CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nadere onderzoeken MER, bomen, water en stikstof

Gemeenteraad 17 juli 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Bindend Advies Tussen de Rails25.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MER-BEOORDELING UTRECHT TUSSEN DE RAILS Gemeente Utrecht 13 juni 2025

1/25

DATUM KENMERK

13 juni 2025 20240745/175110/

PROJECT PROJECTLEIDER

Utrecht Tussen de Rails

OPDRACHTGEVER Gemeente Utrecht PROJECTNUMMER 20240745 AUTEUR

2/25

DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.

3/25

INHOUD 1.

2.

3.

4.

4/25

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3

5 5 5

Aanleiding Mer-beoordeling Leeswijzer

Plaats en kenmerken van het project

6

2.1 2.2

Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Beoogde ontwikkeling

6 10 10 10

2.3

Cumulatie

11

Kenmerken van de milieueffecten

12

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10

12 13 14 15 17 18 19 22 25 25

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem Water Ecologie Cultureel erfgoed Gezondheid Aanlegwerkzaamheden

Conclusie

25

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om maximaal 460 tijdelijke woningen mogelijk te maken op de locatie Lunetten-Koningsweg. Het initiatief past niet binnen het omgevingsplan, aangezien de activiteit wonen en de toevoeging van de nieuwbouw ter plaatse niet zijn toegestaan. Daarnaast worden agrarische gronden ingezet voor natuurcompensatie, ook dit is strijdig met het omgevingsplan. Het initiatief kan ook niet middels een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (opa) worden gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van het project is er dan ook voor gekozen om het initiatief mogelijk te maken middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).

1.2 Mer-beoordeling In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (meestal een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige m.e.r.-procedure noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal maximaal 460 woningen.

Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk bij de wijziging van de aanvraag van een BOPA. Deze aanmeldnotitie bevat deze m.e.r.beoordeling.

1.3 Leeswijzer Deze aanmeldingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de mer-beoordeling.

5/25

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1 Plaats van het project Het projectgebied bevindt zich in de sporendriehoek Lunetten-Koningsweg, is onderdeel van de wijk Oost en ligt tegen de wijk Zuid aan. De locatie ligt ten westen van de A27 en het fietspad Maarschalkerweerdpad, dat Lunetten verbindt met Maarschalkerweerd en USP. Het wordt aan de andere twee zijdes begrensd door de spoorlijnen naar Arnhem en 's-Hertogenbosch. Daarnaast is het perceel ten behoeve van de natuurcompensatie onderdeel van de bopa. Kadastraal betreft dit perceel UTT00-O-1584. Zie figuur 2.1 voor een luchtfoto met het projectgebied.

6/25

Figuur 2.1 Ligging projectgebied (bron: Arcgis luchfoto 2024)

Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het projectgebied is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 2.2). Ook bevindt het projectgebied zich niet in een stiltegebied (zie figuur 2.3). Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland. Het projectgebied ligt op circa 3,5 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (zie figuur 2.4). De dichtstbijzijnde delen van het Natuurnetwerk bevinden zich op circa 350 meter ten noordoosten van het projectgebied (zie figuur 2.5).

7/25

Figuur 2.2 Grondwaterbeschermings- en waterwingebieden en nabij de projectlocatie (rood omkaderd) (bron: Provincie Utrecht)

Figuur 2.3 Stiltegebieden ten opzichte van projectgebied (rood omkaderd) (bron: Provincie Utrecht)

8/25

Figuur 2.4 Natura 2000-gebieden nabij de projectlocatie (rood omkaderd) (bron: AERIUS Calculator)

Figuur 2.5 NNN nabij de projectlocatie (rood omkaderd) (bron: Provincie Utrecht)

9/25

2.2 Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie Het projectgebied betreft een grotendeels groen terrein ingeklemd tussen de spoorlijnen Utrecht – Den Bosch en Utrecht Arnhem. Het maakt deel uit van de stedelijke groenstructuur, een uitgemaaid wandelpad zorgt voor recreatie toegankelijkheid en beleefbaarheid. Er is één woonboerderij aanwezig in het midden van het projectgebied. Het projectgebied is bereikbaar via de fietsroute vanaf Lunetten richting Maarschalkerweerd en via het viaduct Tussen de Rails over de A27. Door het projectgebied loopt een waterloop, de Oud Wulverbroekerwetering. Deze waterloop wordt begeleid door jonge knotwilgen. De locatie is gelegen op circa 600 meter afstand van het Winkelcentrum Lunetten. Het winkelcentrum biedt voorzieningen voor de wijk, zoals een supermarkt, drogisterij, boekwinkel, diverse restaurants en een tandartspraktijk. Het projectgebied ligt direct naast station Lunetten. Aan de oostzijde van het zuidelijk gelegen fietspad is een depot voor grond en puin aanwezig. Ten noorden van het beoogde projectgebied ligt bos- en recreatiegebied Amelisweerd. Het projectgebied bestaat verder uit het perceel ten noorden van het spoor. Het perceel werd door de vorige eigenaar vooral gebruikt om paarden op te laten grazen.

Dit perceel, de paardenweide, zal worden ingericht als natuur ten behoeve van de compensatie die nodig is voor beschermde diersoorten in het kader van de Omgevingswet en in het kader van het gemeentelijk groenbeleid. 2.2.2 Beoogde ontwikkeling Tussen de Rails is een bijzondere locatie ten oosten van Station Lunetten. Het driehoekige plangebied heeft een oppervlak van circa 5 hectare. De kavel wordt begrensd door de spoorlijn naar Den Bosch en de spoorlijn naar Arnhem en de tussen beide sporen gelegen Oud Wulverbroekerwetering. Belangrijke elementen in het plangebied zijn de bestaande boerderij met grondgebied (in bezit van de gemeente) en een doorgaande fietsverbinding van Lunetten naar Maarschalkerweerd met de naam Maarschalkerweerdpad. De locatie is met Station en Wijk Lunetten verbonden via een tunnel voor voetgangers en fietsers. Deze onderdoorgang is niet geschikt voor motorvoertuigen. Motorvoertuigen kunnen plangebied tussen de rails bereiken via de Mereveldseweg gelegen aan de oostzijde van de A27. Gegeven de beperkte bereikbaarheid voor motorvoertuigen is het plangebied Tussen de Rails niet geschikt voor het parkeren van auto's.

