Monitor Inburgering 2024
Tekst van het document
Monitor Inburgering 2024
Inburgeraars en het zich thuis weten in Utrecht Utrecht.nl/ onderzoek
-1-
Colofon uitgave Onderzoek & Advies Gemeente Utrecht Postbus 16200 3500 CE Utrecht 030 286 1350 onderzoek@utrecht.nl
in opdracht van Maatschappelijke Ontwikkeling Gemeente Utrecht
internet www.utrecht.nl/onderzoek
onderzoekers Tijmen Siermann, Ingrid van Lieshout, Saskia van Meel, Daphne Bollen
informatie 030 - 286 1350
projectnummer F 174
bronvermelding Het overnemen van gegevens uit deze publicatie is toegestaan met de bronvermelding: afdeling Onderzoek & Advies, gemeente Utrecht
Januari 2024
-2-
Samenvatting
Onderzoek onder inburgeraars in Utrecht In dit onderzoek kijken we naar de manier waarop inburgeraars die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn in de gemeente Utrecht zich ‘thuis weten’. Het is voor het eerst dat dit op een integrale manier, specifiek voor Utrecht plaatsvindt. Vanwege het innovatieve karakter van het onderzoek, hebben we er rekening mee moeten houden dat we (onderzoeksmatige) hindernissen zouden tegenkomen die vragen om verbeterslagen voor de monitoring in komende jaren. Hierover rapporteren we uitvoerig in de bijlagen. Het is de bedoeling dat we de metingen die nu zijn uitgevoerd, in de toekomst (grotendeels) herhalen, zodat er een valide monitoringsinstrument ontstaat. Dit onderzoek vormt daarmee een nulmeting. In hoeverre ‘weten inburgeraars zich thuis’? Voorafgaand aan dit onderzoek is door een werkgroep van ervaringsdeskundigen, professionals en ambtenaren nagedacht over wat ‘zich thuis weten’ van inburgeraars in een nieuw land en nieuwe stad, omvat.
Hieruit is een lijst van indicatoren ontstaan, die de basis vormt voor tien aandachtsgebieden in dit onderzoek: het verrichten van (passend) betaald werk, participatie, Nederlandse taalles, het volgen van een (beroeps)opleiding, comfortabel Nederlands spreken, gezondheid en welzijn, zich erbij voelen horen in de buurt, tevredenheid over wonen, financieel zelfredzaam zijn en het kunnen vinden van de juiste organisaties als men hulp nodig heeft. Deze zijn waar mogelijk omgezet naar enquêtevragen voor inburgeraars. Dit onderzoek bestaat uit opbrengsten van een enquête en duiding vanuit focusgroepgesprekken met professionals, enkele interviews met inburgeraars en een literatuurstudie. Waar mogelijk wordt vergeleken met resultaten uit onderzoek onder alle Utrechters, waarbij we aantekenen dat onze onderzoeksgroep inburgeraars gemiddeld veel jonger is dan de gemiddelde Utrechter. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat de inburgeringsplichtige leeftijd loopt van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en door een sterke oververtegenwoordiging van inburgeraars onder de 40 jaar. Onderscheid naar verschillende typen inburgeraars Het is belangrijk om onze onderzoekspopulatie precies af te bakenen. In de spreektaal worden begrippen als bijvoorbeeld inburgeraar en vluchteling regelmatig door elkaar gebruikt.
Echter is niet iedere vluchteling een inburgeraar (bijvoorbeeld als er – nog – geen sprake is van een verblijfsstatus) en is niet iedere inburgeraar een (voormalig) vluchteling. Inburgeraars kunnen ook afkomstig zijn uit veilige, westers georiënteerde landen buiten de Europese Unie. Dit onderzoek richt zich alleen op degenen die (sinds 1 januari 2022) inburgeringsplichtig zijn binnen de gemeente Utrecht, waarbij we bij de analyse regelmatig onderscheid maken tussen de groep asielstatushouders enerzijds en gezinsmigranten anderzijds. Asielstatushouders zijn vluchtelingen die asiel hebben aangevraagd in ons land en een verblijfsvergunning hebben gekregen, omdat zij uit een onveilig land komen. Gezinsmigranten komen naar Nederland om zich aan te sluiten bij een persoon met de Nederlandse nationaliteit, of iemand die al langer in Nederland gevestigd is. Tussen deze beide groepen constateren we regelmatig significante verschillen in de onderzoeksuitkomsten. Een inburgeringstraject duurt maximaal drie jaar. Wanneer een inburgeraar klaar is met zijn of haar traject en dus niet meer inburgeringsplichtig is, is deze niet langer meer onderdeel van onze onderzoekspopulatie. Het verrichten van betaald werk Inburgeraars (31%) verrichten minder vaak betaald werk dan Utrechters gemiddeld (65%), blijkt uit het enquêteonderzoek. Dit kunnen we grotendeels toeschrijven aan het feit dat de
-3-
door ons onderzochte doelgroep recent aan hun (verplichte) inburgeringstraject is begonnen. Tijdens het inburgeringstraject besteedt de inburgeraar 8 tot 24 uur per week aan taallessen en het bijbehorende huiswerk. Dit is onder andere afhankelijk van de leerroute (zie ook leerroutes en opleiding). Naast taallessen investeren inburgeraars ook tijd in andere onderdelen van het inburgeringstraject. Uit landelijk CBS-onderzoek onder asielstatushouders blijkt dat naarmate de verblijfsduur toeneemt, ook het aandeel (betaald) werkende inburgeraars toeneemt. Overigens zijn er grote verschillen in mate waarin men betaald werk verricht tussen gezinsmigranten enerzijds (54%) en asielstatushouders anderzijds (6%), blijkt uit de enquêteresultaten. Landelijk onderzoek leert ons dat op de achtergrond hier meer zaken spelen, zoals taalvaardigheidseisen die werkgevers kunnen stellen, het nog niet erkend zijn van diploma’s die iemand heeft, gezondheidsproblematiek, een mogelijk tekortschietende informatievoorziening en soms mogelijke verschillen in ambitie om de arbeidsmarkt te betreden tussen mannen en vrouwen. Van de inburgeraars die aan het werk zijn, is driekwart hier tevreden over.
Leerroutes en opleiding Er zijn drie door de Rijksoverheid vastgestelde leerroutes: de B1-route (binnen drie jaar moet de inburgeraar de Nederlandse taal op B1-niveau kunnen spreken en schrijven), de onderwijs-route (ook wel O-route, bedoeld voor jongeren, waarbij zij tevens worden voorbereid op instroom in het mbo, hbo of universiteit) en de zelfredzaamheidsroute (ook wel Z-route, bedoeld voor inburgeringsplichtigen waarvoor B1- en O-route niet passend zijn, welke zich meer richt op participatie). In onze onderzoeksgroep bevinden zich een beperkt aantal inburgeraars in de O-route. Over deze groep kunnen we daarom geen betrouwbare uitspraken doen. Uit de enquête blijkt dat wel dat 14% van alle ondervraagde inburgeraars een opleiding of cursus volgt, naast het taalonderwijs waar we later op terug komen. Hier zien we geen noemenswaardig verschil tussen de groep asielstatushouders en gezinsmigranten. Vrijwilligerswerk Inburgeraars (11%) geven in de voorgelegde vragenlijst minder vaak aan vrijwilligerswerk te doen dan Utrechters gemiddeld (39%). Bij het vergelijken van deze onderzoeksuitkomsten moet rekening gehouden worden met een verschil in leeftijdsopbouw tussen beide groepen. In het algemeen wordt er in Utrecht vaker vrijwilligerswerk gedaan door oudere inwoners.
