CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Minima-effectrapportage gemeente Utrecht 2022.pdf

Commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie (2022-2026) 29 september 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsbrief minimaeffectrapportage en de armoedemonitor20.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Minima-effectrapportage gemeente Utrecht 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

26 april 2022

Minima-effectrapportage gemeente Utrecht 2022

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Nibud, 26 april 2022 In opdracht van de gemeente Utrecht

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Utrecht. Met dit onderzoek wil de gemeente Utrecht inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, april 2022

Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Utrecht. In dit onderzoek is voor twaalf verschillende huishoudtypen op vijf verschillende inkomensniveaus (100, 110, 125, 130 en 140 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe hun maandbegrotingen eruitzien. Daarnaast is een casus uitgewerkt van een alleenstaande ouder met 4 kinderen die vanuit een uitkering aan het werk gaat. Ten slotte is gekeken hoe de bestedingsruimte eruitziet als rekening wordt gehouden met een hogere huur en met hogere energielasten. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten; de collectieve zorgverzekering; de U-Pas; de Individuele Inkomenstoeslag; de eenmalige energievergoeding van € 800. Hierbij gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken.

Resultaten In de gemeente Utrecht zijn alle onderzochte huishoudens met een laag inkomen in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket te bekostigen. De volgende huishoudtypen hebben met tekorten te maken, als zij naast het basispakket ook de uitgaven voor sociale participatie willen doen: het paar met twee oudere kinderen van 14 en 16 jaar tot en met een inkomen van 140 procent van de bijstandsnorm; het paar met vier kinderen tot en met een inkomen van 140 procent van de bijstandsnorm. In beide situaties is bij een inkomen van 110 en 125 procent van de bijstandsnorm geen tekort meer te zien als zij aanspraak kunnen maken op de Individuele Inkomenstoeslag. De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Utrecht hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Zonder de collectieve zorgverzekering, de kwijtschelding van lokale lasten, de diverse vergoedingen voor kinderen, de Individuele Inkomenstoeslag en met name de verhoogde compensatie voor de hoge energielasten zouden er meer en grotere tekorten zijn. De gemeente Utrecht zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: met de U-Pas zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor (sport)kleding en het lidmaatschap van een vereniging. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve

en culturele activiteiten. Ook is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten. Het Nibud beoordeelt dit als positief.

Nuancering Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn kan omslaan in een tekort. Op bijstandsniveau resteert voor de meeste onderzochte huishoudens die alle minimale uitgaven kunnen betalen zo’n € 25 tot € 55 per maand. In de periode januari t/m april 2022 zijn de voedingsprijzen met 5 procent gestegen. Als alleen al rekening wordt gehouden met 5 procent hogere voedingsprijzen, dan beslaat dat al de helft van dat overschot. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte 1.3 Leeswijzer 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Onderzoeksmethode: begrotingen Inleiding Inkomsten Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie Uitgavensoorten Voorwaarden aan de begrotingen De begrotingen

3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 De U-pas 3.2.4 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.5 Overige regelingen 3.2.6 Bijzondere bijstand 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.8 Compensatie hoge energiekosten 3.2.9 Ondersteunend beleid 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Collectieve zorgverzekering 3.3.3 Tegemoetkoming Zorgkosten 3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Huishoudens met een zorgvraag 4.4 Armoedeval 4.4.1 Uitstroomval 4.4.2 Doorstroomval 4.4.3 Een casus 4.5 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 4.6 Hoge woon- en energielasten 4.6.1 Hoeveel huishoudens hebben een energie onzuinige woning?

4.6.2 4.6.3 4.6.4 4.6.5 5 5.1 5.2

Hoe hoog zijn de energielasten in een energie onzuinige woning? Bestedingsruimte bij een energie onzuinige woning Bestedingsruimte bij een hoge huur Bestedingsruimte bij aanhoudend sterk stijgende prijzen Conclusies Aandachtsgroepen Armoedevallen

Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Utrecht? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Utrecht is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd); c. Een alleenstaande oudere met onvolledig AOW en een AIO-aanvulling; d. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (5 en 3 jaar); e. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (16 en 14 jaar); f. Een paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; g. Een ouder paar vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd; h. Een ouder paar met onvolledig AOW en een AIO-aanvulling; i. Een paar met twee jonge kinderen (5 en 3 jaar); j. Een paar met twee oudere kinderen (16 en 14 jaar); k. Een paar met vier kinderen (15, 13, 11 en 8 jaar); l. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met chronische ziekte of beperking; m.Een alleenstaande oudere vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd met chronische ziekte of beperking.

