CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

natuurinclusief bouwen.pdf

Raadsinformatiebijeenkomst 30 mei 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Natuurinclusief ontwikkelen - Praktische gids met stappenplan en checklists11.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Een praktische gids met stappenplan en checklists

Natuurinclusief ontwikkelen

Synchroon, Nest Natuurinclusief en Vogelbescherming Nederland

Natuurinclusief ontwikkelen

Een praktische gids met stappenplan en checklists

Synchroon, Nest Natuurinclusief en Vogelbescherming Nederland

Inhoudsopgave

Voorwoord

Deel 1

Natuurinclusief ontwikkelen Hoofdstuk 1

Waarom natuurinclusief ontwikkelen Hoofdstuk 2

De waarde van natuur Hoofdstuk 3

Stappenplan & checklist Hoofdstuk 4

Soortenbescherming Hoofdstuk 5

Biodiversiteit Hoofdstuk 6

Welke soort kan waar verblijven in en op het gebouw? Hoofdstuk 7

Wat is nodig in de omgeving van de doelsoorten?

5

Deel 2

6

Hoofdstuk 8

8

10 14 20 24 28

Natuurinclusieve maatregelen Overzicht van doelsoorten

Huismus Gierzwaluw Huiszwaluw Merel, roodborst en andere struikbroeders Spreeuw Koolmees en Pimpelmees Slechtvalk Zwarte Roodstaart Gewone dwergvleermuis Gerelateerde soorten vleermuizen Egel Eekhoorn Bijen en vlinders Amfibieën

Hoofdstuk 9

Water

Hoofdstuk 10

Bodem 30

32

34 36 38 40 42 44 46 48 50 54 56 58 60 62

64 66

Hoofdstuk 11

Groene daken en omgevingen Over de auteurs Colofon

70 72

5

Natuurinclusief Ontwikkelen

Voorwoord

Noor Aghina (Synchroon), Timo Roeke (Vogelbescherming Nederland) & Ingrid Sloots (Nest Natuurinclusief)

Met natuurinclusief ontwikkelen kun je ecologische, sociale én vastgoedwaarde creëren. Door vanaf de eerste stap rekening te houden met mogelijkheden, onmogelijkheden en (wettelijke) verplichtingen voor natuur, wordt vertraging later in het proces voorkomen. Deze gids maakt het voor iedereen die bezig is met de ontwikkeling van onze leefomgeving gemakkelijk en inzichtelijk om voor en met de natuur te ontwerpen en bouwen. De gids bevat een handreiking die voor elke fase van het ontwikkelproces de stappen en ontwerpkeuzes inzichtelijk maakt. De maatregelen per doelsoort laten zien welke habitatwensen elk dier heeft, om de juiste leefomstandigheden te kunnen creeren. Wij wensen je veel plezier met natuurinclusief ontwikkelen.

Deel 1

Natuurinclusief ontwikkelen

Natuur een plek geven in de bouwopgave levert veel meer op dan alleen maar een mooie omgeving. Natuurinclusief bouwen leidt tot een gezonde, klimaatbestendige leefomgeving voor mens en dier.

Natuurinclusief Ontwikkelen

8

Hoofdstuk 1 Waarom natuurinclusief ontwikkelen?

Waarom natuurinclusief ontwikkelen? Goed stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomer, buffert water, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals de huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Juist dankzij al deze bewoners komen steden en dorpen écht tot leven. Door natuurinclusief te bouwen is het mogelijk gezonde en aantrekkelijke steden en dorpen te creëren die voor alle gebruikers een prettige leefomgeving zijn. Investeren in groene kwaliteit levert immers veel meer op dan alleen maar een mooie omgeving. Een natuurinclusieve omgeving stimuleert bewoners en bezoekers om te spelen en te bewegen. Bovendien draagt natuurinclusief bouwen bij aan een aangenaam leefklimaat. Stadsvogels en vleermuizen delen al honderden jaren hun woonruimte met mensen. Maar deze

dieren hebben het moeilijk gekregen door klimaatverandering, verdichting van de gebouwde omgeving en een andere manier van bouwen met meer isolatie en een betere afdichting van gaten en kieren. Bij natuurinclusief bouwen worden gebouwen zo ontworpen, dat zonder verlies van veiligheid of comfort voor mensen ook diersoorten en planten weer een plek krijgen. Als ontwikkelaar ben je verantwoordelijk voor het behalen van de doelstellingen van een project. In die rol ben je verantwoordelijk voor de wettelijke verplichtingen, zoals voor de Wet natuurbescherming, en stuur je de architecten aan. Jij creëert de leefomgeving van de toekomst. In elk project zijn afwegingen te maken, zoals de balans tussen korte termijn en het verdienpotentieel, en lange termijn bijdragen aan de leefbare stad voor volgende generaties.

9

1 — Waarom natuurinclusief ontwikkelen?

Een beter leefklimaat voor mens en dier in de gebouwde omgeving realiseren. Dát is natuurinclusief ontwikkelen.

Natuurinclusief Ontwikkelen

10

Hoofdstuk 2 De waarde van natuur

11

2 — De waarde van natuur

De natuur brengt ons veel ecosysteemdiensten. Daarmee zorgt de natuur voor gezonde leefomgevingen voor dieren en mensen, maakt het onze omgeving klimaatbestendig en verhoogt het zelfs de recreatieve en vastgoedwaarde.

Ecosysteemdiensten

Biodiversiteit en plaagonderdrukking

CO2 verlagen

Water bufferen en bergen

Voedselproductie

Sociale cohesie stimuleren

Recreatieve waarde

Hitte en droogte tegengaan

Gezonde leefomgeving

Luchtkwaliteit verbeteren

Wind- en geluiddemping

Verhoging vastgoedwaarde

Maatschappelijke waarde

Natuurinclusief Ontwikkelen

12

13

2 — De waarde van natuur

Zelling, Nieuwerkerk aan den IJssel, Synchroon project, oplevering 2023

Impact maken: ecologische waarde en biodiversiteit Het ondersteunen en stimuleren van biodiversiteit is gericht op het toepassen van een variëteit aan soorten. Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende lagen van inheemse soorten die samen als robuust ecosysteem werken. Enkel een combinatie van bomen en gras geeft weinig biodiversiteit; juist verscheidenheid aan inheemse plantensoorten zorgt voor onder andere voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten.

ze hebben behoefte aan beschutting, ze moeten voedsel kunnen vinden en het is belangrijk dat er water beschikbaar is.

Bij natuurinclusief ontwikkelen wordt rekening gehouden met biodiversiteit, bijvoorbeeld door het creëren van geschikte habitats voor specifieke soorten in samenhang met de (bestaande) omgeving en netwerken. Het is belangrijk dat de habitats in relatie met de bestaande groenblauwe structuren en ecologische netwerken worden gecreëerd en passen bij de mogelijkheden van de bebouwing om te zorgen dat dieren ze kunnen vinden en de kans groot is dat ze er willen blijven.

De ecologische doelstellingen van natuurinclusief ontwikkelen zijn: 1. Biodiversiteit vergroten en habitats creëren. 2. Groene en blauwe structuren verbeteren door verbindingen te realiseren en de kwaliteit van de natuur te verhogen.

Een gebieds- of gebouwontwikkeling biedt veel kansen om op de locatie en in de omgeving de biodiversiteit te vergroten. Door relatief simpele en betaalbare ingrepen toe te passen, kunnen dieren en planten hun plek vinden in de gebouwde omgeving. Denk aan verblijfplaatsen voor vogels of vleermuizen, groene daken of veel en meer diverse inheemse beplanting in de omgeving. De basisprincipes zijn eenvoudig: dieren zoeken een plek om te broeden en slapen,

Verbinding van groen- en waterstructuren is belangrijk om voldoende grote leefgebieden te realiseren en plekken vindbaar te maken. Verschillende soorten inheemse beplanting zorgen daarin voor een robuust ecosysteem.

De basisprincipes zijn eenvoudig: dieren zoeken een plek om te broeden en slapen, ze hebben behoefte aan beschutting, ze moeten voedsel kunnen vinden en het is belangrijk dat er water beschikbaar is.

