CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van beantwoordingen zienswijzen Beleidsnota Warmte

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Beleidsnota Warmte 2025-203516.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de colofon van de Beleidsnota Warmte korte beschrijving van de foto’s opnemen.

Antwoord

Wijziging

Zie antwoord bij de provincie bij punt Bodemenergie 2e watervoerende pakket

Zie antwoord bij de provincie bij punt Bodemenergie 2e watervoerende pakket

Juni 2025 20

procedure wordt doorlopen1, kunt u de gestelde uitgangspunten en randvoorwaarden in de “beleidsnota warmte en warmteprogramma” planMER nog niet onderbouwen of gebruiken. Het bevreemdt ons dan ook dat een sterkere onderlinge samenhang tussen de verschillende sporen op inhoud en proces ontbreekt. Wij vragen u om een veel duidelijkere onderlinge samenhang aan te brengen tussen deze sporen, om te vermijden dat de beleidsnota onderbouwd wordt met 10 jaar oude inzichten en al achterhaald is op het moment dat de beleidsnota vastgesteld moet worden. Voorkomen opwarming drinkwater in leidingen Daarnaast schrijft u in uw ontwerpnota dat in buurten waar energiesystemen een negatieve invloed kunnen hebben op de leveringstemperatuur van drinkwater "waar mogelijk” mitigerende maatregelen getroffen zullen worden om de effecten op de drinkwatertemperatuur te beperken. De vrijblijvendheid van “waar mogelijk” zouden we in de definitieve nota graag verwijderd zien omdat bij opwarming van het drinkwater de kans op verontreiniging door bacteriën toe neemt, wat een bedreiging is voor de volksgezondheid

Milieueffectrapport (planMER): Beoordeling in relatie tot dieptebeperkingen Citaat pagina 95-96: “Een groot gedeelte van Utrecht valt binnen het beheergebied van het Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Daarbinnen mag de scheidende laag tussen het 1e en 2e watervoerende pakket niet worden doorboord teneinde het dieper gelegen grondwater te beschermen. In de onderstaande effectbeschrijvingen per alternatief is in eerste instantie geen rekening gehouden met deze locatie specifieke situatie en wordt ervan uitgegaan dat er geen dieptebeperkingen voor de boringen gelden.” Wij maken bezwaar tegen dit uitgangspunt. Dit uitgangspunt staat namelijk op gespannen voet met de eerder in deze paragraaf geuite “Dit [het meevoeren van verontreinigingen] is onwenselijk omdat dieper gelegen watervoerende pakketten kunnen worden gebruikt om water voor consumptie te winnen”. Doorboringen en activiteiten in het 2e

Wij onderschrijven het belang van veilig drinkwater en zullen daarom altijd proberen opwarming van het drinkwater te voorkomen. Dit zinsnede ‘waar mogelijk’ is niet vrijblijvend, we benadrukken daarmee dat we ons inspannen. We vinden het belangrijk te benoemen dat andere factoren dan de aanleg van warmtenetten ook een belangrijke rol spelen bij de opwarming van drinkwater. We weten uit onderzoek dat de invloed van klimaat, bodemsoort en bodembedekking zeer groot zijn, vaak groter dan het warmtenet (KWR, 2022). De mate van opwarming van het drinkwater hangt dus niet alleen af van de plaatsing van een warmtenet. Daarnaast kunnen we niet met volledige zekerheid zeggen dat enige invloed op het drinkwater voorkomen kan worden. In de drukke ondergrond van Utrecht zullen verschillende opgaven en belangen afgewogen moeten worden, waarbij het drinkwater natuurlijk zeer belangrijk is, maar de warmtevoorziening, klimaatadaptatie en bijv. afvalvoorzieningen zijn dat ook. De afweging zal dus altijd integraal met andere opgaven plaatsvinden. De tekst uit het planMER op p.95-96 wordt benoemd dat er geen dieptebeperkingen zijn meegenomen in de algemene effectbeschrijvingen per alternatief.

Dit betekent juist dat de effectbeoordeling in feite strenger (dus met hogere inschatting van negatieve effecten) is gemaakt, omdat er in de praktijk geen boringen mogen worden uitgevoerd naar het 2e watervoerend pakket. De dieptebeperkingen worden vervolgens wel meegenomen in onder de kop ‘locatie specifiek’ er staat “wordt vervolgens ingegaan op de impact van het Gebiedsgericht Grondwaterbeheer en de grondwaterbeschermingszones op de effecten.” Er wordt dus zeker rekening gehouden met de aanwezige dieptebeperkingen. De effectbeoordeling zou daarmee in het beheergebied van het gebiedsgericht grondwaterbeheer naar minder negatief kunnen worden bijgesteld omdat de risico’s voor vervuiling kleiner zijn als er geen doorboring mag plaatsvinden.

Geen

Geen

Juni 2025 21

watervoerende pakket brengen risico’s met zich mee met mogelijk aanzienlijke negatieve milieugevolgen, en vormen als zodanig een concrete bedreiging voor de toekomstige drinkwatervoorziening Leidsche Rijn en De Meern. We zien graag dat in de beoordeling - in tegenstelling tot het gehanteerde uitgangspunt - juist in hoge mate rekening gehouden wordt met aanwezige dieptebeperkingen ten opzichte van de voor de alternatieven gebruikelijke diepteligging. Aanpassen beoordelingsscore Op pagina 96-98 beschrijft u de risico’s van geothermie en HTO in de aanleg en gebruiksfase. In de beschrijving van de aanlegfase ontbreekt de beoordeling van het opslaan en afvoeren van verontreinigde boorspoeling en formatiewater dat ontstaat bij het boren en ontwikkelen van de warmtebronnen. Tevens concludeert u als volgt (citaat pagina 97):”De kans op het optreden van lekkages is bij geothermie en HTO klein vanwege het beperkte aantal boringen (4 stuks, aan de rand van de stad), de gebruikte werkmethodes en het systeem van kwaliteitsborging bij deze boringen. Aangezien er wel een klein risico aanwezig is wordt het stadsbreed warmtenet licht negatief beoordeeld.” Het ontbreekt hier aan een relevante bronvermelding die deze conclusie staaft.

Vitens is van mening dat deze conclusie namelijk onjuist is: hoewel de kans op lekkages in inderdaad ook afhangt van het aantal systemen, is de conclusie dat de risico’s klein zijn onjuist. Bij lekkages uit geothermiesystemen is de milieu-impact namelijk mogelijk véél groter2,3. In de gebruiksfase beschrijft u zowel de algehele risico’s van geothermie en HTO voor de kwaliteit van het grondwater. U concludeert op pagina 98 (citaat):”[…] is er in de praktijk geen sprake van risico’s voor de drinkwaterwinning.” Het is van belang hierbij te vermelden dat deze conclusie teruggrijpt op de thermische milieugevolgen, en niet op het totale risicoprofiel van geothermie of HTO projecten. Daarnaast moet vermeld worden dat in de aangehaalde TNO studie geen aandacht is geweest voor de lange termijn effecten van thermisch gedreven grondwaterstromingen en grondwaterkwaliteitsveranderingen. Zo kunnen bijvoorbeeld verontreinigingen door thermische effecten, die zich mogelijk beperken tot een straal van ca 100m van de put, op de langere termijn alsnog verspreid worden door de van nature aanwezige grondwaterstroming van de Utrechtse Heuvelrug naar de polders ten westen van Utrecht, en de tussenliggende drinkwaterwinningen Leidsche Rijn en de Meern negatief beïnvloeden.

