Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen.pdf
Tekst van het document
Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen Gemeente Utrecht
1
Inhoud INHOUD ........................................................................................................................................................... 2 INFOGRAPHIC: HOE WERKT KOSTENVERHAAL VOOR BOVENWIJKSE VOORZIENINGEN? .................................. 3 1
INLEIDING ................................................................................................................................................. 4 1.1 1.2 1.3
2
WETTELIJKE KADERS KOSTENVERHAAL BOVENWIJKSE VOORZIENINGEN ................................................. 6 2.1 2.2 2.3
3
VERPLICHT KOSTENVERHAAL ........................................................................................................................... 6 TOEPASSING IN ANTERIEURE OVEREENKOMSTEN EN EXPLOITATIEPLANNEN ............................................................... 7 CRITERIA KOSTENVERHAAL ............................................................................................................................. 8
TARIEVEN EN BEREKENINGSWIJZE .......................................................................................................... 10 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
4
AANLEIDING VOOR DEZE NOTA ........................................................................................................................ 4 DOELEN NOTA ............................................................................................................................................. 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................. 5
TARIEVEN DIE DE GEMEENTE IN REKENING BRENGT ............................................................................................ 10 REKENVOORBEELD ...................................................................................................................................... 11 DE BOVENWIJKSE VOORZIENINGEN WAARVOOR KOSTEN WORDEN VERHAALD ......................................................... 11 INVENTARISATIE BOUWPROGRAMMA WONINGEN EN OVERIG VASTGOED ............................................................... 13 DRAAGKRACHTBEGINSEL .............................................................................................................................. 14 ALLEEN TOEPASSING BIJ NETTO TOEVOEGING VAN WONINGEN EN ANDER VASTGOED................................................ 15 TOEREKENING OOK AAN GEMEENTELIJKE GRONDEXPLOITATIES ............................................................................. 15
OVERIGE UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................. 16 4.1 4.2 4.3 4.4
BESTEMMINGSRESERVE VOOR INKOMSTEN EN UITGAVEN ................................................................................... 16 DEZE NOTA IS GEEN INVESTERINGS- OF NIEUWBOUWAGENDA.............................................................................. 16 INWERKINGTREDING VAN DEZE NOTA ............................................................................................................. 16 ACTUALISATIE VAN DEZE NOTA ...................................................................................................................... 16
BIJLAGE 1 KOSTENSOORTENLIJST BESLUIT RUIMTELIJKE ORDENING EN OMGEVINGSWET ............................. 18 BESLUIT RUIMTELIJKE ORDENING ............................................................................................................................... 18 OMGEVINGSBESLUIT ............................................................................................................................................... 18 BIJLAGE 2 VERTAALTABEL VAN WRO NAAR OW ............................................................................................. 21 BIJLAGE 3 INVESTERINGSLIJSTEN BOVENWIJKSE VOORZIENINGEN – MOBILITEIT, GROEN ............................. 22 MOBILITEIT – ALGEMENE TOELICHTING BIJ INVESTERINGSTABEL....................................................................................... 22 TOELICHTING BIJ TABEL “MOBILITEIT, AAN GEHELE STAD (INCL. NIEUWBOUW) TOEREKENBARE INVESTERINGSKOSTEN”............... 23 GROEN – ALGEMENE TOELICHTING BIJ INVESTERINGSTABEL ............................................................................................ 25 TOELICHTING BIJ TABEL “INVESTERINGEN IN GROEN, AAN GEHELE STAD (INCL. NIEUWBOUW) TOEREKENBARE KOSTEN”.............. 26 BIJLAGE 4 NADERE DETAILLERING NIEUWBOUWPROGRAMMA, GEWICHTEN EN TOEGEREKENDE KOSTEN ... 28
Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen gemeente Utrecht Datum: 19 januari 2023
2
Infographic: Hoe werkt kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen?
Utrecht is relatief gezien de snelst groeiende stad van Nederland. De stad groeit in de komende twintig jaar van ruim 350.000 naar ongeveer 455.000 inwoners.
Vanwege de groei van de stad investeert de gemeente onder meer in de stedelijke mobiliteitsstructuur en de stedelijke groenstructuur. Samen vormen deze het “casco van de stad”.
Zowel de bestaande stad als nieuwbouw hebben profijt van deze investeringen in het casco van de stad.
We verdelen de investeringskosten naar rato over de bestaande stad en de nieuwbouw. Hieruit volgt de bijdrage van nieuwbouw aan het casco van de stad.
De gemeente gaat deze kosten verhalen met vaste tarieven per woningtype.
De nota Kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen biedt ontwikkelende partijen vooraf duidelijkheid over deze vorm van kostenverhaal.
Nota bene: dit is niet de enige vorm van kostenverhaal. Naast kostenverhaal voor het casco van de stad verhaalt de gemeente ook binnenplanse kosten en kosten voor bovenwijkse voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van het casco van de stad. Daarvoor gelden geen vaste tarieven.
Let op: De infographic bevat een versimpelde weergave van het kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen (rekenvoorbeeld met fictieve bedragen). In de infographic blijft de kostentoerekening aan overig vastgoed (niet-woningen) buiten beschouwing. Zie paragraaf 3.1 voor de tarieven voor verschillende typen woningen en voor overig vastgoed.
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding voor deze nota
Utrecht is een gewilde stad om in te wonen, werken en verblijven. Utrecht groeit en zal dat ook de komende jaren blijven doen. Om die groei in ruimtelijke zin in goede banen te leiden presenteert de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 de kaders, opgaven en uitdagingen (Utrecht dichtbij: de tienminutenstad, Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040). Een belangrijk uitgangspunt daarbij is om een gezond stedelijk leven voor iedereen mogelijk te maken, voor alle huidige en toekomstige bewoners en gebruikers van de stad. Dat vraagt om “groei in balans”. Daarbij gaat de aandacht niet alleen uit naar wonen, maar naar alle functies die nodig zijn voor gezond stedelijk leven. De in de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 opgenomen “Barcode voor een gezond stedelijk leven” laat op doeltreffende en eenvoudige wijze zien wat hiermee bedoeld wordt: als het aantal woningen en werklocaties toeneemt, ontstaat er ook extra behoefte aan maatschappelijke voorzieningen, aan inrichting van de openbare ruimte met voldoende groen, sportvoorzieningen, water en infrastructuur voor mobiliteit, en aan duurzame energievoorziening (zie voor verdere verdieping hoofdstuk 5 van de RSU 2040). Figuur 1: De Utrechtse barcode en de Utrechtse opgave voor gezond stedelijk leven voor iedereen
De Utrechtse opgave De ontwikkeling van de stad brengt een enorme opgave met zich mee! De stad telt momenteel circa 157.000 woningen. Met de toename van het aantal inwoners, ontstaat een behoefte aan ruim 60.000 extra woningen met een navenante groei aan maatschappelijke voorzieningen en groen in de stad voor ontspanning en klimaatadaptatie. Ook zullen er ruim 70.000 extra arbeidsplaatsen nodig zijn. Ook wil Utrecht uiterlijk in 2050 klimaatneutraal zijn en dus zijn investeringen nodig om de energietransitie te realiseren. En last but not least staat Utrecht voor grote uitdagingen op het gebied van mobiliteit. De verdere verdichting van de stad maakt het noodzakelijk de beschikbare ruimte anders te gebruiken. Er zal minder ruimte zijn voor rijdende en stilstaande auto’s; het stimuleren van wandelen, fietsen en openbaar vervoer en deelmobiliteit is daarom noodzakelijk en dat zal forse investeringen vragen in de mobiliteitsinfrastructuur.