De natuurinclusieve maatregelen leveren, naast het vergroten van de biodiversiteit, vaak ook nog andere voordelen op. Zo dragen ze bij aan natuurbeleving, gezondheid en aan een klimaatbestendige stad. Door vanaf de start van een project al natuurinclusief te ontwerpen ontstaat een hoogwaardige leefomgeving. Natuurinclusief bouwen zorgt voor kwalitatief betere en mooiere integratie van natuurinclusieve maatregelen in de bebouwde omgeving en een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Finest of Ockenburgh, Den Haag, Synchroon project, oplevering 2020

15

Natuurinclusief Ontwikkelen

Hoofdstuk 3 Stappenplan & checklist

Zelling, Nieuwerkerk aan den IJssel, Synchroon project, oplevering 2023

In een aantal stappen kun je als ontwikkelaar met je team van ontwerpers en experts aan de slag om natuurinclusief te ontwikkelen. Het stappenplan op de volgende pagina geeft aan welke stappen kunnen worden gezet en welk resultaat iedere stap zou moeten hebben. De checklist is in iedere stap van het ontwerpproces te gebruiken om te zorgen dat er niets vergeten wordt.

Natuurinclusief Ontwikkelen

16

17

3 — Stappenplan & checklist

Stappenplan 1.

Onderzoek de huidige ecologische situatie op locatie met hulp van een ecologisch expert. Wat is waardevol en relevant? Wat niet? Welk groen wil je behouden en wat is de kwaliteit van de bodem? Hoe sluit de locatie aan op de omgeving? Welke diersoorten vinden hun habitat hier en welke zijn kansrijk? Verwacht de ecoloog beschermde soorten op basis van de quickscan? Welke plantensoorten en bomen zijn er reeds aanwezig die ecologisch relevant zijn en van goede kwaliteit? Hoe kun je de ecologische structuren versterken?

2.

Resultaat Een overzichtstekening met het te behouden groen en een lijst met diersoorten om de startsituatie in beeld te brengen, en een ecologische quickscan rapportage.

Breng de huidige kwaliteit van de leefomgeving in kaart Naast het belang van behoud en verbetering van biodiversiteit, kan de ontwikkeling en de natuur die je daaraan toevoegt ook bijdragen aan een gezondere en klimaatbestendige leefomgeving. Breng daarom op basis van een data-analyse van de locatie in kaart of er bijvoorbeeld veel hittestress in het gebied is, of er veel last is van water op straat na regen, of mensen in de buurt een gezonde leefstijl hebben, enzovoort.

3.

4.

Onderzoek de huidige ecologische situatie op de locatie

Iedere ontwikkeling is onderdeel van een groter geheel. De gemeente heeft doelstellingen die aangeven welke doelen zij nastreven in de gebouwde omgeving. Het groenbeleid, de groenstructuurplannen, de omgevingsvisie en steeds vaker het beleid voor natuurinclusief bouwen. Maak deze documenten en doelstellingen inzichtelijk om te zorgen dat het plan goed aansluit bij de wensen van de gemeente en provincie.

Bepaal de natuurinclusieve projectdoelstellingen. Welke impact wil je maken? De eerste drie stappen geven je inzicht in wat de huidige situatie is en waar de kansen voor de natuur liggen. In deze stap maak je concreet wat je wil bereiken met het project en hoe je de natuur zal beschermen, verrijken, en de leefomgeving wil verbeteren op deze locatie.

5.

Briefing en aansturing van de ontwerpers

6.

Realiseer je plan en creëer blijvende waarde

Resultaat Een data-analyse van de kwaliteit van de leefomgeving.

Weet wat de gemeente en provincie willen bereiken Resultaat Een overzicht van de relevante beleidsdocumenten van de gemeente en provincie en de bijbehorende doelstellingen.

Breng de kansen en doelstellingen voor de ontwikkeling in beeld

Vraag vanaf de start van een project aan het team om natuurinclusief te ontwerpen en laat dit een onderdeel zijn van iedere ontwerpfase. Stuur daarbij op je doelstellingen. Zorg voor expertise in het team op het gebied van ecologie, natuurinclusief bouwen en klimaatadaptatie. Betrek het Bouwteam, Beheer & Onderhoud, het waterschap voor de watertoets en overleg tijdig met het bevoegd gezag. Gebruik de checklist op pagina 18-19 om in iedere fase te sturen op resultaat.

Vertaal de waarde van natuurinclusief bouwen naar je visie, ontwerpen en voorstellen aan de gemeente, omwonenden, en partners. Zorg dat de natuurinclusieve maatregelen in de bouw gerealiseerd worden en dat deze goed overgedragen worden aan bewoners en beheerders.

Resultaat Een overzicht van de doelstellingen en kansen waar de natuur in de projectontwikkeling aan kan bijdragen.

Resultaat Een team dat erop gericht is om de doelstellingen te bereiken en ontwerptekeningen die de geplande natuurinclusieve maatregelen met daarin alle habitatvoorwaarden visueel maken.

Resultaat Een groene, gezonde en klimaatbestendige leefomgeving.

Natuurinclusief Ontwikkelen

18

Checklist

Deze checklist kun je in iedere stap van het ontwerpproces gebruiken om te zorgen dat je niets vergeten bent.

Structuurontwerp

Betrek een ecologisch adviseur.

19

Definitief ontwerp

Breng het gemeentelijk beleid en de verplichtingen voor natuurbescherming in kaart.

Start de onderzoeken voor soortenbescherming: laat een ecologische quickscan en eventuele veldonderzoeken uitvoeren.

Stem het beheer af met de toekomstige eigenaar en beheerder. Zo zorg je dat de gecreëerde natuurwaarde ook in stand wordt gehouden.

Bestek

Maak een locatie-analyse en kansenscan waarbij de lokale ecologie en de kwaliteit van de leefomgeving in kaart worden gebracht. Verwerk de resultaten tot een natuurinclusieve visie met doelstellingen voor het project en bepaal minimaal 3 doelsoorten (flora en/ of fauna).

Schetsontwerp

Maak een overzichtskaart van het plangebied, voor zowel de gebouwen als de omgeving, waarop inzichtelijk is gemaakt waar de habitat en ruimte voor de doelsoorten gecreëerd wordt.

Bepaal samen met de ecoloog de randvoorwaarden van alle natuurinclusieve maatregelen en planten. Maak een beheer- en onderhoudsplan samen met de beheerder. Bereken de te verwachten kosten van de bouw- en beheerfase.

Bouw

Realiseer het natuurinclusieve plan.

Oplevering

Draag het plan over aan de beheerders van de gebouwen en het terrein.

Leg de groenblauwe structuren van het ontwerp vast in samenhang met de omgeving. Bepaal op welke daken, gevels en ruimte in de omgeving natuur zal worden gerealiseerd of behouden.

Maak een gedetailleerd ecologisch beplantingsplan en stem dit af met de ecologisch adviseur en de beheerder. Selecteer nestkasten en ontwerp faunaverblijven voor in de gebouwen.

Maak een stedenbouwkundig plan met daarin de ecologische structuren van groen en water en het te behouden groen. Zorg voor aansluiting bij de omgeving.

Ontwerpvisie

3 — Stappenplan & checklist

Informeer bewoners en gebruikers.

Groei

Monitor de impact over tijd. Deel wat werkt en inspireer anderen. Geniet van de groei en impact die je gemaakt hebt.

Voorlopig ontwerp

Maak specifiek welke soorten waar in en om de gebouwen hun plek krijgen in overleg met de ecologisch adviseur. Geef onder andere aan waar de verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd of ingebouwd. Selecteer ecologisch relevante inheemse beplanting, selecteer beplanting passend bij de habitatwensen van de doelsoorten en bepaal welke type beplanting waar komt. Start de ontheffingsaanvraag wanneer er een verplichting is voor natuurbescherming.

Natuurinclusief Ontwikkelen

20

21

4 — Soortenbescherming

Hoofdstuk 4

Soortenbescherming

Proces tot ontheffingsverlening Een projectontwikkelaar die gaat bouwen of renoveren, is wettelijk verplicht om een ecologisch deskundige in te schakelen. Zo’n ecologisch deskundige brengt in kaart welke nest- of verblijfplaatsen, foerageergebieden (voedsel) en/of belangrijke routes voor beschermde soorten aanwezig zijn op de locatie. Veelvoorkomende soorten zijn huismussen, gierzwaluwen, dwergvleermuizen en rugstreeppadden. Wanneer dit het geval is, moet je vaak bouwmaatregelen treffen en een ontheffing aanvragen, want de wet verbiedt verstoring of het doden van beschermde diersoorten en beschermt een aantal plantensoorten. Het is verboden: In het wild levende dieren van beschermde soorten te doden of te vangen. Beschermde dieren opzettelijk te verstoren. De voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Let op: De onderzoeken en maatregelen kunnen alles bij elkaar maanden of zelfs enkele jaren duren. Begin dus op tijd met het uitvoeren van ecologisch onderzoek en het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen.