Er zijn in dit alternatief dus wel degelijk grote risico’s voor de grondwaterkwaliteit (kaderrichtlijn water grondwaterlichaam) en de drinkwatervoorziening. De reistijd naar de drinkwaterwinning is alleen groter dan 25 jaar. De risico’s in de aanleg en gebruiksfase van

Aanlegfase: De risico’s tijdens de aanlegfase zijn beperkt. Uit door SodM aangeleverde cijfers over de periode 2010-2019 komen 16 incidenten naar voren van lekkages en vermorsingen op geothermielocaties. Het ging hierbij om hydraulische olie (7x), formatiewater en vervuild water (3x), boorspoeling (3x), zuur (3x) en diesel (1x) in (zeer) geringe hoeveelheden variërend van ‘enkele spetters’ tot zover bekend maximaal enkele m3. In twee gevallen is een zeer geringe hoeveelheid materiaal (hydraulische olie en vervuild water) buiten de beschermende voorziening terecht gekomen waarna de bodem direct is gesaneerd. Uit bovenstaande blijkt dat de bodembeschermende voorzieningen en het systeem van melding en opvolging een effectieve barrière vormt tegen verontreiniging van bodem en grondwater.

Aanvullende toelichting in planMER

Gebruiksfase: Wat betreft de gebruiksfase: Kortsluitroutes tussen verschillende watervoerende pakketten zijn vooralsnog niet aangetoond bij geothermie en zijn ook moeilijk te detecteren door de in de regel geringe drukverschillen en het ontbreken van hierop gerichte monitoring. Wel komt uit data van SodM één geothermieput naar voren waar via de annulus tussen de surface casing en conductor casing mogelijk contact is tussen een formatie beneden de geohydrologische basis en het oppervlak. De discussie over de oorzaak hiervan is nog niet afgerond. Er zijn verder geen aanwijzingen voor lekkage naar het grondwater buiten de surface- en conductorcasing. (bron: Mogelijke langetermijneffecten van grootschalige geothermie op grondwaterkwaliteit | STOWA). Op basis van deze informatie zien wij geen aanleiding om de effectbeoordeling aan te passen. Voor HTO-systemen, die minder diep zijn, zien we ook geen redenen de effectbeoordeling aan te passen. Bovendien is de effectbeoordeling gebaseerd op niet alleen geothermie en HTO, maar op de totale bronnenmix waar geothermie en HTO slechts een klein deel van uitmaken. Juni 2025 22

geothermie- en HTO-systemen zijn dusdanig hoog, en met grote onzekerheden omgeven, dat deze alternatieven volgens Vitens in de beoordelingstabel 5.17 op p101 dus niet “0/-“ moeten scoren maar “-“ tot “--". Strategische voorraden ontbreken Binnen de gemeentegrens bevinden zich Strategische Grondwatervoorraden. Die ontbreken in Figuur 5.22. Zie daarvoor bijv. https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/documenten/1Handreiking-Grond-en-oppervlaktewaterbescherming-van-bronnenvoor-drinkwater-bij-ruimtelijke-plannen-en-activiteiten.pdf figuur 2.3 op p19. Er ontbreekt in het planMER een beoordeling van de alternatieven t.a.v. die voorraden. Toetsing aan zorgplicht voor de grondwaterkwaliteit Ten slotte wijzen we de gemeente en provincie graag op hun gezamenlijke zorgplicht ten aanzien van een goede waterkwaliteit: het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (resultaatsverplichting) om te voorkomen dat drinkwaterbedrijven zich extra moeten inspannen om er drinkwater van te maken. En het streven naar verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater (inspanningsverplichting) om ervoor te zorgen dat drinkwaterbedrijven zich minder hoeven in te spannen om er drinkwater van te maken.

In het waterbeheerprogramma (waterschap), het regionaal waterprogramma (provincie) het Regionaal Waterplan en het Nationaal Waterprogramma (Rijk) zijn maatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de specifieke omgevingswaarden voor drinkwaterinname. Er mist een concrete doorvertaling van de zorgplicht onderliggend aan die programma’s (beleidskader tabel 5.13 op p 88) naar dit planMER. In hoeverre worden de ambities, opgaven, maatregelen en beleidskeuzes in die programma’s en plannen bemoeilijkt door de in het planMER voorgestelde alternatieven?

Zienswijze 11 – Wijkplatform Noordwest

Tenslotte is op basis van de eerste resultaten van de proefboring bij De Bilt door EBN geconstateerd dat de ondergrond in de gemeente Utrecht ongeschikt is voor geothermie. De kans dat er een geothermieput komt in Utrecht is daarmee vrijwel uitgesloten, wat ook de bijbehorende risico’s nihil maakt. Voor deze strategische voorraden geldt een gelijk antwoord als het antwoord op ‘Beoordeling in relatie tot dieptebeperkingen’. De effectbeoordeling verandert niet als delen van het tweede watervoerende pakket het stempel van een strategische grondwatervoorraad krijgen.

Geen

Het planMER heeft tot doel om milieueffecten van alternatieven inzichtelijk te maken. De effecten die de verschillende warmtealternatieven hebben op grondwaterkwaliteit zijn meegenomen in de planMER bij ‘ondergrond en grondwater’ (paragraaf 5.3.4) waar ook specifiek het drinkwaterbelang wordt benoemd, en voor alternatieven die veel gebruik maken van de bodem tot een negatieve effectbeoordeling leidt. Bij grootschalige toepassing van deze alternatieven zou het kunnen dat ambities, opgaven en beleidskeuzes uit bijv. het bodem- en waterprogramma van de provincie Utrecht worden bemoeilijkt. Er zal altijd een evenwicht moeten worden gevonden tussen het beschermen en benutten van de ondergrond. Dit is een integrale afweging, zoals ook wordt benoemd in het bodem- en waterprogramma, en de resultaten van de planMER dragen daar aan bij. We onderschrijven als gemeente zeker de zorgplicht. We hebben ook veel verschillende opgaven met verschillende belangen die moeten worden afgewogen die tegenstrijdig kunnen zijn. Zo hebben we ook de plicht om burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering en daarmee ook inzetten op mitigatie. De energietransitie is onderdeel van deze zorgplicht en kan soms in strijd zijn met andere belangen.

Geen

Antwoord

Wijziging

De werkgroep Wonen van het Wijkplatform Noordwest kan zich in grote lijnen vinden in de op 17 april jl. gepresenteerde OntwerpBeleidsnota Warmte. Met deze brief willen wij echter een aantal aandachtspunten onder uw aandacht brengen, die volgens ons essentieel zijn om de nota te versterken. Juni 2025 23

1. Zeggenschap en besluitvorming Al meer dan een jaar zijn wij als werkgroep in gesprek met de gemeente over het voornemen om de verschillende CBS-buurten in Utrecht Noordwest de komende decennia gefaseerd van het aardgas af te halen. Dit betekent dat woningen fossielvrij verwarmd zullen worden — een ingrijpende transitie met grote gevolgen voor bewoners. De werkgroep Wonen ziet hierin een duidelijke rol voor zichzelf en verwacht dat in de loop van dit jaar helder wordt wat die rol concreet inhoudt. Voor ons is het cruciaal dat bewoners gedurende het hele proces — van ontwikkeling tot en met realisatie — zeggenschap krijgen in de besluitvorming. De gemeenteraad heeft in 2024 de nota Samen Stad Maken vastgesteld, waarin het Kompas van Zeggenschap is opgenomen. In de ontwerpnota ontbreekt echter een uitwerking van de rol van bewoners in het licht van dit kompas. Gezien het belang van een breed gedragen collectief warmtesysteem pleiten wij ervoor om dit expliciet op te nemen in de beleidsnota. Het uitgangspunt “Samen aan zet” betekent voor ons dat bewoners mede-eigenaar zijn van dit proces. Hoewel in de ontwerpnota wordt gesproken over zeggenschap binnen een eventueel warmtebedrijf, willen wij benadrukken dat zeggenschap ook tijdens het ontwikkeltraject gegarandeerd moet worden.