Uit: Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040
Voor gezond stedelijk leven moet de barcode in evenwicht zijn en blijven. Met andere woorden: bij een groei van de rode gedeelten in de barcode (wonen en werken) is een navenante groei nodig van de groene, blauwe, grijze en oranje gedeelten. Deze representeren parken en ander groen, watergangen, infrastructuur voor mobiliteit en duurzame energievoorziening. Deze functies maken allemaal onderdeel uit van “de Utrechtse opgave” zoals beschreven in de RSU 2040. Om de groene, blauwe, grijze en oranje gedeelten van de barcode te kunnen laten meegroeien met de groei van wonen en werken is geld nodig. Dat geldt in het bijzonder voor investeringen in het openbaar gebied op het schaalniveau van de gehele stad, zoals de stedelijke groen- en mobiliteitsstructuren. Met investeringen in zulke bovenwijkse voorzieningen (denk aan parken, water,
4
vervoershubs, HOV-verbindingen) houden we het “casco van de stad” op orde en we brengen daarin verbeteringen aan. Een groot gedeelte van deze investeringen wordt door overheden gedragen (gemeente, provincie en het rijk), maar we vragen ook bijdragen aan private partijen die profijt hebben van de groei van de stad. Het uitgangspunt daarvoor is vastgelegd in de RSU 2040: “Baathebbers betalen mee”. Deze nota beschrijft op welke manier de gemeente kostenverhaal gaat toepassen voor zogenoemde bovenwijkse voorzieningen. Daarbij gaat het om publieke investeringen die nodig zijn om het casco van de stad op orde te houden en die mede noodzakelijk zijn vanwege de toevoeging van woon- en werklocaties in de stad. Ontwikkelende partijen op die locaties hebben profijt van de publieke investeringen (zij zijn “baathebbers”). De nota is ingericht om op transparante, onderbouwde wijze alle individuele gebiedsontwikkelingen voor een gedeelte mee te laten betalen aan de noodzakelijke publieke investeringen. Dit is het terrein van het zogeheten kostenverhaal, waarvoor in de Wet ruimtelijke ordening en binnenkort in de Omgevingswet een wettelijk kader is opgenomen (zie ook hoofdstuk 2). Deze nota heeft betrekking op een specifiek onderdeel van het kostenverhaal, namelijk de kostensoort “bovenwijkse voorzieningen”.
1.2
Doelen nota
Nieuwe vastgoedontwikkelingen dragen aan de hand van deze nota op eenduidige en onderbouwde wijze naar rato bij aan de noodzakelijke investeringen in bovenwijkse voorzieningen om een gezond stedelijk leven te kunnen blijven garanderen. Met deze nota leggen we een kader vast voor de manier waarop de gemeente kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen toepast. Dit kader draagt bij aan de volgende doelen: • Eenduidigheid: het kostenverhaal voor de in deze nota opgenomen ingrepen wordt op eenduidige en uniforme wijze toegepast bij alle gebiedsontwikkelingen in Utrecht • Transparantie: het kostenverhaal voor de in deze nota opgenomen ingrepen vindt op transparante en onderbouwde wijze plaats • Duidelijkheid: tot slot geeft de nota nog voordat een gebiedsontwikkeling start duidelijkheid over de bijdrage die de gemeente vraagt aan de in de nota opgenomen ingrepen
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is een toelichting opgenomen op de belangrijkste juridische kaders waarbinnen het kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen plaatsvindt. Hoofdstuk 3 presenteert de tarieven die de gemeente via kostenverhaal in rekening brengt voor bovenwijkse voorzieningen, de daarvoor gehanteerde uitgangspunten en de berekeningswijze. Hoofdstuk 4 bevat enkele overige van belang zijnde uitgangspunten en kaders.
5
2 Wettelijke kaders kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen 2.1
Verplicht kostenverhaal
Gemeenten zijn verplicht om kosten die zij maken om nieuwe bouwplannen mogelijk te maken (onder de Omgevingswet: “aangewezen bouwactiviteiten”), te verhalen op de partij die daar het profijt van ondervindt. Het kostenverhaal vindt plaats binnen een bestaand wettelijk kader. Dit kader is op moment van opstellen van deze nota geregeld in afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening (Wro). De verwachting is dat per 1 juli 2023 de Omgevingswet (Ow) in werking treedt. Het kostenverhaal is dan geregeld in afdeling 13.6 van die wet. De invoering van de Omgevingswet leidt niet tot inhoudelijke veranderingen in het kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen. Wel zal op onderdelen de terminologie wijzigen. In bijlage 2 is om die reden een “vertaaltabel” opgenomen met de belangrijkste terminologische wijzigingen. Hiermee kan deze nota in de huidige vorm in stand blijven; ook na het in werking treden van de Ow. In de tekst in de volgende hoofdstukken is uitgegaan van de terminologie onder de Wro (waar van toepassing aangevuld met het equivalent uit de Omgevingswet, tussen haakjes of in voetnoten). In deze nota gaat het om kostenverhaal voor openbaar toegankelijke voorzieningen die onderdeel uitmaken van het casco van de stad, zoals de stedelijke mobiliteitsstructuur en de stedelijke groenstructuur.
Het verhalen van kosten voor dergelijke openbaar toegankelijke voorzieningen is alleen mogelijk bij bouwplannen die deze (mede) noodzakelijk maken en die er profijt van ondervinden. Wat er als “openbare voorziening” geldt, is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 (onder de Ow: Bijlage IV van het Omgevingsbesluit, Ob). Bijlage 1 presenteert de integrale lijst. Grofweg zijn opgenomen alle investeringen in het openbaar gebied die nodig zijn om een gebied te kunnen laten “functioneren”, denk hierbij aan de aanleg van groen, water, verharding, openbare verlichting, riolering. Behalve kosten voor openbaar toegankelijke voorzieningen die onderdeel uitmaken van het casco van de stad, verhaalt de gemeente ook andere kosten op gebiedsontwikkelingen. Hieronder worden de verschillende typen kostenverhaal die de gemeente toepast, kort samengevat: • Binnenplanse kosten: Dit betreft kosten die voor 100% toerekenbaar zijn aan één specifieke gebiedsontwikkeling; alleen die ene gebiedsontwikkeling veroorzaakt de kosten en profiteert ervan. Hoewel de naam anders suggereert kunnen deze investeringen zowel binnen als buiten de plangrens van een gebiedsontwikkeling gelegen zijn.
Een goed voorbeeld betreft een buurtontsluitingsweg die nodig is om alleen de in een plangebied gelegen nieuwbouwwoningen te ontsluiten of bijvoorbeeld gemeentelijke plankosten om een specifiek bestemmingsplan in procedure te brengen. Deze binnenplanse kosten worden per gebiedsontwikkeling begroot en daar worden ze altijd volledig in rekening gebracht. • Bovenwijkse kosten schaalniveau niet-casco van de stad: Sommige voorzieningen zijn niet voor alle Utrechtse gebiedsontwikkelingen gezamenlijk benodigd, maar wel bijvoorbeeld voor twee specifieke gebiedsontwikkelingen. Een goed voorbeeld is een rotonde die twee specifieke woonwijken ontsluit. De rotonde is dan een bovenwijkse voorziening ten opzichte van die twee woonwijken, maar het is geen bovenwijkse voorziening op het schaalniveau van het casco van de stad. De kosten van investeringen waarvan meerdere gebiedsontwikkelingen profiteren worden “bovenwijkse kosten” genoemd (art. 6.2.4 onder e Bro). De kosten van dit type bovenwijkse voorzieningen worden afzonderlijk begroot en ze worden in beginsel volledig bij de betreffende gebiedsontwikkelingen in rekening gebracht.