Een voorbeeld van de duur van het proces Uit de quickscan blijkt dat het gebouw dat gesloopt moet worden ten behoeve van projectontwikkeling mogelijk gebruikt wordt door vleermuizen. Dit betekent dat er in de actieve periode van april tot oktober meerdere veldbezoeken moeten worden afgelegd. Wanneer vleermuisverblijfplaatsen worden aangetroffen, zal je in het daaropvolgende jaar (of parallel aan de onderzoeksperiode) alternatieve vleermuiskasten moeten plaatsen buiten de projectlocatie. De alternatieve voorzieningen dienen ook een periode tezamen met de huidige verblijfplaatsen aanwezig te zijn, zodat vleermuizen de tijd hebben om aan de alternatieve verblijfplaats te wennen. Deze gewenningsperiode is vaak tussen de 3-6 maanden in het actieve seizoen (april tot oktober), afhankelijk van het type verblijfplaats. Daarnaast moet je een ontheffing aanvragen bij het bevoegd gezag en na de ontheffingsverlening dien je ervoor te zorgen dat de bouwlocatie 'ongeschikt' is gemaakt. Dit proces kan wel 36 maanden duren.

Natuurinclusief Ontwikkelen

22

Rol van de ontwikkelaar Als projectontwikkelaar ben je verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvraag. Een ecologisch adviseur kan hierbij helpen. De onderbouwing van het belang van de ontwikkeling zal echter goed omschreven moeten worden om de noodzaak te onderschrijven. Dit kan niet simpelweg bij de adviseur gelegd worden, want dan is het risico op een negatief besluit groot. Verplichtingen voor de nieuwbouw Bij nieuwbouw moet voor de beschermde diersoorten, die al in het gebied aanwezig zijn, een geschikt leefgebied gerealiseerd worden. Het is verstandig om al vanaf het eerste ontwerp deze beschermde soorten mee te nemen in het ontwerpproces. Dat is een kleine moeite en zorgt zelfs vaak voor overcompensatie van

mogelijkheden voor dieren waar je later in het bouwproces profijt van kunt hebben, omdat dit zorgt voor voldoende mogelijkheden in het gebied. Natuurinclusief bouwen zorgt voor tijdwinst en voorkomt vertraging Er kan veel tijd verloren gaan wanneer de ontwerpen opnieuw moeten worden gemaakt door de architect en er maatregelen voor beschermde diersoorten moeten worden toegevoegd. Natuurinclusief bouwen kan op lange termijn leiden tot voldoende alternatieve verblijven en een geschikte habitat in de omgeving. In dat geval kan de stap van mitigatie overgeslagen worden. Dit kan tot wel een jaar aan tijdwinst en kostenbesparing opleveren. Een ontheffing is wel altijd nodig.

23

4 — Soortenbescherming

Bij nieuwbouw moet voor de beschermde diersoorten, die al in het gebied aanwezig zijn, een geschikt leefgebied gerealiseerd worden.

Planning Onderzoeken en Mitigatie 1. ECOLOGISCHE QUICKSCAN (3 jaar geldig)

2. NADERE VELDONDERZOEKEN

3. AANVRAAG ONTHEFFING

4. MITIGATIE EN COMPENSATIE

5. ONGESCHIKT MAKEN

6. BOUWEN

3 - 36 MAANDEN

1. ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten op de projectlocatie en de impact van de activiteit op beschermde soorten.

2. NADERE VELDONDERZOEKEN Meerdere veldonderzoeken naar welke beschermde soorten aanwezig zijn en of er negatieve impact op de soorten te verwachten is.

3. AANVRAAG ONTHEFFING Ontheffingsaanvraag bij het bevoegd gezag (provincie of omgevingsdienst).

4. MITIGATIE EN COMPENSATIE Realisatie van meerdere, alternatieve verblijfplaatsen en/of een ander leefgebied waarna er een gewenningsperiode volgt.

5. ONGESCHIKT MAKEN Na de ontheffingsverlening: De gebouwen ongeschikt maken voor bewoning.

6. BOUWEN Het natuurinclusief bouwen met verblijfplaatsen en een geschikt habitat in de nieuwe situatie kan beginnen.

Gierzwaluwen, in dakgootbekisting van Unitura

Natuurinclusief Ontwikkelen

Hoofdstuk 5 Biodiversiteit

24

25

Soortenrijkdom toevoegen voor veerkracht Biodiversiteit gaat over de hoeveelheid verschillende soorten flora en fauna die in een gebied voorkomen. Een grote verscheidenheid aan soorten zorgt voor veerkracht. Dit kan voorkomen dat er, bijvoorbeeld door een ziekte bij één soort, een heel gebied gekapt of gerooid moet worden. Gelaagdheid bevordert het aantal soorten Hoe meer variatie en gelaagdheid in beplanting, hoe meer soorten er profijt van hebben. Zo heeft een mus een dichte haag of struik nodig, insecten in het voorjaar en zaden in het najaar. Een merel zingt zijn lied graag hoog in de bomen, broedt in de struiken en zoekt op de grond tussen de bladeren naar insecten. Beplanting: inheems en biologisch Nieuwe beplanting kan het beste (lokaal) inheems zijn. Het liefst komen de plantensoorten al voor in de regio. Als dat niet mogelijk is, kies dan voor planten uit Nederland of Europa. De nectar,

Insectvriendelijke beplanting in de gebouwde omgeving

Gelaagdheid bevordert het aantal soorten, afbeelding van DELVA Landschape Architecture / Urbanism

5 — Biodiversiteit

bessen, zaden en vruchten van inheemse soorten vormen een belangrijke voedselbron voor de dieren. Inheemse soorten op een gezonde bodem kunnen zich bovendien beter aanpassen aan lokale omstandigheden en klimaatverandering. Inheemse planten hebben ecologische meerwaarde, exotische of cultuurplanten hebben die meerwaarde niet. Het beste is om biologisch gekweekte soorten te gebruiken. Zo voorkom je dat er insecticiden zijn gebruikt. Insecten kunnen niet tegen insecticiden. Ook wordt de kweekbodem door het gebruik van insecticiden verontreinigd. Tip Met behulp van de nationale database Flora & Fauna (NDFF), de website www.waarneming.nl en de Atlas Leefomgeving van het RIVM krijg je al een aardig beeld van de soortenrijkdom op je projectlocatie en in de omgeving.

27

5 — Biodiversiteit

Met oog voor detail realiseer je heel veel kansen voor de natuur De ene boom is de andere niet. Door de juiste planten op de juiste plek te kiezen kun je heel veel waarde realiseren. Zo hebben inheemse planten en bomen vaker meerwaarde, omdat ze als voedsel dienen voor lokale fauna, en is een wilg voor veel meer insecten relevant dan bijvoorbeeld een plataan die geen enkele insectensoort aantrekt.

Hoeveel insectensoorten zijn er verbonden aan welke boom?

450 Wilg

423

334

Zomer- en winter eik

Zachte en ruwe berk

189

172

Populier

Grove den

43

38

Gewone esdoorn

Europese lariks

98 Berk

12

11

Amerikaanse eik

Tamme kastanje

Natuurinclusief Ontwikkelen

28

Hoofdstuk 6 Welke soort kan waar verblijven in en op het gebouw?

29

6 — Welke soort kan waar verblijven in en op het gebouw?

