CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingsvergunning windpark def01_Zwartgemaakt

Gemeenteraad 6 juni 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop, Coördinatiebesluit energielandschap Rijnenburg en Reijerscop en brief aan Provincie Utrecht over zoekgebieden zon en wind14.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

de noodzaak om het algemene effect op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

3. Externe veiligheid 3.1 Algemeen Het project energielandschap Rijnenburg & Reijerscop omvat de realisatie van 4 windturbines. Indien zich een incident voordoet waarbij een windturbine beschadigt raakt, kunnen

slachtoffers in de omgeving vallen doordat zij mogelijk getroffen kunnen worden door delen van de windturbine. Ook is het mogelijk dat bijvoorbeeld installaties met gevaarlijke stoffen getroffen worden dat de aanwezigheid van windturbines indirect zorgt voor grotere risico’s voor de omgeving. Het aspect omgevingsveiligheid (ok wel externe veiligheid) is daarom relevant.

De risico’s voor de omgeving van windturbines worden gevormd door de volgende scenario’s: 1.

breuk van een windturbineblad;

3.

naar beneden vallen van de gondel en/of rotor;

2.

omvallen van een windturbine door mastbreuk;

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

23

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

4.

HZ_WABO-22-26676

het naar beneden vallen van kleine onderdelen (bouten, blad- en tipdelen, ijs).

Het omgevingsveiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico’s die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:  

het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers te verantwoorden is (het groepsrisico).

3.2 Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als

direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De grenswaarden voor het plaatsgevonden risico komen voort uit het NMP4 en zijn 10-5 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de 100.000 per

jaar) voor beperkt kwetsbare objecten 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten. De normering voor kwetsbare objecten is opgenomen voor inrichtingen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), maar ook voor transportroutes in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen (Bevb).

Door adviesbureau Bosch & van Rijn is een risicoanalyse uitgevoerd naar de risico’s voor

nabijgelegen objecten en activiteiten als gevolg van de ontwikkeling van Windpark Rijnenburg & Reijerscop.

Het rapport is getiteld: “Onderzoek externe veiligheid t.b.v. CombiMER, Bosch & Van Rijn, 15 november 2023”. Door een uitspraak van de Raad van State in het kader van windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding zijn de normeringen uit het Abm in 2020 buiten werking verklaard. In het onderzoek is voor de normering aansluiting gezocht met het Handboek Risicozonering Windturbines, het Bevi en het Bevt. Voor windturbineparken zijn de normeringen voor

het plaatsgebonden risico en groepsrisico logisch omdat hierbij wordt aangesloten bij het

NMP4. In de analyse is tevens getoetst aan de richtwaarden als opgenomen in bijvoorbeeld de beleidsdocumenten van Gasunie, Rijkswaterstaat en Tennet.

Plaatsgebonden risico Omdat de definitieve windturbine nog moet worden bepaald zijn op basis van referentie turbines de maximale contouren bepaald. De afstanden voor de plaatsgebonden risicocontouren bedragen op basis hiervan maximaal respectievelijk 90 en 219 meter voor PR 10-5/jaar en de PR 10-6/jaar. Geconcludeerd wordt dat aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan.

Groepsrisico

Het groepsrisico betreft de kans dat een groep van meer dan 10 personen gelijktijdig wordt

getroffen als gevolg van een incident. Voor het windpark Rijnenburg & Reijerscop is dat alleen theoretisch mogelijk als een incident zou leiden tot het treffen van meerdere gebouwen. De

kans hierop is nihil. Er kan daarom gesteld worden dat het groepsrisico verwaarloosbaar laag is.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

24

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

De omgevingsrisico’s voor aanwezige personen wordt hiermee aanvaardbaar geacht.

Binnen de toetsingsafstanden van de windturbines bevinden zich geen (spoor- en vaar-) wegen, industrie, buisleidingen, dijklichamen, waterkeringen en hoogspanningsinfrastructuur. De risicoanalyse wijst uit dat hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden voor

omgevingsrisico’s voor deze objecten. Nader onderzoek of mitigerende maatregelen worden daarom niet nodig geacht.