6
•
Bovenwijkse kosten schaalniveau casco van de stad: Dit zijn investeringen in het openbaar gebied waarvan alle gebiedsontwikkelingen in Utrecht mede de oorzaak zijn en profiteren. Juist omdat dit kosten betreft die noodzakelijk zijn vanwege alle Utrechtse gebiedsontwikkelingen tezamen, willen we borgen dat ook alle Utrechtse gebiedsontwikkelingen op eenduidige en transparante wijze bijdragen aan de kosten. Deze nota beschrijft daarvoor de aanpak. De kosten van de bovenwijkse voorzieningen op het schaalniveau van de stad worden nooit volledig in rekening gebracht bij gebiedsontwikkelingen. De wet schrijft namelijk voor dat het profijt ook toegerekend moet worden aan de bestaande stad. Hoe dit werkt, wordt beschreven in paragraaf 2.3.
Het kostenverhaal door de gemeente omvat de drie bovengenoemde typen kosten gezamenlijk; deze nota onderbouwt alleen de bijdrage aan de bovenwijkse kosten op schaalniveau van het casco van de stad. Onderstaande tabel vat een en ander samen. Tabel 1: Onderscheid verschillende typen kosten en toepassing Nota Kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen
Kosten
Begroting en toerekening van kosten
Is deze nota van toepassing?
Binnenplans
Projectspecifiek
Nee
Bovenwijks, niet-casco van de
Projectspecifiek
Nee
Gemeentebreed
Ja
stad Bovenwijks, casco van de stad
2.2
Toepassing in anterieure overeenkomsten en exploitatieplannen
Deze nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen is toepasbaar bij beide manieren waarop kostenverhaal in de praktijk wordt geregeld met ontwikkelende partijen: via de privaatrechtelijke route en via de publiekrechtelijke route. De nota is ook toepasbaar in gemeentelijke grondexploitaties. Kostenverhaal via de privaatrechtelijke route vindt plaats middels een overeenkomst tussen de gemeente en een marktpartij (“anterieure overeenkomst”, voorafgaand aan een wijziging van het bestemmingsplan of Omgevingsplan). In de publiekrechtelijke route wordt kostenverhaal geregeld middels een door de gemeenteraad vast te stellen exploitatieplan (onder de Ow: Kostenverhaalsregels in het Omgevingsplan). De privaatrechtelijke (“vrijwillige”) route voor kostenverhaal heeft de voorkeur, zowel van de wetgever als van de gemeente. Dit is een route die uitgaat van het maken van afspraken over het kostenverhaal op vrijwillige, minnelijke basis. Die afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij worden dan vastgelegd in wat bekend staat als een “anterieure overeenkomst”; een overeenkomst gesloten vóór het nemen van het planologisch besluit op basis waarvan het bouwplan mogelijk wordt gemaakt. Als partijen niet op vrijwillige basis tot een overeenkomst kunnen komen, kan kostenverhaal publiekrechtelijk worden afgedwongen.
De wettelijke basis hiervoor is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening en na invoering van de Omgevingswet in die wet. De publiekrechtelijke variant van kostenverhaal is de spreekwoordelijke stok achter de deur. Deze is vastgelegd in Afdeling 6.4 Wro (onder de Ow: Afdeling 13.6 Ow). De publiekrechtelijke variant start met de verplichting voor gemeenten een zogeheten “exploitatieplan” vast te stellen. Pas als partijen er niet minnelijk uitkomen en de gebiedsontwikkeling is in ruimtelijke zin wel wenselijk, bestaat er een noodzaak een exploitatieplan vast te stellen. Met dit exploitatieplan wordt op afdwingbare, publiekrechtelijke wijze het kostenverhaal geregeld. (Voor de volledigheid wordt er nog op gewezen dat er ook enkele andere redenen kunnen zijn die noodzaken tot het vaststellen van een exploitatieplan. In de praktijk is het overeenkomen van de kostenverhaalsbijdrage de belangrijkste.)
7
2.3
Criteria kostenverhaal
PPT-criteria De kosten van bovenwijkse voorzieningen mogen, net als de overige kostensoorten, alleen worden verhaald voor zover wordt voldaan aan de PPT-criteria. Dit zijn: • Profijt: De locatie waar de bouwplannen gerealiseerd worden, moet nut ondervinden van de te realiseren bovenwijkse voorziening • Proportionaliteit: Als meerdere locaties profijt ondervinden van een voorziening worden de kosten naar rato verdeeld. • Toerekenbaarheid: Er bestaat een causaal verband tussen de gebiedsontwikkeling en de realisatie van de bovenwijkse voorziening Voor deze nota betekent dit het volgende: • Toerekenbaarheid: De in RSU2040 gepresenteerde barcode waarnaar wordt verwezen in paragraaf 1.1, maakt op doeltreffende wijze de toerekenbaarheid duidelijk. Bij een uitbreiding van het aantal woningen en ander vastgoed (de rode gedeelten in de barcode) zijn ook investeringen nodig in stedelijke groen- en mobiliteitsstructuren in de openbare ruimte (de groene, grijze en blauwe gedeelten van de barcode). • Profijt: de investeringen in openbaar toegankelijke voorzieningen dragen bij aan een prettige leefomgeving en aan gezond stedelijk leven. Daarvan heeft de gehele stad profijt. Een investering in de kwaliteit van die leefomgeving heeft een waardeverhogend effect op het vastgoed, in dit geval op het niveau van de hele stad.
Het is mede dankzij dergelijke publieke investeringen dat Utrecht zo’n aantrekkelijke stad is om te wonen en werken. • Proportionaliteit: Het gaat in deze nota om investeringen op het schaalniveau waarvan de hele stad profiteert. De investeringen worden dan ook aan de hele stad toegerekend, ook aan de bestaande stad. Ook bestaande inwoners van Utrecht hebben profijt van investeringen in het casco van de stad, zoals bijvoorbeeld de aanleg van snellere en betere fietsverbindingen. Om die reden wordt dan een proportioneel deel van de totale investeringen toegerekend aan de bestaande stad. Dit gedeelte van de kosten draagt de gemeente zelf. Ook wordt een proportioneel deel toegerekend aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt dit nader gekwantificeerd. Subsidies en bijdragen: alleen de gemeentelijke kosten kunnen worden verhaald Na toepassing van de PPT-criteria mogen kosten alleen in rekening worden gebracht voor zover daar geen andere bijdragen of subsidies door de gemeente voor worden ontvangen. Alleen het gemeentelijke aandeel in de investeringskosten kan in het kostenverhaal worden betrokken. Als de gemeente bijvoorbeeld 200 miljoen euro investeert in de ov-schaalsprong (waarbij het rijk en de provincie samen 1,6 miljard euro voor hun rekening nemen), dan kan de gemeente alleen voor het bedrag van 200 miljoen euro kostenverhaal plegen.
De kosten van de bovenwijkse voorzieningen zijn voor het bepalen van de kostenbijdrage verminderd met eventueel te ontvangen subsidies en bijdragen van andere overheden. In de in hoofdstuk 3 gepresenteerde gemeentelijke investeringskosten zijn deze subsidies en bijdragen al verrekend. Draagkracht Nadat via bovenstaande route kosten zijn toegerekend aan een bepaalde gebiedsontwikkeling dient er een verdeling van die kosten plaats te vinden naar de individuele programmaonderdelen in die gebiedsontwikkeling. Programmaonderdelen zijn bijvoorbeeld de verschillende woningtypen die worden gerealiseerd, maar ook de realisatie van bedrijfsruimte of kantoren kan een programmaonderdeel zijn. Hierbij geldt het zogeheten draagkrachtbeginsel. Dit beginsel houdt in dat
8
programmaonderdelen met een hogere opbrengstpotentie meer bijdragen dan programmaonderdelen met een lagere opbrengstpotentie; de sterkste schouders, dragen de zwaarste lasten. In hoofdstuk 3 is ook een toelichting gegeven op de toepassing van dit criterium.