Vogels K

Zoogdieren

Koolmees

SP

Pagina 44

P

Pimpelmees

GZ

Merel

HZ

Huiszwaluw

Vlinders

V

Pagina 60

Pagina 54

Slechtvalk

S

Huismus

Pagina 60

Tweekleurige Vleermuis

T

Pagina 38

Laatvlieger

L

Pagina 46

Pagina 34

ZR

Gierzwaluw

Bijen

B

Pagina 50

Pagina 36

Pagina 40

H

Gewone Dwergvleermuis

D

Pagina 42

Pagina 44

M

Spreeuw

Insecten

Pagina 54

Zwarte Roodstaart Pagina 48

ZUID

WEST

ZUID & WEST

NOORD

OOST S

NOORD & OOST

130m

S

100m 80m T

T

T

T

60m D

ZR

D

D

40m

D

GZ

40m

GZ

30m ZR

B

V

20m

ZR

ZR

20m

15m

H

H

L

L

D B

V

HZ T

K

M

B

H

(Groene) daken & Klimplanten

D

10m

H

HZ GZ T

T SP

P V

HZ

T

SP

H GZ

5m 3m

B

V

B

V

1m Hoogbouw

Laagbouw

Hoogbouw

Laagbouw

Natuurinclusief Ontwikkelen

30

Hoofdstuk 7 Wat is nodig in de omgeving van de doelsoorten? Insecten

Zoogdieren Insecten

B Bijen

D Gewone Dwergvleermuis D Gewone Dwergvleermuis B Bijen

V Vlinders

T Tweekleurige vleermuis T Tweekleurige vleermuis V Vlinders

Vogels

L Laatvlieger Vogels EE Eekhoorn

EE Eekhoorn

P

P Pimpelmees

SP

E Egel Spreeuw

Vogels ipsum

Lorem ipsum K Koolmees K Koolmees E Egel K Koolmees Pimpelmees Pagina 44

M Merel

Zoogdieren

Zoogdieren

L Laatvlieger

D

Pagina 42

M Merel Amfibieën en reptielen Amfibieën en reptielen

P Poelkikker H Huismus P Poelkikker P H Huismus Pimpelmees GZ Gierzwaluw Roodstaart Roodstaart Pagina ZR Zwarte R Rugstreeppad R Rugstreeppad Pagina 44 ZR Zwarte 36 SP Spreeuw

SP Spreeuw

Merel GZ Gierzwaluw

HZ GZ Gierzwaluw

HZ Huiszwaluw

HZ Huiszwaluw

Huismus H S Slechtvalk Pagina 34

S Slechtvalk

M

Pagina 40

ZR

S

Insecten

Gewone Dwergvleermuis

B

Pagina 50

V

Pagina 60

Amfibieën en reptielen

Pagina 54

Pagina 38

Slechtvalk

Laatvlieger

L

Pagina 54

Pagina 46

P

Pagina 58

Pagina 48

R

Habitat en de V's Ecologen hebben het nogal eens over 'de ‘V's’. De ‘V’s’ zijn alle voorwaarden die samen de habitat van een soort maken: voortplanting, verblijfplaats, voedsel, veiligheid, verbinding met de omgeving en variatie. Om een goed leefgebied voor dieren te creëren, moeten de V’s voldoende in de buurt zijn.

voedsel moet kunnen vinden en de jongen wat anders eten dan de volwassenen.

Voorbeeld Neem de huismus. Die slaapt doorgaans in dichtbegroeide struiken en klimmend groen (verblijfplaats). Een huismus zoekt in dichtbegroeid groen beschutting bij dreigend gevaar (veiligheid) en gebruikt een op het noordoosten gelegen nestkast om in te broeden (voortplanting). Voedsel moet heel nabij zijn en variatie is daarin belangrijk, omdat een huismus het hele jaar

Of de gewone dwergvleermuizen. Die paren de jonge vleermuizen op een andere plek in gebouwen (voortplanting) dan waar ze hen zogen en waar ze overwinteren (verblijfplaatsen). Vleermuizen gebruiken bomen- en waterlijnen om hun weg te vinden (verbinding), graslanden om voedsel te zoeken, en de beschutting van bomen gebruiken ze om minder zichtbaar te zijn (veiligheid). Samenvattend De juiste combinatie van deze verschillende V's in het gebouw en de omgeving zorgt voor de geschikte habitat.

Poelkikker Rugstreeppad Pagina 62

Egel

E

7 — Wat is nodig in de omgeving 1 — Hoofdstuk van de doelsoorten? Aanduiding

Pagina 62

Eekhoorn

EE

Zwarte Roodstaart

Vlinders Pagina 60

Tweekleurige Vleermuis

T

Huiszwaluw

Bijen

31

Pagina 56

Hoge bomen

D

T

L

EE

Lage bomen

B

H

M

K

EE

D

T

L

P

Zoombeplanting

Struiken en heggen

Gras en zand

H

M

K

P

B

V

H

SP

H

D

T

L

E

K

P

E

K

P

M

M

Bermen en droge verhoging

B

V

Nat

Oever en open water

E P

R

GZ

H

HZ

M

L

E

P

R

D

T

Deel 2

Natuurinclusieve maatregelen

Iedere diersoort heeft zijn eigen wensen voor een prettige habitat. Door geschikte natuurinclusieve maatregelen toe te passen in het ontwerp creëer je volop kansen voor de natuur. Het tweede deel van deze gids geeft daarom inzicht in de richtlijnen per soort en in de mogelijkheden voor water, bodem en groen.

34

Natuurinclusief Ontwikkelen

Huismus

35

8 — Overzicht doelsoorten >50cm >50cm

N

W

O

34mm

12,5cm

3–10m 12,5cm

Z Ingang nestkast op het noorden, oosten of noord-oosten.

Checklist Realiseer je voor de huismus, zorg dan dat je deze 5 punten af kan vinken in je ontwerp.

Voortplanting Minimaal 5 nest kasten bij elkaar (bij voorkeur bij dakgoten).

Veiligheid Klimmend groen en stekelige struiken van minimaal 3 meter hoog als beschutting.

Verbinding Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid voor uitwisseling en groei van de populatie.

Verblijfplaats Als slaapplek gebruikt de huismus groenblijvende struiken. Ook zijn gras, zand en water binnen 100m van de verblijven belangrijk.

Voedsel Voedselplanten (o.a. zaden, granen, bloemknoppen) en insecten zoals bladluizen in tuinen en de omgeving.

12,5cm

Minimale binnenmaat nestkast en afmeting invliegopening.

Habitatwensen Huismussen leven graag in de buurt van mensen. Hun nestplaats is doorgaans in of aan een gebouw en voedsel komt bewust of onbewust van mensen. Huismussen eten zaden, granen, insecten, bloemknoppen, brood, bessen, pinda's en vetbollen. In broedtijd eten ze voornamelijk insecten. Zorg dat in de directe omgeving van de nestkast continu voldoende dekking aanwezig is – minimaal 3 à 4 meter hoog opgaand groen – en dat er altijd voldoende geschikt voedsel, zand, water en potentiële slaapplaatsen binnen 50 tot 100 meter beschikbaar zijn. Hoe dichterbij hoe beter. Huismussen houden overigens niet van gebieden waar veel hoge bomen staan.

Plaats nestkasten bij de dakgoot of in een gevel ver van ramen.

Plaats meerdere nestkasten op 3-10m hoogte en minimaal 50cm van elkaar

Nestkasten Een huismus leeft graag samen met andere huismussen in een kolonie. Plaats daarom minimaal 2 nestkasten, maar liever meer.

Vogelschroot Als alternatief voor nestkasten kun je het vogelschroot onder de dakpannen verplaatsen, zodat de eerste twee panlatten kunnen dienen als broedlocatie voor huismussen. Pas dit op minimaal 5 meter lengte van het dak toe. De hoogte tussen het dakbeschot en de dakpan (bij de bolling) moet minimaal 7,5 centimeter zijn. Deze maatregel is alleen zinvol bij dakpannen waar het dakbeschot toegankelijk is bij de eerste rij dakpannen, bijvoorbeeld bij holle pannen. Om beschadiging van dampfolie te voorkomen, kun je houten platen aanbrengen boven de gootplank.

36

Natuurinclusief Ontwikkelen

Gierzwaluw

37

8 — Overzicht doelsoorten >80cm >80cm

N

70mm 5x

W

O Z

Ingang nestkast op het noorden, oosten of noord-oosten.

35mm

13 cm 25 cm

15 cm

Minimale binnenmaat nestkast.

6–40m

<20mm Afmeting invliegopening en afstand vanaf de bodem.

Plaats nestkasten op 6-40m hoogte en minimaal 5 kasten op 80cm van elkaar.

Plaatsing nestkast.

Habitatwensen Gierzwaluwen zijn van april tot augustus in Nederland en trekken voor de koude maanden naar warmere oorden. Ze brengen het grootste deel van hun leven in de lucht door. Ze slapen er zelfs. Alleen tijdens de broedtijd zitten ze op hun nesten. Ze broeden graag in de holtes van gebouwen en onder daken. Gierzwaluwen zien onze gebouwde omgeving als een rotslandschap. De verschillende kieren en openingen in onze gebouwen zijn voor hen plekken om te nestelen.