Pensioengerechtigden vallen echter buiten onze onderzoeksgroep en de groep inburgeraars is ook gemiddeld jong te noemen. Ruim driekwart is jonger dan veertig jaar. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat er culturele verschillen kunnen bestaan ten aanzien van de vraag of iets bestempeld of ervaren wordt als (vrijwilligers)werk. Taalonderwijs Uit de enquête blijkt dat 62% van de ondervraagde inburgeraars taalles volgt om Nederlands te leren. Hierbij doet zich een verschil voor tussen de groep asielstatushouders (77%) en gezinsmigranten (48%). Mogelijk hangt dit samen met het feit dat gezinsmigranten zelf verantwoordelijk zijn voor de (financiering van) de taalcurssussen. Uit de open antwoorden blijkt dat zij niet allen passende vormen van taalonderwijs hebben kunnen vinden. Comfortabel Nederlands spreken Meer dan vier op de vijf inburgeraars geeft aan het spannend te vinden om Nederlands te spreken (83%). Zes procent ervaart deze spanning niet. Opvallend is dat asielstatushouders het vaker spannend vinden om Nederlands te spreken (94%) dan gezinsmigranten (73%). Naast het feit dat een grote meerderheid het spannend vindt om Nederlands te spreken, zien we ook dat meer dan de helft (62%) van de inburgeraars problemen ervaart door moeilijkheden met het spreken van Nederlands.
Er is een correlatie tussen hoe tevreden men is over het niveau waarop men het Nederlands beheerst en de manier waarop men zich thuis voelt in hun buurt. Bijvoorbeeld vinden degenen die tevreden zijn over het niveau waarop zij Nederlands spreken, vaker (84%) dat mensen in hun buurt op een prettige manier met elkaar omgaan, dan inburgeraars die ontevreden zijn (65%) over het niveau waarop zij Nederlands spreken.
-4-
Gezondheid & welzijn Voor inburgeraars geldt dat 69% de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart. Gezinsmigranten (82%) voelen zich in het algemeen gezonder dan asielstatushouders (56%). Voor Utrechters gemiddeld in de vergelijkbare leeftijdsgroep (18 – 65 jaar) is dat 77%, waarbij van belang is aan te tekenen dat de samenstelling binnen die leeftijdsgroep wel verschilt; er zijn namelijk veel inburgeraars onder de 40 jaar. Uit onderzoek onder Utrechters blijkt dat leeftijd en gezondheid sterk samenhangen, en dit is ook terug te zien in de resultaten onder inburgeraars. Inburgeraars van boven de 40 ervaren vaker belemmeringen door hun gezondheid. Van alle inburgeraars ervaart een klein kwart (22%) in het dagelijks leven problemen met hun lichamelijke gezondheid. Inburgeraars voelen zich vaker neerslachtig of somber, en ook vaker zenuwachting dan we in Utrechts vergelijkingsmateriaal vinden. Zo blijkt 22% van de inburgeraars zich (heel) vaak somber of neerslachtig te voelen, ten opzichte van 12% van de Utrechters gemiddeld. Ruim drie op de tien inburgeraars (31%) voelt zich (heel) vaak erg zenuwachtig, ten opzichte van 13% van de Utrechters gemiddeld. Dit sluit aan bij beelden die in landelijk onderzoek naar voren komen, dat inburgeraars bovengemiddeld veel chronische stress ervaren en ook verhoogde kans hebben op het ontwikkelen van psychische klachten.
Dit geldt niet alleen voor inburgeraars met een eigen vluchtverleden, ook gezinsmigranten hebben na hereniging extra kans op het ontwikkelen van spanningsklachten. Dit geldt uiteraard niet voor alle inburgeraars. Twee op de drie (66%) voelen zich gemiddeld bijna net zo vaak gelukkig als Utrechters gemiddeld (72%). Zich erbij voelen horen (in de buurt) Een uitkomst die opvallend te noemen is, is dat meer inburgeraars aangeven ‘zich prettig te voelen bij de mensen in de eigen buurt’ (85%), dan Utrechters gemiddeld (64%). Daar staat tegenover dat inburgeraars (66%) minder mensen hebben waarbij zij terecht kunnen, dan Utrechters gemiddeld (89%). We zien hier twee verschillende aspecten; het zich prettig voelen in de buurt geeft meer inzicht in oppervlakkige sociale contacten in de buurt en iets anders is dan het hebben van mensen bij wie men terecht kan, een sociaal vangnet. Inburgeraars en Utrechters gemiddeld zijn eensgezind over de stelling dat mensen in hun buurt op een prettige manier met elkaar omgaan. 73% uit beide groepen is het hier mee eens. Op de vraag of inburgeraars problemen ondervinden in het dagelijks leven doordat zij het gevoel hebben er niet bij te horen of zich niet thuis te voelen, antwoordt 24% bevestigend. Wat hier de precieze achtergrond van is, kunnen we nu nog niet zeggen.
Uit reacties in de enquêtes en uit interviewgesprekken met inburgeraars komt een beeld naar voren dat inburgeraars zich in ieder geval heel dankbaar voelen voor het feit dat professionals, mede-burgers en overheid zich voor hen inspannen. Tevredenheid over wonen Uit de enquête blijkt dat momenteel 29% van de inburgeraars problemen ervaart in het dagelijks leven door de woning waarin men woont. Onder asielstatushouders ligt dit percentage hoger (36%) dan onder gezinsmigranten (22%). Ook inburgeraars hebben last van de bredere problematiek op de woningmarkt. Door de schaarste bevinden sommigen zich, net als vele overige Utrechters, in tijdelijke en/of suboptimale woonsituaties. Eén op de zes inburgeraars vindt het niet leuk om in de buurt te wonen waar zij nu huisvesting hebben gevonden. Dit is meer dan één op de tien Utrechters die hun buurt niet leuk vinden. Uit de toelichtingen op de antwoorden blijkt dat een reden voor de mindere waardering voor de buurt onder meer de onveiligheidsgevoelens zijn. Financieel zelfredzaam zijn en het kunnen vinden van de juiste organisaties Bijna vier op de tien (39%) van de inburgeraars geeft aan dat hun financiële situatie in het dagelijks leven problemen geeft. Dit geldt in sterkere mate voor asielstatushouders (50%) dan voor gezinsmigranten (28%).
Inburgeraars (38%) geven vaker aan hulp bij geldzaken of administratie te ontvangen dan we gemiddeld in Utrecht zien (9%). Dit verschil komt mede door (wettelijk verplichte) ondersteuning die een gemeente geeft aan een deel van de inburgeraars in de eerste maanden van hun verblijf in de stad wanneer zij een uitkering ontvangen. Daar komt bij dat
-5-
een kwart nog geen hulp ontvangt maar wel zou willen. Dat zou te maken kunnen hebben met de moeilijkheid om organisaties te vinden als een inburgeraar hulp nodig heeft. Bijna de helft van de inburgeraars zegt problemen te ervaren bij het vinden van de juist organisatie bij een hulpvraag, waarbij deze vraag zich niet beperkte tot organisaties voor financiële ondersteuning. Het is vanuit dit onderzoek niet vast te stellen welke organisaties men hierbij specifiek voor ogen heeft. Verdieping in toekomstig onderzoek Dit onderzoek is de eerste stap in de inrichting van een volwassen monitorinstrument, dat we op basis van geleerde lessen verder ontwikkelen. Het onderzoekheeft door een relatief hoge en representatieve respons op de vragenlijst goede cijfermatige data opgeleverd, die deels ook weer (nieuwe) vragen voortbrengen. Doordat dit onderzoek als nulmeting fungeert zijn er nog geen ontwikkelingen in kaart te brengen en kunnen we de uitkomsten nog maar beperkt in perspectief plaatsen. Verdere verrijking en herhaling is in de toekomst nodig om trends en achtergronden te identificeren, waarbij mogelijk ook koppelingen gelegd kunnen worden naar gemeentelijk beleid en eventuele interventies. In de komende periode krijgt de doorontwikkeling van de monitor verder vorm, ook door de aanvulling van registratiedata die aanvullende inzichten met zich meebrengt.
