Milieueffectrapport Masterplan Overvecht Centrum
Tekst van het document
56/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Tabel 4.6 Verzadigingsgraad voor kruispunten rondom Overvecht Centrum in de plansituatie (Bron: Omgevingsvisie Overvecht) Kruispunt
Ochtendspits
Avondspits
Ochtendspits
Avondspits
huidig
huidig
plan
plan
Einsteindreef – Brailledreef - Paranadreef
0,85
0,90
0,93
>1
Einsteindreef – Zamenhofdreef –
0,65
0,85
0,85
0,85
Zamenhofdreef – Theemsdreef
0,27
0,27
N.v.t
N.v.t.
Zamenhofdreef - Brailledreef
0,61
0,85
0,48
0,68
Carnegiedreef
Verkeersveiligheid Het plangebied wordt omsloten door wegen met een sterke verkeersfunctie (Einsteindreef & Brailledreef). Door de autonome ontwikkelingen (extra geregelde kruising bij de Einsteindreef ter hoogte van de Seinedreef en duidelijkere situatie bij de Zamenhofdreef-Marnedreef) verbetert de verkeersveiligheid op de routes naar het plangebied toe. Binnen het plangebied staan voetganger en fietser op de eerste plaats. Met het verplaatsen van parkeren op maaiveld naar parkeren in een parkeergarage neemt de veiligheid voor voetgangers in het winkelgebied sterk toe. Zeker zwakkere verkeersdeelnemers (kinderen/ouderen) die niet met de auto naar het gebied komen gaan er qua veiligheid sterk op vooruit. Maar ook automobilisten parkeren iets verderop in de garage en vervolgen hun weg als voetganger. Daarnaast hebben fietsers en voetgangers twee eigen entrees naar het gebied waar geen autoverkeer is (toegang Zamenhofdreef-noord en Zamenhofdreef oost). Op de andere twee entrees wordt langzaam- en gemotoriseerd verkeer gebundeld. Dit is een aandachtspunt wat extra aandacht vraagt bij de nadere uitwerking deze toegangen. Het bundelen van modaliteiten kan alleen als er voldoende ruimte is en de verkeersdruk laag is, anders is het aan te raden om gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk te scheiden van langzaam verkeer.
Figuur 4.11 Hoofdstructuur voetganger, auto en fiets
Wel zijn er nog enkele aanbevelingen voor de verdere uitwerking op het gebied van verkeersveiligheid: Aangezien de Zamenhofdreef nu over een groter gedeelte volledig busbaan wordt (door knip Marnedreef) verschuift ook de overgang tussen de reguliere rijbaan en de busbaan. Die komt
57/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
ter hoogte van de Montalbaendreef te liggen. In de verdere uitwerking moet rekening
gehouden worden met een duidelijke overgang tussen openbare weg en busbaan. Dit moet herkenbaar zijn in de uitstraling van de weg en geen doorgaand karakter hebben Logistiek verkeer richting de twee grote supermarkten volgen de busbaan op de
Zamenhofdreef. Zorg bij de uitwerking dat deze ontworpen worden voor het maatgevende voertuig wat hiervan gebruik gaat maken (naar verwachting trekker-oplegger) Aandachtspunt is de positie van het fietsverkeer op de zuidelijke in- en uitgang op de Brailledreef. De huidige brug is relatief smal, waardoor de fietser mogelijk in de knel komt. Bij de verdere uitwerking van deze aansluiting moet het ontwerp daarom passend zijn voor het nieuwe gebruik
Over het geheel gezien verbetert de verkeersveiligheid voor het gebied in de plansituatie ten opzichte van de huidige situatie. Parkeerdruk Het parkeren wordt in de plansituatie opgevangen in parkeergarages. Daarmee verbetert de verkeersveiligheid zoals in de vorige paragraaf valt te lezen. Voor de parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers van het gebied heeft de gemeente een parkeerbalans opgesteld. Daarin is berekend hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn om te kunnen voorzien in de behoefte van de gebruikers van het gebied. Er staan op dit moment circa 2.500 woningen gepland en circa 46.000 m² BVO niet-wonen. Op basis van de parkeernormen en de bezettingsgraden is berekend dat (inclusief bestaande bebouwing) er nog circa 2.300 parkeerplekken nodig zijn om deze toekomstige doelgroepen te kunnen voorzien. In de tekeningen zijn momenteel meer parkeerplaatsen ingetekend dan nodig. Bij de nadere uitwerking wordt het aantal ondergrondse parkeerplekken verminderd. Daarmee voldoet het parkeeraanbod naar verwachting aan de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners, werknemers en bezoekers. Wel kan het in door en toenemende inwonersaantal van Overvecht en heel Utrecht en de aantrekkingskracht van een nieuw winkelcentrum drukker worden met bezoekers van bezoekers die van veraf komen, waardoor de parkeerdruk mogelijk toeneemt.
Over het algeheel is de beoordeling van de parkeerdruk daarmee neutraal.
58/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Effecten van strenger parkeerbeleid Voor het MER is in eerste plaats een ‘worst case’ berekening gemaakt van de verkeersgeneratie. Het doel van deze ‘worst case’-berekening is om de maximale milieueffecten in beeld te brengen. De resultaten uit de hoofdstukken stikstofdepositie en geluid zijn bepaald op basis van deze maximale verkeersgeneratie. Naar aanleiding van het advies van de Commissie mer is een indicatieve berekening gemaakt wat de verkeersgeneratie is wanneer wordt uitgegaan van het maximale parkeerregulering (variant 4 Parkeren uit het Speelvelddocument). Uit de indicatieve berekening blijkt dat dit zorgt voor circa 5.000 motorvoertuigen per etmaal minder ten opzichte van de worst case verkeersgeneratie van het gebied. In de verkeersberekening is het uitgangspunt dat het verkeer zich gelijkmatig over de drie ‘inprikkers’ van het gebied verdeeld. Op de drie aan het plangebied grenzende wegen (Einsteindreef, Brailledreef, Zamenhofdreef) is de verkeersgeneratie circa 1.350 motorvoertuigen lager. Dit heeft geen significant effect op de geluidsbelasting in het gebied. Ook voor de andere verkeersgerelateerde milieuaspecten (stikstofdepositie en luchtkwaliteit) wordt geen significant effect verwacht. Verkeersveiligheid en systematischere beoordeling emissies In het masterplan zijn ten aanzien van mobiliteit en verkeersveiligheid vooral keuzes op structuurniveau gemaakt.
Het gaat dan om waar welke vervoerswijzen een plek krijgen, routes, aantallen en de inrichting op hoofdlijnen. Concreet zijn keuzes gemaakt over de omvang van het voetgangersgebied, auto’s vooral aan de rand, positie van de fiets, locatie bushaltes, etc. Uitwerking van deze hoofdstructuur gebeurt in de volgende fase. Bij de verdere uitwerking van het masterplan is een Duurzaam Veilige inrichting het uitgangspunt (zie voor meer info Duurzaam Veilig Wegverkeer). Met de gemaakte keuzes op structuurniveau zijn de randvoorwaarden vastgelegd om straks tot een goede inrichting te kunnen komen. In het masterplan Overvecht Centrum is naar verschillende thema’s ten aanzien van mobiliteit gekeken. In haar advies verwijst Commissie mer naar het ‘Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 Veilig van deur tot deur’ (SPV2030). In het masterplan is vooral gekeken naar thema’s uit het SPV2030 als ‘veilige infrastructuur’, ‘heterogeniteit van verkeer’ en ‘kwetsbare verkeersdeelnemers’ . Veel thema’s uit het SPV2030 zijn echter geen thema’s die aansluiten bij het abstractieniveau en de planfase van een masterplan (zoals bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen, onervaren verkeersdeelnemers, rijden onder invloed, verkeersovertreders, etc). Deze zijn dan ook niet meegenomen in het masterplan.