Voor kleine onderdelen ijsafwerping is het risico in Nederland dermate klein dat algemeen

wordt aangenomen dat het PR hiervan verwaarloosbaar is. Windturbines dienen te voldoen aan de NVN 11400-0 “Windturbines, voorschriften voor typecertificatie, technische eisen” of haar opvolger IEC 61400-1 “Wind Turbine Safety and Design“ waarin eisen en richtlijnen zijn

opgenomen om onveilige situaties (o.a. brand, elektrocutie, afwerpen van ijsafzetting) te voorkomen. In de directe omgeving zijn geen wegen en vrijwel geen bebouwing aanwezig. Voor het Windpark Rijnenburg & Reijerscop is de kans dat personen getroffen worden als gevolg van ijsafzetting te verwaarlozen. 3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar risico’s voor de omgeving en dat wordt voldaan aan de wettelijke normen de overige richtwaarden voor externe veiligheid.

Daarnaast zijn er geen overige objecten aanwezig die aanleiding geven voor nader onderzoek of het nemen van mitigerende maatregelen vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid. Er zijn uit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen voor de te plaatsen windturbines.

4. Geluid en trillingen 4.1 Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt dor de windturbines. De veroorzaakte geluidsniveaus in de omgeving en de perioden waarin deze optreden, zijn in kaart gebracht in een akoestisch rapport van adviesbureau Bosch & van Rijn (d.d. 5 december 2023).

Met de opzet en inhoud van dit rapport kunnen wij instemmen. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de

geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsniveaus, te weten de jaargemiddelde norm Lden de maximale momentane geluidbelasting. Tevens worden de aspecten laagfrequent geluid, cumulatie en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting beoordeeld. 4.2 Geluidsbelasting In het kader van het Combi-MER en voor de omgevingsvergunningaanvraag is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (in het vervolg akoestisch onderzoek Combi-MER). Hierbij zijn diverse

windenergieopstellingen onderzocht die verschillen door het aantal windturbines en de locatie

van de windturbines. Bij elke alternatief is een variant met een ashoogte van 125 meter en een variant met een ashoogte van 180 meter beoordeeld. Uit het onderzoek van de alternatieven is een voorkeursalternatief (VKA) gekozen. Het gaat om een windturbinepark alternatief die

bestaat uit 4 windturbines. Deze VKA is de windenergieopstelling waarvoor de onderliggende

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

25

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

vergunning is aangevraagd. Voor deze opstelling zijn twee typen windturbines doorberekend.

Het gaat om een windturbinetype met een ashoogte van 140 meter (ondergrens variant) en een windturbinetype met een ashoogte van 180 meter (bovengrens variant).

De wind-turbinetypen zijn zodanig gekozen dat daarmee de minimale en maximale

geluidbelasting in de omgeving van het windpark kan worden weergegeven. In het akoestisch rapport wordt ingegaan op diverse aspecten zoals laagfrequent geluid, cumulatie van geluid, maximale momentane geluidsbelasting en geluidsbelasting op de gevel.

Geluidsnorm Tot voor kort was de landelijke geluidnorm in het Abm voor windparken van tenminste 3 windturbines 47 dB Lden. De World Health Organisation (WHO) vindt deze geluidsbelasting aan de hoge kant en adviseert een norm van 45 dB(A) Lden (zie daartoe onder andere het rapport Environmental noise guidelines for the European Region, 30 januari 2019, WHO, ISBN:

9789289053563). Dit komt overeen met de gebruikelijke doelstelling van de WHO dat niet meer dan 10% van de blootgestelde bevolking een hoge mate van geluidsoverlast

vertoont. Deze aanbeveling is voorwaardelijk, zoals gesteld door de WHO: “De voorwaardelijke aanbeveling vereist een beleidsvormingsproces met substantieel debat en de betrokkenheid van verschillende belanghebbenden. Er is minder zekerheid over de doeltreffendheid ervan vanwege de lagere kwaliteit van het bewijs van een netto voordeel, de tegengestelde

waarden voorkeuren van de getroffen personen en bevolkingsgroepen de implicaties van de

aanbevelingen in termen van middelen, die aanzienlijk kunnen zijn. Als gevolg hiervan kunnen

er omstandigheden of instellingen zijn waarin het niet van toepassing is.” Voor de normstelling van windpark Rijnenburg en Reijerscop hebben wij het advies van de GGD en de WHO om 45 dB Lden op geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen) als grenswaarde te hanteren

