CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nadere onderzoeken_ Heritage, externe veiligheid, archeologie en bezonning

Gemeenteraad 17 juli 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Bindend Advies Tussen de Rails20.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2

https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/9.digitaalloket/VTH/Richtlijnen-archeologisch-onderzoek.pdf

2

3. Afbakening van het plangebied Gemeente

Utrecht

Plaats

Utrecht

Toponiem

Tussen de Rails

Kaartblad

31H

Centrumcoördinaat

138.269 / 453.350

Huidig maaiveld

Circa 1,4 m +NAP

Het plangebied bevindt zich aan de Tussen de Rails in Utrecht, ten oosten van de bebouwde kom van de stad. Het plangebied omvat een woonhuis (op het adres Tussen de Rails 1-3), een grasland en een braakliggend terrein. Het gebied heeft in zijn geheel een oppervlak van 4,4 ha. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien maakt het plangebied deel uit van perceel UTT00-O-1483. In het oosten grenst het plangebied aan het Maarschalkerweerdpad, het noorden en zuiden van het plangebied liggen aan de spoorlijnen vanaf Utrecht richting Arnhem en ’sHertogenbosch. Het maaiveld bevindt zich op een hoogte van circa 1,4 m NAP.

3

Figuur 1: Ligging van het plangebied (www.opentopo.nl)

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Omgevingsvergunningsaanvraag

Planvorming

Nieuwbouw van tijdelijke woningen

Omvang bodemingrepen

Onbekend

Diepte

Onbekend

De gemeente Utrecht is voornemens om in het plangebied aan de Tussen de Rails 300 tot 450 tijdelijke woningen te realiseren. Hiertoe gaan in het gebied bouwkavels gerealiseerd worden en zal infrastructuur, riolering en nieuwe leidingen worden aangelegd. Een inrichtingstekening is weergegeven in bijlage 1 . •

Het totale oppervlak aan bouwkavels bedraagt 1,315 ha. Er zal voor de aanleg van deze kavels tot een diepte van 60 cm -Mv (gemiddeld 1,45 m NAP) gegraven worden. De tijdelijke woningen die op de kavels komen te staan krijgen een fundering tot een diepte van 80 cm -Mv, waaronder mogelijk palen worden gezet (bouwkavels A, B, C, D, E en F, bijlage 1).

•

Voor de infrastructuur zal tot een diepte van 90 cm -Mv (0,6 m NAP) worden gegraven (de gele zones in bijlage 1). De infrastructuur bestrijkt een oppervlak van 6000 m2. De riolering en leidingen komen onder de infrastructuur te liggen en worden op dezelfde diepte aangelegd.

•

Alvorens de ontwikkeling gaat plaatsvinden, moet in het zuidoosten van het plangebied een bodemsanering worden uitgevoerd. Hier bevindt zich namelijk een zwak niet-vluchtige verontreiniging, die hier tot stand gekomen is vanwege het toepassen van een toemaakdek. Het te saneren gebied is weergegeven in bijlage 2. In het noorden zal het maaiveld tot 25 cm -Mv worden afgegraven. Aan de zuidzijde van het gele deel ligt een schone deklaag van 50 cm, waaronder de verontreinigde deklaag van 25 cm wordt verwijderd (75 cm -Mv). In het oranje deel is het noorden bedekt met een 50 cm dikke schone deklaag en ligt er een 30 cm dikke verontreiniging (tot 80 cm -Mv). In het zuiden is de schone deklaag 80 cm dik en de vervuilde laag 30 (tot 120 cm -Mv). Waar nodig wordt de laag verwijderd voor kabels en leidingen en de verbreding van de watergang.

Bovenstaande informatie is gebaseerd op de voorlopige plannen. De exacte toekomstige situatie is nog niet op technische tekeningen uitgewerkt en vastgelegd.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht

Onderzoeksgrens

30/500 m2 en dieper dan 30 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door Erfgoedwet, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het deel van het erfgoedbeheer dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat gemeentes rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hieronder vallen dus ook bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit is vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1.