Checklist Realiseer je voor de gierzwaluw, zorg dan dat je deze 4 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Minimaal 5 verblijf- plaatsen in een cluster geplaatst. Veiligheid Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding Water en grasland nabij. Voedsel Waterrijke omgeving en insectenrijk grasland.

Voldoende kruidenrijk groen in het projectgebied zorgt voor voedselvoorziening, al vinden gierzwaluwen hun voedsel in een groot gebied door zich te voeden met ‘aeroplankton’ in de lucht. Een waterrijke omgeving en insectenrijk grasland binnen 500m van het nest heeft de voorkeur. Binnen die afstand wordt namelijk naar voedsel gezocht. Rond het water houden de grootste aantallen vliegende insecten (muggen) zich op. Nestplaatsen Gierzwaluwen zijn koloniebroeders. Realiseer daarom minimaal een cluster van 5 tot maximaal 20 nestplaatsen per gebouw in de noordoostelijke windrichting. Deze worden bij voorkeur ingebouwd. De gierzwaluw broedt graag hoog; nesten kunnen tot 40 meter hoog worden ingemetseld. Blinde, monotone zijkanten van gebouwen zijn

het meest geschikt. Er moet een aanvliegroute van minimaal 3 meter onder en voor de steen vrijgehouden worden van obstakels zoals bomen en gebouwen. Bij het uitvliegen maakt een gierzwaluw namelijk eerst een val van een aantal meters voor hij opvliegt. Het kan jaren duren voordat een gierzwaluw een neststeen bezet. Tot het zover is vormt de neststeen een welkome broedplaats voor andere soorten. Als er eenmaal één steen door een gierzwaluw bezet raakt, zullen er snel meer volgen. Gierzwaluwen zijn erg trouw en keren generaties lang terug naar hetzelfde nest. Gierzwaluwen geven geen overlast. Ze gebruiken weinig nestmateriaal en maken ook geen vieze strepen op de gevel. De inbouwstenen hoeven niet schoon gemaakt te worden.

Nokvorst Als alternatief kun je ook zwaluwverblijven realiseren door de nokvorst geschikt te maken als opening naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestmogelijkheid voor gierzwaluwen. Dit kun je doen door 2 cm ruimte over te laten bij de eindvorst, zodat ruimte achter de opening gebruikt kan worden door gierzwaluwen om te broeden. Ook biedt de opening toegang tot het dakbeschot voor vleermuizen.

38

Natuurinclusief Ontwikkelen

Huiszwaluw

39

8 — Overzicht doelsoorten N 5x

W

O

4–10m

Z Ingang nestkast op noord-oosten.

Plaats nestkommen op 4-10m hoogte en minimaal 5 kasten per gebouw.

Habitatwensen van huiszwaluwen Huiszwaluwen geven de voorkeur aan een waterrijke omgeving waar ze muggen vinden. Muggen zijn hun voornaamste voedselbron.

Checklist Realiseer je voor deze doelsoort, zorg dan dat je deze 4 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verbinding Water en grasland nabij de verblijfplaats. Voedsel Beplanting voor insecten in een waterrijke omgeving.

Verblijfplaats Witte overstekken bij dakranden. Kunstnesten of kleigrond om zelf nesten te maken. Veiligheid Vrije uitvliegmogelijkheid voor en onder het nest.

Kunstnesten voor huiszwaluwen Realiseer minimaal een cluster van 5 zwaluwkommen per gebouw. Dit kun je doen door het ophangen van kunstnesten voor huiszwaluwen aan de buitengevels onder een overstek. De kunstnesten moeten op minimaal 4 meter en maximaal 10 meter hoogte worden geplaatst op het noordoosten. Plaats in ieder geval een deel van de nestkommetjes bij elkaar, al kunnen huiszwaluwen ook alleen broeden.

Plaats de kunstnesten aan de buitengevels onder een overstek.

Gierzwaluwen en huiszwaluwen hebben een vrije aanvliegroute nodig van minstens 4 meter die niet wordt geblokkeerd door een bouwwerk of een boom. Ook moeten ze zo'n 3 meter vrij kunnen vallen direct buiten hun nest zonder iets te kunnen raken. Zwaluwen nestelen het liefst onder een overstek of een dakgoot die wit is. Nestverblijven dienen daarom bij voorkeur op een hoek of op de kopse kant van het gebouw te worden aangebracht. Zelfbouw Huiszwaluwen zijn ook goed in zelf een nest bouwen. Ze bouwen van klei en zand een komvormig nest tegen bijvoorbeeld de gevel van een gebouw. Een modderpoel binnen een straal van 200 meter zorgt ervoor dat de huiszwaluwen zelf nesten kunnen bouwen.

40

Natuurinclusief Ontwikkelen

41

8 — Overzicht doelsoorten

Merel, roodborst & andere struikbroeders

Checklist Realiseer je voor deze doelsoorten, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats & Voortplanting Opgaande, groenblijvende beplanting.

Voedsel Nectarrijke en besdragende beplanting. Veiligheid Doornige struiken en dichte, groenblijvende hagen.

Habitatwensen Het liefst maken merels en veel andere vogels hun nest in dichte struiken, hagen, gevelgroen zoals klimop of in lage bomen. Om merels een handje te helpen is de aanplant van inheemse, doornige struiken gewenst. Geschikte struiken zijn bijvoorbeeld de vuurdoorn. Deze kunnen tegen gevels worden gezet of los als hagen worden aangeplant. De vuurdoorn heeft voor vogels eetbare bessen en vormt door de stekels een veiligere nestplaats. Vuurdoorns tegen gevels zijn tevens een geliefde rustplaats van huismussen. Bijkomend voordeel is dat vuurdoorns groenblijvend zijn en daardoor in de winter wat gezelliger zijn dan haagbeuken. Verder hebben deze vogels baat bij een hogere biodiversiteit, door insectvriendelijk maaibeheer, het laten liggen van afgevallen blad en inheemse beplanting.

Tip 1 — Klimmende struiken Een klimmende struik, zoals de blauwe regen kan mooi tegen een pergola geplaatst worden. Je biedt vogels zo een plek voor hun nest, een schuilplaats als er gevaar dreigt en voedsel (bessen, zaden en insecten). Ook in de winter biedt dit een belangrijke rustplek. Variatie in struiken is altijd goed en zorgt voor meer biodiversiteit.

Tip 2 — Vogel- of vlinderbosjes Met de juiste beplanting kunnen vogels en vlinders in verschillende seizoenen voedsel vinden. Kies het liefst voor verschillende nectarrijke en besdragende planten, waardoor een rijke variatie aan voedsel voor vlinders en vogels ontstaat, zoals lijsterbes, Gelderse roos, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, vlier, hulst, taxus, egelantier, vuilboom en/of krentenboompje.

42

Natuurinclusief Ontwikkelen

Spreeuw

43

8 — Overzicht doelsoorten N

W

5x

O

45mm

30cm

2–5m 16cm

Z Ingang nestkast op het noorden, oosten of het beste op het noord-oosten.

Checklist Realiseer je voor de spreeuw, zorg dan dat je deze 2 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Nestkasten, gaten in gebouwen of oudere bomen met holtes.

Voedsel Grasvelden voor insecten en hun larven binnen 500m.

16cm

Minimale binnenmaat nestkast en afmeting invliegopening.

Habitatwensen Spreeuwen zijn een van de meest voorkomende broedvogels in Nederland, maar hun aantal gaat achteruit. Ze leven in boomholtes of nestkasten. Spreeuwen zijn alleseters, maar ze eten voornamelijk insecten en insectenlarven in grasland. Een combinatie van een aantal nestkasten of oudere bomen waarin holtes zijn ontstaan om in te broeden en voldoende gras in de buurt zorgt voor een prettige leefomgeving voor de spreeuw. Zorg daarnaast voor besdragende struiken.

Plaats nestkasten op 2-5m hoogte en plaats minimaal 5 nestkasten.

Nestkasten Plaats de nestkasten op 2 tot 5 meter hoogte en niet in de volle zon, dus liever niet op het zuiden. Anders wordt het in de zomer te warm binnen. Zorg ook dat de nestkasten beschut zijn tegen de wind. De invliegopening kan daarom het beste op het noordoosten zijn gericht, want de wind komt in Nederland vaak uit het zuidwesten. De spreeuw is geen koloniebroeder, maar broedt wel graag met meerdere soortgenoten bij elkaar in de buurt.