Wij verzoeken u daarom om op te nemen dat vóór de start van het opstellen van een warmteprogramma met bewoners afspraken worden gemaakt over zeggenschap en besluitvorming. 2. Betaalbare collectieve warmte In de nota wordt het belang van collectieve warmtesystemen goed onderbouwd. Er wordt ook ruimte geboden aan bewoners om zelf in een individueel warmtesysteem te voorzien. In de praktijk zal dat echter (financieel) niet voor iedereen haalbaar zijn. Voor ons is betaalbare warmte een essentieel uitgangspunt. Collectieve systemen zijn alleen rendabel als er voldoende deelname is. Wanneer het traject te lang duurt en individuen hun eigen oplossingen zoeken, kan het draagvlak voor een collectief systeem onder druk komen te staan. Wij verzoeken u daarom om in het proces expliciet te maken dat collectieve warmtenetten goedkoper zijn wanneer voldoende bewoners deelnemen, en dat dit belang actief wordt gecommuniceerd. 3. Algemeen Sociaal Plan voor (sociale) huurwoningen Woningcorporaties bezitten een groot deel van het woningaanbod in Utrecht Noordwest. Een deel daarvan is al aangesloten op het warmtenet van Eneco, maar veel sociale huurwoningen zijn nog afhankelijk van aardgas. De ontwerpnota gaat niet in op de positie van huurders of hun zeggenschap binnen de warmtetransitie. Eerder

In het Warmteprogramma werken wij de kaders verder uit voor het proces waarin we samen met gebouweigenaren, -gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan een warmteleveringsgebied (warmtekavel) en de keuze van het warmtebedrijf. Dit omvat ook afspraken met bewoners over zeggenschap en besluitvorming. Tot het moment van de keuze van een warmtebedrijf hanteren we het niveau “Samen aan zet” uit het Kompas van Zeggenschap.

Toegevoegd aan Beleidsnota Warmte paragraaf 3.4 “Daarbij hanteren we het niveau “Samen aan zet” uit het Kompas van Zeggenschap

In de Beleidsnota Warmte is het belang van voldoende deelname verschillende keren benadrukt. In het Warmteprogramma zullen we uitwerking hoe we dit in de communicatie richting bewoners verder mee gaan nemen.

Geen

In een wijkuitvoeringsprogramma wordt voor een hele buurt een aanbod uitgewerkt dus ook voor huurders van woningbouwcorporaties. Deze aanpak wordt in samenwerking met woningbouwcorporaties uitgewerkt, waarbij wij ook zullen bespreken op welke wijze de rol en rechten van huurders kunnen worden gewaarborgd

Geen

Juni 2025 24

is bij herstructureringsprojecten onder De Utrechtse Opgave een Algemeen Sociaal Plan opgesteld om de belangen van huurders te borgen. Wij verzoeken u om met de woningcorporaties opnieuw een dergelijk plan op te stellen — specifiek gericht op de warmtetransitie — waarin ook de rol en rechten van huurders worden vastgelegd.

Zienswijze 12 – RWU (Regioplatform Woningcorporaties Utrecht)

Antwoord

Wijziging

Geacht college, Onder dankzegging voor de geboden mogelijkheid om deel te nemen aan de stakeholderbijeenkomst over de Ontwerp-Beleidsnota Warmte 2025-2035 op 14 mei jl., dienen wij hierbij onze zienswijze op genoemde nota in. Algemeen Als woningcorporaties zetten wij ons actief in voor de verduurzaming van onze woningvoorraad, en wij onderschrijven het belang van een toekomstbestendig, betaalbaar en collectief warmtesysteem. Wij zijn positief over deze nota, die naar ons oordeel een grotere kans van slagen heeft dan de voorgaande Transitievisie Warmte. Een publiek warmtenet in combinatie met ruimte voor buurtinitiatieven vergroot de kans op draagvlak in de stad. Tegelijkertijd willen wij enkele belangrijke aandachtspunten meegeven vanuit onze verantwoordelijkheid voor betaalbare huisvesting en haalbare investeringsplannen. Huurbevriezing De voorgestelde landelijke huurbevriezing heeft directe gevolgen voor onze investeringscapaciteit. De tijd is voorbij dat we genoeg financiële middelen hebben om te voldoen aan alle maatschappelijke opgaven die er zijn. Dit betekent concreet dat wij en andere woningcorporaties scherpe keuzes moeten maken: elke euro die wij investeren in het aardgasvrij maken van bestaande woningen, kunnen wij immers niet meer investeren in het realiseren van nieuwe sociale huurwoningen of het isoleren van woningen.

Wij willen dan ook een duidelijk signaal afgeven: ons commitment in de warmtetransitie is onderdeel van een bredere set aan landelijke afspraken: de Nationale Prestatieafspraken (NPA). De huurbevriezing dwingt ons om onze belangen te herprioriteren richting bouwen van nieuwe woningen en isoleren van bestaande woningen. De uitvoering van de warmtetransitie — zoals voorgesteld in de beleidsnota — vraagt dan ook om een integrale afweging van beleidsdoelen én om herziening van de prestatieafspraken tussen gemeente, huurdersorganisaties en woningcorporaties. Alleen met wederzijds begrip voor deze realiteit Juni 2025 25

kunnen we effectief samenwerken aan zowel verduurzaming als de groei van de sociale woningvoorraad. Inhoudelijke aandachtspunten 1. Versterk de regierol en betrek corporaties vroegtijdig Woningcorporaties zijn cruciale partners in de uitvoering van de warmtetransitie. Wij vragen de gemeente om haar regierol stevig te blijven invullen en corporaties vroegtijdig te betrekken bij het opstellen van wijkuitvoeringsplannen en warmtekavels. Alleen zo kunnen we onze renovatieplannen en verduurzamingsmaatregelen in lijn brengen met de gemeentelijke warmteaanpak. Over die regierol hebben we enkele aanvullende vragen. 1. Ten eerste over de relatie tussen stakeholders. Deze is in het voorgaande traject geschaad. Er is daarom herstel van vertrouwen nodig. Welke rol wil de gemeente als regisseur in de transitie hierin spelen? Hoe zorgen we voor een goede samenwerkingsvorm bij deze nieuwe poging om van het gas te raken? 2. Ten tweede is de vraag welke lessen de gemeente trekt uit het Rekenkameronderzoek naar het project aardgasvrij OvervechtNoord? 3. Ten slotte, in 2021 hebben we als STUW samen met de gemeente uitgangspunten vastgesteld ten aanzien van de warmteoplossingen. Houdt de gemeente ook nog steeds vast aan die uitgangspunten? 2.