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Utrecht is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW-niveau, 110 procent, 125 procent, 130 procent en 140 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor alleenstaande ouders is aangesloten bij de berekening van de inkomensgrenzen voor het minimabeleid in de gemeente Utrecht, waarbij rekening wordt gehouden met de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget. De inkomensgrenzen worden als volgt berekend (125 procent is als voorbeeld genomen): ( bijstandsnorm + alleenstaande ouderkop ) * 1,25 – alleenstaande ouderkop Dit inkomen wordt vervolgens op de gebruikelijke manier gebruteerd, waarbij geen rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Om de armoedeval inzichtelijk te maken wordt in dit rapport niet alleen gekeken naar de bestedingsruimte van verschillende huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus, maar wordt ook een specifieke casus uitgewerkt.

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij gaan we uit van vaak voorkomende huren voor inwoners van de gemeente Utrecht met een laag inkomen. In 2020 bedroegen die huren € 518 voor één- en tweepersoonshuishoudens en € 607 voor drie- en meerpersoonshuishoudens. De huren zijn sindsdien met gemiddeld 3 procent gestegen. De huren waar we voor 2022 van uitgaan zijn daarom € 534 voor één- en tweepersoonshuishoudens en € 625 voor drie- en meerpersoonshuishoudens.

1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Omdat het kabinet verschillende maatregelen treft om de sterk stijgende energieprijzen en aanhoudende inflatie te compenseren, die op verschillende momenten ingaan is het van belang om inzicht te hebben in welke maatregelen wel en welke niet zijn meegenomen in deze rapportage. In bijlage 1 is dit terug te vinden bij de post “energie”. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies van het rapport.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens.1 Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op vijf inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 125 procent en 130 procent en 140 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Onvolledige AOW Voor huishoudens vanaf de AOW-leeftijd wordt op 100 procent uitgegaan van de volledige AOW-uitkering. In een apart voorbeeld wordt de situatie met een onvolledige AOWuitkering inzichtelijk gemaakt. Op 100 procent wordt de AOW-uitkering hierbij door de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) aangevuld tot bijstandsniveau. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. ____________________

De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt in de begrotingen apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan het betreffende percentage van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. Voor paren wordt er uitgegaan van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt. Deze eenverdienerssituatie is de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie.

Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke regelingen.

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer.

Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten. Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven. Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven. Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

In de begrotingen wordt gerekend met minimale bedragen. Naast de cijfermatige kant moet daarom rekening worden gehouden met drie belangrijke voorwaarden.

1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.

Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten. In de gemeente Utrecht zijn er initiatieven om inwoners te helpen met hun financiën. Een voorbeeld hiervan is het Huishoudboekje, waarmee mensen ontzorgt worden en geholpen worden met het behouden van financieel overzicht (paragraaf 3.2.9).

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 2.888 per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en € 1.494 vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal € 4.260 per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal € 2.534 per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal € 1.726 per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is € 449 per jaar.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van € 31.998 of minder. Voor samenwonenden is deze grens € 40.944.

Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden € 120.020 en voor paren € 151.767. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal € 111 per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal € 212. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van € 31.747 per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur2 volledige huurtoeslag tot een huur van € 442,46 . Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot € 633,25 vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van € 678,66 . Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal € 763,47 vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang.

De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van € 8,50 voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van € 7,31 voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Tot een inkomen van € 26.066 is de vergoeding 96% van de kosten tot het maximale uurtarief. Voor hogere inkomens daalt dit percentage. Het percentage daalt sneller voor het kind waarvoor de meeste kosten worden gemaakt dan voor het kind of de kinderen waarvoor minder kosten worden gemaakt. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget.

Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de ____________________

kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot € 22.356 ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen is de inkomensgrens in 2020 flink verhoogd, deze inkomensgrens ligt nu op € 39.596 . Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van € 273,75 per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt € 329,56. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk € 280,13 en € 230,69.

De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. De kinderbijslag is hierin ook als maandbedrag opgenomen.

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Utrecht voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Utrecht kan voor alle lokale lasten die voor huurders gelden, kwijtschelding worden aangevraagd. De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies.

