chronische aandoening een professioneel bedrijf zoeken dat expliciet rekening houdt met de chronische aandoeningen van de medewerkers. Ook zien we dat studenten die vanwege hun culturele achtergrond discriminatie ervaren bij het zoeken, eerder op zoek gaan naar bedrijven waarvan het personeelsbestand cultureel divers is en/of naar een bedrijf waarvan de eigenaar dezelfde (etnisch-culturele) achtergrond heeft als de student.

31

Algemene ervaringen met het zoeken van een stage

Zoekduur in aantal maanden en in aantal sollicitatiebrieven

Bijna de helft van de studenten (44%) vond het makkelijk om een stage te vinden. Ongeveer een kwart geeft aan het moeilijk te hebben gehad in de zoektocht naar een stage (26%). De overige studenten vonden het niet specifiek makkelijk of moeilijk (30%). Uit de interviews maken we op dat studenten die het moeilijk hebben gehad, aangeven dat het niet ontvangen van een reactie op hun sollicitatie bijdraagt aan de frustratie die ze ervaren en dat dat ook als een afwijzing voelt.

We vroegen studenten ook aan te geven hoeveel tijd het hun kostte een stageplek te vinden, hoeveel brieven ze hebben geschreven én hoeveel sollicitatiegesprekken ze hebben gevoerd. Ook hier ging het om de laatste stage die ze hebben gevolgd of nu nog steeds volgen. Ongeveer de helft van de studenten (47%) heeft minder dan een maand gezocht, een derde van de studenten (33%) heeft tussen de één en drie maanden nodig gehad en ongeveer een vijfde van de studenten (20%) had meer dan drie maanden nodig of heeft nog steeds geen plek kunnen vinden (zie Tabel 6.2).

“Ik vond het heel moeilijk, ik kreeg een paar keer geen antwoord of werd niet aangenomen.”

Tabel 6.2. Hoe lang heb je gezocht voordat je een stageplek vond? (N = 614)

„ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Antwoordmogelijkheden

Tegelijkertijd is geen reactie krijgen op een sollicitatie voor veel studenten de realiteit die ze inmiddels hebben geaccepteerd. Veel studenten gaan er nog wel achteraan door nogmaals een e-mail te sturen of te bellen naar het bedrijf. Wanneer de studenten een negatief antwoord op hun sollicitatie ontvangen, wordt de reden van de afwijzing niet altijd benoemd door het bedrijf. Bij een afwijzing noemen bedrijven vaak algemene redenen waarom ze geen stagiair kunnen aannemen, zoals: geen tijd, geen vacature of de veranderde situatie vanwege corona. Persoonlijke redenen voor afwijzingen die we voorbij zien komen, zijn het gebrek aan ervaring van de student, gebrekkige taalvaardigheid en gezondheidsproblemen. Wanneer de studenten worden uitgenodigd voor een sollicitatie- of kennismakingsgesprek leidt dit in de meeste gevallen tot een positief resultaat.

Aantallen (percentage)

Minder dan 1 maand.

287 (46,7%)

1-3 maanden.

205 (33,4%)

Meer dan 3 maanden.

77 (12,5%)

Ik heb nog geen stageplek gevonden.

45 (7,3%)

Wat betreft het aantal sollicitatiebrieven zien we dat een groot deel van de studenten aangeeft een stageplek te hebben gevonden na het sturen van 1-5 brieven (40%) (zie tabel 6.3). 17% heeft 5-10 brieven gestuurd en 10% tussen de 10 en 20 brieven. Als studenten eenmaal op gesprek mogen komen, wordt 82% binnen vijf gesprekken aangenomen. Tabel 6.3. Hoeveel sollicitatiebrieven heb je verstuurd voordat je een stageplek vond? (N =569) Antwoordmogelijkheden

Aantallen (percentage)

1-5 brieven.

230 (40,4%)

5-10 brieven.

98 (17,2%)

10-20 brieven.

59 (10,4%)

Meer dan 20 brieven.

24 (4,2%)

Ik heb geen brieven geschreven, maar op een andere manier een stage gevonden.

158 (27,8%)

32

Verschillen tussen groepen in het zoeken naar een stage Uit de analyses van de vragenlijst blijkt dat er verschillen zijn in het zoeken naar een stage tussen groepen mbo-studenten (in bijlage 4 staan de analyses uitgewerkt). We vinden verschillen op basis van gender, chronische aandoening en opleidingsniveau. Vrouwen zijn langer bezig met zoeken dan mannen. Tegelijkertijd voeren mannen meer gesprekken dan vrouwen voordat ze een stageplek hebben gevonden. Studenten met een chronische aandoening zijn langer bezig met het vinden van een stage dan studenten zonder chronische aandoening. Wat betreft opleidingsniveau zien we dat studenten met een mbo-niveau 4-opleiding langer aan het zoeken zijn naar een stage dan studenten uit niveau 2 en 3. We vinden geen verschillen tussen studenten op basis van religie en seksuele oriëntatie in hun zoektocht naar een stage. Ook vinden we geen significante verschillen tussen studenten met en zonder migratieachtergrond in duur en het aantal opgestuurde brieven. Dit is niet in overeenstemming met eerdere onderzoeken waarin studenten met een migratieachtergrond langer op zoek waren naar een stage en meer brieven moesten schrijven (Van Engelshoven, 2018). Een mogelijke verklaring hiervoor is dat we in dit onderzoek gevraagd hebben naar de laatste stage.

In onze steekproef zitten vooral ouderejaars mbo-studenten, die mogelijk deels andere strategieën inzetten om een stage te vinden. 6.1.1.

Ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage

We hebben studenten situaties voorgelegd en gevraagd of bepaalde ervaringen die ze hadden naar hun idee/ervaring samenhangen met discriminatie (tabel 6.4.). Ongeveer een kwart van de mbo-studenten (150 individuele studenten van de 614 respondenten) in onze studie heeft aangegeven tijdens het zoeken van een stage bij een of meerdere situaties discriminatie te hebben ervaren óf hierover te twijfelen.

Tabel 6.4. Ervaringen van mbo-studenten bij het zoeken naar een stage en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie (N=614) Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren

Situatie niet meegemaakt

Geen antwoord op een brief/telefoontje toen je zocht naar een stage.

4,6%

11,7%

41,5%

42,2%

Meegemaakt dat een bedrijf zei dat een stage niet meer beschikbaar was.

5,7%

10,3%

42,3%

41,7%

Meegemaakt dat je niet op gesprek mocht komen.

3,7%

4,4%

15,6%

76,3%

We zien dat ongeveer een op de twintig studenten het uitblijven van een antwoord op hun sollicitatie in verband brengt met discriminatie. Dit aandeel is vergelijkbaar met de situatie dat een bedrijf zegt dat een stage niet meer beschikbaar is. Een aanzienlijk groter deel van de studenten (1 op de 10) geeft aan te twijfelen of er discriminatie in het spel is. Dit geeft aan dat studenten wel vermoedens hebben dat er zoiets aan de hand kan zijn, maar dat ze andere verklaringen niet uitsluiten. Ook vermoedens van discriminatie kunnen negatieve effecten hebben op het welbevinden van studenten (Andriessen et al., 2020). Bijna 4 procent van de studenten denkt dat zij niet op gesprek mochten komen vanwege discriminatie. Een ongeveer even groot deel twijfelt of dit te maken had met discriminatie. Met name studenten met een Nederlandse achtergrond die discriminatie ervaren (of twijfelen) vinden de definitie van discriminatie soms te zwaar en weten niet zo goed of ze de eigen ervaring wel als zodanig moeten categoriseren. Het begrip discriminatie wordt vaker gekoppeld aan uitsluiting op grond van de etnische of culturele achtergrond en racisme.

33

“Omdat je, denk ik, toch een soort van denkt dat je je aanstelt. En als ik aan discriminatie denk, denk ik toch meer aan op basis van achtergrond of geloof en dat heb ik niet. Daardoor voelt het een beetje alsof het niet ‘echt’ is voor ons. Dat er vast veel ergere vormen zijn, en dat dat van ons dan slechts vervelend is.” „ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 25 jaar.

“Ik had het toen wel zo een beetje opgevat als discriminatie, maar ik vind het ook lastig. Ik denk dat ik makkelijker ergens voor word uitgenodigd of word aangenomen dan iemand van een andere cultuur en dat vind ik dan lastig met discriminatie. Als ik kijk naar hoe ik het ervaar dan is het dat het niet voelt alsof je echt gediscrimineerd bent. Meer alsof je aangevallen bent, maar meer niet.” „ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

De twijfel of een ervaring discriminatie is of niet, is minder vaak aanwezig wanneer we kijken naar de ervaringen bij de sollicitatiegesprekken (tabel 6.5.). Het aandeel studenten dat aangeeft discriminatie te hebben ervaren is iets hoger bij afwijzing na een sollicitatiegesprek dan bij de zoektocht naar een stage. Tabel 6.5. Ervaringen van mbo-studenten die een sollicitatiegesprek hebben gehad en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie (N=358) Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren

Situatie niet meegemaakt

Onvriendelijk behandeld tijdens het sollicitatiegesprek.

5,6%

1,7%

5,6%

87,1%

Afgewezen na het sollicitatiegesprek.

6,9%

5,3%

16,8%

71%

Discriminatiegronden Aan de studenten die aangeven discriminatie te hebben ervaren of daarover twijfelen, hebben we gevraagd op welke grond dat is geweest (zie tabel 6.6). Studenten konden bij deze vraag meerdere antwoorden geven. De meest voorkomende grond is het opleidingsniveau (40%). Daarnaast ervaren studenten discriminatie op basis van het land waar hun (groot)ouders geboren zijn (29%), geloof (28%), hun kleding en/of uiterlijk (27%) en huidskleur (21%). Bij ‘anders namelijk’ worden voorbeelden genoemd als het Nederlands taalgebruik. Tabel 6.6. Aard van de ervaren discriminatie1 (N=150) Niveau van je opleiding.

60 (40,0%)

Land waar jij of jouw (groot)ouders geboren zijn.

44 (29,3%)

Geloof.

42 (28,0%)

Kleding/uiterlijk.

40 (26,7%)

Huidskleur.

32 (21,3%)

Geslacht (bijvoorbeeld omdat je man, vrouw of transgender bent).

23 (15,3%)

Andere leerbehoefte (bijvoorbeeld door dyslexie).

10 (6,7%)

Chronische aandoening.

8 (5,3%)

Seksuele oriëntatie (bijvoorbeeld omdat je homoseksueel bent).

3 (2,0%)

Leeftijd.

3 (0,5%)

Overig (Anders, namelijk en weet ik niet).

(6,3%)

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden, vandaar dat de percentages niet optellen tot 100.

Ter illustratie hebben we hieronder een aantal citaten opgenomen van studenten die we hebben gesproken tijdens de diepte-interviews. De respondenten beschrijven hun discriminatie-ervaring op basis van etniciteit, geloof en opleidingsniveau.

34

Deze student beschrijft haar ervaring met betrekking tot reacties die ze krijgt vanwege haar Marokkaanse achtergrond:

“Nee we doen het toch niet, want je hebt niveau 2 en dan ben je dom en dan moeten we je te veel begeleiden (…) en dat kost ons ook veel meer tijd.” „ Eerstejaars student, mbo niveau 2, vrouw, 18 jaar.