-6-
Inhoud Samenvatting ........................................................................................................- 3 1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Inleiding .........................................................................................................- 8 1.1
Utrechts onderzoek naar inburgering ..............................................................................- 8 -
1.2
Inburgeraars zich ‘thuis laten weten’ in Utrecht ...............................................................- 8 -
1.3
Methoden van onderzoek ................................................................................................- 9 -
1.4
Definities inburgering .................................................................................................... - 10 -
1.5
Leeswijzer..................................................................................................................... - 11 -
Inburgeraars en (vrijwilligers)werk en opleiding ..........................................- 12 2.1
Inleiding: leerroutes die leiden tot ‘meedoen’................................................................. - 12 -
2.2
Inburgeraars over betaald werk ..................................................................................... - 12 -
2.3
Opleiding ...................................................................................................................... - 15 -
2.4
Vrijwilligerswerk ............................................................................................................ - 15 -
Inburgeraars over Nederlands leren en spreken ........................................- 17 3.1
Nederlands leren........................................................................................................... - 17 -
3.2
Taal als cement voor sociale binding............................................................................. - 17 -
Inburgeraars over gezondheid en welzijn ...................................................- 21 4.1
Inburgeraars over hun eigen gezondheid ...................................................................... - 21 -
4.2
Extra kwetsbare psychische gezondheid bij inburgeraars met vluchtverleden ............... - 24 -
Inburgeraars over hun leefomgeving ..........................................................- 25 5.1
Netwerkcontacten van inburgeraars .............................................................................. - 25 -
5.2
Inburgeraars over huisvesting en zich thuis voelen ....................................................... - 27 -
Inburgeraars over hun (financiële) zelfredzaamheid ..................................- 28 6.1
Het kunnen vinden van de juiste organisaties ............................................................... - 28 -
6.2
Financiën – economische zelfredzaamheid ................................................................... - 28 -
6.3
Financiën – administratieve zelfredzaamheid ................................................................ - 29 -
Kernindicatoren en blik op de toekomst ......................................................- 31 7.1
Uitkomsten kernindicatoren ........................................................................................... - 31 -
7.2
Toekomstige doorontwikkeling van de monitor .............................................................. - 32 -
Bijlagen ...............................................................................................................- 35 Bijlage 1: Oorspronkelijke lijst kernindicatoren ............................................................................. - 35 Bijlage 2: Toelichting op vragenlijst-onderdeel ............................................................................. - 36 Bijlage 3: Toelichting op focusgroepgesprek-onderdeel ............................................................... - 40 Bijlage 4: Toelichting op interview-onderdeel ............................................................................... - 41 Bijlage 5: Wie zijn er inburgeringsplichtig in Utrecht? ................................................................... - 43 -
Bijlage 6: Literatuur .............................................................................................- 45 -
-7-
1. Inleiding 1.1
Utrechts onderzoek naar inburgering
In dit onderzoek kijken we naar de manier waarop inburgeraars in de gemeente Utrecht zich ‘thuis weten’. Het is voor het eerst dat er een dergelijk integraal en specifiek Utrechts onderzoek plaatsvindt. Eerdere onderzoeken naar inburgeraars of vluchtelingen zijn vooral uitgevoerd op landelijke schaal, waarbij ook vaak werd ingezoomd op verschillende landen van herkomst bij inburgeraars. Dit eerste Utrechtse onderzoek kan opgevat worden als een eerste stap in de inrichting van een volwassen monitorinstrument om te kijken hoe het zich thuis weten van inburgeraars zich binnen de gemeente ontwikkelt. Door de hoge respons op de vragenlijst kunnen er al betrouwbare resultaten worden gepresenteerd, al hebben we nog weinig referentiegegevens om deze te duiden. Het is de bedoeling om een meer permanent monitoringsinstrument in te richten dat hier periodiek over kan rapporteren. Bij de doorontwikkeling van de monitoring trekken we lering uit de lessen van dit onderzoekstraject. Deze leerpunten bundelen we in paragraaf 7.2. In deze inleiding kijken we achtereenvolgens naar de vraag wat de gemeente Utrecht beleidsmatig verstaat onder ‘het zich thuis weten van inburgeraars’ en welke onderzoeksvraag daar aan verbonden is voor deze studie.
Vervolgens geven we toelichting op de manier waarop we het onderzoek hebben uitgevoerd en gaan we in op het feit dat inburgeraars in het algemeen heel diverse achtergronden hebben. Dit laatste heeft veel consequenties voor het duiden van de uitkomsten. We sluiten dit hoofdstuk af met een leeswijzer.
1.2
Inburgeraars zich ‘thuis laten weten’ in Utrecht
Met de komst van de Wet inburgering 2021, hebben alle gemeenten in Nederland een specifiekere en meer zwaarwegende taak gekregen dan voorafgaand, om nieuwkomers te begeleiden bij hun inburgeringsproces. Gemeenten moeten daarbij maatwerk leveren, en stellen voor inburgeraars persoonlijke plannen op waarin zij afspraken formuleren over met name het leren van de taal en participatie in de samenleving. De ambitie van de gemeente Utrecht reikt echter verder dan alleen sec uitvoering geven aan de wet. Het gemeentelijke beleid is er op gericht dat inburgeraars zich in brede zin thuis weten in de stad. Voorbeelden van beleid dat hierop gericht is vormen de Utrechtse Welkomhuizen (ondersteuning voor inburgeraars dichtbij), het netwerkteam Inburgering 030 (sluitende aanpak van hulpverlening) en het programma Kansrijke Start (de inburgeraar maakt in een vroeg stadium kennis met de stad). Het beleid is uitgewerkt in de Nota van Uitgangspunten Opgave Inburgering. De ambitie om inburgeraars zich thuis te laten weten in Utrecht wil de gemeente staven aan de hand van concrete uitkomsten. Voor dat doel is een monitoringsinstrument nodig, dat periodiek kan laten zien hoe het met de doelen rondom inburgering gesteld is. De vraag is echter hoe je precies meet in hoeverre inburgeraars zich thuis weten.
Welke onderdelen vormen hier de kern van? Om die vraag te beantwoorden is voorafgaand aan dit onderzoek een apart traject opgestart. Ambtenaren, ervaringsdeskundigen en professionals hebben in gezamenlijk overleg een lijst opgesteld van indicatoren die zowel persoonlijk als gemeentebreed zicht geven op de mate waarin inburgeraars zich thuis weten in Utrecht. Hierbij heeft men zich ook laten leiden door wetenschappelijk onderbouwde indicatoren die zijn vastgesteld door het aan de UNHCR gelieerde Global Compact on Refugees (Indicators of Integration Framework). In bijlage 1 is deze lijst met opgenomen. Voor dit onderzoek hebben we deze indicatoren als volgt vertaald om ze toepasbaar te maken voor het
-8-
onderzoek, waarbij de indicatoren met een * niet in dit onderzoek zijn meegenomen maar onderdeel zijn van de doorontwikkeling van de monitor (zie ook paragraaf 7.2): 1. 2. 3. 4.
Aandeel inburgeraars met betaald werk Aandeel inburgeraars dat een opleiding volgt Aandeel inburgeraars dat tevreden is met de opleiding die zij volgen* Aandeel inburgeraars zonder werk of opleiding, dat actief is in de buurt of stad, in de vorm van vrijwilligerswerk, betrokkenheid bij school, mantelzorg of oppassen 5. Aandeel inburgeraars dat aangeeft dat het genoten taalonderwijs heeft bijgedragen aan het thuis weten 6. Aandeel inburgeraars dat comfortabel is met de Nederlandse taal en zonder angst Nederlands spreekt 7. Aandeel inburgeraars dat gebruik maakt van een Welkomhuis en daar tevreden over is* 8. Aandeel inburgeraars dat aangeeft zich er bij te voelen horen in hun buurt in Utrecht 9. Aandeel inburgeraars dat aangeeft zich financieel zelfredzaam te voelen 10. Aandeel inburgeraars dat positief is over eigen gezondheid en welzijn 11. Aandeel inburgeraars dat vertrouwen voelt in het opvoeden van kinderen in Nederland* 12. Aandeel inburgeraars dat tevreden is met hun huisvestingssituatie 13. Aandeel inburgeraars dat instanties weet te vinden 14. Aandeel inburgeraars dat niet (meer) inburgeringsplichtig is* De hoofdvraag van dit onderzoek is aan deze set thema’s verbonden en luidt: Welke cijfermatige resultaten zijn in 2023 behaald op bovenstaande kernindicatoren en welke verdiepende en duidende context kan aan deze resultaten worden gekoppeld?
1.3
Methoden van onderzoek
Voor het beantwoorden van de onderzoekshoofdvraag zijn een vijftal methoden gekozen.