Bij het opstellen van het masterplan geldt als uitgangspunt voor mobiliteit het in 2021 vastgestelde Mobiliteitsplan 2040 van de gemeente Utrecht. Thema's uit het Regionaal mobiliteitsprogramma zijn vergelijkbaar, maar niet allemaal van toepassing op het niveau van een masterplan. Bijvoorbeeld de inzet op zero-emissie, werkgeversaanpak, fietsstimulering, etc. worden niet in een masterplan bepaald, maar in het (stadsbrede) gemeentelijke beleid en programma's. Daarmee zijn deze thema's ook niet of nauwelijks onderscheidend voor varianten voor het centrumgebied.
59/202
Kenmerk
4.1.5
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Compenserende en mitigerende maatregelen
De herontwikkeling van Overvecht Centrum leidt tot extra verkeer. Een logisch gevolg is dat de directe omliggende ontsluitingswegen (Einsteindreef, Brailledreef) drukker worden. Bij de nadere uitwerking is het aan te bevelen om aandacht te besteden aan de kruispuntinrichting, zodat de oversteekbaarheid voor bezoekers aan Overvecht Centrum niet achteruit gaat. In Overvecht Centrum zelf dient er met name aandacht te komen voor de in- en uitgangen van het gebied, en dan met name bij het ontwerp van de rijbaan in relatie tot de diverse modaliteiten. Ook het goed inrichten van de logistieke stromen verdient de aandacht. Indien de parkeerdruk in de plansituatie ondanks de te nemen maatregelen nog te hoog is, is het nodig om extra scherp parkeerbeleid te voeren. Hiermee wordt ook de verkeerstoename op de ontsluitende routes van Overvecht gecompenseerd.
4.2
Geluid
4.2.1 Relevant beleid Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het geluid van gemeentewegen wegverkeerslawaai zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. Voor het geluid van gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 dB Lden en een grenswaarde van 70 dB Lden. Voor het geluid van de geluidgezoneerde industrieterreinen Hulpwarmtecentrale Overvecht (HWC) en Rioolwaterzuiveringsinstallatie Utrecht (RWZI) zijn op dit moment volgens overgangsrecht de regels van de Wet geluidhinder van kracht. Voor nieuwe woningen geldt hiervoor een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximaal toelaatbare grenswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Na vaststellen van geluidproductieplafonds (uiterlijk 1 januari 2032) zullen hiervoor de instructieregels van het Bkl van kracht worden en gelden voor nieuwe woningen standaardwaarden van 50 Lden / 40 Lnight en grenswaarden van 55 Lden / 45 Lnight. Gemeente Utrecht heeft op 18 januari 2024 een beleidsnota Geluid en Trillingen vastgesteld (versie Definitief 9 januari 2024). Hierin zijn de volgende ambities voor geluid opgenomen:
Geen nieuwe geluidgevoelige bestemming boven 63 dB per geluidsoort. Overschrijding wordt alleen toegestaan wanneer hiervoor zwaarwegende belangen kunnen worden aangereikt of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestisch situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat het bouwplan relevante afscherming beidt voor een groot aantal andere woningen) Er geldt een Utrechtse-grenswaarde voor wegverkeerslawaai van 63 dB voor de uitleggebieden Leidsche Rijn en Vleuterweide en 68 dB voor de rest van de stad Voor de overige geluidssoorten gelden de landelijke standaardwaarden en grenswaarden Niet geluidgevoelige gevels (zowel ‘dove gevels’ als gevels met bouwkundige voorzieningen) zijn voor woningen toepasbaar vanaf de (Utrechtse) grenswaarde mits: o Het woningen betreft waarbij elke verblijfsruimte waarbij dit wordt toegepast (ook) een te openen deel heeft in een gevel onder de (Utrechtse) grenswaarde én; o Wordt voldaan aan de voorwaarden, waaronder onder andere:
60/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
- Tenminste 50 % van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak van de woning aan de luwe zijde liggen - Tenminste één buitenruimte van de woning aan een gevel ligt waar het geluid niet meer is dan 5 dB boven de standaardwaarde
Niet geluidgevoelige gevels zijn voor andere geluidsgevoelige functies dan woningen ook toepasbaar, uitgezonderd voor woonboten en woonwagens
4.2.2 4.2.2.1
Referentiesituatie Huidige situatie
Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai in Overvecht Centrum in de huidige situatie wordt verwezen naar het MER Omgevingsvisie Overvecht, paragraaf 6.2.2.1. Hier wordt inzichtelijk gemaakt waar in Overvecht Centrum hinder van wegverkeerslawaai voorkomt. In Figuur 4.12 is een detail uit de geluidbelastingskaart van de gemeente Utrecht 2021 weergegeven van het plangebied (wegverkeer Lden).
Figuur 4.12 Detail geluidbelastingskaart gemeente Utrecht, wegverkeerslawaai Lden 2021
Hieruit blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer in delen van het plangebied in de bestaande situatie hoger is dan de standaardwaarde.
61/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Geluidbelasting hulpwarmtecentrale Voor de geluidbelasting van de hulpwarmtecentrale (HWC) van Eneco in Overvecht Centrum wordt verwezen naar het hoofdrapport MER Omgevingsvisie Overvecht. De HWC van Eneco komt hier aan bod onder geluidhinder industrie. HWC is geluidgezoneerd volgens de Wet geluidhinder. Binnen de geluidzone van HWC zijn in de huidige situatie woningen gelegen. De geluidzone van de HWC ligt over een deel van het plangebied. In Figuur 4.13 is de gecombineerd geluidzone van de RWZI en de HWC weergegeven.
Figuur 4.13 Gecombineerde geluidzone industrielawaai RWZI en HWC
Geluidbelasting RWZI RWZI Utrecht is geluidgezoneerd volgens de Wet geluidhinder. Binnen de geluidzone van de RWZI zijn woningen gelegen. De geluidzone van de RWZI overlapt niet met het plangebied.
62/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
4.2.2.2
Autonome ontwikkelingen
Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai in Overvecht Centrum in de autonome wordt verwezen naar paragraaf 6.2.2.2 van het MER Omgevingsvisie Overvecht. Hier wordt inzichtelijk gemaakt hoe wegverkeerslawaai zich in de autonome situatie ontwikkelt, ook op de ontsluitingswegen van Overvecht Centrum. De autonome ontwikkeling van het wegverkeer is verwerkt in de berekeningen van het wegverkeerslawaai op het plangebied en, waar relevant, op de bestaande woningen. Hierbij is gebruik gemaakt van het VRU model van de gemeente voor het peiljaar 2030. Geluidbelasting HWC en RWZI De geluidemissie van de HWC blijft in de autonome ontwikkeling onveranderd. Ten behoeve van de berekening van de geluidbelasting ten gevolge van het plan is gebruik gemaakt van het door de gemeente Utrecht aangeleverde zonebewakingsmodel. Op het terrein van de RWZI wordt een warmtepompinstallatie geplaatst. Concrete geluidgegevens zijn hiervoor nog niet beschikbaar. Zover bekend wordt de installatie in een gebouw geplaatst, waarmee de geluidemissie naar de omgeving zal worden beperkt. Daarbij zal de bestaande geluidzone onveranderd blijven. Het plangebied zal daarom ook in de autonome ontwikkeling buiten de geluidzone en het geluidaandachtsgebied van de RWZI liggen. Voor de berekening van het gecumuleerd geluid op het plan is de belasting van het RWZI wel meegenomen.
Hiervoor is gebruikt gemaakt van het door de gemeente Utrecht aangeleverde actuele zonebewakingsmodel. 4.2.3
Geluidberekeningen
De geluidberekeningen zijn uitgevoerd volgens de bijlagen IVe (geluid wegen), IVh (geluid industrie) en artikel 3.25 (gecumuleerd geluid) van de Omgevingsregeling. Hierbij is gebruik gemaakt van het softwarepakket Geomilieu versie 2023.3. De inputgegevens zijn opgenomen in bijlage 1d. 4.2.4
Beoordelingskaders
In de volgende paragrafen wordt de effectbeoordeling toegelicht. Effectbeoordeling geluid op het plan In Figuur 4.14 is een overzicht gegeven van de indeling van de nieuwe bouwblokken van het plan.