“Het is wel vaker gebeurd dat ik ergens niet werd aangenomen vanwege mijn naam. Of als ik langskom dat ze tegen mij zeggen ‘ow, gelukkig…je lijkt niet Marokkaans’. Dan is het alleen al de ‘gelukkig’….” „ Vierdejaarsstudent mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

Deze student beschrijft haar ervaring tijdens de sollicitatieprocedure in verband met haar religieuze achtergrond: “Het gesprek ging heel goed en achteraf zei de stagebegeleidster: ‘Ik denk dat je bent aangenomen’. Daarna kreeg ik een mail met ‘mag ik je nog een aantal vragen via Facetime vragen?’ Tijdens dit gesprek vroeg ze ‘we hebben hier ook homo’s werken’. Ik was best verbaasd, want ik heb daar helemaal geen probleem mee en dat heb ik ook aangegeven. Die mevrouw zei ook nog ‘we hebben hier ook een Turk werken en die zegt ook dingen over zijn eigen volk’. (…) Verder vroeg ze naar mijn kleding en ik had aangegeven dat ik lange rokken draag tot mijn enkels, vanwege mijn geloof. Toen vroeg ze ook ‘draag je ook blote voeten’. Ik draag gewoon schoenen en in de zomer misschien slippers, dan heb ik blote voeten, ja. Bij dat bedrijf moest ik netjes aangekleed zijn, want de klanten zouden de stagiaires als eerste zien bij binnenkomst in de zaak. In dat gesprek zei ze ‘we gaan vragen of het lukt met de stage’. Wat ik toen zag was een vrouw op de achtergrond van de Facetime en zij wist niet dat ik haar zag, maar zij knikte ‘nee’ naar de collega met wie ik sprak. De mevrouw met wie ik had gesproken belde mij terug en vertelde dat ik toch niet beschikte over de juiste vaardigheden.

Dit was een gekke reactie, want ik had (in dat gesprek, red.) nooit over mijn vaardigheden gesproken.” „ Vierdejaars student mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Deze student werd verteld dat ze vanwege haar opleidingsniveau veel begeleiding nodig zou hebben en om die reden werd afgewezen:

Gevolgen ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage We hebben onze respondenten gevraagd wat de impact is geweest van de ervaren discriminatie op de voortgang van hun opleiding en hun welbevinden. Een op de vijf de studenten die discriminatie heeft ervaren bij het zoeken naar een stage geeft aan studievertraging te hebben opgelopen (19%). Enkele studenten zijn gestopt met hun opleiding (1%) (tabel 6.7.). De discriminatie-ervaring zorgt voor gevoelens van eenzaamheid bij ongeveer een vierde van de studenten (23%). De ervaring heeft voor een deel van de studenten ook impact op het toekomstbeeld. Bijna de helft van de studenten (46%) heeft minder vertrouwen in het vinden van een baan na ervaren discriminatie bij het zoeken naar een stage. We zien dat een deel van de studenten (20%) gedemotiveerd raakt en hierdoor minder zin heeft om hun best te doen op school. Daartegenover staat dat meer dan de helft van de studenten (53%) meer hun best is gaan doen op school nadat ze geconfronteerd zijn met discriminatie (tabel 6.8.). Uit de interviews zien we voorbeelden van studenten die de handdoek in de ring gooien omdat ze lang naar een stage op zoek zijn geweest en nergens zijn aangenomen. Dit zorgt ervoor dat studenten een deuk oplopen in hun zelfvertrouwen. “(…) ik ben een jaar bezig geweest met zoeken. Ik heb dertig bedrijven benaderd en ben nergens aangenomen.

Uiteindelijk dacht ik ‘ik wil geen stage meer lopen’.” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

35

“Ik raakte gedemotiveerd omdat ik steeds geen reactie terug kreeg en de laatste keer dat ik langs was geweest kreeg ik te horen ‘je bent niet degene die we zoeken en je bent niet goed genoeg’, dus toen dacht ik nu wil ik liever niet meer langs gaan.” „ Tweedejaarsstudent mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

6.2.

Ervaringen tijdens de stageperiode

Aan de mbo-studenten (N=553) die aangeven dat ze nu met een stage bezig zijn of stage hebben gelopen, hebben we een aantal vragen gesteld over hoe ze hun stage ervaren. Daarnaast hebben we gevraagd of ze discriminatie op hun stageplek hebben ervaren en wat de impact van die ervaringen is.

Tabel 6.7. Als gevolg van discriminatie … (N = 144) Ja

Nee

Heb ik studievertraging opgelopen .

28 (19,4%)

116 (80,6%)

Ben ik gestopt met mijn opleiding.

4 (0,6%)

140 (97,2%)

Volg ik een opleiding onder mijn niveau.

19 (13,2%)

125 (86,8%)

Tabel 6.8. Als gevolg van discriminatie … (N = 136) (Helemaal) mee oneens

Neutraal

(Helemaal) mee eens

Doe ik minder goed mijn best.

79 (58,1%)

30 (22,1%)

27 (19,9%)

Voel ik me minder veilig op mijn opleiding.

86 (63,2%)

25 (18,4%)

25 (18,3%)

Voel ik me meer verbonden met mensen die dezelfde achtergrond hebben als ik.

37 (27,2%)

30 (22,1%)

69 (50,7%)

Ben ik meer mijn best gaan doen voor mijn opleiding.

33 (24,3%)

31 (22,8%)

72 (52,9%)

Denk ik minder kans te maken op een baan.

47 (34,6%)

27 (19,9%)

62 (45,6%)

Voel ik me eenzaam.

70 (51,4%)

35 (25,7%)

31 (22,8%)

6.2.1.