Afvalstoffenheffing

1 persoon 2 personen of meer

Rioolheffing

€ 303,85 € 353,85 € 228,32

Hondenbelasting*

Per hond

€ 86,04

Waterzuiveringsheffing

1 persoon 2 personen of meer

€ 62,50 € 187,50

Ingezetenenheffing

€ 92,21

* in de begrotingen wordt geen rekening gehouden met de kosten van een huisdier

De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Utrecht maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, maar houdt geen rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij het waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt gezamenlijk berekend, over de aanslag van beide heffingen samen.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Voor inwoners met een laag inkomen biedt de gemeente Utrecht een collectieve zorgverzekering aan van zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid, de U-polis. Inwoners kunnen kiezen uit een vaste basisverzekering met twee verschillende aanvullende pakketten: AV-Utrecht Standaard en AV-Utrecht Top. Dit laatste pakket is duurder, maar kent meer en hogere vergoedingen. In dit onderzoek rekenen we met de premie van de AV-Utrecht Top, omdat de meeste inwoners die gebruik maken van de U-polis voor deze aanvullende verzekering gekozen hebben. Dit blijkt ook een terechte keuze: meer dan 80 procent van de deelnemers gebruikt het volledig eigen risico.

Om voor de U-polis in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Utrecht een inkomensgrens van 125 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij inkomens boven 125 procent gaan we uit van een gemiddelde basisverzekering plus aanvullende verzekering. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavenpost ‘zorgverzekering’. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Het is mogelijk om het verplichte eigen risico gespreid te betalen. Hier is rekening mee gehouden in de uitgavenpost ‘zorgverzekering’. Bij de uitgavenpost ‘eigen risico zorgverzekering’ is dit gecorrigeerd.

3.2.3 De U-pas De U-pas is een ‘meedoen-pas’ voor inwoners in de gemeente Utrecht met een laag inkomen. Zowel kinderen als volwassenen kunnen het jaarlijkse persoonlijke budget inzetten voor sportieve en culturele activiteiten. Kinderen kunnen het budget daarnaast inzetten voor de bekostiging van schoolactiviteiten. Het U-pasbudget wordt voor een kind dan ook wel ‘Kindpakket’ genoemd. Er is dus geen aparte participatieregeling en schoolkostenregeling, maar één budget waarbij men vrij is hoe men dit wil besteden. Kinderen en volwassenen kunnen de U-pas aanvragen als het huishoudinkomen niet meer is dan 125 procent van het toepasselijk minimum. Het maximale U-pasbudget per jaar verschilt met de leeftijd: • 0 t/m 3 jaar: € 150 • 4 t/m 11 jaar: € 275 • 12 t/m 17 jaar: € 385 • 18 jaar en ouder: € 120 Het budget voor de U-pas is voor de verschillende huishoudens in de begrotingen opgenomen bij de post ‘sociale participatie’. Per 1 juli 2021 geldt voor de U-Pas een gezinstegoed. Dat wil zeggen dat de tegoeden van alle kinderen binnen één gezin bij elkaar opgeteld mogen worden. Naast activiteiten kan het U-pastegoed ook besteed worden aan bijvoorbeeld een laptop of een fiets. Voor schoolgaande kinderen vanaf 12 jaar is er gerekend met de kosten voor de aanschaf van een laptop en een vergoeding daarvoor via de U-Pas.

Het budget voor de Upas dat verrekend is met de post sociale participatie is verlaagd met dit bedrag. Als onderdeel van het Kindpakket van de U-Pas kunnen kinderen zwemlessen volgen om diploma A, B of C te behalen. Omdat zwemlessen niet als kostenpost in de begrotingen zijn opgenomen, worden deze ook niet verrekend.

3.2.4 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor huishoudens die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd en die 3 jaar of langer een inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm hebben. Voor gehuwden/samenwonenden met tenminste 1 kind van 12 tot 18 jaar is de inkomensgrens 125 procent van de bijstandsnorm. Er wordt gekeken naar het bruto inkomen van de afgelopen drie jaar zoals vermeld staat op de jaaropgave. De IIT bedraagt per twaalf maanden: • • • • • • •

€ 240 voor alleenstaanden; € 54 voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan 12 jaar; € 652 voor alleenstaande ouders met tenminste 1 kind van 12 tot 18 jaar; € 613 voor gehuwden/samenwonenden; € 613 voor gehuwden/samenwonenden met kind(eren) jonger dan 12 jaar; € 869 voor gehuwden/samenwonenden met ten minste 1 kind van 12 tot 18 jaar met een inkomen dat niet hoger is dan 110 procent; € 435 voor gehuwden/samenwonenden met ten minste 1 kind van 12 tot 18 jaar met een inkomen hoger dan 110 procent en niet hoger dan 125 procent;

Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd.