9
3 Tarieven en berekeningswijze Voor het kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen op het schaalniveau van het casco van de stad hanteert de gemeente vaste tarieven per woningtype en per vierkante meter overig vastgoed. In paragraaf 3.1 zijn de tarieven opgenomen, zoals deze gelden vanaf het moment van vaststelling van deze nota. De tarieven worden geïndexeerd en periodiek worden ze herzien. In paragraaf 3.2 is een rekenvoorbeeld opgenomen. In de daarna volgende paragrafen beschrijven we de berekeningswijze die aan de tarieven ten grondslag ligt. We lichten toe voor welke bovenwijkse voorzieningen de gemeente via deze tarieven kosten verhaalt, wat de kosten zijn van die bovenwijkse voorzieningen, op welke manier deze kosten (deels) worden toegerekend aan de groei van de stad (woningen en overig vastgoed) en op welke manier gedifferentieerd wordt tussen verschillende woningsegmenten (sociale huur, middensegment, vrije sector; draagkrachtbeginsel).
3.1
Tarieven die de gemeente in rekening brengt
Onderstaande tabel presenteert de kostenbijdragen die de gemeente in rekening brengt voor bovenwijkse investeringen in het casco van de stad, voor verschillende typen vastgoed. Vanaf paragraaf 3.2 is de onderbouwing hiervan opgenomen. Tabel 2 onderscheidt verschillende categorieën woningbouw. De actuele Woonvisie presenteert de definitie van de verschillende categorieën woningbouw. De bijdragen hebben prijspeil 1/1/2023 en worden, totdat een integrale actualisatie van deze nota plaatsvindt, geïndexeerd met de GWW-index conform het CBS. Tabel 2a: Kostenbijdrage bovenwijkse voorzieningen per vastgoedsegment, in euro’s per eenheid, woningbouw
WONINGBOUW Gemiddeld tarief per woning of woningequivalent Meergezinswoningen Sociale huurwoningen (inclusief zelfstandige studentenwoningen) Onzelfstandige studentenwoningen Middendure huurwoningen Betaalbare koop Overig vrije sector Eengezinswoningen Sociale huurwoningen Middendure huurwoningen Betaalbare koop Overig vrije sector
Euro per woning 3.746
1.644 375 2.102 3.379 5.657 2.312 4.904 5.254 10.508
Tabel 2b: Kostenbijdrage bovenwijkse voorzieningen per vastgoedsegment, in euro’s per eenheid, overig vastgoed
OVERIG VASTGOED Gemiddeld tarief per m2 bvo overig vastgoed Bedrijven Detailhandel en kantoren Commerciële voorzieningen en leisure Maatschappelijke voorzieningen
Euro per m2 BVO 30,27 21,13 45,78 15,56 14,65
De uitvoering van kostenverhaal is onderdeel van het Utrechts Planproces (UPP). Daarin wordt verwezen naar deze Nota Kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen.
10
3.2
Rekenvoorbeelden
Met de bedragen uit paragraaf 3.1 kan een ontwikkelende partij zelf vooraf berekenen welk bedrag afgedragen moet worden op grond van deze nota. De aantallen woningen en het aantal vierkante meter overig vastgoed moeten daartoe vermenigvuldigd worden met de tarieven voor die typen woningen en vastgoed. Voorbeeldberekening toevoeging van woningen en ander vastgoed Stel dat een ontwikkelende partij een gebiedsontwikkeling voorbereidt met 10 grondgebonden sociale huurwoningen, 30 meergezins sociale huurwoningen, 20 grondgebonden vrijesectorwoningen en 10.000 m² BVO kantoor. Dan kunnen die aantallen vermenigvuldigd worden met de tarieven uit paragraaf 3.1. In onderstaande tabel is dit uitgewerkt. Tabel 3a: Voorbeeldberekening A – toevoeging van woningen en ander vastgoed
Programma Sociale huurwoningen egz (aantal) Sociale huurwoningen mgz (aantal) Overig vrije sector egz (aantal) Detailhandel en kantoren (m² BVO) Totaal
Hoeveelheid 10 30 20 10.000
Bijdrage per eenheid € 2.312 € 1.644 € 10.508 € 45,78
€ € € €
Kostenbijdrage (EUR) 23.120 49.320 210.160 457.776 € 740.376
Voorbeeldberekening sloop van kantoorruimte en toevoeging van woningen Stel dat een ontwikkelende partij in een gebiedsontwikkeling 4.000 m2 kantoorruimte laat slopen. Er worden 20 meergezins sociale huurwoningen, 10 betaalbare koop eengezinswoningen en 10 overige vrije sector-eengezinswoningen gebouwd. Dan hoeft alleen betaald te worden voor de nettotoevoeging van vastgoed. Voor de kantoorruimte die wordt gesloopt wordt het aantal vierkante meter vermenigvuldigd met het tarief per m2. Het bedrag dat hieruit voorkomt, wordt afgetrokken van de kostenbijdrage voor de nieuwe woningen. In onderstaande tabel is dit uitgewerkt. NB: negatieve kostenbijdragen zijn niet mogelijk (zie paragraaf 3.6). Tabel 3b: Voorbeeldberekening B – sloop van kantoorruimte en toevoeging van woningen
Programma Toevoegen Sociale huur meergezins Toevoegen Betaalbare koop eengezins Toevoegen Overig vrije sector eengezins sloop kantoorruimte (m2 bvo) Totaal
3.3
Hoeveelheid 20 10 10 4.000
Bijdrage per eenheid € € € €
1.644 5.254 10.508 45,78
Kostenbijdrage (EUR) (hoeveelheid * bijdrage) € 32.880 € 52.540 € 105.080 € -183.110 € 7.390
De bovenwijkse voorzieningen waarvoor kosten worden verhaald
De eerste stap in de berekening van de tarieven voor kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen is het maken van een inschatting van de gemeentelijke investeringskosten in het casco van de stad. Uit de RSU 2040 hebben we de investeringen gefilterd waarvoor kostenverhaal mogelijk is. Op dit moment betreft dat investeringen in twee categorieën: • Duurzame mobiliteit • Groen en water De betreft noodzakelijke investeringen in het casco van de stad om, bij uitbreiding van de stad, een gezond stedelijk leven te kunnen garanderen. Niet alle investeringen uit de RSU 2040 kunnen we in deze nota betrekken. We moeten ons beperken tot kostensoorten die volgens de artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 Bro (zie bijlage 1) in het kostenverhaal betrokken mogen worden.