44

Natuurinclusief Ontwikkelen

Koolmees & pimpelmees

45

8 — Overzicht doelsoorten >10m

N

W

O

32mm

32cm

Ingang nestkast op het noorden, oosten of noord-oosten.

Realiseer je voor de koolmees of pimpelmees, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Opgaande, groenblijvende beplanting. Voedsel Nectarrijke en besdragende beplanting en tuinen met vogelvoer van bewoners.

Veiligheid Doornige struiken en hagen.

12cm

12cm

12cm

Koolmees Minimale binnenmaat nestkast en afmeting invliegopening.

Pimpelmees Minimale binnenmaat nestkast en afmeting invliegopening.

Habitatwensen Mezen zijn aanwezig in kleine bosjes, parken en tuinen, als er maar nestgelegenheid en voedsel voorhanden is. Ze broeden ook veel in bosrijke gebieden.

Checklist

28mm

28cm

12cm

Z

>10m

2m

Plaats nestkasten op 2m hoogte en minimaal 10 meter van elkaar.

tenminste 10 meter van elkaar, want ze zijn territoriaal. Voor vogels van verschillende soorten, zoals koolmees en pimpelmees, kunnen de kasten een meter of 3 uit elkaar hangen. De ophanghoogte is minimaal 2 meter. Ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten.

Hun voedsel bestaat uit rupsen, andere kleine insecten, beukennootjes en andere zaden. Ook hebben mezen veel profijt van mensen die vetbollen en voedersilo's ophangen. Nestkasten De koolmees en pimpelmees broeden in boomholtes, schuurtjes en in nestkasten. Mezen van dezelfde soort wonen het liefst

Tip Plaats een grote boom met een dicht bladerdek, zoals een beuk, eik of meidoorn, om de koolmees in de tuin te houden.

46

Natuurinclusief Ontwikkelen

Slechtvalk

47

8 — Overzicht doelsoorten

80cm 64cm 62cm

Minimale binnenmaat nestkast. Nestkast met metalen voorportaal en kiezelstenen op de bodem.

Checklist Realiseer je voor de slechtvalk, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Hoge bebouwing met nestkasten of richels. Verbinding Open landschap binnen 5 kilometer.

Veiligheid De slechtvalk kent zelf weinig vijanden. Maar voor de veiligheid van kleinere vogels moeten er niet te veel slechtvalken in een gebied leven.

5x

80-120m

Plaats nestkasten minimaal op 25 meter hoogte, maar het liefst op 80-120m hoogte. Minimaal 1 nest per wijk.

Habitatwensen Een slechtvalk jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd is dit meestal in open landschappen. Hij jaagt op kauwen, stadsduiven en zwarte kraaien, maar ook andere vogelsoorten die kleiner zijn dan de slechtvalk. Ze leven in hoogstedelijk gebied; doorgaans niet in dorpen. Te veel slechtvalken in een gebied kunnen zorgen voor te veel terugloop van de aantallen kleinere vogels. Dat is meestal niet wenselijk.

Nestplaatsen Slechtvalken broeden op richels, in nissen, een nestkast of oud kraaiennest in steden en in het open boerenland in hoogspanningsmasten. Voorafgaand aan het realiseren van nestplaatsen voor slechtvalken moet je inventariseren of er niet al een slechtvalkkast of andersoortige broedplaats in de directe omgeving aanwezig is. Bij een te groot aanbod aan nestkasten verliest het plaatsen van een nieuwe kast zijn waarde voor slechtvalken en komen er te veel slechtvalken als roofdier voor andere diersoorten in een gebied. Dat verstoort het evenwicht. Plaats maximaal 1 kast per wijk. Dit is alleen mogelijk op bebouwing van minimaal 25 meter hoogte, maar plaats de nestkast het liefst op 80-120m hoogte.

48

Natuurinclusief Ontwikkelen

Zwarte roodstaart

49

8 — Overzicht doelsoorten N

W

O Z

Ingang nestkast op het noorden, oosten of noord-oosten.

Checklist Realiseer je voor de zwarte roodstaart, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Bruine daken of braakland met weinig begroeiing en veel zon en maximaal 2 nestkasten bij elkaar.

Voortplanting Hoogbouw met nestkasten. Voedsel Planten waar insecten op af komen.

19cm

2m+

6cm 18cm

18cm

Minimale binnenmaat nestkast.

Habitatwensen De zwarte roodstaart leeft het grootste deel van het jaar solitair of in paren en zingt van een hoge zangpost vanaf 20 meter hoogte. Het is cruciaal voor de zwarte roodstaart dat er in de omgeving van het nest open, zonnige, droge, niet ingerichte terreinen aanwezig zijn. De zwarte roodstaart heeft een voorkeur voor grootschalige nieuwbouw en houdt niet zo van een groene en begroeide omgeving. Behoud dus kleine stukjes braakland met korte vegetatie. Ze maken graag gebruik van 'bruine daken': een dak dat bestaat uit een substraat van vermalen steen van 25 mm tot gruis en dat in dieptes van 5 tot 15 cm op het dak wordt aangebracht. Tussen het steenslag worden enkele grotere stenen en stukken hout

13cm

Afmeting invliegopening.

Plaatsing de nestkasten op minimaal 2 meter hoogte en plaats er maximaal 2 per project.

geplaatst. De planten laat je spontaan opkomen. De zwarte roodstaart mijdt doorgaans natte gebieden en gebieden met dichte en hoge gewassen en is een insecteneter. Nestplaatsen De nestkast moet geplaatst worden in bebouwing op een beschutte plaats op het noorden of oosten. Dit kan zowel aan woningen, hoge industriële gebouwen, als bij boerenschuren gedaan worden. Plaats maximaal 2 kasten per project. De kast moet geplaatst worden op minimaal 2 meter hoogte, maar liever hoger en in de buurt van bruine daken. Nestkasten voor de zwarte roodstaart zijn ook geschikt voor de witte kwikstaart.

50

Natuurinclusief Ontwikkelen

51

8 — Overzicht doelsoorten

Gewone dwergvleermuis

Habitatwensen Vleermuizen maken gebruik van verschillende verblijven en foerageren het liefst dichtbij. Ze jagen binnen een straal van 2-5 kilometer van hun verblijfplaats. Hun menu bestaat voornamelijk uit muggen, dansmuggen, schietmotten, maar ook haften, gaasvliegen, nachtvlinders en soms ook kevers.

Checklist Realiseer je voor de gewone dwergvleermuis, zorg dan dat je deze 4 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats & voortplanting Verschillende soorten verblijfplaatsen, bijvoorbeeld in de spouw, als inbouw kast of achter gevelbetimmering. Verbinding Waterlijnen en bomenrijen als verbinding met de omgeving.

Voedsel Insectenrijke beplanting en water met muggen. Veiligheid Niet verlichte gebieden en geen licht op de verblijfplaatsen.

Ze navigeren door de lijnen van bomen en water in het landschap. Ze jagen in de beschutting van opgaande elementen in een groene, bebouwde omgeving, langs kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, tussen boomkruinen, boven open plekken in het bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke loofbossen), straatlantaarns, in en langs lanen, bomenrijen, houtwallen en grasvelden. Waterpartijen en beschutte oevers zijn daarbij favoriet als jachtgebied. Rond verblijfplaatsen moet een voldoende beschutte en insectenrijke omgeving aanwezig zijn als voedsel voor de vleermuizen. Plant binnen

het project dus ook inheemse bomen, struiken en bloemen waarin insecten voedsel zoeken en zich voortplanten. Zorg vervolgens dat de locatie van de verblijven aansluit bij de vliegroutes en het foerageergebied. In gebieden met weinig groen zal wellicht alleen de gewone dwergvleermuis en mogelijk ook de ruige dwergvleermuis gebruik maken van de gerealiseerde verblijfplaats, maar in groenere wijken en/of dichterbij parken of het buitengebied zijn ook soorten als de gewone grootoorvleermuis mogelijke gebruikers. Verlichting voor vleermuizen Hoe minder verlichting aan bebouwing, hoe beter het is voor vogels en vleermuizen. Vogel- en vleermuisvriendelijke verlichting moet daarom alleen toegepast worden als het weglaten van verlichting geen optie is. Dit is verlichting met aangepast armatuur, waardoor er geen uitstraling naar boven plaatsvindt, of speciale kleurlampen.

52

Natuurinclusief Ontwikkelen

53

8 — Overzicht doelsoorten

16-20mm

N

215mm

W

O

Z Realiseer meerdere verblijven op verschillende hoogtes en windrichtingen.