Algemeen oordeel over de stage

Studenten beoordelen hun stage over het algemeen met een ruime voldoende (7,4). Zij zijn ook tevreden over de mate waarin hun stage aansluit bij hun opleiding (82%). Maar een klein deel van de studenten beoordeelt deze aansluiting als negatief (4%). Een ruime meerderheid is tevreden over de werkzaamheden die ze tijdens hun stage doen (70%). Een kleine groep studenten is daar ontevreden over (11%). Ook wat betreft de begeleiding die ze krijgen tijdens hun stage vanuit het leerwerkbedrijf geeft ongeveer driekwart van de studenten (76%) aan daar tevreden over te zijn. Een belangrijk deel van de studenten voelt zich echter niet helemaal thuis op de stage. Bijna een derde van de studenten (31%) geeft aan dat ze op stage niet zichzelf kunnen zijn. Een geïnterviewde respondent beschrijft dit als volgt: “Ik kon totaal niet mijzelf zijn. Voor mij was het zwaar en uitputtend. Je moet de hele dag lachen. Ik moest met ze praten en ik vond het helemaal niet leuk met ze.” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

6.2.2. Ervaren discriminatie tijdens de stage Net als bij het zoeken naar een stage, hebben we studenten een aantal situaties voorgelegd die ze mogelijk hebben meegemaakt tijdens hun stage. Daarna

36

hebben we gevraagd in hoeverre ze denken dat dit te maken heeft met discriminatie (tabel 6.9.). Tabel 6.9. Ervaringen van mbo-studenten tijdens de stage en in hoeverre ze denken dat er sprake was van discriminatie Ervaren als discriminatie

Twijfel of het discriminatie was

Meegemaakt, maar niet als discriminatie ervaren 1.5%

Situatie niet meegemaakt

Uitgescholden of gepest door andere werknemers of je stagebegeleider. (N = 547)

1.8%

0.5%

Werknemers of stagebegeleider hebben kwetsende grappen gemaakt. (N = 547)

4,0%

0,7%

4,9%

90,4%

Onvriendelijk behandeld door andere werknemers of je stagebegeleider. (N = 547)

2,7%

2,9%

11,2%

83,2%

Vervelende of saaie werkzaamheden doen. (N = 546)

2,7%

4,9%

31,0%

61,4%

Werkzaamheden werden vaker gecontroleerd dan die van andere stagiairs of werknemers. (N = 546)

2,9%

3,5%

8,8%

84,8%

96.2%

Ongeveer een achtste van de mbo-studenten (68 individuele studenten van de 546 respondenten) in onze studie heeft aangegeven tijdens hun stage in één of meerdere situaties discriminatie te hebben ervaren óf hierover te twijfelen. Het gaat vooral om kwetsende grappen, beledigende opmerkingen en uitgescholden worden. Een participant vertelt over een ervaring die ze heeft meegemaakt met haar stagebegeleider:

“Ik heb kader gedaan en kan niet zo goed leren. Moet het vooral hebben van mijn handen en creativiteit. Toen kreeg ik te horen van mijn stagebegeleider dat het vaker zo is dat Marokkaanse mensen vaak minder scoren. (…) Dus omdat ik Marokkaans ben, heb ik een lager IQ en ben ik dommer volgens hem...” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 19 jaar.

Een andere student moest bepaalde klusjes vaker doen omdat werd verondersteld dat zij daar goed in zou zijn vanwege haar huidskleur. “Bijvoorbeeld klusjes die ik moest doen. Ik moest meer schoonmaken dan anderen, want daar waren ‘wij’ goed in. Ik was sowieso boos want er zijn genoeg donkere mensen (die geen schoonmaker zijn, red.) en toch wordt er gepraat met ‘jullie’.” „ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 23 jaar.

We zien verder dat studenten vervelende ervaringen niet per definitie toeschrijven aan discriminatie. Het grootste deel geeft aan dat deze ervaringen niet gerelateerd zijn aan discriminatie. Wanneer het gaat om kwetsende grappen en uitgescholden worden, door andere werknemers of de stagebegeleider, zien we dat studenten dit ongeveer even vaak als discriminatie en als geen discriminatie categoriseren. Een deel van de studenten heeft te maken gehad met vervelende situaties, maar weet niet zeker of dat discriminatie was. Ze vinden het woord ergens te zwaar en weten niet zo goed of wat ze hebben meegemaakt ook op die manier moet worden geduid (zie ook 6.1.2.). Harde en/of openlijke discriminatie komen de studenten nauwelijks tegen. Vaak blijft er na een vervelende situatie bij de studenten de twijfel in hoeverre de reactie van de ander te maken heeft met de culturele achtergrond, huidskleur, geslacht of een ander identiteitskenmerk.

37

“Ik heb het er met mijn mede-stagiaires over gehad dat ik me anders behandeld voelde dan hen qua nare ervaringen. Die zeiden dat zij ook zagen dat het bij mij erger was (…). Toen pas dacht ik: wow, is dit discriminatie?”

Tabel 6.10. Aard van de ervaren discriminatie1 (N = 68)

„ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 20 jaar.

Een vrouwelijke participant die stage liep in een typisch mannenberoep beschrijft haar ervaring als volgt:

Land waar jij of jouw (groot)ouders geboren zijn.

23 (33,8%)

Niveau van je opleiding.

19 (27,9%)

Kleding/uiterlijk.

19 (27,9%)

Geloof.

19 (27,9%)

Huidskleur.

15 (22,1%)

Geslacht (bijvoorbeeld omdat je man, vrouw of transgender bent).

11 (16,2%)

Andere leerbehoefte (bijvoorbeeld door dyslexie, autisme, ADHD).

10 (14,7%)

“Ik had het idee dat er weinig aandacht aan mijn stage werd geschonken. (…) Ik weet niet of het echt met discriminatie te maken had, omdat dat niet recht in je gezicht tegen je wordt gezegd. Wel had ik het gevoel dat ik er niet helemaal toe deed bij deze ‘mannen onder elkaar’.”