Het driehoekige plangebied van Tussen de Rails zal in de toekomst het middelpunt vormen van Stedelijk Knooppunt Lunetten Koningsweg (SKLK). Vooruitlopend op de planvorming van de SKLK wordt het plangebied Tussen de Rails voorzien van een tijdelijke invulling voor de duur van 10 jaar voor wonen en 15 jaar voor overige functies. Deze termijn is exclusief de periode opbouw en afbouw. Ondanks het tijdelijke karakter van het plangebied is een invulling gewenst die optimaal gebruikt maakt van de (ruimtelijke) mogelijkheden die de locatie te bieden heeft. De ontwikkeling bestaat uit een gemengd programma van maximaal 460 woningen van 25 tot 50 m2 en een aanvullend cultureel-, en werkprogramma. De woningen worden voor maximaal 10 jaar toegestaan en de andere functies worden voor maximaal 15 jaar toegestaan. Met de gekozen programmering ontstaat een gemengde invulling vooruitlopend op de grootschalige integrale gebiedsontwikkeling zoals voorzien met SKLK. Een gemengde invulling wordt gezien als een duurzame benadering die zorgt voor levendigheid, leefbaarheid en sociale activiteiten die horen bij een stadsbuurt naast een station. Ten aanzien van de tijdelijke woningen is het uitgangspunt deze te willen realiseren met een permanente bouwkwaliteit. De woonblokken hebben een geluidluw binnengebied, waardoor veel woningen ook over een geluidluwe gevel kunnen beschikken.

De gemeenschappelijke buitenruimtes zijn daardoor ook geluidluw. ● De binnenhoven van de bebouwing functioneren als gemeenschappelijke buitenruimte van de woningen. Daarnaast wordt dit ook benut voor opvang van dakwater door middel van wadi's. Voor privé buitenruimte kan worden gedacht aan een leefgalerij op de verdiepingen of een strook van circa 2 meter aan de binnenzijde van de blokken op de begane grond.

10/25

●

Op de bouwvelden D en E worden andere invullingen dan wonen beoogd. Omdat de exacte invulling van deze bouwvelden nog niet duidelijk is en nader dient te worden uitgewerkt, maken deze bouwvelden geen onderdeel uit van de BOPA

Figuur 2.5 Impressie beoogde verkaveling

2.3 Cumulatie In de directe omgeving van het projectgebied is het project Brennerbaan 106. Voor dit project is de start bouw mogelijk in 2027/2028. Hiermee loopt dit niet tegelijk op met de ontwikkeling van Tussen de Rails. Voor zover bekend zijn er verder geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.

11/25

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige feitelijke, legale situatie (dus passend binnen het planologisch kader) en autonome ontwikkelingen in en rondom het projectgebied. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook voordoen als het planvoornemen niet wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld gevolgen van vastgesteld beleid, projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, andere redelijk zekere ontwikkelingen en bijvoorbeeld de autonome groei van het verkeer. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op diverse onderzoeksrapporten en de informatie uit de BOPA die voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.

3.1 Verkeer en parkeren Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid dienen gemotiveerd te worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van de aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin des woords. Ook zijn verkeerscijfers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit. Voorgenomen plan Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling worden dus geen parkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd en bewoners krijgen ook geen parkeervergunning. Er wordt dan ook enkel rekening gehouden met een parkeerbehoefte vanuit de bezoekers. Er wordt wel rekening gehouden met enige parkeerbehoefte: daarom wordt deelmobiliteit aangeboden en worden extra fietsparkeerplekken gerealiseerd. Onderstaande tabel geeft de theoretische parkeerbehoefte weer.

Op basis van de bovenstaande berekening (460*0,2) moet normaliter worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen voor bezoekers, en 106 (460*0,23) parkeerplaatsen voor bewoners. Deze bewonersplekken worden conform beleid niet aangelegd. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte voor bezoekers wordt gebruik gemaakt van de openbare parkeergelegenheid in Lunetten. In de bijlagen bij de bopa is een parkeerdrukmeting toegevoegd waaruit blijkt dat voldoende restcapaciteit om het bezoekersparkeren van het projectgebied Tussen de Rails op te vangen. Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:  De gemeente garandeert voldoende aanbod van deelmobiliteit om aan de vraag vanuit het plan te voldoen (via een gemeentelijke hub bij Station Lunetten). Hier worden deelauto's, OV-fietsen, TIER fietsen en naar verwachting een bakfiets geplaatst. ). Er zullen ook deelauto's in het gebied zelf worden gezet en er wordt ruimte geboden aan andere vormen van deelmobiliteit die in Utrecht in de openbare ruimte wordt aangeboden.  De keuze voor fiets, OV, of fiets/voet wordt zoveel mogelijk gestimuleerd.  Er komt een extra oversteek over de Oud Wulverbroekerwetering ten behoeve van voetgangers, fietsers en nood- en hulpdiensten.  De fietsen voor bewoners worden inpandig gestald, dicht bij de entree van de woningen.

De gemeentelijke norm van 0,5 fietsparkeerplek per woning wordt gehanteerd. Hier wordt in de voorlopige inrichtingsplannen aan voldaan en wordt verder uitgewerkt in het definitief ontwerp.

12/25

 De fietsen worden zo dicht mogelijk bij de entree van de blokken gesitueerd, om het gebruik van de fiets te stimuleren. De fietsvoorziening voorziet naast ruimte voor reguliere fietsen ook ruimte voor bijzondere types (bakfietsen etc.).

Naast de parkeerberekening heeft de gemeente in de bijlagen bij de bopa ook de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is in eerste instantie bepaald op basis van de 'Beleidsregels autoverkeersbewegingen bij toepassen maatwerk' van de gemeente Utrecht. In deze beleidsregel zijn de landelijke kencijfers uit CROW-publicatie 317 aangepast zodat deze beter aansluiten bij de lagere parkeernormen uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid. Zoals eerder benoemd wordt voor de beoogde ontwikkeling aangehouden dat de bewoners geen parkeervergunning krijgen en dat er geen parkeerplaatsen zijn binnen het projectgebied. Daarom wordt bij het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling geen rekening gehouden met verkeer behorende bij de bewoners. Op basis van het gemeentelijk beleid is de verkeersgeneratie behorende bij de bezoekers bepaald. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van het bezoek 354 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Aangezien de parkeerbehoefte van de bezoekers wordt opgevangen in de omliggende openbare ruimte binnen de Lunetten zal dit verkeer niet worden afgewikkeld richting de projectlocatie. De omliggende openbare parkeergelegenheid wordt voornamelijk ontsloten op de Furkabaan en de Brennerbaan. Beide wegen zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 50 km/u.