50cm

4-50m

30cm+

20cm

Minimale afmetingen vleermuizenverblijf.

Vleermuisverblijven Vleermuizen maken gebruik van verschillende verblijven. Vleermuizen overwinteren in de spouw, in kelders of achter de gevelbetimmering van gebouwen en brengen de zomer door in zomerverblijven. Voeg verblijfplaatsen toe door vleermuisverblijven in te bouwen op verschillende windrichtingen en met verschillende binnenklimaten. Breng vleermuisverblijven aan tussen de 4 meter (ondergrens) en de 50 meter (bovengrens) hoogte. Plaats ze niet binnen 1 meter boven ramen. Vleermuizen kiezen graag een verblijf met de beste klimaatomstandigheden. Kraamverblijven zijn bijvoorbeeld groter dan de andere verblijven. In de kraamtijd, van half mei tot begin augustus,

Plaats vleermuisverblijven tussen 4 en 50 meter hoogte.

De invliegopening heeft bij voorkeur een hoogte tussen 16-20mm, met een aanvliegplank of ruw oppervlak van minimaal 30 cm hoogte.

gebruiken de vrouwtjes vooral de warme plekken, buiten die periode ook koelere verblijfsplaatsen. Realiseer dus meerdere plekken op verschillende windrichtingen met meerdere lagen, en schakel ze wanneer mogelijk aan elkaar om verschillende binnenklimaten te krijgen. De invliegopening heeft bij voorkeur een opening van tussen de 16 en 20 mm hoog voor de kleinere vleermuissoorten en moet een aanvliegplank of ruw oppervlak hebben van minimaal 30 cm hoogte waarop de vleermuis gemakkelijk kan landen. Dit kan ook een ruwe buitengevel zijn. Schakel voor andere soorten een specialist in en realiseer openingen die zo veel mogelijk lijken op de originele situatie.

Zichtbaar of onzichtbaar ingebouwd in de gevel.

Verblijfplaatsen in een toegankelijke tussenspouw.

Vleermuizen in de spouwmuur De tussenspouw kan toegankelijk gemaakt worden voor vleermuizen met een opening in de gevel. Er moet een luchtspouw zijn van minimaal 3 cm. Bij een gladde muur dient een ruwe laag te worden toegevoegd voor grip. Zo wordt de ruimte geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De spouwruimte kan dienen als kraamverblijfplaats en als winterverblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuisverblijven achter gevelbetimmering Er kan ook ruimte achter de gevelbetimmering of onder en achter daklijsten gemaakt worden. Gevelbetimmering kun je geschikt maken voor vleermuizen door het creëren van ruimte tussen de buitenmuur en de gevelbetimmering. Gevelbetimmering voor vleermuizen dient minimaal 100 cm

Verblijven achter de gevelbetimmering.

breed x 50 cm hoog te zijn. Tussen de gevelbetimmering en buitenmuur dien je 1,5 - 2,5 cm ruimte over te laten. Zorg voor openingen aan de onderzijde van gevelbetimmeringen van minimaal 1,5 bij 2,5 cm. Minimaal één zijde van de ruimte achter betimmering moet ruw materiaal zijn. Dit kan bijvoorbeeld een bakstenen buitenmuur of kurk zijn. Aanbevolen wordt om aanvullend achter de gevelbetimmering op een aantal plekken horizontale latten te plaatsen. Door de horizontale latten verspringend te plaatsen wordt tocht voorkomen en ontstaan er verschillen binnenklimaten.

54

Natuurinclusief Ontwikkelen

55

8 — Overzicht doelsoorten

Gerelateerde soorten vleermuizen Laatvlieger Verblijfplaatsen achter de daklijst.

Laatvlieger Verblijfplaatsen in de overstek of achter de dakgoot.

Meervleermuis Habitatwensen Meervleermuizen bevinden zich doorgaans binnen een straal van 500 meter van water. De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ze jagen vooral op die insecten die op het wateroppervlak zitten of daar vlak boven vliegen. Boven oevers en langs vegetatie vangen ze vooral dansmuggen uit de lucht.

Laatvlieger Habitatwensen De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Ze jagen tot wel 15 km van hun verblijfplaats. Laatvliegers vangen insecten meestal uit de lucht, maar pakken soms ook prooien van bladeren of van de grond. Ze vangen voornamelijk grotere soorten nachtvlinders, kevers en muggen. Verblijfplaatsen Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze verblijven in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Er zijn helaas nog geen bewezen effectieve vleermuiskasten op de markt. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen.

Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende gebouwen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op, zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten. Ruimte achter daklijsten Een verblijfplaats voor de laatvlieger kun je aanbrengen in een overstek van het gebouw en in de daklijst, al is dit nog niet bewezen effectief als maatregel. Raadpleeg voor de laatvlieger altijd een vleermuisspecialist.

Verblijfplaatsen Kolonies van meervleermuizen bevinden zich zomers vrijwel altijd op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. Vleermuiskasten en woonhuizen zijn bekend als paarverblijven. Paarverblijven van meervleermuizen liggen over het algemeen langs trekroutes van zomerverblijven naar winterverblijven. Voor zover we weten overwinteren meervleermuizen in Nederland in mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Ook worden af en toe dieren waargenomen in gebouwen.

Tweekleurige vleermuis Habitatwensen De tweekleurige vleermuis jaagt meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. In steden en dorpen is dit veelal in open gebied boven water. Verblijfplaatsen In de zomer is de tweekleurige vleermuis een bewoner van kieren en spleten in rotsen in bosachtig berglandschap en steppegebieden.

In Nederland zijn er bekende verblijfplaatsen in woonhuizen onder de dakpannen en in de spouwmuur.

Kleine dwergvleermuis Habitatwensen De kleine dwergvleermuis houdt van waterrijke gebieden zoals rivierdalen in combinatie met bomenrijke gebieden zoals bosranden, laanvormen, parken en tuinen. Het jachtgedrag en dieet komt sterk overeen met de gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen Er is nog niet zo veel bekend over deze soort in Nederland. Ruimten in gebouwen, zoals de spouw, in daklagen of achter gevelbetimmering, lijken het meest kansrijk te zijn als verblijfplaats.

Gewone grootoorvleermuis Habitatwensen Gewone grootoorvleermuizen jagen op beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap, boven bospaden, in lanen en open plekken, langs bosranden en laag boven (bloeiende) kruidenvegetaties of langs en door de kroon van (bloeiende) bomen. Verblijfplaatsen De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt.

56

Natuurinclusief Ontwikkelen

Egel

57

8 — Overzicht doelsoorten

15cm

15cm

Afmeting egeldoorgangen.

Checklist Realiseer je voor de egel, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verbinding Minimaal 20 ha goed verbonden groen. Maak openingen voor egels tussen tuinen. Veiligheid Een aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting.

Verblijfplaats Rommelige beplanting of composthopen, en makkelijk toegankelijk water in het gebied.

Habitatwensen Egels zijn dol op tuinen, bosranden, struweel en loofbos, het liefst met ondergroei. Dit zijn voor hen goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar volop aaneengesloten groene zones, tuinen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Egels eten vooral kleine (bodem)insecten en andere ongewervelden, zoals regenwormen en slakken. Dit dieet wordt aangevuld met kleine amfibieën, (jonge) zoogdieren, eieren, aas en plantaardig materiaal. Door het realiseren van openingen in schuttingen en onderaan hekwerken verspreid over het terrein, kan de egel gebruik maken van een voldoende groot leefgebied. Voor mannetjes is dit 20-40 ha en voor vrouwtjes 10-20 ha.

Verblijfplaatsen In de zomer slapen egels vaak op de kale grond onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels, in composthopen of konijnenholen. Soms worden slaapnesten gebouwd van losse bladeren. Een nest voor de jongen ligt op een goed verborgen plek zoals in een compost-, takken- of puinhoop. Winternesten worden meestal in de grond gemaakt, tegen een schutting aan, in een schuur of bijgebouw of in een takken- of composthoop. De afmetingen van het winternest varieert sterk, soms hebben ze wel een halve meter doorsnee.

58

Natuurinclusief Ontwikkelen

Eekhoorn

59

8 — Overzicht doelsoorten N

W

O

44 cm 3m+

37,5cm

Z Ingang nestkast op het noorden, oosten of noord-oosten. Ingang niet naar het zuidwesten of westen (tegen inregenen).