Het zijn van een stagiair.

6 (8,8%)

Chronische aandoening (bijvoorbeeld lichamelijk).

4 (5,9%)

„ Derdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 25 jaar.

Noot: Bij deze vraag konden meerdere antwoorden gegeven worden, vandaar dat de percentages niet optellen tot 100.

Discriminatiegronden tijdens de stage

Gevolgen ervaren discriminatie tijdens de stage

Aan studenten die discriminatie hebben ervaren tijdens hun stage, hebben we gevraagd om welke discriminatiegrond(en) het daarbij ging (tabel 6.10.). ‘Het land waar mijn (groot)ouders zijn geboren’ (34%) werd het vaakst genoemd door de respondenten. De overige gronden die veel worden genoemd, zijn het niveau van de opleiding (28%), kleding/uiterlijk (28%), geloof (28%) en huidskleur (22%). Bij ‘anders namelijk’ worden voorbeelden genoemd als ‘gedrag’, ‘omdat je nieuw bent’ en de Nederlandse taal.

Ook hier hebben we onze respondenten gevraagd wat de impact is geweest van de ervaren discriminatie tijdens de stage op de voortgang van hun opleiding/stage en hun welbevinden.

Seksuele oriëntatie (bijvoorbeeld omdat je homoseksueel bent).

2 (2,9%)

Overig (Anders, namelijk en weet ik niet).

10 (12,1%)

Ongeveer een op de vijf studenten geeft aan dat zij studievertraging hebben opgelopen vanwege discriminatie tijdens de stage. Ongeveer 15% is gestopt met zijn of haar stage als gevolg van de discriminatie-ervaring. Twee studenten zijn gestopt met hun opleiding (tabel 6.11.). Tabel 6.11. Als gevolg van discriminatie … (N = 68) Ja

Nee

Heb ik studievertraging opgelopen.

14 (20,6%)

54 (79,4%)

Ben ik gestopt met mijn stage.

10 (14,7%)

58 (85,3%)

Ben ik gestopt met mijn opleiding.

2 (2,9%)

66 (97,1%)

Volg ik een opleiding onder mijn niveau.

7 (10,3%)

61 (89,7%)

38

Een belangrijk deel van de studenten (35%) die discriminatie ervaart tijdens de stage, voelt zich door deze ervaring minder veilig op de stage (zie tabel 6.12.). Verder veroorzaakt deze ervaring bij ongeveer 40 procent van de studenten gevoelens van eenzaamheid. De ervaring heeft voor de studenten ook impact op het toekomstbeeld. Zo heeft 29 procent minder vertrouwen in het vinden van een baan. Verder zien we dat een belangrijk deel van de studenten (26%) gedemotiveerd raakt en hierdoor minder zin heeft om hun best te doen op hun stageplek. Daartegenover staat dat de helft van de studenten (50%) meer hun best gaat doen op de stage nadat ze geconfronteerd zijn met discriminatie. Tabel 6.12. Als gevolg van discriminatie … (N = 68)

Doe ik minder goed mijn best. Voel ik me minder veilig op mijn stage. Voel ik me meer verbonden met mensen die dezelfde achtergrond hebben als ik . Werk ik harder op mijn stage. Denk ik minder kans te maken op een baan. Voel ik me eenzaam.

Neutraal

De gevolgen op de stage laten zich op verschillende manieren zien: minder plezier in het werk, veel stress, afname van motivatie, jezelf ertoe moeten zetten om op te staan en naar stage te gaan, ingetogen en minder sociaal in de werkomgeving, meer frustraties en bij sommigen ook impact op de werkzaamheden (minder productief). Ook in het vervolg van hun opleiding kan het ertoe leiden dat studenten de eigen leerdoelen aanpassen en minder ambitieus de volgende stage beginnen. Deze ervaringen zorgen ervoor dat jongeren zich niet thuis voelen bij het stagebedrijf. Een participant beschrijft dat ze een ‘masker’ opzet wanneer ze op haar stageplek is, om daarmee haar gevoelens over de ervaringen te kunnen verhullen. Dit werd echter opgemerkt door mensen die haar goed kennen en toevallig langskwamen bij haar stagebedrijf.

(Helemaal) mee oneens 38 (57,6%) 29 (43,9%) 13 (19,7%)

11 (16,7%) 14 (21,2%) 18 (27,3%)

(Helemaal) mee eens 17 (25,8%) 23 (34,9%) 35 (53,1%)

18 (27,3%) 31 (47,0%)

15 (22,7%) 16 (24,2%)

33 (50%) 19 (28,8%)

„ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 16 jaar.

27 (40,9%)

13 (19,7%)

26 (39,4%)

Over het algemeen krijgen jongeren ook het beeld dat het vinden van werk dat bij je past later lastiger zal worden dan ze aanvankelijk dachten. Dit gaf een aantal studenten het idee om dan een eigen onderneming te beginnen.

De inzichten uit de interviews versterken de bovengenoemde gevolgen van discriminatie-ervaring op de studenten. We zien dat deze ervaringen een negatieve impact hebben op het psychologisch welbevinden van de studenten. Een student die vanwege zijn huidskleur discriminatie heeft meegemaakt op stage beschrijft dat gevoel als volgt: “Het was zwaar qua gevoel. Het heeft heel lang geduurd voordat ik het los kon laten. Ik bleef er maar over denken en of ik iets niet goed had gedaan. Het was psychologisch zwaar. Na een paar maanden heb ik het pas losgelaten, want ik kon er niks aan veranderen.”