In het belang van de archeologische monumentenzorg kan een gemeente vanuit het Omgevingsplan lokale regels stellen door monumenten (concreet) in de bodem te beschermen of ze juist vakkundig op te laten graven (lid 3, 4 en 5). Ook kunnen ze vanuit het Omgevingsplan eisen stellen aan het onderzoek, waaronder het onderzoeksthema en de onderzoeksvorm. Gemeentes hebben tot 2031 om tot een Omgevingsplan op te stellen. Tot die tijd geldt een Tijdelijk Omgevingsplan. Het archeologiebeleid van de gemeente Utrecht is verwoord in de Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht, die gekoppeld is aan de gemeentelijke archeologische waardenkaart. Op de waardenkaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Op basis hiervan zijn in het bestemmingsplan voorwaarden opgenomen, die bepalen wanneer in het kader van planvorming archeologisch vooronderzoek moet plaatsvinden en een vergunning van toepassing is. Het plangebied ligt binnen drie verschillende gebieden op de archeologische waardenkaart, namelijk een gebied met een hoge archeologische waarde, een gebied met een hoge archeologische verwachting en een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Voor de gebieden met een hoge archeologische waarde geldt dat er een onderzoeksplicht geldt voor bodemingrepen vanaf 30 m2 en dieper dan 30 cm -mv.

Voor het gebied met een hoge en een middelhoge archeologische verwachting geldt dit voor bodemingrepen die groter zijn dan respectievelijk 100 en 500 m2 en dieper reiken dan 30 cm -Mv. Aangezien de geplande werkzaamheden de planregels voor het gebied met een hoge waarde overschrijden, is onderhavig archeologisch onderzoek ter onderbouwing van de werkzaamheden nodig.

6

6. Achtergrondinformatie en gespecificeerde archeologische verwachting De archeologische verwachting in het plangebied is voor dit onderzoek gebaseerd op de gemeentelijke archeologische waardenkaart van Utrecht en een archeologisch bureauonderzoek, dat in 2023 in het plangebied is uitgevoerd (bijlage 1, 2023). Uit beide blijkt dat het plangebied een archeologische verwachting heeft. Ook is een verkennend booronderzoek uitgevoerd ( 2023). Voor een volledige beschrijving van de resultaten wordt naar de publicatie van de onderzoeken verwezen. Hieronder is een beknopte inventarisatie gemaakt van de beschikbare gegevens in en rondom het plangebied: • Het plangebied bevindt zich op de Oudwulverbroek stroomrug. De restgeul van deze voormalige rivier bevindt zich in het oosten van het plangebied. In het westen liggen oever- op beddingafzettingen. De stroomrug is actief geweest sinds 1150 v. Chr. en door een rivierbochtafsnijding van de Kromme Rijn rond 110 na Chr. inactief geworden (Cohen e.a., 2012). Daarna is de restgeul van deze rivier verland. De restgeul staat stroomopwaarts in verbinding met Fort Vechten, alwaar zich in de Romeinse tijd een legerkamp bevond. De ligging van de geul is op de geomorfologische kaart van Nederland, de geomorfogenetische kaart van Berendsen (1982) en op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) te zien.

• Voor de top van de oeverafzettingen is een hoge archeologische verwachting afgegeven voor nederzettingen uit de Late Bronstijd-Romeinse tijd. Als voorwaarde is gesteld dat er sprake moet zijn van een vegetatieniveau of ontkalkt oeversediment. Voor de restgeulzone geldt een verwachting op water-gerelateerde objecten uit deze periode, zoals visfuiken, wrakken en nederzettingsafval. De aanwezigheid van nederzettingsresten is daar minder waarschijnlijk vanwege de natte landschappelijke ligging. • Centraal in het gebied ligt een zone van hoge waarde. Deze waarde is gebaseerd op de aanwezigheid van bebouwing daar op een vroeg-19e eeuwse kaart. Het betreft de hofstede “De Ketel” (huidig adres Tussen de Rails 1-3). Deze boerderijlocatie stamt (vergelijkbaar met boerderijen de Grote en Kleine Kuil) waarschijnlijk uit de 17e eeuw of mogelijk eerder. • Het ruwe kaartbeeld van de ligging van de restgeul is op basis van het verkennend onderzoek bevestigd. Tijdens het booronderzoek zijn in de restgeul klei met zandlagen aangetroffen, maar ook verlandingssediment (gyttja). Oeverafzettingen liggen in het westen van het plangebied. Deze zijn allemaal kalkrijk en afgetopt. Ze liggen begraven onder een antropogene ophogingslaag, die in het gebied in dikte tussen 0 en 160 cm varieert. Op twee plekken is nog een oude bouwvoor aanwezig.