Betaalbaarheid voor de eindgebruiker centraal, niet nationale kosten Met welke verwachting starten we de warmtetransitie opnieuw op? Bij de Transitievisie Warmte liep het gesprek stuk op de voorspelbare vraag: “wie betaalt de rekening?”. Zolang deze vraag onbeantwoord blijft, is ook een tweede poging gedoemd te mislukken. Dat zou heel zonde zijn. Belangrijk is het dan ook om aan de voorkant van het traject duidelijk uit te spreken met welke verwachtingen (van elkaar en van het eindresultaat) we aan tafel zitten. De beleidsnota hanteert “maatschappelijke” of “nationale kosten” als uitgangspunt voor het maken van keuzes. Voor woningcorporaties is echter de betaalbaarheid voor onze huurders en de impact op onze investeringscapaciteit doorslaggevend. Ook als een warmtesysteem maatschappelijk kostenefficiënt is, kan het voor de eindgebruiker financieel niet haalbaar zijn. Wij vragen de gemeente om bij alle wijkuitvoeringsplannen de betaalbaarheid voor huurders én verhuurders expliciet als randvoorwaarde te hanteren. En zoals ook in de Beleidsnota omschreven, geen gebruik te maken van de

1. Wij zien de energietransitie als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Wij nemen onze regierol zeer serieus. We blijven echter afhankelijk van andere partijen zoals het Rijk en warmteleveranciers om stappen te kunnen zetten. Na het terugtrekken van Eneco waren wij daarom gedwongen om de buurtaanpak in blok 1 te pauzeren. 2. De lessen die de gemeente getrokken heeft over OVN zijn opgenomen in een apart Raadsvoorstel. 3. Ja, we houden nog steeds vast aan de uitgangspunten vastgesteld in 2021

Geen

Om de volgende stappen te zetten in de warmtetransitie moet de betaalbaarheid voor de eindgebruiker op orde zijn. Dit betekent dat laagste maatschappelijke/nationale kosten voor een warmteoplossing zich ook moeten vertalen naar laagste kosten voor de eindgebruiker. Dat is op dit moment nog niet het geval en de gemeente is niet altijd aan zet. Ondersteuning vanuit het Rijk is hiervoor essentieel. Het Rijk zet stappen om de randvoorwaarden voor collectieve warmtenetten te verbeteren en werkt aan instrumenten die bijdragen aan de betaalbaarheid voor de eindgebruiker.

Geen

Juni 2025 26

aanwijsbevoegdheid totdat is verzekerd dat aan deze randvoorwaarde wordt voldaan. 3. Netcongestie: maak het leidend bij prioritering Netcongestie vormt een groeiend knelpunt bij verduurzamingsmaatregelen zoals de installatie van warmtepompen of zonnepanelen. Hoewel de beleidsnota het probleem erkent, vragen wij de gemeente om netcongestie leidend te maken bij de prioritering van wijken en warmteoplossingen. Collectieve warmtenetten kunnen juist hier uitkomst bieden en dienen versneld te worden uitgerold in gebieden waar het elektriciteitsnet al overbelast is.

4. Behoefte aan stabiele en afgestemde planning Wij hebben begrip voor het feit dat veranderende inzichten en omstandigheden leiden tot herziening van de fasering. Tegelijkertijd constateren wij dat koerswijzigingen — zoals het naar voren halen van buurten als Lunetten — het voor ons moeilijk maken om onze meerjarenplannen goed af te stemmen. Onze onderhouds- en renovatiecycli zijn langjarig en vragen om voorspelbaarheid. Wij vragen de gemeente om te streven naar stabiliteit in de planning en tijdige afstemming met corporaties, zodat koppelkansen met verduurzamingsmaatregelen optimaal benut kunnen worden. 5. Omgaan met opt-out: voorkom stijgende BAK voor corporatie. De verplichte opt-out bij het inzetten van de aanwijsbevoegdheid leidt in de praktijk tot een lagere deelnamegraad aan collectieve systemen. Hierdoor stijgt de Bijdrage Aansluitkosten (BAK) voor overblijvende partijen, waaronder woningcorporaties. Deze kosten drukken op onze investeringsruimte. Wij vragen de gemeente om actief te sturen op hoge deelnamegraad, onder meer door communicatie en normstelling.

Bij de keuze voor de voorkeursoplossing voor de warmteoplossing in een buurt geven wij in Utrecht de voorkeur aan collectieve warmteoplossingen omdat deze netbewuster zijn. We zetten dus in op collectieve warmteoplossingen voor het merendeel van de buurten omdat deze het net minder belasten. In buurten waar de individuele warmtepomp met een lage temperatuur bron het voorkeursalternatief is, zetten we in op de overstap naar een (hybride) individuele warmtepomp op natuurlijke momenten. Dit doen we zolang we nog te maken hebben met netcongestie. Daarna zetten we in op grootschalige omschakeling van warmtepompen. Voor gebieden met zeer weinig panden zetten we in op individueel maatwerk. Wij onderschrijven de behoefte aan een stabiele en afgestemde planning. Het is in de huidige omstandigheden echter zoeken naar een balans tussen stabiliteit en flexibiliteit, en ook starten met het etten van stappen.

Geen

Het is inderdaad een risico dat als mensen in een buurt voor de mogelijkheid kiezen om zelf een duurzaam warmteoplossing te realiseren (opt-out) het voor de rest van de buurt niet meer mogelijk wordt een collectieve warmteoplossing te realiseren of alleen tegen zeer hoge kosten. Door organisatie van een zorgvuldig participatieproces en buurt- initiatieven een prominente plek te geven bouwen we aan draagvlak voor de transitie. Om de kansen te vergroten dat bewoners mee gaan doen, starten we in gebieden waar buurtinitiatieven actief zijn en gaan we deze actief ondersteunen om op te groeien tot volwassen Warmtegemeenschappen die een eigen collectief warmte-systeem kunnen realiseren en exploiteren. Verder zetten we in op publiek eigendom in de warmtetransitie omdat uit onderzoeken en het klimaatpanel blijkt dat dat daarmee het draagvlak voor collectieve warmteoplossingen wordt vergroot. Wij constateren dat als we de aanwijsbevoegdheid niet inzetten gebouweigenaren naar verwachting langer gebruik blijven maken van gas en aansluiting op het warmtenet lager komt te liggen dan zonder het inzetten van de aanwijsbevoegdheid. Bij het inzetten

Geen

Geen

Juni 2025 27

6. Koeling: maak het een expliciet onderdeel van alle nieuwe collectieve warmtesystemen Met de toenemende hittestress wordt het belang van koeling steeds groter. Wij pleiten ervoor om koeling structureel onderdeel te maken van de ontwerpcriteria voor nieuwe warmtesystemen, zeker in gebieden met veel sociale huurwoningen. Dit draagt bij aan toekomstbestendige woningen met voldoende comfort — ook tijdens hete zomers.

Zienswijze 13 – Natuur & Milieufederatie Utrecht (NMU) Allereerst onze complimenten voor deze concept beleidsnota. Wij zijn blij dat u in de concept Beleidsnota Warmte aangeeft veel ruimte te willen maken voor (toekomstige) initiatieven van bewoners in de warmtetransitie en dat u ook uitspreekt buurtinitiatieven in Utrecht actief te willen ondersteunen om hen uit te laten groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen. U maakt ook letterlijk ruimte voor hen door in te zetten op de ontwikkeling van collectieve buurtwarmtenetten op plekken waar een actief buurtinitiatief aanwezig is. Daarnaast heeft u in deze beleidsnota aandacht voor koeling omdat dit door het veranderende klimaat van steeds groter belang zal zijn. Naast onze complimenten willen we in onze reactie enkele aandachtspunten meegeven, vooral op de verdere borging van de ruimte voor buurtinitiatieven in de warmtetransitie in Utrecht. Ambitie We gaan samenwerking met lokale spelers verder vormgeven en buurtinitiatieven actief ondersteunen (p. 9) Wij adviseren u om hier ook de meerwaarde van buurtinitiatieven voor de warmtetransitie te benoemen; Initiatieven van bewoners zijn gericht op waarde creatie en ontstaan om de behoeften van een gemeenschap te vervullen. Warmtegemeenschappen werken vanuit democratische waarden en zonder winstoogmerk.