3.2.5 Overige regelingen Particuliere fondsen Naast het minimabeleid van de gemeente kunnen inwoners van Utrecht met een laag inkomen ook gebruikmaken van vergoedingen via particuliere stichtingen en fondsen, bijvoorbeeld het Jeugdfonds Cultuur, het Sportfonds en Stichting Leergeld. Hierbij gaat het niet om structurele vergoedingen en deze zijn daarom niet meegenomen in de berekeningen. Mondmaskers en zelftesten In de begrotingen is rekening gehouden met de kosten voor Corona zelftesten en mondmaskers. Inwoners van de gemeente Utrecht met een U-Pas kunnen drie zelftesten en drie mondmaskers ophalen bij het wijkbureau. We hebben deze kosten daarom op nul gesteld tot en met een inkomen van 125 procent.

3.2.6 Bijzondere bijstand De gemeente Utrecht verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Hierbij wordt rekening gehouden met draagkracht. Tot een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm is de draagkracht 5 procent van de draagkrachtruimte. Van het meerinkomen tot 200 procent van de bijstandsnorm wordt 30 procent als draagkracht aangemerkt, daarboven is de draagkracht 100 procent. Bij de draagkrachtberekening wordt de individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten en een aantal kosten op de draagkrachtruimte in mindering gebracht conform artikel 12 lid 7 RBBU.

De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting.

3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. De gemeente kan vergoeding verlenen voor de eigen bijdrage als iemand werkt of een arbeidsmarktgericht traject volgt. Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, vanaf een inkomen op 125 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen arbeidsmarktgericht traject volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt zullen geen gebruik maken van de kinderopvang. De kinderopvangtoeslag vergoedt de kosten voor kinderopvang tot een bepaald maximum. In de gemeente Utrecht liggen de tarieven voor kinderopvang gemiddeld 50 cent per uur hoger dan dit maximum tarief. Die 50 cent moeten huishoudens dus zelf betalen.

Peuterspeelzaal We gaan ervan uit dat kinderen tussen 2,5 en 4 jaar een dagdeel per week naar de peuterspeelzaal gaan. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Alleenverdieners (kostwinnergezin) of niet-werkende ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Het organiseren van een aanbod voor kinderen is de rol van gemeenten. Als een of beide ouders niet werken, dan betaalt de gemeente een deel van de kosten voor de peuterspeelzaal. Dit staat gelijk aan de vergoeding van kinderopvangtoeslag. Als een kind een indicatie heeft voor Voorschoolse Educatie, heeft het kind recht op 16 uur per week opvang. Als er geen indicatie is, mag het kind 5 uur naar de opvang. Voor mensen met een laag inkomen is de eigen bijdrage ongeveer € 11 per maand.

De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.8 Compensatie hoge energiekosten Vanwege de verwachte koopkrachtdaling neemt het kabinet maatregelen om de hoge energieprijzen en de aanhoudende hoge inflatie te compenseren. De eenmalige energievergoeding voor mensen met een inkomen rond bijstandsniveau is verhoogd naar € 800. In de gemeente Utrecht is de energievergoeding beschikbaar voor huishoudens met een inkomen tot en met 125 procent van de bijstandsnorm. In de begrotingen is de vergoeding opgenomen bij de post “gas”.

3.2.9 Ondersteunend beleid Naast deze regelingen kent de gemeente Utrecht meer initiatieven om inwoners te helpen met hun financiën. Een voorbeeld hiervan is het Huishoudboekje, waarmee mensen ontzorgt worden en geholpen worden met het behouden van financieel overzicht. Een ander initiatief is Budgetvaardig, waarmee hulpverleners worden geschoold om financiële problemen te signaleren en mensen te ondersteunen bij het oplossen van financiële problemen. Met dit ondersteunend beleid is niet direct rekening gehouden in de huishoudbudgetten in dit rapport. Ze komen wel tegemoet aan de voorwaarden die worden gesteld aan de begrotingen (paragraaf 2.5).