Bestandsanalyses: Data uit gemeentelijke bestanden kunnen met name inzicht geven in de eerste drie indicatoren uit bovenstaande set, waar het gaat om de vraag of inburgeraars aan het werk zijn, een opleiding volgen en/of (nog steeds) inburgeringsplichtig zijn. Tijdens de opstart van het onderzoek bleek echter dat de gemeentelijke registraties nog niet over de hele linie op voldoende niveau waren om hierop betrouwbare data te leveren. Ook konden we geen gebruik maken van externe (Divosa-)data omdat hun bronnenmateriaal enkele jaren achter loopt ten opzichte van ons gewenste meetmoment, namelijk vanaf 1 januari 2022. In ons onderzoek hebben we uit de bestanden wel bruikbare data kunnen onttrekken waar het gaat om geslacht, leeftijd, woonwijk van de inburgeraars en de vraag of deze gezinsmigrant of asielstatushouder is.
Enquête onder inburgeraars: Door inburgeraars rechtstreeks te bevragen over aspecten van hun alledaagse leven, kan precies worden vastgesteld hoe tevreden zij zich daarover voelen. Uiteindelijk is een vragenlijst opgesteld met een 11-tal vragen, aangeboden in zes talen. Zoveel mogelijk vragen werden letterlijk overgenomen uit andere onderzoeksbronnen, zoals de inwonersenquête en gezondheidspeilingen. Zo kunnen uitkomsten van de inburgeraarspopulatie vergeleken worden met die van Utrechters in het algemeen. De vragenlijst is uitgezet onder de 896 inburgeraars van wie een mailadres beschikbaar was en die vallen onder de nieuwe wet Inburgering, die in is gegaan op 1 januari 2022. Er is gerespondeerd door 254 inburgeraars (28,3% respons). De respons-opbouw (groepen inburgeraars die de vragenlijst hebben ingevuld) ligt in lijn met de totale populatie. Deze hoge representativiteit versterkt de betrouwbaarheid van de
-9-
enquêteresultaten. Gedetailleerde informatie over de opzet van de enquête en de responsopbouw is terug te vinden in bijlage 2.
1.4
Focusgroepgesprek met professionals: Om de uitkomsten van de enquête te duiden, is gekozen voor het opzetten van focusgroepgesprekken met professionals die in hun praktijk veel te maken hebben met de doelgroep. In de praktijk bleek het moeilijk om professionals tegelijkertijd bij elkaar te krijgen. Uiteindelijk hebben we één gesprek gehad. Informatie over de achtergrond en opzet van dit gesprek is opgenomen in bijlage 3.
Interviewgesprekken met inburgeraars zelf: We wilden ook graag met inburgeraars zelf spreken. In de praktijk bleek het werven van respondenten echter moeilijker dan gedacht binnen de tijdsspanne van het onderzoek, ook al hadden de inburgeraars bij de enquête aangegeven dat wij ze mochten benaderen voor een interviewgesprek. Zij zouden hiervoor een cadeaubon krijgen van € 35,=. Uiteindelijk hebben we met twee inburgeraars kunnen spreken. In toekomstig onderzoek zullen waarschijnlijk andere kanalen moeten worden benut om (op een representatieve manier) inburgeraars persoonlijk te bevragen. Meer toelichting hierop is te vinden in bijlage 4.
Deskresearch: Landelijk bestaat veel informatie over onderwerpen die in dit onderzoek naar voren komen, zoals gezondheidsbeleving van inburgeraars, arbeidsparticipatie en dergelijke. Deze informatie hebben we zoveel mogelijk benut om aan te vullen op onze eigen onderzoeksuitkomsten. In bijlage 6 is een literatuurlijst opgenomen van bronnen die we hebben gebruikt.
Definities inburgering
Alvorens de resultaten van het onderzoek te bespreken, is het van belang kort stil te staan bij de vraag wanneer iemand inburgeraar genoemd kan worden. We zien dat in de spreektaal en nieuwsberichten begrippen als inburgeraar, vluchteling, nieuwkomer, (arbeids)migrant regelmatig door elkaar worden gebruikt. Of je wel of niet inburgeraar bent, is bij wet vastgelegd. Deze bepaalt of je al dan niet inburgeringsplichtig bent. Een arbeidsmigrant is bijvoorbeeld in principe niet inburgeringsplichtig. Deze zou dat wel kunnen worden als hij/zij/hen zich voor langere tijd in Nederland zou willen gaan vestigen. Niet iedere inburgeraar is ook een (ex-)vluchteling. Inburgeraars kunnen ook afkomstig zijn uit veilige, westers georiënteerde landen buiten de Europese Unie als zij een verblijfsvergunning voor een bepaalde tijd hebben. Ook deze groep is verplicht om de Nederlandse taal te leren en om te leren hoe de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt werken. Voor dit onderzoek is het feit dat inburgeraars heel verschillende achtergronden kunnen hebben, een belangrijk aspect om mee te nemen bij het duiden van de uitkomsten. Niet alle respondenten hebben in dezelfde mate bijvoorbeeld moeite om zich in een nieuwe omgeving verstaanbaar te maken.
Hoogopgeleide inburgeraars uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten, China of India zullen zich vaak relatief makkelijk met de Engelse taal kunnen behelpen. Binnen de groep inburgeraars wordt wettelijk onderscheid tussen de groep asielstatushouders enerzijds en gezinsmigranten anderzijds. Zij hebben andere rechten en plichten. De eerste groep omvat de vluchtelingen die asiel hebben aangevraagd in ons land en een verblijfsvergunning hebben gekregen, inclusief de ‘nareizigers’. Nareizigers zijn de partner, ouder of het (pleeg)kind van een asielstatushouder die bij hem/haar in Nederland wil komen wonen. Nareizigers worden in het kader van de nieuwe wet Inburgering 2021 als ‘asielstatushouder’ beschouwd, want zij hebben dezelfde rechten en plichten. De tweede groep zijn de zogeheten gezinsmigranten. Zij komen naar Nederland om zich aan te sluiten bij een persoon met de Nederlandse nationaliteit, of iemand met een Nederlandse verblijfsvergunning. Zij hebben zich vaak al voorbereid op hun komst en verplichtingen in Nederland, bijvoorbeeld door het Basisexamen Inburgering in het
- 10 -
buitenland af te leggen. Daardoor hebben zij vaker al enige kennis van de Nederlandse taal (op niveau A1) als zij starten met hun inburgeringstraject in Nederland. Onder de gezinsmigranten bevinden zich overigens ook inburgeraars uit onveilige landen. Als een asielstatushouder die zijn of haar inburgering heeft afgerond een aanvraag voor gezinshereniging doet, valt de ‘nareiziger’ onder de categorie gezinsmigrant. In onze onderzoeksuitkomsten benoemen we de verschillen tussen beide indien relevant. We zien bij een aantal uitkomsten dat er significante verschillen zijn tussen de groepen in de beleving van het alledaagse leven en ondersteuningsbehoeften. Door hier op in te zoomen kunnen we (vooral ook in de toekomst) preciezer identificeren waar zich verdere beleidsmatige ontwikkelkansen voordoen. In bijlage 5 gaan we erder in op de (definitie-)verschillen tussen groepen nieuwkomers.
1.5
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk (2) gaan we in op het onderwerp (vrijwilligers)werk. In hoofdstuk 3 gaat het over taalvaardigheid van inburgeraars en het volgen van opleidingen. Hoofdstuk 4 gaat over gezondheid en welzijnsbeleving van inburgeraars, hoofdstuk 5 over netwerkcontacten en zich thuis voelen in de buurt. Hoofdstuk 6 behandelt de (financiële) redzaamheid van inburgeraars en in hoofdstuk 7 bespreken we de conclusies. Ook evalueren we de huidige onderzoeksopzet en geven enkele aanwijzingen met betrekking tot de doorontwikkeling van dit monitorinstrument.