meegewogen en aanvaardbaar geacht. Daarin volgen wij de aanbevelingen van de landelijke expertgroep gezondheidseffecten (in hun rapport Advies Expertgroep Gezondheidseffecten Windturbines) en hebben wij de conclusies uit het RIVM rapport Gezondheidseffecten van

windturbinegeluid 2020-0214 meegewogen. De ligging van woningen is zodanig dat bij deze norm geen mitigerende maatregelen (zoals het terug regelen van windturbines) nodig zijn,

waardoor deze norm niet leidt tot opbrengstverlies. Het hanteren van een nog strengere norm zorgt voor dermate beperkte milieuwinst dat deze ons inziens niet opweegt tegen de benodigde beperking van energieproductie.

TNO heeft de dosis-effectrelatie (verhouding tussen geluidsemissie en hinderpercentage) voor windturbinegeluid bepaald (Janssen, Vos, & Eisses, Hinder door geluid van windturbines,

2008). Met deze dosis-effectrelatie wordt de relatie bepaald tussen een Lden waarde en het percentage ernstige gehinderden binnenshuis door geluid van windturbines. Hoewel

windturbines in de afgelopen jaren groter zijn geworden is deze dosis-effectrelatie nog steeds geldig. Het hierboven geciteerde WHO-rapport baseert zich op diezelfde publicatie. Het statistisch verwachte totaal aantal ernstig gehinderden als gevolg van windpark Rijnenburg en Reijerscop is bij de norm van 45 dB(A) Lden voor de VKA bovengrens maximaal 28 personen en voor de VKA ondergrens maximaal 2 personen.

De prognose van het aantal ernstig gehinderden hebben wij zorgvuldig overwogen en op basis van onze belangenafweging achten wij een norm van 45 dB Lden en 39 Lnight redelijk.

In het geval van de VKA bandbreedte zijn er geen woningen waar een geluidsemissie hoger dan 45 dB Lden (voorwaardelijke aanbeveling WHO) voorkomt. Hierdoor is het niet nodig om te

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

26

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

mitigeren om aan de lokale geluidsnorm van 45 dB Lden te voldoen. Hierdoor is er dus ook geen mogelijke derving t.g.v. mitigerende maatregelen.

Ten behoeve van de vergunningaanvraag is van 10 maatgevende woningen de geluidsbelasting op de gevels inzichtelijk gemaakt. Bij deze berekening zijn ook de omliggende gebouwen

gemodelleerd voor mogelijke geluidsreflectie. Het zogenaamde invallende geluid is berekend op een hoogte van 5 meter en op een afstand van 15 centimeter van de gevel. Het invallende geluidsniveau is het geluidsniveau dat op een gevel invalt zonder dat hierbij de eigen

gevelreflectie betrokken wordt. Hieruit volgt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de hoogst belaste gevel (Heijcopperkade 2B Utrecht) in het geval van de bovengrens van het VKA 45 dB Lden is.

Laagfrequent geluid

Naar de te verwachten effecten van laagfrequent geluid is onderzoek gedaan. Uit het

akoestisch onderzoek v0.10 van 5 december 2023 blijkt dat laagfrequent geluid niet zal leiden tot significante extra geluidhinder voor omwonenden. De geluidsbelasting bij maatgevende toetspunten ligt ver onder de Vercammen-curve die gewoonlijk wordt toegepast bij de

beoordeling van hinder door laagfrequent geluid. Naast laagfrequent geluid bestaat er ook nog infrageluid. Bij infrageluid liggen de geluidfrequenties nog lager dan bij laagfrequent geluid. Uit recent onderzoek (Marshall, 2023) naar de invloed van het zogenaamde infrageluid blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat gezondheidseffecten of slaapverstoring kunnen optreden als gevolg van infrageluid van windturbines. In 2017 en 2018 heeft het RIVM een grootschalig literatuuronderzoek uitgevoerd (van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018) waarin 32

wetenschappelijke artikelen uit de periode 2009-2017 zijn geanalyseerd. Dit onderzoek

concludeert: Geluid van windturbines leidt tot meer hinder dan geluid van andere bronnen. Er is geen bewijs voor een specifiek effect van de laagfrequente component noch van infrageluid. Een recent literatuuronderzoek van het RIVM (van Kamp & van den Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, 2020) concludeert dat uit beschikbare literatuur niet blijkt dat laagfrequent geluid van windturbines voor extra hinder zorgt ten opzichte van ‘gewoon’

geluid. De literatuur liet zien dat omwonenden minder hinder hebben van windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan. Gelet op het bovenstaande nemen wij in deze

omgevingsvergunning zowel geen norm op voor laagfrequent geluid als infrageluid (zie daartoe tevens uitspraak (zie daartoe tevens ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 39.2 en ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 27.2).