63/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Figuur 4.14 Aanduiding bouwblokken nieuwe plan (Masterplan 1.5)
Het plan voorziet in de realisatie van een groot aantal woningen binnen de invloedsfeer van de geluidbronnen van de hulpwarmtecentrale (deels binnen de bestaande geluidzone), de RWZI en het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Zamenhofdreef, Brailledreef en Einsteindreef. Dit betekent dat het plan op voorhand als negatief kan worden aangemerkt voor geluid, aangezien er immers hoe dan ook een toename plaatsvindt van het aantal geluidbelaste woningen. In de tabellen 4.7 tot en met 4.9 is achtereenvolgens aangeven welke klassegrenzen gehanteerd zijn voor het effect van geluid van achtereenvolgens gemeentewegen, industriegeluid en gecumuleerd geluid. Voor de beoordeling van het geluid van de afzonderlijke bronsoorten is hierbij aangesloten bij het gemeentelijk beleid (bovengrens van 63 dB; zie ook paragraaf 4.2.1). Tabel 4.7 Beoordelingskader wegverkeerslawaai op woningen binnen het plan (Lden) Geluidbelasting wegverkeer Lden Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
< 43 dB
+
Positief effect
43 – 47 dB
0
Geen effect (neutraal)
48 – 53 dB
-
Negatief effect
54 – 63 dB
--
Zeer negatief effect
> 63 dB
64/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Tabel 4.8 Beoordelingskader geluid industrie (HWC en RWZI) op woningen binnen het plan (Lden) Cumulatieve geluidbelasting industrie (RWZI + HWC) Lden Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
< 43 dB
+
Positief effect
43 – 47 dB
0
Geen effect (neutraal)
48 – 53 dB
-
Negatief effect
54 – 63 dB
--
Zeer negatief effect
> 63 dB
Tabel 4.9 Beoordelingskader gecumuleerd geluid op woningen binnen het plan Cumulatieve geluidbelasting Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
≤ 45 dB
+
Positief effect
46 – 50 dB
0
Geen effect (neutraal)
51 – 55 dB
-
Negatief effect
56 – 65 dB
--
Zeer negatief effect
≥ 66 dB
Effectenbeoordeling geluid ten gevolge van het plan op bestaande woningen Het plan zal effecten hebben op het geluid ten gevolge de hulpwarmtecentrale op een aantal bestaande woningen. Op de bestaande woningen aan de Kaap Hoorndreef en Londrinadreef ten westen van de HWC zal een toename van dit geluid plaats kunnen vinden ten gevolge van een toename van de reflectie in de geplande hoogbouw. Naar de bestaande woningen aan de Vier Heemskinderendreef ten zuidoosten van de HWC wordt het geluid juist meer afgeschermd door de geplande hoogbouw en vindt er een afname plaats van het geluid. Deze effecten zijn inzichtelijk gemaakt voor woningen die binnen de huidige geluidzone Wet geluidhinder zijn gelegen of vlak daarbuiten. Om de mate van het effect aan te duiden is voor het industrielawaai van de hulpwarmtecentrale op de bestaande woningen zijn de in Tabel 4.10 aangegeven klassegrenzen gehanteerd. Tabel 4.10 Beoordelingskader industrielawaai hulpwarmtecentrale op bestaande woningen Beoordeling effect toename geluidbelasting van hulpwarmtecentrale op bestaande woningen ten gevolge van de toename van de reflectie Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
Afname van 3 dB(A) of meer
+
Positief effect
Afname van 1,5 tot 3 dB(A)
0
Geen effect (neutraal)
Afname tot 1,5 dB(A) of toename tot 1,5 dB(A)
-
Negatief effect
Toename van 1,5 tot 3 dB(A)
--
Zeer negatief effect
Toename van 3 dB(A) of meer
Ten gevolge van het plan vindt er een toename van de verkeersintensiteiten. Bij een toename van 40 % of meer is sprake van een relevante toename die hoger is dan 1,5 dB. Uit een analyse blijkt dat de verkeersintensiteit op de wegen rond het plangebied toeneemt, maar dat alleen de
65/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
verkeersintensiteit op de Zamenhofdreef tussen de Marnedreef en Brailledreef meer dan 40 % toeneemt. Om de mate van het effect aan te duiden zijn voor het wegverkeerslawaai van de Zamenhofdreef in Tabel 4.11 aangegeven klassengrenzen gehanteerd. Er vinden geen relevante cumulatie van effecten plaats op de bestaande woningen ten gevolge van het plan, aangezien de voor het industrielawaai relevante geluideffecten plaatsvinden op andere bestaande woningen plaatsvinden (ten oosten van het plangebied) dan de effecten ten gevolge van de toename van het verkeer over de Zamenhofdreef (ten zuiden van het plangebied). Tabel 4.11 Beoordeling effect toename geluid Zamenhofdreef op bestaande woningen Mate waarin geluidbelasting verandert voor bestaande woningen ten gevolge van de toename van het verkeer over de Zamenhofdreef Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
Afname van 3 dB(A) of meer
+
Positief effect
Afname van 1,5 tot 3 dB(A)
0
Geen effect (neutraal)
Afname tot 1,5 dB(A) of toename tot 1,5 dB(A)
-
Negatief effect
Toename van 1,5 tot 3 dB(A)
--
Zeer negatief effect
Toename van 3 dB(A) of meer
4.2.5 Effectbeoordeling In Tabel 4.12 zijn de resultaten van de effectbeoordeling voor geluid samengevat. Het is belangrijk dat onderstaande figuren (Figuur 4.15 en Figuur 4.16) naast de beoordeling worden gehouden. De tabel is namelijk gesplitst in de Figuur 4.15 meest negatieve effecten in het plangebied en de meest positieve effecten in het plangebied. In de figuren is duidelijk zichtbaar op welke locaties deze specifieke effecten optreden. Tabel 4.12 Beoordelingstabel geluid Indicator
Beoordeling
Meest
Beoordeling
Meest
meest
negatieve
meest
positieve
negatieve
effect
positieve
effect
effect Effect wegverkeer op
Klassegrenzen
effect -
het plangebied
Negatief
++
effect
Zeer
54 – 63 dB
positief effect
Effect geluid industrie
--
(RWZI + HWC) op het
bestaande woningen t.g.v. plan
-
Zeer
Zeer
effect ++
Zeer
negatief
positief
effect
effect
Negatief effect
> 63 dB
positief
effect --
het plangebied
Effect geluid HWC op
++
negatief
plangebied Cumulatief geluid op
Zeer
++
Zeer
≥ 66 dB
Toename van 1,5 tot 3 dB(A)
positief effect
66/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Indicator
Beoordeling
Meest
Beoordeling
Meest
meest
negatieve
meest
positieve
negatieve
effect
positieve
effect
effect Effect wegverkeer op bestaande woningen
Klassegrenzen
effect -
Negatief
0
effect
Geen
Toename van 1,5 tot 3 dB(A)
effect
t.g.v. plan
Per onderdeel worden de effecten hierna beschreven. Effect wegverkeer op nieuwe woningen plangebied In Figuur 4.15 zijn de geluidbelastingsklassen voor wegverkeer op de gevels van het plan schematisch weergegeven.
Figuur 4.15 Schematische weergave geluidbelastingsklassen wegverkeerslawaai op plangebied
Het effect van wegverkeer op de randen van het plangebied is negatief. Meer naar het midden van het plangebied is het effect positief tot zeer positief. De door gemeente Utrecht in het
67/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
geluidbeleid geformuleerde maximale ambitiewaarde per bronsoort van 63 dB wordt ten gevolge van wegverkeer nergens overschreden. Er wordt ook voldaan aan de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl. Effect industrie op nieuwe woningen plangebied In Figuur 4.16 zijn de geluidbelastingsklassen voor industrielawaai (RWZI + HWC) op de gevels van het plan schematisch weergeven.
Figuur 4.16 Schematische weergave geluidbelastingsklassen industrielawaai (RWZI + HWC)
Het effect van het geluid van industrie op de randen van het plangebied is zeer negatief tot negatief in het noordwestelijk deel van het plangebied. Het geluid van de hulpwarmtecentrale (HWC) is hier maatgevend. Op grotere afstand van de HWC, in het midden van het plangebied, is het effect positief tot zeer positief. De door gemeente Utrecht in het geluidbeleid geformuleerde maximale ambitiewaarde per bronsoort van 63 dB wordt ten gevolge van de HWC overschreden en ook de grenswaarde van 60 dB voor industrieterrein van het Bkl wordt overschreden.