- 11 -
2. Inburgeraars en (vrijwilligers)werk en opleiding In dit hoofdstuk:
2.1
Enquête-uitkomsten betaald werk en tevredenheid hierover Enquête-uitkomsten opleiding en vrijwilligerswerk Verschillen tussen gezinsmigranten en asielstatushouders
Inleiding: leerroutes die leiden tot ‘meedoen’
De inburgeringstrajecten die de gemeente aanbiedt hebben als doel dat de inburgeraar kan ‘meedoen’ naar de eigen capaciteiten. Dit kan zijn betaald werk (2.2), het volgen van een opleiding (2.3) en/of het participeren via onder andere vrijwilligerswerk (2.4). Tijdens de inburgeringstrajecten wordt door de gemeente dan ook vastgesteld welke leerroute voor een inburgeraar het meest geëigend is. Het gaat om drie, door de Rijksoverheid vastgestelde, leerroutes: (1) de B1 route, die bedoeld is voor een combinatie van taal verwerven en kunnen werken of vrijwilligerswerk kunnen doen. Inburgeringsplichtigen worden hierin geacht binnen maximaal drie jaar de Nederlandse taal op B1 niveau te kunnen spreken en schrijven. Veruit het grootste deel van de Utrechtse inburgeraars bevindt zich in deze route. (2) de onderwijsroute, vooral bedoeld voor jongeren. Zij leren de Nederlandse taal op niveau B1 of hoger en worden eveneens voorbereid op het volgen van een mbo-, hbo- of universitaire opleiding. (3) de zelfredzaamheidsroute, bedoeld voor inburgeringsplichtigen waarvoor route 1 en 2 te moeilijk is. Zij leren de Nederlandse taal op een lager niveau (A1) en worden voorbereid om via participatie mee te doen in de Nederlandse samenleving.
2.2
Inburgeraars over betaald werk
Inburgeraars hebben minder vaak betaald werk dan Utrechters gemiddeld Op de vraag aan Utrechtse inburgeraars of zij betaald werk verrichten geeft 31% een bevestigend antwoord. Alhoewel de vraagstellingen niet exact overeenkomen, kunnen we dit cijfer afzetten tegen die uit de Utrechtse inwonersenquête die een representatief beeld geeft van de totale Utrechtse volwassen populatie. Hieruit blijkt dat van de Utrechters gemiddeld 65% betaald werk heeft. Inburgeraars hebben dit dus voor minder dan de helft. Een mogelijke belangrijke verklaring voor het verschil is dat de door ons ondervraagde inburgeraars nog maar recent aan het inburgeringstraject zijn begonnen. Tijdens het inburgeringstraject besteedt de inburgeraar gemiddeld zo’n 8 tot 24 uur per week aan taallessen en het bijbehorende huiswerk. Dit is onder andere afhankelijk van de leerroute. Naast taallessen investeren inburgeraars ook tijd in andere onderdelen van het inburgeringstraject. Uit een cohortanalyse van het CBS onder statushouders vanaf 2014 blijkt dat het aandeel werkende inburgeraars toeneemt met de verblijfsduur. De afgelopen jaren vinden statushouders die recent een verblijfsvergunning kregen ook steeds sneller een baan. (CBS, 2023b)
- 12 -
Figuur 2.1 Aandeel Utrechtse inburgeraars en Utrechters gemiddeld met betaald werk
65%
doet betaald werk
31%
0%
10%
20%
Utrechters (IE)
30%
40%
50%
60%
70%
Inburgeraars
Bron: Inwonersenquête Utrecht (2021) en enquête inburgeraars (2023) – Vraagstelling: Wat past het best bij uw persoonlijke situatie? (meerdere antwoorden mogelijk). Antwoordcategorieën verschilden. Bij inwonersenquête sprake van een optelling antwoordcategorieën: ik heb betaald werk bij een baas, ik heb een eigen bedrijf zonder personeel (freelancer, zelfstandige zonder personeel) en ik heb een eigen bedrijf met personeel. Bij enquête inburgeraars ‘Ik heb betaald werk’.
Grote verschillen betaald werk tussen gezinsmigranten en asielstatushouders We zien een groot verschil in het aandeel dat betaald werk doet tussen de gezinsmigranten (54%) en asielstatushouders (6%). Vooral asielstatushouders ondervinden in het algemeen veel belemmeringen om betaald aan de slag te gaan. In de geraadpleegde literatuur worden met name de volgende oorzaken genoemd: Werkgevers stellen vaak eisen aan de Nederlandse taalvaardigheid van de inburgeraar. Zolang deze nog in opleiding is om Nederlands te leren, kan dit betekenen dat hij/zij/hen niet op het gewenste niveau kan instromen op de arbeidsmarkt. Er spelen uitdagingen rondom de waardering van buitenlandse diploma’s. Zolang een buitenlands diploma nog niet officieel erkend is, kan de inburgeraar niet op het bijbehorende niveau aan de slag. Het ‘inrichtingskrediet’ (Een vergoeding vanuit de bijzondere bijstand), die de statushouders kan helpen hun huis in te richten, kan wegvallen als een asielzoeker betaald werk heeft. Gebrekkige informatievoorziening en ondersteunings- of begeleidingsstructuur. Dit maakt de drempel om aan het werk te gaan hoger, zeker als bijvoorbeeld ook kinderopvang nodig is. Individuele factoren kunnen eveneens belemmerend werken om betaald werk te verrichten.
Hierbij kan gedacht worden aan psychische problematiek en/of de aansluiting tussen de cultuur van de asielzoekers en de Nederlandse omgeving. (Regioplan, 2023)
- 13 -
Figuur 2.2 Aandeel inburgeraars dat betaald werk doet onderscheiden naar asielstatushouder en gezinsmigrant
65% doet betaald werk
54% 6% 0%
Utrechters (IE)
10%
20%
30%
40%
Gezinsmigrant / overige (n=130)
50%
60%
70%
Asielstatushouder (n=122)
Bron: Inwonersenquête Utrecht (2021) en enquête inburgeraars (2023) – Vraagstelling: Wat past het best bij uw persoonlijke situatie? (meerdere antwoorden mogelijk). Antwoordcategorieën verschilden. Bij inwonersenquête sprake van een optelling antwoordcategorieën: ik heb betaald werk bij een baas, ik heb een eigen bedrijf zonder personeel (freelancer, zelfstandige zonder personeel) en ik heb een eigen bedrijf met personeel. Bij enquête inburgeraars ‘Ik heb betaald werk’.
Arbeidspositie vrouwen blijft achter bij mannelijke migranten Het is mogelijk dat een deel van de gezinsmigranten die geen betaald werk verricht, ook niet hiernaar op zoek is. Mogelijk speelt hier onder andere een verschil tussen mannelijke en vrouwelijke gezinsmigranten: bij mannen is twee op de drie gezinsmigranten werkzaam, bij vrouwen is dit de helft. Uit onderzoeksliteratuur blijkt dat de arbeidspositie van migrantenvrouwen (in het algemeen) achterblijft in vergelijking tot die van mannelijke migranten. Dit heeft enerzijds te maken met de kenmerken van deze vrouwen en van hun situatie: zij nemen meestal het leeuwendeel van de opvoed- en zorgtaken thuis voor hun rekening en hebben minder vaak dan mannen een duidelijke beroepsidentiteit en concrete ideeën of wensen omtrent werken in Nederland. (Verwey Jonker Instituut, 2021) Net als in de rest van het land is in Utrecht meer dan twee op de drie gezinsmigranten vrouw. Uit landelijk onderzoek blijkt ook dat gemeenten in Nederland in het algemeen om verschillende redenen meer op mannelijke dan op vrouwelijke statushouders gefocust zijn. De begeleiding van de klantmanager richt zich vaak onbewust op de meest kansrijke persoon in het gezin. Vaak wordt gedacht dat dit de man is omdat hij meer werkervaring heeft of omdat ervan uit wordt gegaan dat de vrouw voor de kinderen zorgt.