11
Voor de investering in een bovenwijkse voorzieningen hebben we in kaart gebracht hoeveel de gemeente hieraan naar verwachting gaat bijdragen, dus na aftrek van bijdragen van derden, zoals inkomsten uit gebiedsontwikkelingen en bijdragen van andere overheden. In deze inventarisatie is bovendien gekeken naar uitvoeringskosten. Er zijn geen kosten of budgetten voor toekomstig onderhoud opgenomen, want die mogen niet worden verhaald. Voor alle opgenomen investeringen geldt dat naar verwachting uiterlijk in 2032 een investeringsbeslissing wordt genomen. Voor duurzame mobiliteit heeft het aandeel in de investeringen in het casco van de stad dat voor kostenverhaal in aanmerking komt, een omvang van ongeveer 700 miljoen euro. Voor groen en water is dit ongeveer 300 miljoen euro (zie onderstaande tabel). Tabel 4: Categorieën bovenwijkse voorzieningen, totaal investeringsbedrag tbv casco, t/m 2032
Categorie Duurzame mobiliteit € € Groen en water Totaal €
( * 1000 euro) 706.862 305.900 1.012.762
De investeringen uit de twee hoofdcategorieën zijn nader opgesplitst in clusters. In onderstaande tabel zijn deze clusters opgenomen, met per cluster zowel het totale investeringsbedrag (inclusief bijdragen van derden) als het gemeentelijke aandeel hierbinnen dat in aanmerking komt voor “kostenverhaal bovenwijks”. Het profijt van dit gemeentelijk aandeel moet vervolgens naar rato worden toegerekend aan de bestaande stad en aan nieuwbouw. Tabel 6a: Duurzame mobiliteit, aan gehele stad (incl. nieuwbouw) toerekenbare investeringskosten (* 1000 euro)
Mobiliteitscluster Fiets: o.a. schaal- en systeemsprong fiets, uitbreiding en verbetering van het regionale netwerk Voetganger: stadsbreed voetgangersnetwerk Openbaar vervoer: o.a. schaalsprong ov, verbetering regionaal en stedelijk OV Auto: o.a. herinrichten stadsboulevards en andere stedelijke verbindingswegen, NRU en Ring Utrecht. Multimodale reis: hubs, P+R Overig; nog te verdelen over bovenstaande investeringsdoelen subtotaal
Kostenraming investeringen t/m 2032
Budget gemeente
Bijdragen derden t/m 2032
Toerekenbare kosten t/m 2032 (kostenverhaal)
*
*
*
135.220
*
*
*
1.070
*
*
*
322.498
* *
* *
* *
157.067 26.500
* *
* *
* *
64.507 706.862
Correctie Verwachte dubbeltelling bijdragen van met andere derden opgaven 10.000 3.000 32.000 12.600 17.000 8.000 43.500
Toerekenbare kosten t/m 2032 (kostenverhaal) 8.000 54.000 95.400 43.500
* Zie bijlage 3 voor meer detail en een toelichting op de tabel. Tabel 6b: Groen, aan gehele stad (incl. nieuwbouw) toerekenbare investeringskosten (* 1000 euro)
Groencluster Groen om de stad (binnen gemeente) Scheggen Stadsparken Groen raamwerk
Kostenraming investeringen t/m 2032 18.000 89.000 125.000 95.000
12
Groencluster Overig groen subtotaal
Kostenraming investeringen t/m 2032 160.000 487.000
Correctie Verwachte dubbeltelling bijdragen van met andere derden opgaven 10.000 45.000 43.600 137.500
Toerekenbare kosten t/m 2032 (kostenverhaal) 105.000 305.900
Zie bijlage 3 voor meer detail en een toelichting op de tabel.
Per cluster uit bovenstaande tabellen geldt nog een nadere detaillering. De integrale lijst is opgenomen in bijlage 3.
3.4
Inventarisatie bouwprogramma woningen en overig vastgoed
In de volgende stap in de berekening van tarieven verdelen we de te verhalen investeringskosten naar rato over de bestaande stad en de nieuwbouw in de stad. Om deze stap uit te voeren hebben we het beoogd te realiseren nieuwbouwprogramma geïnventariseerd voor de komende jaren. Net als bij de opgenomen investeringen is daarvoor een termijn van 10 jaar aangehouden. Kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen vindt niet alleen plaats bij woningen, maar ook bij andere typen vastgoed, zoals kantoren en bedrijfsruimten. Ten behoeve van een eenduidige toepassing voor alle segmenten vastgoed zijn de vastgoedsegmenten anders dan wonen omgerekend naar woningequivalenten op basis van de gemiddelde woninggrootte in de huidige Utrechtse voorraad (99 m² woonoppervlak, 124 m² bruto vloeroppervlak). Dit betekent dat 124 m² BVO gelijk staat aan één woning. Onderstaande tabel presenteert het resultaat van de inventarisatie van het nieuwbouwprogramma, zoals deze is samengesteld voor het Meerjarenperspectief Ruimte 2022. Dit omvat bijna 41 duizend woningen in de planvoorraad in de jaren 2021 tot en met 2032. Verder omvat de planvoorraad toevoeging van ongeveer 1,5 miljoen m2 overig vastgoed, wat overeenkomt met 12,2 duizend woningequivalenten. Bijlage 4 presenteert de nadere detaillering.
Tabel 7a: Bestaande woningen en overig vastgoed (in woningequivalenten, “weq”)
Bestaande woningen en overig vastgoed (1 januari 2021) Aantal bestaande woningen Aantal bestaand overig (m² BVO) Aantal bestaand overig (weq) Totaal aantal weq bestaand
Eenheden 159.671 7.123.971 57.567 217.238
Tabel 7b: Nieuwbouwprogramma, woningen en overig vastgoed (in woningequivalenten, “weq”)
Nieuwe woningen en overig vastgoed (2021 t/m 2032, planvoorraad) Aantal nieuwe woningen Aantal nieuw overig (m² BVO) Aantal nieuw overig (weq) Totaal aantal weq nieuw tot 2032
Eenheden 40.915 1.514.566 12.239 53.154
Tabel 7c: Verhouding tussen bestaand vastgoed en nieuwbouw
Verhouding bestaand en nieuw vastgoed Bestaand vastgoed Nieuw vastgoed Totaal
Percentage
80,3% 19,7% 100%
13
Van de kosten van bovenwijkse voorzieningen moet 80,3% worden toegerekend aan de bestaande stad en 19,7% kan worden toegerekend aan nieuwbouwprogramma. 19,7% van de toerekenbare kosten komt overeen met een bedrag van EUR 199 miljoen euro. De andere 80,3%, 814 miljoen euro, komt voor rekening van de gemeente, als bijdrage van de bestaande stad. We kunnen nu ook de gemiddelde bijdrage per nieuwbouwwoning in Utrecht berekenen. Daartoe delen we het bedrag van 199 miljoen euro door het aantal nieuwe woningequivalenten (53.154; zie bovenstaande tabel). Als we deze bedragen op elkaar delen krijgen we het gemiddelde bedrag per nieuwbouwwoning: € 3.746 voor een gemiddelde nieuwbouwwoning.
3.5
Draagkrachtbeginsel
De laatste stap in onze berekening betreft de toepassing van het draagkrachtbeginsel. Dit betekent dat in nieuwbouw de programmaonderdelen met een hogere opbrengstpotentie meer bijdragen dan programmaonderdelen met een lagere opbrengstpotentie. De wetgever doelt hier op grondopbrengsten. In de toepassing van het draagkrachtbeginsel volgen we de gemeentelijke Nota Grondbeleid en de daaruit voortvloeiende grondprijzen zoals die jaarlijks worden opgenomen in de Utrechtse grondprijzenbrief. Hierin worden elk jaar marktconforme grondprijzen per vastgoedsegment opgenomen. In de tarieven voor kostenverhaal bovenwijks hanteren we dezelfde prijsverhoudingen tussen woningsegmenten als in de grondprijzenbrief. Bij woningen zijn deze het laagst voor meergezinswoningen sociale huur en het hoogst voor eengezinswoningen in de vrije sector. In de berekening van de tarieven per segment houden we ook rekening met de verwachte te realiseren hoeveelheden per vastgoedsegment. Dit leidt tot onderstaande gewichten en bijdragen per segment. Het gemiddelde gewicht van de nieuw te realiseren woningen is precies gelijk aan 1. Sociale huurwoningen, onzelfstandige studentenwoningen en middendure meergezins huurwoningen hebben een gewicht lager dan 1; woningen in andere segmenten hebben een gewicht hoger dan 1.