68/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Effect gecumuleerd geluid op nieuwe woningen plangebied In bijlage 1a is het gecumuleerde geluid (geluid gemeentewegen + industrie RWZI + industrie HWC) weergegeven. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 70 dB Lden op bouwblok A2 ten gevolge van het industriegeluid van de HWC. Ook de bouwblokken A1 en C1 hebben een negatief effect ten gevolge van het industriegeluid van de HWC. Bouwblokken B1 en B2 hebben een negatief effect ten gevolge van het geluid van de Brailledreef. Voor de overige woningbouwblokken is sprake van een neutraal tot sterk positief effect. Effect plan op bestaande woningen In bijlage 1b is een overzicht gegeven van de effecten van de toename van het geluid van wegverkeer door de verkeersaantrekkende werking van het plan op de bestaande woningen langs de Zamenhofdreef. Ten gevolge van de toename van verkeer vindt er op de bestaande woningen langs de Zamenhofdreef een negatief effect plaats (toename tot maximaal circa 2,5 dB). Op de woningen waar een negatief effect plaatsvindt worden de standaardwaarden van het Bkl voor het geluid van gemeentewegen niet overschreden. Dit betekent dat de impact op het woon- en leefklimaat in de praktijk zeer beperkt zal zijn. In bijlage 1c is een overzicht opgenomen van de effecten van het plan op het geluid van de HWC.
Hieruit blijkt dat er op de woningen aan de westzijde een negatief effect optreedt (tot maximaal circa 2 dB toename) ten gevolge van een toename van de reflectie van het geluid in de geplande hoogbouw. Hoewel deze toename in praktijk naar verwachting niet hoorbaar is, zal nagegaan moeten worden er voor de woningen aangepaste hogere waarden vastgesteld moeten worden of toekomstige geluidproductieplafonds voor de HWC. De grenswaarde van 55 dB Lden van het Bkl en de maximaal toelaatbare grenswaarden van 55 dB(A) Letmaal van de Wet geluidhinder worden ten gevolge van de toename niet overschreden. Op de woonblokken ten zuidoosten van de hulpwarmtecentrale is het effect zeer positief. 4.2.6 Gevoeligheidsanalyse bouwvolumes In de voorgaande paragraaf zijn de effecten voor geluid inzichtelijk gemaakt voor het Masterplan 1.5. In Masterplan 2.0 worden beperkte wijzigingen doorgevoerd in de bouwvolumes en bouwhoogtes. In tabel 4.13 en de figuren 4.17 en 4.18 zijn de verschillen in de plannen weergegeven. Tabel 4.13 Verschil in indicatief berekende woningen Blok nummering
Aantal woningen
Blok nummering
Aantal woningen
Verschil MP2-
Masterplan 1.5
indicatief* MP 1.5
Masterplan 2.0
indicatief* MP 2.0
MP1.5
A1
85
A1
85
0
A2
179
A2
179
0
B1
262
B1
252
-10
B2
185
B2
200
15
B3
158
B3
158
0
C1
341
C1
348
7
69/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Blok nummering
Aantal woningen
Blok nummering
Aantal woningen
Verschil MP2-
Masterplan 1.5
indicatief* MP 1.5
Masterplan 2.0
indicatief* MP 2.0
MP1.5
C2
259
C2
263
4
C3
225
C4
225
0
C4
332
C5
332
0
C5
Mercado 1 laag
C3
Mercado
0
(een hal) D1
157
D1
160
3
D2
303
D2
303
0
E1
169
E1
162
-7
E2
150
E2
150
0
* Indicatief berekend op basis de woonoppervlakte (oppervlakte bovenlaag) en een BVO van 85m2 per woning
Figuur 4.17 Schematische weergave opbouw lagen Masterplan 1.5 (links) en Masterplan 2.0
Figuur 4.18 Vergelijking 3D-modellen Masterplan 1.5 (links) en Masterplan 2.0 (rechts)
Uit een vergelijking van de twee versies van het Masterplan blijkt dat er slechts geringe verschuivingen plaatsvinden in de woonvolumes en bouwhoogtes. In Masterplan 2.0 worden enkele woontorens iets lager uitgevoerd. Daarbij worden deze hoogteaccenten in beide versies
70/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
van het Masterplan wel op dezelfde plekken aangebracht. Wij verwachten dat de verschillen niet leiden tot een significante toe- of afname van het aantal woningen met geluid boven de standaardwaarden voor industrie of wegverkeer. Daarmee zullen de verschillen in de effecten van geluid tussen de twee versies van het Masterplan Overvecht Centrum nihil zijn. 4.2.7 Compenserende en mitigerende maatregelen De volgende compenserende of mitigerende maatregelen kunnen worden beschouwd en afgewogen: Mitigeren geluidbelastingen wegverkeer woningen van het plan en toename bestaande woningen: -
Vervangen van de wegdekverharding door stillere verharding op de Brailledreef, Zamerhofdreef (oostelijk deel) en Einsteindreef. Afgewogen dient te worden in hoeverre maatregelen financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Geluidsreducerend wegdek is niet altijd inpasbaar op kruispuntvlakken en rotondes. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer wordt het relatief zwakkere geluidsreducerend asfalt sneller kapotgereden. Daar komt bij dat de geluidreducerende werking in de praktijk na enige tijd afneemt. In de geluidmodellering wordt hier echter rekening mee gehouden
-
Wanneer geluidbeperkende maatregelen niet getroffen kunnen worden of onvoldoende zijn om te voldoen aan de standaardwaarde, dan kunnen de overschrijdingen toegestaan worden. Van belang is daarbij dat de gevelwering van de woningen voldoet aan eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zodat het gezamenlijke geluid niet leidt tot onaanvaardbare niveaus in verblijfruimtes. Tevens wordt bij het besluit om de overschrijding van de standaardwaarden toe te staan het belang van het beschermen van
de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken Mitigeren geluid HWC: Onderzocht kan worden of het mogelijk is om geluidreducerende maatregelen te treffen aan de maatgevende geluidbronnen van de HWC of dat het mogelijk is om geluidafschermende maatregelen te treffen. Afgewogen dient te worden in hoeverre maatregelen financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van -
stedenbouwkundige, landschappelijke of technische aard bestaan Wanneer geluidbeperkende maatregelen niet getroffen kunnen worden of onvoldoende zijn om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde of standaardwaarde, dan kunnen de overschrijdingen toegestaan worden. Het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel wordt bij dit besluit betrokkenen wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld en het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd Op delen van de bouwblokken A2 en C1 van het plan wordt de grenswaarde van 55 dB Lden van het Bkl overschreden. Daarvoor gelden de volgende aanvullende eisen: o Er worden bouwkundige maatregelen getroffen die bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van
71/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
een gemeenschappelijke doorgang, of er wordt geborgd dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Daarbij wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen o
is Er dient hierbij sprake te zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die de overschrijding van de grenswaarde rechtvaardige en er zijn geen maatregelen mogelijk om het geluid te laten voldoen aan de grenswaarde
4.3
Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
4.3.1
Relevant beleid
Voor relevant beleid omtrent stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar het planMER voor de Omgevingsvisie Overvecht. 4.3.2 4.3.2.1
Referentiesituatie Huidige situatie
Op dit moment is het plangebied gemengd gebruikt, onder andere door woningen en commerciële voorzieningen. Een deel wordt hiervan verwarmd door middel van stadswarmte, een ander deel door gasstook. In de huidige situatie komen dus emissies vrij uit CV-ketels en andere stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen. Het is niet bekend welk deel van het huidige gebruik verwarmd wordt door gas. Verder komen emissies vrij uit toe- en wegrijdend verkeer in/uit het plangebied. 4.3.2.2 Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling worden woningen in de omgeving van het plangebied bijgebouwd en worden vier grote warmtepompen geplaatst om restwarmte uit het gezuiverde afvalwater van de RWZI nuttig te gebruiken (zie paragraaf 3.2.3). Als deze restwarmte wordt gebruikt om woningen/commerciële voorzieningen van het gas af te halen zal dit resulteren in een reductie van stikstofemissies in de autonome ontwikkeling. Verder zal het wagenpark in de loop van de tijd steeds verder verschonen en zullen ook hier de emissies dalen. 4.3.3 Beoordelingskader Het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt beoordeeld aan de hand van de depositie van stikstof in mol/hectare/jaar op stikstofgevoelige habitattypen. Het aspect wordt kwantitatief beoordeeld.