Amplitudemodulatie

De CombiMER v0.9 van 7 december 2023 verwijst op pagina 226 naar de memo ter motivering van de lokale normen. De memo ‘Onderbouwing lokale geluidsnorm Windpark Rijnenburg en

Reijerscop’ van 8 mei 2023, behandeld op pagina’s 4, 5 en 15 het aspect amplitudemodulatie. Daaruit volgt dat in de relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden de

zogenaamde amplitudemodulatie betrokken is. Dit betreft het kenmerkende ritmische karakter van het geluid van de wieken die de mast passeren. Amplitudemodulatie is niet een

afzonderlijk aspect van windturbinegeluid, maar juist een kenmerkend onderdeel ervan (zie ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 26.2). Het fenomeen amplitudemodulatie wordt daarom

meegenomen bij het stellen van de jaargemiddelde norm. Er bestaat ook een extreme vorm

van amplitudemodulatie. Extreme amplitudemodulatie is een niet gebruikelijk en sporadisch voorkomend verschijnsel. De oorzaak van extreme amplitudemodulatie is ook niet helemaal duidelijk. Extreme amplitudemodulatie is alleen waargenomen bij een beperkt aantal

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

27

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

windparken. Het is voor windturbines en windparken een onregelmatig en atypisch fenomeen. Het treffen van maatregelen is daarmee ook erg lastig (zie ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 26.3). Gegeven het bovenstaande nemen wij in deze omgevingsvergunning geen norm op voor (extreme) amplitudemodulatie (zie daartoe tevens ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 40).

Maximale momentane geluidbelasting Wij nemen via een voorschrift in deze omgevingsvergunning een extra borging op dat de windturbines naar behoren werken. Daarom wordt voor het windpark een norm voor

equivalent geluidsniveau over 1 minuut (LAeq1min) opgenomen waar ten alle tijden aan

voldaan moet worden, ongeacht windsnelheid. Uit analyse blijkt dat het piekgeluid van de voor het Windpark Rijenburg en Reijerscop in aanmerking komende windturbines maximaal 3 dB hoger is dan het jaargemiddelde geluid, zoals hierboven benoemd. Een windturbine die jaargemiddeld een geluidsbelasting veroorzaakt van 39 dB Leq (= 45 dB Lden met de

straffactoren voor avond en nacht), veroorzaakt dus een maximale geluidbelasting van 42 dB LAeq1min.

Methode waarmee de gevolgen voor het milieu inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Het Reken- en meetvoorschrift windturbines (bijlage 4 bij de Arm, zoals deze gold op 29 juni 2021, bevat geen methode voor het uitvoeren van immissiemetingen. Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is daarmee niet toereikend om het equivalent geluidsniveau over 1 minuut (LAeq1min) t.g.v. windturbines te meten. In aanvulling van het Reken- en

meetvoorschrift zijn voor de immissiemetingen meetpunten nodig waarvan de directe

omgeving vrij is van obstakels. Uit praktische overwegingen bevinden de meetpunten zich op de berekende 45 dB Lden contour (zie akoestisch onderzoek Combi-MER).

Cumulatie In het akoestisch onderzoek Combi-MER is de cumulatie met andere geluidsbronnen beoordeeld. Daartoe is een inventarisatie gemaakt van geluidsbronnen in de omgeving van het

windpark. Vervolgens is de bestaande situatie vergeleken met de situatie met windturbines. De voornaamste geluidsdruk in de omgeving komt van wegverkeerlawaai (camouflagegeluid –

welk normaliter een grond vormde om een hogere norm te hanteren dan de norm van 47 Lden uit het Abm die indertijd gold) en industrielawaai. Er zijn geen andere windturbines in