In het geval van een gezinsuitkering vinden de gesprekken over werken vaak (in eerste instantie) plaats met de man, die als hij al langer in Nederland is of (beter) Engels spreekt. Uit onderzoek onder Syrische statushouders blijkt dat vrouwen minder vaak contact hebben met een klantmanager dan mannen: 36% van de vrouwen, 50% van de mannen. Dit ondersteunt de aanname dat vrouwen het risico lopen om minder in beeld te zijn bij de gemeente. (Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS) 2021). Er is nog geen duidelijkheid of dit landelijke beeld ook van toepassing is in Utrecht. Driekwart werkende inburgeraars tevreden over hun werk In de enquête is tevens aan de werkenden gevraagd naar de waardering voor het werk dat men heeft. Driekwart van de werkende inburgeraars (76%) is hierover tevreden. Acht procent is ontevreden over de huidige werksituatie. Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat ze aan het begin van hun arbeidscarrière in Nederland staan. Uit een landelijke analyse van het CBS dat zich specifiek richt op de subgroep asielstatushouders blijkt dat zij vaak beginnen als oproepkracht of met een ander tijdelijk contract en werken tegen een relatief laag uurloon. Naarmate ze langer aan het werk zijn, krijgen ze steeds vaker een contract voor onbepaalde tijd. Hun uurloon is dan hoger en ze maken meer uren. (CBS, 2023b)
- 14 -
‘I would like to join a Dutch language course but I am yet to find a good one. We are also struggling to find a place to live beyond the end of our tenancy. I have skills and expertise to contribute to Utrecht (previously at *** Economic and Cultural Agency) and I care enough to do so but I'm not sure how or haven't had the opportunity thus far. But Utrecht is a wonderful place! I am proud to live here’. [Schriftelijke reactie van inburgeraar bij de enquête]
2.3
Opleiding
Nog relatief kleine groep inburgeraars volgt een opleiding Veertien procent van alle ondervraagde inburgeraars geeft aan een opleiding of cursus te volgen (niet zijnde een taalcursus, waar apart naar gevraagd is, zie hoofdstuk 3). Hier zien we geen noemenswaardig verschil tussen de groep asielstatushouders en gezinsmigranten. Uit de literatuur, het focusgesprek én open antwoorden die inburgeraars gaven bij de enquête, komt het beeld naar voren van spanningsvelden die zich voor kunnen doen tussen het niveau Nederlands dat een inburgeraar behaald heeft enerzijds, en de ambitie om in te kunnen stromen in een gewenst beroepsonderwijs-traject dan wel een bepaalde baan anderzijds. Soms zijn er regels die verhinderen dat een inburgeraar het onderwijs- of carrièrepad kan volgen dat men ambieert, omdat men formeel de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig is. Voor sommige doelgroepen lijkt het aanbod van de onderwijsroutes ook niet helemaal passend. Het gaat dan bijvoorbeeld om inburgeraars voor wie het mbo2niveau net te hoog is, jongeren die afkomstig zijn van een Internationale Schakelklas, gezinsmigranten en inburgeraars met de leeftijd 30+ die de onderwijsroute willen volgen. Ook praktische zaken als lange reisafstanden en hoge reiskosten kunnen belemmerend werken. (Significant Public, 2023).
Al met al is er voldoende aanleiding om in de toekomst specifieker te kijken naar de mate van tevredenheid rondom opleidingstrajecten voor de uiteenlopende groepen inburgeraars. Remote & faster Dutch learning courses are not on the government approved list so it's not wise to risk doing these even though they better suit my circumstances and would allow me to keep working full-time. Could the municipality/government also approve faster learning & remote courses? Most of these language schools have no standard prices listed on their website, you have to go in personally for an intake before getting the price which makes it harder to find a school for a fair price, and of course takes longer’. [Schriftelijke reactie van inburgeraar bij de enquête]
Vanwege de beperkte omvang van de groep inburgeraars die een opleiding volgen is in deze eerste monitorrapportage besloten hier niet op te verdiepen. In de toekomst verdient het onderwerp meer onderzoeksmatige aandacht, zodat met meer precisie gekeken kan worden of, en zo ja, waar zich precies knelpunten voordoen. We diepen dit thema dan ook via registratiedata verder uit.
2.4
Vrijwilligerswerk
Inburgeraars geven minder aan vrijwilligerswerk te doen dan Utrechters gemiddeld Om een beeld te vormen van de participatiecomponent vroegen we de inburgeraars of zij vrijwilligerswerk doen. 11% gaf aan dat dit het geval was. Inburgeraars doen hiermee (ogenschijnlijk) veel minder aan vrijwilligerswerk dan Utrechters in het algemeen (39%). Deze conclusie is enigszins vertekend door de leeftijdsopbouw van beide groepen. In het algemeen zijn het juist de ouderen (67+) die actief zijn op het gebied van vrijwilligerswerk. Deze leeftijdsgroep is niet aanwezig onder de inburgeraars van onze enquête, omdat pensioengerechtigden niet inburgeringsplichtig zijn. Onder de Utrechters van veertig jaar en jonger ligt het percentage op 35%. Daarnaast is het de vraag of een concept als vrijwilligerswerk door iedereen, vanuit uiteenlopende culturele achtergronden, op eenzelfde manier wordt opgevat en er dus betrouwbare vergelijkingen kunnen worden gemaakt.
- 15 -
Figuur 2.3 Aandeel inburgeraars dat vrijwilligerswerk doet vergeleken met Utrechters gemiddeld
39%
doet vrijwilligerswerk
11%
0%
5%
10%
15%
Utrechters (IE)
20%
25%
30%
35%
40%
45%
Inburgeraars
Bron: Inwonersenquête Utrecht (2021) en enquête inburgeraars (2023) – Vraagstelling inwonersenquête: Nu volgt een aantal organisaties waarvoor u onbetaald of tegen een kleine vergoeding vrijwilligerswerk kunt doen. Voor welke organisatie doet u vrijwilligerswerk? U mag meer antwoorden aankruisen. (meerdere antwoorden mogelijk) Vraagstelling enquête inburgeraars: Wat past het best bij uw persoonlijke situatie? (meerdere antwoorden mogelijk). Antwoordcategorie: ‘Ik doe vrijwilligerswerk’.
- 16 -
3. Inburgeraars over Nederlands leren en spreken In dit hoofdstuk:
Enquête uitkomsten over Nederlandse taalles en taalvaardigheid Betekenis van taalvaardigheid voor goede sociale binding Verschillen tussen gezinsmigranten en asielstatushouders
3.1
Nederlands leren
Asielstatushouders volgen vaker taalles dan gezinsmigranten Uit de enquête blijkt dat 62% van de ondervraagde inburgeraars taalles volgt om Nederlands te leren. Asielstatushouders (77%) geven aanzienlijk vaker aan dat zij een taalles volgen dan gezinsmigranten (48%). Mogelijk speelt hier het feit dat gezinsmigranten het taalonderwijs zelf moeten organiseren en financieren een rol. Figuur 3.1 Aandeel inburgeraars dat taalles volgt, onderscheiden naar asielstatushouders en gezinsmigranten
48%
volgt taalles
77%
0%
10%
20%
30%
40%
Gezinsmigrant / overige (n=130)
50%
60%
70%
80%
90%
Asielstatushouder (n=122)
Bron: enquête inburgeraars (2023) –Vraagstelling enquête inburgeraars: Wat past het best bij uw persoonlijke situatie? (meerdere antwoorden mogelijk). Antwoordcategorie: ‘Ik volg een taalles om Nederlands te leren’.
3.2
Taal als cement voor sociale binding
Inburgeraars eensgezind over sociale belang van taallessen Een belangrijk aspect van je thuis voelen in de samenleving is een comfortabel gevoel in het spreken van Nederlands. We zien dat voor een ruime meerderheid (92%) van de inburgeraars taallessen helpen om makkelijker contact te kunnen maken met anderen en/of zelf dingen te doen. Met name asielstatushouders geven aan door de taalles makkelijker zelf dingen te kunnen doen (96%, tegenover 85% van de gezinsmigranten). De toelichtingen in de enquête maken duidelijk dat sommige inburgeraars zelf de taal als sleutel zien om zich meer thuis te voelen: ‘The most unconvinced thing that when I walk in the street I don’t understand what people are saying or talking about, my Dutch level allowed me to write and read most of the things but I can’t speak well or listen to the street language or TV or Radio language, in my home I feel that I belong here but when I go outside till now I don’t have that feeling. I think the language is the reason of this, hope I will catch it in short time to get involved more with this kind society! Thank you’. [Schriftelijke reactie van inburgeraar bij de enquête] “It is wonderful and a bit confusing when moving to a new country. Utrecht is a very friendly place to live, where the people want to interact.