In onderstaande tabel is te zien in welke gevallen een effect van een alternatief van zeer positief (++) tot aan zeer negatief (--) worden beoordeeld.
72/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Tabel 4.14 Beoordelingskader stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Depositie van stikstof in mol/hectare/jaar op stikstofgevoelige habitattypen Beoordeling
4.3.4
Effect
Klassegrenzen
++
Zeer positief effect
Afname van stikstofdepositie (mol N ha/jaar) = > 0,10
+
Positief effect
Afname van stikstofdepositie (mol N ha/jaar) = 0 – 0,10
0
Geen effect (neutraal)
Maximale depositie (mol N ha/jaar) = 0
-
Negatief effect
Maximale depositie (mol N ha/jaar) = 0 – 0,10
--
Zeer negatief effect
Maximale depositie (mol N ha/jaar) = < 0,10
Effectbeoordeling
Tabel 4.15 Beoordelingstabel stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Indicator
Beoordeling
Depositie van stikstof in mol/hectare/jaar op
-
Effect
Klassegrenzen
Negatief
Maximale depositie (mol N ha/jaar) = 0 – 0,10
stikstofgevoelige habitattypen
Uitgangspunten stikstofdepositie Situatiebeschrijving In Overvecht Centrum zal uitgespreid over meerdere fases een herontwikkeling plaatsvinden. Hierbij zullen stikstofverbindingen geëmitteerd worden, wat onder andere kan resulteren in een toename van stikstofdepositie in het nabijgelegen overbelaste natuurgebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ (zie Figuur 4.19).
73/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Figuur 4.19 Plangebied (blauwe contour) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (lichtgroen) (Bron: Atlas leefomgeving)
Door middel van AERIUS-berekeningen over meerdere jaren is in beeld gebracht hoe de toename van stikstofdepositie zich ontwikkelt in de tijd – 5 berekeningen representeren het laatste ontwikkeljaar per fase3, en de 6e berekening representeert de beoogde situatie na afronding van alle werkzaamheden. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2 van dit rapport. In de AERIUS-berekeningen is zowel de aanlegfase als gebruiksfase meegenomen. In de aanlegfase is rekening gehouden met emissies van (mobiele) werktuigen en bouwverkeer, en in de gebruiksfase van verkeer van toekomstige bewoners/bezoekers. Er zullen geen emissies zijn ten gevolge van gasstook omdat winkelcentrum Overvecht niet op het gasnet wordt aangesloten. Ook wordt geen rekening gehouden met het uit gebruik nemen van de huidige gasverbindingen; als dit bekend is kan hiermee gesaldeerd worden. Zie Tabel 4.16 voor een samenvatting van de uitgangspunten per fase. Aanlegfase Om emissies van de aanlegfase te kwantificeren is gebruik gemaakt van kentallen opgesteld door adviesbureaus TAUW en De Roever. De kentallen zijn gebaseerd op de werkelijke inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer bij een groot aantal woningbouwprojecten. Deze kentallen kunnen ook voor de ontwikkeling van commercie worden aangehouden, waarbij de inzet per 85 m² aan commerciële voorziening overeenkomt met één appartement.
Om rekening te houden 3
Uit faseringsplan; volgens dit plan wordt uitgegaan van 5 bouwjaren per fase.
74/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
met de ambities van gemeente Utrecht is er na 10 jaar een 40 % emissiereductie toegepast op de (mobiele) werktuigen (na 5 jaar 20 %). Omdat toekomstige extra emissiereducties onzeker zijn wordt deze 40 % ook toegepast op alle daaropvolgende jaren. Gebruiksfase Voor de verkeersberekeningen ten gevolge van de ingebruikname van de woningen en overige faciliteiten (gebruiksfase) is het verkeersmodel gehanteerd dat is aangeleverd door de gemeente Utrecht. Deze verkeersgegevens representeren het extra verkeer na afronding van winkelcentrum Overvecht (na fase 5) – om tot verkeersgeneratie te komen in de tussenliggende jaren is lineair geïnterpoleerd. In lijn met recente jurisprudentie zijn alleen de wegen meegenomen die een toeof afname van 5 % voorzien. Er is rekening gehouden met de toekomstige beoogde verschoning van het wagenpark (tot 2040, emissiekentallen daarna zijn niet bekend). Tabel 4.16 Uitgangspunten per fase Fase 1
Fase 2
Fase 3
Fase 4
Fase 5
Eindsituatie
Ontwikkeloppervlakte4 (m2)
45.353
50.329
70.113
79.836
90,245
0
Emissiereductie mobiele
20 %
40 %
40 %
40 %
40 %
-
2029
2034
2039
2044
2049
2050
werktuigen Rekenjaar5
Resultaten stikstofdepositie Er zijn 6 AERIUS berekeningen uitgevoerd. 5 berekeningen representeren het laatste ontwikkeljaar per fase, en de 6e berekening representeert de beoogde situatie na afronding van alle werkzaamheden. In Tabel 4.17 worden de resultaten beschreven. De hoogste depositie wordt verwacht in 2049 omdat in dit jaar fase 5 wordt afgebouwd, die het meeste ontwikkeloppervlakte heeft. Bovendien is het grootste deel van de ontwikkeling dan afgerond, wat resulteert in extra verkeersemissies (de verschoning van het wagenpark gaat minder snel dan de toename van verkeersemissies).
4 5
Onttrokken uit het volumeprogramma versie 1.5 (bouwoppervlakte per blok) en het faseringsplan (fase per blok). Het maximale rekenjaar in AERIUS is 2040. Voor de jaren hierna is dus 2040 gekozen.
75/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Tabel 4.17 Emissies en depositie van stikstof op stikstofgevoelige habitattypen 2029
2034
2039
2044
2049
2050
Ontwikkeloppervlakte6 (m2)
9.070
10.066
14.023
15.967
18.049
0
NOx emissies aanleg
217,0
181,3
252,6
287,6
325,2
0
9,4
9,8
12,5
13,9
15,7
0
NOx emissies beoogd (verkeer) (kg)
28,4
84,2
199,3
291,8
456,9
501,5
Totale emissies (kg NOx / jaar)
254,8
275,3
464,4
593,3
797,8
501,5
Grootste toename stikstof-
0,02
0,017
0,02
0,02
0,03
0,01
(werktuigen) (kg) NOx emissies aanleg (bouwverkeer) (kg)
depositie (mol N ha/jaar)
In fase 5 zijn de grootste toenamen van stikstofdepositie berekend. In tabel 4.18 zijn de resultaten van de AERIUS berekening weergegeven. Er is sprake van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Tabel 4.18 Berekende toenamen van stikstofdepositie als gevolg van fase 5 op Natura 2000-gebieden Habitattype
Maximale toename
Oppervlak
Totale oppervlak
(mol N/ha/jaar)
(ha)
binnen N2000 (referentiesituatie 2004)
Oostelijke Vechtplassen Lg05 Grote-zeggenmoeras
0,03
70,24
n.v.t.
H91D0 Hoogveenbossen
0,03
14,86
80,35
H7140B Overgangs- en trilvenen
0,02
14,45
21,36
ZGH3150 Zoekgebied Meren met
0,02
5,53
n.v.t.
ZGH3140 Zoekgebied Kranswierwateren
0,02
4,52
n.v.t.
H3150 Meren met krabbenscheer en
0,02
3,90
288,62*
H3140 Kranswierwateren
0,02
1,16
94,47*
H6410 Blauwgraslanden
0,02
0,78
2,17
H7210 Galigaanmoerassen
0,02
0,31
1,39
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
0,01
4,37
17,33
ZGH7140B Overgangs- en trilvenen
0,01
0,54
n.v.t.