“Dit was lastig. Het (de stage) was in mijn woonplaats dus er kwamen ook mensen langs die ik kende. Ik kreeg een berichtje van iemand ‘gaat het wel goed met je, je zag er zo anders uit en klonk zo anders vandaag’. Dat is niet goed als je zo een ander persoon moet zijn wanneer je je werk moet uitvoeren.”

6.3.

Ondersteuning

Vanuit de zorgplicht van het onderwijs mag van de onderwijsinstellingen worden verwacht dat studenten terecht kunnen op school wanneer er zich vervelende situaties voordoen op hun stageplek. Zo ook in het geval van discriminatie. In de interviews hebben we studenten gevraagd hoe ze de ondersteuning op dit vlak hebben ervaren.

„ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, man, 30 jaar.

39

Bespreken van ervaringen De mbo-studenten die discriminatie bij het zoeken naar een stage hebben ervaren of daarover twijfelen, bespreken dit vooral met hun vrienden of familie (50%). Een grote groep geeft aan er met niemand over gesproken te hebben (44%). Een aantal heeft het besproken met een onderwijsprofessional (21%). Maar één student geeft aan een officiële melding te hebben gedaan, bijvoorbeeld bij SBB.

“Omdat ze (studenten, red.) denken dat er toch niks mee gebeurt dan denken ze: ‘Laat maar’. Ik denk dat de meeste studenten hetzelfde idee hebben: het wordt wel in de klas besproken met onze loopbaanbegeleider, en die zegt dan ‘wat heftig’. En dat was het. Het heeft geen zin.” „ Derdejaarsstudent, mbo niveau 3, vrouw, 22 jaar.

“Er gebeurt niks mee, dus waarom moet ik daar tijd aan verspillen? Ik had er geen vertrouwen in.” „ Tweedejaarsstudent, mbo niveau 4, man, 30 jaar.

Vergelijkbare percentages zien we terug bij studenten die aangeven discriminatie te hebben ervaren op hun stageplek. Ze bespreken dit voornamelijk met hun familie of vrienden (52%). 25 studenten (37%) hebben het voorval met niemand besproken. Een kwart van de mbo’ers heeft het besproken met een onderwijsprofessional, bijvoorbeeld een mentor (25%). Een kleinere groep heeft het met de stagebegeleider besproken (18%). Geen van de studenten heeft een officiële melding gedaan van de ervaren stagediscriminatie, bijvoorbeeld bij SBB. Uit de interviews komen verschillende redenen naar voren waarom studenten hun discriminatie-ervaringen veelal binnen de eigen kring van vrienden en familie bespreken. Op de eerste plaats weten ze vaak niet waar ze terechtkunnen binnen hun opleiding. “Ik wist niet zo goed waar ik heen moest en met wie ik dan moet praten. Als ik dat duidelijker voor ogen had, had ik dat misschien ook wel makkelijker gedaan.” „ Vierdejaarsstudent, mbo niveau 4, vrouw, 22 jaar.

Op de tweede plaats hebben ze er weinig vertrouwen in dat de opleiding het probleem kan oplossen en het serieus gaat aanpakken. Wanneer de student het voorval meldt, is de algemene ervaring dat hier weinig mee gedaan wordt.

Het kan voor de studenten een drempel zijn om te praten met een onderwijsprofessional die vanuit haar of zijn functie ook goede contacten wil onderhouden met de leerwerkbedrijven. De verwachting is dat ze dan nog minder gehoord zullen worden omdat het belang van de relatie tussen de onderwijsinstelling en het stagebedrijf de prioriteit krijgt. Studenten zeggen dat een vertrouwenspersoon die enkel opkomt voor de belangen van de student hier een oplossing voor kan zijn. Tegelijkertijd wordt het idee van een geheel onbekende en willekeurige vertrouwenspersoon niet volledig omarmd. De vertrouwenspersoon zou ook iemand moeten zijn die enigszins zichtbaar is en een binding heeft met de studenten. Alle geïnterviewde studenten geven verder aan dat er op school überhaupt weinig tot geen aandacht besteed wordt aan het onderwerp discriminatie. Het is voor studenten onduidelijk wat ze in een dergelijke situatie kunnen doen en waar ze terechtkunnen. Studenten hebben behoefte aan een vorm van voorlichting en het bespreekbaar maken van het thema in de klas. Ze missen met name een realistisch verhaal in de voorbereidingsfase van de stageperiode. Dat ze te maken kunnen krijgen met vervelende situaties zoals racisme en discriminatie. Zo opperen studenten dat dit onderwerp tijdens lob-lessen behandeld zou kunnen worden, met ruimte voor inbreng van de ervaringen van studenten.

Een ander voorbeeld van ondersteuning waar studenten behoefte aan hebben is de ontwikkeling van een routekaart, waarop aangegeven staat 40

wat te doen als ze stagediscriminatie ervaren en welke stappen ze kunnen ondernemen. Het heersende sentiment onder de studenten is dat ze nog te weinig worden ‘opgevangen’ door school wanneer ze discriminatie ervaren.

6.4.

Conclusies ervaren discriminatie

Mbo-studenten ervaren discriminatie bij het zoeken van een stage én tijdens de stage. Ervaren discriminatie doet zich vaker voor bij het zoeken naar een stage dan tijdens de stage. Veel studenten hebben te maken gehad met vervelende situaties, al weten ze vaak niet zeker of dat discriminatie was. Ongeveer een kwart van de mbo-studenten (150 individuele studenten van de 614 respondenten) in onze studie heeft aangegeven tijdens het zoeken van een stage bij een of meerdere situaties discriminatie te hebben ervaren óf hierover te twijfelen. Wanneer we kijken naar ervaren discriminatie op stage zien we dat ongeveer een achtste van de studenten (68 individuele studenten van de 546) tijdens hun stage bij één of meerdere situaties discriminatie heeft ervaren en/of hierover twijfelt. Bij zowel het zoeken naar een stage als de stage zelf waren de meest voorkomende discriminatiegronden: opleidingsniveau, het land waar hun (groot)ouders geboren zijn, geloof, hun kleding en/of uiterlijk, en huidskleur.