Zij leveren daarom een cruciale bijdrage aan principes als rechtvaardigheid, participatie en betrokkenheid van eindgebruikers, grip op de energierekening of transparantie binnen het energiesysteem. De warmtetransitie komt achter de voordeur van bewoners. Wij lezen in deze beleidsnota terug dat u graag wil samenwerken met bewoners en buurtinitiatieven, maar denken dat u dat nog scherper kunt

van de aanwijsbevoegd het wordt iedereen gedwongen om een alternatief in gang te zetten. Daarmee verbeteren we de haalbaarheid van collectieve warmteoplossingen en voorkomen we hoge maatschappelijke kosten door de instandhouding van twee energie-infrastructuren. Op gebouwniveau gaan we binnen het programma energie besparen aan de slag met het stimuleren van gebouwmaatregelen en gedragsverandering om oververhitting te voorkomen. Verder gaan we in buurten die gevoelig zijn voor hittestress ook warmtealternatieven te onderzoeken die ook koeling kunnen leveren.

Geen

Antwoord

Wijziging

In de Beleidsnota Warmte onderschrijven wij het belang van lokale speler en buurtinitiatieven middels twee beleidskaders: • We gaan samenwerking met lokale spelers verder vormgeven en buurtinitiatieven actief ondersteunen om op te groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen • We gaan samen met gebouweigenaren, gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan een warmteleveringsgebied (warmtekavel) en de keuze van het warmtebedrijf Er zijn in de programmabegroting opgenomen om buurtinitiatieven in de beginfase te ondersteunen om zich verder te ontwikkelen tot een warmtegemeenschap. Dit gaat om middelen voor bijvoorbeeld community building en technische onderzoeken.

In de Beleidsnota Warmte in paragraaf 3.3.2 tekst toegevoegd “”Er zijn in de programmabegroti ng middelen opgenomen om buurtinitiatieven in de beginfase te ondersteunen om zich verder te ontwikkelen tot een Juni 2025 28

formuleren. Het is cruciaal om te kiezen voor een sociale, wijkgerichte aanpak. Het ontwikkelen van plannen voor de toekomst kan het beste gedaan worden in co-creatie met bewoners en buurtinitiatieven. Een aanpak van onderaf zorgt voor meer vertrouwen van wijkbewoners (1). We willen u ook vragen om iets concreter te beschrijven hoe u de steun aan buurtinitiatieven vorm wilt geven, op deze plek of in hoofdstuk 3. U kunt dat later verder uitwerken. Een financiële ondersteuningsregeling is passend. Denk hierbij zowel aan de basisorganisatie voor initiatieven als een gemeente brede ondersteuningsstructuur voor deze initiatieven zodat zij van elkaar kunnen leren. Uiteraard kunt u initiatieven vragen om ook andere financiële bronnen aan te boren. Om te voorkomen dat de gemeente met te veel individuele initiatieven in gesprek moet kan de gemeente onderlinge samenwerking stimuleren en ondersteunen. Goede voorbeelden van concrete gemeentelijke steun voor buurtinitiatieven zijn de volgende: • De gemeente Amsterdam heeft vooruitlopend op o.a. het warmteprogramma een collegebesluit gepubliceerd waarin ze zich uitspreekt over de rol en positie van energiegemeenschappen.

• Gemeente Den Haag lanceerde vorig jaar de actielijn bewonersinitiatieven waarin ze getrapt financiering beschikbaar stellen voor initiatieven en voorwaarden stelt; • Gemeente Zwolle heeft een subsidie voor de basisorganisatie van bewonersinitiatieven in de energietransitie; • Gemeente Arnhem heeft een getrapt aanjaagfonds voor duurzame initiatieven Bron: Zie het rapport van HIER Opgewekt en Platform31 hierover. We gaan nog meer inzetten op energiebesparing (p. 10) Wij weten dat de gemeente Utrecht ook een rol ziet voor buurtinitiatieven bij de inzet op energiebesparing en het aardgasvrijready maken van woningen. Wij adviseren u daarom dit hier ook te benoemen. Via de samenwerking met buurtinitiatieven op het thema energiebesparing kunt u bewoners in langdurige processen naar aardgasvrij ook op de korte termijn acties bieden. Integrale ondersteuning van initiatieven biedt kansen. Wanneer initiatieven zich enkel en alleen bezighouden met oplossingen voor aardgasvrij wonen en niet inzetten op het aardgasvrij-ready maken van woningen kan het lastig zijn om veel buurtgenoten te bereiken. Alternatieve acties zoals samen zwerfvuil ruimen en wijksafari’s organiseren kunnen bijdragen aan het bereiken van meer (verschillende) bewoners. Geef de buurtinitiatieven (financiële) ruimte voor een integrale aanpak, dit

De kaders voor samenwerking en voorwaarden voor het beschikbaar stellen van middelen werken we verder uit in het Warmteprogramma.

warmtegemeensch ap. Dit gaat om middelen voor bijvoorbeeld community building en technische onderzoeken. De invulling van de opgroeiruimte voor warmtegemeensch appen en voorwaarden voor het beschikbaar stellen van middelen werken we verder uit in het Warmteprogramm a”

In onze besparingsaanpak werken we ook samen met buurtinitiatieven. Dit is onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Energiebesparing Wonen (link) en daarom niet verder uitgewerkt in de Beleidsnota Warmte.

Geen

Juni 2025 29

vraagt ook van de gemeente een integrale aanpak tussen programma’s. Vaststellen van warmtekavels (p. 36) Het is goed om te lezen dat u wil beginnen met de ontwikkeling van kleine kavels. Wij vragen ons af of het verstandig is om op termijn te streven naar een zo groot mogelijk warmtekavel, geëxploiteerd door één warmtebedrijf. U schrijft onder andere dat u wil streven naar zo groot mogelijke kavels om zo min mogelijk prijsverschillen te willen laten ontstaan in een gebied. We begrijpen dat u kosten wilt nivelleren om te voorkomen dat sommige buurten een extreem hoog tarief voor duurzame warmte betalen en andere wijken veel goedkoper uit zijn. Dit past bij uw maatschappelijke taak en verantwoordelijkheden. Er is ook een andere manier om tegen deze kwestie aan te kijken (2). Uit onderzoek blijkt dat niet de schaal van een warmtenet, maar een kosten gebaseerd tarief dat transparant is leidt tot lage tarieven. Het tegengaan van prijsverschillen resulteert niet per definitie in een betaalbaar en daarmee rechtvaardig tarief voor bewoners. In dat geval wordt begonnen met het ontwikkelen van een warmtenet in wijken waar dit nu betaalbaar is. Innovatie en ontwikkelingen op de markt zullen er later voor zorgen dat in andere gebieden een warmtenet ook minder duur uitvalt (3).

Door de eis van volledige transparantie in de toekomstige Wet Collectieve Warmtevoorzieningen zijn de tarieven goed uitlegbaar en vergelijkbaar waardoor er vertrouwen ontstaat bij bewoners dat het eerlijke tarieven zijn waardoor acceptatie kan ontstaan. Ervaring uit andere landen leert dat dit warmtebedrijven de prikkel geeft om de kosten zo laag mogelijk te houden.

Met het oog op het realiseren van een betaalbare warmtevoorziening streven wij in Utrecht daarom op de lange termijn naar een zo groot mogelijk kavel dat geëxploiteerd wordt door één warmtebedrijf. Dit zorgt ervoor dat de investeringskosten voor de uitbreiding van het warmtenet en de piek- en backupsystemen over zoveel mogelijk aansluitingen kunnen worden verdeeld, zodat de kosten per aansluiting zo laag mogelijk worden. Met deze strategie worden goedkope en dure gebieden zoveel mogelijk binnen één warmtekavel opgenomen, zodat er een nivellerend effect ontstaat en er zo min mogelijk prijsverschillen gaan ontstaan tussen verschillende gebieden Wij denken dat openbaarmaking van tarieven daarbij verder kan bijdragen aan een lagere tarieven.