3.3

Huishoudens met een zorgvraag

In dit onderzoek worden tevens twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht: Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met chronische ziekte of beperking; Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met chronische ziekte of beperking. Er is gekozen om alleen te kijken naar alleenstaanden, omdat uit eerdere minimaeffectrapportages voor de gemeente Utrecht is gebleken dat alleenstaanden met een zorgvraag structureel een lagere bestedingsruimte hebben dan oudere paren met een zorgvraag. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Utrecht voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna worden de profielen van deze huishoudtypen nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag.

3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door

begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.

3.3.2 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Utrecht een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: de AV-Utrecht Top. Via dit pakket is onder meer de eigen bijdrage voor Wmo maatwerkvoorzieningen (tot een bedrag van € 370 per jaar).

3.3.3 Tegemoetkoming Zorgkosten Voor inwoners met een beperking of chronische ziekte, kent de gemeente Utrecht de Tegemoetkoming Zorgkosten. Het gaat om een bijdrage van maximaal € 200 per jaar, voor inwoners met zorgkosten van € 200 of meer, die niet op een andere manier vergoed worden. In de begrotingen van de huishoudens met een zorgvraag is deze tegemoetkoming opgenomen onder de inkomsten. Aan de tegemoetkoming zijn de volgende voorwaarden verbonden: Woonachtig in Utrecht; Er is sprake van een beperking of chronische ziekte; Er zijn zorgkosten van € 200 of meer die niet worden vergoed; Het eigen risico telt niet mee, dit zijn geen bijzondere zorgkosten; Het laatst vastgestelde verzamelinkomen (bruto inkomen waarover belasting moet worden betaald) is maximaal € 35.000. Het inkomen van de partner telt ook mee; Er mag één aanvraag per persoon worden gedaan, voor elke persoon in het huishouden met eigen zorgkosten.

3.3.4 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In) 3. Voor de huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: Stofwisselingsziekte Bril Gehoorapparaat Rollator Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Is aangewezen op een energieverrijkt dieet. 3 uur huishoudelijke verzorging per week ____________________ Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.

14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Personenalarmering Gebruik belbus/collectief vervoer Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Het profiel voor de huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: Stofwisselingsziekte Longproblemen Hoog medicijngebruik (deels eigen bijdrage voor betalen) Rolstoelgebonden 2 uur huishoudelijke verzorging per week 12 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Personenalarmering Gebruik belbus / collectief vervoer Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: Huishoudelijke hulp De huishoudelijke hulp is in de gemeente Utrecht een maatwerkvoorziening. Voor de maatwerkvoorziening geldt een eigen bijdrage via het CAK. De eigen bijdrage bedraagt maximaal € 19 per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. Huishoudens met een AV-Utrecht Top verzekering (waar we in deze rapportage van uitgaan), krijgen de eigen bijdrage vergoed. Bij een inkomen boven 125 procent van het minimum moet het huishouden de eigen bijdrage Wmo zelf betalen. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen/ betalingen zorg”.

Persoonlijke verzorging en verpleging De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. Maaltijdvoorziening De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. In deze rapportage veronderstellen we dat de AOWgerechtigde met zorgvraag niet in staat is om zelf te koken. Gemiddeld kost een warme maaltijd ongeveer € 5. De kosten voor een zelf bereide maaltijd bedragen € 2,20 voor een alleenstaande oudere, volgens de Nibud prijzengids. Hiermee komen de meerkosten uit op € 2,30. Voor vijf maaltijden per week komt dit neer op € 50 per maand. Voor de eigen kosten als gevolg van de maaltijdvoorziening is een vergoeding mogelijk uit de bijzondere bijstand. Hierbij wordt rekening gehouden met de draagkracht. Tot en met 110 procent van de bijstandsnorm is de draagkracht 5 procent, vanaf 110 tot 200 procent is de draagkracht 30 procent en daarboven 100 procent. De eigen kosten als gevolg van de maaltijdvoorziening zijn in de begrotingen van de alleenstaande oudere met zorgvraag opgenomen onder de post ‘voeding’.