Voor het bepalen van de autonome verkeersintensiteit op beide wegen is gebruik gemaakt van verkeersgegevens uit het CIMLK uit 2023 voor het monitoringsjaar 2030.

Gesteld wordt dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 50 km/u-wegen tot een omvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de intensiteiten op zowel de Brennerbaan als op de Furkabaan ruim binnen deze bandbreedte blijft, zelfs na toevoeging van de planbijdrage. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de bezoekers geen knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet veroorzaken. Effectbeoordeling Gezien de beperkte toename in verkeersgeneratie en de capaciteit van de ontsluitende wegen, zal het verkeer op een goede manier kunnen worden afgewikkeld. Er is voldoende ruimte voor de parkeerbehoefte voor bezoekers en voor bewoners worden voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd. Conclusie Er is vanuit het aspect verkeer en parkeren geen sprake van belangrijke negatieve effecten.

3.2 Geluid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor de beoordeling van geluid, dit betreft standaardwaarden, grenswaarden op de gevel en grenswaarden voor het binnengeluid. In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Huidige situatie Er is binnen het projectbied in de huidige situatie een woonboerderij aanwezig en een groenstructuur. De woonboerderij is geluidgevoelig. Voorgenomen plan

13/25

Voor de ontwikkeling hebben akoestische onderzoeken plaatsgevonden, zie de bijlage bij de bopa. In het akoestisch onderzoek weg- en railverkeer is de huidige geluidbelasting getoetst aan de waarden vanuit het Bkl in plaats van de geluidbelasting o.b.v. de geluidregisters. Hieruit blijkt dat er zowel voor het geluid van wegverkeer van de Rijksweg als de twee spoorwegen voldaan wordt aan de grenswaarden van beide bronnen uit het Bkl. De maximale geluidbelasting als gevolg van wegverkeer van de Rijksweg bedraagt 60 dB. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde (60 dB) en is de geluidbelasting aanvaardbaar. De maximale geluidbelasting als gevolg van railverkeer bedraagt 64 dB. Ook daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde (65 dB) en is de geluidbelasting aanvaardbaar. Daarnaast geldt dat als gevolg van zowel weg- als railverkeer, de binnenzijde geluidluw is en nagenoeg overal een geluidluwe gevel gerealiseerd kan worden. Uit het akoestisch onderzoek Dierenasiel blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten hoogste 55 dB(A) in de (maatgevende) dagperiode bedraagt. Daarmee wordt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) met 5 dB overschreden.

Rekening houdend met een basisgeluidisolatie van 20 dB(A) bedraagt het binnenniveau ten hoogste 35 dB(A) en wordt voldaan aan de grenswaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) in de dagperiode in een geluidgevoelige ruimte. Waarmee de geluidbelasting aanvaardbaar is. Cumulatie Het geluid van het spoor bedraagt maximaal 64 dB en van de Rijksweg 60 dB. Het maximaal gecumuleerde geluid is daarmee 61 dB. Omdat het gecumuleerde geluid daarmee lager is dan de Utrechtse ambitiewaarde van 63 dB uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen, wordt het geluidsniveau aanvaardbaar geacht. Conclusie Er kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. De binnenzijde van de bouwblokken zijn geluidluw, waardoor nagenoeg overal een geluidluwe gevel gerealiseerd kan worden. Er zijn geen negatieve geluidseffecten te verwachten van de planontwikkeling met eventuele maatregelen.

3.3 Luchtkwaliteit Onder de omgevingswet zijn er rondom aangewezen agglomeraties aandachtgebieden van toepassing, waarbinnen getoetst moet worden aan de rijksomgevingswaarden. Buiten deze agglomeraties is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opnemen, die ook strenger kan zijn dan de rijksomgevingswaarden. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt automatisch ook een monitoringsplicht. Het toepasbaarheidsbeginsel, het blootstellingscriterium en het NIBM-criterium blijven wel gehandhaafd bij de beoordeling van luchtkwaliteit: als hieraan wordt voldaan hoeft geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Bij een mer-beoordeling blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen. Huidige situatie Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de A27 ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022: 31,1 µg/m³ voor NO2, 19,7 µg/m³ voor PM10 en 10,5 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden.

Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het projectgebied toe te kennen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie (zoals vergroening van het wagenpark). Voorgenomen plan Met de ontwikkeling wordt een activiteit mogelijk gemaakt die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op de weg. Er moet daarom getoetst worden of het toelaten van de activiteiten leiden tot een verhoging van de

14/25

kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³. Uit artikel 5.54 uit het Bkl blijkt dat 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen standaardgevallen zijn die niet in betekenende mate bijdragen aan de omgevingswaarden voor No2 en fijnstof. De ontwikkeling bestaat uit maximaal 470 woningen en een aanvullend cultureel-, en werkprogramma. Hiermee kan zonder nader onderzoek vastgesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Conclusie De concentraties luchtverontreinigende stoffen in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden worden niet overschreden. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het milieu verwacht.

3.4 Omgevingsveiligheid Bij een mer-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden zijn: ● Het brandaandachtsgebied (BAG) ● Het explosieaandachtsgebied (EAG) ● Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objecten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen. Huidige situatie De ontwikkeling is relevant voor (externe) veiligheid, omdat de ontwikkeling uit woningen bestaat. Uit bijlage VI van het Bkl blijkt dat woningen als kwetsbare gebouwen worden gezien. Onderzoek wijst uit dat in het projectgebied een opslagtank met propaan van het bedrijf J. Hazendonk aanwezig is.

Voor transportroutes die onderdeel uit maken van het Basisnet hoeft het plaatsgebonden risico niet te worden berekend maar wordt getoetst aan de veiligheidsafstanden uit de regeling Basisnet. Voor de A27 ter hoogte van het plangebied is deze afstand 27 meter, deze overlapt het plangebied niet.