de omgeving die impact hebben op de geluidsniveaus bij de woningen. De huidige cumulatieve geluidsbelasting van industrie en wegverkeer samen wordt berekend volgens de rekenregels. Ook de geluidsbelasting als gevolg van de windturbines kan door middel van een rekenregel worden omgerekend naar equivalente geluidsniveaus, waarna deze toevoeging kan worden opgeteld bij de huidige geluidsbelasting. Het onderzoek berekent het gecumuleerd geluid

a.g.v. zowel industrie als wegverkeer, geluid a.g.v. windturbines omgerekend naar equivalent geluidsniveau, nieuw gecumuleerd geluid a.g.v. industrie, wegverkeer en windturbines en de toename van het geluidsniveau (het verschil tussen Lcum,nieuw en Lcum,oud).

Bij de VKA (ondergrens) VKA is er geen toename van het aantal ernstig gehinderden, bij de VKA (bovengrens) wordt een toename van twee ernstig gehinderden verwacht.

Indirecte hinder Verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting kan ook indirecte hinder met zich meebrengen. Het gaat hierbij om geluidhinder die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de inrichting, maar die wel aan de inrichting is toe te rekenen. Bij een windturbinepark is geen sprake van indirecte hinder.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

28

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

4.3 Conclusies

Na zorgvuldige afweging van bovengenoemde belangen en op basis van de toegevoegde informatie en wat thans algemeen gangbaar is, achten wij een geluidsbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, in de omgeving van het nog te

realiseren windpark Rijnenburg en Reijerscop, aanvaardbaar. Uit de rekenresultaten die zijn

opgenomen in deze omgevingsvergunning blijkt dat de voorgestelde ingebruikname van het nog te realiseren windpark, bestaande uit vier windturbines, voldoet aan de door ons gestelde geluidsnormen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Om deze reden zijn wij van mening dat de

voorgestelde ingebruikname van het windpark niet zodanige geluidsoverlast zal veroorzaken dat er een onaanvaardbare impact zal zijn op de bescherming van het milieu. Omdat er nog geen definitieve keuze is gemaakt welk voorkeursalternatief (VKA-ondergrens of VKAbovengrens) gerealiseerd gaat worden, gelden de geluidvoorschriften voor beide varianten. 4.4 Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige

bestemmingen is trillingshinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij

daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

5. Slagschaduw 5.1 Vooroverwegingen slagschaduwnorm

Tot 30 juni 2021 gold een rechtstreeks geldende slagschaduwnorm voor windparken, opgenomen in de Arm: voor gevoelige objecten binnen een afstand van 12 maal de

rotordiameter gold dat de windturbine moet worden afgeschakeld wanneer er "gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden".

Omdat voor het Abm en bijbehorende Arm ten onrechte geen plan-MER is opgesteld, zijn deze normen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State buiten toepassing

verklaard voor windturbineprojecten die vallen onder bijlage I van de Europese Mer-richtlijn. In de uitspraak van Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:1395 wordt expliciet door de ABRvS genoemd dat een gemeenteraad niet verplicht is aan te sluiten bij de normen uit het Abm en de Arm. De raad kan er ook voor kiezen om eigen normen te hanteren. Die normen moeten dan zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Voor de windturbines van Windpark Rijnenburg en Reijerscop is een uitgebreid

slagschaduwonderzoek uitgevoerd (deze moet in samenhang met de Oplegnotitie Slagschaduw windpark Rijnenburg en Reijerscop gelezen worden), waarmee in beeld is gebracht hoeveel

hinderlijke slagschaduw het windpark op jaarbasis kan veroorzaken op omliggende woningen en kantoren. Het gebied waarbinnen 'hinderlijke slagschaduw' kan optreden wordt berekend

onder een aantal aannames, waaronder de minimale zonhoek. In de praktijk kan hiervoor een 3 graden of 5 graden zonhoek boven de horizon worden gehanteerd. Een veelgebruikte en ook in rechtspraak geaccepteerde aanname is een minimale zonhoek van 5 graden (zie daartoe onder andere de uitspraken van de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2016:1228 en

ECLI:NL:RVS:2018:616, waarin ook de minimale zonafdekking van 20% wordt geaccepteerd). Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. Naar aanleiding van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (gepubliceerd 11 oktober 2023) wordt gekozen om een minimale zonhoek van 3 graden boven de horizon te