- 17 -
The only issue is that when I talk to people in Dutch they change to English to make me feel at ease. This is wonderful of them, but makes it learning the language difficult”. [Schriftelijke reactie van inburgeraar bij de enquête] ‘[Je hebt taal nodig:] For better integration processes in social life and work life, you need understanding’. [Geïnterviewde inburgeraar]
Asielstatushouders vinden Nederlands spreken spannender dan gezinsmigranten In totaal is 38% van de inburgeraars tevreden over hun beheersing van het Nederlands. Een iets grotere groep (45%) is hier nog niet tevreden mee. Het valt op dat inburgeraars waarvan is vastgesteld dat de B1-leerroute niet haalbaar is, vaker aangeven dat ze tevreden zijn met het niveau waarop zij Nederlands spreken, dan inburgeraars waar de B1-leerroute wel haalbaar wordt geacht1. Hier speelt mogelijk een rol dat deze groep minder druk ervaart om op een bepaald niveau Nederlands te spreken, maar deze hypothese is in dit onderzoek niet getoetst. We vroegen ook aan de inburgeraars of ze het spannend vinden om Nederlands te spreken. Meer dan vier op de vijf inburgeraars vindt het inderdaad spannend om Nederlands te spreken (83%). Asielstatushouders vinden het vaker spannend om Nederlands te spreken (94%) dan gezinsmigranten (73%). Dit is ook zichtbaar in de verschillende nationaliteiten. Zo wordt duidelijk dat inburgeraars met Syrische, Afghaanse, Jemenitische en Iraanse achtergrond – waar relatief veel asielstatushouders toe behoren - het vaker spannend vinden om Nederlands te spreken dan bijvoorbeeld inburgeraars met Marokkaanse en Turkse achtergrond. Tussen deze groepen is wel verschil te zien in hun tevredenheid over de eigen beheersing van het Nederlands.
Met name Syriërs – de grootste groep – zijn hier nog vaak ontevreden over. Figuur 3.2 Tevredenheid inburgeraars over taalvaardigheid Nederlands
Ik vind het spannend om Nederlands te spreken. (n=246)
83%
Ik ben tevreden met het niveau waarop ik Nederlands spreek (n=245)
38% 0%
(zeer) mee eens
20%
niet eens, niet oneens
11%6%
18% 40%
45% 60%
80%
100%
(zeer) mee oneens
Bron: enquête inburgeraars (2023)
1
Dit refereert aan de uitkomst van de leerbaarheidstoets. Deze uitkomst is niet bindend voor de keuze van de leerroute. Bij die keuze worden ook andere factoren meegewogen.
- 18 -
Ruim zes op de tien inburgeraars (62%) ervaren moeilijkheden met het spreken van Nederlands in het dagelijks leven. Onder asielstatushouders ligt dit aandeel met 67% iets hoger dan bij gezins- en overige migranten (57%), dit verschil is overigens niet statistisch significant. Figuur 3.3 Aandeel inburgeraars dat problemen ondervindt in dagelijks leven door moeilijkheden met het spreken van Nederlands
Asielstatushouder
67%
Gezinsmigrant / overige migrant
Ja
26%
57%
7%
38%
0%
20%
40%
60%
Nee
Weet niet, geen mening
5%
80%
100%
Bron: enquête inburgeraars (2023)
Wisselwerking taalvaardigheid en tevredenheid over sociale omgeving We zien een correlatie tussen hoe tevreden men is over het niveau waarop men het Nederlands beheerst en de manier waarop men de eigen sociale omgeving waarneemt. Degenen die tevreden zijn over het niveau Nederlands dat ze spreken, vindt vaker (84%) dat mensen in de buurt op een prettige manier met elkaar omgaan, dan de inburgeraars die ontevreden (65%) zijn over het niveau waarop ze Nederlands spreken. Figuur 3.4 Aandeel inburgeraars dat vindt dat mensen in de buurt op een prettige manier met elkaar omgaan, gekoppeld aan eigen tevredenheid over Nederlands spreken
Tevreden met niveau Nederlands (n=89)
84%
Ontevreden met niveau Nederlands (n=94)
65% 0%
(zeer) eens
10%6%
20%
niet eens, niet oneens
23%
40%
60%
80%
12% 100%
(zeer) oneens
Bron: enquête inburgeraars (2023)
- 19 -
Hetzelfde doet zich voor bij de enquêtevraag over het gevoel er niet bij te horen of zich niet thuis te voelen. Degenen die tevreden zijn met het niveau waarop ze Nederlands spreken ervaren minder vaak problemen op dit vlak (22%) dan degenen die ontevreden zijn over het niveau waarop zij Nederlands spreken (38%). Beide analyses laten zien hoe groot de verwevenheid is tussen je goed kunnen of durven uiten in een nieuwe thuisland-taal enerzijds en de positieve waardering voor je sociale omgeving anderzijds. Figuur 3.5 Aandeel inburgeraars dat problemen ervaart door het gevoel er niet bij te horen, gekoppeld aan eigen tevredenheid over Nederlands spreken
Tevreden met niveau Nederlands (n=89)
22%
Ontevreden met niveau Nederlands (n=94)
38% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
Bron: enquête inburgeraars (2023)
- 20 -
4. Inburgeraars over gezondheid en welzijn In dit hoofdstuk:
Enquête uitkomsten over eigen gezondheid en welzijn Verschillen asielstatushouders en gezinsmigranten Wetenschappelijke duiding kwetsbaarheid inburgeraars op gebied van psychische gezondheid
4.1
Inburgeraars over hun eigen gezondheid
69% van de inburgeraars beoordeelt eigen gezondheid als (zeer) goed In de enquête is de inburgeraars naar verschillende aspecten rondom gezondheid en welzijn gevraagd. Uit de Gezondheidsmonitor, die over het Utrechts gemiddelde gaat, blijkt dat gemiddeld 77% van de inwoners tussen de 18-65 jaar zijn of haar eigen gezondheid als (zeer) goed omschrijft. Onder inburgeraars - die gemiddeld jonger zijn dan de samenstelling van de groep in de gezondheidsmonitor - ligt dit percentage echter lager (69%).2 Figuur 4.1 Oordeel over eigen gezondheid van inburgeraars en Utrechters
Utrechts gemiddelde (GM)
77%
inburgeraars
69% 0%
(zeer) goed
20%
40%
niet goed, niet slecht
60%
22%
8%
80%
100%
(zeer) slecht
Bron: Gezondheidsmonitor (2022) enquête inburgeraars (2023): van de gezondheidsmonitor is alleen het % (zeer) goed beschikbaar.
Hierbij blijken gezinsmigranten (82%) gemiddeld positiever over hun gezondheid dan asielstatushouders. Het is bekend dat er een verband is tussen ervaren gezondheid en de leeftijd. Dat is ook zichtbaar in de resultaten onder de inburgeraars; jongere inburgeraars (tot 30 jaar) beoordelen hun gezondheid vaker (zeer) goed (75% tegenover 49% onder inburgeraars boven de 40 jaar). Overigens betekent dit niet dat zij hun gezondheid als (zeer) slecht bestempelen, zij benoemen deze vooral als ‘niet goed, niet slecht’.
2
Deze afbakening van 18-65 jaar vanuit de Gezondheidsmonitor is genomen omdat ook de inburgeraars in deze leeftijdsgroep vallen. De samenstelling naar leeftijd verschilt echter sterk; gemiddeld genomen zijn de inburgeraars relatief jong (zie ook bijlage 2).