Dieetkosten De huishoudens met een zorgvraag maken gebruik van een specifiek dieet. De meerkosten van verschillende diëten kunnen zeer uiteenlopen. Bij deze zorgvraag wordt uitgegaan van een energieverrijkt dieet. De meerkosten van dit dieet bedragen € 400 per jaar. Vergeleken met andere diëten is dit niet bijzonder hoog. De dieetkosten komen in aanmerking voor vergoeding via de bijzondere bijstand. Ook kan er belastingaftrek voor opgevoerd worden mits de kosten niet zijn vergoed. We gaan in dit rapport uit van een vergoeding via de bijzondere bijstand. Collectief vraagafhankelijk vervoer De huishoudens met een zorgvraag maken gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer. In de gemeente Utrecht betaalt men voor de Regiotaxi een instaptarief en een tarief per zone. Voor 2022 is het instaptarief € 1 plus € 0,25 per kilometer. Dit tarief is gelijk aan de tarieven voor het reguliere openbaar vervoer. In deze rapportage wordt bij de alleenstaanden (onder en boven de AOW-gerechtigde leeftijd) met zorgvraag gerekend met 4 reizen per maand van 5 kilometer enkele reis, wat neerkomt op € 18 per maand. We gaan ervan uit dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets en regulier openbaar vervoer; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De extra vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ‘vervoer’.

Huishoudens met een zorgvraag hebben vaak te maken met kosten in verband met vervoer naar het ziekenhuis en/of specialist. Voor dit vervoer gaan we ook uit van het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer. Ook deze kosten worden vergoed via de maatwerkvoorziening. We gaan uit van 8 reizen per jaar van 10 kilometer enkele reis, wat neerkomt op € 5 per maand. Voor vervoer in verband met sociale participatie (familiebezoek en/of vervoer naar een dagbegeleiding) is een vergoeding mogelijk vanuit de Wmo. In het pakket voor sociale participatie is een bedrag voor vervoer opgenomen. Dit bedrag is aanvullend op het bedrag voor vervoer in het basispakket. In de begroting is het bedrag dat we voor vervoer opvoeren in het pakket voor sociale participatie, namelijk € 8, op 0 gezet in verband met deze regeling. Het abonnementstarief voor de eigen bijdrage Wmo is opgenomen bij de post “eigen bijdrage/betalingen i.v.m. zorg”. Door de vergoeding van de vervoerkosten via de zorgverzekering en de Wmo hebben huishoudens met een zorgvraag, die gebruikmaken van vraagafhankelijk vervoer, tot een inkomen van 125 procent geen vervoerkosten. Vanaf 125 procent gaan we uit van een minder uitgebreide zorgverzekering, die de kosten voor collectief vraagafhankelijk vervoer niet vergoedt.

Voor de vervoerskosten in verband met sociale participatie loopt de vergoeding door tot 175 procent van het sociaal minimum. Wel betalen huishoudens de eigen bijdrage voor de Wmo. Waskosten Voor de extra waskosten in verband met incontinentie bij de oudere huishoudens gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 9 per maand. Dit bedrag is in de begrotingen opgenomen onder de post ‘was- en schoonmaakmiddelen’. Voor de extra waskosten is bijzondere bijstand mogelijk.

Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen rekenen we € 123 op jaarbasis. De kosten worden verrekend met de uitgavenpost ‘eigen betalingen zorg’. Een deel hiervan betreft geneesmiddelen op recept (€ 123) waarvan de kosten aftrekbaar zijn. Voor de eigen bijdrage voor medicijnen kan ook bijzondere bijstand worden aangevraagd. Lang niet iedereen zal dit doen, daarom gaan we in deze rapportage uit van (gedeeltelijke) verrekening via de belasting. Woningaanpassing De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage wordt óf betaald vanuit de U-polis (tot 125 procent van het toepasselijk minimum) óf men heeft de eigen bijdrage al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij. Personenalarmering De kosten voor de personenalarmering worden in de gemeente Utrecht vergoed via de collectieve zorgverzekering. Deze kosten drukken dus niet op de begroting van huishoudens met een zorgvraag die in aanmerking komen voor de U-polis. Bij een inkomen boven 125 procent, wanneer men niet meer in aanmerking komt voor de U-polis, gaan we uit van een gedeeltelijke vergoeding via de (niet-collectieve) zorgverzekering.

Voor de eigen bijdrage rekenen we een bedrag van € 15 per maand. Dit bedrag is opgenomen onder de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog € 8 per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post ‘eigen bijdragen/betalingen zorg’.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood.

Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 149 per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, blijft er € 57 per maand vrij te besteden over. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% 110% 125% 130% 140%

€ € € € €

saldo na basispakket 149 187 295 258 331

saldo na basispakket en participatie € 57 € 95 € 203 € 156 € 229

€ € € € €

b. Alleenstaande oudere saldo na basispakket 364 388 507 466 528

saldo na basispakket en participatie € 273 € 296 € 415 € 364 € 426

c. Alleenstaande oudere (AIO) saldo na basispakket 100% € 278 110% € 388 125% € 507 130% € 466 140% € 528

saldo na basispakket en participatie € 186 € 296 € 415 € 364 € 426

100% 110% 125% 130% 140%

€ € € € €

d. eenoudergezin m et 2 jonge kinderen 5 & 3 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 410 € 261 110% € 418 € 269 125% € 515 € 365 130% € 509 € 314 140% € 645 € 450 e. eenoudergezin m et 2 oudere kinderen 16 & 14 jaar saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 211 € 49 110% € 281 € 118 125% € 414 € 251 130% € 382 € 156 140% € 518 € 293

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 169 € 77 207 € 115 295 € 203 258 € 156 331 € 229 inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 415 € 265 423 € 273 515 € 365 509 € 314 645 € 450

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 266 € 103 335 € 173 414 € 251 382 € 156 518 € 293

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand (vervolg) f. Paar zonder kinderen

100% 110% 125% 130% 140%

€ € € € €

saldo na basispakket 169 258 301 245 296

saldo na basispakket en participatie € 25 € 115 € 157 € 82 € 133

€ € € € €

saldo na basispakket 410 418 582 531 622

saldo na basispakket en participatie € 266 € 275 € 438 € 367 € 459

€ € € € €

saldo na basispakket 277 418 582 531 622

saldo na basispakket en participatie € 134 € 275 € 438 € 367 € 459

€ € € € €

g. Ouder paar

100% 110% 125% 130% 140%

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie

h. Ouder paar (AIO)

100% 110% 125% 130% 140%

i. paar m et 2 jonge kinderen (5 & 3 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 254 € 53 110% € 335 € 133 125% € 380 € 179 130% € 322 € 65 140% € 373 € 116 j. paar m et 2 oudere kinderen (16 & 14 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 77 € -137 110% € 167 € -48 125% € 212 € -2 130% € 127 € -160 140% € 178 € -109 k. paar m et 4 kinderen (15, 13, 11 en 8 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 122 € -147 110% € 203 € -66 125% € 248 € -21 130% € 163 € -224 140% € 214 € -173

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 220 € 77 310 € 166 301 € 157 245 € 82 296 € 133

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 305 € 104 386 € 184 380 € 179 322 € 65 373 € 116

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 150 € -65 239 € 25 249 € 34 127 € -160 178 € -109

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 195 € -74 275 € 6 285 € 16 163 € -224 214 € -173

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen. Het paar met 2 oudere minderjarige kinderen heeft de minste bestedingsruimte. Op bijstandsniveau houden zij elke maand € 77 over. Ook het paar met 4 kinderen heeft met € 122 per maand weinig bestedingsruimte. De alleenstaande tot de AOW-leeftijd heeft daarna de minste bestedingsruimte. Op bijstandsniveau resteert er € 149 per maand. Bij de andere huishoudens is het saldo groter. Het saldo is het hoogst voor huishoudens vanaf de AOW-leeftijd.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, een positief saldo van € 57 op de maandbegroting. Bij 110 procent resteert € 95. Bij 125 procent is het saldo een stuk hoger, namelijk € 203 per maand. Bij 130 procent is het saldo iets lager dan bij 125 procent en bij 140 procent weer hoger. b. Alleenstaande oudere Een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 273 per maand. Dit loopt op naar € 426 bij 140 procent. Doordat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering, heeft een alleenstaande oudere met alleen AOW meer bestedingsruimte dan een alleenstaande tot de AOW-leeftijd met een bijstandsuitkering. c. Alleenstaande oudere met onvolledige AOW Ook een alleenstaande oudere met onvolledige AOW heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. De AOW-uitkering wordt door de AIO-uitkering aangevuld tot het sociaal minimum. De bestedingsruimte bedraagt € 186 per maand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a4782966-6a1c-4eb5-9249-58be231b57a0