15/25

Figuur 3.1 Uitsnede kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2023)

Daarnaast bevindt het gehele projectgebied zich in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de 2 spoorlijnen die ten noorden en zuiden van de locatie liggen. De ontwikkeling bevindt zich buiten de PR-contouren van de spoortrajecten. Door AVIV is onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's. In dit onderzoek is het groepsrisico berekend voor de A27 en de spoorlijn Breukelen - Betuwe Meteren, zie hiervoor de bijlagen bij de bopa. Voor de andere spoorlijn (Utrecht – Arnhem) is geen groepsrisicoberekening uitgevoerd, omdat hier vrijwel geen vervoer van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. Propaantank In het onderzoek dat uitgevoerd is door AVIV is te zien dat een klein deel van de bouwvlakken van twee tijdelijke gebouwen binnen de veiligheidsafstand van 20 m rondom de propaantank liggen (PR10-6 contour). Echter, op basis van locatiebezoeken uit het verleden (2019) van een toezichthouder blijkt dat de tank is verplaatst en het aantal verladingen kleiner is dan 5 per paar. Voor een tank van 3m3 propaan waarbij het aantal verladingen minder is dan 5 per jaar zou de veiligheidsafstand slechts 10 meter. Binnen deze veiligheidsafstand worden geen nieuwe kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk gemaakt.

Voorgenomen plan Vanwege de ligging binnen de verschillende aandachtsgebieden moet worden bekeken hoe de gemeente de mensen gaat beschermen tegen de gevaren van een brand, explosie en gifwolk. Hiervoor heeft de gemeente beleid opgesteld. Daaruit volgt:

16/25

a. Het gebied binnen het brandaandachtsgebied wordt aangewezen als een brandvoorschriftengebied. Voor nieuwbouw gelden dan de bouwkundige eisen uit het Bbl. b. Het gebied binnen het explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als een explosievoorschriftengebied. Voor nieuwbouw gelden dan de bouwkundige eisen uit het Bbl. c. a en b gelden voor de volgende risicobronnen: propaantank en de spoorlijn route Breukelen – Meteren (route 71). Voor de spoorlijn Utrecht - Arnhem (route 540) wordt geen voorschriftengebied aangewezen omdat over deze spoorlijn maar zeer beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en de omgevingsrisico's nihil zijn. Deze route is vooral bedoeld voor personenvervoer en gezien deze slechts twee sporen bevat laat deze weinig ruimte voor uitbreiding. De risicoplafonds in de regeling Basisnet zijn voor dit traject dan ook 0 meter. Bouwkundige voorschriften uit het Bbl zijn niet van toepassing op tijdelijke bouw. Gezien de ambities in de beleidsnota is de veiligheid zorgvuldig afgewogen om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden tegen de mogelijke effecten van een brand- en/of explosie. Bij de indeling van de plannen is zoveel mogelijk afstand gehouden van het spoor. Hierbij is in de positionering van de woningen een minimale afstand van 30 meter aangehouden om het risico te beperken.

Hiermee komen de woningen buiten het brandaandachtsgebied van het spoor te liggen. Binnen de aandachtsgebieden zullen geen woningen worden gerealiseerd, wel zal een deel worden ontwikkeld voor bedrijvigheid. Het aantal aanwezige personen binnen de aandachtsgebieden wordt hiermee beperkt en het groepsrisico is hiermee dus ook beperkt. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar wonen aan de projectlocatie toe te delen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen negatieve milieueffecten.

3.5 Bodem Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zij gericht op drie pijlers: ● Voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht) ● Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan) ● Beheren van historische verontreinigen De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aanzien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaarde, het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Huidige situatie Bodemonderzoek Uit het verkennend en aanvullend bodemonderzoek (zie bijlagen van de bopa) blijkt dat er in het projectgebied 2 ernstige verontreinigingen aanwezig zijn. Het betreft deellocatie C en het noordelijke gedeelte van deellocatie D en de kleilaag op het zuidelijke gedeelte van deellocatie C. Beide deellocatie betreffen gevallen van ernstige bodemverontreiniging en dienen gesaneerd te worden.

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. De bodem van het plangebied is over het algemeen licht verontreinigd en daarmee geschikt voor het beoogde gebruik. Langs de oostzijde van het plangebied is echter een, circa 0,3 tot 0,5 meter dikke, sterk verontreinigde bodemlaag aanwezig.

17/25

Vanwege kostenoverweging is gekozen om niet sterk verontreinigde grond te verwijderen. De toe te passen saneringsvariant is het aanbrengen van een afdeklaag. Deze bestaat uit het aanbrengen van een duurzaam aaneengesloten afdeklaag (fundering, bestrating, e.d.) en het aanbrengen van een leeflaag met, vooralsnog, een minimale dikte van minimaal 0,5 m. Met deze saneringvariant wordt de locatie geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik. Ter hoogte van de Paardenweide ligt een voormalige gemeentelijke stortplaats. De stortplaats is afgedekt met een (schone) deklaag. Deze deklaag is niet van voldoende dikte waardoor er actuele risico's zijn voor het milieu. De stortplaats wordt gesaneerd. De sanering bestaat uit:  Het verwijderen van de opstallen en verhardingen  Het opzijzetten van de huidige (schone) afdeklaag  Het herschikken van verontreinigd stortmateriaal binnen het stortlichaam  Het afdekken van de stortplaats met een deklaag van geschikte dikte. Deze nieuwe deklaag bestaat uit de oude (schone) deklaag en grond die vrijkomt bij het aanleggen van een natuurvriendelijke oever en poel op het oostelijke (niet verontreinigde) deel van de Paardenweide. Na afronding van de sanering zijn de risico's voor het milieu weggenomen en is het terrein geschikt voor het toekomstige gebruik.

Voorgenomen plan Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Er is sprake van verontreinigingen die gesaneerd zullen worden. Hiermee is er sprake van een positief effect op de bodemkwaliteit.

3.6 Water Toetsingskader In het Bkl zijn omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn. De waterschapsverordening bevat algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; Huidige situatie Het projectgebied is in beheer van hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. In het projectgebied en bevinden zich een primaire en tertiaire watergangen. Momenteel is de locatie grotendeels onverhard. Voorgenomen plan Bij werkzaamheden in de beschermingszones van de watergangen zal een watervergunning aangevraagd worden. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, moet conform de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap ter compensatie waterberging worden gerealiseerd.