- 21 -
Figuur 4.2 Oordeel eigen gezondheid inburgeraars uitgesplitst naar gezinsmigrant en asielstatushouder
Gezinsmigrant / overige (n=130)
82%
Asielstatushouder (n=122)
56% 0%
(zeer) goed
12% 6%
20%
34% 40%
niet goed, niet slecht
60%
11%
80%
100%
(zeer) slecht
Bron: enquête inburgeraars (2023)
Op de vraag of men in het dagelijks leven problemen ervaart in relatie tot de lichamelijke gezondheid, antwoordt 22% bevestigend. Voor de groep asielstatushouders gaat het om 25%, voor de overige (gezins)migranten om 18%. Figuur 4.3 Aandeel inburgeraars met problemen in het dagelijks leven door lichamelijke gezondheid
Asielstatushouder
25%
Gezinsmigrant / overige migrant
Ja
18% 40%
65%
10%
75%
7%
0%
20%
60%
Nee
Weet niet, geen mening
80%
100%
Bron: enquête inburgeraars (2023)
Inburgeraars voelen zich vaker somber, neerslachtig en zenuwachtig dan Utrechters gemiddeld Naast het oordeel over de eigen gezondheid is er ook een aantal vragen overgenomen uit de Gezondheidsmonitor die zich meer richt op het welzijn van inwoners in het algemeen. We hebben gevraagd in hoeverre inburgeraars zich de afgelopen vier weken gelukkig, kalm en rustig, erg zenuwachtig of neerslachtig en somber hebben gevoeld (zie figuur 4.4 op volgende pagina). Op alle vier de voorgelegde vragen is een verschil zichtbaar tussen de inburgeraars en het Utrechts gemiddelde uit de Gezondheidsmonitor, al is deze sterker zichtbaar bij de ‘negatieve’ items die gaan over zenuwachtigheid en neerslachtigheid. Van de inburgeraars voelt 22% zich vaak, meestal of voortdurend somber of neerslachtig. Onder de gemiddelde Utrechter is dit 12%. Een nog groter verschil is zichtbaar bij ‘erg zenuwachtig’; meer dan drie op de tien inburgeraars voelde zich in de vier weken voor het invullen van de vragenlijst ‘vaak, meestal of voortdurend’ erg zenuwachtig. Het Utrechts gemiddelde onder 18 tot 65jarigen ligt op 13%. Dit sluit aan bij het beeld dat Pharos schetst: inburgeraars hebben bovengemiddeld last van chronische stress. (Pharos, 2022) Uit statistische analyse van onze onderzoeksresultaten blijkt dat de groep die vaak erg zenuwachtig is, veel inburgeraars omvat met geldzorgen.
Er is ook gevraagd naar positieve emoties (gelukkig en kalm/rustig). Inburgeraars voelen zich minder vaak kalm, rustig en gelukkig dan de gemiddelde volwassene in Utrecht, maar het verschil tussen de gemiddelde inburgeraar en de gemiddelde Utrechter is hier minder groot dan op de negatieve emoties.
- 22 -
Figuur 4.4 Mate waarin inburgeraars en Utrechters gemiddeld zich in de afgelopen vier weken (vaak of voortdurend) gelukkig, kalm en rustig, erg zenuwachtig en neerslachtig/somber voelden
gelukkig
72% 66%
kalm en rustig
71% 65%
erg zenuwachtig
13%
neerslachtig en somber
12% 0%
10%
31%
22%
20%
30%
Utrechters (GM)
40%
50%
60%
70%
80%
Inburgeraars
Bron: gezondheidsmonitor (2022) en enquête inburgeraars (2023)
Verschillen tussen asielstatushouders en gezinsmigranten op welzijnsgebied Tussen de asielstatushouders en gezinsmigranten zijn op alle vier de welzijns-items opvallende verschillen te zien. Het grootste verschil is te vinden bij de vraag of men zich vaak gelukkig voelt. Gezinsmigranten scoren met 75% een fractie boven het Utrechts gemiddelde van 72%, terwijl dit cijfer voor de asielstatushouders op 57% ligt. Figuur 4.5 Mate waarin inburgeraars zich in de afgelopen vier weken erg gelukkig voelden
Gezinsmigrant / overige (n=130)
75%
Asielstatushouder (n=122)
25%
57% 0%
20%
voortdurend/meestal/vaak
43% 40%
60%
80%
100%
soms/zelden/nooit
Bron: enquête inburgeraars (2023)
Bij de negatieve items (zenuwachtig, neerslachtig/somber) is het verschil tussen asielstatushouders en gezinsmigranten minder groot, maar hier valt op dat binnen de groep asielstatushouders er een duidelijk verschil in ervaring is tussen de groep die wel taalles ontvangt (zij scoren vergelijkbaar met de gezinsmigranten) en de groep die geen taalles ontvangt. Deze groep (asielstatushouders die géén taalles ontvangen) voelt zich veel vaker zenuwachtig en is ook vaker neerslachtig en somber. Voor het duiden van dit verschil is verdergaand onderzoek nodig.
- 23 -
Figuur 4.6 Mate waarin inburgeraars zich in de afgelopen vier weken erg zenuwachtig voelden
Gezinsmigrant / overige (n=130)
26%
Asielstatushouder (n=122)
74%
36% 0%
20%
voortdurend/meestal/vaak
64% 40%
60%
80%
100%
soms/zelden/nooit
Bron: enquête inburgeraars (2023)
4.2 Extra kwetsbare psychische gezondheid bij inburgeraars met vluchtverleden Uit wetenschappelijke literatuur blijkt dat (psychische) gezondheid een sleutelrol kan spelen bij de manier waarop inburgeringsprocessen verlopen. Een slechte lichamelijke of psychische gezondheid kan een negatieve invloed hebben op het slagen van de inburgering. De uitval bij de verplichte inburgering wordt volgens expertisecentrum Pharos voor een belangrijk deel veroorzaakt door medische en psychische problematiek. (Pharos, 2022) (Pharos, 2018). Dit speelt in het algemeen sterker onder asielstatushouders dan onder gezinsmigranten. Kijken we echter naar de specifieke groep gezinsmigranten die zich voegen bij asielstatushouders dan blijkt er geen groot verschil in psychische gezondheid, hoewel deze groep nareizigers over het algemeen een veilige reis had. Gezien het belang van de vluchtervaringen voor de psychische gezondheid lijkt dit opvallend, maar daar staat tegenover dat nareizigers voor langere tijd zijn achtergebleven, in afwezigheid van de kostwinner en in gevaar, angst en onzekerheid hebben verkeerd, vaak zonder toegang tot medische voorzieningen. (SCP, 2018) Ook door voortdurende onzekerheid over de nieuwe situatie hebben statushouders en vluchtelingen een verhoogde kans op het ontwikkelen van psychische klachten.
In sommige situaties veroorzaakt een stroef integratieproces zelfs psychische problemen bij nieuwkomers. (ARQ Kenniscentrum Migratie / Nationaal psychotraumacentrum, 2023) Eenmaal in Nederland kan ook gezinsproblematiek na gezinshereniging een oorzaak zijn van psychische ongezondheid. Uit de literatuur is bekend dat de komst van de partner soms aanleiding geeft tot spanningen binnen het gezin. Partners zijn vaak lang van elkaar gescheiden geweest, moeten weer aan elkaar wennen in een geheel nieuwe situatie en hebben soms verschillende verwachtingen over hun leven in Nederland. Het niet kunnen delen van ervaringen kan eveneens leiden tot spanningen tussen partners. Verder zijn er aantoonbare dwarsverbanden tussen psychische ongezondheid en financiële problematiek. (SCP, 2018) “I have tried by all means to survive with the hope of finding a better life, little by little my mood and depression took over my thoughts and my illusions, to the point that at this moment I am getting sick and so is my family. , not being able to pay for a school to speed up my learning of Dutch, the study schedules do not suit me because I would have to stop working … thank you for listening to me.” [Ingekorte schriftelijke reactie van inburgeraar bij de enquête]
- 24 -
5. Inburgeraars over hun leefomgeving In dit hoofdstuk:
Enquête uitkomsten op gebied van buurtbeleving, netwerkcontacten en huisvesting Verschillen asielstatushouders en gezinsmigranten
5.1
Netwerkcontacten van inburgeraars
De meeste inburgeraars (85%) voelen zich prettig bij de mensen in de eigen buurt Een van de pijlers voor het ‘thuis weten’ van inburgeraars is het hebben van een goed sociaal netwerk. Dit netwerk biedt uitwisselings- en ondersteuningskansen. Om hier inzicht in te krijgen is in de enquête een aantal stellingen voorgelegd aan de inburgeraars. Deze zijn overgenomen uit de Utrechtse inwonersenquête, waarmee ook een vergelijking kan worden gemaakt tussen de score van inburgeraars met het Utrechts gemiddelde. Figuur 5.1 Inburgeraars en Utrechters gemiddeld over hun buurt (% (zeer) eens met de stelling)