Gevolgen van discriminatie De ervaring gediscrimineerd te worden zorgt ervoor dat studenten studievertraging oplopen. Daarnaast laat het sporen na op hun welbevinden. Studenten voelen zich eenzaam en niet (meer) veilig op hun stage. Voor een substantieel deel van de studenten heeft het ook effect op hun toekomstbeeld, namelijk in het vertrouwen om een baan te vinden. Hoewel er enkele verschillen zijn, zijn de effecten van ervaren discriminatie bij het zoeken van een stage en tijdens de stage vergelijkbaar. Uit de interviews blijkt dat de impact zich op verschillende manieren laat zien. Discriminatie heeft duidelijk impact op het psychologisch welbevinden van studenten, in de vorm van gevoelens van eenzaamheid en onveiligheid. In overeenstemming met de antwoorden op de vragenlijst, zorgen discriminatie-ervaringen tijdens stage ervoor dat jongeren zich niet altijd thuis voelen bij het stagebedrijf. Daarnaast geven studenten aan dat ze minder plezier in hun stage hebben. Ook voor het vervolg kan het ertoe leiden dat studenten de eigen leerdoelen aanpassen en minder ambitieus de volgende stage binnenkomen. Tot slot zien we dat dergelijke ervaringen (zowel bij het zoeken als tijdens de stage) de studenten over het algemeen een negatief toekomstbeeld geven over hun baankansen.

Het gevoel bestaat dat het later lastiger zal worden om werk te vinden dat bij hen past dan ze aanvankelijk dachten.

Uit de interviews blijkt dat de twijfelaars het woord discriminatie te zwaar vinden en niet weten of de ervaring die ze hebben meegemaakt ook op die manier moet worden geduid. De associatie met het begrip discriminatie wordt vaker gekoppeld aan uitsluiting op grond van etnische of culturele achtergrond en racisme dan aan andere gronden. Openlijke discriminatie komen we in mindere mate tegen.

41

Ondersteuningsbehoeften van studenten Slechts een kwart van de studenten bespreekt hun discriminatie-ervaring met een onderwijsprofessional, blijkt uit de surveyresultaten. Uit de interviews komt naar voren dat studenten het idee hebben dat er weinig met hun verhaal wordt gedaan wanneer ze dit delen met de opleiding. Ook hebben ze niet het vertrouwen dat de opleiding het probleem kan oplossen, vanwege eerdere ervaringen met de onderwijsinstelling, maar ook omdat ze het gevoel hebben dat het belang van de relatie tussen de onderwijsinstelling en het stagebedrijf de prioriteit krijgt. Andere studenten geven daarnaast aan dat ze niet weten bij wie ze überhaupt terechtkunnen. De voorlichting vanuit de scholen wordt door alle geïnterviewden gemist. Studenten geven aan dat ze tijdens de voorbereidingen op de stageperiode meer informatie hadden willen krijgen van school. De behoefte aan een realistisch verhaal klinkt hierin door, waarbij ze naast de positieve verhalen over leren van het vak in de praktijk ook te horen krijgen over vervelende situaties waaronder racisme en discriminatie. Er is een duidelijke roep om meer aandacht voor dit onderwerp binnen de schoolmuren. Naast voorlichting wordt de behoefte genoemd aan een soort stappenplan (in het geval dat studenten met discriminatie worden geconfronteerd) en/of een onafhankelijke vertrouwenspersoon bij wie ze terechtkunnen.

42

7

Algemene conclusies en aanbevelingen

7.1.

Discriminatie op de mbo-stagemarkt

In deze studie hebben we de aard en omvang van stagediscriminatie in het mbo in Utrecht onderzocht. Het onderzoek heeft laten zien dat mbo-studenten op verschillende gronden discriminatie ervaren bij het zoeken naar een stage en tijdens hun stage. Onderzoek door middel van praktijktests wijst uit dat discriminatie ook objectief vastgesteld kan worden. De praktijktests wijzen ondubbelzinnig uit dat vrouwelijke studenten met dezelfde productieve kenmerken meer kans hebben op een positieve reactie van een stagebedrijf dan mannelijke studenten. Het verschil tussen vergelijkbare mannen en vrouwen is vooral groot binnen de sector bouw en techniek, waar sprake kan zijn van wettelijk toegestane positieve discriminatie. Echter, ook binnen zorg en welzijn en zakelijke dienstverlening, waar minder reden lijkt voor positieve discriminatie21, vinden we een voorkeur voor vrouwelijke stagiaires. Studenten met een migratieachtergrond hebben minder kans op een positieve reactie dan studenten zonder migratieachtergrond, ook al hebben ze verder dezelfde kenmerken. De verschillen zijn met name groot binnen de ICT en de zakelijke dienstverlening. In de sector zorg en welzijn worden geen verschillen tussen studenten met en zonder migratieachtergrond gevonden.

21 Bij de term discriminatie en positieve discriminatie wordt geredeneerd vanuit de minderheidsgroep: het benadelen van deze groep is discriminatie ten opzichte van de normgroep; het bevoordelen van de minderheidsgroep ten opzichte van de normgroep wordt positieve discriminatie genoemd.