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

29

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

hanteren. Dit biedt een nog betere bescherming tegen slagschaduw dan de 5 graden boven de horizon. Daarnaast is de aanname aangehouden van een minimale zonafdekking van 20%. 5.2 Beoordeling

In het kader van het Combi-MER en voor de omgevingsvergunningaanvraag is een

slagschaduwonderzoek uitgevoerd. Uitgangspunt voor het slagschaduwonderzoek is dat een beperkingsvoorziening nodig is wanneer er 'hinderlijke' slagschaduw optreedt bij gevoelige

objecten. In de Arm is opgenomen dat als een windturbine binnen een afstand van 12 maal de

rotordiameter de hinderlijke slagschaduwnorm ter plaatse van gevoelige objecten overschrijdt, deze door middel van een automatische stilstand voorziening moet worden afgeschakeld. In het geval van Windpark Rijnenburg en Reijerscop gebeurt dit voor alle woningen binnen de berekende 0 uur 'hinderlijke' slagschaduwcontour. Tijdens het moment van buitenwerking stellen kan in verband met de technische stilzettijd zeer kortstondig slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten.

Er bevinden zich bij de bovengrens 2716 2852 woningen binnen de 0 uur per jaar hinderlijke slagschaduwcontour. Dat wil zeggen dat bij deze woningen meer dan 0 uur hinderlijke slagschaduw per jaar optreedt. Om dit terug te brengen naar 0 uur per jaar hinderlijke slagschaduw zal daarom mitigatie door middel van stilstand toegepast

worden om hieraan te voldoen. Deze stilstand zorgt ervoor dat bij overschrijding van een vooraf gesteld maximum de windturbine wordt uitgeschakeld. De voorziening wordt per

slagschaduwgevoelige woning vooraf ingeregeld, aangezien het gaat om specifieke momenten die van te voren bepaald kunnen worden afhankelijk van de zonnestand. Daarnaast wordt

gemeten (doormiddel van sensoren op de windturbines) of er daadwerkelijk voldoende zon en wind (en dus hinderlijke slagschaduw) is op die momenten.

Voor de norm voor kantoren van maximaal 5 uur en 40 minuten slagschaduw per jaar op werkdagen tijdens kantooruren is ook berekend hoeveel hinderlijke slagschaduw er resteert en hoe vaak de windturbines moeten worden stilgelegd om te voldoen aan deze norm. 5.3 Beoordeling In de omgeving van Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn slagschaduwgevoelige objecten (woningen) aanwezig waar 'hinderlijke' slagschaduw optreedt. Om te voldoen aan de lokale slagschaduwnorm worden de beoogde turbines voorzien van een automatische

stilstandvoorziening. In deze omgevingsvergunning is opgenomen dat bij exploitatie van het windpark ter plaatse van gevoelige objecten (woningen) aan deze geen 'hinderlijke'

slagschaduw moet worden voldaan. Omdat ook kantoren kunnen worden getroffen, is de

schaduwwerking daar gemaximeerd op 5 uur en 40 minuten per jaar tijdens doordeweekse kantoortijden.

6. Lichtschittering Het effect van lichtschittering kan eenvoudig worden voorkomen door de betreffende objecten en oppervlakken te voorzien van een anti-reflecterende coating of gebruik te maken van niet

reflecterende materialen. Voor windturbines is dit standaardpraktijk en wordt dit geborgd door reflectiewaarden te controleren via de certificering van de windturbine en de NEN-EN-ISO 2813:2014 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. Bovenstaande volgt uit jurisprudentie.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

30

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

7. Aanduidingen t.b.v. luchtvaartveiligheid Windturbines worden voorzien van markering en obstakellichten ten behoeve van de luchtvaartveiligheid zoals geven in de meest recente versie van het “Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland”.

8. Overige aspecten 8.1 Artikel 5.7 eerste lid, e tot en met h van het Bor

Verspreiding verontreinigingen De inrichting veroorzaakt geen grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen Bijzondere bedrijfsomstandigheden Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden is het volgende voorschrift in deze vergunning opgenomen: voorschrift 1.3.1.

Ongevallen Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen, is het volgende voorschrift in deze vergunning opgenomen: voorschrift 1.3.1. Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die

de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie is in paragraaf 1.7 van deze vergunning voorschrift 1.7.1 opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op het melden en op het op milieu-hygiënische verantwoorde wijze verwijderen van verontreinigingen. 9.

Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de oprichting van een inrichting kan worden

geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu kan worden verleend. In deze omgevingsvergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

Activiteit Uitvoeren werkzaamheid (aanleg) Het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor een aanlegvergunning vereist is op grond van het bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1 sub b. van de Wabo). Overweging

Uit artikel 2.11 lid 1 van de Wabo blijkt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarover regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

31

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

Planologisch kader In Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn regels ter bescherming van archeologische waarden opgenomen. Voor het grondwerk dat voor de windturbines verricht moet worden geldt een vergunningplicht (artikel 17 lid 17.4 van de planregels). De aanvrager heeft hiertoe bij zijn aanvraag stukken gevoegd ter beoordeling van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de archeologische waarden. Beoordeling

De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd ligt deels in een gebied met de aanduiding

'overige zone - archeologische verwachting 4', deels in een gebied met de aanduiding 'overige zone archeologische verwachting 6'. In beide gebieden worden de vrijstellingsgrenzen van resp. 100 en 5.000 m2 overschreden door de voorgenomen ingrepen. Daarom is er bij de aanvraag om

omgevingsvergunning een archeologierapport ‘Archeologisch vooronderzoek in het kader van de

aanleg van windpark Rijnenburg te Utrecht, gemeente Utrecht’, uitgevoerd door Vestigia van 9 maart 2023 ingediend. Het onderhavige bouwplan voldoet aan de voorwaarden waaronder medewerking kan worden verleend voor de benodigde aanlegvergunning. Uit de beoordeling is gebleken dat het

grondwerk geen directe of indirecte gevolgen lijkt te hebben voor het archeologische erfgoed of dat er maatregelen worden getroffen. Conclusie

Er zijn geen redenen om geen medewerking te verlenen aan de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Uitvoeren werkzaamheid’ (aanleg). Voorschriften Er moet een inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen worden uitgevoerd. Dit booronderzoek moet (in afwijking van het rapport Vestigia-rapportnummer V2422 van 9 maart 2023) ook de vier turbinefundamenten bestrijken. Er mag niet eerder met het grondwerk worden

begonnen voordat er goedkeuring is gegeven door de afdeling Archeologie op het inventariserend veldonderzoek.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

32

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

BIJLAGE: BEGRIPPEN AFVALSTOFFEN: Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AFVALWATER: Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT): Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan

veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de

inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het

ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld. EQUIVALENT GELUIDSNIVEAU (LAEQ):

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een

bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" 1999, uitgegeven door het Ministerie van VROM. GELUIDSGEVOELIGE BESTEMMINGEN:

Gebouwen of objecten, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). GELUIDSNIVEAU IN DB(A):

Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651, uitgave 1989. GEVAARLIJKE STOFFEN: Gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 1, lid 1 onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. GEVOELIGE OBJECTEN: Woningen, een onderwijsgebouw, een ziekenhuis, een verpleeghuis, een verzorgingstehuis, een psychiatrische inrichting, een kinderdagverblijf, een standplaats van een woonwagen en ligplaats van een woonschip.

LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT): Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een

bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

33

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

Lden

Lden is een jaargemiddeld geluidsniveau. Het wordt berekend per kalenderjaar. Lnight

Het over alle nachtperioden van een kalenderjaar gemiddelde geluidniveau. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax): Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de

meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. HINDERLIJKE SLAGSCHADUW: Voor het berekenen van de 0 uur per jaar slagschaduwcontour wordt uitgegaan van ‘hinderlijke’ slagschaduw. Het gebied waarbinnen ‘hinderlijke’ slagschaduw kan optreden wordt berekend onder de volgende aannames; minimale zonnehoek is 3 graden en minimale zonafdekking is 20%. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. PREVENTIE:

Maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter

vermindering van: de hoeveelheden afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik van producten of de verlenging van de levensduur van producten; de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid, of het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en producten.