Checklist Realiseer je voor de eekhoorn, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Hoge oude bomen. Verbinding Zorg voor verbinding tussen de bomen.

Voedsel Zaaddragende bomen (onder andere eik, beuk, den).

39 cm Plaats de nestkasten op minimaal 3 meter hoogte.

Habitatwensen Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40 jaar), omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Eekhoorns houden niet van zon, maar juist van schaduwrijke plekken. Natuurlijke vijanden zijn de vos, roofvogels en boommarters. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten, dennenappels en kegels van naaldbomen. Ook eten ze afhankelijk van het jaargetijde knoppen, bladeren, bessen, schors, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en zelfs jonge vogels.

Indicatie afmetingen eekhoornhuis voor in bomen.

Nesten en nestkasten Eekhoorns bouwen nesten in bomen die vooral in de winter - wanneer er geen blad aan de bomen zit - goed waarneembaar zijn. Soms gebruiken ze ook boomholten, oude kraaien- of eksternesten, of grote nestkasten als nestplaats. Bij voldoende oud bos is het niet nodig nestkasten toe te passen voor de eekhoorn. Wel is het van belang te kijken naar verkeersaders en drukke wegen binnen het gebied. Gekeken kan worden naar ‘eekhoornbruggen’ tussen bomen over moeilijk te overbruggen gebieden daar waar bomen geen structuur bieden voor een veilige oversteekplaats. Als je een nestkast voor eekhoorns ophangt, doe dat dan in een boom op een hoogte van minimaal 3 meter, met de opening niet naar het zuidwesten gericht.

60

Natuurinclusief Ontwikkelen

Bijen & vlinders

61

8 — Overzicht doelsoorten N

W

50 x

O Z

Ingang op het zuiden, westen of zuid-westen.

23cm

21cm

10cm

Minimale afmetingen vlinderhotel.

Minimale afmetingen bijensteen.

Habitatwensen Bloemen- en kruidenrijke groenstroken vormen een belangrijke voedselbron voor vlinders, hommels en bijen. Deze soorten zijn voor hun voedsel afhankelijk van de nectar en het stuifmeel van de bloemen. Ze hebben een gevarieerd aanbod van inheemse beplanting nodig met bloei van het voorjaar tot het najaar. Veel insecten hebben een eigen voorkeur voor planten als voedsel en planten waardoor ze zich kunnen ontwikkelen, zoals planten voor de afzet van hun eitjes of om te ontpoppen. Variatie in de vegetatie met verschillende structuren en reliëf is ook erg belangrijk voor insecten en zorgt voor de nodige beschutting.

Checklist Realiseer je voor deze insecten, zorg dan dat je deze 3 punten af kan vinken in je ontwerp.

Voedsel Nectar- en stuifmeelplanten en bomen met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Voortplanting Waardplanten (dit verschilt per soort).

Verblijfplaats Insectstenen, zand, dood hout, holtes in stengels en stenenstapels.

6cm

13cm 15cm

Natuurlijke verblijfplaatsen Veel insectensoorten vinden een prettige verblijfplaats in kieren in stenen muren, in dood hout en schors, en in de grond, bijvoorbeeld in oude holen en tussen de tegels in de tuin.

Wel 250 van de 360 bijensoorten in Nederland leeft in de grond en niet in een verticaal insectenhotel. Een insectenhotel heeft dan ook aanzienlijk minder impact dan een stuk open grond.

1-9mm

Minimaal 50 gaatjes of buisjes van verschillende afmetingen.

Hotels en inbouwstenen voor insecten Inbouwstenen, gestapelde stenen, bijenheuvels en insectenhotels dragen bij aan een gezonde, wilde bijen- en vlinderpopulatie. Wilde bijen en vlinders zijn een belangrijke schakel in de voedselketen, ook voor de mens. Zij zorgen voor 60% van de kruisbestuiving van onze groenten en fruit. Plaats de insectenhotels en -stenen op een plek die beschutting biedt tegen regen en wind en dichtbij inheemse nectar- en stuifmeeldragende bloemen, planten en/of struiken. Vlinderkasten kunnen zowel aan de zon- als de schaduwzijde worden ingemetseld. De kasten aan de schaduwzijde kunnen ook dienen als overwinteringsplek voor bijvoorbeeld de dagpauwoog en de kleine vos. Bijenkasten moeten niet in de (slag)schaduw van een gebouw of boom worden opgehangen. Hoe meer zonuren op een dag (zuidwesten), hoe beter. Bijenhotels kunnen ook op het dak worden geplaatst. Insectenstenen voor wilde bijen kunnen worden opgenomen in het metselwerk van nieuwbouw. De neststenen dienen op de zonkant van de bebouwing te worden geplaatst en kunnen zowel groepsgewijs als afzonderlijk aangebracht worden. Plaats de kasten en stenen op minimaal 50 cm en maximaal 2 meter hoogte.

62

Natuurinclusief Ontwikkelen

63

8 — Hoofdstuk Aanduiding

Amfibieën

Checklist Realiseer je voor amfibieën, zorg dan dat je deze 4 punten af kan vinken in je ontwerp.

Verblijfplaats Natuurlijke poel zonder vissen en met waterplanten en een landmilieu met gras en voldoende beschutting. Veiligheid Zachte, natuurlijke oevers of uitstapplekken, en schuilplekken.

Verbinding Grasland en verbinding met andere poelen. Voortplanting Oeverbeplanting en water waar de zon op schijnt.

Habitatwensen De meest voorkomende amfibiesoorten in Nederland zijn de groene en bruine kikker, de kleine watersalamander en de gewone pad. In hun habitat is zowel een water als een (vochtig) landmilieu nodig. In water is het belangrijk dat er een strook met oeverbeplanting aanwezig is. Als er geen oeverplanten aanwezig zijn, leggen veel soorten ook geen eieren. Een deel van de poel moet zodanig diep zijn dat droogvallen in het voorjaar en de zomer wordt voorkomen. Meestal is ongeveer 1,5 meter voldoende. Aan de noordzijde moet de oever een flauw talud hebben (ook onderwater),

zodat daar het water snel opgewarmd kan worden door de zon. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van de larven. Het water moet voornamelijk voor de kleine watersalamander schoon zijn en stilstaand of zwakstromend. Het is gunstig als de poelen deel uitmaken van een ‘nat’ netwerk: situeer daarom andere poelen in de nabijheid of sluit ze aan op een slotenstelsel. De inrichting van het landmilieu is eveneens van belang. Bosplantsoen en hoge kruidachtige vegetaties bieden schuil- en overwinteringsmogelijkheden voor de meeste soorten, maar te veel schaduw op de poel door deze beplanting op land moet worden voorkomen.

Natuurinclusief Ontwikkelen

64

Hoofdstuk 9 Water Water is altijd van groot belang voor een goede natuurkwaliteit. Zorg dus voor voldoende waterpartijen in de publieke omgeving en inspireer bewoners tot de aanleg van een vijver in hun tuin. Amfibieën en ook vissen hebben baat bij vijvers en langzaam stromend water met gevarieerde plantengroei. Kies dan wel voor amfibieën óf vissen en niet allebei in hetzelfde water. Richtlijnen voor een natuurlijke poel Veel soorten, zoals de boomkikker, heikikker, kamsalamander en insecten profiteren van een natuurlijke poel door de specifieke combinatie van water en groen, en kunnen zich in het water voortplanten. Het stilstaande water is ook een drinkplaats voor vogels. Poelen zijn bij voorkeur niet beschaduwd en liggen in grasland of enkele meters van de bosrand. Ze zijn minimaal 30 m2 en maximaal 500 m2 en niet dieper dan 2 meter onder het maaiveld. Hoe flauwer en breder de poel is, hoe meer soortendiversiteit er mogelijk is. De beplanting in de poel kan een zuiverende werking hebben wanneer er bijvoorbeeld lisdodde of riet wordt aangeplant. Dit heeft een positief effect op de waterkwaliteit.

helling: 1:2 - 1:3 oppervlakte >25m2 bodemlaag 10-20cm Talud: 1:3 - 1:10 Oppervlakte: 30 - 500 m2

65

9 — Water

Let op! Maatregelen rond water, zoals natuurvriendelijke oevers, moeten altijd eerst afgestemd worden met het waterschap. Een natuurvriendelijke oever heeft consequenties voor het onderhoud. Het waterschap is daarvoor verantwoordelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=dea4f5b9-4f31-4154-b883-520024840ea7