Als we de bijdragen per woning en de bijdragen per m2 voor overig vastgoed vermenigvuldigen met de aantallen nieuwe woningen en m2 overig vastgoed, dan komen we onder aan de streep uit op 199 miljoen euro. Dit is gelijk aan het investeringsbedrag waarvoor kosten verhaald worden bij nieuwbouw zoals berekend in paragraaf 3.4. Tabel 8: Gewichten en bijdragen per segment
Draagkracht Gemiddelde tarieven (bij wegingsfactor 1) WONINGBOUW Meergezinswoningen Sociale huurwoningen (inclusief zelfstandige studentenwoningen) Onzelfstandige studentenwoningen Middendure huurwoningen Betaalbare koop Overig vrije sector Eengezinswoningen Sociale huurwoningen Middendure huurwoningen Betaalbare koop Overig vrije sector
14
Wegingsfactor 1,00
(EUR/woning) 3.746
0,44 0,10 0,56 0,90 1,51
1.644 375 2.102 3.379 5.657
0,62 1,31 1,40 2,81
2.312 4.904 5.254 10.508
(EUR/m² BVO) 30,27
Draagkracht OVERIG VASTGOED Bedrijven Detailhandel en kantoren Commerciële voorzieningen en leisure Maatschappelijke voorzieningen
3.6
Wegingsfactor
(EUR/woning)
(EUR/m² BVO)
0,70 1,51 0,51 0,48
21,13 45,78 15,56 14,65
Alleen toepassing bij netto toevoeging van woningen en ander vastgoed
Met deze nota brengen we alleen kosten in rekening voor de toevoeging van vastgoed. Dus als er tien woningen worden gesloopt en er worden in het nieuwe bestemmingsplan (onder de Ow: Omgevingsplan) twaalf woningen mogelijk gemaakt, dan wordt de bijdrage alleen berekend over de toevoeging van twee woningen. Dit geldt ook voor andere typen vastgoed (zie ook de rekenvoorbeelden in paragraaf 3.2). Indien er meer vastgoed wordt gesloopt dan er nieuw mogelijk wordt gemaakt, wordt geen bijdrage verhaald. Er wordt ook geen negatieve bijdrage berekend. Er kan dus geen sprake zijn van een bouwplan dat een bijdrage terugkrijgt omdat er eventueel sprake is van een “negatief” bouwprogramma. Bij het bepalen van de compensatie wordt rekening gehouden met het segment vastgoed dat gesloopt en nieuw gerealiseerd wordt conform de berekende kostenbijdragen per segment uit tabel 2.
3.7
Verrekening met investeringen in het casco van de stad
Er zijn gevallen denkbaar waarin een ontwikkelende partij investeringen doet waarvan het profijt niet voornamelijk aan de eigen gebiedsontwikkeling kan worden toegerekend, maar waarbij het profijt moet worden toegerekend aan de gehele stad, en waarbij de investering het casco van de stad betreft. Dit kan gaan om investeringen die genoemd worden in bijlage 3 van de nota. In dergelijke gevallen is het mogelijk het kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen te verrekenen met de investering die de ontwikkelende partij doet in het casco van de stad.
3.8
Toerekening ook aan gemeentelijke grondexploitaties
Niet alle nieuwbouwontwikkelingen worden gerealiseerd door particuliere partijen. De gemeente kent ook gebiedsontwikkelingen waar de gemeente zelf een actieve risicodragende rol heeft (gemeentelijke grondexploitaties). Ook voor die ontwikkelingen geldt via dezelfde rekenmethodiek een kostenbijdrage aan de bovenwijkse voorzieningen.
15
4 Overige uitgangspunten 4.1
Bestemmingsreserve voor inkomsten en uitgaven
Wanneer de gemeente op grond van deze nota kosten in rekening brengt voor bovenwijkse voorzieningen, dan worden deze bijdragen apart verantwoord. Dit betreft zowel de bijdragen vanuit de private initiatiefnemers als vanuit gemeentelijke grondexploitaties. De bijdragen zijn bedoeld voor de specifieke investeringen zoals opgenomen in deze nota. De aanwending van deze bijdragen vindt plaats op basis van een dekkingsvoorstel dat hoort bij een investeringsbesluit voor een bovenwijkse investering. In het Meerjarenperspectief Ruimte (MPR) rapporteert het college jaarlijks over de bijdragen en de aanwendingen. Het MPR is ook de plek om ervaringen met uitvoering van de nota te delen met de gemeenteraad en om in te gaan op de vraag of er aanleiding is tot actualisatie van de nota (zie ook paragraaf 4.4).
4.2
Deze nota is geen investerings- of nieuwbouwagenda
Deze nota heeft niet de bedoeling en ook niet het effect een investerings- of nieuwbouwagenda te presenteren of vast te stellen. Daadwerkelijke uitvoering van de in deze nota opgenomen investeringen en nieuwbouwontwikkelingen vraagt veelal nog aanvullende besluitvorming door de gemeenteraad. Het vaststellen van deze nota door de raad staat dus niet gelijk aan het instemmen van de raad met alle in deze nota opgenomen investeringen. De Nota Kostenverhaal bovenwijkse voorzieningen betreft een beleidsdocument waarin de onderbouwing is opgenomen van de gevraagde bijdrage voor bovenwijkse voorzieningen op het schaalniveau van het casco van de stad. Er is daarbij gerekend met een onderbouwde investeringslijst en een onderbouwd aangenomen nieuwbouwprogramma. Over sommige investeringen in de investeringslijst heeft al besluitvorming plaatsgevonden in de gemeenteraad, over andere (nog) niet.
4.3
Inwerkingtreding van deze nota
Deze nota treedt in werking vijf weken na bekendmaking van het raadsbesluit waarmee de nota wordt vastgesteld. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de nota is deze conform het raadsbesluit van toepassing op initiatieven waarvoor nog geen anterieure overeenkomst is gesloten en waarvoor door de gemeenteraad nog geen grondexploitatie is vastgesteld.
4.4
Actualisatie van deze nota
Wanneer daartoe aanleiding bestaat, zal de gemeente deze nota actualiseren. Die aanleiding kan onder meer voortkomen uit wijzigingen in de programmering van woningbouw en ander vastgoed, en uit wijzigingen in het investeringsprogramma voor bovenwijkse voorzieningen. Bij actualisatie van de nota kunnen ook investeringen worden toegevoegd die nu nog niet in de nota voorkomen, zoals investeringen in openbaar toegankelijke sportterreinen of in investeringen die samenhangen met de energietransitie. Uiteraard dienen deze investeringen dan wel te passen binnen het wettelijk kader voor deze vorm van kostenverhaal, met inbegrip van de criteria die in paragraaf 2.3 zijn beschreven.
16
De gemeente is vrij om een Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen op te stellen, als onderbouwing voor deze vorm van kostenverhaal. Ook herziening of actualisatie van de nota is in eerste instantie een vrije keuze. Actualisatie is echter noodzakelijk indien sprake is van een substantiële wijziging in aantal, omvang of type van de bovenwijkse voorzieningen en/of de nieuwe gebiedsontwikkelingen waarover een deel van de kosten wordt verhaald. Beide aspecten hebben namelijk enerzijds een effect op de maximaal in rekening te brengen bijdragen en anderzijds op dat deel van de kosten van bovenwijkse voorzieningen dat op een andere wijze gedekt moet worden. Er is daarmee sprake van een dynamische nota die wordt geactualiseerd indien daartoe op basis van bovenstaande criteria noodzaak is.
17
BIJLAGE 1 Kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening en Omgevingswet Deze nota heeft betrekking op kostenverhaal voor bovenwijkse voorzieningen die onderdeel uitmaken van het casco van de stad. In dit kostenverhaal worden alleen investeringen betrokken in voorzieningen waarvoor kosten kunnen c.q. moeten worden verhaald op grond van de Wet ruimtelijke ordening (en binnenkort op grond van de Omgevingswet). De kostensoorten waarvoor dat geldt, worden opgesomd in artikel 6.2.5. van het Besluit ruimtelijke ordening en (na invoering van de Omgevingswet) in Bijlage IV bij artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit. Deze artikelen zijn hieronder opgenomen.
Besluit ruimtelijke ordening [Regeling vervalt op nader te bepalen datum]. Geraadpleegd op 18-11-2022. Geldend van 01-07-2021 t/m heden
Artikel 6.2.5 Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 6.2.4, onder c, worden gerekend: a. nutsvoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de verbruikstarieven kunnen worden gedekt; b. riolering met inbegrip van bijbehorende werken en bouwwerken; c. wegen, ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken en bouwwerken; d. infrastructuur voor openbaar vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de gebruikstarieven kunnen worden gedekt; e. groenvoorzieningen, waaronder begrepen openbare parken, plantsoenen, speelplaatsen, trapvelden en speelweiden, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; f. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; g. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte; h.
gebouwde parkeervoorzieningen, voor zover deze leiden tot optimalisering van het grondgebruik en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, openbaar toegankelijk zijn en voornamelijk worden gebruikt door bewoners en gebruikers van het exploitatiegebied, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de gebruikstarieven kunnen worden gedekt; i. uit een oogpunt van milieuhygiëne, archeologie of volksgezondheid noodzakelijke voorzieningen.