• Als conclusie trekken de onderzoekers dat in het westen sprake is van een lage archeologische verwachting, omdat sporen van bodemvorming (rijping, ontkalking) en een vegetatieniveau ontbreken. Dit komt doordat de oeverafzettingen afgetopt zijn. Ook ontbreken archeologische indicatoren. In het oosten van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting vanwege het oorspronkelijk natte landschap en de lage trefkans van water-gerelateerde resten. De verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd is laag vanwege het ontbreken van een cultuurlaag. Een selectiebesluit kon op basis van de resultaten van het verkennende onderzoek door de gemeente niet worden genomen. Hier ontbreekt het in het verkennend booronderzoek nog aan informatie. Daarom is besloten een vervolgonderzoek (karterende fase) uit te voeren om onderbouwd uitspraken te kunnen doen over het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden in het gebied.

7

7. Werkwijze Methode

Karterend booronderzoek

Aantal boringen

103 boringen

Techniek

Edelman 7 cm en gutsboor 3 cm.

Boordiepte

Maximaal tot 400 cm –Mv

Dataverwerking

Conform NEN5104 en PvA

Op basis van het verkennend booronderzoek is het plangebied in drie zones op te delen, namelijk een Hoge oeverzone, een Overgangsgebied en een Restgeulzone. De zones zijn gebaseerd op de zanddieptekaart van (2023). De ligging van de drie gebieden vormden het uitgangspunt voor het boorplan voor het karterend booronderzoek en is weergegeven in figuur 2. Het karterend booronderzoek is hoofdzakelijk gericht op het Overgangsgebied. De reden hiervoor is dat in deze zone vanwege de lagere ligging afval- en/of vondstlagen voor kunnen komen van nederzettingen die op de oevers hebben gelegen. De oevers zelf zijn in het plangebied afgetopt, waardoor de kans aanwezig is dat een nederzetting niet meer intact aanwezig is. Aan de hand van de eventuele afval- en/of vondstlagen is echter nog wel inzicht te verkrijgen in de bewoningsgeschiedenis van het gebied. Om dergelijke afval- en/of vondstlagen op te kunnen sporen, is een dicht boorgrid toegepast van 13 bij 15 m (sensu SIKB richtlijn voor karterend booronderzoek E2, Tol e.a., 2012). Verder zijn in een minder dicht boorgrid van 20 bij 25 m karterende boringen in de Hoge oeverzone gezet (sensu SIKB richtlijn voor karterend booronderzoek E1, Tol e.a., 2012). Hier is de kans op vondsten vanwege de afgraving van de oevers klein. Ook zijn twee boorraaien vanuit het Overgangsgebied met boringen uitgebreid in de restgeulzone.

Dit is om de relatie van de Restgeulzone met het Overgangsgebied landschappelijk te bepalen en om eventueel uitspraken te doen over de archeologische betekenis/waarde van dit gebied. Van de twee boorraaien zijn lithogenetische profielen getekend (bijlage 3-1, bijlage 3-2). In totaal zijn tijdens het karterend booronderzoek in het plangebied 103 boringen3 gezet. Hiervan zijn er 13 in de Hoge oeverzone en 85 boringen in het Overgangsgebied gezet. In de restgeulzone zijn 5 boringen voor de lithogenetische profielen verricht. De locaties van de boorpunten zijn opgenomen in bijlage 4. De coördinaten en hoogteligging ten opzichte van NAP van de punten zijn bepaald met behulp van een dGPS (x,y,z). De boringen zijn verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en vanaf een diepte van 2,0-2,3 m -Mv met een gutsboor met een diameter van 3 cm (mocht het vaste beddingzand binnen deze diepte nog niet zijn bereikt). De beschrijvingen zijn uitgevoerd conform NEN5104 en ASB. Nadat de opgeboorde grondmonsters zijn beschreven, zijn ze handmatig verbrokkeld en versneden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de begrenzing van de drie zones bijgesteld. De bijgestelde begrenzing is weergegeven in figuur 3.

De resultaten van het karterend booronderzoek zullen in dit hoofdstuk aan de hand van deze zones worden besproken.

3

Op basis van het Plan van Aanpak (Nales, 2024) zijn oorspronkelijk meer boringen gepland. Uiteindelijk bleken te velde verschillende obstakels aanwezig waar niet goed te boren viel (als gevolg van begroeiing en de ligging van sloten). Hierdoor vielen in totaal een 20-tal boringen af. Dit heeft echter niet geleid tot minder inzicht over de ondergrond.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=553959e6-00e4-4591-8551-7b08c17dc42e