22,5% van het toegenomen verhardoppervlak dient gecompenseerd te worden in m2 oppervlaktewater en/of 70 mm van het oppervlak dient geborgen te worden in een infiltratievoorziening. Hierbij geldt de ene regel of de andere, of een combinatie van beide is ook mogelijk.

18/25

Wanneer oppervlaktewater gedempt, verlegd of versmald wordt, dient dit volledig gecompenseerd te worden. Deze compensatie komt bovenop de waterbergingscompensatie door de toename van verharding. Om het waterbergend vermogen van het gebied te borgen wordt voor de sloten langs de sporen nagegaan waar verbreding mogelijk is en of poelvorming langs de randen van het plangebied aan zowel watermanagement alsmede ook natuurbehoud kan bijdragen. als het bebouwd oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt. De compensatie bedraagt 15% van de toename in verharding. Om wateroverlast tegen te gaan gelden de volgende regels.  De openbare ruimte en het hemelwatersysteem dienen zo te zijn vormgegeven dat bij buien met een intensiteit tot en met 80 mm in één uur (kans 1x/100 jaar) geen schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur.  Groenvoorzieningen, speelplekken, etc. moeten binnen 24 uur weer toegankelijk zijn.  Aangelegde bergings- en infiltratievoorzieningen moeten in minimaal 10 uur en maximaal 48 uur leeglopen om weer beschikbaar zijn voor nieuwe buien (harde eis).  Om wateroverlast tegen te gaan kan overwogen worden om 'groen' verlaagd aan te leggen, een overschot aan regenwater kan daar dan (tijdelijk) geborgen worden. De buitenruimte moet daarbij wel zo ingericht worden dat regenwater afstroomt naar deze plekken.

 Minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag wordt vastgehouden op de plek waar het valt en infiltreert in de bodem. Concreet houdt dit in: 15 mm bergen op eigen terrein (eis gemeente). Deze berging wordt binnen het plangebied gerealiseerd in infiltratievoorzieningen (wadi's, verlaagd groen, IT-riool etc.) tenzij aangetoond kan worden dat een andere hoeveelheid mm's ook de vereiste 90% van de jaarlijkse neerslag kan vasthouden. Het doel hiervan is om de sponswerking van de bodem te vergroten en om verdroging bij te weinig, en overlast bij teveel aan neerslag tegen te gaan. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

3.7 Ecologie Toetsingskader In de omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten bepaald. Deze zijn implementeert vanuit diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden; ● Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natura-2000 gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Na-tuurnetwerk. Een groot deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wet natuurbescherming is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere

19/25

uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. Huidige situatie gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 3,5 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. De dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 350 meter ten noordoosten van het projectgebied. Voorgenomen plan gebiedsbescherming Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN- en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie de bijlagen van de bopa).

Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat er geen vergunning nodig is voor een Natura 2000-activiteit. Huidige situatie soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling is een onderzoek naar natuurwaarden uitgevoerd, zie de bijlage bij de bopa. Hieruit blijkt dat er nader onderzoek nodig is naar de gierzwaluw, steenuil, roofvogels, kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (boom- en gebouwbewonend), ringslang, grote modderkruiper, grote weer-schijnvlinder, grote vos en de teunisbloempijlstaart. Nader onderzoek soortenbescherming In de bijlage bij de bopa is het nader onderzoek soortenbescherming opgenomen. De conclusies zijn als volgt: ● De Oud Wulverbroekwetering en de rij met knotwilgen langs deze watergang fungeren, door het ontbreken van geschikte alternatieven, als essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis. ● De ringslang is aangetroffen op de onderzoekslocatie en daarnaast zijn geschikte overwinteringslocaties en foerageergebied vastgesteld. ● De wezel gebruikt de onderzoekslocatie als verbindingszone, foerageergebied en verblijfplaats.

De verbindingszone bestaat uit het struweel langs de randen van de onderzoekslocatie, het foerageergebied bestaat uit graslanden en ruigtes en de verblijfplaatsen bevinden zich in potentie in holen van muizen en mollen of onder takkenrillen op de onderzoekslocatie. ● De bunzing gebruikt de onderzoekslocatie als verbindingszone, foerageergebied en verblijfplaats. De verbindingszone bestaat uit het struweel langs de randen van de onderzoekslocatie, het foerageergebied bestaat uit graslanden en ruigtes en de verblijfplaatsen bevinden zich in potentie in oude konijnholen of in takkenrillen op de onderzoekslocatie. ● De steenmarter en de eekhoorn gebruiken de oostzijde van de onderzoekslocatie als migratieroute. De bebossing op deze locatie vormt een veilige verbinding tussen verschillende onderdelen binnen hun leefgebied. De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op het functioneel leefgebied van deze soorten.

20/25

●

●

●

Het konijn gebruikt de onderzoekslocatie als foerageergebied en als vaste- rust en verblijfplaats. Rust- en verblijfplaatsen zijn aanwezig in de vorm van een burcht en verschillende konijnenholen. Het primaire foerageergebied betreft het kort gemaaide grasland rond het woonhuis op de onderzoekslocatie. Betreffende algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het noodzakelijk rekening te houden met de zorgplicht en voldoende zorg te dragen voor eventueel voorkomende individuen. Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om beschadiging of doden van individuen te voorkomen. Diverse soorten van de Utrechtsesoortenlijst en Rode lijstsoorten zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Het betreft, naast de wettelijk streng beschermde soorten, onder andere acht plantensoorten en verschillende bijen. Hiervoor kan ruimte worden gemaakt bij de inrichting van de openbare ruimte.

Geconcludeerd wordt dat het aanvragen van een vergunning voor de uit te voeren werkzaamheden noodzakelijk is ten aanzien van ringslang, wezel, bunzing en konijn. Het leefgebied van deze soorten wordt gecompenseerd. Dit wordt onderstaand toegelicht. Paardenweide Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora en fauna activiteit voor de uit te voeren werkzaamheden is noodzakelijk ten aanzien van ringslang, wezel, bunzing en konijn. Hiervoor is een activiteitenplan (zie bijlagen bij bopa) opgesteld waarin wordt toegelicht hoe het leefgebied op binnen deze locatie Tussen de Rails wordt gecompenseerd op het perceel ten noorden van de projectlocatie, ook wel 'Paardenweide' genoemd. Dit gebied wordt ingericht als nieuw leefgebied voor deze eerdergenoemde soorten. Het ontwerp hiervoor is in samenspraak met ecologen opgesteld. Met dit ontwerp wordt een natuurgebied ingericht welke kan functioneren als leefgebied voor de ringslang, wezel, bunzing en het konijn. Tegelijkertijd wordt er met de inrichting bijgedragen aan de algemene biodiversiteit en doet dit plan ook dienst voor de groencompensatie ten behoeve van de groenstructuur die verloren gaat op Tussen de Rails.