Omgevingsbesluit Omgevingsbesluit - Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl), geraadpleegd op 18 november 2022 Artikel 8.15 (verhaalbare kostensoorten) De kostensoorten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn: a. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor geen tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in tabel A van bijlage IV aangegeven kostensoorten; en
18
b. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor wel een tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is opgenomen: de in de tabellen A en B van bijlage IV aangegeven kostensoorten. BIJLAGE IV BIJ ARTIKEL 8.15 VAN DIT BESLUIT (KOSTENSOORTEN) De kostensoorten, bedoeld in artikel 8.15, zijn de in de tabellen A en B bedoelde kostensoorten. A. Kostensoorten bij kostenverhaal met of zonder tijdvak A1 De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek A2 De waarde van de gronden die worden gebruikt voor de uitvoering van de onder A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid A3 De kosten van het vrijmaken van de gronden, bedoeld onder A2, van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten A4 Het tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente, de provincie of de Staat verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten A5 De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder A2 A6 De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het
verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder A2 A7 De kosten van de noodzakelijke compensatie van in het kostenverhaalsgebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen A8 De kosten van de aanleg of wijziging van: 1°. wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken; 2°. infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken; 3°. groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; 4°. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; 5°. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte; 6°. distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken; en 7°.
riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken A9 De kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit A10 De kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de onder A3, A5, A6, A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek A11 Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet A12 Niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW of andere nietterugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder A1 en A3 tot en met A10 A13 De rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten A14 De kosten van andere door of in opdracht van het bestuursorgaan te verrichten werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in deze bijlage bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen B. Kostensoorten bij kostenverhaal met tijdvak; in aanvulling op tabel A
19
B1
B2 B3 B4
De waarde van de gronden waar de bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet, zullen worden verricht, inclusief de waarde van de daar aanwezige, te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid De kosten om de gronden, bedoeld onder B1, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder B1 De kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder B1
20
BIJLAGE 2 Vertaaltabel van Wro naar Ow Onderstaande tabel presenteert de equivalenten van termen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onder de Omgevingswet (Ow). Daarbij gelden twee opmerkingen 1 De tabel bevat alleen termen die in het kader van deze Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen relevant zijn 2 Het betreft equivalenten en daarmee betreft het inhoudelijk niet altijd één op één vertalingen Bijlage 2 Vertaaltabel Wro naar Ow Onderwerp Wet ruimtelijke ordening (Wro) Afdwingbaar Exploitatieplan kostenverhaal Anterieure Verhaal van kosten anderszins verzekerd overeenkomst Bouwplan Aangewezen bouwplan
Locatie Art. 6.12 lid 1 Wro
Omgevingswet (Ow) Kostenverhaalsregels
Locatie Paragraaf 13.6.3 Ow
Art. 6.12 lid 2 onder a Wro Art. 6.12 lid 1 Wro en art. 6.2.1 Bro
Kostenverhaal bij overeenkomst
Art. 13.13 Ow
Aangewezen bouwactiviteit of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegegedeelde functie Gebiedsoverstijgende kosten
Art. 13.11 Ow en art. 8.13 Ob
Bovenwijkse voorziening/kosten
Kosten met betrekking tot gronden buiten het exploitatiegebied
Art. 6.2.4 onder e Bro
Draagkrachtbeginsel
Gewogen eenheden
Art. 6.18 Bro
Grondslag planologisch besluit
Bestemmingsplan, wijzigingsplan, afwijking van bestemmingsplan of van beheersverordening met art. 2.12 Wabo lid 1 sub a onder 2e (kruimelgevallen) of 3e (uitgebreide procedure) Kostensoortenlijst
Art. 6.12 Wro
Kostensoortenlijst PPT-criteria Regeling kostenverhaal
PPT-criteria Regeling kostenverhaal
Art. 6.2.3 tm 6.2.5 Bro Art. 6.13 lid 6 Wro Afdeling 6.4 Grondexploitatie Wro
Verdeling naar rato van de opbrengsten van de gronden Omgevingsplan, buitenplanse omgevingsplanactiviteit of projectbesluit
Niet meer expliciet in bijlage IV Ob opgenomen. Voor toerekening van alle kosten gelden de PPT-criteria en geen noodzaak meer separaat te benoemen. Zie Nota van Toelichting Omgevingsbesluit, pagina 177 (De te verhalen kostensoorten zijn geïntegreerd in één lijst in bijlage IV bij dit besluit. Ook de gebiedsoverstijgende kosten zijn hierin opgenomen. Voor het verhalen van deze kosten moet aan de criteria van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid worden voldaan. Het bijeenbrengen van de regelingen in één overzicht vergroot de inzichtelijkheid. Inhoudelijk zijn met deze integratie geen wijzigingen beoogd.) en Handreiking Kostenverhaal en Financiële Bijdragen Omgevingswet, pagina 46 (De kostensoortenlijst heeft een limitatief karakter. Het bevoegd gezag kan geen andere kosten verhalen dan op de kostensoortenlijst staan. Dat geldt voor de kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen binnen het kostenverhaalsgebied, waarvan alleen dat gebied profijt heeft. En het geldt ook voor de kosten van de aanleg van zogenoemde gebiedsoverstijgende werken, werkzaamheden en maatregelen binnen en buiten het kostenverhaalsgebied, waarvan meerdere kostenverhaalsgebieden en de bestaande stad profijt hebben.) Art. 13.16 Ow Art. 13.14 lid 1 en 3 Ow
Kostensoortenlijst
Bijlage IV (Kostensoorten) Ob
PPT-criteria Regeling kostenverhaal
Art. 13.11 lid 1 Ow Afdeling 13.6 Kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Ow
21
BIJLAGE 3 Investeringslijsten bovenwijkse voorzieningen – Mobiliteit, Groen Mobiliteit – Algemene toelichting bij investeringstabel In onderstaande tabel zijn de investeringsbedragen opgenomen waarvoor kostenverhaal wordt toegepast. Dit betreft alleen investeringen in het zogenoemde casco van de stad. De indeling van de tabel sluit aan op de indeling van de Agenda Mobiliteitsplan. Stap 3 van deze Agenda Mobiliteitsplan heeft betrekking op het thema “Netwerken op orde”. Dit thema omvat alle investeringen in het stedelijke mobiliteitsnetwerk waarvoor middels deze nota kostenverhaal wordt toegepast. Kolom Kostenraming: Voor projecten waarbij dat mogelijk is, zijn de geraamde investeringskosten opgeteld. Deze ramingen betreffen de totale investeringskosten, dus inclusief bijdragen van derden, zoals subsidies van de rijksoverheid. Bij investeringen waarvoor nog geen precieze raming beschikbaar is, is de kostenraming als “PM” opgenomen. Kolom Budget gemeente: Dit betreft het budget dat de gemeente beschikbaar heeft voor de betreffende investeringen, inclusief budgetten die pas na 2032 beschikbaar komen in het Meerjarenprogramma bereikbaarheid, en inclusief investeringsbijdragen die niet toegerekend kunnen worden aan de gehele stad. Kolom Bijdragen derden: Dit betreft met name bijdragen van de rijksoverheid en de provincie aan de mobiliteitsinvesteringen.