REFERENTIENIVEAU:

De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162): het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat

gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door

wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode. TRILLING:

Mechanische beweging rond een referentiepunt dat in evenwicht is. VERKEERSBEWEGING:

Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. WONING: Gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met

toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het

bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

34

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

BIJLAGE: ZIENSWIJZEN Er zijn twee zienswijzen ingediend die alleen betrekking hebben op de ontwerp-omgevingsvergunning. Deze twee zienswijzen zijn hieronder samengevat weergegeven en voorzien van een reactie. Daarnaast zijn er nog 117 zienswijzen ingediend die betrekking hebben op alleen het ontwerpbestemmingsplan

of op het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-uitvoeringsbesluiten. Deze zijn beantwoord in het vaststellingsrapport, behorende bij Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop.

Zienswijze 1 Positieve zienswijze Reclamant is van mening dat de hele provincie Utrecht en zeker ook de gemeente Utrecht achterlopen op de rest van het land wat betreft de productie van duurzame energie, terwijl hier afgaande op het

stemgedrag bij recente verkiezingen juist zoveel mensen wonen die CO2-reductie belangrijk vinden. Daarom steunt reclamant het verlenen van deze vergunning van harte. Reclamant vindt het goed dat het er op deze uitermate geschikte locatie eindelijk van gaat komen. Dat er nog vele windturbines mogen volgen rond Utrecht!

Reactie: Dank voor uw positieve zienswijze. Dit ondersteunt het mogelijk maken van windturbines in Rijnenburg en Reijerscop en onze visie in de overstap naar duurzame energie. Zienswijze 2 Geluidshinder

Reclamant vreest dat de molens (in de wijk Rijnvliet) geluidshinder gaan veroorzaken. Vooral nu de A2 en de A12 het nodige geluid produceren, kan de aanleg van windmolens de geluidsdruk verder doen toenemen. Het geluid kan immers laag en hinderlijk zijn.

Reactie:

Cumulatief geluid is de opsomming van al het omgevingsgeluid. In de huidige referentiesituatie is er in de omgeving vooral geluid van de snelwegen A2 en A12, lokale wegen en wat industrieel geluid

afkomstig van bedrijventerrein Oudenrijn. De toevoeging van windturbinegeluid kan er voor zorgen dat het niveau van het omgevingsgeluid stijgt. Naast het reguliere geluidonderzoek dat antwoord geeft op

de vraag of geluidnormen bij de realisatie van het windpark worden overschreden, is ook de cumulatie

van geluid in beeld gebracht. In het geluidonderzoek is in tabel 26 de cumulatieve geluidsbelasting als gevolg van het voorkeursalternatief weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat bij twee woningen (deze liggen niet in Rijnvliet) de gecumuleerde waarde met 2 dB is toegenomen ten opzichte van de gecumuleerde waarden zonder het windturbinepark.

Bij de overige maatgevende woningen is de toename niet meer dan 1 dB. Uit deze tabel blijkt ook dat

de geluidbijdrage als gevolg van het windturbinepark bij de meeste maatgevende woningen veel lager ligt dan de geluidbijdrage als gevolg van wegverkeer.

Wij hebben lokale (geluid)normen opgesteld, waarbij het aandeel duurzame energieopwekking is afgewogen tegen de belangen van de omgeving, waaronder die van omwonenden.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

35

Vergunningen, Toezicht en Handhaving Afdeling Vergunningen Ons Kenmerk

HZ_WABO-22-26676

Er is geen Nederlandse wettelijke norm voor laagfrequent geluid van windturbines. Onderzoek (Peutz

(2023). Onderzoek naar laagfrequent geluid ten gevolge van windturbines. Onderzoek in het kader van de planMER, Windturbinebepalingen Leefomgeving) ter onderbouwing van de landelijke ontwerp

windturbinebepalingen toont aan dat omwonenden voldoende beschermd worden voor laagfrequent

geluid bij geluidsnormen van 47 dB Lden en dit wordt ook bevestigd in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2023 (met de kenmerken

ECLI:NL:RVS:2023:1433 en ECLI:NL:RVS:2023:1446) over windparken met een geluidnorm van 47 dB Lden. De lokale voorgestelde norm voor windpark Rijnenburg en Reijerscop, met een waarde van 45 dB Lden beschermt de omwonenden dan ook (temeer) voldoende.

Conclusie:

De ingediende zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de ontwerp-omgevingsvergunning.

Bezoekadres: Stadskantoor, Stadsplateau 1 3521 AZ Utrecht

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=bd1953a8-be97-4ce4-87a1-41a87f319d21