21/25

Om te bepalen of op de paardenweide beschermde soorten aanwezig zijn, is ter plaatse een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (zie bijlagen bij bopa). Uit de quickscan blijkt dat er verschillende beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedsfeer van de activiteiten te verwachten zijn. Voor een aantal van deze soorten zijn middels het nemen van specifieke preventieve maatregelen (een ecologisch werkprotocol) negatieve effecten te voorkomen. Dit betreffen de volgende soorten/functies:  Buizerd – nestplaats;  Ransuil – nestplaats/roestplaats;  Ringslang;  Algemene broedvogels. Een aantal kleine stukken op de paardenweide vormt daarnaast geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing). Voor deze soorten wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. Dit onderzoek is uitgebreid met een onderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en teunispijlbloemstaart. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlage bij de bopa. Uit dit onderzoek blijkt dat de genoemde soorten niet voorkomen. Conclusie Er wordt een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aangevraagd. Dit gaat om de ringslang, wezel, bunzing en konijn. Het leefgebied van deze soorten wordt gecompenseerd door de natuurontwikkeling van de Paardenweide.

Voor de gewone dwergvleermuis, steenmarter, eekhoorn, algemene grondgebondezoogdieren, algemene broedvogels en algemene amfibieën dient gewerkt te worden conform een ecologisch werkprotocol. Door deze mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op beschermde soorten voorkomen.

3.8 Cultureel erfgoed Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over cultureel erfgoed is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Beoordeling effecten Cultuurhistorie De locatie valt binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur binnen de kaart 'militair erfgoed'.

22/25

Figuur 3.2 Uitsnede kaart militair erfgoed

Het plangebied Tussen de Rails maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). Deze historische verdedigingslinie was gericht op inundatie (onder water zetten) en maakte zo optimaal mogelijk gebruik van de kenmerken van het bestaande, veelal agrarische landschap. Rondom Utrecht kende de waterlinie een unieke dubbele fortenring. De forten moesten de accessen in de linie verdedigen. Het plangebied ligt op de Houtense Vlakte, in het zogeheten onveilige gebied tussen de Lunettenforten in het westen (eerste fortenring) en Fort Vechten, Fort Rijnauwen en Fort bij het Hemeltje in het oosten en zuiden (tweede fortenring). Het gebied valt binnen de 600 m en 1.000 m verboden kringen van de Lunetten. Op grond van de Vestingwet en Kringenwet golden binnen de verboden kringen tussen 1815 en 1963 specifieke regels voor bouwwerken en beplanting, ten behoeve van een vrij schootveld (opgeschort vanaf 1951). Om te toetsten of de ontwikkeling geen onaanvaardbare aantasting vormt van het Werelderfgoed, is in samenwerking met de provincie en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen van de bopa. De conclusie van deze HIA is dat de ontwikkeling, in de globale vorm zoals die is beoordeeld, een matig negatief effect heeft op de visuele integriteit van de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed.

In de uitwerking van de beeldkwaliteit en het inrichtingsplan dient rekening te worden gehouden met de impact van de ontwikkeling op de kernkwaliteiten van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Daarom bevat het HIA document een aantal eisen en aanbevelingen waarmee rekening moet worden gehouden tijdens het ontwerpproces. Deze betreffen de bouwhoogtes, de zichtlijnen en het gevelmateriaal. De BOPA staat maximaal 5 bouwlagen toe. Volgens het SO-ontwerp zijn de bouwblokken B en F 4 verdiepingen, bouwblok A is 5 verdiepingen, gebouw C is 4 verdiepingen en accenten gemaakt die 5 verdiepingen hoog zijn. Dit betekent dat de bouwhoogtes wat aflopen richting de Lunetten. Langs de accessen worden groene stroken met wilg, berk, populier en inheemse heesters aangelegd, wat de lineaire structuur en ecologische verbindingen versterkt. De beplanting schermt de ontwikkeling af vanaf de Lunetten, waardoor de visuele dominantie afneemt.

23/25

De gevels zijn bekleed met duurzame houten materialen, met uitzondering van de begane grond. De begane grond is uitgevoerd met hardere materialen en glas. De groene gevelaccenten verzachten de bebouwing, en op sommige plekken zullen klimplanten op de gevel worden aangebracht. In gebouw F zijn meerdere uitkijkpunten opgenomen, en gebouwen B en C krijgen gemeenschappelijke dakterrassen met zicht op de Lunetten en Fort Vechten. Om de bebouwing minder massief te laten ogen, wordt gevarieerd in geveldiepte en gevelbekleding, met afwisseling van horizontale en verticale elementen. In gebouwen A en F op verschillende schaalniveaus is variatie aangebracht: stedenbouwkundig zijn er gevelsprongen, architectonisch wisselen de kozijnbreedtes, en op detailniveau zijn er variaties in de houten geveldelen. De houten gevels van gebouw B en C hebben verticale ritmes met subtiele horizontale banden rond de ramen, opgebouwd uit smalle verticale latten. Naast de ramen zijn bredere houten delen en verticale ribben toegepast, wat zorgt voor extra dieptewerking en een gelaagde gevelcompositie. Op de hoeken van de gebouwen zijn groene vlakke panelen aangebracht, sommige voorzien van een ingefreesd patroon met de abstracte contour van Fort Vechten. Met het voldoen aan de mitigerende maatregelen uit de HIA is geen sprake van significant negatieve effecten op cultureel erfgoed.

Archeologie Om de archeologische verwachtingswaarde te toetsen is een karterend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlage bij de bopa. Hieruit blijkt dat het gebied in drie zones kan worden verdeeld waarvoor geldt dat binnen één zone nader onderzoek benodigd is. Dit is in onderstaand figuur als de Overgangszone opgenomen.