Geen

Kosten gebaseerde tarieven moeten gepaard gaan met openbare benchmarking. Dit gebeurt bijvoorbeeld al in Denemarken waar de toezichthouder ieder jaar de tarieven van alle warmtebedrijven op een rij zet. Dit geeft bedrijven een prikkel om kosten en tarieven te verlagen. Een vrees voor tariefverschillen is er in landen om ons heen een stuk minder. De oplossing voor eerlijke en uitlegbare tarieven hoeft niet per definitie één tarief voor alle bewoners te zijn. Kosten gebaseerde tarieven met bijbehorende transparantie kunnen ook leiden tot eerlijke en uitlegbare tarieven. Meer hierover kunt u lezen in de afscheidsrede van Annelies Huygen (4). (2) 190225_Afscheidsrede Annelies Huygen.pdf (3) 190225_Afscheidsrede Annelies Huygen.pdf (4) 190225_Afscheidsrede Annelies Huygen.pdf of neem contact op via annelies@huygen.nl Juni 2025 30

Aanwijzen van een warmtebedrijf Wij bieden buurtinitiatieven de ruimte om op te groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen (p. 37). Het is mooi dat u hier beschrijft dat de realisatie en exploitatie van een warmtenet ook door een warmtegemeenschap gedaan kan worden en dat u hier zelfs de voorkeur aan geeft. U benoemt ook opgroeiruimte met de opmerking dat u dit begrip verder uit wilt werken in het Warmteprogramma. Als laatste benoemt u dat Utrecht wil gaan werken aan een publiek warmtebedrijf. Er zijn veel publieke partijen die kunnen investeren in een gemeentelijk warmtebedrijf. Toch willen wij u adviseren om als gemeente altijd een meerderheidsaandeel te behouden in een toekomstig warmtebedrijf. Warmte is een belangrijke nutsvoorziening. Een gemeente is een democratisch instituut waarbij de belangen van bewoners voorop staan. Ook met publiek eigendom van verschillende partijen is er geen zekerheid dat op het publieke belang gestuurd wordt. Dit bleek ook uit de wetenschapstoets van de WCW (5). Zorg ervoor dat u lokaal zeggenschap niet verliest en sturing behoudt. (5) Wet collectieve warmte (36576) Organisatie van het proces om te komen tot invulling van een warmtekavel (p.38) Hier omschrijft u mooi dat het proces om te komen tot (invulling van) een warmtekavel wil beginnen met adviezen van afnemers (gebouweigenaren, gebouwgebruikers en buurtinitiatieven).

Een warmtekavel wordt pas vastgesteld als deze afnemers positief reageren. Deze eerste stap staat niet in het schema op pagina 35 waar u begint met de vaststelling van een warmtekavel en pas daarna een kavelplan gaat uitwerken. De sleutel tot een succesvol warmtenet ligt in het organiseren van vraag en draagvlak, niet in het aanwijzen en uitgeven van kavels. Dat staat in deze paragraaf in de tekst en zou ook in Figuur 14 op pagina 35 verwerkt moeten worden. In het extra kader op pagina 38 ziet u twee rollen voor buurtinitiatieven. In het voorgaande hoofdstuk, 3.3 ziet u ook een derde rol. Namelijk het zelfstandig realiseren en exploiteren van een warmtekavel. Wij vinden het heel goed dat u buurtinitiatieven de ruimte wil geven om zelfstandig warmtekavels te realiseren en exploiteren en het lijkt ons goed om die derde rol hier ook te benoemen. Ruimte in woningen (p. 39) U beschrijft hier dat een aansluiting op een ZLT-net momenteel nog vraagt om een aanzienlijk ruimtebeslag in de woning. Warmtepompen worden ook verder ontwikkeld, ze worden onder andere steeds kleiner. We adviseren u om deze ontwikkelingen te noemen en ook dat u ze blijft volgen.

In een apart Raadsvoorstel is deelneming in een publiek warmtebedrijf beschreven Document Utrecht - Raadsvoorstel Eigendomsvariant Publiek Warmtebedrijf - iBabs Publieksportaal

Geen

Figuur 14 schets het proces met de formele stappen in de besluitvorming en de daarbij behorende beleidsinstrumenten. De eerste stap is onderdeel van het participatietraject dat is opgenomen in figuur 14.

In de Beleidsnota Warmte in het tekstkader “Buurtinitiatieven derde rol toegevoegd “(3) zelfstandig exploitant van een collectieve warmtevoorziening binnen een warmtekavel

In paragraaf 2.4 van de beleidsnota hebben wij aangegeven • “De WAT-kaart is verder gebaseerd op de huidige stand van de techniek. We voorzien op een aantal vlakken innovaties die vragen om flexibiliteit in de uitvoering, bijvoorbeeld de inpasbaarheid van individuele warmtepompen, kosten van ZLT-netten en aanlegtechnieken van warmtenetten”

Geen

Juni 2025 31

•

Efficiënt (doelmatig) gebruik van de ondergrond voor bodemenergie en een eerlijke verdeling van bodemenergie (p. 41) U geeft hier aan te sturen op systemen met de hoogste opslagcapaciteit per oppervlakte-eenheid om zo veel mogelijk energie op te slaan. Dit is een heel goed streven. We willen u adviseren om bij nieuwbouw ook te kijken naar de mogelijkheid van overcapaciteit voor een zo groot mogelijk systeem. Hier liggen koppelkansen om bestaande bouw ook aan te sluiten. Koeling (p.43) U beschrijft in deze paragraaf dat u in wil zetten op het verminderen van de behoefte aan actieve koeling. Wij waarderen dat u wil inzetten op het voorkomen van hittestress. Wij zijn wel benieuwd hoe u deze ambitie gaat borgen in relatie tot de wens om zo veel mogelijk warmtenetten te realiseren via middentemperatuur. Deze netten kunnen namelijk niet koelen.

U beschrijft ook het anti-isolatie-effect. Er zijn een aantal maatregelen die u kunt inzetten om gebouwen te koelen. Dat is bijvoorbeeld door het stimuleren van de aanleg van groene daken en gevels. Maar ook door de toepassing van natuurlijk isolatiemateriaal, ook wel biobased isolatie genoemd. Daarom verdient het stimuleren van het gebruik van groene gevels en daken en natuurlijke isolatiematerialen zeker een plaats in deze paragraaf. Natuurlijke isolatiematerialen hebben een grote warmteopslagcapaciteit, wat betekent dat – mits goed geïnstalleerdde hitte van buiten pas veel later naar binnen kan gaan dan bij niet natuurlijke isolatiematerialen. Dit effect heet ‘faseverschuiving’. Naast een positieve bijdrage aan de opgave tot koelen bieden natuurlijke isolatiematerialen nog meer voordelen zoals; de goede vochtregulerende eigenschappen, een lagere CO2-uitstoot tijdens de productie, het gaat hier om hernieuwbare materialen, de teelt van natuurlijk isolatiemateriaal is een kans op een nieuw of ander verdienmodel voor boeren, synthetische toevoegingen worden tot het minimum beperkt waardoor deze materialen gezonder zijn om te verwerkend voor installateurs (6). Uit onderzoek van Natuur & Milieu (7) blijkt dat mensen vier tot vijf keer vaker kiezen voor natuurlijk isolatiemateriaal zodra deze optie actief besproken wordt. Het loont dus écht om bewoners goed te

“Innovaties op het gebied van de inpasbaarheid van warmtepompen en warmtenetten kunnen in de toekomst aanleiding geven om een collectief systeem op lagere temperatuur (bijv. ZLT) nader te bekijken. Efficiënt (doelmatig) gebruik van de ondergrond voor bodemenergie en een eerlijke verdeling van bodemenergie is van toepassing op zowel bestaande als nieuwbouw.