ZGH91D0 Zoekgebied hoogveenbossen
0,01
0,01
n.v.t.
H4010B Vochtige heiden (laagveengebied)
0,01
0,01
1,14
Naardermeer
0,01
Lg05 Grote-zeggenmoeras
0,01
0,23
n.v.t.
krabbenscheer en fonteinkruiden
fonteinkruiden
(veenmosrietlanden)
Er zijn in de Oostelijke Vechtplassen toenamen berekend op alle stikstofgevoelige habitattypen en een leefgebied. Naast dat de habitattypen op zichzelf een instandhoudingsdoel hebben, kunnen
76/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
deze ook een functie hebben als (onderdeel van) een stikstofgevoelig leefgebied voor Vogel- of Habitatrichtlijnsoorten. Binnen de maximale rekenafstand zijn nog een aantal Natura 2000gebieden gelegen, waar in de ‘beoogde situatie’ een bijdrage groter dan 0,00 mol N/ha/jaar is berekend, maar waar met intern salderen geen toe- of afname van stikstofdepositie is berekend. Het effect is daarmee 0,00 mol N/ha/jaar. Het gaat daarbij om de volgende gebieden: Lingegebied & Diefdijk-Zuid Kolland & Overlangbroek
Uiterwaarden Lek Botshol Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
Zouweboezem
In de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer is sprake van een toename van stikstofdepositie. In de Natuurdoelanalyses8 (Provincie Noord-Holland, 2023a; Provincie Noord-Holland, 2023b) is het meest recente overzicht opgenomen van de relevante knelpunten voor de Natura 2000-gebieden. Beide gebieden zijn vergelijkbaar in systeemfunctioneren. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat de voornaamste knelpunten voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen betrekking hebben op de overmaat van atmosferische stikstofdepositie, een ontoereikend watersysteem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en peilvariatie), kleine arealen en versnippering van met name de open habitattypen (H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), H6410 Blauwgraslanden, H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen), H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) en H7210 Galigaanmoerassen), invasieve soorten (exotische rivierkreeften, waterwaaier, ongelijkbladig vederkruid) en ganzenvraat. In de Oostelijke Vechtplassen is daarnaast de verweving met (te) intensieve landbouw een knelpunt. In het Naardermeer is binnen het Natura 2000-gebied geen verweving met landbouwfuncties waardoor dit knelpunt niet van toepassing is. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat voor alle habitattypen waar een toename van stikstofdepositie op berekend is het eindoordeel ‘nee, tenzij’ gegeven is.
Dit betekent dat met het huidig maatregelpakket van genomen en nog te nemen, geborgde maatregelen, instandhouding nog niet in zicht is. Doordat stikstofdepositie een van de primaire knelpunten is voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen is bij een toename van stikstof een significant effect niet op voorhand uit te sluiten. Conclusie De maximale toename van stikstofdepositie wordt verwacht aan het einde van fase 5, het laatste jaar voor afronding van Overvecht Centrum. Hierbij is niet uitgegaan van extra emissiereductie in werktuigen bovenop de 40 % die de gemeente Utrecht ambieert op de kortere termijn. Deze maximale toename is 0,03 mol/ha/jaar. De effectbeoordeling is daarom negatief, maar heeft wel
6
Omdat wordt uitgegaan van 5 jaren per fase, is dit 20% van het ontwikkeloppervlakte. De toename is lager, terwijl NOx emissies hoger zijn. Deze paradoxale uitkomst komt door een andere NOx/NH3 verhouding; een NOx toename door verkeer weegt in dit geval minder zwaar mee dan diezelfde NOx toename van mobiele werktuigen 8 Provincie Noord-Holland, 2023. Natuurdoelanalyse Oostelijke Vechtplassen; Provincie Noord-Holland, 2023 Natuurdoelanalyse Naardermeer 7
77/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
zicht om neutraal te worden als de beëindiging van het huidige gasverbruik van het winkelcentrum wordt meegenomen in deze studie of bij verdere elektrificatie van werktuigen. 4.3.5
Compenserende en mitigerende maatregelen
De hoogste bijdrage aan de stikstofdepositie tot en met 2039 is het gevolg van de verkeersgeneratie van de inzet van mobiele werktuigen tijdens de bouw. In de verdere toekomst zal de nadruk vooral liggen op de verkeersgeneratie. Er dient opgemerkt te worden dat na 2040 het wagenpark naar alle waarschijnlijkheid verder zal verschonen, maar hier is geen rekening mee gehouden omdat kentallen na 2040 niet bekend zijn. Een verdere verschoning van het wagenpark kan op termijn mogelijk de stikstofdepositie van de verkeersgeneratie doen afnemen. Het vergroten van de nadruk op actieve mobiliteit / openbaar vervoer zou hierbij kunnen helpen. Er is na 10 jaar een 40 % emissiereductie toegepast op de (mobiele) werktuigen en 6 % AdBlueverbruik. In de daaropvolgende jaren is hier nog steeds van uitgegaan terwijl verdere elektrificatie en verbeterde efficiëntie goed denkbaar zijn. Als duurzaamheidsbelangen mee worden genomen bij toekomstige aanbesteding kan dit percentage (veel) hoger uitvallen. Woningen en commerciële voorzieningen die worden gesloopt in winkelcentrum Overvecht en daarmee leiden tot de beëindiging van gasstook kunnen worden gebruikt voor interne saldering. De vrijgekomen stikstofruimte borgt een deel van de toename van stikstofdepositie. Dit deel hangt af van welke deel van de woningen/commercie gasgestookt is.
4.4
Natuur en biodiversiteit
4.4.1
Relevant beleid
Voor relevant beleid omtrent natuur en biodiversiteit wordt verwezen naar het planMER voor de Omgevingsvisie Overvecht. 4.4.2 4.4.2.1
Referentiesituatie Huidige situatie
Voor de beschrijving van de huidige situatie is met name voor het onderdeel ‘soortenbescherming’ onder de Omgevingswet gebruik gemaakt van een uitgebreid literatuuronderzoek. Daarnaast is op 24 januari 2023 een oriënterend veldbezoek uitgevoerd. Onder andere de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en verschillende verspreidingsatlassen zijn geraadpleegd. Ook is een onderzoek dat eerder nabij het plangebied is uitgevoerd9 geraadpleegd. De afstand van het plangebied in de Utrechtse wijk Overvecht tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘de Oostelijke Vechtplassen’ bedraagt circa 5,5 km. Een aantal natuurgebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen dichterbij, op circa 2 km afstand.
9
Quickscan aanleg warmteleiding RWZI-HWC Overvecht (TAUW, 2022)
78/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Figuur 4.20 Plangebied (rode contour) ten opzichte van Natura-2000 gebieden en NNN-gebieden in de Provincie Utrecht
Het plangebied bestaat uit een aantal grote gebouwen die dienen als winkelcentrum en woningen. De rest van het plangebied is opgebouwd uit verharding zoals wegen, fietspaden en parkeerplaatsen. Er is in beperkte mate groen aanwezig en oppervlaktewater bevindt zich aan de randen van het plangebied. De watergang aan de Brailledreef is gelegen binnen de plangebiedsgrens. De gebouwen bieden in wisselende mate ruimte voor gebouw bewonende diersoorten als vleermuizen. Net buiten het plangebied staan langs wegen veel grote bomen met her en der ondergroei in de vorm van struweel, dat ruimte biedt voor verschillende beschermde en Utrechtse soorten. In de tekst hieronder is samengevat welke beschermde en Utrechtse soorten in de huidige situatie in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is kort samengevat hoe de huidige staat van de biodiversiteit in het plangebied gekarakteriseerd wordt. Beschermde soorten onder de Omgevingswet Aan de hand van beschikbare informatie is de aanwezigheid van verschillende relevante soorten en habitats vastgesteld of te verwachten in het plangebied. Indien een soort(groep) niet wordt benoemd dan kan de soort(groep) niet voorkomen in het plangebied.