Figuur 3.3 Verwachtingskaart op basis van het onderzoek (bron: Transect-rapport 5639, Utrecht, Tussen de Rails 3-5)

24/25

Gronden natuurcompensatie De gronden ter plaatse van de natuurcompensatie kennen op basis van het omgevingsplan ook archeologische verwachtingen. In het kader van de separate vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden op dit terrein zal een archeologisch onderzoek worden aangeleverd. Conclusie Vanuit het aspect cultureel erfgoed zijn er geen negatieve effecten. Ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische waarden dient een nader onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd in de Overgangszone. Dit wordt als voorschrift in de vergunning opgenomen.

3.9 Gezondheid Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk heeft een gezondheidscomponent. Onderzoek heeft opgeleverd dat binnen het projectgebied geen sprake is van een relatief hoge milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie vanuit de aspecten trillingen, geluid en luchtkwaliteit. Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden geconcludeerd dat de achtergrondconcentraties de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Daarnaast wordt gezondheid meegenomen in ontwerpaspecten: ● ● ● ● ● ●

Ontwerp de openbare ruimte zodanig dat deze groen en aantrekkelijk is en bewoners uitnodigt om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen in het groen. Ontwerp de openbare ruimte vanuit het principe 'groen, tenzij' Zorg dat er aantrekkelijke verbindingen zijn naar fiets- en wandelroutes naar groengebieden in de buurt, zoals Amelisweerd, Maarschalkerweerd en het Beatrixpark. Zorg bij het ontwerp van de woongebouwen dat het gebruik van trappen (i.p.v. lift) gestimuleerd wordt. Zorg ervoor dat ontmoeting tussen de bewoners gestimuleerd wordt door het creëren van gemeenschappelijke enontmoetingsruimten, en een aantrekkelijk binnenterrein. Ontwerp de openbare ruimte zo dat deze als sociaal veilig wordt ervaren.

3.10 Aanlegwerkzaamheden Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de kenmerken en de plaats van het project geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

25/25

Bomen in Projecten Bomen Effect Analyse (voorlopig ontwerp) Tussen de Rails, Utrecht 28 februari 2025

Colofon Opdrachtgever Gemeente Utrecht

Projectcode P240721

Status Definitief Versie 2.

Datum rapportage 28 februari 2025

Opgesteld door (European Tree Technician)

Vrijgegeven door (European Tree Technician)

2

Inhoud 1. Inleiding ............................................................................. 4 1.1

BEA nulmeting ...................................................................4

1.2

BEA onderzoek .................................................................. 5

1.3

BEA advies ........................................................................ 5

2. Situatie .............................................................................. 6 2.1

Plangebied en onderzoeksbomen ......................................... 6

2.2

Werkzaamheden en uitgangspunten opdrachtgever ................ 9 Ontwerptekeningen ...................................................................................... 10 Uitgangspunten effectenanalyse ................................................................ 10

2.2.1 2.2.2

3. Resultaten ......................................................................... 11 3.1

Boomcijfer ....................................................................... 11

3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

Onderzoek .......................................................................12 Bodem, beworteling en grondwater ............................................................12 Bodemopbouw ...............................................................................................12 Beworteling ....................................................................................................12 Grondwater ....................................................................................................12

3.3.1 3.3.2 3.3.3

Effectenanalyse ................................................................12 Werkzaamheden ............................................................................................12 Knelpunten .................................................................................................... 13 Projectinvloed ............................................................................................... 13

3.3

4. Conclusie en advies ............................................................. 17 4.1

Boomcijfer en projectinvloed .............................................. 17

4.2

Advies voor verdere uitwerking van het plan .......................... 18 Bomenbalans................................................................................................. 20 Compensatie ..................................................................................................21 Toelichting boombescherming .....................................................................21

4.2.1 4.2.2 4.2.3

Bijlagen ................................................................................ 22

1. Inleiding Wij hebben een Bomen Effect Analyse uitgevoerd bij 221 bomen in het plangebied Tussen de Rails te Utrecht. Het voornemen bestaat om het huidige gebied te transformeren naar een autoluw woongebied met circa 450 tijdelijke woningen, verdeeld over meerdere bouwblokken (A, B, C en F). De woningen mogen voor een periode van circa 10 jaar bewoond worden. Daarnaast worden een aantal cultuur- en werkfuncties gecreëerd (bouwblokken D en E). Voor het project is een voorlopig ontwerp opgesteld. Het doel van de BEA is het geven van inzicht in de eventuele gevolgen van de werkzaamheden voor de bomen. De BEA kan dienen als onderbouwing voor het bepalen van de werkwijze. Daarbij is het uitgangspunt van de opdrachtgever om zoveel mogelijk groen te behouden. In het kader de BEA hebben wij de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Werkvoorbereiding. Inrichten van een digitaal projectbestand, KLIC-melding en bestuderen van de voorgenomen plannen. • Inmeten boompunten en kroonprojectie. De boompunten zijn in 2023 ingemeten en aangeleverd door de opdrachtgever. Op locaties waar de boompunten dicht op elkaar staan (bosplantsoen / meerstammige bomen) zijn de individuele bomen niet nauwkeurig in te meten). Bomen met een stamdiameter dikker dan 10 cm die invloed ondervinden van het project zijn toegevoegd aan het kaartmateriaal.

Per boom is de gemiddelde kroondiameter geschat en als cirkel weergegeven.

1.1

BEA nulmeting

BEA nulmeting. Om de kwaliteit van de bomen in kaart te brengen, bepalen we het W-cijfer en het boomcijfer. Hiervoor nemen wij de volgende parameters op; boomsoort, conditie, toekomstverwachting, beheerbaarheid en boomkroonvolume. Op basis van deze parameters delen wij de bomen in boomcijfer in (1 tot en met 6). In het rapport richten we ons vooral op het boomcijfer, als resultaat van de nulmeting en de effectenanalyse. Voor meer informatie verwijzen we naar onderstaande bijlagen. • De resultaten van de nulmeting worden toegelicht in bijlage A. • De onderzoeksmethode boomcijfer is opgenomen als bijlage C. • De volledige resultaten van de nulmeting zijn opgenomen in de inventarisatielijst van bijlage D. • In bijlage E zijn de relevante gegevens uit de nulmeting op kaart weergegeven. In deze kaart kunnen met het programma Adobe Acrobat Reader verschillende lagen aan- of uitgevinkt worden.