Geen

Het klopt dat warmtenetten op middentemperatuur geen mogelijkheid bieden tot passieve koeling. In deze buurten gaan we inzetten op het voorkomen van oververhitting, waarbij we de ladder voor koeling hanteren. Op gebouwniveau gaan we binnen het programma energie besparen aan de slag met het stimuleren van gebouwmaatregelen en gedragsverandering om oververhitting te voorkomen. Verder gaan we in buurten die gevoelig zijn voor hittestress ook warmtealternatieven onderzoeken ook koeling kunnen leveren. Biobased bouwen is op dit moment nog een geen onderdeel van onze isolatieaanpak maar zal worden meegenomen in de actualisatie van het programma Energiebesparing gebouwde omgeving.

Juni 2025 32

informeren over biobased isolatie en de voordelen ervan. Groene daken en gevels kunnen naast een koelere omgeving ook zorgen voor waterberging en een verhoging van biodiversiteit. (6) Handleiding-Biobased-verduurzamen-van-bestaande-bouw.pdf (7) Rapport-Biobased-isoleren-Natuur-Milieu.pdf

Zienswijze 14 – Buurtinitiatieven Wij als buurtinitiatieven zijn in de basis positief over de (ontwerp)beleidsnota Warmte. Wij waarderen dat de gemeente het belang van lokale initiatieven onderstreept en deze wil ondersteunen in hun verdere ontwikkeling naar volwaardige warmtegemeenschappen. Wij willen hierbij de volgende punten onder de aandacht brengen: 1. Structurele ondersteuning en financiering De beleidsnota benoemt dat de gemeente buurtinitiatieven wil ondersteunen en hen wil helpen bij verdere professionalisering. Wij zijn van mening dat hiervoor ook structurele financiële middelen nodig zijn. Wij verzoeken dan ook expliciet vast te leggen in het beleid dat dergelijke ondersteuning mogelijk wordt gemaakt, bij voorkeur inclusief een concreet budget. 2. Verduidelijking van de samenwerking In de beleidsnota wordt samenwerking tussen gemeente en buurtinitiatieven genoemd. Wij pleiten ervoor om deze samenwerking nader te concretiseren, bijvoorbeeld in de vorm van duidelijke kaders, rollen, verantwoordelijkheden en communicatiekanalen. Dit draagt bij aan transparantie en wederzijds vertrouwen. 3.Vrijheid van bewoners bij keuze voor warmtesysteem Tot slot constateren wij dat in de huidige ontwerpnota onvoldoende expliciet wordt vermeld dat bewoners altijd de vrijheid behouden om af te wijken van het door de gemeente gepresenteerde voorkeursalternatief.

Wij vinden het belangrijk dat deze keuzevrijheid duidelijk en ondubbelzinnig wordt opgenomen in het beleid.

Antwoord

Wijziging

Zie zienswijze 13 punt 2

Zie zienswijze 13 punt 2

In het Warmteprogramma gaan we de kaders voor samenwerking verder uitwerken. Dit staat genoemd in de Beleidsnota Warmte.

Geen

In de samenvatting tekst toegevoegd.

In de Beleidsnota Warmte in de Samenvatting toegevoegd bij kader aanwijsbevoegdhei d “Er geldt geen verplichting tot aansluiting op het collectieve warmtenet, maar gebouweigenaren zijn wel verplicht om over te stappen op een CO2-vrije Juni 2025 33

warmtevoorziening . Een gelijkwaardige individuele oplossing is toegestaan, mits deze voldoet aan de geldende (lokale) eisen”

Zienswijze 15 – Energie-U

Antwoord

Wijziging

Wij nemen de geleerde lessen uit Overvecht-Noord mee. De lessen die de gemeente getrokken zijn opgenomen in een apart Raadsvoorstel. In het Warmteprogramma werken we het proces dat we met de buurt aan doorlopen verder uit waarin we ook de lessen uit OVN meenemen.

Geen

In de Beleidsnota Warmte hebben we aangeven dat we in Utrecht werken aan een Publiek Warmtebedrijf en ook een belangrijke rol zien voor warmtegemeenschappen en daarmee de ontwikkeling

Geen

Energie-U is sinds 2010 met veel Utrechters met de energietransitie bezig en ook al lang met het helpen van mensen met het aardgasvrij verwarmen van hun huis. We werken samen met veel buurtgroepen, nemen deel aan bestuurlijke overleggen, zitten aan veel keukentafels en hebben vanaf 2016 ook meegeholpen bij het aardgasvrij maken van Overvecht-Noord. We zien nog altijd veel mogelijkheden om in Utrecht, met alle betrokkenen met daarin een grote rol voor de bewoners, op een positieve manier te komen tot een duurzame energiehuishouding zonder schadelijke effecten en met plezier voor eenieder. Ondanks de netcongestie, ondanks het gebrek aan duurzame bronnen en de schaarste aan opwekplekken, ondanks de druk op de gemeentelijke budgetten. Onze bevolking laat overal in de stad zien dat we met z’n allen tot veel in staat zijn. In de Beleidsnota warmte komen diverse zaken samen. Nog niet alles, wat ons betreft, of nog niet scherp genoeg. Daarom komen we met enkele suggesties, of oproepen aan gemeente en gemeenteraad: zet in op successen op korte termijn, zorg voor goede samenwerkingen, en kijk goed naar OvervechtNoord. Overvecht-Noord brengt veel lesmateriaal Daar is sinds 2016 veel geprobeerd en veel geleerd. Energie-U was deelgenoot. Een deel van de lessen zal impliciet in het nieuwe beleid zijn opgenomen, een deel mogelijk nog niet. Dat is nu niet zichtbaar.

Ook om aan de mensen uit Overvecht-Noord te laten zien dat het niet allemaal voor niets is geweest, is het gepast dat de gemeente hier veel van laat zien. Enkele zaken die Energie-U leerde uit dit traject en die ons van belang lijken bij de verdere vormgeving van de Utrechtse warmtetransitie: - De bewonersgroepen in Overvecht-Noord ijverden sinds 2018 voor Invloed en Zeggenschap. De gemeente zette, later, in op publiek eigendom. Dat is niet per se hetzelfde want krijgen bewoners wel

Juni 2025 34

genoeg invloed op overheidsbedrijven? In Overvecht-Noord is dit niet uitgediept. Zeker nu de gemeente onderzoek naar varianten voor een publiek warmtebedrijf uitvoert, zien we hier graag snel goede aandacht voor want ook bij een publiek warmtebedrijf is invloed van bewoners belangrijk en nodig. Die is nu niet geregeld. De Beleidsnota is wel de plek om dit goed te regelen

- Er zijn overal in de stad goede bewonersgroepen te vormen. Soms gaat dat vanzelf, soms niet. In Overvecht-Noord ontstonden al snel enkele sterke groepen, in deelbuurten, die niet de hele wijk afdekten en niet aan de besluitvorming deel konden nemen. Goede betrokkenheid en deelname van bewoners(groepen) is van het grootste belang om de warmtetransitie te laten slagen. Dit vraagt een investering in het goed georganiseerd krijgen van bewoners. Lukt dat, dan kan je ook meters maken. Het is nodig hier meer aandacht (tijd, geld, kennis) in te steken, om zo in gezamenlijkheid tot betere besluitvorming te komen. Hier hoort ook bij steun in financiële zin. Die is in de Utrechtse energietransitie al heel lang mager. In OvervechtNoord was er geen budget voor bewonersgroepen en te weinig inspanning op het wijkbreed dekkend krijgen van bewonersorganisatie. In enkele andere delen van de stad komt er de laatste jaren beginnend budget los. Blijft dit beperkt, dan moeten we ook de verwachtingen voor de warmtetransitie beperkt houden.