79/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Vaatplanten Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF, veldbezoek en de uitgevoerde quickscan (TAUW, 2022) blijkt dat er geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde flora binnen het plangebied zijn. Grondgebonden zoogdieren Op basis van de recent uitgevoerde quickscan blijkt dat verschillende zoogdieren in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Het gaat hierbij om de volgende soorten: Boommarter Das
Steenmarter Eekhoorn Algemene zoogdieren
Zoals wordt gesteld in de quickscan uitgevoerd bij de RWZI ten westen van het plangebied, biedt de omgeving geen geschikt leefgebied voor boommarter en das. Het winkelcentrum en omgeving zijn zeer verstedelijkt. Waarnemingen van boommarter zijn alleen in de regio bekend ten noordoosten van de woonkern van Utrecht (NDFF, 2023). Het plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied van Utrecht met veel bedrijvigheid en verstoring. De groenstroken rondom het plangebied zijn daarnaast niet robuust genoeg om boommarter en das te voorzien in voldoende dekking. Daarnaast zijn geen holen of burchten en sporen aangetroffen. Steenmarter heeft vooral verblijfplaatsen in bebouwing en komt voor tot in stedelijk gebied. Gezien de mate van verstoring en het gebruik van de panden binnen het plangebied is er geen ruimte voor verblijfplaatsen van steenmarter. Eekhoorn komt voor tot in stedelijk gebied maar vooral in parken. Binnen het plangebied staan te weinig bomen om in verblijfplaatsen voor eekhoorn te voorzien. Ook de groenstrook ten westen van het plangebied herbergt geen eekhoornnesten en potentieel leefgebied (TAUW, 2022). Het park ten zuidoosten van het plangebied, nabij de watertoren, kan mogelijk wel functioneren als leefgebied voor eekhoorn. Aanwezigheid van grondgebonden beschermde zoogdieren binnen het plangebied wordt uitgesloten.
Vleermuizen In de huidige situatie kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in de gebouwen aanwezig zijn. Het gaat om verblijfplaatsen van de volgende gebouw bewonende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis Meervleermuis Laatvlieger
Kleine dwergvleermuis
80/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Aanwezigheid van vleermuizen en hun verblijfplaatsen in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Broedvogels In het plangebied zijn mogelijkheden voor (algemene) vogels waarvan het nest alleen gedurende de broedperiode beschermd is. Hierbij dient voorkomen te worden dat in gebruik zijnde nesten verstoord of vernietigd worden. Dit kan door voorafgaand aan werkzaamheden een controle uit te voeren en waar nodig preventieve maatregelen te nemen. Indien dat gebeurt, kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen (in het Besluit Activiteiten Leefomgeving; Bal) overtreden worden. In en nabij het plangebied komen de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie voor op basis van de recent uitgevoerde quickscan (TAUW, 2022): Buizerd
Sperwer Ransuil Boomvalk
Huismus Gierzwaluw
Er zijn binnen het plangebied echter geen nestlocaties van deze soorten geconstateerd. Net buiten het plangebied ten westen is een zwarte kraaiennest aanwezig (TAUW, 2022) dat mogelijk door sperwer kan worden overgenomen (maar die kans is klein gezien de locatie in hoogstedelijk gebied). Geschikte broedlocaties voor huismus en gierzwaluw in de bebouwing ontbreken. Er zijn geen geschikte invliegopeningen geconstateerd en voor huismus ontbreekt het aan functioneel groen in het plangebied. Aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nestlocatie binnen het plangebied wordt uitgesloten. Vissen De watergang aan de Brailledreef is niet geschikt bevonden voor beschermde vissoorten vanwege de uiterlijke kenmerken en de ligging midden in de stad. In de ruime omgeving van het plangebied is alleen de beschermde grote modderkruiper aanwezig (NDFF, 2023). Deze komt met zekerheid niet voor in het plangebied. Andere soort(groep)en Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen gevonden of waarnemingen gedaan van overige beschermde soort(groep)en. Uit de bekende verspreidingsgegevens en literatuur blijkt dat er geen reden is om te verwachten dat beschermde amfibieën, reptielen, dagvlinders, libellen of overige ongewervelden aanwezig (kunnen) zijn binnen het plangebied.
Wel kunnen soorten van deze soortgroepen binnen het plangebied aanwezig zijn die niet onder een beschermingsregime van de Omgevingswet vallen. Het gaat daarbij om allerlei algemene insecten en andere ongewervelden.
81/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Utrechtse soorten Om soorten die niet (meer) beschermd zijn alsnog te beschermen heeft de Gemeente Utrecht de Utrechtse soortenlijst, die tevens is opgenomen in de Omgevingsvisie Utrecht, opgesteld. De Utrechtse soortenlijst bevat 64 soorten (zie Tabel 4.18): vijf vogelsoorten, drie vissoorten, zes soorten wilde bijen, veertig plantensoorten en tien paddenstoelensoorten (Gemeente Utrecht, 2018). Tabel 4.19 Overzicht van soorten uit de Utrechtse soortenlijst per soortgroep Soortgroep
Soorten op Utrechtse soortenlijst
Flora
Aardaker, akkerklokje, bijenorchis**, brede lathyrus, brede wespenorchis**, distelbremraap, dotterbloem, fijn venushaar, gele helmbloem*, grasklokje, grote kaardenbol, grote kattenstaart, grote keverorchis**, grote wederik, hondskruid, klein glaskruid*, kruisbladgentiaan, maretak, moeraswespenorchis**, prachtklokje, rapunzelklokje, rietorchis**, ruig klokje, slanke sleutelbloem, steenbreekvaren* stengelloze sleutelbloem, stengelomvattend havikskruid*, tongvaren*, veldlathyrus, veldsalie, vleeskleurige orchis**, waterdrieblad, wilde marjolein, wilde reseda, winterheliotroop, wouw, zomerklokje, zwanenbloem, zwartblauwe rapunzel en zwartsteel*.
Paddenstoelen
Franjeamaniet, goudporieboleet, grauwe wasplaat, honinggordijnzwam, iepenbuisjeszwam, oranje oesterzwam, poulierrussula, robijnboleet, ruige melkzwam, witte galgordijnzwam
Vogels (zonder jaarrond
Merel, kleine karekiet, tjiftjaf, blauwborst, roerdomp
beschermde nesten) Wilde bijen
Gewone slobkousbij, grote klokjesbij, kattenstaartbij, klokjesdikpootbij, lathyrusbij, resedamaskerbij
Vissen
Bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
*Muurplanten **Orchidee
Flora Er zijn tijdens het veldbezoek geen Utrechtse muurplanten waargenomen. Aangezien het in het plangebied aan geschikt habitat ontbreekt zijn negatieve effecten als gevolg van de plannen op muurplanten uitgesloten. Ook voor orchideeën ontbreekt geschikt habitat in het plangebied. Orchideeënsoorten stellen hoge eisen aan de ecologische kwaliteit van de omgeving. Het plangebied is onvoldoende geschikt voor populaties van orchideeën gezien het voedselrijke karakter (braam en robertskruid aanwezig). Negatieve effecten als gevolg van de plannen op orchideeën uit de Utrechtse soortenlijst zijn uitgesloten. Wat betreft de resterende plantensoorten is het plangebied ook ongeschikt bevonden. Gezien het voedselrijke karakter en de afwezigheid van mogelijke groeiplaatsen, worden er geen soorten van de Utrechtse soortenlijst verwacht.
82/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Paddenstoelen Gezien er geen geschikt habitat in het plangebied aanwezig is, is het voorkomen van en effecten op paddenstoelen van de Utrechtse soortenlijst uitgesloten. Broedvogels Er bevindt zich geen geschikt broedgebied voor de Utrechtse vogelsoorten in het plangebied. Er is geen rietmoeras aanwezig voor roerdomp, blauwborst en kleine karekiet. Daarnaast is er te weinig geschikt groen en beschutting voor merel en tjiftjaf om te broeden. Deze 2 soorten kunnen wel sporadisch binnen het plangebied voorkomen en tot broeden komen in de directe omgeving van het plangebied. Wilde bijen Gezien het gebrek aan bloeiende planten en potentiële nestelgelegenheid wordt structurele aanwezigheid van Utrechtse wilde bijen uitgesloten. Vissen De watergang aan de Brailledreef valt binnen de begrenzing van het plangebied. Deze watergang biedt geen geschikt habitat voor bittervoorn. Plantenrijk water met zoetwatermossels ontbreekt. Kleine modderkruiper komt veelvuldig voor ten noorden van het plangebied, in de polder (NDFF, 2023) en ten westen van het plangebied in Oud-Zuilen (NDFF, 2023). In en om het plangebied is de waterkwaliteit onvoldoende geschikt bevonden voor deze soort. Dit komt mede door het ontbreken van plantengroei. De watergang aan de brailledreef biedt geen geschikt habitat voor rivierdonderpad. Stenen of andere beschutting om te schuilen ontbreken.