Studenten bij wie uit hun cv blijkt dat zij moslim zijn, ondervinden discriminatie in de sector ICT, en positieve discriminatie in de sector zorg en welzijn. Een deel van de mbo-studenten ervaart discriminatie tijdens het zoeken naar een stage of tijdens de stage. Ervaren discriminatie doet zich vaker voor bij het zoeken naar een stage dan tijdens de stage. Studenten geven aan dat hun discriminatie-ervaringen gevolgen hebben voor hun welzijn (zie ook Liebkind & Jasinskaja-Lahti, 2000) en hun gevoel van veiligheid (zie ook Andriessen et al., 2014). Ook hebben ze minder vertrouwen in de toekomst, vooral in de mogelijkheden om een baan te vinden. Studenten bespreken hun ervaringen maar beperkt met onderwijsprofessionals. Tegelijkertijd geven ze aan dat ze meer ondersteuning zouden willen krijgen vanuit het onderwijs. Gebrek aan erkenning Eerder onderzoek liet zien dat onderwijsprofessionals en stagebegeleiders moeite hebben met het herkennen van stagediscriminatie. Ook vragen ze zich soms af of het wel echt om discriminatie gaat (Felten et al., 2021). Lange tijd heeft dit oplossingen tegengehouden, omdat de discussie steeds opnieuw oplaait of het wel gaat om discriminatie, of dat studenten met bepaalde achtergronden minder goed voorbereid zijn op het zoeken en solliciteren naar een stage.

Dit onderzoek is daarom belangrijk omdat het objectief vaststelt dat er sprake is van discriminatie op de mbo-stagemarkt. We willen benadrukken dat dit niet uniek is voor de mbo-stagemarkt, ook in de hbo-stagemarkt zijn er signalen van discriminatie (Klooster et al., 2020). En ook op de arbeidsmarkt (Andriessen et al., 2010), en specifiek de uitzendbranche22 (Andriessen et al., 2012), is vastgesteld dat niet iedereen gelijke kansen heeft op een baan.

22 Voor meer informatie zie: Harde aanpak moet einde maken aan discriminatie uitzendbureaus | NOS

43

In de groepsgesprekken hebben we met onderwijsprofessionals, werkgevers en beleidsmakers van gedachten gewisseld over de bevindingen van het onderzoek en de oplossingsrichtingen. Ook in deze groepsgesprekken kwam twijfel over de feitelijkheid van de ervaringen van studenten veelvuldig naar voren. Aanbevelingen die werden gedaan gingen dan ook vaak in de richting van het beter toerusten, voorbereiden en empoweren van mbo-studenten om hun een gelijke uitgangspositie te bieden op de stagemarkt. Wij ondersteunen deze ideeën als onderdeel van het bieden van gelijke kansen op stages en op de arbeidsmarkt.23 Discriminatie is echter iets anders. Bij discriminatie gaat het om het ongelijk behandelen van gelijke gevallen. De praktijktests laten ondubbelzinnig zien dat het hierom gaat. Als we stagediscriminatie willen verminderen, is er meer bewustwording en een sense of urgency nodig bij onderwijsprofessionals, werkgevers en beleidsmakers om echt een verandering in gang te zetten. In de volgende paragraaf doen we aanbevelingen gericht op het voorkomen en bestrijden van stagediscriminatie en het ondersteunen van studenten die (vermoeden te) zijn gediscrimineerd.

7.2.

Aanbevelingen

Op basis van onze constateringen over hoe discriminatie binnen de Utrechtse mbo-stagemarkt speelt, doen we een aantal aanbevelingen. We hebben de aanbevelingen opgedeeld in drie onderdelen: (A) bewustwording en professionalisering, (B) voorkomen en bestrijden van stagediscriminatie en (C) ondersteunen van studenten bij een vermoeden van discriminatie.

A. Bewustwording en professionalisering Anno 2021 zijn diverse initiatieven en trainingen ontwikkeld om te werken aan de bewustwording van het bestaan van stagediscriminatie. We adviseren om zowel bij onderwijsprofessionals als bij werkgevers te werken aan bewustwording en professionalisering op dit onderwerp. In eerdere onderzoeken en in ons huidige onderzoek komt naar voren dat onderwijsprofessionals stagediscriminatie niet altijd erkennen en daardoor handelingsverlegenheid hebben om bijvoorbeeld het gesprek met werkgevers aan te gaan (bijv. Felten et al., 2021). Daarnaast kan meer bewustzijn van de problematiek ertoe leiden dat onderwijsprofessionals studenten beter kunnen ondersteunen (punt C) en eerder geneigd zijn om het gesprek met leerwerkbedrijven aan te gaan. Om aan bewustwording te werken, zijn al meerdere producten ontwikkeld: het ministerie van OCW is de kies mij campagne gestart. Op de website is zowel voor studenten en onderwijsprofessionals als voor leerwerkbedrijven informatie te vinden over wat ze aan stagediscriminatie kunnen doen. De Anne Frank Stichting heeft een online cursus ontwikkeld hoe je als docent het gesprek kunt aangaan over stagediscriminatie. In veel gevallen maken werkgevers de keuze voor een stagiair die bij hen stage komt lopen. Daarbij kunnen vooroordelen en discriminatie een rol spelen.

Om werkgevers zich bewust te maken dat stagediscriminatie een rol speelt op de mbo-stagemarkt zou ingezet moeten worden op bewustwording. Ook daarvoor zijn reeds materialen ontwikkeld. Door SBB zijn webinars ontwikkeld in samenwerking met het College voor de Rechten van de Mens voor leerwerkbedrijven over onder meer objectief werven en selecteren. Werkgevers kunnen ook de training ‘selecteren zonder vooroordelen’ volgen die door het College voor de Rechten van de Mens is ontwikkeld.

23 Onlangs is door de Hogeschool Inholland een toolbox ontwikkeld: Gelijke kansen naar de toekomst. Module 2: voorbereiding op de arbeidsmarkt. Daarin worden centrale mechanismen en mogelijke oplossingen beschreven om alle mbo-studenten gelijke kansen richting de toekomst te bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=0ec76355-67fc-4725-bb8a-677957dbf7d8