van vier type warmtebedrijven die warmtekavels gaan realiseren en exploiteren: 1.Warmtegemeenschap. 2.Gemeente heeft minderheidsaandeel in een warmtegemeenschap. 3.Gebouweigenaren en gebruikers hebben minderheidsaandeel in een publiek warmtebedrijf. 4.Publiek warmtebedrijf. In het Warmteprogramma en een apart Raadsvoorstel over een Publiek Warmtebedrijf werken wij verder uit hoe bewoners invloed kunnen uitoefenen. Zie zienswijze 13 punt 2

Zie zienswijze 13 punt 2

- Steun aan bewonersinitiatief. Nog maar iets meer dan een jaar geleden gaf de gemeente, gesteund door een meerderheid van de raad, geen steun aan het initiatief van twee bewonersgroepen in Overvecht-Noord om de in hun ogen beste optie naar realisatie te brengen (waarna de voor de gemeente beste optie ook niet tot realisatie kwam). Deze groepen blonken uit in communicatie en participatie en hadden ook hun technisch-financiële huiswerk prima op orde. We hadden stadsbreed kunnen profiteren van hun werk. Via de Beleidsnota biedt de gemeente nu wel ruimte voor bewonersgroepen, waar we heel blij mee zijn. Zorg als raad wel voor steun aan dergelijke initiatieven en zorg voor voldoende ruime kaders voor de gemeente om tot realisatie te kunnen komen. De ervaring uit Overvecht-Noord is nog te vers om al zeker te weten dat het goed blijft gaan. Regel de lange adem. Juni 2025 35

Warmtenet of warmtepomp? - Via de Beleidsnota voorziet de gemeente in bijna de hele gemeente warmtenetten. We hebben niet veel bronnen van heet water beschikbaar dus veel warmte moet uit elektriciteit komen, via warmtepompen. De gemeente ziet die warmtepompen op collectief niveau, niet per huis (behalve Leidsche Rijn-west en enkele andere gebieden). Er zijn al lange tijd bewoners met interesse in een eigen warmtepomp in huis. Overvecht-Noord laat zien dat dat ook op (deel)buurtniveau op een goede wijze te organiseren is, en dat steun van de gemeente nodig is om dit goed te doen. Verleen die steun ook. Zeker zolang de komst van warmtenetten nog niet zeker is. - De duurzaamheid van de collectieve warmte is van belang. In Overvecht-Noord zagen bewoners dat van de voorkeursoptie van de gemeente, stadsverwarming, de duurzaamheid niet zeker was, en dat al wel van hen verwacht werd hun huis op die optie aan te laten sluiten. Waarom niet eerst een hybride warmtepomp en dan over tien of vijftien jaar zien of de stadsverwarming van dat moment wel goed genoeg is? Die ruimte werd niet geboden. Dat ontnam veel mensen het gevoel dat de gemeente verstandig bezig was. Zeker zolang de komst van collectieve warmte ergens nog niet zeker genoeg is, moet ruimte en steun blijven bestaan voor individuele opties.

De Beleidsnota warmte op zichzelf is onvoldoende voor deze zekerheid - Energiecoöperaties en bewonersgroepen slagen erin om geld van bewoners ingezet te krijgen voor energietransitie. Soms ook risicodragend, zie Rijne Energie met diverse crowdfundingen voor onderzoeksfasen bij het energielandschap, zie Energie-U met de deels risicodragende eindfinanciering van zonneveld Meijewetering. Gemeente Utrecht zag zich genoodzaakt om gratis aansluitkosten te vragen in de onderhandeling met Eneco, Portaal en WoonIn voor het aardgasvrij maken van Overvecht-Noord. Steun aan bewonersgroepen betaalt zich dus ook financieel uit. Zonder goede samenwerking lukt niets. De warmtetransitie hangt aan elkaar van afhankelijkheden. De eindbesluiten worden op woningniveau genomen, de kaders worden (binnenkort) door de gemeenteraad gemaakt, de financiering komt voor een groot deel van de rijksoverheid, allerlei bedrijven spelen een rol, de netbeheerder, de woningcorporaties. Het is een kunst, en een noodzaak, hier de goede samenwerking in te vinden en te houden. In Utrecht hebben we goede aanzetten maar we zijn echt nog niet volledig, er liggen nog teveel gaten. Het blijft belangrijk goed te investeren in goede samenwerkingen, juist omdat belangen altijd uiteen lopen en natuurlijke momenten zelden samenvallen. Energie-U

In Beleidsnota Warmte is aangegeven dat het voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening (de WAT kaart) geldt voor het grootste deel van een buurt. Dit vormt het uitgangspunt waarmee de volgende fase richting invulling van een warmtekavel wordt ingegaan. Er zijn altijd uitzonderingen mogelijk in een buurt, bijvoorbeeld omdat het voorkeurs- alternatief bij een klein gedeelte van de gebouwen.

Geen

Hierbij vinden het wel belangrijk om nu duidelijkheid te scheppen om daarmee te voorkomen dat reeds veel gebouweigenaren overstappen naar een individuele oplossing waardoor voor de rest van de buurt een collectieve warmteoplossing niet meer haalbaar Daarbij heeft de gemeente de taak de betaalbaarheid voor alle bewoners te bewaken en voorgestelde opties hieraan te toetsen.

Zie zienswijze 13 punt 2

Zie zienswijze 13 punt 2

Juni 2025 36

slaagde er in de afgelopen jaren in om 2,5 ton rijksgeld naar Utrecht te halen om in buurten te werken aan verduurzaming en energieteams. Dit is ook opbouwwerk richting aardgasvrij. Vanaf 2026 daalt het rijksbudget met 70%. We moeten dus terugschakelen, ook al stapt de gemeente naar voren en begint hier een samenwerking in te ontstaan met meerdere organisaties. We voorzien een gat in de opbouw richting aardgasvrije toekomst, in plaats van groei. Dit als voorbeeld van wat nodig is en nog niet goed genoeg voorhanden is om als stad, als buurt, met z´n allen, toe te groeien naar plezierig aardgasvrij. De Beleidsnota mag hier meer aandacht aan schenken want juist de basis is belangrijk om de geschetste perspectieven te bereiken. We hebben successen nodig Utrecht scoort laag in prestaties op het gebied van aardgasvrij. Er is nog weinig gerealiseerd. Gevolg is dat alle partijen te weinig leren en dat er te weinig positiviteit op dit belangrijke onderwerp is in de stad. Dus mik niet alleen op hele buurten en plannen daarvoor maar zorg dat er ook ruimte ontstaat voor kleinere projecten die eerder kansrijk zijn. Enkele corporatieflats, wat VVE’s, een straat, een hofje. Misschien hoeft niet eens iedereen in zo’n gebiedje mee te doen, de lat hoog leggen komt later wel, als we beter begrijpen hoe het aardgasvrij maken van huizen en andere gebouwen werkt.

Leg ook een verbod op woorden als opschalen en uitrollen totdat we bewijslast hebben over methodes die werken.

We onderschrijven dat we successen nodig hebben. In de Beleidsnota geeft een voorkeursoplossingen op buurtniveau. In de Beleidsnota hebben we ook geconstateerd dat we nog helemaal aan het begin staan van de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in Utrecht en nog onduidelijk is hoe de route naar het eindplaatje er precies uitziet. Daarom starten we op korte termijn met de ontwikkeling van kleine kavels en onderzoeken we hoe we op termijn kleine kavels aaneen kunnen rijgen tot grotere kavels. De uitwerking hoeft dus niet over een hele buurt te gaan. Onze de aanpak voor aardgasvrij-ready maken, VVE loket zijn ook kleinschalig, buurtinitiatieven kunnen dat ook zijn.

Geen

Juni 2025 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a438da96-0dba-44ff-9c65-4f7743656189