Biodiversiteit Het plangebied bestaat vooral uit (oude) bebouwing en verharding. Groen en oppervlaktewater is slechts beperkt aanwezig, waarbij de kwaliteit van het aanwezige groen en water voor de biodiversiteit beperkt lijkt te zijn. In de huidige situatie wordt derhalve verwacht dat de biodiversiteit in het plangebied erg laag is. 4.4.2.2
Autonome ontwikkeling
De autonome ruimtelijke ontwikkelingen die zijn beschreven in paragraaf 3.2.3 hebben, met uitzondering van het Groene Lint, geen invloed op de aan- of afwezigheid van beschermde natuur. Door realisatie van het Groene Lint worden er mogelijk meer soorten richting het plangebied getrokken. De potentie van het plangebied blijft echter gelijk, waardoor er (incidentele waarnemingen daargelaten) geen andere dan in paragraaf 4.4.2.1 (huidige situatie) beschreven soorten worden verwacht. Voor natuur en biodiversiteit is een vorm van autonome ontwikkeling ook de mogelijke kolonisatie van nieuwe (in de huidige situatie nog niet aanwezige) soorten. De Teunisbloempijlstaart, voorheen een zuidelijke soort, is de laatste jaren aan een duidelijke opmars bezig (Nature Today, 2019). De Teunisbloempijlstaart komt met name voor in graslanden en op braakliggende terreinen. Daarbij is de aanwezigheid van de waardplant teunisbloem (en in mindere mate ook
83/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart) van belang. Hoewel een zeer kleine kans, is het mogelijk dat de soort in de komende jaren ook de omgeving van het plangebied bereikt en koloniseert. Een andere autonome ontwikkeling is dat het winkelcentrum mogelijk drukker wordt. De verwachte (beschermde) soorten (zoals vleermuizen en algemene broedvogels) kunnen in dat geval nog steeds gebruik maken van het plangebied, maar de mate van verstoring zal toenemen. Dit vergroot de kans op verminderd gebruik door (beschermde) soorten. Naar verwachting zorgt klimaatverandering, als autonome ontwikkeling, voor een toenemende hittestress in stedelijk gebied. Ook het plangebied zou hier de gevolgen van kunnen ondervinden. Eventueel in het plangebied aanwezige soorten kunnen hier negatief door beïnvloed worden en vervolgens mogelijk geen of verminderd gebruik maken van het plangebied. Andere autonome ontwikkelingen met betrekking tot beschermde natuur zijn niet te verwachten. 4.4.3 Beoordelingskader Het aspect natuur en biodiversiteit in het plangebied wordt beoordeeld aan de hand van de (potentiële) aanwezigheid van beschermde soorten en biodiversiteit in het gebied. Dit is zeer sterk afhankelijk van het in te passen groen (kwantiteit en kwaliteit) en de mate van natuurinclusieve maatregelen in de (nieuwe) bebouwing. Het aspect wordt kwalitatief beoordeeld.
Tabel 4.20 Beoordelingskader beschermde soorten en biodiversiteit Aanwezigheid van beschermde soorten en biodiversiteit in plangebied Beoordeling ++
Effect
Klassegrenzen
Zeer positief effect
Het plan vergroot de hoeveelheid beschermde soorten en biodiversiteit in Overvecht Centrum sterk
+
Positief effect
Het plan vergroot de hoeveelheid beschermde soorten en biodiversiteit in Overvecht Centrum
0
Geen effect (neutraal)
-
Negatief effect
--
Zeer negatief effect
Het plan draagt niet bij aan een toe- of afname van de hoeveelheid beschermde soorten en biodiversiteit in Overvecht Centrum Het plan verkleint de hoeveelheid beschermde soorten en biodiversiteit in Overvecht Centrum Het plan verkleint de hoeveelheid beschermde soorten en biodiversiteit in Overvecht Centrum sterk
4.4.4
Effectbeoordeling
Tabel 4.21 Beoordelingstabel aanwezigheid van beschermde soorten en biodiversiteit in het plangebied Indicator De aanwezigheid van beschermde soorten en
Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
+
Positief
Het plan vergroot de hoeveelheid beschermde
84/202
Kenmerk
R002-1287850JAJ-V06-efm-NL
Indicator
Beoordeling
Effect
Klassegrenzen
biodiversiteit in
soorten en biodiversiteit
plangebied
in Overvecht Centrum
In de huidige situatie is weinig groen aanwezig. Het groen dat aanwezig is draagt slechts beperkt bij aan een hoge biodiversiteit. Ook is de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde en Utrechtse soorten zeer beperkt. Om een positief effect te realiseren is het zaak om meer (kwantiteit) en diverse (kwaliteit) beplanting in de toekomstige situatie terug te laten komen. Gezien de doelstellingen omtrent vergroening (‘in het hele gebied realiseren we 25 % meer groen dan in de huidige situatie’, ‘groen krijgt zoveel mogelijk ruimte’ en ‘variatie in typen beplanting’), wordt ervan uitgegaan dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het groen in de toekomstige situatie toeneemt. Ingezet wordt op verbindingen met bestaand groen en water in de omgeving:
De Einsteindreef wordt ontwikkeld tot een groene stadslaan en zal daarmee functioneren als ecologische verbinding tussen het Noorderpark en de Vecht De Zamenhofdreef wordt een groene verbinding tussen Park de Gagel en Park de Watertoren
Naast verbindingen met bestaand groen en water in de omgeving worden, door natuurinclusief te ontwerpen, diersoorten naar het gebied getrokken. In het Masterplan Overvecht Centrum zijn 5 diersoorten aangewezen waarvoor leefgebied wordt ingepast. Het betreft egel, huismus, bont zandoogje, gewone dwergvleermuis en gierzwaluw. Het in te passen groen wordt voor deze soorten met de omliggende groenstructuren verbonden om deze dieren als het ware de wijk in te trekken. De gevarieerde beplanting (bijvoorbeeld besdragende struiken) dient als schuilplek (veiligheid), nestgelegenheid en voedselbron. Nestgelegenheden in gebouwen (nestkasten) bieden voor huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis ruimte voor voortplanting. Omdat in de toekomstige situatie het plangebied groener wordt, met meer ecologische kwaliteit, en de verbinding met naastgelegen groen en water wordt versterkt, wordt het effect op beschermde soorten en biodiversiteit als positief beoordeeld. Omdat een dergelijk hoogstedelijk gebied niet voor ontzettend veel soorten interessant is (gezien de mate van verstoring) en omdat Overvecht Centrum qua ligging niet de meest gunstige is voor natuur, wordt het effect niet als zeer positief beoordeeld. 4.4.5
Compenserende en mitigerende maatregelen
In het kader van natuur en biodiversiteit is sprake van een positief effect als gevolg van het Masterplan Overvecht Centrum. Echter, als gevolg van (sloop)werkzaamheden in het plangebied treden er in eerste instantie mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten op. Sloop, nieuwbouw en renovatie moeten binnen de kaders van het soortmanagementplan (SMP) worden uitgevoerd. Dat betekent onder andere dat er in het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden geïnvesteerd wordt in voldoende (alternatieve) verblijfplaatsen. De woningbouwcorporaties nemen dit mee in hun onderhoudsrondes en bij nieuwbouw worden altijd extra verblijfplaatsen geëist. Op die manier wordt het mogelijke verlies van verblijfplaatsen van beschermde soorten (met name huismus, gierzwaluw en vleermuizen) in Overvecht Centrum tegengegaan.