Kolom Toerekenbare kosten (kostenverhaal casco): Dit betreft de bedragen waarvoor kostenverhaal kan worden toegepast op grond van de Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen: het gemeentelijk aandeel in investeringen t/m 2032 in het casco van de stad, die mede noodzakelijk zijn vanwege de groei van de stad, en waarbij de kosten niet aan een of meer specifieke gebiedsontwikkelingen kunnen worden toegerekend, en waarbij bijdragen van derden (zoals rijkssubsidies) zijn afgetrokken.
Tabel: Mobiliteit, aan gehele stad (incl. nieuwbouw) toerekenbare investeringskosten (* 1000 euro) Mobiliteitscluster Fiets: schaal- en systeemsprong fiets, uitbreiding en verbetering van het regionale netwerk, fietscultuur en fietsgedrag a. Binnenstedelijke fietsroutes b. Fietsparkeren c. (inter)regionale fietsroutes op gemeentelijk grondgebied d. Schaalsprong fiets Voetganger: stadsbreed voetgangersnetwerk, versterken positie voetganger a. Stedelijk voetgangersnetwerk Openbaar vervoer: o.a. schaalsprong ov, verbetering regionaal en stedelijk ov a. Schaalsprong ov (budget voor gemeentelijke bijdragen, o.a. reservering voor Merwedelijn) b. Overige investeringen in verbetering ov (o.a. busverbindingen)
22
Kostenraming
Budget gemeente
Bijdragen derden
Toerekenbare kosten (kostenverhaal casco)
131.015+PM
154.120
17.296
135.220
58.041 12.297+PM 15.412 45.266+PM
51.377 15.297 13.226 74.220
12.664 1.500 2.186 946
51.377 13.226 15.297 55.320
1.070 1.070
1.070 1.070
0 0
1.070 1.070
PM + 57.338 PM 57.338
322.498 300.000 22.498
34.840 PM 34.840
322.498 300.000 22.498
Mobiliteitscluster Auto: aanpak verkeersveiligheid, autoluwe binnenstad, herinrichten stadsboulevards en andere stedelijke verbindingswegen, NRU en Ring Utrecht a. Noordelijke ringweg Utrecht b. Westelijke stadsboulevard, Westplein/Lombokplein, Graadt van Roggenweg, Amsterdamse straatweg c. Herinrichting overige stadsboulevards en stedelijke verbindingswegen d. Verbeteringen in verkeersveiligheid, mede vanwege toename autoverkeer door groei van de stad
Kostenraming
Budget gemeente
Bijdragen derden
Toerekenbare kosten (kostenverhaal casco)
368.569 +PM
177.937
210.382
157.067
230.001
40.700
189.301
40.700
119.387
100.387
19.000
90.267
17.334
15.800
1.534
15.800
PM
21.050
547
10.300
Multimodale reis: OV-knooppunten, wijk- en buurthubs, P+R aan de ring, P+R in de regio a. Multimodale bereikbaarheid, HUB Papendorp
PM PM
26.500 26.500
0 0
26.500 26.500
Overig; nog te verdelen over investeringsdoelen “Netwerken op orde” a. Nog te verdelen budget Subtotaal Mobiliteitsinvesteringen tbv Nota Kostenverhaal Bovenwijkse Voorzieningen
PM PM
179.928 179.928 862.053
0 0
64.507 64.507 706.862
Toelichting bij tabel “Mobiliteit, aan gehele stad (incl. nieuwbouw) toerekenbare investeringskosten” 1.
Fiets: schaal- en systeemsprong fiets, uitbreiding en verbetering van het regionale netwerk, fietscultuur en fietsgedrag; a.
Binnenstedelijke fietsroutes. De gemeente doet t/m 2032 allerhande investeringen in verbetering van binnenstedelijke doorgaande fietsroutes die mede noodzakelijk zijn vanwege de groei van de stad. Deze investeringen betreffen de verbetering van de bereikbaarheid station Vaartsche Rijn via Oosterkade en Westerkade, doorfietsroutes Noordelijke Singelring, fietsmaatregelen “om de Noord”, fietsmaatregelen “om de Zuid”, fietsonderdoorgang Lombokplein (bijdrage aan project Lombokplein), herinrichting Malieblad en Maliebaan (“Herenroute”), herinrichting Nachtegaalstraat – Reigerstraat (*), herinrichting Voorstraat- Witte Vrouwenstraat (*), Jutfaseweg, knelpunten op bestaande fietsroutes (flexibel fonds fietsroutes, *), Moreelsebrug (*), Mythylbrug, nieuwe fietsroute Rijnsweerd-noord, onderdoorgang Locomotiefstraat (Cartesiusdriehoek, *) en de oostelijke brug Waterlinieweg. Voor de investeringen die met een asterisk (*) zijn gemarkeerd, geldt dat het merendeel van het budget al is besteed, maar dat het profijt wel (deels) valt toe te rekenen aan nieuwbouw in de stad (als verbeteringen in het casco van de stad).
b.
Fietsparkeren. Dit betreft investeringen in fietsenstallingen in de binnenstad en in het stationsgebied die mede noodzakelijk zijn vanwege de groei van de stad. De totale investeringskosten zijn hoger dan hier gepresenteerd (“PM”).
c.
(inter)regionale fietsroutes op gemeentelijk grondgebied. Dit betreft bijdrage aan fietsvoorziening A27 USP-Rijnsweerd, de doorfietsroute langs spoor Amsterdam (Dom tot Dam), doorfietsroute Vechtroute en de snelfietsroute Amersfoort.
23
d.
Schaalsprong fiets. Voor investeringen die tot en met 2032 worden gedaan, is structureel budget beschikbaar binnen het Meerjarenprogramma bereikbaarheid, en dit is in de programmabegroting 2032 aangevuld met een structurele budget voor de schaalsprong fiets. Deze budgetten worden ingezet voor nader te bepalen verbeteringen in het stedelijke fietsnetwerk (hiervoor geldt: kostenraming investeringen “PM”).
2.
Voetganger: stadsbreed voetgangersnetwerk, versterken positie voetganger centrumgebieden a.
3.
Vanuit het Meerjarenprogramma bereikbaarheid wordt geïnvesteerd in het Stedelijk voetgangersnetwerk.
Openbaar vervoer: schaalsprong ov, doorontwikkeling spoornetwerk, stations en interregionaal busvervoer, verbetering regionaal en stedelijk OV, functioneren en doorontwikkelen lange afstandsbussen, touringcars en taxi, vervoer voor iedereen. a.
Schaalsprong ov (budget voor gemeentelijke bijdragen, o.a. Merwedelijn). Dit genoemde bedragen omvatten de gemeentelijke reservering voor de MIRT-verkenning OV en wonen (85 miljoen euro) en de aanvullende reservering (115 miljoen euro) die bij het BO-MIRT overeen is gekomen voor een belangrijk onderdeel van de eerste stap van de schaalsprong ov, namelijk de (deels) ondergrondse Merwedelijn. Over deze eerste stap is nog geen definitieve investeringsbeslissing genomen. Wanneer die beslissing wordt genomen, is ook de financieel-technische uitwerking van belang. (Om de investeringen te kunnen activeren is het nodig dat de gemeente eigenaar wordt van de activa waarin het bedrag van 200 mln euro wordt geïnvesteerd.) Over het activeren van de investering moet op een later moment een bestuurlijk besluit worden genomen. De kosten van de ondergrondse Merwedelijn zijn momenteel globaal ingeschat op € 1,3 tot € 1,5 miljard, en van de overige maatregelen voor de eerste stap van de ov-schaalsprong op € 190 tot € 330 miljoen. Omdat nog geen definitieve investeringsbeslissing is genomen, staat de kostenraming in bovenstaande tabel op “PM”. In de programmabegroting 2023 is een structureel budget van 3,3 mln euro opgenomen voor de ov-schaalsprong. Daarmee kan een investering van 100 mln euro worden bekostigd (annuïtaire afschrijving, 40 jaar, 1,5% rente).