4

Tussen de Rails, Utrecht

1.2

BEA onderzoek

Projectinvloed. Een bouw- of reconstructieproject kan nadelige effecten hebben op de bomen die binnen het projectgebied staan. Bij de bomen in het projectgebied is de projectinvloed bepaald. Bodemonderzoek. Steekproefsgewijs graven van profielsleuven om bodemopbouw, bewortelingspatroon en grondwaterstanden binnen het projectgebied in beeld te brengen.

1.3

BEA advies

Advies opstellen. Formuleren van adviezen met mogelijke wijzigingen / een alternatieve werkwijze en/of te nemen maatregelen om schade aan de te behouden bomen te voorkomen of beperken. Het veldwerk is uitgevoerd op 12 en 14 november 2024 door en werkzaam als boomadviseur bij De Boominspecteurs. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de offerte met kenmerk P240721 van 4 november 2024. Naar aanleiding van de eerste versie van dit rapport zijn aanpassingen gedaan aan het ontwerp en de voorgenomen werkwijze om zoveel mogelijk bomen in te passen.

5

2. Situatie 2.1

Plangebied en onderzoeksbomen

De onderzoeksbomen staan in een open gebied aan de rand van Utrecht, ingesloten tussen de spoorrails Utrecht Houten (zuidwestzijde), Utrecht Bunnik (noordzijde) en het Maarschalkerweerdpad. Zie afbeelding 1 op de volgende pagina voor een kaart van het projectgebied. De meest voorkomende boomsoort is schietwilg (Salix alba). Schietwilg komt in grote aantallen voor als boomvormer in een strook bosplantsoen en daarnaast ook langs de buitenrand van het gebied als niet vrij uitgroeiende boom en als knotboom. Daarnaast komt de Amoer esdoorn (Acer tartaricum) veel voor als een strakke rij langs de toegangsweg / inrit naar de woning. In kleinere aantallen komen soorten voor zoals veldesdoorn (Acer campestre), boswilg (Salix caprea), walnoot (Juglans regia), Europese vogelkers (Prunus padus) en zwarte els (Alnus glutinosa). Bomen De bomen hebben voor zover bekend geen specifieke status (bron: Oude bomenkaart, 80 jaar en ouder (versie augustus 2024)). Het aantal door de opdrachtgever aangeleverde boompunten op kaart voor dit onderzoek is 203. Bij 30 bomen is de locatie niet nauwkeurig te bepalen omdat de bomen zo dicht op elkaar staan dat ze niet goed ingemeten kunnen worden. 15 bomen zijn aan het kaartmateriaal toegevoegd. Voor deze vakken is het boomcijfer niet van toepassing. Vakken met opslag Langs het water komt veel opslag (zaailingen) voor van jonge schietwilgen en populieren.

Deze zijn niet als individuele bomen beoordeeld omdat ze een stamdiameter hebbben kleiner dan 10 cm. Ze zijn wel als vakken ingetekend op de kaart in bijlage E en in tabel 1 weergegeven met een globale inschatting van het aantal en de soorten per vak. Vaknr.

Oppervlakte in m2

Soorten

Indicatie aantal

1

50

Wilgen en populieren

50

2

45

Wilgen en populieren

50

3

25

Wilgen en populieren

20

4

75

Wilgen en populieren

70

5

505

Wilgen en populieren

300

6

65

Wilgen en populieren

10

Totaal

765

500

Tabel 1. Overzicht van de genummerde vakken met de gemeten oppervlakte, soorten en een indicatie van het geschatte aantal. Het plangebied is op kaart weergegeven in afbeelding 1 op de volgende pagina.

6

Tussen de Rails, Utrecht

Afbeelding 1. Overzichtstekening van het plangebied met de onderzoeksbomen. De stamposities zijn weergegeven met groene punten. (Bron: GeoVIsia).

Afbeeldingen 2 t/m 9 geven een impressie van het plangebied en de onderzoeksbomen.

Afbeelding 2. Maarschalkerweerdpad gezien vanaf de brug aan de noordzijde over het fietspad.

Afbeelding 3. Toegangsweg tot de woning met Amoer esdoorns.

7

Afbeelding 4. Schietwilgen midden in het gebied.

Afbeelding 5. Jonge knotwilgen en opslag van schietwilg en Canadese populier (links op de foto) langs het water.

Afbeelding 6. Spoor aan de zuidwestzijde.

Afbeelding 7. Schietwilgen met de stamvoet in het water.

8

Tussen de Rails, Utrecht

Afbeelding 8. Oostzijde van de woning.

Afbeelding 9. Iep en wilgen ten zuiden van de toegangsweg.

2.2 Werkzaamheden en uitgangspunten opdrachtgever De uitgangspunten van de opdrachtgever zijn: • Realisatie van het voorlopig ontwerp. • Behoud van zoveel mogelijk groen. Voor deze opgave is een Stedenbouwkundig Programma van Eisen opgesteld en dit is goedgekeurd door de Gemeenteraad. Uitgangspunt daarbij is dat zoveel mogelijk groen wordt behouden. De werkzaamheden bestaan uit: • Saneren vervuilde grond tot 0,90 + NAP (Het gebied ligt tussen 1 en 2 m +NAP, uitgezonderd sommige oevers en hoger gelegen wegen en taluds. • Bouwrijp maken. • Realisatie circa 450 tijdelijke woningen (in bouwblokken A, B, C en F). • Realisatie cultuur- en werkfuncties (in bouwblokken D en E). • Aanleg van gescheiden riolering en pompputten. Grotendeels onder de rijbaan. Gestuurde boring onder het spoor door met een uittredepunt ten zuiden van de bestaande woning. • Kabel- en leidingtracé, naast de weg of tussen de weg en bouwblokken. • Aanleg van een nieuwe weg, fietspad en voetpad. • Aanleg regenwaterinfiltratieputten. • Bronbemaling bij de aanleg van de riolering en pompputten. • Aanpassing maaiveldhoogte. Bouwpeilen van de bouwblokken A, B, C, D, E en F zijn gedimensioneerd op 1,90 + NAP, rijbanen op 1,75 + NAP.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=64ec8aa9-f3b7-42f8-81ed-c0b512b0050e